diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 04:53:17 -0800 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-01-23 04:53:17 -0800 |
| commit | dff80f2e989817e1dabc3777b032ca7687bc3967 (patch) | |
| tree | a6a98a4ba65541e9617ba07537629d3d4cdf5a19 /old/64986-0.txt | |
| parent | c29f7ff3454e596526263ad3f32b3637e18681c4 (diff) | |
Diffstat (limited to 'old/64986-0.txt')
| -rw-r--r-- | old/64986-0.txt | 26979 |
1 files changed, 0 insertions, 26979 deletions
diff --git a/old/64986-0.txt b/old/64986-0.txt deleted file mode 100644 index df59ed5..0000000 --- a/old/64986-0.txt +++ /dev/null @@ -1,26979 +0,0 @@ -The Project Gutenberg eBook of Aspasia, by Robert Hamerling - -This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and -most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions -whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms -of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at -www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you -will have to check the laws of the country where you are located before -using this eBook. - -Title: Aspasia - -Author: Robert Hamerling - -Translator: W.F.P. Enklaar - -Illustrator: A. Poussin - -Release Date: April 03, 2021 [eBook #64986] - -Language: Dutch - -Character set encoding: UTF-8 - -Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading - Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg - -*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA *** - - - - - ASPASIA - - DOOR - ROBERT HAMERLING - - VOLLEDIGE VERTALING DOOR - W. F. P. ENKLAAR - - VIERDE GEAUTORISEERDE UITGAVE - - MET ILLUSTRATIE’S VAN - A. POUSSIN - - - - - Uitgave van - Gebroeders E. & M. COHEN, AMSTERDAM - Heerengracht 326 - - - - - - - -VOORREDE. - - -Wanneer deze roman, naar eene vele malen aangehaalde les van onzen -tijd, een volk—het oud-helleensche—„bij zijn arbeid opzoekt” en de -cosmopolitische arbeid van het Helleensche volk zich uitstrekt tot den -werkkring van kunstenaars, dichters en denkers, zal het dan niet -schijnen, dat aan deze soort van arbeid en aan de schildering daarvan -iets diepzinnigs en wijsgeerigs aankleeft? - -Zal de frissche bekoorlijkheid van den indruk niet achterstaan bij die -beelden, welke aan de bron van een naïef, oorspronkelijk, werkelijk -ontluikend leven zijn ontleend, waaruit de poëzie nog heeft geput? En -moet zulk eene poging, evenals op de bekoorlijkheid van dat naïeve en -natuurlijke, ook niet schipbreuk lijden op de bekoorlijkheid van het -geestige in onzen hedendaagschen zin, van het realistische pikante op -de verscheidenheid der tegenwoordige poëzie? Mocht Helleensch leven -anders dan met Helleenschen eenvoud voorgesteld worden? Mocht de -schrijver naar iets anders trachten dan naar een adem van den -Helleenschen geest, van Helleensche bevalligheid en liefelijkheid? -Rijzen er bovendien geene bedenkelijke bezwaren, om een leven, dat -reeds is ondergegaan te schilderen? Détail-schildering van het -hedendaagsche leven wordt als een aantrekkelijk realisme geprezen; die -der Oudheid echter zal op velen den indruk van huiveringwekkende -geleerdheid maken. Inderdaad, wie dit werk slechts vluchtig -doorbladert, en opmerkt dat de afzonderlijke hoofdstukken verschillende -zijden van het Helleensche leven openen, hij zal spoedig met zijn -oordeel gereed zijn, hij zal gelooven alleen een schetsboek vóór zich -te hebben, in het gunstigste geval een „historischen” roman, wat, naar -de beschouwing des meesten, zooveel zegt als geen roman. - -En toch—wanneer deze roman als kunstwerk van de levensbeschrijving, de -geschiedenis, het bloote verhaal zich door innerlijke en uiterlijke -samenstelling onderscheidt, wanneer hij niet alleen de uitdrukking van -een in zich besloten leven en lot is, maar ook van een kamp in -natuurlijke ontwikkeling en oplossing, dan is het volgende verhaal een -roman te noemen. Want niet alleen blinkt daarin in bepaalde gestalte de -schoone, geestelijk opgevatte zinnelijkheid door, en hare opkomst, -bloei en verval; de strijd tusschen het aesthetisch en zedelijk -levens-ideaal wordt ontwikkeld en beslist in het lot van één enkel -persoon en van één volk. Steeds heeft deze vergelijking van het lot van -enkele personen en volken, van het individueele en het algemeene leven -mij voor den geest gestaan, als het echte geheim der Epische dichting, -als haar hoogste beginsel, als haar eigenlijk gebied. Evenwel niet -alzoo, dat het détail van het verhaalde individueele leven en van het -algemeene juist naast elkander loopen: alsof het eene slechts eene -episode ware van het andere, maar dat beide aan één en hetzelfde détail -zijn vastgeknoopt en zooveel mogelijk, als een organisch geheel, -levendig in elkander geweven en gevlochten zijn. - -Met mate slechts mocht, om den reinen, bevalligen indruk van het beeld -niet te bederven, de strijd worden aangegeven: slechts zacht mocht hij -voortgaan en zoo schijnt de handeling wellicht door een dunnen draad -verbonden te zijn. Maar de schilderingen en gesprekken, die als eene -uitweiding voorkomen, dat alles zonder uitzondering komt ten laatste -tot zijn recht, vol licht, het vertoont zich in zijne noodzakelijkheid, -in betrekking tot het geheel, tot de gedachte. - -Maar niet tot eene gedachte in den afgetrokken zin des woords. Laat de -meening zich niet van u meester maken, welwillende lezer, dat het -verloop van deze geschiedenis om eene bepaalde strekking veranderd of -verdraaid is geworden. Ik geef het reilen en zeilen, het worstelen en -streven der menschen weder en de woorden waarmede zij het verdedigen. -Ik heb geene strekking op het oog dan die van het leven, geene zedeleer -dan die der noodzakelijkheid, geene logica dan die der feiten, welke -uit schering en inslag bestaat, zoo gelijkmatig en bestendig, als het -heen en weder bewogen worden van de pijnboomtoppen door den wind. De -wijzen beweren wel te recht, dat de idee nooit volkomen opgaat in de -werkelijkheid. De dichter, die eene bepaalde bedoeling beoogt, volgt -haar tot op eene zekere hoogte van hare ontwikkeling, houdt ze daar op -een punt, hetwelk zij toch eigenlijk slechts vluchtig raakt, met geweld -vast, laat haar in alle bonte kleuren schitteren tot vreugde der -stervelingen, en maakt de zeepbel tot eene vaste ster. De reine, -onbevooroordeelde poëzie echter begeleidt de idee op den weg harer -ontwikkeling het liefst tot dat punt, waar zij, om weder tot hare -reinheid terug te keeren, aan den Phoenix gelijk, zich zelven aan de -vlammen overgeeft. - - R. H. - - Gräz, November 1875. - - - - - - - -ASPASIA - -I. - -DE SCHAT VAN DELOS [1]. - - -Op een zonnigen dag in het zwoele jaargetijde richtte een slanke, -jeugdige vrouwengestalte, vergezeld door eene slavin, in de stad der -Atheners haren snellen tred over de Agora [2]. De verschijning dezer -vrouw had de wonderlijke uitwerking, dat elk wie haar ook op den weg -ontmoette en had aangekeken, achter haar stil stond en als vastgenageld -haar een geruimen tijd naöogde. De oorzaak daarvan lag niet zoozeer in -de omstandigheid, dat het schier eene zeldzaamheid was, wanneer men -eene vrije Atheensche vrouw uit den hoogeren stand openlijk op de -straten zag wandelen, als wel vooral hierin, dat deze vrouwengestalte -van eene buitengewone en overweldigende schoonheid was. - -Op de gezichten van hen, die bij de ontmoeting haar aanstaarden, of -achter haar, als aan den grond genageld haar naöogden, spiegelde de -verbazing zich op alle mogelijke wijzen van uitdrukking af. - -Eenigen lachten met welgevallen, de oogen van grijsaards, wier baard -reeds grauwde, fonkelden, anderen sloegen op de vrouw blikken, als die -van een Faun [3], wederom anderen drukten een soort van eerbied uit, -alsof zij eene Godin zagen. Eenigen vestigden op haar een ernstigen, -bevredigden kennersblik, anderen keken als dwazen, met den mond van -verwondering half geopend. Evenwel waren er ook niet weinigen, die een -spottenden grijnslach vertoonden en een kwaadaardigen, sarkastischen -blik op haar vestigden, alsof schoonheid zonde ware.—Mannen, die twee -aan twee of in groepen stonden, braken hun gesprek af. Gezichten, -waarop de verveling te lezen stond, schenen op eens als bezield; het -voorhoofd, met rimpels doorploegd, werd effen. Er kwam beweging in de -gemoederen. - -De verschijning der vrouw was als een zonnestraal, die in een priëel -van rozen valt en waarin de muggen in bacchantische dwarling hare -dansen uitvoeren. - -Onder degenen, wier aandacht de indrukwekkende vrouwengestalte tot zich -trok, waren ook twee mannen, die zwijgend naast elkander voortgingen. -Rustig, ernstig, vol waardigheid en edel waren beiden van uiterlijk; de -een, om wiens hoofd donkere lokken golfden, was jonger, statig, doch -niet zonder een spoor van weekelijkheid in zijn trekken; nog hooger, -bijna eerbied afdwingend, stak naast hem de gestalte uit van den -ouderen man, en het groote voorhoofd welfde zich over zijn diepzinnige -oogen. Het was, als zag men den vurigen Achilles voortschrijden, naast -Agamemnon, den gebieder der volken. - -De jongste sloeg een blik van verrassing op de betooverende vrouw; de -oudste daarentegen bleef rustig: het was, alsof hij de schoone niet -voor de eerste maal had gezien en hij scheen zóó onverschillig, zóó -diep in andere gedachten verzonken, dat zijn metgezel eene vraag -onderdrukte, die hem reeds op de lippen zweefde. - -Een slaaf liep achter de beide mannen. Zij volgden den langen, -stoffigen weg, die naar den Piraeus [4] voerde. - -Vorschend liet in het voortgaan de jongste soms zijn blikken weiden -over den hel schitterenden spiegel van den Saronischen zeeboezem. Zijn -oog was scherp, als het oog van een adelaar. Hij ontwaarde een schip, -dat nog niet zichtbaar was voor den blik van een ander mensch. Hij zag -het opdoemen aan het uiteinde van den horizont der zee. De nadering van -het vaartuig was onmerkbaar bij den grooten afstand. De man, met den -adelaarsblik, had het voorkomen van iemand, die zich weet te -beheerschen; maar wanneer hij zoo heentuurde naar het vaartuig in de -verte, scheen het toch soms voor een oogenblik, alsof hij met den adem -van zijn eigene borst het talmende zeil wilde doen zwellen en het schip -in snelle vaart doen naderen. - -Wanneer men den blik rechts van den weg wendde, welken de beide mannen -betraden, dan stiet men op eenigen afstand op een in de zon blinkenden -muur, die schier onafzienbaar van de stad afliep tot aan het klippige -strand der zee. Richtte men zijn oog naar den linkerkant, dan zag men -een muur van dezelfde soort, als die, welke zoo even voor den blik van -den beschouwer zich scheen op te doen. De bouwlieden stapelden -rechthoekig gehouwen stukken op elkander en waar de massa gereed was, -daar klonk wijd en zijt het dreunen van de hamers, die de aaneen -hechtende ijzeren krammen in het arduin dreven. - -Ook deze muur strekte zich naar beneden uit tot aan de zee, breidde -zich daar met een groote kromming uit en, zoowel boven de stad als daar -beneden met den anderen muur verbonden, omvatte hij de haven met hare -gebouwen, als met een beschuttenden arm. - -Op dit muurwerk rustte het oog van den jongste der beide mannen -vorschend en met eene soort van bevrediging, wanneer het voor een -oogenblik zich afwendde van het door het zeil bewogen schip in de -verte. En lachende sprak hij ten laatste, terwijl hij langs de -eindelooze lijn van aaneengehecht arduin schouwde, zich tot zijn makker -wendend: - -„Wanneer ieder woord, dat ik met aandrang ter wille van dit werk tot de -Atheners sprak, tot een steen daarvoor was geworden, waarlijk, dan zou -het reeds lang gereed voor onze oogen staan. Maar ook nu zien wij het -eindelijk der voltooiing nabij.” - -„En was deze middelste muur inderdaad onmisbaar?” vroeg de oudste, -terwijl hij op het werk een onverschilligen, vluchtigen blik wierp. - -„Dat was hij,” hernam de ander. „Veel te ver wijkt de oudere, linker -muur af naar Phaleron [5]. Eene groote uitgestrektheid van het strand -der haven bleef open. Nu eerst is de taak ten volle afgewerkt. Verjongd -uit de asch van den brand des Perzischen krijgs verrezen, heeft de stad -Pallas Athene [6], schitterend en machtig, gevoed door de cijnsen der -Grieksche kunsten en eilanden, dezen arduinen gordel om haar leden -geslagen, en is van nu af sterk genoeg, om de afgunst van Grieken, -zoowel als den aanval van alle barbaren in het Oosten te trotseeren.” - -De man, die zoo tot zijn makker sprak, was Xanthippus’ zoon, de -Alcmaeönide [7] Pericles, dien men den Olympiër noemde. Zijn metgezel -echter was een beroemd beeldhouwer in metaal en marmer, Phidias -geheeten. Het werk zijner handen was het reusachtige standbeeld der „in -de voorste rijen strijdende Athene,” dat van den top der Acropolis [8] -wijd schitterde in het Attische land en in de verte der zee, waar de -naderende schippers de van goud fonkelende lansspitsen der Godin met -blijdschap begroetten, als eerste kenteeken van het rechtsgebied van -het „met violen omkranste Athenen.” - -Bijna van denzelfden vorm schenen de zich ver uitstrekkende rijen van -arduin, maar zij hadden, door het licht van den Griekschen hemel -beschenen, niets sombers. Eene levendige drukte heerschte daartusschen -van alle kanten. Luid klonken de uitroepen, waarmede de drijvers de -muildieren aanspoorden en in lange rijen gingen de rijk bevrachte -dieren langs den weg van de haven naar de stad en van de stad naar de -haven. - -Hier en daar reikte een olijfboschje tot vlak bij den weg, in welks -groene toppen van tijd tot tijd een verfrisschend koeltje, van de golf -overwaaiend, ritselde. - -Dan nam de beeldhouwer den breed geranden petasus [9] van het hoofd en -liet het koeltje spelen om zijn hoog, kaal voorhoofd. De Olympiër -echter stapte steeds moediger door, hield steeds vaster den blik op de -galei gericht, die uit den boezem der baai nu toch langzamerhand de -haven naderde. - -Nu zijn zij beiden niet verre van de zee gekomen. De haven is bereikt. -Ook hier weidt het oog van den man, dien men den Olympiër noemt, -bevredigd rond. Zijn werk is het grootendeels, wat zich daar aan ’t oog -voordoet, iets nieuws voor het volk der Grieken van dien tijd: breede, -statige, recht loopende straten. Hier prijkt de groote, met zuilenrijen -omgevene marktplaats, die naar den naam van haar bouwmeester Hipodamus, -van Milete, genoemd werd. Trapsgewijze verheffen zich ter linkerzijde, -over het woud van zuilen van het Theater heen, aan de helling van den -versterkten heuvel Munichia, de rijen der huizen en op den top van den -heuvel prijkt schitterend het marmeren heiligdom van Artemis [10]. -Daaronder echter in de vlakte strekken zich tot aan de zee onafzienbaar -ver de zuilenrijen uit; hier de prachtige Stoa [11] van Pericles, daar -de ontzettende magazijnen, waar ontscheepte vrachten ten verkoop of tot -verdere verzending zich bevonden, ginds de reusachtige bazar van de -haven, de handelsbeurs, het „Deigma” [12] waar schippers en handelaars -hunne waren ten toon stelden, waar zij hun accoord troffen. - -Tusschen deze zuilen, op deze steenterrassen staat de kloeke Griek, als -op den bodem zijner kracht, verheugd omdat met het toenemen van het -algemeen welvaren, ook zijn eigen welzijn toeneemt. Hier ontvangt hij -uit de handen van den bevrienden zeegod den vollen hoorn aller gaven -van het buitenland en ziet de laatste golfkringen van den Pontus [13], -van den Nijl en van de Indische zee aan zijn strand in schuim -vaneenspatten. - -Hier woelt het Grieksche volk van Pericles dooreen; schoone -donkerbruine gestalten steken af tegen den achtergrond der witte -marmeren zuilen. De hoofden der meesten zijn ontbloot, de sandalen ter -nauwernood aan de voeten, het sobere, lichte gewaad, half doek half -mantel, achteloos om de schouders geworpen,—maar toch in plastische -schoonheid als bruine beelden van metaal, staan zij tusschen de zuilen. -Doch levendig zijn hunne gebaarden en in het bonte mengelmoes van -stemmen doen zij de klanken van het welluidend Grieksche taaleigen -vernemen, vol energie in spraak en gebaarden en waardig tevens, als -personen in het treurspel. - -Sinds de Athener na gelukkig gevoerde oorlogen de zee beheerschte, -heeft hij geleerd zich te begeven naar de havenstad den Piraeus en zich -te verrijken. Hij gaat naar den Piraeus en zoekt reeders voor -overzeesche vaarten en ondernemingen op. Hij gaat naar de kassiers, de -wisselaars, deponeert bij hen gelden of neemt ze in ontvangst en -wanneer hij noch gelden te ontvangen noch te deponeeren heeft, zoo -neemt hij eenige op. Want handel en vertier bloeien en de Athener kent -de gelegenheden. Hij weet, wanneer het tijd is graan uit den Pontus te -halen, of hout uit Thracië, of de papyrusplant uit Egypte, of tapijten -uit Milete, of fijn schoeisel uit Sicyon, of druiven uit Rhodus. Hij -weet ook waar zijn olijfolie, zijn honig, zijne vijgen, zijn metalen -werken, zijn aardewerk gezocht en het duurst betaald worden. En de -makelaar, de wisselaar geeft het geld zonder lang bedenken. - -De rentestandaard is hoog en voor rijke percenten kan men iets wagen. -Zoo menige vrij gelatene, menige Pasio [14], menige Simo, menige -Phormio zit thans tevreden achter zijn wisseltafel in den Piraeus, en -gedraagt zich als een overheidspersoon, want men sluit bij hem -contracten. Hij geeft twee talenten [15], zonder van gelaat te -veranderen, en ontvangt even onverschillig twee talenten, wanneer men -die bij hem neêrlegt. Hij schrijft de som en den naam van hem, die ze -gedeponeerd heeft, in zijn boek en de zaak is afgedaan. Men vertrouwt -op de eerlijkheid van Pasio en Pasio is eerlijk, zoolang ten minste als -niet het voordeel eener oneerlijkheid opweegt tegen den in gevaar -gebrachten naam zijner eerlijkheid. - -Thans zien de beide mannen de zee, zacht gerimpeld en smaragdgroen -klotsend tegen de steenen terrassen. Open ligt voor hunne oogen de -diepe ronde bocht van de zeehaven den Piraeus. Als wachters der -zeepoorten bewaken twee geweldige torens ter rechter en ter linkerzijde -den ingang. In tijden van gevaar kan eene ijzeren, reusachtige ketting -ter versperring van den eenen toren naar den anderen gespannen worden. -In tallooze menigte liggen in de bocht de ronde, dikbuikige -handelsschepen voor anker; het strand ter linkerzijde echter is geheel -bedekt met de hooge triëren [16] der Atheensche vloot, naar de gewoonte -der Grieken, op het vaste land getrokken, ieder in hare bijzondere -omheining, als monsters in hunne holen rustend, geweldige zeedraken, -met phantastische snebben en met vinnen voorziene, in de hoogte zich -verheffende staarten; en op de andere zijde van het Piraeische -schiereiland bevinden zich nog veel meer van deze prachtige -zeegedrochten, (in de krijgshavens Zea en Munichia) en daarachter -strekken zich de zeearsenalen uit, waar het „want” der onttakelde -schepen bewaard wordt, en verderop breiden zich de werven uit, waar -onophoudelijk nieuw scheepsmateriaal gelost en onverpoosd nieuwe kielen -gebouwd worden. - -Nu loopt het vaartuig, hetwelk de Olympiër op den weg naar den Piraeus -zoo scherp in het oog had gehouden, de haven binnen. Het is het -Atheensche staatsschip „Amphitrite.” - -Hoopen volks stormen naar de landingsplaats; in alle gaanderijen, op -alle steenterrassen weerklinkt een gemompel van stemmen. - -„Daar is de Amphitrite—de Amphitrite met den schat van Delos!—de -Amphitrite met de bondskas!—zoo heeft hij het doorgedreven, de slimme -Pericles!—Wat zullen de bondgenooten daarvan zeggen?—Wat zij willen! -Wij staan aan hun hoofd, wij beschermen hen, wij zenden onze triëren -naar hunne kusten, wij voeren hunne oorlogen, daarvoor betalen zij de -bondsgelden—wat wij overhouden, is ons eigendom.” - -De tonen van fluiten klinken van het vaartuig, terwijl het nadert. Op -de Amphitrite werd, evenals op alle staatsschepen der Atheners, de -riemslag naar den klank der fluiten bestuurd. Ook gezang klinkt van de -roeibanken en daartusschen het geklater van de door tallooze riemen -geslagen zee. Als goud schittert van de spits der scheepsnebbe het -beeld van de zeegodin, naar welke het schip is genaamd. Schoon -beschilderd blinkt de rand van het hooge boord in den zonneschijn. Het -gezang en de muziek van fluiten werd overstemd door de heldere, -vroolijke kreten der Atheners, welke de door het weêr gebruinde -zeelieden op het schip krachtig beantwoordden. - -De klank der fluiten verstomt, de riemen bewegen zich niet meer, het -schip ligt stil, er begint een gekraak van touwen, een gerammel van -kettingen, een heen- en wederloopen aan boord; het anker wordt -uitgeworpen, de zeilen worden gereefd, een trap wordt van den oever -naar het schip gelegd. Eenige Atheensche overheidspersonen staan voor -aan het uiterste van het strand. Hen nadert Pericles de Olympiër, en -spreekt eenige woorden. De klank zijner stem heeft iets eigenaardigs, -iets wondervols. Die hem nog niet herkend hebben, herkennen hem nu. -Niet alle Atheners zagen nauwkeurig zijne gelaatstrekken in de -volksvergadering op de Pnyx [17]. Maar allen hoorden, allen kennen -zijne stem. Eenigen van de overheidspersonen begeven zich nu over de -trappen aan boord van het schip. - -Na eenigen tijd worden uit de diepte van het ruim een paar met ijzer -beslagene, goed bewaarde vaten geheschen en aan land gebracht, waar een -span muildieren voor den zwaren last gereed staat. De Triërarch [18] -komt aan land en spreekt met Pericles. - -Het is een gouden schat, welke de „Amphitrite” onder de oogen van het -vol deelneming gespannen Atheensche volk op de blauwe zeegolven -aandroeg. Het is de schat van het Atheensche Bond. Hij komt uit Delos, -de „Ster der Zee”, naar het machtige Athene, welke, op aansporing van -Pericles, niet meer als Bondschat zal beheerd worden, maar in ontvangst -genomen als cijnsen der steden en eilanden. - -Om gouden schatten zweeft iets huiveringwekkends, een schemerlicht, een -adem van onzekerheid die bewuste verwachtingen ontvlamt, een onbewuste -angst doet binnen sluipen. Het bare goud wordt gemunt, maar ook de munt -wordt in de hand van den eigenaar weder omgemunt. Zij verandert onder -iederen vinger, die haar aanraakt. Den eenen wordt zij ten zegen, den -anderen ten vloek. En zóó ook deze schat van Delos, waarop de oogen van -de schare der Atheners vol verwachtingen zijn gevestigd—wie weet, of er -meer zegen dan vloek uit zal voortkomen, of er meer genot dan berouw -voor gekocht zal worden, of er meer blijvends dan vergankelijks -daarmede tot stand zal worden gebracht? Wie kent de winden, die uit -deze Aeölusharp zullen waaien? - -„Met dit goud zou men Athene tot den onbedwingbaren burg van Hellas -[19] kunnen maken!” dachten eenige der magistraten, die Pericles -omgaven. - -„Met dit goud zou men de zeemacht van Athene kunnen versterken, Sicilië -en Aegypte veroveren, de Perzen beoorlogen, Sparta onderdrukken!” dacht -de Triërarch. - -„Met dit goud kon men ons de gelden voor feesten en schouwspelen -betalen!” dacht het volk, dat de steenterrassen van de haven vulde. - -„Van dit goud kon men de heerlijkste tempels bouwen, de schitterendste -standbeelden oprichten,” dacht de peinzende beeldhouwer aan de zijde -van Pericles. - -En Pericles, de Olympiër zelf?—In zijn hoofd, en in het zijne alleen, -waren alle deze gedachten vereenigd.... - -Het muildierspan, dat bestemd was, om de gouden vracht van de haven -naar de stad te brengen, zette zich in beweging. De schare der Atheners -verdrong zich daarachter en nadat het gedrang had opgehouden, namen ook -Pericles en Phidias den terugweg aan. Daar het grootste deel van het -volk den schat nastroomde, zoo was daarachter de weg van den Piraeus -tamelijk ledig en enkele figuren konden gemakkelijk in het oog vallen. - -Op de marmeren zerk van een der grafteekenen, welke aan den kant van -den weg zich bevonden, zaten twee mannen in een levendig gesprek -verdiept. Het gelaat van den eenen vertoonde de opgeruimde waardigheid -van den wijze; somber waren de trekken van den anderen en uit zijne -vurige oogen sprak eene dweepzieke eigenzinnigheid. De eerste groette -Pericles, die hem voorbij ging, met een vertrouwelijken lach, de -andere, met het sombere gelaat, wierp hem een scherpen blik uit -vijandige oogen toe. - -Weder waren de beide mannen een eind verder gekomen, toen zij een -jongen man, in nadenken verzonken, zagen staan. Hij scheen de wereld om -zich heen vergeten of onder de voeten verloren te hebben, en er over na -te denken, waar hij een nieuwe konde vinden. Hij had eigenaardige, -juist geene liefelijke trekken en staarde met onafgewenden blik naar -den grond. - -„Een van mijne steenhouwers!” zeide de ernstige Phidias tot zijn -metgezel, terwijl hij in het voorbijgaan den peinzende op den schouder -klopte, als om hem wakker te schudden; „een brave, maar wonderlijke -knaap. Hij werkt een dag lang ijverig in mijne werkplaats, en den -volgenden is hij verdwenen. Zoo peinzend daar te staan is zijne -gewoonte.” - -Niet verre van den peinzende zat een lamme, kreupele man aan den weg -ineengedoken, een bedelaar met een wonderlijk grijnzend gezicht. De -goedhartige Pericles wierp hem een goudstuk toe. De kreupele bedelaar -echter verwrong zijn grijnzend gelaat nog meer en scheen iets als een -scheldwoord tusschen de tanden te mompelen. - -Toen de twee mannen ongeveer de helft van den weg afgelegd hadden, en -uit een olijfboschje, hetwelk den weg een eind als omzoomde, te -voorschijn traden, rees de Acropolis van de stad voor hen op en men zag -het reusachtige metalen beeld van „Athene Promachos” [20], in den glans -der avondzon schitteren. Men zag haar gehelmd hoofd, men zag de -opgestoken lans en het groote schild, waarop haar linker hand rustte. -Ook fonkelde van de helling van den berg, oogverblindend, een gouden -Gorgonenhoofd [21], dat een bemiddeld Athener daar als wijgeschenk had -geplaatst. - -Van dit oogenblik af aan greep eene zeldzame verandering plaats in het -wezen van den beeldhouwer. Hij scheen nu geheel met zijn metgezel van -rol verwisseld te hebben. Evenals toch deze op den weg van de stad naar -de haven met opgewekten zin en vurigen blik naar een doel in de verte -gestaard had, zijn metgezel echter ernstig, zwijgend, bijna -onverschillig naast hem was voortgeschreden, zoo had nu omgekeerd op -den terugweg de beeldhouwer met haastigen tred en vurigen blik -onafgewend zich naar de Acropolis gericht, terwijl zijn metgezel -bedaard en schier vermoeid naast hem voortstapte. Het was de aanblik -zijner Godin, na hetgeen hij in den Piraeus gezien had, die hem -eigenaardig opwekte. Daar was hem de praal van het nuttige voor oogen -gekomen: het gewemel van de haven, het geschreeuw van kijvende -makelaars, de geweldige, maar in hare groote eentoonige -zuilengaanderijen, welke op tempels zonder Goden geleken, eindelijk de -door den nevelachtigen adem van het „onzekere” omhulden gouden schat: -dat alles had zijne kunstenaarsziel bijna verduisterd. Hij moest het -zijn gang laten gaan, maar het verstoorde zijne reeks van -onverwezenlijkte, ideale, schitterende scheppingen, waarmede zijn ziel -vervuld was. Thans, nu de Acropolis voor hem opdoemde, scheen hij -veranderd en liet zóó peinzend, zóó vol nadenken en als ’t ware metend -zijn onafgewenden blik over de blinkende hoogte van de Acropolis -zweven, dat Pericles hem reeds naar de oorzaak zijner overpeinzingen -wilde vragen. - -„Vader!” zei op dit oogenblik een knaapje tot een ouderen man, onder -wiens geleide het onmiddellijk vóór Pericles en Phidias op den weg liep -met de donkere oogen onafgewend naar de Acropolis ziende: „Hebben de -Atheners geheel alleen de stedebeschermende Godin Pallas op hun burg, -of woont zij ook bij andere menschen?” - -„Ook de Rhodiërs,” antwoordde de man het knaapje, „wilden haar bij zich -op hun burg hebben, maar hun gelukte het echter niet.” - -„Is Pallas Athene op hen vertoornd?” vroeg het knaapje verder. - -„De Atheners op het vaste land en in de zee de Rhodiërs dongen naar de -bescherming van de Godin. Genen zoowel als dezen maakten een offerfeest -gereed op hun burg, om de gunst van Pallas te winnen. Maar de Rhodiërs -waren achteloos; zij beklommen hun burg, doch toen zij het offer wilden -brengen, hadden zij geen vuur. Zoo brachten zij geen betamelijk, maar -een koud offer, terwijl bij de schrandere Atheners vuur en vetdamp -vroolijk flikkerde en opsteeg over de rotsen van de Acropolis. Daarom -gaf Pallas Athene den Atheners de voorkeur. Maar de Rhodiërs hielden -aan bij Zeus en om hen schadeloos te stellen, goot hij van den hemel -een gouden regen naar beneden, die hunne straten en huizen vulde. -Deswege verheugden zich de Rhodiërs en troostten zich daarmede, en -plaatsten op hun burg den God des rijkdoms, Plutus.” - -Deze vertelling, welke de man het knaapje deed, trof het oor der beide -mannen, die achter hen liepen. Phidias glimlachte even en wendde zich -na een oogenblik stilzwijgens tot zijn metgezel met deze woorden: - -„Pericles, het komt mij voor, dat de tijden veranderd zijn en dat wij -weldra zullen doen als de Rhodiërs. Denkt gij er ook niet aan, Plutus -op den burg te plaatsen?” - -„Vrees niets!” hernam Pericles lachend. „Zoo lang de zee het Attische -strand bespoelt, zal het metalen beeld uwer Godin heerschend uitsteken -op de Acropolis der Atheners!” - -„Maar onder de puinhoopen der tempels,” hernam Phidias. „Half woest -ligt nog steeds de rots van den burg, zooals hem de brandende hand der -Perzen heeft gelaten. Laat toch de zuilbrokken en puinhoopen wegruimen -en bouw daarmede uwe havendammen en lange muren verder: want wat de -Pers in de stad vernielde, dat bouwt gij toch slechts in den Piraeus -weder op!” - -Op dit oogenblik keerde zich de man, die het knaapje geleidde, om, daar -hij het geluid der sprekenden achter zich vernam, en hij herkende -Pericles; deze beantwoordde vriendelijk zijn groet, want hij kende hem -sedert langen tijd en was zijn gastvriend geweest, toen gene nog in -Syracuse leefde. - -„Uw gesprek en dat van uw zoontje Lysias, mijn beste Cephalus,” zeide -hij tot den man, „heeft onzen Phidias hier zooeven aanleiding gegeven -mij heftig aan te vallen.” - -„Hoe zoo?” vroeg Cephalus. - -„Wij komen uit den Piraeus,” vervolgde de Olympiër, „en reeds daar was -onze vriend, de lieveling van Pallas Athene, bijna in eene slechte -luim. Hij zou wel altijd onder godengestalten willen verkeeren. Hij -haat de lange muren, de breede zuilengaanderijen, de balen koopwaren, -de pakken, de vaten, de geiteleeren zakken; het geschreeuw der -makelaars in den Piraeus heeft zijn gehoorvlies verscheurd. Hij zal, -wanneer hij door de poort de kromme, onaanzienlijke straten der oude -Atheensche stad weder binnengetreden is, met een verlicht hart zich het -stof van den weg naar de haven van zijne voeten afschudden. - -„Maar zeg toch,” ging Pericles, tot den beeldhouwer zich keerend, -voort, „wat staart gij zoo vol gedachten en onafgewend naar de hoogte -der Acropolis? Is het het gezicht van uwe Godin, dat u bezielt—van uwe -gehelmde, lansslingerende Promachos?” - -„Weet,” hernam Phidias, „de gehelmde, lansslingerende Promachos is -sedert geruimen tijd in mijne ziel verdrongen door eene Pallas Athene -des vredes; door eene Pallas, die niet meer kampt met kletterend -metaal, maar rustig en toch zegevierend met haar blinkend -Gorgonenschild [22] de geboorten van den nacht versteent. Wanneer ik nu -mijn blik op de hoogte van de Acropolis richt, zoo weet, dat ik daar -dit beeld, in mijn geest gerijpt, plaats en dat ik een heerlijk, -schitterend feestelijk huis daarover welf; dat ik den gevel en den -fries van dat huis met honderdvoudig beeldwerk tooi en dat ik zelfs van -verre schitterende, prachtige portalen bouw, van den kant, waar de -feestelijke optocht der Panathenaeën [23] henen trekt. Maar vrees niet, -dat ik goud en elpenbeen voor die Pallas Athene des Vredes, en marmer -voor dat heiligdom van u zal afsmeeken—neen—ik bouw en versier zoo maar -in gedachten—maak u niet ongerust!” - -„Zóó zijn zij allen, de kunstenaars en de dichters,” zei Pericles, -bijna gekrenkt door den spottenden toon van zijn vriend. „Gij weet -niet, dat het schoone slechts de bloesem is van het nuttige. Gij -vergeet, dat het volkswelzijn op vaste grondslagen moet gebaseerd zijn -en dat de volle bloei der kunst zich slechts in rijke, machtige staten -ontplooit. Onze Phidias is op mij verstoord, omdat ik een paar jaren -lang aan koornbeurzen in den Piraeus en aan den langen middelmuur -gebouwd heb, in plaats van den tempel van de Acropolis weder op te -richten, en omdat ik het niet geheel alleen aan de heerschende lans -zijner metalen Godin op den burg overlaat, om ons tegen iederen vijand, -die te land en ter zee ons kan bedreigen, te beschermen.” - -Phidias hief het hoofd beleedigd op, en wierp een donkeren blik op -Pericles. Deze echter beantwoordde den blik van den beleedigden met een -verzoenenden glimlach en ging voort, terwijl hij de hand van zijn -vriend greep: „Kent gij mij zóó weinig, dat gij mij in ernst voor een -vijand en bespotter der goddelijke beeldende kunst moogt houden? Ben ik -niet de vriend en bezielde aanmoediger van al het schoone?” - -„Ik weet het,” zeide Phidias, nu op zijn beurt sarkastisch lachende. -„Ik weet het, gij zijt de vriend van het schoone. Een blik in de oogen -der schoone Chrysilla....” - -„Niet dat alleen,” viel Pericles snel in en vervolgde op ernstigen -toon: - -„Gelooft mij, mijne vrienden, wanneer de staatszorgen mij drukken, en -nevens die van den staat mijne eigene, wanneer menige tegenwerking mij -hindert, menige tegenspraak mij verbittert, wanneer ik ontstemd uit de -vergadering der Atheners terugkeer, bijna verstoord door de straten -wandel, zoo is dikwijls eene kleine zuilengalerij, die door schoone -evenredigheden mijn oog bekoort, of een beeld aan den weg, met fijnen -geest ontworpen, in staat mij af te leiden en mij in betere stemming te -brengen, en ik herinner mij niet, dat ik ooit eene smart heb -ondervonden, die niet door het voorlezen van een gezang uit Homerus ten -minste gelenigd is geworden.” - -De vrienden waren thans door de poort de stad binnen getreden. Hier -schenen de straten nauwer, de woonhuizen minder statig dan in den -Piraeus. Maar het was het echte Athene. Het was heilige grond. - -Toen Phidias reeds in de nabijheid van zijn huis was gekomen, zeide hij -tot Pericles en Cephalus: „Wanneer gij tijd en lust hebt, bij mij nog -even binnen te komen, dan zult gij een belangrijken wedstrijd in mijne -werkplaats door uwe uitspraak kunnen beslissen.” - -„Gij prikkelt onze nieuwsgierigheid,” hernam Pericles. - -„Gij herinnert u toch,” vervolgde Phidias, „het marmerblok, ’t welk het -Perzische leger over zee met zich mede voerde, om, na onze -onderwerping, een Perzisch zegeteeken, uit Perzisch marmer gehouwen, in -Hellas op te richten, en dat, toen de barbaren verslagen waren, op het -slagveld van Marathon [24] in onze handen viel. Na menige omzwerving -kwam het kostbare blok in mijne werkplaats terecht, en, zooals u bekend -is, Pericles, wenschten de Atheners, dat daaruit een beeld van de -Cyprische Godin [25] gebeiteld werd, om de Tuinen daarmede te -versieren. Geen mijner leerlingen hield ik er beter voor geschikt, dat -Agoracritus van Paros [26], om door de voltooiing van zulk een beeld -zich roem te verwerven, en zoo vertrouwde ik hem, op zijn verlangen, -het marmerblok toe, waaruit hij nu een voortreffelijk werk vervaardigd -heeft. Maar, een ander van mijne beste leerlingen, de eergierige -Alcamenes, benijdde Agoracritus het blok en den roem van zijn arbeid en -waagde het, in wedijver met den Pariër, mijn lieveling, zooals hij hem -noemt, een marmeren beeld van dezelfde Godin te ontwerpen. Nu is het -beeld van beide jongelingen voltooid en een groot aantal kunstlievende -mannen is heden in mijn huis bijeen gekomen. Wanneer gij u bij hen -wildet voegen, welk een spoorslag zou dat voor die beiden zijn! Komt en -ziet, hoe verschillend het ideaal van het goddelijk wezen zich in de -ziel van beide jonge mannen heeft afgespiegeld!” - -Niet lang bedachten zich Pericles en Cephalus. Zij knikten toestemmend -en traden met gespannen verwachting het huis van Phidias binnen. - -Zij vonden hier reeds vele kunstkenners bijeen. Daar waren onder -anderen de Milesiër Hippodamus, Antiphon, de redenaar, Ephialtes, de -bij het volk geliefde aanhanger en medehelper van Pericles, de -bouwmeester van den langen middelmuur en Ictinus [27], een bouwmeester -van groote geleerdheid en juisten kunstsmaak, de intieme vriend van -Phidias. - -Toen deze mannen en de nieuw aangekomenen elkander hadden begroet, -bracht de meester hen in een der ruimste vertrekken van zijn huis. - -Daar verhieven zich op een voetstuk naast elkander twee -hooguitstekende, omhulde marmerblokken. Een bont doek was, om het -witte, schitterende marmer, tegen stof en bezoedelingen te bewaren, -daar over heen geworpen. Een slaaf trok nu, op een wenk van Phidias, -het doek weg. Toen deden zich de beide schitterende beelden in hun -machtig edel gevormde lijnen aan de blikken der beschouwers op, die -daar vóór bijeen stonden. - -De mannen staarden langen tijd en zonder een woord te spreken de beide -beelden aan. Op hunne trekken stond een eigenaardige, overweldigende -indruk te lezen. Het was klaarblijkelijk dat de merkwaardige -verscheidenheid der beelden hen getroffen had. - -Het eene vertoonde eene vrouwelijke gestalte van verhevene schoonheid -en bovenmenschelijken adeldom. Zij was omkleed en haar gewaad golfde in -breede, schoon vallende plooien tot op de enkels af. Slechts een der -beide borsten was onbedekt gelaten. De uitdrukking was strak en streng: -niets vrouwelijks was er in de trekken, niets weelderigs in de -ledematen, niets bevalligs in de houding. En toch was het schoon. Het -was een strenge, eene rijpe en toch jonkvrouwelijke schoonheid. Het was -Aphrodite zonder den geur van Crocus- en Hyacynth-bloesems, waarmede de -later geboren Chariten [28] en boschnymfen van den Ida [29] de Goden -omkransten. Zij verspreidde nog geen welriekende geuren en geen -glimlach plooide nog hare lippen. - -Zoo lang de omstanders alleen dit beschouwden, misten zij niets. Een -door alle Gratiën en liefdegoden omgeven Cypris was tot nu toe nog niet -in den geest der Grieken gerijpt. - -Zooals zij daar stond, de uit het schuim geborene, door de hand van -Agoracritus gebeiteld, was haar ideaal dat der vaderen. - -Zoodra de beschouwer intusschen van dit beeld een tijd lang den blik -gevestigd had op dat van Alcamenes, werd hij door eene soort van onrust -aangegrepen; en wanneer hij dan tot het eerste beeld wilde terugkeeren, -was het hem alsof het minder begrijpelijk was dan straks, en alsof hij -den maatstaf voor de juiste waardeering daarvoor verloren had. Het was -geheel iets nieuws, wat zich aan de blikken dier mannen voordeed. Nog -konden zij niet zeggen, of hun dat nieuwe beviel. Nog wisten zij niet, -of het recht had hun te behagen. Dit slechts stond vast, dat hun het -vorige daarnaast thans minder voldeed. - -Hoe vaker echter de blik van het beeld van Alcamenes naar dat van -Agoracritus, en van dit naar het andere dwaalde, des te langer bleef -hij op dat van Alcamenes rusten.—Wat daarin met zulk eene heimelijke -betoovering werkte, was de macht eener bekoorlijkheid, eener bezieling, -van eene frischheid en eenvoud, zooals de beitel der Grieksche meesters -tot nog toe nog niet bereikt, waarnaar hij niet eens had gestreefd. - -Van allen bleef niemand, niemand met zoo vurige oogen aan de vormen, -welke Alcamenes hier ten toon had gesteld, hangen, als Pericles. - -„Dit werk,” sprak hij na eenigen tijd, „herinnert mij bijna het -standbeeld van Pygmalion [30]; het schijnt bezield te zijn en juist op -het punt, om van het strakke marmer in een levend wezen, met warm bloed -in de aderen, te verkeeren.” - -„Ja waarlijk,” riep Cephalus, „het werk van Agoracritus tintelt van den -geest van zijn meester Phidias, ja overtreft het in ernst. In het beeld -van Alcamenes echter schijnt mij eene vonk te gloren uit eene vreemde -smidse, die het met een zeldzaam, eigenaardig leven doorgloeit.” - -„Welke nieuwe geest is in u gevaren, wakkere Alcamenes,” riep Pericles -uit, „daar toch tot hen uwe wijze van die van Agoracritus nauwelijks -kon onderscheiden worden? Hebt ge soms de Godin in een droom gezien? -Weet ge, dat ge mij in eene verrukking hebt gebracht, zooals nog nooit -een beeld heeft vermocht?” - -Alcamenes glimlachte. Doch Phidias vestigde nu, als door eene -plotselinge gedachte bezield, een scherpen blik op het werk van -Alcamenes en scheen de omtrekken, de vormen van enkele leden onder den -invloed dier gedachte te bestudeeren. - -„Geen droombeeld,” sprak hij eindelijk, „schijnt mij toe in dit marmer -belichaamd te zijn, maar veel bekoorlijks uit de zinnelijke -werkelijkheid opgenomen, om het beeld der Godin daarmede te tooien. Hoe -langer ik de slankheid van dit geheele beeld, het teedere en toch -weelderige van dezen boezem en van deze heupen, de eigenaardige -fijnheid van dezen spits toeloopenden vinger en bekoorlijk gebogen -handgewrichten beschouw, des te sterker gevoel ik eene vrouw in mijne -herinnering teruggeroepen, die wij een paar malen in dit huis hebben -gezien.” - -„Het is, zoo al niet het gelaat, dan toch de gestalte van de -Milesische!” riep een ander der leerlingen van Phidias, naderbij -tredende; en alle leerlingen naderden de een na den ander eerst het -beeld en riepen toen elkander aanziende uit één mond: „ongetwijfeld; -het is de Milesische.” - -„Wie is die Milesische?” vroeg Pericles haastig en in spanning. - -„Wie zij is?” zeide Phidias glimlachend: „gij hebt haar reeds eens -gezien—heden—weinige uren geleden—een oogenblik slechts heeft de glans -harer schoonheid u getroffen.—Overigens vraag het Alcamenes.” - -„Wie zij is?” herhaalde nu de vurige Alcamenes. „Een zonnestraal is -zij, een dauwdroppel, eene schoone vrouw, een roos, een verkwikkende -Zephyr. Wie zal een zonnestraal naar zijn naam en afkomst vragen? -Misschien weet Hipponicus wat anders van haar te zeggen. Hij heeft haar -als gast in zijn huis gehuisvest.” - -„Eens kwam zij met Hipponicus hier in deze werkplaats,” zeide Phidias. - -„Met welke bedoeling?” vroeg Pericles. - -„Om dingen te zeggen,” hernam Phidias, „zooals ik nog nooit uit den -mond eener vrouw vernomen heb.” - -„Derhalve is zij de gast van Hipponicus?” vroeg Pericles. - -„In een klein huis, dat hem toebehoort,” zeide Phidias, „’t welk -tusschen zijn woonhuis en dit is gelegen. Sedert echter de Milesische -in dat huis vertoeft, is er een zonderlinge geest in dezen geheelen -zwerm gevaren.” - -„Hoe dat?” vorschte Pericles. - -„Sinds dien tijd,” hernam Phidias, „is de suffer, dien ge op de straat -aan de haven eenzaam hebt zien staan, peinzend voor zich starend, nog -veel droomeriger geworden, en wat Alcamenes betreft, hij behoort tot -diegenen, die ik het meest boven op het platte dak van het huis -aantrof, vanwaar men in het peristylium [31] van het aangrenzende huis -neerziet, en werwaarts zij van hun werk heensluipen, nu eens onder -voorwendsel een ontsnapte vogel of aap op te vangen, dan weder om in de -avondlucht zittende zich te verfrisschen, omdat hun, naar zij zeggen, -het bloed zoo geweldig naar het hoofd steeg—inderdaad echter, om het -snarenspel der Milesische te kunnen hooren.” - -„En dezer toovenares dus,” zei Pericles, „heeft onzen Alcamenes hare -bekoorlijkheden afgezien, die ons hier zelfs in het marmer verrukken?” - -„Hoe het zich toedroeg, kan ik niet zeggen!” hernam Phidias. „Misschien -heeft de suffer voor koppelaar gespeeld; want hij schijnt op een -vertrouwelijken voet met haar te staan. Deze zonderlinge knaap toch -heeft zich voorgenomen een Eros [32] te beitelen en houdt het voor dit -doel noodig vooraf goed bekend te zijn met het wezen van dezen God en -zich er volkomen vertrouwd mede te maken. Want zoo is nu eenmaal zijne -manier: hij tracht nooit naar de dingen zelven, maar steeds naar hun -begrip, naar waarheid en wijsheid, zooals hij zegt; daarom noemen wij -hem ook altijd den vriend der wijsheid en zoeker naar waarheid. Thans -streeft hij naar het zuivere begrip van liefde en wil zich daarin door -zijne schoone Milesische vriendin doen onderwijzen. - -„Deze laat, naar het schijnt, den zonderling begaan en ik heb haar eens -een uur lang, in dezen tuin op een steenklomp zittende, met hem zien -spreken. Heeft nu werkelijk niet alleen hij, maar ook Alcamenes, van -het geheime onderricht van de Milesische genoten, zoo moge hij ook -voortaan op dezen weg zijn heil zoeken. Moge hij voortgaan meer van -schoone vrouwen te leeren, dan van de meesters zijner kunst.” - -„Wat hier voor uw blik zich vertoont,” riep Alcamenes opstuivend op -deze spottende taal van Phidias, „is het werk mijner handen; de -berisping, die het ondervindt, neem ik op mij, en den lof, dien men het -toezwaait, behoef ik met niemand te deelen!” - -„Ei wat,” riep Agoracritus met donkeren blik; „met de Milesische hebt -gij dien te deelen! Heimelijk sloop zij naar u toe!” - -Een donkere blos kleurde Alcamenes’ wangen. - -„En gij?” riep hij, „wie sloop naar u toe? Meent ge, dat wij het niet -weten? Phidias zelf was het, de meester, die ’s nachts heimelijk in uw -werkplaats kwam, om de laatste hand aan het werk van zijn lieveling te -leggen.” - -Nu kleurde eene donkerroode kleur Phidias’ gelaat, hij wierp een -gramstorigen blik op den vermetelen leerling en wilde iets antwoorden. - -Maar Pericles trad tusschen beiden en sprak verzoenend: - -„Geen twist, voortreffelijke mannen! Het zij, zooals gij zegt; naar -Alcamenes is de Milesische, naar Agoracritus is Phidias geslopen. Laat -ieder leeren waar en op welke wijze hij kan en laat niemand zijn naaste -het schoone benijden, dat hem door de gunst der Muzen [33] of der -Chariten of door welke andere Godheden ook ten deel is gevallen.” - -„Ik heb het nooit versmaad iets van Phidias te leeren,” zeide -Alcamenes, die het eerst van hun drieën zijne kalmte herkregen had; -„maar ook van de levende werkelijkheid de schoonheid af te zien, is het -werk van een verstandigen kunstenaar; en, laat mij het eerlijk -bekennen, mij komt eene Milesische of in ’t algemeen eene dochter van -de levenslustige Ionische kusten beter in staat voor, aan het vorschend -oog van den kunstenaar de geheimen der schoone kunst te ontdekken, dan -de vrouwen en jonkvrouwen van ons Attische land. Het is niet hetzelfde -hoe de kunstenaar de vrouw ziet; of ze in bloode schaamte den worm -gelijk is, die schijnt in zich zelven weg te kruipen, dan of ze de -bloeiende schoonheid harer vrouwelijkheid in vrije bekoorlijkheid -ontplooit. Onze Atheensche vrouwen brengen haar leven in strenge -afzondering, in hare vrouwenvertrekken bewaakt, door. Wil men den -vrijen blik eener vrouw genieten, die het verstaat, zonder blooheid en -zonder onbeschaamdheid door hare geheele bekoorlijkheid te verrukken, -dan moet men tot deze Ionische, deze Lydische vrouwen gaan, die van -gindsche kusten komende en tegelijkertijd een adem van de schoone -ongedwongenheid van hare inheemsche dartele feesten met zich brengende, -de vroolijke wet der schoonheid en der zinnelijke vreugde verkondigen.” - -Velen der aanwezigen waren het met Alcamenes eens, en prezen hem -gelukkig, dat hij de gunst had verworven van een vrouw, als de -Milesische. - -„De gunst?” vroeg Alcamenes. „Ik weet niet wat gij bedoelt; de gunst -dezer vrouw heeft hare grenzen.... Vraagt het maar eens aan dien -droomer, den waarheidzoeker, haar vriend.” - -Zoo sprak Alcamenes en wees op den jongen beeldhouwer, die straks op de -straat naar den Piraeus zoo peinzend had gestaan en, inmiddels -teruggekeerd, het vertrek was binnengetreden. Alle aanwezigen keken op -deze woorden van Alcamenes naar den droomer en glimlachten; want zij -vonden in zijn uiterlijk niets, wat hun voorkwam, den omgang en de -vriendschap der Milesische waardig te zijn. Hij had een stompen neus en -zijn geheele uiterlijk was niet dat van een welgevormden Griek. Wel is -waar, de glimlach om zijn mond was, trots de dikke lippen, fijn, en -wanneer zijne oogen niet nadenkend, star op één punt gericht waren, -keken zij vroolijk en boezemden zij vertrouwen in. - -„Wij raken van ons onderwerp af,” merkte Phidias nu op. „Alcamenes en -Agoracritus wachten nog steeds ons oordeel af. Voorloopig schijnt het, -dat we het hierover eens zijn dat Agoracritus eene Godin, Alcamenes -eene schoone vrouw gebeiteld heeft. - -„Nu,” sprak Pericles, „ik geloof waarlijk, dat onze Alcamenes niet -alleen, maar ook onze Agoracritus, de onsterfelijken zullen vertoornen, -omdat zij toch beiden van onzen meester Phidias geleerd hebben, wanneer -zij een goddelijk wezen willen scheppen, de menschelijke gedaante tot -in hare fijnste aderen, na te gaan. In den grond zijt gij beeldhouwers -toch allen aan elkander hierin gelijk, dat gij voorgeeft Goden te -vormen, in wie wij inderdaad iets goddelijks meenen te zien en aan te -staren: wanneer we echter nauwlettender toezien, dan bevinden wij, dat -dit goddelijke slechts de reinste schoonheid en volkomenheid van het -menschelijke is, en dat ook de aetherische Godengestalte slechts eene -samenvoeging is van menschelijke polsen, spieren, zenuwen en -vaatbundels. Hoort nu ook eens de meening van dien tweeden leerling, uw -droomer daar over, de Milesische! Ook hij is gerechtigd, zijne meening -daaromtrent te zeggen.” - -„Wat meent ge,” riep Alcamenes den droomer toe, „is de natuur van den -mensch goddelijk?” - -„Wat Homerus en Hesiodus [34] betreft, en de andere dichters,” zeide de -droomer, „zoo herinner ik mij, dat zij de zee en de aarde en alle -mogelijke dingen goddelijk noemen; het zou mij daarom verwonderen, -wanneer de menschelijke natuur ook niet met hare zenuwen, spieren en -aderen goddelijk was. Pindarus [35] schijnt mij zelfs nog verder te -gaan, wanneer hij zingt: „Eén is van den beginne af het geslacht der -Goden en der stervelingen!” En ik herinner mij dat ik eens den wijsgeer -Anaxagoras [36] kort en bondig heb hooren zeggen, dat al wat is, levend -is en wat leeft goddelijk is. Wilt gij echter naar deze Ouden niet -hooren, zoo vraagt het aan de schoone Milesische.” - -„Ik geloof,” hernam Pericles, „dat wij allen niet ongezind zouden zijn -dezen raad te volgen, wanneer wij slechts wisten hoe wij gedaan konden -krijgen, om de Milesische tot beslechting dezer zaak hier te doen -komen. Kan soms Phidias ons dezen dienst bewijzen, of wil Alcamenes ons -het geheim openbaren, hoe men deze schoone raadpleegt, of zullen wij -tot den droomer ons wenden?” - -„Ja, tot den droomer!” riep Alcamenes levendig. „Ik wed, dat deze, als -hij wil, ons de Milesische nog heden uit het huis van Hipponicus, als -eene slang uit hare schuilplaats door tooverzangen en bezweringen, -hierheen zal lokken!” - -„Wanneer Alcamenes zelf ons naar hem verwijst,” zeide Pericles, „zoo is -hij wel de rechte man en niemand anders, die ons in deze zaak kan -helpen. Maar wat kunnen we den man beloven, opdat hij medelijden met -ons moge hebben en heenga, om de Milesische tot ons te lokken?” - -„Het zal zoo heel veel moeite niet kosten,” hernam de droomer, „iemand -te bewegen hier binnen te treden, die reeds als ’t ware wachtende, -achter de deur staat.” - -„Is de Milesische derhalve in onze nabijheid?” vroeg Pericles. - -„Toen ik straks,” vervolgde de droomer, „van mijne wandeling naar den -Piraeus terugkeerde, en, door de achterdeur dit huis binnen willende -treden, vlak langs de heining van den tuin van Hipponicus kwam, zag ik -de Milesische tusschen de bloembedden en de bloeiende struiken staan, -terwijl zij een tak van een laurierboom afplukte. Ik vroeg haar welken -held of wijze of kunstenaar zij met dezen tak dacht te versieren? Zij -zeide, dat hij bestemd was voor dengene der beide voortreffelijkste -leerlingen van Phidias, die heden, naar de uitspraak van kunstrechters, -als overwinnaar uit den wedstrijd zou te voorschijn treden. „Gij wilt -derhalve het geluk van den overwinnaar oneindig vergrooten?” zei ik, -„zoek toch den overwonnene ook eenigszins te troosten!”—„Goed,” -hervatte de Milesische, „men moet ook medelijden hebben met den -overwonnene; ik zal voor hem eene roos plukken.”—„Eene roos,” hernam -ik, „is dat niet wat te veel? Zijt gij zeker, dat dan de overwinnaar -den overwonnene niet benijdt?”—„Zoo moge de overwinnaar kiezen,” riep -zij; „daar, neem den lauriertak en de roos en reik ze hem over.”—„Zoudt -gij ze hem niet liever zelve overhandigen?” vroeg ik. „Meent ge dat -waarlijk,” hernam zij. „Voorzeker,” zei ik. „Nu welaan dan,” hervatte -zij; „zend den overwinnaar en den overwonnene hier naar mij toe aan de -tuindeur, zoodra de kunstrechters het vonnis uitgesproken en zich -verwijderd hebben.”—„Weet derhalve,” zoo besloot de droomer zijn -verhaal, „dat de Milesische met den lauwertak en de roos achter de -tuinheining van Hipponicus staat.” - -„Goed,” zeide Pericles, „ga en haal ze hier heen.” - -„Hoe kan ik dat?” hernam de andere. „Hoe zal ik haar overhalen, dat zij -hier kome in tegenwoordigheid van zulk een aantal mannen?” - -„Mij om ’t even, hoe gij het beproeft,” zeide Phidias; „dat behoort tot -uw geheime koppelaarskunsten; die behoeft gij ons niet te verklappen. -Ga ze maar halen, omdat Pericles het zoozeer verlangt.” - -De droomer gehoorzaamde. Hij ging en keerde na eenige oogenblikken met -eene vrouw terug, in wier gestalte de edelste fijnheid met bekoorlijke -weelderigheid van vormen op eene wonderlijke wijze vereenigd waren. -Pericles herkende aanstonds in haar de schoone, die hij vluchtig had -gezien, toen hij met Phidias zich van de markt naar de haven wilde -begeven. Zij was slank; toch waren de ledematen van de bekoorlijkste -volheid en weelderigheid. Haar gang was fier en tegelijk bekoorlijk. -Haar gekruld, zacht haar had een donkerrossen glans, haar gelaat was -van eene onvergelijkelijke schoonheid. Het betooverendste echter aan -haar was een vochtige glans, een zachte onweêrstaanbare gloed in de -heerlijke oogen, aan welks betoovering niemand, die slechts even haar -aanzag, wederstand kon bieden. Haar gewaad uit geel, zacht byssus [37], -sloot nauw om de fijne, fraai geronde heupen tot aan de enkels. -Bovenaan was het voorste stuk van het gewaad ter hoogte van de -schouders met fraaie gespen aan het achtergedeelte bevestigd. Daarover -viel van de schouders eene soort van oppergewaad in schoone plooien af -tot aan het midden van het lichaam. Het kleed zonder mouwen liet de -edelgevormde armen ontbloot en verborg niet geheel den omtrek van den -jonkvrouwelijken, teederen en toch krachtig ontwikkelden boezem. Het -was de gewone chiton [38] der Grieksche vrouwen, dien de vreemde droeg, -maar rijk en veelkleurig, zooals men dien zag bij de Ionische en -Lydische vrouwen der Aziatische kusten. De kleur van het gewaad was -glanzend geel, de zoomen waren met bont borduursel rijkelijk versierd. - -Het donkerrosse glanzende haar golfde in krullen langs den hals; een -purperen band, die op de plaats, waar hij op het voorhoofd rustte, met -een metalen ingesneden plaat versierd was, hield de weelderige lokken -bijeen. - -Toen deze bekoorlijke vrouw onder begeleiding van den droomer -binnentrad en eene zoo groote schare van aanzienlijke mannen zag en -onder hen zelfs den machtigen Pericles, aarzelde zij een weinig. Doch -Alcamenes trad haar te gemoet, vatte haar bij de hand en sprak: - -„Pericles, de Olympiër, wenscht de schoone en schrandere Milesische te -zien.” - -„Hoe groot en rechtmatig ook de begeerte moge geweest zijn, eene zoo -gevierde vrouw te zien,” zeide Pericles, „verzwijgt gij toch ten -onrechte, Alcamenes, dat wij eigenlijk door de verlegenheid, waarin de -beslechting van den wedstrijd tusschen u en Agoracritus ons plaatste, -op raad van den waarheidzoeker besloten, de wijsheid van de schoone -Milesische in te roepen. De vraag namelijk is onder ons gerezen, of het -geoorloofd is, eene Godin onder de vormen van eene schoone Grieksche -vrouw voor te stellen. Bij de Atheners, vroom en aan de Goden nauw -verknocht, als zij zijn, begint het geweten zijne stem te doen hooren, -of zij soms de stervelingen overmoedig en de Goden op hen afgunstig -maken, wanneer zij het goddelijke al te menschelijk voorstellen en of -hunne beeldende kunst in het algemeen den Goden welgevallig of gehaat -is?” - -„De zachtheid en helderheid van den Griekschen hemel,” begon de -Milesische met eene stem, wier veren klank niet minder betooverend was, -als de glans van haar oog, „wordt overal geroemd en de lichaamsgestalte -der Grieken door de barbaren [39] zelven, als het meest op de Goden -gelijkende erkend. De Goden van Hellas zullen zich niet op den Athener -vertoornen, wanneer hij hun tempels bouwt, zoo schitterend en verheven -als de aether zelf, die zich boven hen welft, en wanneer hij beelden -voor hen opricht, wier schoone gestalte niet verre beneden de gestalte -blijft van hen, welke aan deze beelden offers brengen. Zooals het land -is, zoo is de tempel, zooals de mensch, zoo zijne Goden! Trouwens, -bewijzen dan ook niet de Olympiërs [40] zelf, dat het hun lust en wil -is, zich af te spiegelen in de ziel der Atheners? Hebben zij hun niet -boven allen den scheppenden geest verleend, en hebben zij niet den -Attischen grond de beste klei, het onvergelijkelijkst marmer tot -bouwkunde en beeldende kunst gegeven?” - -„Inderdaad,” viel hier de opgewonden Alcamenes levendig in, „alles -bezitten wij; alleen nog niet het rechte, onbeperkte veld, waarop wij -arbeiden kunnen!—Waarachtig, mij en ons allen jeuken reeds de vingers, -en de beitel in onze handen wordt gloeiend van ongeduld.” - -Een goedkeurend gemompel doorliep bij deze plotselinge wending van het -gesprek de geheele werkplaats van Phidias. - -„Troost u, Alcamenes,” zeide de Milesische, den nadruk op ieder woord -leggende; „Athene is rijk geworden, schatrijk, en wel niet te vergeefs -is de gouden schat van Delos over de zee tot u overgezwommen.” - -De schoone vrouw wierp bij deze woorden een betooverenden blik op -Pericles. Deze had, terwijl zij sprak, zijne oogen op haar golvende, -bruine, zachte lokken onafgebroken gevestigd, en zeide nu onhoorbaar -tot zich zelven: „Bij de Goden, het blonde haar dezer vrouw zelf is een -schitterende gouden schat van Delos en voor dat gemunte goud zou dit -ongemunte niet te duur betaald zijn....” - -Toen liet hij een geruimen tijd het hoofd peinzend op zijne borst -zinken, terwijl aller oogen op hem waren gevestigd. Eindelijk begon -hij: - -„Te recht verwacht gij, beoefenaars en vrienden der schoone beeldende -kunst, dat de schat van Delos niet te vergeefs naar Attica’s strand is -overgekomen. En, wanneer ik slechts naar de inspraak van mijn hart, -niet naar de eischen van het algemeen belang had te vragen, waarlijk, -ik zou dien schat het liefst onmiddellijk naar de werkplaats van -Phidias doen brengen. Maar hoort, hoe de stand van zaken is voor hem, -aan wien de zorg voor het algemeen welzijn is toevertrouwd. Toen de -Pers, met zijne drommen het land overheerschend, tot ons was gekomen en -het gemeenschappelijk gevaar alle Hellenen vereenigd had, toen hij -echter verslagen afgetrokken en de groote les, die de strijd ons had -gegeven, weder vergeten was en de bijzondere belangen overal weder de -eerste plaats innamen, toen hoopte ik nog dat het mogelijk was, ’t geen -wij, door den nood des oorlogs gedrongen, hadden begonnen, langs -vreedzamen weg voort te zetten. Op mijn raad noodigde het Atheensche -volk allen Hellenen, hunne vertegenwoordigers naar Athene te zenden, om -over de gemeenschappelijke belangen van Griekenland te onderhandelen. -Ik wilde bewerken, dat op gemeene kosten alle door de Perzen verbrande -tempels en heiligdommen weder zouden worden hersteld. Voorts zouden de -Hellenen, van toen af aan vrij en veilig op alle Grieksche zeeën, op -alle Grieksche kusten kunnen verkeeren; er zouden borgen worden -gesteld, dat onder de bescherming van een ongestoorden vrede de -gemeenschappelijke welvaart aller Hellenen onbelemmerd zou bloeien. -Twintig mannen kozen wij uit het volk, mannen, die zelven medegekampt -hadden in de groote slagen tegen de Perzen. En welke antwoorden -brachten deze boden terug? Van den een ontwijkende, onverholen -afwijzende van den ander. Boven alles echter zocht Sparta de zaden van -het wantrouwen tegen Athene en zijn stamgenooten met kwistige hand uit -te strooien. Zóó werd de poging ijdel, en Athene verkreeg de ervaring, -dat het niet op de eendracht der Hellenen mocht rekenen, dat de afgunst -zijner mededingers niet sluimerde. Was mijn welgemeend plan gelukt, dan -had zich Athene en geheel Hellas zonder voorbehoud aan de kunsten des -vredes kunnen wijden en zijn edelsten bloei onmiddellijk kunnen -ontplooien. Nu echter is het onze eerste plicht, naar steeds grootere -macht, naar steeds grooteren invloed in Griekenland te streven, en -steeds zooals nu onaantastbaar uitgerust gereed te staan. Deze eerste -noodzakelijkheid gebiedt ons rekenschap te houden met onze middelen, -hoe schitterend ze voor het oogenblik ook mogen zijn. Oordeelt nu -zelven, gij mannen, of wij de verplichtingen, welke de handhaving van -onzen voorrang in Griekenland ons oplegt, uit het oog verliezen en de -gouden gaven van het geluk nu reeds aan het schoone en liefelijke mogen -offeren.” - -Zoo sprak Pericles, en daar de mannen zijne rede zwijgend, maar toch, -naar hij meende op te merken, niet zonder verborgen weerzin, -aanhoorden, ging hij voort: „overdenkt de zaak, of geeft ze den droomer -hier, den waarheidsvriend, of, wanneer men vrouwen ook in politieke -zaken mag hooren, aan deze schoone uit Milete ter overweging.” - -„Wanneer ik de woorden van Pericles goed begrepen heb,” begon de -droomer op zijne omslachtige wijze, daar alle aanwezenden bleven -zwijgen, „zoo heeft de groote staatsman het als eene vaststaande zaak -vooropgesteld, dat Athene trachten moet den voorrang onder de Grieksche -staten te handhaven. Op welke wijze echter deze voorrang verzekerd kan -worden, dat heeft hij ons ter overweging gegeven. Wel is waar, is hij -ook de tot nu toe algemeen heerschende meening, dat de voorrang van een -staat boven den anderen alleen op eene overweldigende krijgsmacht moet -steunen, zelf toegedaan. Maar verstandig als hij is, onderscheidt hij -zich van alle vroegere staatslieden daardoor, dat hij ook nog andere -middelen mogelijk schijnt te achten; want, als hij die niet mogelijk -achtte, hoe zou hij ons dan aangezocht hebben daarnaar onderzoek te -doen?” - -„Kunt gij ons,” zeide Pericles, „zulke andere middelen aanwijzen, zoo -spreek!” - -„Men moet,” hernam de droomer, „om deze middelen te weten, zulken -lieden vragen, die bewezen hebben te verstaan, om anderen den voorrang -af te winnen, en de menschen, zonder gebruik te maken van geweld, het -schoonst en het best kunnen onderwerpen en beheerschen. Men moest dan -juist weder de schoone Milesische hier om raad vragen.” - -De vreemde wierp glimlachende een blik op den droomer, en deze ging op -zijn gewonen trant zich tot haar wendende voort: - -„Gij hebt gehoord, dat wij overwegen, of een staat boven alles door -krijgsmacht en schatten zich den voorrang verzekert, of ook nog door -iets anders in de wereld, bij voorbeeld door beoefening van het schoone -en goede en geestelijke voortreffelijkheid. Gij behoort nu tot -diegenen, die er zich op verstaan, anderen den voorrang af te winnen en -de menschen, als van zelven, het schoonst en het best te beheerschen. -Wilt gij ons niet zeggen, hoe gij dat ten uitvoer brengt?” - -„Wat ons vrouwen betreft,” hernam de Milesische glimlachende, „zoo kan -ik slechts zeggen, dat het voor een zeker gedeelte op de schoone -gestalte aankomt, en op de kunst zich sierlijk te kleeden en bekoorlijk -te dansen of betooverend de cither te bespelen en wat men verder -verleidelijke kunsten moge noemen.” - -„Wat de vrouwen aangaat, zou de vraag dus opgelost zijn?” zeide -Pericles. „Maar hoe? Zullen ook wij Atheners, de Spartanen en alle -eilandbewoners en Aziaten het schoonst en best aan ons trachten te -onderwerpen en beheerschen door schitterend gewaad en schoone gestalte, -door bekoorlijke dansen en citherspel?” - -„Ja, zeker,” hernam de Milesische. Dit stout geuite woord verbaasde de -mannen. De bekoorlijke vrouw echter ging voort: - -„Die staat zal boven allen het meest tot macht en aanzien geraken, waar -men het bekoorlijkst weet te dansen, het schoonst de cither te -bespelen, het best te bouwen, te beitelen en te schilderen en waar de -voortreffelijkste dichters gevonden worden!” - -„Gij schertst!” riepen eenige der mannen. - -„Volstrekt niet!” hernam de schoone glimlachende. - -„Wanneer men het nader beschouwd,” zeide Hippodamus, „dan schijnt de -schoone Milesische met hare stoute bewering, die ons in het eerste -oogenblik deed glimlachen, nog zoo geheel geen ongelijk te hebben. -Inderdaad! Wanneer de schoonheid slechts eenmaal de zegevierende macht -in de wereld is, waarom zou dan ook een volk niet, door de -bekoorlijkheid van het schoone, het andere den voorrang afwinnen, roem, -bewondering, liefde, onberekenbaren invloed verwerven, even goed als -eene schoone vrouw?” - -„Zoo maar niet de onbeperkte beoefening van het schoone,” hernam -Pericles, „de gemoederen weekelijk en verwijfd maakte!” - -„Week en verwijfd?” riep de Milesische; „gij Atheners zijt het maar al -te weinig. Zijn er niet velen onder u, die uw staat geheel naar de -sombere en ruwe wijze der Spartanen zouden willen inrichten? Het is -onbillijk te zeggen, dat het schoone den mensch bederft. Het schoone -maakt de burgers opgeruimd, tevreden, handelbaar, opofferend, vol gloed -en bezieling. Wat zou er benijdenswaardiger zijn, dan een gelukkig -volk, naar welks feesten van heinde en verre de menschen toestroomen? -Laat de sombere, ruwe Spartanen zich gehaat maken; Athene zal, naar -balsem riekende, en met bloemen bekranst, als eene bruid, zich de -harten veroveren!” - -„Gij meent dus,” zeide Pericles, „dat nu reeds de tijd is gekomen, -waarop wij het zwaard uit de hand kunnen leggen, om ons aan het schoone -en aan alle kunsten des vredes te wijden?” - -„Veroorlooft gij mij, het uit te spreken, o Pericles,” vroeg de -vreemde, „wanneer het naar mijne meening de tijd is, het schoone te -scheppen?” - -„Spreek het uit!” hernam de staatsman. - -„De tijd, om het grootsche en schoone te scheppen,” zeide de -Milesische, „is dan gekomen, naar ik meen, wanneer de mannen aanwezig -zijn, die geroepen zijn, het te scheppen!—Nu hebt gij uw Phidias en de -andere meesters: wilt gij met de volvoering uwer gedachten talmen, tot -zij oud en stram zijn geworden? Gemakkelijk vindt gij het goud, om het -schoone te betalen, maar niet altijd de mannen om het uit te voeren!” - -Luide en algemeene bijvalskreten weerklonken bij deze woorden. - -Er zijn blikken, er zijn woorden, die, als de zengende bliksem, eene -menschenziel doen trillen. De ziel van Pericles was door zulk een blik -en zulk een woord te gelijk getroffen geworden. - -De bliksemende gloed was uit het betooverendst oog, het bliksemend -woord van de betooverendste lippen gekomen. De macht van het woord was -Pericles zich bewust; de overweldigende kracht van den blik drong tot -in zijn binnenste door; hun vlam en gloed grepen hem meer dan hij wist -in het hart. - -Zijn oog begon vurig te schitteren en in zich zelven herhaalde hij de -woorden der vreemde: - -„De tijd om het schoone te scheppen is dan gekomen, wanneer de mannen -aanwezig zijn, welke in staat zijn het te scheppen.—Ik moet bekennen,” -ging hij voort, „dit woord is een der treffendste en gelukkigste, die -er kunnen gezegd worden. Het ia bijna zoo duidelijk, alsof men zeide: -„de tijd om lief te hebben is dan gekomen, wanneer de schoonheid daar -is, die in staat is de liefde te ontvlammen.” Een beteren verdediger -kon datgene, wat ons allen ter harte gaat, niet vinden. Ik geloof, dat -gij mij en allen, die hier zijn, hebt overtuigd. Inmiddels zou het u -niet zoo gemakkelijk gevallen zijn, schoone vreemdelinge, wanneer -datgene, wat gij zegt, niet reeds in de schuilhoeken onzer harten -gesluimerd had. Doch wilt ge het mij toestaan, dat ik mij nog niet -geheel en al overwonnen geef? Wilt gij in der minne met mij een -vergelijk treffen? Ik meen, dat wij moeten trachten ons Athene -strijdvaardig en machtig te houden, zooals het is; doch gij hebt -gelijk, dat wij niet langer uit beangste bedenkingen mogen talmen, dat -te doen, waarvoor de tijd nu is gekomen, omdat, zooals gij ons -herinnerd heb, er nu mannen zijn, die, als ze heengegaan zijn, nimmer -zullen terugkeeren!—Dank het aan deze schoone, Phidias, wanneer mijn -bedenkingen verdwenen zijn, en ik u en den uwen, wien, zooals Alcamenes -zeide, de beitel in de hand van ongeduld gloeit, beloof, de hinderpalen -uit den weg te helpen ruimen, opdat gij, evenals een strijdlustig -leger, uit moogt trekken, om het vernielde weder te herstellen en uwe -schoone en heerlijke idealen der verwezenlijking nader te brengen. - -„Ziet, er is niet weinig gedaan, om ons Athene sterker te maken. De -havenstad is nieuw gebouwd, de middelmuur bijna voltooid. Reeds lang -was het mijn voornemen eene ruime worstelschool voor de Atheensche -jongelingschap op te richten; ook aan de kunsten der Muzen, de toon- en -dichtkunst, wil ik eene waardige plaats toewijden. Met schitterende -tempels echter en met heerlijke standbeelden willen wij op passende -wijze het werk der vernieuwing bekronen, dat beneden in den Piraeus -begonnen is geworden.” - -Blijde bijvalsbetuigingen gingen er bij deze woorden van Pericles op, -uit de rijen der beeldhouwers en overige aanwezige mannen. - -„Vermanend verheffen zich de reusachtige zuilen des tempels,” vervolgde -Pericles, „die Pisistratus [41] begonnen is voor den Olympischen Zeus -te bouwen en waaraan sedert den val van den geweldigen man niemand -weder de handen heeft geslagen. Zou het niet billijk zijn, dezen eerst -te voltooien?” - -„Neen!” riep levendig de volksvriend Ephialtes. „Dat zou zijn den roem -van den vijand der volksvrijheid vereeuwigen. Laat een tyran [42] -voltooien, wat een tyran begonnen heeft! Het vrije volk der Atheners -laat het gedenkteeken van Pisistratus in zijne puinhoopen liggen, tot -een teeken, dat de zegen der Goden niet rust op het werk van despoten!” - -„Gij hebt den volksvriend Ephialtes gehoord,” zeide Pericles, „en -wanneer gij Ephialtes gehoord hebt, zoo hebt gij het geheele volk der -Atheners gehoord. Bovenop de Acropolis staat het overoude, eerwaardige -heiligdom van Erechtheüs [43] en de stedegodin Athene, half vernield en -slechts gebrekkig na den Perzischen krijg weder voor den dienst der -Goden hersteld.” - -„Daar huizen de uilen;” riep de vrijzinnige Callicrates. „Oud en somber -zijn daar de tempels, oud en somber de priesters en zelfs de Goden zijn -door de sombere atmosfeer vermolmd.” - -„Dan zullen wij den tempel licht en vroolijk weder opbouwen,” zeide -Pericles. - -„Dan zou Phidias tot ledigheid gedoemd zijn,” hernam Callicrates; „gij -weet, nooit mag het overoude, heilige van den hemel gevallen houten -schild van Athene Polias [44] in den tempel van Erechtheüs door een -ander vervangen worden—nooit mag het in zijne leelijkheid veranderd, -maar steeds met een of ander voorwerp omhangen worden!” - -„Dan laten wij de oude priesters met hunne oude Goden in de oude -tempels huizen,” hernam Pericles, „en we beraadslagen met Phidias: laat -hij ons vertellen, wat hij wakende droomt, wanneer hij zijn blik op de -Acropolis vestigt!” - -Phidias stond in gedachten verzonken. - -Pericles trad naar hem toe en zeide, terwijl hij de hand op zijn -schouder legde: „houd op met mijmeren—schud de grootsche gedachten, -welke gij in uw hoofd koestert, wakker, want haar tijd is gekomen!” - -Phidias glimlachte; daarop sprak hij met schitterende oogen: - -„Laat Ictinus hier u vertellen, hoe dikwijls ik de oppervlakte van de -burghoogte en hare rotsterrassen met hem heb afgemeten—hoe wij -cijferden en rekenden en geheime plannen smeedden, niet wetende, -wanneer de ure zou komen om ze te verwezenlijken.” - -„En welke plannen waren dat?” vroegen de mannen. Phidias deelde mede, -wat in stilte reeds lang in zijn gemoed tot rijpheid was gekomen. Vol -geestdrift luisterden zij naar hem. - -„En zal niet,” vroeg een der mannen, „een zoodanig werk, evenals reeds -eens is geschied, verijdeld worden door de afgunst der priesters van -Erechtheüs op den burg?” - -„Wij zullen over die afgunst zegevieren!” riep Ephialtes uit. - -„De schat van Delos,” zeide Pericles, „zal nedergelegd worden aan de -voeten der Godin—in het achterste gedeelte van den tempel zal hij -geborgen worden: en zoo zal op de schitterende hoogte van de burgrots -dezelfde tempel de onderpanden van Athene’s macht en grootheid -vereenigen!” - -Met geestdrift juichten de aanwezigen de laatste woorden van Pericles -toe. Hij echter ging voort, alsof hij zich plotseling bezon, met een -blik op den lauwertak en de roos in de handen van de schoone vrouw: - -„Veel is hier beslist geworden; evenwel niet de wedstrijd tusschen -Alcamenes en Agoracritus. Aan wien van deze twee Aphrodite’s geeft wel -de schoone en schrandere vreemdelinge de voorkeur?” - -„Is dezen hier ook eene Aphrodite?” vroeg de Milesische, op het beeld -van Agoracritus het oog vestigende; „Ik heb haar voor eene strengere -Godin gehouden, voor eene Nemesis [45] bijvoorbeeld.”— - -Agoracritus, die den geheelen tijd door met donkeren blik en mokkend -ter zijde op een steenblok had gezeten, lachte bitter en bijna honend, -toen hij dit woord hoorde. - -„Eene Nemesis?” herhaalde Pericles, „inderdaad, die beteekenis is -treffend. Is Nemesis niet de strenge Godin der maat, wier -overschrijding steeds gewroken wordt? Nu, in dit werk van Agoracritus -schijnt inderdaad de ernstige, gestrenge wet en maat van ’t geheele -wezen levend belichaamd te zijn. De schoonheid der Godin is bijna -dreigend, bijna schrik aanjagend. Voor ’t overige, zijn Cypris, de -Godin van de liefelijke maat, en Nemesis, de wreekster van de -overschreden maat, niet van den oorsprong af eenigszins verwant? -Wanneer nu dit het geval is, dat de Atheners eene Aphrodite in de -omheining der Tuinen willen plaatsen, en slechts Alcamenes eene -Aphrodite gebeiteld heeft, dan kunnen wij ook alleen deze in de Tuinen -eene plaats geven. Het werk van Agoracritus echter, ’t welk eene -heerlijke Nemesis voorstelt, zullen wij met zijne toestemming, naar ik -meen, in den tempel dezer Godin te Rhamnus opstellen. Wellicht kan de -kunstenaar haar nog eenige uiterlijke kenteekenen en symbolen -toevoegen.” - -„Dat zal ik!” riep de toornige Agoracritus, met een donkeren blik. -„Eene Nemesis zal zij worden, mijne Cyprische Godin.” - -„Wien derhalve, schoone vreemdelinge,” zeide Pericles, „zult gij nu den -lauwertak en wien de roos overreiken?” - -„Beide aan u!” hervatte de Milesische. „Van deze beiden is geen -overwinnaar of overwonnene. En op dit oogenblik betaamt het, alle -kransen in de hand van den man te leggen, aan wien dezen het te danken -hebben, dat hun de baan geopend is, om naar de edelste lauwers te -dingen!” - -Hiermede reikte zij lauwerkrans en roos aan Pericles over. De -schitterende oogen van beiden ontmoetten elkander een oogenblik en -bleven vol beteekenis een korten tijd op elkander gericht. - -„Ik zal,” zeide Pericles, „den lauwertak tusschen de beide jongelingen -verdeelen, de welriekende, liefelijke roos echter behoud ik voor mij -zelven.” - -Hij brak den lauriertak in twee stukken en verdeelde dien onder de -beide jongelingen. Toen zeide hij, rondom zich ziende: „Ik geloof, dat -ik nu niemand hier meer ontevreden laat. Alleen de droomer daar schijnt -mij toe nog met zekere ongerustheid en ernstige gelaatstrekken voor -zich heen te kijken. Hebt gij nu nog bezwaren, waarheidsvriend?” - -„Ik vroeg straks,” hernam de aangesprokene, „uit uw naam, de schoone -Milesische, of alleen door goud en krijgsmacht, of soms ook door de -beoefening van het schoone, van het goede en voortreffelijke, een staat -een anderen voorrang zou kunnen afwinnen. Wat het schoone betreft, -heeft ons de Milesische bewezen, dat dit tot gezegd doel voortreffelijk -geschikt is. Ik zou nu echter ook gaarne willen weten, of dit ook het -geval is met datgene, wat ik nog niet noemde, met het goede en de -innerlijke voortreffelijkheid.” - -„Naar mijn oordeel,” sprak de Milesische, „is het goede één met het -schoone; wanneer dat echter niet het geval en integendeel daarmede in -strijd is, dan zou ik het voor genoemd doel niet geschikt houden.” - -„Wilt gij ons ook de bewijzen daarvoor leveren?” vroeg de droomer. - -„Bewijzen?” hernam de Milesische glimlachend; „ik weet niet of daarvoor -bewijzen bestaan. Wanneer mij die invallen, zal ik ze u zeggen.” - -„Juist!” viel Pericles in; „wij willen deze zaak tot eene volgende -gelegenheid uitstellen.” - -De zonderling haalde de schouders op en ging heen. - -„Deze wonderlijke man is, naar het mij voorkomt, nog niet geheel -tevreden gesteld,” merkte Pericles op. - -„Neen,” hernam Alcamenes; „ik ken hem: hij geeft zich den schijn dat -hij hoogst bescheiden is, maar het hindert hem zeer, wanneer men hem de -leiding van het gesprek ontneemt, en wanneer de quaestie niet haarfijn -tot dat doel geleidt, ’t welk hij heimelijk beoogd heeft. Doch zijne -ontevredenheid is spoedig voorbij; hij is een goedaardige ziel, licht -tot verzoening geneigd.” - -„Hoe heet hij toch, die zonderlinge waarheidsvriend?” vroeg Pericles. - -„Socrates [46], de zoon van Sophroniscus!” hernam Alcamenes. - -„En de schoone vreemdelinge, van wie wij heden zooveel geleerd hebben; -hoe heet zij?” vervolgde Pericles. - -„Aspasia!” zeide Alcamenes. - -„Aspasia?” riep Pericles. „Die naam is zacht en zoet; hij smelt weg op -de lippen als een kus.” - - - - - - - -II. - -TELESIPPE. - - -Pericles had sedert de bijeenkomst ten huize van Phidias wakend en -peinzend de nachten doorgebracht. De schat van Delos hield hem steeds -bezig, waarmede een nieuwe tijd voor de macht en de heerlijkheid der -Atheners gekomen was; de gesprekken, die in het huis van Phidias -gevoerd waren, weerklonken nog steeds in zijne ziel en wanneer hij, om -aan die reeks van woelende gedachten te ontkomen, de oogen sloot, dan -verscheen hem halfwakend in een vluchtigen droom, het bekoorlijke beeld -der Milesische, en de vochtige, aphroditische glans harer betooverende -oogen drong door tot in het diepst zijner ziel. - -Allerlei plannen, sedert langen tijd opgevat, kookten in Pericles’ -gemoed. Vluchtige gedachten namen allengs een bepaalden vorm aan, en -besluiten kwamen er uit voort, evenals de rozen, des nachts rijpende -knoppen schieten. - -Op een morgen zat hij peinzend in zijn vertrek, toen zijn vriend -Anaxagoras hem kwam bezoeken. Van zijn vroegste jeugd af, met den -wijzen Clazomeniër [47] door vriendschap verbonden, was Pericles nog -steeds menigen morgen bezig, om de nieuwe onderzoekingen, welke -Anaxagoras’ heldere, vurige geest ingesteld had, te overwegen. Nieuwe -meeningen waren het, welke die stoute denkers—en Anaxagoras nam onder -hen eene eerste plaats in—verheven boven de kinderlijke beschouwingen -der vaderen, uit de diepte van hun nadenkenden geest, begonnen te -verbreiden. - -Heden echter bemerkte de schrandere man aanstonds reeds bij het -binnentreden, dat gedachten van een geheel anderen aard zijn vriend -bezig hielden; hij vond den anders zoo kalmen en waardigen staatsman -opgewonden, terwijl zijn oog van dat matte vuur gloeide, ’t welk een in -gedachten doorwaakten nacht te kennen geeft. - -„Is het volk heden tot eene vergadering van gewichtigen aard op den -heuvel de Pnyx [48] samen geroepen?” vroeg de grijsaard, den Olympiër -in ’t gelaat ziende; „ik herinner mij dat ik u slechts bij zulke -gelegenheden zoo peinzend heb aangetroffen.” - -„Inderdaad verzamelt het volk zich heden,” hernam Pericles, „en het -zijn gewichtige zaken, die ik van plan ben daar te behandelen. Ik vrees -of ik het zal kunnen doorzetten....” - -„Gij zijt strateeg” [49] hernam Anaxagoras, „gij zijt bestuurder der -openbare inkomsten, gij regelt de openbare feesten, gij zijt—de Goden -mogen het weten, hoe al de ambten en waardigheden, welke de Atheners u -met gewone en buitengewone volmacht opnieuw hebben opgedragen, mogen -heeten; om ’t even: gij zijt wat het gewichtigste is en de hoofdzaak in -een vrijen staat—gij zijt de grootste redenaar, die men den „Olympiër” -noemt, omdat met den donder uwer woorden eene soort van heerschersmacht -is verbonden, evenals met den donder van Zeus. En gij zijt beangst?” - -„Ja, dat ben ik!” hernam Pericles, „en ik verzeker u, dat ik nooit den -steen op de Pnyx bestijg, zonder in stilte de Goden aan te roepen, dat -geen onbedacht woord mijn mond ontglippe, en dat ik nooit een oogenblik -vergete, dat het Atheners zijn tot wie ik spreek. Gij weet hoe -ongeduldig het volk onlangs reeds is geworden, toen ik het telkens -weder aanspoorde nieuwe sommen voor het bouwen van den middelsten -langen muur en ter vernieuwing van den Piraeus toe te staan. En nu -heeft mij Phidias bepraat, mij nieuwe groote plannen voor den geest -gespiegeld. Zijne brandende begeerte en die der zijnen moet niet langer -weerstaan worden; ons Athene moet met de lang overdachte werken van -deze mannen versierd en ten overstaan van geheel Griekenland -verheerlijkt worden. Gij weet, ik behoor tot diegenen, welke het nieuwe -met behoedzaamheid aangrijpen, het gegrepene echter vasthouden en met -vurigen moed ten uitvoer brengen. En zoo heb ik ook, vóór ik deze zaak -begon, rijpelijk haar overdacht; nu echter ben ik in stilte wellicht -vuriger daarvoor bezield dan Phidias zelf en de zijnen.” - -„Is het volk der Atheners dan niet met geestdrift bezield en -kunstlievend?” zeide Anaxagoras. „En is niet de rijke schat van Delos -overgekomen?” - -„Ik vrees het wantrouwen,” hernam Pericles, „’t welk geheime en -openbare tegenstanders uitzaaien. De oligarchische partij is niet -geheel overweldigd. Ook weet gij, dat er vrienden der Laconiërs zijn en -dezulken, die het licht en het reine en het schoone haten. Hebt gij het -zelf niet ondervonden, sedert gij in de zuilengaanderijen der Agora -zijt opgetreden, om ons Atheners de boodschap der reine, vrije en uit -den geest geborene waarheid te verkondigen. Intusschen zal ik heden -eene troef uitspelen, die voorloopig de menigte ten volle op mijne hand -zal brengen. Er zijn arme burgers, die van de hand op den tand leven en -die morgen honger moeten lijden, wanneer zij heden hun arbeid staken -en, om hun burgerplicht niet te verzuimen, naar de volksvergadering -gaan. Waarom zouden zij niet door een paar obolen [50] uit de staatskas -schadeloos gesteld worden? Ook heb ik te doen met die arme drommels, -die zoo gaarne de openbare schouwspelen zouden willen bijwonen, maar -het entreé-geld niet kunnen betalen. Zij zullen er van staatswege heen -mogen gaan, om ongemerkt door de werken hunner dichters zich te doen -vormen en veredelen, terwijl zij meenen alleen hun genoegen na te -jagen. En die goede zielen, welke bij duizenden uit het volk door het -lot worden gekozen om aan de vele gerechtshoven als assessoren te -worden toegevoegd, zij moeten voortaan niet meer zonder -schadeloosstelling den geheelen dag verliezen, om de tallooze processen -hunner medeburgers in het zweet huns aanschijns te beslechten. - -„Athene is rijk, nieuwe goudbronnen ontspringen om ons en storten zich -van de landen der bondgenooten in onze schatkist uit. Een groot saldo -is in kas. Ik heb mijzelven afgevraagd: moet dat als reserve voor de -toekomst bewaard worden of moet het den tegenwoordigen tijd ten goede -komen? Na wikken en wegen is het mij helder geworden, dat het heden -daarop het grootste recht heeft. Het volk moet de vruchten zijner -zegepralen en roem plukken, het moet vrij en gelukkig zijn; een schoon, -benijdenswaardig bestaan, zooals den mensch past, moet in ons door de -Goden geliefd Athene in het leven geroepen worden.” - -„Ik heb den edelen Pericles dikwijls in zulk eene gloeiende geestdrift -gezien,” merkte Anaxagoras op, „maar uwe bezieling van heden schijnt -mij sterker te zijn, dan iedere geestdrift te voren.” - -„Ik dank den Goden,” hernam Pericles, „dat zij mij, bij beradenheid in -het overleg, de snelste vurigheid van besluit en den taaien moed van -uitvoering hebben gegeven. Zijt gij soms ontevreden op mij? Schijn ik u -toe mijne plannen te ver te drijven of te weinig rekening te houden met -het altijd overijlde en soms ondankbare volk?” - -„Laat mij het openlijk bekennen,” hernam de grijsaard, „ik bemoei mij -niet met staatkunde. Ik ben geen Athener, wellicht niet eens een -Helleen, maar een wereldburger, een wijsgeer. Mijn vaderland is het -onmetelijk heelal.” - -„Maar gij zijt wijs,” zeide Pericles, „en kunt de daden der -staatslieden beoordeelen, of het ten goede dan ten kwade zal -uitloopen.” - -„Daarvoor zal ik mij in acht nemen!” riep Anaxagoras. „Niet alleen de -dichters, maar ook de staatslieden volgen onwetend een goddelijken -wenk, zijn door een daemon [51] bezeten, die hen bezielt, en hen schier -onbewust tot datgene drijft, wat voor het oogenblik waarlijk -noodzakelijk en nuttig is. Het gewone menschenverstand zal te ras -oordeelen en dwalen, wanneer het den arbeid geldt van door eene Godheid -bezielde mannen. Ik heb mij in de verborgen geheimen der natuur -verdiept en overal daarin een besturende Geest gevonden; de geest -echter is onfeilbaarder en machtiger in het voortbrengen en werken dan -in het oordeelen...” - -Zoo onderhielden zich de beide mannen vertrouwelijk in het vertrek van -Pericles. Op dit oogenblik echter trad een slaaf binnen, door de -echtgenoote van Pericles, Telesippe, gezonden. - -Het was eene zonderlinge boodschap, waarmede deze dienaar van de -meesteres des huizes kwam. De opzichter van Pericles was dezen morgen -van het landgoed gekomen, en had een jongen ram meegebracht, die op -genoemd landgoed met één hoorn in plaats van met twee was ter wereld -gekomen. Dit dier nu had de opzichter, niet zonder aarzeling en angst, -aan zijne meesteres getoond. Telesippe, eene vrome vrouw, had aanstonds -naar den ziener Lampon gezonden, om het wonderteeken te verklaren. Nu -noodigde zij haar echtgenoot uit, te komen, ten einde het zonderlinge -dier te zien en met haar de uitspraak van den waarzegger te vernemen. - -Pericles hoorde het verhaal van den slaaf aan, en zeide toen goedig tot -zijn vriend: - -„Laat ons de vrouw ter wille zijn en gaan, om den eenhoornigen ram te -beschouwen.” - -Anaxagoras stond op en volgde Pericles bereidwillig. - -Zij begaven zich naar het peristylium [52] van het huis. - -Het huis van Pericles was eenvoudig. Het was niet grooter, niet rijker -versierd, dan dat van een anderen Atheenschen burger van matig fortuin. - -Het was eenvoudig, evenals de levenswijze van den eigenaar. In eene -republiek moet de invloedrijkste man eenvoudig leven, wanneer hij zich -tegen het wantrouwen zijner medeburgers wil vrijwaren. Maar ook zonder -berekening en bedoeling zal een man, die zich rusteloos aan het welzijn -van den staat wijdt, zijne eigene huishouding steeds een weinig -verwaarloozen. Eenvoudig en onopgesmukt was ook het peristylium in -Pericles’ huis. Maar er ontbrak niet die prettige bekoorlijkheid, die -met dat eigenaardige en liefelijkste deel van het huis, met dezen door -zuilen omgevene opene plaats, op de wijze van eene zaal gebouwd, overal -gepaard gaat. Men bevond zich toch hier in het binnenste der woning en -tevens onder den vrijen hemel. Men was daar afgesloten van alle -gedruisch der buitenwereld, en toch in onmiddellijke aanraking met -frissche lucht van den hemel, die van boven er in waaide, met de zon, -maan en sterren, die onbelemmerd hare gouden stralen uit de hoogte op -de marmeren zuilen wierpen. De zwaluwen vlogen vertrouwelijk tjilpend -uit en in, en bouwden hare nesten aan de kapiteelen en lijsten. Niet -aanlokkelijk naar buiten als de tempels, maar naar binnen keerde het -woonhuis, als ’t ware afwerende, zijn zuilenpraal, om ruimte te -verschaffen aan den vrijen, en toch vertrouwelijken, bekoorlijken -familiekring. Hier zat men, hier wachtte men ook wel bezoekers af. Hier -nuttigde men soms ook den maaltijd. Hier bracht men ook de huisoffers -ter eere der Goden; hier stond de eigenlijke haard van het huis, het -altaar van den haard-beschermenden Zeus [53]. - -Achter den zuilengang, die alle vier zijden van het peristylium omgaf, -strekten zich de woonvertrekken van Pericles’ gezin uit. De deuren der -kamers kwamen daar op uit. Smaakvolle versierselen bedekten de posten -en kroonlijsten der deuren; de openingen waren gedeeltelijk slechts met -bonte tapijten schilderachtig behangen. Naar achteren grensde het -vrouwenvertrek aan het peristylium, en daarachter lag de kleine, goed -omheinde tuin. Betrad men van de straat het huis, dan voerde een gang, -die door het voorhuis liep, recht naar het peristylium. Aan de zijde -van den ingang, zoowel aan den linker als aan den rechter kant van de -vierkante opene ruimte, liepen de zuilengangen; aan de zijde, die -tegenover den ingang lag, werd door een paar pilaren een middelvertrek -afgescheiden, dat binnenwaarts inspringend, eene naar het peristylium -opene, van de drie overige zijden echter door wanden ingeslotene -voorzaal, vormde. - -In deze voorzaal stond Telesippe, de echtgenoote van Pericles, door -eenige slaven en slavinnen omringd, en naast haar de opzichter, die van -het landgoed gekomen was, met den eenhoornigen jongen ram op de armen. - -Telesippe was eene slanke vrouw met strenge, niet leelijke, doch ietwat -ruwe trekken. Zij was statig en eenigszins zwaarlijvig, maar haar -uiterlijk was niet meer bloeiend. De wangen hingen slap, slap de -boezem, slap, achteloos en zonder zwier hing ook het gewaad langs hare -ledematen af. Het haar was nog niet opgemaakt en naar achteren in een -grooten bos opgebonden. Zij was bleek, want zij had zich dezen morgen -niet geblanket. Deze vrouw, de echtgenoote van den grooten Pericles, -was vroeger met den rijken Hipponicus gehuwd geweest. Deze scheidde van -haar en zij had Pericles tot nieuwen echtgenoot gekregen. Toch zag zij -er nog jeugdig uit; de blos op de wangen deed hare koele, strenge oogen -minder ongunstig uitkomen. - -Toen Telesippe, in de naar het peristylium opene zaal staande, haren -echtgenoot niet alleen, maar in gezelschap van Anaxagoras zag naderen, -maakte zij aanstalten om zich voor den vreemdeling, naar de zeden dier -dagen, in het vrouwenvertrek terug te trekken. - -Pericles wenkte haar te blijven. Zij bleef dan ook, maar zonder het -grijze hoofd van den oude verder met een blik te verwaardigen. Zij had, -en, naar zij meende, met reden, weinig met dezen grijzen vriend en -raadsman van haar echtgenoot op. - -Met een soort van angst keek zij naar den ram. „Ik heb den ziener -Lampon ontboden,” zeide zij, „ik ben voor een slecht voorteeken -beducht.” - -Op dit oogenblik opende de portier de buitendeur en liet den ziener -binnen, die aanstonds door den langen gang naderde. - -De ziener Lampon was priester van een kleinen tempel aan Dionysus [54] -gewijd, welke niet veel opbracht. Hij legde zich daarom op de mantiek -[55] toe en niet zonder geluk. Hij had bij de vromen een goeden naam. -Hij droeg, om uiterlijk zijn beroep te doen kennen, het priesterlint om -het voorhoofd, en daarover den Apollonischen lauwerkrans [56] op het -hoofd. Overigens zocht hij, naar de gewoonte van mannen van zijn slag, -door een achteloos gewaad, ongekamden baard, wild fladderend haar en -een schuwen, zwervenden blik te kennen te geven, dat zijne ziel, aan de -aarde ontrukt, met goddelijke zaken vervuld was. - -„Dit wonderdier,” zeide Telesippe tot Lampon, „is op ons landgoed -geboren en dezen morgen in de stad gebracht. Gij zijt een der kundigste -waarzeggers, verklaar ons dit teeken, of wij het als een gunstig dan -als een noodlottig moeten beschouwen.” - -Lampon liet den ram op het altaar van Zeus Ephestios leggen. - -Eene kool glom toevallig nog op het altaar. Lampon trok een haar uit -het voorhoofd van den ram en wierp het op de glimmende kool. - -„Het teeken is gunstig,” zeide hij; „want het haar is verbrand zonder -hevig knetteren.” - -Toen vestigde hij den blik op Pericles en vervulde vervolgens zijne -wichelkunst ten opzichte van den ram. Pericles stond toevallig rechts -van den ram. „Het teeken is gunstig voor Pericles!” zeide de ziener met -een gewichtig gebaar, en stak overeenkomstig een gebruik der mantiek, -een laurierblad in den mond en kauwde het, om door het genot van het -kruid, den God der zieners gewijd, zich in een toestand van heilige -bezieling te brengen en het rechte zienerswoord door geestvervoering te -vinden. - -De oogappels van den wichelaar begonnen zich onder krampachtige -trekkingen te verdraaien. Plotseling boog de ram zijn kop ter zijde, -zoodat de hoorn op ’t midden van zijn voorhoofd in eene rechte lijn -naar Pericles wees en hij liet een eigenaardig geluid daarna hooren. - -„Heil u, Alcmaeönide,” riep Lampon; „heil u, zoon van Xantippus, -overwinnaar der Perzen bij Mycale [57], edele spruit uit het geslacht -der Buzygen, de heilige Palladium-bewakers [58]! Heil u, overwinnaars -van Thracië [59], van Phocis [60], van Euboea! Vroeger bezat de ram -Athene twee horens: den aanvoerder der oligarchen Thucydides, en -Pericles, den leider der volkspartij. Voortaan echter zal de ram Athene -slechts een enkelen hoorn op het voorhoofd hebben; de partij der -oligarchen is voor altijd vernietigd en Pericles alleen bestuurt met -wijsheid en fierheid de lotgevallen der Atheners!” - -Anaxagoras glimlachte. Pericles nam zijn vriend ter zijde en sprak -zacht tot hem: „De man is sluw; hij rekent er op, onder de waarzeggers -te worden opgenomen, die mij van staatswege op mijn volgenden veldtocht -zullen vergezellen.” - -„Maar wat moet er met den ram geschieden?” vroeg Telesippe. - -„Deze ram,” hervatte Lampon, „moet zoo vet mogelijk gemest en daarna -aan Dionysus geofferd worden. Want voor dezen God zijn de bokken een -geschikt offer, wegens de schade, die zij aan de wijnstokken -toebrengen; eigenlijk de geitebokken—maar een bok is een bok, en bij -gebrek aan een geitebok is ook een „schapebok,” als deze, den God niet -ongevallig.” - -Zoo luidde de verklaring van den ziener. Hij nam drie obolen in -ontvangst als zienersloon, boog het hoofd, waarlangs de lokken -achteloos golfden en vertrok. - -„Waarde Telesippe,” zeide Anaxagoras, „hoe duur betaalt men toch -tegenwoordig de wijsheid! Drie obolen geeft men voor het orakel -aangaande een bok, die met een enkelen hoorn geboren is, om ons datgene -te zeggen, wat zonder belooning reeds de uilen van Athene in hunne -holen krassen!” - -Telesippe wierp den spreker een van toorn gloeienden blik toe, die deze -met de opgeruimde kalmte van den wijze opnam. - -Telesippe wilde den toornigen blik door een scherpe opmerking doen -volgen. Daar vernam men een geklop aan de buitendeur. De portier opende -de deur en eene vrouw trad binnen, vergezeld door eene slavin, die aan -de deur bleef staan. Het gelaat dezer vrouw had de roode kleur, maar -ook de rimpels van een ouden appel, die door het lange liggen -ineengeschrompeld is. Eenige dunne, korte, donkere haren overschaduwden -de bovenlip. - -„Elpinice, de zuster van Cimon!” [61] fluisterde Pericles Anaxagoras in -het oor. „Laten wij naar de Agora gaan; want tegen deze beide vrouwen -te zamen kunnen wij het hier in huis niet uithouden.” - -Zoo sprekende trok Pericles zijn vriend ter zijde in de zuilengaanderij -en ging met hem, na een vluchtigen groet aan Elpinice, haastig over den -drempel van het huis de straat op. - -Elpinice, de zuster van Cimon, was een zonderlinge vrouw. Zij was de -dochter van den gevierden held Miltiades, de zuster van den niet minder -beroemden veldheer Cimon, en de vriendin van een der voortreffelijkste -schilders dier dagen Polygnotus. Zij was eenmaal schoon en bekoorlijk -geweest, zelfs schoon genoeg, om den smaakvollen schilder te verrukken. -Maar zij moest Aphrodite vertoornd hebben, want door eene boosaardige -luim der Godin was in hare ziel geen teeder gevoel aanwezig, behalve de -liefde voor haar broeder. In haar bijna mannelijke borst was geen -verlangen naar het echtelijk geluk; zij wenschte slechts haar geheele -leven lang in de nabijheid van haar broeder te mogen verkeeren. Het -gebeurde echter, dat Cimon door den dood zijns vader Miltiades in een -uiterst moeilijken toestand geraakte. Miltiades was door de ondankbare -Atheners aangeklaagd en tot eene geldboete van vijftig talenten -veroordeeld, en daar hij weldra stierf, zonder die som betaald te -hebben, ging de schuld van vijftig talenten, overeenkomstig de harde -bepaling der wet, op zijn zoon Cimon over. Zoolang deze de vijftig -talenten niet betaalde, was hij burgerlijk eerloos. Uit liefde voor -haar broeder had Elpinice ongehuwd willen blijven en uit liefde voor -haar broeder huwde ze nu. Om haar hand te verkrijgen, delgde een zeker -Callias de schuld van Cimon. Deze Callias stierf na eenigen tijd en -Elpinice zocht zonder dralen het huis van haar broeder weder op. - -Na de belegering en onderwerping van het eiland Thasos [62] bracht -Cimon den schilder Polygnotus, een geboren Thasiër, met zich naar -Athene. Cimon had de bekwaamheid van den jongeling opgemerkt, had hem -lief gekregen en wenschte aan zijne kunst een uitgebreider en waardiger -veld te openen. Hij bewerkte, dat aan Polygnotus door de Atheners -opgedragen werd om den tempel van Theseus [63] met schilderijen te -versieren; ook schilderde hij op Agora in de groote galerij, die juist -naar deze pracht van kleuren de „bonte” of de „beschilderde” [64] -genoemd werd, tooneelen uit de verovering van Troje [65]. Daar het huis -van zijn vriend en beschermer altijd voor hem open stond, ontbrandde de -jongeling in vurige liefde voor Elpinice, en toen de uitspraak der -Grieksche helden over de gewelddadige behandeling, door Aiax Cassandra -[66] aangedaan, in de galerij geschilderd werd, had Laodice, de -schoonste van Priamus’ dochters, onder de Trojaansche gevangenen, de -trekken van Cimon’s zuster. Zij weigerde den kunstenaar hart en hand; -doch zij schonk hem hare vriendschap. Sedert waren ettelijke jaren -vervlogen, maar de vriendschapsband dezer beiden duurde nog steeds -voort, nadat Cimon gestorven en Elpinice, evenals Polygnotus, oud was -geworden. - -Ja, Elpinice was oud geworden, en wel zonder het te weten. Slechts een -korten tijd van haar leven en tegen haar zin gehuwd, had zij haar -geheele verdere leven aan de onvruchtbare dweeperij van eene -zusterlijke liefde gewijd; zij had, hoewel weduwe, toch in haar geheele -wezen dat zonderlinge gekregen, ’t welk ongehuwde oude dames kenmerkt. -Aan oude vrijsters nu is dit eigen, dat haar de opgroeiende spruiten, -als mijlpalen van den voortsnellenden tijd, en als aanwijzers van den -weg, dien zij reeds afgelegd hebben, ontbreken, zoodat de ouderdom haar -onverwachts nadert. Zij gevoelen zich inwendig nog eeuwig jong. Deze -vereeniging van inwendige jeugd en uitwendigen ouderdom drukt haar voor -de wereld eerst zacht, allengs echter steeds sterker den stempel van -het belachelijke op het wezen. - -Zoo was ook Elpinice oud en belachelijk geworden, zonder het zelve te -bemerken. De hooge prijs, waarmede Callias hare hand betaalde, de -hulde, welke de schilder haar bracht, en al het andere van dezen aard -had haar ijdel gemaakt op hare schoonheid. Zij bleef nog ijdel, toen -datgene, waarop zij ijdel was, reeds lang verdwenen was. Zij waande, -dat zij nog altijd was, zooals Polygnotus haar geschilderd had, als de -schoonste van Priamus’ dochteren. Want zij was ongehuwd; zij had geen -echtgenoot, die haar zeide; „gij zijt oud!”—De zachte, rustige, -eerwaardige Polygnotus wilde en kon haar dit ook niet zeggen. Hij was -een oude vrijer gebleven en bracht de ietwat stijve, doch welgemeende -hulde van een oud jonggezel aan de eenige uitverkorene van zijn nog -onveranderd hart. - -Haar broeder Cimon was eenigen tijd vóór zijn dood door de Atheners -verbannen geworden. Zijne aanhangers deden hun best verlof tot zijn -terugkeer bij het volk te bewerken. Zij vreesden echter den invloed van -Pericles, wiens ster aan het opgaan was en voor wien de verwijdering -van zijn ouden tegenstander stellig slechts voordeelig kon zijn. - -Toen kwam in Elpinice’s overspannen en avontuurlijken geest, die steeds -stoute plannen had gekoesterd, het voornemen op, om ook ditmaal -beslissend voor het heil van haar broeder op te treden. Zij blankette -zich en zalfde zich met kostelijken balsem, doste zich in prachtgewaad -en ging naar Pericles. Zij wist, dat de groote staatsman niet -ongevoelig was voor vrouwelijke bekoorlijkheid. Zij wilde zich aan hem -vertoonen in eene door kunst verhoogde betooverende gestalte, die -Callias eens had ontvlamd, Polygnotus had verrukt. Zij ging naar -Pericles, om hem te overreden, dat hij den Olympischen donder zijner -welsprekendheid in de volksvergadering niet zou doen weerklinken, -wanneer het voorstel om Cimon terug te roepen gedaan werd. - -Toen Pericles de zonderlinge, grillig opgesmukte, naar balsem riekende -vrouw vóór zich zag staan, met eene zegevierende uitdrukking op het -gelaat, bemerkte hij, dat het ditmaal op de gevoeligheid van zijn hart -gemunt was. Hij wist dat hij den naam had voor zulk een indruk vatbaar -te zijn en hij ergerde zich er over. Het griefde hem, dat zulk een naam -bleef, niettegenstaande zijn ernstig, waardig leven. En nu kwam daar -die verouderde Elpinice en waagde het hem met de koude overblijfselen -hare schoonheid in hare netten te willen verstrikken! - -Pericles was zachtzinnig van nature. Maar dat eene grillig opgedirkte -vrouw met een knevel op de lip, het voor eene zoo gemakkelijke zaak -rekende, hem, den vriend van het schoone te betooveren, dat maakte, -naar Cronion’s [67] raadsbesluit, dezen zachten man voor een oogenblik -tot een wreedaard. - -Hij zag de smeekelinge een tijd lang zwijgend aan, sloeg haren dos -nauwlettend gade, vervolgens haar gelaat en zeide eindelijk zeer kalm -tot haar: - -„Elpinice, gij zijt oud geworden!” - -Hij sprak deze woorden op den zachtsten toon. En toch waren zij -boosaardig. Zij zijn de eenige boosheid, die de overlevering ons van -Pericles, den Olympiër, meldt. - -Eene onmerkbare huivering doorliep hem zelven, toen hij dat noodlottige -woord had gesproken. Hij had een voorgevoel, dat het een van die -woorden was, wier gevolgen Clio’s [68] stift moest opteekenen. Het -woord: „Elpinice, gij zijt oud geworden!” kon het begin zijn van eene -lotwisseling voor Pericles, voor Athene, ja voor geheel Griekenland... -burgeroorlog, een inval der Perzen, bloed, jammer, tranen, onheil van -elken aard; de ondergang van het Helleensche volk kon uit dit woord -voortspruiten. Want, wat vermag niet eene vrouw, tot wie men gezegd -heeft: gij zijt oud? - -En de goedaardigste aller Grieken had dit bitterste aller woorden -gesproken! - -Elpinice kromp ineen, wierp een gramstorigen blik op Pericles en ging -weg. - -Maar wat baatte het den goeden naam van Pericles, dat hij de kokette -Elpinice zoo onhoffelijk behandeld had? Werd niet alles bedorven door -zijne eigene ontsteltenis over het vinnige woord, dat hem ontvallen -was, doch waarover hij berouw gevoelde en dat hij op de Pnyx zocht goed -te maken? Want toen het volk verzameld was en het voorstel tot -terugroeping van Cimon aan de orde kwam, en iedereen naar Pericles zag, -verwachtende, dat hij er zich heftig tegen zou verzetten, zag hij -integendeel verstrooid rond en zweeg, alsof hem de zaak niet ter harte -ging, zoodat Cimon’s aanhangers gewonnen spel hadden. Wèl lachten de -Atheners en fluisterde de een den ander in het oor, sluw met het oog -knippende: „Zie toch eens die oude Elpinice! Met opgestreken zeil is -zij naar Pericles gegaan, en de vrouwengek heeft goed -toegehapt—toegehapt in den rotten appel!” - -„Arme Pericles!” - -Na den dood van Cimon vertoornde zij zich op de wereld, omdat deze ook -zonder Cimon haren gewonen gang ging. Nu haatte zij Pericles en den -nieuwen tijd nog meer. - -Haar taal was steeds gekruid met uitdrukkingen als: „mijn broeder Cimon -placht te zeggen” of „mijn broeder Cimon placht dit of dat te doen,” of -„mijn broeder Cimon zou in dit geval zus en zoo gehandeld hebben.” - -Was reeds Cimon een vriend der Laconiërs geweest, een man, die zijne -sympathieën voor Sparta zoo weinig verborg, dat hij een zijner zonen -den naam „Lacedaemonius” [69] gaf, en die in zijn geheele wezen meer -van een Spartaanschen houwdegen, dan van een beschaafd opgevoed en -levendig Athener in zich had, zoo kon het niemand verwonderen, dat -zijne onvrouwelijke zuster de liefde voor de Laconiërs tot in het -belachelijke overdreef. Zij was de partij toegedaan, die van elke vrije -en opgeruimde levensopvatting der Atheners afkeerig was, en bevorderde -die door den ijver, waarmede zij het huiselijke leven van hare -tegenstanders bespiedde. Zij was juist het vertrouwelijkst met die -vrouwen, wier mannen zij haatte; vandaar hare vriendschap voor -Telesippe, Pericles’ gade. - -Maar toch was dit wandelend gedenkteeken van den goeden ouden tijd, -deze oude vrijster en vriendin van den mokkenden Polygnotus, niet in -alle opzichten onaangenaam en terugstootend. Zij was te gelijk -boosaardig en goedig, grillig en eerlijk, deftig en kluchtig, -belachelijk en eerwaardig. - -Dit nu was het karakter der vrouw, voor wie Pericles en zijn vriend, -den wijsgeer Anaxagoras, zoo haastig op de vlucht waren gegaan, toen -zij hare vriendin Telesippe een bezoek kwam brengen. - -Telesippe hielp de magere vrouw zich ontdoen van het himation [70] -waarmede Elpinice, als eene kuische Atheensche jonkvrouw, wanneer zij -over straat ging, niet slechts het bovenlijf, maar ook haar hoofd, tot -op mond en oogen, placht te bedekken. Vervolgens plaatste Telesippe -eene stoel voor haar en verzocht haar te gaan zitten. Elpinice was zeer -netjes en met een zekeren voorvaderlijken eenvoud gekleed. Met niet -minder zorg was ook het haar opgemaakt. De haartooi strookte volkomen -met haar wezen. De haarvlecht was aan het achterhoofd door een -omgeslagen en bevallig dichtgeknoopten doek, den zoogenaamden „saccus” -[71] omsloten, terwijl het voorhoofd met de Stephane [72] versierd was, -dat is, de reeds genoemde metalen plaat, die bijna als een diadeem het -voorhoofd omgaf. Groote, ronde ouderwetsche oorbellen bengelden aan de -beide kanten van het gezicht der eerwaardige Elpinice. - -„Telesippe,” riep de bezoekster uit, „gij zijt vandaag bleeker dan -gewoonlijk. Hoe komt dat?” - -„Dat kan wel een gevolg zijn van den schrik,” hernam Telesippe; „wij -hebben toch van daag een wonder in huis gehad.” - -„Wat zegt gij?” riep Elpinice. „Is olie of wijn bij het plengen -gestort? Of hebben de balken zonder bekende oorzaak gekraakt? Of is er -een zwarte hond [73] in huis geloopen?” - -„Een ram,” hernam Telesippe, „met één hoorn, en dat wel midden op het -voorhoofd, is op ons landgoed geboren en heden morgen bracht de -opzichter hem in de stad.” - -„Een ram met één hoorn?” riep Elpinice uit. „Bij Artemis [74]! het -verwondert mij niet, dat teekenen en wonderen geschieden. Op den -Brilessus [75] moet den laatsten nacht een groote meteoorsteen uit de -lucht zijn gevallen. Sommigen willen ook eene staartster in den vorm -van een brandenden balk gezien hebben. Verscheidene godenbeelden moeten -onlangs begonnen zijn te zweeten en te bloeden. Nog kort geleden moet -zelfs een raaf zich op het vergulden Pallas-beeld te Delphi [76] hebben -neêrgezet, die de vruchten van den ijzeren palm waarop hij stond, met -zijn snavel heeft losgewerkt. Maar wat het mooiste is van -alles—verbeeld u: de priesteres der Eumeniden [77] te Orchomenus [78] -moet een langen, zwarten baard gekregen hebben!—Gij hebt toch een -waarzegger laten roepen?” - -„Ja, Lampon,” hervatte Telesippe. - -„Lampon is goed!” hernam Elpinice met een goedkeurenden hoofdknik. „Hij -is de beste van allen. Ieder kan een dier slachten en uit de ingewanden -voorspellen, maar men moet Lampon zien en hooren, wanneer hij een ei -boven het vuur houdt en uit de barsten zijne waarzeggingen put, of -wanneer hij uit graankorrels, die hij op den grond legt, geheele -woorden en letters opmaakt, dan er hoenders bijzet en er op let, wat -zij oppikken en wat niet. Ook uit de hand, uit helder water uit wat men -wil, kan hij voorspellen als niemand anders. Lampon is een knap man, op -wien men zich kan verlaten. Wat Lampon zegt, daaraan kunt ge gelooven, -alsof het de priesteres [79] op den drievoet te Delphi gezegd had.—Maar -gij vertelt mij niet, hoe hij u het wonderteeken heeft uitgelegd!” - -„Hij heeft dien éénen hoorn als een teeken verklaard van de -heerschappij van Pericles over Athene,” zeide Telesippe. Elpinice trok -den neus op. Zij zei niets meer tot lof van Lampon. - -„Mijn broeder Cimon,” zeide ze, „gaf, zoo goed als iemand, acht op de -goddelijke teekenen, en liet eens twaalf dagen achtereen een ram -slachten, totdat de ingewanden gunstig waren. Toen eerst greep hij den -vijand aan. Maar hij placht steeds tot den wichelaar, die hem van -staatswege vergezelde, te zeggen: „Wichelaar doe wat uw ambt u -voorschrijft, maar vlei mij niet! Vervalsch den wenk der Goden niet, om -mij te behagen!” De tegenwoordige staatslieden daarentegen zijn daar -niet mede gediend. De zieners weten wel, wie de waarheid wèl en wie ze -niet willen hooren. En al mogen de lieden, die zich laten vleien, zich -in een gunstigen afloop verheugen,—de ware zegen der Godin is toch -nooit het deel van hen, die de Goden niet eerbiedigen.” - -„Meent gij,” hervatte Telesippe, „dat Pericles Lampon bijzonder -dankbaar was voor zijne voorspelling? Hij glimlachte slechts. Zijn -vriend, die oude, door de Goden verlaten Anaxagoras, veroorloofde zich -zelfs spottende aanmerkingen.” - -„Sedert den dood van mijn broeder Cimon,” riep Elpinice uit, „hebben we -de Sophisten [80] in het land gekregen, die Godenverachters!” - -„En deze lieden,” zeide Telesippe, „ondermijnen niet alleen de -godsvrucht en de oude zeden in den staat, zij verstoren ook het -huiselijk geluk en de huiselijke welvaart. Ik ben de vrouw geweest van -den rijken Hipponicus en vóór hem had ik zelfs den Archon Basileus [81] -kunnen huwen, wiens gemalin toch eigenlijk de hoogste waardigheid in -den staat bekleedt, omdat zij, naar een oud gebruik, aan de heilige -priesterbedieningen van haar man deel neemt. Maar ik liet mij eerst -door den rijken Hipponicus winnen, en vervolgens door het waardig en -tevens zacht, innemend karakter van Pericles. En wat moet ik nu -beleven, ik die aan iets beters gewoon ben geraakt! In welk een -huishouden ben ik uit dat van Hipponicus gekomen! En hoe zijn de zaken -steeds erger geworden! Pericles veronachtzaamt zich zelven en zijn -huis. Wanneer ik tot hem ga, om over de gewichtigste huiselijke -aangelegenheden te beraadslagen, dan heeft hij daarvoor geen tijd. Ik -waag het nauwelijks meer ’s morgens in zijne kamer te komen. Hij wijst -mij inderdaad de deur! „Lieve Telesippe,” zegt hij dan, „kwel mij ’s -morgens toch niet met zulke dingen, of kom ten minste niet, dan nadat -ge een bad gebruikt hebt en gekleed zijt, want ge beleedigt te gelijk -mijne ooren en mijne oogen.”—Ik ben de vrouw geweest van den rijken -Hipponicus en hij overlaadde mij met pracht en weelde; maar nooit heeft -hij zulke taal tegen mij gevoerd. Hier integendeel, waar mij, in plaats -van pracht en overvloed, enkel schrielheid en bekrompenheid omringt, -hier zou ik mijn gestrengen echtgenoot en meester slechts mogen -naderen, als ik een bad genomen heb en gezalfd en bekransd ben! Hoezeer -heb ik mij verzet, toen hij op den inval kwam, zijne bezitting -eenvoudig te verpachten en al ’t geld aan zijn vertrouwden slaaf -Euangelus over te geven. Die is nu rentmeester en opzichter in huis, en -ik, zijne huisvrouw, ben veroordeeld het geld uit de handen van een -slaaf te ontvangen. Weet ge, van wien Pericles die mooie manier van -huishouden heeft geleerd, en wie hem daarin met zijn voorbeeld heeft -versterkt? Niemand anders dan zijn beste vriend Anaxagoras. Alvorens -die ellendige dwarskijker en leeglooper zijne geboorteplaats Clazomenae -verliet, om naar Athene te verhuizen, verweten hem zijne vrienden dat -hij zijne gronden, welke hij van zijne vaderen geërfd had, niet -bebouwde, waarop hij ten antwoord gaf: „Doet het zelven, als gij daar -genoegen in hebt!” Daarna vertrok hij en liet al zijn hebben en houden -aan de Clazomeniërs, zeggende: „jaagt de geiten van de gemeente in -mijne akkers en weilanden.”—van dat allooi zijn de vrienden en -raadslieden van Pericles!” - -Telesippe’s klaagliederen werden afgebroken door een slaaf, die hare -bevelen in een huishoudelijke aangelegenheid kwam vernemen. Andere -slaven en slavinnen kwamen van de markt terug, na levensmiddelen voor -den huiselijken maaltijd te hebben ingekocht. Telesippe rook of proefde -het een of ander stuk, vroeg Elpinice’s oordeel over de frischheid van -een schelvisch en deelde aan den kok hare bevelen mede. Voorts gaf zij -aan sommige slavinnen vlas, linnen en andere stoffen om te weven of te -naaien, ’t geen haar dagelijksche arbeid was. - -Toen keerde zij naar hare vriendin terug, om het afgebrokene gesprek -voort te zetten. - -„Ik heb u het ergste nog niet medegedeeld,” vervolgde zij. „Vroeger was -het hier een eenvoudig, maar rustig huishouden. Dat is veranderd, sinds -Pericles zijn bloedverwant, den jongen Alcibiades [82], den zoon van -Clinias, die zijn vader verloren had, uit onbedachtzame goedhartigheid -in zijn huis opgenomen en hem met zijne eigene kinderen heeft opgevoed. -Ik zeg uit goedhartigheid; maar daarin betoonde hij zich alleen -goedhartig jegens zijn bloedverwant, onverantwoordelijk jegens mij en -zijn eigen vleesch en bloed. Gij weet hoe flink mijne beide jongens -Xanthippus en Paralus steeds geweest zijn en hoe goed zij door mij in -behoorlijke tucht zijn gehouden. Den geheelen dag zaten zij rustig in -een hoek en de paedagoog [83] viel bij hen in slaap zoo weinig moeite -veroorzaakten zij hem. Pericles noemde hen steeds „suffers” en bekeef -hen om hunne weinige opgewektheid en levendigheid. Inderdaad echter -zijn het welopgevoede jongens, zooals ieder vader zich slechts kon -wenschen. Zij hadden geleerd op een wenk te gehoorzamen. Zij deden -niets, dan wat hun bevolen was. Zij zaten of liepen, wanneer men het -wilde hebben. Als men zei: „Paralus, bijt niet altijd op je nagels!” of -„Xanthippus, peuter niet met je vingers in den neus!” dan beet Paralus -niet meer op zijn nagels en Xanthippus nam zijne vingers van den neus. -En als ze soms wat lastig werden, dan behoefde men maar te zeggen: „de -Mormo [84] komt” of daar is de „Empusa” [85] of de „Acco” [86] of „de -wolf”, of „het paard bijt”, dan werden zij bleek als een doek en gedwee -als lammeren. En nu? Gij kent de jongens niet meer, sinds die bengel -van een Alcibiades in huis is gekomen. Met hem is leven en lawaai en -allerlei onordelijkheid in de kinderkamer gekomen. Hij begon al -dadelijk, met de ratelaars en drijftollen, waarin Xanthippus en Paralus -bijzonder plezier hadden, in een hoek te stoppen en om houten paarden -en wagens te roepen. Pericles gaf hem den zin en nu rent hij daarmede -onder een verschrikkelijk geschreeuw en geraas door het Peristylium -rond, alsof hij in de renbaan te Olympia [87] was. Weldra had hij -genoeg van de houten paarden en hij spande Paralus en Xanthippus, ja -eindelijk zelfs den paedagoog voor zijn „Olympische zegekar”, zooals -hij het noemde. Voor afwisseling ving hij zwaluwen in het Peristylium, -kortte hare vleugels of liet ze aan een lang touw vliegen. - -„In het begin zagen de beide knapen de woestheid van hun nieuwen -kameraad met eene soort van angstige verbazing aan. Langzamerhand -echter werden zij er aan gewoon, sloten zich bij hem aan, als hij weer -’t een of ander kattekwaad uitvoerde, en zagen met alle aandacht toe. -Later hielpen zij hem daarbij en eindelijk begonnen zij zelfs, al wat -de wildzang deed, dapper na te apen. Maar hun ingeboren betere aard -openbaarde zich toch altijd, doordat zij nooit zelven kwâjongensstreken -bedachten. Zij deden alleen getrouw alles wat Alcibiades hen beval. -Toen ik nu van de Mormo, de Empusa, de Acco, den wolf of het bijtende -paard begon te spreken, lachte Alcibiades. Toen Xanthippus en Paralus -Alcibiades zagen lachen, zonder dat dit invloed had op de Mormo, de -Empusa, den wolf of het paard, lachten zij eveneens. Zoo verloor ik -mijne macht over de jongens en luisteren zij niet meer naar mij. De -paedagoog is een oud man, een slaaf in den dienst van ons huis -vergrijst, die uit een olijfboom viel en zijn been brak en dien -Pericles derhalve weder uit goedhartigheid in huis nam, om toezicht -over de knapen te houden, omdat hij voor vermoeiender arbeid niet meer -deugde. Nu is zelfs het vuur op den haard voor de jongens niet zeker; -zij vernielen en breken alles, wat vernield of gebroken kan worden, zij -klouteren op, waar zij maar kunnen, en vallen er af, dat het mij -verwondert dat het altijd zoo goed afloopt. De slavinnen in huis worden -geplaagd en geknepen, de slaven uitgelachen en afgeranseld. Kom ik dan -eens ernstig tusschenbeide en dreig hen met mijne sandaal [88] dan -kruipen Xanthippus en Paralus in een wip onder de tafels en bedden, en -Alcibiades kloutert, als een eekhorentje, tegen de zuilen van het -peristylium op tot aan de kroonlijst. En Pericles? Wanneer ik hem mijn -nood klaag, dan lacht hij en neemt den belhamer Alcibiades in -bescherming tegen de „suffers.”.... - -Op dit oogenblik werd Telesippe door den kleinen Paralus gestoord, die -schreiend binnen kwam stuiven. - -De beide andere knapen volgden hem op den voet. - -„Wij speelden den razenden Aiax,” zei Alcibiades, „den razenden Aiax, -die zoovele runderen versloeg, toen hij waanzinnig werd, daar hij hen -voor Achaeërs hield en die stamvader van ons huis is, zooals mijn vader -Clinias mij verteld heeft. Ik stelde Aiax voor, Paralus en Xanthippus -de runderen. Ik heb hen echter niet hard geslagen.” - -„Ellendige jongen!” riep Telesippe toornig opvliegende uit, drukte -Paralus en Xanthippus aan haar hart en liefkoosde hen, om ze te -troosten. - -Inmiddels vestigde Elpinice onafgewend de oogen op den kleinen -Alcibiades. - -„’t Is toch een prachtig mooie jongen!” zeide ze. „Die donkere, vurige -oogen—dat sneeuwwitte voorhoofd—die prachtige golvende lokken”— - -„Een onhandelbare bengel is hij!” riep Telesippe, geprikkeld door de -bewondering, die hare vriendin voor den knaap scheen opgevat te hebben. -Toen riep zij den paedagoog. Hinkend kwam de oude man aanstrompelen. -„Waarom hebt ge niet verhinderd, dat Alcibiades de beide knapen -afranselde?” snauwde zij hem toe. - -„Hij deed zelf in ons spel meê,” viel Alcibiades in; „hij stond reeds -klaar als het Trojaansche paard, waarmede ik later Ilium binnen wilde -trekken.” - -Telesippe keek den paedagoog verbaasd aan. - -„Gebiedster Telesippe,” hernam deze, „het is niet de eerste maal, dat -ik gedwongen ben geweest aan de luimen van dezen dollen jongen mijn rug -te leenen.—Gisteren heeft hij mij in de hand gebeten, als een jonge -hond”— - -„Bah, zeg liever als een jonge leeuw!” riep de kleine Alcibiades -beleedigd uit. - -„O Zeus en Apollo,” bracht Elpinice uit met levendige gebaren. Daarna -den jongen tot zich trekkende, ging zij vleiend voort: „Gij zijt zeker -een moedige knaap en zoo ge onder den grooten Cimon, mijn broeder, -geleefd had, zoudt ge zonder twijfel geholpen hebben om de Perzen te -verslaan. In dien tijd echter, mijn jongen, waren de knapen heel anders -dan tegenwoordig. Zij waren niet brutaal en neuswijs en aanmatigend. En -zij gebruikten geen zalven en warme baden. Aan tafel zaten zij netjes, -zonder de beenen te kruizen en zonder een blaadje groente zelf te -nemen. In de worstelschool strekten zij, wanneer zij op het zand zaten, -de beenen zoo uit, dat de eerbaarheid er niet door beleedigd werd, en -stonden zij op, dan wischten zij aanstonds de sporen van hunne jeugdige -ledematen in het zand uit. ’s Morgens zag men hen dun en licht gekleed, -ook wanneer het stormde en regende, naar den muziekmeester gaan en zij -leerde daar oude, degelijke stukken, zooals „Pallas, de -Stedebedwingster” of een gezang van Simonides [89], niet zulke -weekelijke liederen, als thans in de mode zijn, met draaien en krullen, -waarvoor men zulk een ondeugenden bengel met de roede moest geven. -Bedenk, zoon van Clinias, weldra zult gij ook met uwe makkers naar de -school gezonden worden, gij zult de spraakkunst leeren en gymnastiek en -de lier bespelen en op de fluit blazen.” - -„Neen!” riep de kleine Alcibiades, „op de fluit blazen wil ik niet—dat -staat leelijk—de wangen worden er zoo door opgezet—zóó.” En daarbij -blies hij zijne wangen op, zooveel hij kon. - -„O, hoe ijdel!” riep Elpinice, en wilde den knaap kussen. - -Doch oude vrijsters zijn bij kinderen niet erg bemind. Alcibiades blies -Elpinice, om zich aan hare omhelzing te onttrekken, brutaal al de lucht -uit zijn bolle wangen in het gezicht en sprong spottend lachend weg. - -Elpinice was boos. Zij sprong op van haar stoel, om zich -oogenblikkelijk te verwijderen. Zij nam haar himation weder op, sloeg -den eenen tip van den langen mantel over den linker schouder naar voren -en hield hem met den linker arm tegen het lichaam aan. Daarop trok zij -het gewaad over den rug naar de rechterzijde, zoodat het niet alleen -dit doel van het lichaam, maar ook het hoofd, met uitzondering van het -gezicht, bedekte. Ten laatste schoof zij het onder de kin weder over -den linker schouder terug, zoodat een slip over haar rug afhing. - -„Gij ziet,” zeide Telesippe, terwijl zij hare vriendin nog weerhield, -„gij ziet, welk een lot ik hier duld. Zoo slijt ik mijn leven, met dien -ellendigen jongen aan den hals, met een echtgenoot, die er zich niet om -bekommert, vreugdeloos, geplaagd, geminacht, ik, die eens de vrouw had -kunnen zijn van Archon Basileus—ik, die deel had kunnen nemen aan de -heiligste verrichtingen van den Atheenschen godsdienst!” - -„Mijn broeder Cimon was gewoon te zeggen,” hernam Elpinice: „Nieuwe -tijden, booze tijden!—De wereld gaat haar gang en zij bevordert het -eerzuchtig pogen der mannen maar ook wij vrouwen zijn er nog. Denk er -aan, Telesippe, en laat u, wat ik zeg, voor heden genoeg zijn: wanneer -wij vrouwen ons aaneengesloten houden en ons vastklemmen aan de -raderen, dan zal men de wereld niet zoo spoedig geheel uit het oude -spoor lichten!” - - - - - - - -III. - -DE MARSKRAMER VAN HALIMUS. - - -Toen de staatsman Pericles en zijn vriend, de wijze Anaxagoras, het -huis van Pericles hadden verlaten, daalden zij de straat, die van den -grooten schouwburg van Dionysus naar den voet der zuidelijke helling -van de Acropolis voerde, af, en toen noordwaarts de straat in, die -tusschen de westelijke helling van de Acropolis en den heuvel van den -Areopagus [90] tot aan de Agora doorliep. - -Nu hadden zij hun doel bereikt. Zij stonden op de Agora. Dit middelpunt -van het Atheensche leven en verkeer ligt in den Ceramicus [91]. Het -ligt als geborgen onder de hoede der gezamenlijke heuvelen van Athene: -naar het zuiden heeft het de steile rots van den Areopagus, aan de -westzijde den Nymphen-heuvel, waaraan in zuidelijke richting de -beroemde hoogte van de Pnyx zich aansluit, naar het noorden ligt eene -middelmatige hoogte, die den tempel van Theseus draagt en in het -noordwesten ruischen de boschjes van het doorluchte Coloneüs [92]. - -Zoo zien al de door sagen beroemde en geheiligde hoogten van Athene op -de Agora neder. - -Op het midden daarvan verheft zich het altaar der twaalf groote -Olympische Goden. Hier prijken voorts de koperen standbeelden der tien -door sagen verheerlijkte stamheroën van het Attische volk en land. In -de nabijheid van deze standbeelden der stamhelden is aan ieder der -negen archonten, de eerwaardigste overheid van Athene, zijne openbare -werkzaamheid in de Agora toegedeeld. Hier staat ook het meerendeel der -gerechtshoven; hier de raadszaal van den raad der Vijfhonderden: het -„bouleuterion” en het ronde, met een koepel bedekte gebouw van den -Tholus [93]. - -Dichter opeen gepakt dan gewoonlijk stormt heden de volkshoop naar deze -verzamelplaatsen; men ziet de Prytanen zich met spoed naar den Tholus -begeven, die mannen, welke behooren tot de afdeeling van den Raad, -welke juist in functie is. Ook vele andere overheidspersonen ziet men -over de marktplaats gaan. Men merkt hen nauwelijks op. Nu echter komt -Pericles, de strateeg. Op hem zijn aanstonds aller oogen gevestigd. Hij -neemt afscheid van zijn geleider Anaxagoras en begeeft zich in den -Tholus bij de Prytanen. Hij heeft met deze mannen, die de onderwerpen, -welke in de volksvergadering zullen behandeld worden, vooraf bespreken -en zelven de leiding hebben, nog iets voor den dag van heden te -overleggen. - -Ook statige tempels verheffen zich op de schitterende, ruime Agora der -Atheners en fraaie zuilengaanderijen door de kunst versierd, strekken -zich daar uit. - -Verkwikkend voor het oog is, te midden van dezen ruimen kring van -tinnen en zuilengaanderijen, die in de stralen der zon schitteren, het -groen der platanen, welke, van Cimon afkomstig, steeds in dankbare -herinnering zijn, daar zij de zwoele zomerhitte op de Agora temperen en -weldadig het druk gewoel beschaduwen. - -Onder gevlochten huiven, die tegen regen en zon bedekken, ligt in -tallooze winkels de bonte, welriekende en veelvuldige rijkdom der -Atheensche markt uitgestald. - -Uien en latuwe, komijn en sterkers, thym en honig, rundvleesch en -visch, gevogelte en wild—verdienen zij onze vluchtige beschouwing, -omdat ze zich op de markt van het oude Athene aan ons oog vertoonen? -Waarom niet? Wat onder Attica’s hemel is gerijpt, is edeler dan andere -streken voortbrengen, en de Grieksche zon heeft het met fijnere sappen -gekruid. - -Ook de naburen brengen hun beste producten te Athene ter markt. Deze -zachte, sappige groenten heeft Megara [94] gezonden. Deze ganzen, die -heerlijke watersnippen en strandloopers komen uit het vette Boeötische -land. - -Het grootste gewoel heerscht er op de markt, ginds om de schubbige -bewoners der zee. Van den goedkoopsten zoutevisch, die er bestaat, die -toch met olie besmeerd, in gekruide bladeren gewikkeld en in heete asch -gebraden, heerlijk smaakt, tot op de meest geprezen en duurste -lekkernijen van deze soort, de Boeötische aal, is hier alles -uitgestald, wat er in de honderd golven der diep inspringende Grieksche -kusten heerlijks wemelt. Deze sardijnen daar uit de naburige baai van -Phaleron zijn zoo malsch, dat ze, om zoo te zeggen, het vuur maar -behoeven te zien om gebraden te zijn. - -Wie geen lust heeft, de bestanddeelen van zijn maaltijd naar huis te -dragen, kan op de plaats zelve zijne begeerte bevredigen. Naar den geur -te oordeelen, is zelfs het sappige ezelsgebraad daar niet te versmaden; -de verkooper ten minste roemt het lendestuk als eene lekkernij. Zijn -buurman wel is waar spreidt niet luid klinkende stem al zijne -welsprekendheid ten toon, om te bewijzen dat zijn geitevleesch de -voorkeur verdient en dat dit het voedzaamste van alle vleeschsoorten -is, een ware „athletenkost.” - -Wilt gij u aan de vleesch- en bloedlucht onttrekken—evenwel de -Olympiërs zelven hebben een welgevallen daarin en versmaden geenszins -de offers—en begeert ge aan fijnere en edeler geuren u te vergasten, -begeef u dan ginds naar dien kant, waar de schalksche blikken van een -meisje, dat kransen vlecht, of een blonde knaap u wenken. De Athener -houdt ongeloofelijk veel van kransen. Zij vergezellen hem van de wieg -tot aan het graf. Met kransen tooit zich te Athene niet alleen de roem, -de liefde, de dood, de vreugde en iedere soort van feestelijkheid, niet -slechts de drinker omwindt zijn voorhoofd, ja zijn geheele lichaam met -kransen bij het symposion [95], ook de magistraat zet zich den krans op -’t hoofd, wanneer hij zijne betrekking waarneemt, en eveneens de -redenaar, wanneer hij zich gereed maakt, op de Pnyx tot het vergaderde -volk te spreken. Uit myrthe vlecht Athene zijne kransen en uit rozen; -den klimop en zelfs het loof der zilverpopulieren versmaadt het niet; -hyacinthen woelt het gaarne door het groen der myrthen; maar bij -voorkeur schijnt het toch het teedere viooltje lief te hebben, want -zijne dichters spreken van „het met violen omkranste Athene.” Nu echter -bevinden we ons op de pottebakkersmarkt, den trots van den Atheenschen -kunstwerker. Naar de potten toch wordt sedert overoude tijden deze -geheele stadswijk geheeten en op de koopvaardijschepen gaan van daar de -voortbrengselen van de Attische kleiaarde, door de Goden zoo rijk -gezegend, naar alle wereldstreken. De Athener vormt deze klei van zijn -geboortegrond, evenals zijn Attisch marmer, met den fijnen -kunstenaarszin, dien de Goden, naar hun wijs bestek, hem bij zijne -voortreffelijke klei en marmer verleende. - -Zie toch van de kleine, platte phiale [96] zonder hengsels en voeten, -tot aan den reusachtigen pithos [97], die honderd amphoren wijns -bevat, en toch slechts pottebakkerswerk is, heeft alles eene zekere -netheid en sierlijkheid. Deze amphoren, met wijde buiken, met dubbele -hengsels, deze hydriën [98], deze reukfleschjes, met nauwen hals, -waaruit de vloeistof slechts droppelsgewijze en met klokkend geluid -vloeit, deze ontzaggelijke mengvaten, deze schepvaten, deze bekers, van -allerlei vorm, zij zijn alle schoon. - -Geen enkel stuk is er onder, dat leelijk is, omdat het alleen voor het -gebruik moest dienen, Ook het vaatwerk voor dagelijksch gebruik, ja -zelfs het vat, waarin de Griek zijn wijn, zijn honig, zijn olie voor de -spijzen, zijn olie, om zich te zalven, bewaart, is schoon. Het mist -noch de bevallige evenredigheid en bekoorlijkheid, noch de -goedberekende omtrekken. - -Wanneer men hier wandelt, gelooft men niet, dat men op eene markt en te -midden van waren wandelt; want het schoone behoort niet alleen hem, die -het betaalt, het doet ieder, die voorbijgaat, aangenaam aan, en wanneer -de omgeving van den mensch den hartverheffenden stempel der schoonheid -draagt, daar hebben allen aan alles deel en daar is in den besten zin -het ideaal van goederengemeenschap verwezenlijkt. - -Wij zouden ook nog de zalfmarkt kunnen doorwandelen, en de -kleerenmarkt, waar, met de inheemsche dracht modes van het buitenland, -als mantels uit Megara, Thessalische hoeden, schoenen uit Amyclea [99], -en Sicyon [100] liefhebbers en koopers vinden. Het liefst wel zouden we -de boekenrollen beschouwen, die daar meest in cylindervormige kasten -ten toon staan. Gaarne zouden we de breede bladen van beschreven -papyros ontvouwen, die, om staven gewikkeld welke aan beide uiteinden -met elpenbeenen of metalen knoppen versierd zijn, door ronde of gele -perkamentbanden worden samengehouden. Maar het geschreeuw der roepers, -het gedruisch van de markt is te groot, dan dat we ons zouden kunnen -verdiepen in de boekenwijsheid der Atheners. - -Een kolenbrander uit Acharnae [101] en een marskramer uit Halimus -prijzen om het hardst al rond loopende hunne waren aan. Bij hen sluit -zich een derde aan, die de Atheners opwekt, zijne voortreffelijke -lampenkousen te koopen. Weldra echter klinkt het van alle kanten: -„koopt olie!” „koopt azijn!” en daartusschen maken stadsomroepers -bekend, dat deze en gene waren gelost zijn, of kondigen den prijs aan, -die er is uitgeloofd voor de ontdekking van een diefstal of het -terugbrengen van een weggeloopen slaaf. Wat men echter in het -marktgewoel mist, zijn de vrouwen. Geen Athener zendt zijne vrouw of -dochter naar de markt. Hij stuurt zijn slaaf of hij gaat zelf in eigen -persoon om inkoopen te doen voor het familiemaal. - -Maar woelt daar niet, bij den tempel van Aphrodite Pandemus [102] een -tal van eigenaardig opgeschikte vrouwen? Zij behooren niet tot -koopsters op de markt, maar tot de verkoopsters. Zij zijn verkoopsters -en koopwaren tegelijk. Daaronder zijn fluitspeelsters en danseressen, -die zich laten huren voor de symposiën der rijken, om vroolijke gasten -te bekooren. Op de Agora staan ook wisseltafels, even goed als in den -Piraeus, en de Athener deponeert zijn baar geld bij deze wisselaars en -bankiers, om het naar behoefte in kleine sommen weder terug te nemen. - -De Athener heeft tallooze redenen om dagelijks minstens eenmaal de -Agora te bezoeken, en wanneer hem ook eene oorzaak mocht ontbreken, dan -gaat hij er toch heen. Hij is door en door een gezellig wezen. -Aanhoudende omgang met zijns gelijken is hem eene behoefte. Overal -heerscht deze gezelligheid en spraakzaamheid: in de winkels, in de -gaanderijen, in de baden, in de barbierswinkels, zelfs in de -werkplaatsen der arbeidslieden, alleen niet in kroegen: deze kent de -Athener ternauwernood, of laat ze over aan de heffe des volks. - -Wat beteekent die groote, gewapende troep lieden, die daar juist in het -midden der bijna onafzienbare Agora zich geposteerd heeft? Dat zijn de -duizend Scythische boogschutters, die als huurlingen de markt der -Atheners, naar oud gebruik, bewaken, eene soort van stads- en -politiewacht, in dienst van den Raad van Vijfhonderd. Deze zonen uit -het verre Scythenland vermaken de Atheners door hun barbaarsch -koeterwaalsch, zooals ze het Grieksch radbraken en door—den onlesbaren -dorst hunner kelen. - -Zij hebben stompe neuzen, en gezichten zonder uitdrukking, die -ongunstig afsteken bij de prachtig gesneden gezichten en de trekken, -vol uitdrukking, der inboorlingen. Die buitenlanders zijn plomp en -onbehouwen; deze inboorlingen daarentegen zijn fijn gebouwd en alles is -vuur en spier in hen. - -De bewegingen van genen schijnen hier traag en lomp, zelfs leelijk, als -zij zich haasten; in de bewegingen van dezen is iets bevalligs, iets -edels. Zelfs die kolenbrander uit Acharnae houdt zich recht en die -marskramer uit Halimus, die zijn armoedig, linnen gewaad met moeite -voor de volksvergadering van heden met wat krijt eenigen nieuwen glans -heeft gegeven, ziet, terwijl hij zijne waren rondvent, met eene soort -van trots om zich heen. Hij slaat, terwijl hij over de markt loopt, -zijne armen heen en weer; doch zijn bovenlijf blijft in waardige rust. -In de oogen van al deze mannen staat de spreekwoordelijk geworden -„Attische blik” te lezen. Wat deze blik beduidt? Het is moeilijk te -zeggen. De „Attische blik” is, als het geheele wezen der Atheners, een -spiegel van zeer verscheidene, beminnelijke en onbeminnelijke -eigenschappen. Ieder oogenblik is deze Attische blik gereed in Attisch -gekruid, bijtend, schertsend woord over te gaan. De Athener schijnt -ernstig, maar uit zijn ernst springt onverwachts een sarkastisch -gezegde, als de vonk uit den vuursteen. Hij heeft een aangeboren -geestigheid en weet die te gebruiken. - -Midden door de drukte der Agora beweegt zich sedert eenigen tijd een -man, wiens gewaad en statig uitzicht zekere welgesteldheid verraden, -terwijl hij echter met de oogen van een onbekende rondom zich ziet. -Hier en daar heeft hij zich naar een winkel begeven, heeft naar den -prijs van deze en gene waren gevraagd, steeds echter scheen hij -bezwaren te hebben, zooals dat met een vreemdeling pleegt te gebeuren. - -Juist gaat de marskramer van Halimus hem langzaam voorbij. - -„Ik kan niet wijs worden,” zegt de vreemdeling tot den bandkramer, -misschien aangemoedigd door den blik van nieuwsgierigheid of -deelneming, welke deze op hem sloeg, „ik kan niet wijs worden uit de -bedoelingen van deze handelaars. Ik geloof dat men mij wil afzetten...” - -„Zijt gij dan een vreemdeling?” vroeg de bandkramer. - -„Ja zeker,” hernam deze. „Ik ben met mijne familie uit Sicyon gekomen -en dat wel vóór pas weinige dagen. Ik denk mij hier te vestigen. Ik wil -in ’t vervolg liever een vreemde te Athene zijn, dan burger te Sicyon, -waar ik het van mijne vijanden hard te verduren gehad heb.” - -Toen de bandkramer van Halimus hoorde, dat deze man geen Atheensch -burger, maar een vreemdeling was—hij had hem voor een raadsheer -aangezien—hief hij ’t hoofd nog meer op en zeide met eene soort van -welwillendheid: - -„Vriend, wanneer u de waarde van onze munten en de prijzen onzer waren -onbekend zijn, moet ge trachten die te leeren kennen en wel, als ’t -mogelijk is, van een eerlijk man.—Zie hier,” ging hij voort, terwijl -hij een zeer klein, dun zilverstukje te voorschijn haalde en op de -vlakke hand lei, „zie hier, dat is Attisch zilver, zooals wij het -daarboven uit Laurion [103] delven. In de geheele wereld vindt ge zulk -fijn en zuiver zilver niet als dit. Dit muntstukje evenwel is ons -kleinste zilvergeld, een halve obool, daarvoor kunt ge u een gemeene -kaas of een leverworstje of een redelijk stuk vleesch koopen, zooals ge -slechts met goeden eetlust kunt op-eten. Geeft ge een heelen obool, dan -krijgt ge een vleeschmaaltijd, die kostelijk is toebereid. Voor vier -obolen kunt ge een lekkeren zeevisch mee naar huis nemen. Hebt ge zes -obolen bij elkaar, dat is zooveel als eene drachme, dan kunt ge -daarvoor een grooter zilverstuk met het hoofd van Athene op de eene en -den lauwrieren omkransten Attischen uil op de andere zijde inwisselen. -Voor zoo’n drachme krijgt ge nu een schotel goed toebereide zeeëgels; -voor twee zulke drachmen een heel schepel gerstemeel, voor drie een -schepel weit of eene Copaïsche aal en voor tien zulke drachmen kunt ge -u een chiton koopen, als hij niet van al te fijne stof moet zijn. Hebt -ge honderd drachmen bijeen, dan is dat eene mine, en voor anderhalve -mine kunt ge u een slaaf koopen; voor drie minen een paard of een zeer -klein huisje, wilt ge een grooter en beter hebben, dan moet ge stellig -zestig minen besteden en dat maakt een talent uit.—Ziet ge, op deze -wijze kunt ge u allerlei lekkernijen en prachtige zaken te Athene voor -weinig geld verschaffen. Wanneer u echter ook dit weinige ontbreekt, -dan moet ge maar doen, als wij arme lieden: gij moet u eenvoudig voeden -met onze inlandsche gerstekoeken en kunt daarbij op het hartige, -inlandsche knoflook kauwen.” - -Op dit oogenblik werd de spreker gestoord door den toon van eene -geweldige stem, die over de markt klonk. Het was de stem van den -heraut, die nu mondeling de schriftelijke oproeping aan de Atheners, -welke voor het bouleuterion aangeplakt was, herhaalde, om zich op de -Pnyx te verzamelen, er bijvoegende dat over een uur de vergadering zou -geopend worden. - -Tegelijk werd er op de hoogte van de Pnyx eene groote vlag geheschen, -welke als teeken der ophanden zijnde volksvergadering boven de stad -wapperde, heinde en verre zichtbaar. - -Overal drong het volk om den heraut en er ontstond eene soort van -gisting onder de menigte. - -Reeds van den vroegen morgen af waren de Atheners op de been en overal, -waar zich menschen plachten te verzamelen, hoorde men een levendig -gesprek, dat niet zelden zeer hoog liep. De stem van den heraut -wakkerde het vuur van het politieke gesprek tot een nieuwen en -helderder gloed aan. - -„Achttienhonderd talenten moet de schat bedragen, die met het -staatsschip van Delos is overgebracht!” riep er een uit het midden van -eene groep burgers. - -„Drieduizend talenten zijn het!” riep een tweede. - -„Zesduizend!” viel levendig een derde in. „Zesduizend talenten zeg ik -u, zijn van Delos overgekomen—zesduizend talenten, baar geld.” - -„Hoezee!” riep een vierde en sprong op van blijdschap. „Waar geld is, -zegt het spreekwoord, daar blaast de wind lustig in de zeilen!” - -„Wat de nieuwe gebouwen betreft,” sprak een vijfde uit de groep met een -bedenkelijk gezicht, „vooral het nieuwe heiligdom van Pallas op den -burg, daar heb ik vrede mee; maar wat het rechterloon betreft en vooral -de gelden voor den schouwburg—” - -„Wat? Gunt gij die dan het volk niet?” klonk eene stem uit de groep der -arme burgers den spreker tegen. - -„Ja wel!” hernam gene. „Ik denk alleen, dat het voorstel niet door zal -gaan. De oligarchen zullen het wel verhinderen. Tooneelgelden voor het -volk? Dat zullen de vele Laconer vrienden niet toestaan. Neen stellig -niet!” - -„Ik geloof integendeel,” meende een ander, „dat de schouwburggelden -gemakkelijk zullen doorgedreven worden, want de menigte volks is immers -op Pnyx tegenover de oligarchen in de meerderheid. Maar wat betreft de -bouwwerken en vooral den nieuwen tempel van Pallas Athene...” - -„Hoe?” vielen verscheidenen den spreker in de rede, „wilt ge dat we -niet bouwen zullen?” - -„Dat niet,” hernam gene. „Ik meen slechts...” - -„Kom, wacht toch!” viel hem iemand in de rede, „laten we eerst Pericles -hooren!” - -„Ja, bravo, laten we eerst Pericles hooren!” klonk het in den kring. -Alleen de worsthandelaar Pamphilus trok den neus op en zeide: - -„Pericles en eeuwig Pericles! Moeten we dan altijd naar hem hooren?” - -„Waarom niet?” gaf men hem ten antwoord, „Pericles is -verstandig—Pericles meent het goed met ons—Pericles is de man, aan wien -de Atheners het vet op de soep te danken hebben—Pericles is hier de -eenige in Athene, van wien zijne medeburgers niets kwaads weten te -zeggen.” - -„Wat?” riep de dwarsdrijver; „niets kwaads? zeggen dat niet alle -ouderen van jaren dat hij in zijne trekken eene zekere gelijkenis heeft -met Pisistratus, den tyran?” - -„Dat is waar,” hernam Phamphilus. „Ook heeft hij, wat niet allen bekend -is, een zoogenaamden uienkop.” - -„Wat? Een uienkop?” riepen de toehoorders. - -„Wel zeker, een uienkop!” hervatte de ander. „Weet toch,” vervolgde hij -geheimzinnig, „dat de schoone, statige Pericles op zijn kruin een -knobbeltje heeft, zoodat zijn hoofd eenigermate spits toeloopt, niet -ongelijk aan een ui.” - -„Malligheid!” riepen de anderen. „Heeft een uwer dezen uienkop van -Pericles ooit gezien?” - -„Niemand!” vervolgde de andere levendig. „Niemand heeft hem gezien! Dat -is zeker. Maar hoe zou men ook den uienkop van Pericles kunnen zien? In -het veld draagt Pericles zijn strategenhelm en ook in vredestijd bedekt -hij, zooveel mogelijk, het hoofd daarmede. En waar het niet voegt, nu -daar behelpt hij zich op eene andere wijze. Op het redenaarsgestoelte -b.v. draagt hij den gebruikelijken myrthenkrans om het hoofd; en -gewoonlijk heeft hij op straat den breedgeranden Thessalischen hoed op. -En zoo is het volkomen waar, dat niemand nauwkeurig het hoofd van -Pericles heeft gezien; maar juist omdat niemand het gezien heeft, ligt -het vermoeden voor de hand, dat zijn hoofd een uienkop is; want wanneer -het niet zoo ware, welke reden zou Pericles dan hebben, het zoo -zorgvuldig te verbergen?”—„Ja zeker, natuurlijk,” zeiden vele -toehoorders, met goedkeurend gebaar; „het lijdt geen twijfel, dat -Pericles’ hoofd een uienkop is.” - -„Wanneer dat zoo is,” merkte lachend een van de oligarchische partij -op, die zich in de groep bevond, met een spottenden, zijdelingschen -blik op eenige armoedig gekleede mannen, die ook naar het gesprek -luisterden: „wanneer de volksvriend Pericles een uienkop heeft, dan mag -hij dien wel goed bewaren, tegen de liefde van zijne beste vrienden en -aanhangers, de uien- en knoflookkauwers.” Sommigen lachten om de -geestigheid van den oligarch. Maar onder de mannen, die de spottende, -zijdelingsche blik getroffen had, bevond zich ook de marskramer uit -Halimus. Het scheen dat er een bliksemstraal uit zijn donker oog -schoot, hij balde de vuist en was op het punt den oligarch een scherp -woord naar het hoofd te slingeren. - -Op dit oogenblik naderde hem een man, die ’t geen hij op de markt -gekocht had, in de plooien van zijn gewaad droeg. - -„Hei daar, Phidippides!” riep een van hen hem toe, „hebt ge weer een -half uur staan pingelen, oude schacheraar?” - -„Ja zeker!” hernam Phidippides: „voor deze beide nietige vischjes vroeg -het wijf twee obolen!” - -„En ge kreegt ze ten laatste—?” - -„Voor één,” hernam Phidippides met een grijnslach, doch voegde er -aanstonds bij: „ongetwijfeld deugt het goed niet, anders had het wijf -het mij niet zoo goedkoop gelaten. Men wordt altijd bedot.” - -De toehoorders lachten. „Phidippides,” vervolgde de man van zoo straks, -„gij zijt een kerel en weet van huishouden. Wat zegt gij van de -verkwisting van Pericles, die nu hebben wil, dat wij den bondsschat, -die hierheen gekomen is, voor allerlei loon- en tooneelgelden en voor -een groot, prachtig heiligdom van Pallas op de Acropolis zullen -besteden? Hebt gij daar niets tegen in te brengen, Phidippides?” - -„Pallas Athene beware mij daarvoor!” riep deze uit. „Moge de zegen van -alle Goden komen over het hoofd van onzen grooten en wijzen Pericles! -Ik heb daar niets, niemendal tegen in te brengen, integendeel, ik zeg: -wij moeten bouwen: het prachtige heiligdom van Athene op den burg -moeten wij hebben, ook wanneer het al de bondsgelden te zamen zou -verslinden.” - -„Wat? Gij zijt spaarzaam in uw eigen huis, gij ziet op een kruimel, en -met de staatsgelden zijt gij zoo mild?” vroegen eenigen. - -„Ja zie,” hernam Phidippides, „in huis, daar loont het de moeite niet -vrijgevig te zijn of op een weelderigen voet zich in te richten. -Wanneer toch zijn we thuis? Wanneer veroorlooven de bezigheden het den -Atheenschen burger thuis te zijn? Nu eens moet hij naar de markt, dan -weer naar de volksvergadering, straks naar de vergadering zijner wijk -of broederschap, dan weer eens naar het eene of andere gerechtshof of -eene club, of naar den Piraeus of naar zijn land om naar de schapen te -gaan zien—wanneer dan, vraag ik, is de Atheensche burger thuis? De -Atheensche burger behoort aan den staat en de staat behoort aan hem; -daarom is het altijd mijne leus: zuinig aan den huiselijken haard, maar -royaal en mild voor den staat, voor het algemeen! Wanneer ik mijn eigen -huis verfraai, dan heb ik maar een korten tijd er plezier van en -misschien brengt mijn zoon en erfgenaam het er weer door. Maar wat ik -daarboven op de Acropolis help bouwen, dat blijft en dat laat ik na aan -mijne verste nazaten!” - -„Phidippides heeft gelijk!” zeiden de mannen, terwijl ze elkander met -een goedkeurenden knik aanzagen. - -Maar de man van de oligarchische partij, die straks die aardigheid, ten -koste van het volk veroorloofd had, verhief nu zijne stem opnieuw. - -„Alles met mate,” zeide hij. „Men moet met de hand en niet met den zak -zaaien. Als we geen maat houden, dan gaat de staat achteruit en het -trotsche gebouw der Atheensche macht en grootheid komt smadelijk ten -val!” - -„Moge het u op den neus vallen!” riep de nog altijd verstoorde -marskramer van Halimus, terwijl hij den oligarch met de vuist dreigde. - -De omstanders lachten. Phidippides begon nu weer: „Ziet toch eens de -rijkste mannen van Athene. Zij weten wel, waarmede zij den grootsten -roem kunnen behalen: niet door prachtige huizen voor zich te bouwen, -maar door schepen voor den staat uit te rusten, door koren uit de -openbare schouwspelen op hunne eigen kosten op te voeren en andere -dergelijke dingen te doen, waartoe de wet hen wel verplicht, maar -waarin zij onder elkander een roemrijken wedijver aan den dag leggen, -door meer te doen, dan wat van hen gevorderd wordt. Is er iets, -waarvoor zij hun rijkdommen liever besteden, dan hiervoor, hoewel zij -er slechts den glans van den staat door opluisteren, terwijl zij zich -zelven bijna tot armoede brengen?” - -„Inderdaad,” viel de oligarch in, „zoo handelen de rijken. Ongelukkig -echter komt het thans bij die diensten meer op uiterlijken praal aan, -dan op het degelijke en waarlijk belangrijke. De Triërarchen gaan -dikwijls aan boord, zonder zich voor hunne manschappen van iets anders -dan van meel, uien en kaas te hebben voorzien. Zij echter, die een koor -voor een treurspel op hunne kosten inrichten en opvoeren, kweeken deze -choreuten [104] tot ontwikkeling en behoud hunner stem een geruimen -tijd op met allerlei zoetigheden en lekkernijen, en moeten het -bovendien nog verdragen, wanneer hun koor in een wedstrijd overwonnen -wordt, dat ze uitgelachen en beschimpt worden. Deze gewoonten zullen -ons verwijfd maken. We moesten toch een weinig meer acht geven op het -voorbeeld der mannelijke, krijgshaftige Spartanen.” - -„Hij is een vriend der Laconiërs!” riepen sommigen uit den kring op -spottenden toon. - -„Ja, zeker een vriend der Laconiërs!” zeide de oligarch. „Ik herhaal -het, wij moeten het voorbeeld der Spartanen navolgen, anders zal onze -heerlijkheid niet lang duren, vooral als wij voortgaan met de teugels -van den staat hoe langer zoo meer in de handen van onbemiddelde, -hongerige, omkoopbare lieden uit het volk te laten glijden.” - -De marskramer van Halimus, die uit de verte toehoorde, balde bij deze -woorden van den oligarch op nieuw de vuist. Met moeite bracht hem een -zijner kameraden tot bedaren. - -„Ik heb verleden nacht een wonderlijken droom gehad,” ving thans een -uit den kring der mannen aan, „en ik zou wel willen weten, wat die -beteekende. Ik zag eerst een groote duisternis rondom mij uitgebreid. -Toen zag ik een man komen—hij had de trekken van Pericles—en eene -fakkel ontsteken, die steeds grooter werd, totdat zij ten laatste als -eene gloeiende zon van den hemel glansde. Toen schitterde alles rondom -in een helder daglicht. Maar die reusachtige fakkel begon juist door -hare heete stralen weer dampen uit de aarde tot zich te trekken—deze -werden al dichter en somberder en pakten zich samen tot wolken, en ten -laatste verdween de fakkel geheel en al achter deze en werd het weer -even donker als te voren. Het was eene zeldzame afwisseling van licht -en duisternis. Zou deze droom ook een onheil beteekenen?” - -„Niet alle droomen zijn door de Goden gezonden,” hernam een der -toehoorders. - -„Gij dwaalt,” zei de oligarch. „Droomen hebben steeds eene beteekenis. -Ik zelf ben eens gered door een waarschuwenden droom, toen ik mij op -een schip wilde begeven, dat later met man en muis in de golven -verdween. De Goden hebben niet gewild, dat ik op zulk eene wijze zou -omkomen.” - -„Misschien wilden zij, dat gij gehangen werd!” schreeuwde de kramer van -Halimus, die zijn lang ingehouden toorn niet meer kon bedwingen. - -De oligarch wierp een donkeren blik op den man, die zóó gesproken had. -Het scheen, dat hij den vermetelen spotter het duur betaald wilde -zetten. - -Maar toen hij in den kring rondzag, las hij op de gezichten, dat men -het met den spotter eens was, en daar deze zoo strijdlustig op hem -toetrad, alsof hij hem met zijne krachtige vuisten te lijf wilde, -achtte hij het wijzer in het gedrang van het volk te verdwijnen. Het -volk zette zich in beweging om den weg naar den heuvel der Pnyx in te -slaan, want het uur van de volksvergadering was gekomen. - -Ook de marskramer van Halimus sloot zich daarbij aan. Nog steeds -gloeiend van toorn tegen den oligarch. De Sicyoniër liep in zijne -nabijheid. „Hebt ge gehoord,” sprak hij, zich tot hem wendende, „wat -zoo’n schurk van een oligarch zich nog in Athene veroorlooft? Het -gemeene volk te verachten! Een van ons te verachten, omdat men arm -is—alsof wij daarom minder Atheensche burgers waren! ’t Is waar, ik ben -slechts een marskramer en mijne vrouw heeft zich in den grootsten nood -een paar maal als min moeten verhuren. Maar de wet verbiedt -uitdrukkelijk, dat men een Atheensch burger, wanneer hij uit armoede -een eerlijk beroep uitoefent, dit voor de voeten werpt. En bij Pallas, -ik ben een Atheensch burger, zoo goed als iemand anders, al woon ik ook -niet in de Tripodenstraat, maar in een nederig voorstadje aan de bocht -van Phaleron. Nu, ik denk maar, het is beter, met de mars op den rug -zijn kost te zoeken, dan zooals zij leven, die liever verhongeren -willen dan werken, maar het toch niet beneden hunne waardigheid achten, -als tafelschuimers de borden van andere menschen af te likken of rond -te gaan en te loeren, of soms ergens iemand zich willens of wetens aan -eene van de tallooze wetten van Athene vergrijpt, om hem te kunnen -aanklagen en van de geldboete, waartoe hij veroordeeld wordt, zijne -bepaalde portie af te strijken. Houden zij het voor eene eer als -parasiet [105] of sycophant [106] te leven, wel bekome het hun. Ik -echter acht mij veel beter dan hen, en wie met mij den spot wil -drijven, hij kome op: daar sta ik en vrees niemand, ik, de marskramer -van Halimus. Ik vervul mijn burgerplicht zoo goed als iemand: ik doe -wat brood en uien in mijn ransel en sta dan welgemoed den ganschen dag -op de Pnyx ten dienste van mijn vaderland. Ik dank den Goden, dat ik -Athener geboren ben; en wanneer ik zoo op den vroegen morgen van -Halimus naar de stad wandel en de Acropolis in den glans der morgenzon -mij zie toelachen en de reusachtige Athene Promachos mij schijnt te -wenken en te zeggen: „Ook gij zijt een mijner zonen!” dan gaat mijn -hart open en in stilte breng ik mijn dank aan Theseus, dat hij ons, -kinderen van het Attische land, allen, onverschillig of wij in de stad -of in de landelijke wijken wonen, in den tijd onzer voorvaderen, tot -één staat heeft vereenigd. Want dit moet gij overige Grieken toch -toegeven, dat evenals steden van dorpen verschillen, zoo ook ons Athene -zich van alle overige Grieksche steden onderscheidt. Wij Atheners zijn -nu eenmaal autochthonen [107] en hebben onbetwist het zuiverste, meest -onvermengde Hellenenbloed in de aderen. Gij begrijpt echter tevens, dat -het niet weinig beteekent, een staat als deze, als burger mede te -helpen regeeren en besturen. Het heeft mij in de laatste dagen heel wat -hoofdbrekens gekost om te overleggen, in hoeverre men de voorstellen -van den strateeg Pericles moet ondersteunen. Pericles is verstandig, -zeer verstandig en ik ben zeer ingenomen met het overbrengen van de -bondskas van Delos naar Athene: eveneens met het besteden der gelden -ten bate van het volk en met den nieuwen tempel van Athene op den burg. -Maar wij burgers kunnen van den anderen kant maar niet zoo grif alles -toegeven, alsof het zoo zijn moest—wij moeten altijd laten merken, dat -wij de baas zijn en dat wij te beslissen hebben, wij het volk, en dat -wij eene volksregeering hier in Athene hebben....” - -Zoo sprak de marskramer van Halimus, in het bewustzijn dat hij een -Atheensch burger was, tot zijn nieuwen makker uit Sicyon. Toen ging hij -naar den winkel van zijn vriend, den barbier Sporgilus, liet zich door -hem kin en wang glad scheren, om er onder zijne medeburgers in de -volksvergadering netjes uit te zien; tevens gaf hij Sporgilus zijne -mars, om die te bewaren, tot hij van de volksvergadering zou zijn -teruggekomen. - -Inmiddels was door eene troep Scythische boogschutters, aangevoerd door -een der zoogenaamde Lexiarchen, om de Agora een touw gespannen, zoo, -dat alleen die straat vrij bleef, welke naar den heuvel der Pnyx -leidde—een oud gebruik, waarvan de strekking was, om de Atheners, die -gaarne op de markt pratende den tijd vergaten, aan den weg te -herinneren, dien zij moesten inslaan. En daar het touw met menie -bestreken was, om hen, die er over heen sprongen rood te verven, zoo -liep de achterblijver groote kans zich aan gelach der spottende menigte -bloot te stellen. - -De marskramer sloeg met de menigte zijner medeburgers den weg naar de -Pnyx in. De kameraad bleef aan zijne zijde, begeerig nog een en ander -van hem te zullen hooren. Tot aan de afsluiting van de plaats der -volksvergadering mocht hij hem slechts vergezellen. - -De heuvel der Pnyx is de middelste van de drie, die aan de westzijde -van de stad zich uitstrekken. In het noordwesten scheidt hem eene kloof -van van den zoogenoemden Nymphen-heuvel, ten zuiden eene nog diepere -kloof, waardoor een in de rotsen gehouwen rijweg loopt, van den -Museum-heuvel, die het hoogst zich verheft in de groep van steile -hoogten. Ten noorden en zuiden loopt de heuvel vrij glooiend naar de -vlakte af, op de oostelijke helling echter, in de richting van de -Acropolis, omgeeft een steil muurterras, in een halven cirkel, den -grond, verbreedt de oppervlakte van den heuvel en maakt zijne -oneffenheden glad. Trappen in de rotsen uitgehouwen, en door kunst -gebaande wegen voeren tot deze deels door de natuur, deels door -menschenhanden gemaakte hoogvlakte heen, die in overoude tijden het in -rotsen uitgehouwen altaar van den oppersten God droeg. - -De bandkramer van Halimus en zijn vriend uit Sicyon hadden de hoogte -bereikt. De slagboomen waren geopend, doch aan den ingang stonden de -Lexiarchen, ten getale van zes, ambtenaren met de lijsten der -Atheensche burgers in de handen, om te zorgen dat geen onbevoegde in de -vergadering van burgers binnensloop. Dertig helpers stonden hun ter -zijde. - -Het volk stroomde het wijde, omheinde perk binnen, waarover alleen de -blauwe hemel zich welfde. De marskramer hield echter den vreemdeling, -die voor de omheining moest blijven, nog een oogenblik gezelschap. Met -nieuwsgierige blikken keek de Sicyoniër over de heining heen naar de -ruimte, die zich met de dichte massa’s van het aandringende volk vulde. -Hij zag den achtergrond van den heuvel door een rotswand afgesloten, -waaruit een hooge steen zich verhief, in den vorm van een dobbelsteen. -Deze vierkante steen was het spreekgestoelte, van waar de redenaars tot -het volk spraken. Van beide zijden voerde een smalle trap daarheen. In -oude tijden was deze plaats een heiligdom, deze dobbelsteen het altaar -van den oppersten Zeus geweest. Tegenover het spreekgestoelte strekten -zich achter elkaar een aantal steenen banken uit, waarop een deel der -vergaderden plaats konden nemen. - -Nadat de vreemdeling deze dingen had beschouwd, keerde hij zich om en -liet zijn blik van de hoogte van den ruimen heuvel over de stad wijden. -Hij zag vóór zich de geheele stad der Atheners, in een kring om den -heiligen berg der Acropolis gelegen, die op geringen afstand juist -tegenover de Pnyx zich verhief. De aderen der op elkaar gestapelde -rotsbrokken fonkelden in de stralen der zon. Ter linkerzijde van den -berg der Acropolis verhief zich, wel veel onaanzienlijker maar als een -reusachtig gehouwen rotsblok opdoemend, de Aresheuvel, de gewijde -plaats van den Areopagus, met het oude, huiveringwekkende heiligdom der -Eumeniden [108]. - -Steeds sterker werd het gedrang des volks ter plaatse, waar de -Lexiarchen stonden, bij den ingang. Levendig vertoonde zich ook hier, -evenals op de Agora, de aard der Atheners. Ieder oogenblik weerklonken -de kreten van den Lexiarch: „Vooruit, Eubulides! praat niet zoo lang -bij den slagboom!” „Bedaard, Charondas! blijf niet staan in het -gedrang. Maak plaats voor de volgenden!” - -De marskramer van Halimus drong ter zijde, om zonder dat de strenge -ambtenaars het bemerkten, zijn nieuwsgierigen vriend uit Sicyon in het -gedrang der toestroomenden enkele personen te wijzen, die hem tot de -eene of andere aanmerking aanleiding gaven. - -„Ziet ge,” zeide hij, „daar ginds de beide mannen, met hun lange -ongekamde baarden en hunne sombere gezichten, met die korte en grove -mantels en een dikken stok in de hand? Hunne ooren staan plat tegen het -hoofd gedrukt, alsof ze iederen dag elkander met hunne ijzeren vuisten -om het hoofd sloegen. Zij zien er uit als athleten, die minstens -eenmaal reeds in Olympia hebben gezegevierd. Dat zijn die menschen, -welke wij Laconisten plegen te noemen, weet ge, die met Sparta dweepen -en hier gaarne alles zoo zouden willen zien, als het daar is...” - -Weder stootte de kramer zijn kameraad aan: „die daar is -Phidias—Phidias, de beeldhouwer, die de groote Athene Promachos op den -burg heeft gemaakt—de schaar, die hem omstuwt, zijn zijne jongeren, -zijne leerlingen en helpers—die stemmen allen voor Pericles.” - -Nu naderden de prytanen. De marskramer wees ze zijn makker. Maar weldra -stootte hij hem harder aan: „Zie daar, dat is Pericles! De strateeg -Pericles!” - -„En die hem vergezellen?” vroeg de Sicyoniër. - -„Dat zijn ook strategen,” hernam de marskramer. - -„Hoe heeten zij?” vroeg hij. - -„Dat mogen de Goden weten!” antwoordde de kramer. „Ik geloof, dat er -tien strategen te Athene zijn, maar wij kennen alleen Pericles.” - -„En de eerwaarde mannen, die daar met zoo deftige stap naderen?” -vervolgde de Sicyoniër. - -„Dat zijn de negen Archonten!” zeide de marskramer. - -„Zijn deze niet,” hernam de Sicyoniër, „van alle overheidspersonen bij -u het meest in aanzien?” - -„Ja wel in aanzien,” hernam de marskramer, „maar toch wij stellen de -strategen hooger.” - -„Hoe zoo?” vroeg hij. - -„Omdat wij daartoe onze beste koppen kiezen,” antwoordde de kramer met -een beteekenend gezicht. „Bij de Archonten zien wij op ouderdom, -onbesmetten naam en een eerwaardig uiterlijk. Groote eer geniet zulk -een Archont, zeer groote eer, dat valt niet te ontkennen; zijn persoon -wordt bijna voor heilig geacht. Daarom echter ziet het er erg voor hem -uit, als zijn ambtsjaar om is en wij niet heel te vreden met hem -geweest zijn. Wij veroordeelen hem—raad eens waartoe? Om een -levensgroot standbeeld uit zuiver goud den God te Delphi te wijden.” - -„Een levensgroot standbeeld uit zuiver goud?” riep de Sicyoniër -verbaasd uit, „dat kan immers niemand betalen.” - -„Juist daarom!” hernam de marskramer. „Een schuldenaar van den staat, -die niet betalen kan, wordt volgens onze wet burgerlijk met eerloosheid -gestraft. Zulk een Archont blijft derhalve zijn geheele leven lang -eerloos. En te recht. Heeft hij vroeger groote eer genoten, zoo moet -hij nu ook groote schande daarvoor dragen.” - -„Wie is toch die lamme, kreupele, met lompen bedekte man, met den -bedelzak op den schouder, die daar met allerlei dolle gebaren bij den -ingang de volksvergadering tracht binnen te dringen?” - -„Dien kwaadaardig grijnzenden bedelaar, meent ge?” sprak de bandkramer. -„Dat overal bekende menschenkind is als slaaf in een proces van zijn -heer gefolterd geworden en van dien tijd af kreupel gebleven; hij heeft -er ook zijn verstand half bij verloren en begaat nu, als bedelaar -rondzwervende, de dwaasheid, zich overal in te dringen, waar Atheensche -burgers verzameld zijn, op de markt, op de Pnyx en waar niet al. Steeds -wordt hij hier door de Lexiarchen geweerd; dan antwoordt hij hen met -smaadredenen en scheldt op het geheele Atheensche volk, waarvoor hij -dikwijls slaag heeft gekregen of zelfs met steenen is geworpen, wanneer -de jonge beeldhouwer Socrates hem niet in bescherming neemt, die zich -gaarne over den „dollen Meno”—zoo noemt men hem—ontfermt en dien gij -ook nu weder in zijne nabijheid ziet.” - -Thans werd de vlag ingehaald, die van de hoogte der Pnyx den Atheners -de ophanden zijnde volksvergadering had aangekondigd. Dat inhalen was -een teeken, dat de vergadering geopend was. Nu haastte zich ook de -kramer van Halimus de omheining binnen te gaan, terwijl hij met een -mengeling van trots en medelijden van den Sicyoniër afscheid nam, die -voor den slagboom moest achterblijven. Als het getjilp van een vol -vogelnest klonken de verschillende stemmen der Atheners, die zich de -groote ruimte binnen drongen. - -Thans gebood de heraut stilte; zijn krachtige stem klonk heinde en ver -over de heuvels. En het werd stil. - -De Sicyoniër was blijven staan, waar hij straks het gesprek met den -kramer uit Halimus had gevoerd, en nam, zoo goed dit uit de verte -mogelijk was, waar, hetgeen daarbinnen die wijd uitgestrekte ruimte, -door eene dicht opeengedrongen menschenmassa gevuld, geschiedde. Zijne -standplaats was iets hooger, zoodat hij over de hoofden der menigte kon -heenzien. - -Hij zag, hoe thans, nadat de stilte was hersteld, een varken, als -reinigingsoffer geslacht, onder begeleiding van een priester werd -rondgedragen, en dat met het bloed daarvan de grond en de banken werden -besprenkeld. Vervolgens zag hij, hoe een helder vuur werd ontstoken en -dat het eigenlijke brandoffer werd gebracht. En opnieuw vernam hij de -stem van den heraut, die de Goden plechtig aanriep. Hij zag, hoe uit -het midden der Prytanen er een opstond, hoe de Atheners naar het -voorlezen van een geschrift luisterden, dat ongetwijfeld de aan het -volk gedane voorstellen van den strateeg Pericles en de toelichtingen -van den Raad bevatte, hoe toen wederom de heraut zich verhief, om te -vragen, wie over dit voorstel het woord verlangde; hij zag, hoe nu de -redenaars het spreekgestoelte beklommen en hoe zij, naar oud gebruik, -zich den myrthenkrans op het hoofd zetten, als zij tot het volk -spraken; hij zag hoe het volk zijne goed- of afkeuring te kennen gaf, -nu eens met ingehouden adem luisterde, dan onrustig werd, eerst zacht, -als een korenveld; dat door een lichten wind gebogen wordt, dan weder -onstuimig opbruisend, daverend en trillend, als een bergwoud, dat door -den storm wordt gezweept, zoodat de heraut op den wenk van den eersten -der Prytanen stilte moest gebieden; hij zag hoe soms de strijd der -meeningen in de volksmassa tot een handenstrijd dreigde te ontaarden, -hoe hier een man uit het volk dreigend de vuist tegen een oligarch -balde, daar een vriend der Laconiërs den knoestigen stok onder luide -verwenschingen tegen de volksmannen ophief; hij zag nu de groote -volksmassa, als een eenig man, jubelend hare goedkeuring betuigen, -terwijl de oligarchen morden of verstoord zwegen; dan zag hij weder -dezen, door gelaatstrekken, gebaren en uitroepen hunne tevredenheid aan -den dag leggen, genen daarentegen in kreten luide hunne afkeuring lucht -geven. - -Zoo gingen onder eene stormachtige beweging van meeningen en -gemoedsstemmingen eenige uren voorbij. - -Thans zag de Sicyoniër den strateeg Pericles, die reeds vroeger enkele -woorden tot het volk had gesproken, opnieuw het redenaarsgestoelte -beklimmen. Wederom heerschte er eene volkomene stilte onder de schare -der Atheners. - -Rustig en waardig verhief zich de gestalte van den man, dien zij den -Olympiër noemden, te midden van het volk. Hij maakte geene levendige -gebaren; zijne hand hield hij rustig in zijn opperkleed. Maar zijne -stem klonk op doordringenden, overweldigenden toon over de hoofden heen -der luisterende schare. ’t Geluid dier stem drong door tot den -Sicyoniër, die zonder zelfs de woorden te verstaan, als door eene -betoovering bevangen naar de klanken luisterde, die zoet en liefelijk -waren als het suizen van den westenwind en toch krachtig, als de -rollende donder in de lucht. - -Plotseling zag de Sicyoniër Pericles de rechterhand uit zijn -oppergewaad te voorschijn halen en ze recht vóór zich uitstrekken, -heenwijzende naar de naburige, zich tegenover hem verheffende hoogte -van de Acropolis. - -Bij deze beweging van Pericles wendden al de duizenden Atheners hunne -hoofden en blikken in de richting der uitgestrekte hand van den -redenaar, naar de heilige hoogte van de Acropolis, die schitterde in de -stralen der zon. De Sicyoniër deed eveneens. Het was alsof die heilige -hoogte steeds schitterender straalde, alsof zij door een nieuwen, -geheimzinnigen glans was omgeven. De geheimzinnige glans echter, die -van de Acropolis afstraalde, scheen zich in de oogen der onafgewend -starende Atheners af te spiegelen. Het was als zagen zij daar bij den -klank van Pericles’ stem voor de oogen van hun geest iets opstijgen, -wat voor hunne zinnelijke oogen nog niet zichtbaar was. Het scheen -alsof de berg zich met een tooverkrans sierde, die vele -heerscherskronen zou overleven en vele menschengeslachten voorbij zou -zien gaan en in heerlijken luister rustig zou blijven schitteren tot -aan het einde der dagen. - -De luisterende Sicyoniër hoorde de donderende woorden van den Olympiër -wegsterven; hij zag hoe de redenaar den krans van het hoofd nam, hoe -hij van het spreekgestoelte afsteeg onder de jubelende kreten der -Atheners, hoe de voorzittende Prytaan het volk tot stemmen uitnoodigde, -hoe dit door het opsteken der handen die uitnoodiging beantwoordde, hoe -de uitslag bekend werd gemaakt en hoe ten laatste op een wenk van den -Prytaan door den heraut het einde der vergadering werd aangekondigd. - -Het volk stroomde terug door de geopende slagboomen. In eene opgewekte -stemming daalde het de helling van de Pnyx af. Met belangstelling ijlde -de Sicyoniër zijn vriend Halimus te gemoet en riep hem reeds uit de -verte toe: - -„Hoe is het afgeloopen, kameraad?” - -„Wij hebben alles toegestaan!” riep de man uit Halimus met fonkelende -oogen. - -„Wij hebben eerst de oligarchen en Laconer-vrienden overstemd,” ging -hij voort, „en de krijgssoldij, het rechterloon en de tooneelgelden -toegestaan. Stel u de blijdschap van het arme volk voor, toen wij, ten -spijt der oligarchen, voor ons zelven al deze schoone zaken hebben -weten te verkrijgen! En wat het nieuwe, prachtige heiligdom van Pallas -op den burg betreft, benevens het achterhuis voor den staatsschat en -met het groote beeld van Pallas en de drie dubbele prachtige -gaanderijen, door welke de feestelijke optocht der Panathenaeën -voortaan de Acropolis zal betreden, waarvan het plan reeds door Phidias -ontworpen is, zoo is er niet één Atheensch burger onder allen, die daar -thans in de vergadering zijn geweest, die niet de helft zijner -bezitting zou willen geven, wanneer nu reeds de prachtige tempel -voltooid op de hoogte stond, zooals Pericles dien ons geschilderd en, -ik zou haast zeggen, met den vinger getoond heeft. Slechts eenigen van -die mannen met lange baarden en dikke Laconische knuppels—gij kent ze -wel—maakten zwarigheden: er was al zoo veel gebouwd; met de nieuwe -worstelschool en het Odeon [109] was men ook al reeds begonnen; men kon -met den grooten marmeren tempel op den burg nog best wat wachten; het -bouwen zou ontzettende sommen verslinden. Toen echter trad Pericles op. - -„Wanneer gij Atheners,” sprak hij, „dit heerlijk werk naar het plan van -Phidias en Ictinus niet volvoeren wilt op staatskosten, dan hebben -reeds Hippias en Hipponicus en Dionysodorus en Pyrilampes en vele -andere der rijkste mannen uit Athene de gelofte gedaan, den bouw op -eigen kosten te volbrengen en dan zullen deze mannen, niet het -Atheensche volk, den roem daarvoor inoogsten tot in de verste tijden!” -Dit was genoeg. Gij kunt u voorstellen, hoe wij ons haastten onder -luide kreten de handen op te steken en toe te staan, wat Pericles en -Phidias wilden. En verbeeld u, terwijl wij juist met den grootsten -ijver onze bijvalsbetuigingen doen hooren, treedt Phidias op, door -Pericles geroepen, om ons de kosten van den bouw en het beeldwerk -uiteen te zetten, en zegt: „Uit ivoor en goud zal mijne Pallas Athene -zoo en zooveel kosten; uit marmer of brons echter slechts -zooveel.”—Toen klonk het van alle kanten; „uit goud en ivoor! Geen -karigheid, Phidias; ga dadelijk aan den arbeid!” - -Zoo vertelde de Athener uit het volk onder levendige gebaren aan zijn -nieuwen vriend uit Sicyon. - -Geheel Athene was in eene soort van opgewondenheid, die de van de Pnyx -komenden overal verspreidden. - -Fier als een koning, droomende van tooneelgelden, openbare spelen, -prachtige tempels, schatkamers, gouden en ivoren beelden en zich over -dit alles verheugende, als stond het reeds voltooid daar en als ware -het eene versiering van zijn eigen huis, ging de marskramer van Halimus -door de Zuiderpoort naar zijne woning. Hij vertelde aan allen, die hij -ontmoette, wat op de Pnyx was behandeld, en begroette, toen hij in zijn -vlek gekomen was, zelfs zijne bruine vrouw, die hem op den drempel van -zijn huis met haar kind op den arm te gemoet trad, plechtig met de -woorden: „Wij hebben alles toegestaan!” - - - - - - - -IV. - -DE PANSGROT. - - -Hoog en breed, in ongestoorde helderheid, welfde zich de hemel des -vredes over de stad der Atheners. Hun roem wies zichtbaar en hun macht -scheen geen mededinger meer te durven trotseeren. Gedreven door een -onwederstaanbaren aandrang en met eene haast, als vreesden zij het -rechte tijdstip te verzuimen, gingen de Atheners de plannen van -Pericles en Phidias ten uitvoer leggen. Uit alle oorden van Griekenland -stroomden geschikte en eerzuchtige jonge kunstenaars Pericles toe. Er -waren vele beeldhouwers noodig om voor de gebouwen van de Acropolis het -fijne werk te maken. Voor de gevels van den tempel van Pallas moest een -niet gering aantal groote godenbeelden vervaardigd worden, voor de -metopen [110] en den fries lange rijen van zinnebeeldige voorstellingen -gebeiteld worden. Bovendien wedijverden de rijke Atheners bij de -beeldhouwers wijgeschenken te bestellen, die zij, gelijktijdig met de -opening van den grooten, nieuwen tempel, op de Acropolis wenschten te -plaatsen. En de kunstenaars zelven wedijverden met elkander tegen -datzelfde tijdstip en met het zelfde doel, het schoonste en beste werk -te leveren. Tallooze werk- en timmerlieden waren met den bouw der -groote worstelschool en het Odeon bezig; een nog grooter aantal bij de -werken op de Acropolis. In de mijnen van den Pentelicon ontwaakte thans -een dubbel krachtig leven. Onafgebroken trokken van daar de met -muildieren en ossen bespannen vrachtwagens naar de stad. De helling van -den rotsachtigen berg der Acropolis weerklonk onophoudelijk van de -kreten der drijvers, want het kostte groote moeite de geweldige -marmerblokken op de hoogte van den berg te brengen. En evenals naar het -marmer op den Pentelikon, groeven de Atheners nu vlijtiger dan ooit -naar het edel metaal in den Laurion en naar de voortreffelijke -kleiaarde in hun eigen bodem. En wat zij niet hadden, dat brachten hun -kooplieden aan over de zee, zooals het cypressen- en ebbenhout en -allerlei metalen en verfstoffen, en uit het verre Oosten het ivoor. De -steenen en boomen moesten bewerkt worden, de metalen gesmolten; het -ivoor door de handen van menschen gaan, die het voor de kunst wisten -gereed en vaardig te maken; de goud- en zilverstikkers hadden handen -vol werks, om allerlei tempelsieradiën en wijgeschenken te -vervaardigen; de touwslagers moesten den bouw -en timmerlieden en -wagenrijders buitengewoon sterke touwen leveren, de wegmakers moesten -wegen voor de talrijke transporten banen; er was werk overal en alles -werd in den bruisenden maalstroom van bedrijvigheid medegesleept. Voor -den zwaarsten handenarbeid bij de gebouwen werden zelfs buitenlandsche -helpers gehuurd. Bruikbaar boven anderen scheen de stille, ernstige, -taaie, geduldige Aegyptenaar. Evenals bij de pyramiden in zijn eigen -land, stapelde hij onvermoeid in den vreemde marmerblok op marmerblok -met de volharding van een lastdier. Geheel Athene was op dat tijdstip -ééne groote kunstenaarswerkplaats. - -Als de eigenlijke haard echter, waaruit de offervlammen van dit den -Goden welgevallig streven het krachtigste opstegen, stond de doorluchte -hoogte van de Acropolis daar, als een oud heiligdom en een sterke burg -der Atheners te gelijker tijd, om wier voet de woningen in den omtrek -zich samengegroept en tot eene stad vereenigd hadden. Tot een „burg” -maakten deze hoogte alleen hare natuurlijke rotsen en de geweldige -muren, die haar ten noorden en zuiden beschutten. - -Nog is het geen verheffende aanblik, wat zich aan het oog vertoont, en -ons op dit oogenblik de hoogte te zien geeft. Wild en woest doet zich -de breede hoogvlakte aan ons voor. Overoud puin ligt er verspreid, -overblijfselen van vernielde werken, waaruit het nog bruikbare is -uitgezocht. Naar de zuidelijke helling is de grond gedeeltelijk -uitgegraven en uit de diepte ziet men reeds een hecht steenen -fondament, grootendeels op oude overblijfsels rustend, tot aan de -oppervlakte van den grond en daarboven verrijzen. De overige vlakte is -bijna geheel met marmerblokken bedekt, welke pas gehouwen werden. -Aardhoopen, puin en zand zijn in menigte aanwezig, werkplaatsen van -allerlei aard vertoonen zich op den achtergrond. Overal wordt het -kloppen van hamers gehoord en het knarsen der touwen en het doffe -dreunen van steenen en balken en het roepen der opzichters, die het -heir van arbeiders leiden en aansporen. - -Maar midden in die woelige en rustelooze drukte van hetgeen tot stand -gebracht werd op de Acropolis, staat nog een hecht eerwaardig -gedenkteeken van den ouden tijd, evenals een grauwe, half vervallen -toren aan het strand der zee, waartegen de bruisende golven aanrollen, -als om hem met hare branding te ondermijnen en met zich voort te -stuwen. Dit gedenkteeken was de zetel van den oudsten eeredienst der -Atheners; het geheimzinnige, sombere heiligdom van den „slangvoetigen” -Erechtheüs, den Attischen Stamheros,—tevens de vereering van den zeegod -Poseidon [111], van de dochter van Cecrops, Pandrosus, en van Athene -Polias in zijne gewelven omvattende,—half verwoest in den Perzischen -oorlog en verloopig slechts in der haast hersteld. - -Zonderling klonken de sagen van Erechtheüs uit de overoude tijden van -het Attische land en volk: hoe in eene hechte kist Pallas Athene aan de -dochters van koning Cecrops, die heerschte op de Acropolis, het pas -geboren „slangvoetige” kind van onzekere afkomst had overgegeven, met -het ernstige verbod om de kist te openen; hoe echter Cecrop’s -dochters—zij heetten Pandrosus, Aglaurus en Herse—door nieuwsgierigheid -gedreven, de kist openden en het knaapje vonden, door eene vreeselijke -slang omkronkeld, hoe daarop de jonkvrouwen, waanzinnig geworden van -ontzetting over dien aanblik, zich van den hoogen rotswand van de -Acropolis nederstortten. De jonge Erechtheüs echter groeide op onder de -hoede van koning Cecrops en werd de machtige beschermer der Atheners. -Deze tempel nu bevat zijn graf en de gewijde groeve van den halfgod -wordt nog steeds als eene bescherming en steun van het land beschouwd. - -De ziel echter van den ouden stamheld leeft volgens het geloof der -Atheners voort in eene slang die altijd in het heiligdom wordt -verpleegd. Dit dier wordt als de geheimzinnige beschermster des tempels -geacht en iedere maand brengt men hem honigkoeken ten offer. - -Eene heilige bron ontspringt op het gebied des tempels; haar water is -zout, alsof het eene onderaardsche gemeenschap heeft met de zee en bij -het waaien van den zuidenwind, zeggen de Atheners, bemerkt men daarin -het zachte bruischen der zeegolven. En geen wonder; want, naar de -bewering der Atheners, deed de zeegod Poseidon, met een slag van zijn -geweldigen drietand, uit de rots der Acropolis deze bron ontspringen, -toen hij met Pallas Athene streed om het bezit van het Attische land. -Nog zijn in den rotsachtigen grond de sporen van den drietand des Gods -aanwezig en ieder kan ze met eigen oogen aanschouwen. Pallas Athene -echter liet tegenover de bron een olijfboom opgroeien, den olijfboom, -waarvan alle andere olijfboomen in Attica, die trots en grootste zegen -van het Attische land, afstammen. Door dien olijfboom echter behaalde -de wijze Pallas Athene in den wedstrijd der zegeningen, de overwinning -op den machtigen drietandzwaaier. Ook dezen overouden heiligen -olijfboom houdt nog het tempelgebied omsloten. De Pers had hem -verbrand, den volgenden morgen evenwel was hij door de gunst der Goden -weder herrezen en stond daar in volle schoonheid. Het heiligste -monument echter in het gebied van het Erechtheüm is het overoude beeld -van Athene Polias van olijvenhout, niet door een menschenhand gesneden, -maar uit den hemel gevallen. Erechtheüs zelf had het opgericht en -onveranderd—zoo leert het priestergeslacht dat in het heiligdom van -Erechtheüs den dienst verricht—moet het op die plaats bewaard blijven, -tot in de verste tijden. Eene eeuwige lamp brandt voor dat beeld in de -donkere ruimte des tempels. Ook merkwaardige wijgeschenken zijn daar te -vinden: een houten Hermesbeeld [112], voortdurend, sedert den tijd van -Cecrops, met levende, groene, myrthentakken, zonder wortels, omkranst, -een eigenaardig gevormde zetel, dien de kunstenaar Daedalus [113] in -overoude tijden had gemaakt; alsmede zegeteekenen uit de Perzische -oorlogen: buitgemaakte wapenrustingen en zwaarden van overwonnen -Perzische aanvoerders. - -Vóór den tempel echter onder den open hemel staat een altaar van Zeus. - -Geen levend wezen mag daarop geofferd; zelfs geen wijn er op geplengd -worden; alleen offerkoeken worden hier den Oppergod gebracht. - -Aldus is het gelegen met het in de zangen van Homerus reeds vermelde -„huis van Erechtheüs,” hetwelk verscheiden tempelzalen voor de -vereering der bovengemelde godheden bevat en aan de noordelijke helling -van den berg op den oneffenen bodem zich verheft. Vlak daartegenover -zal men het nieuwe prachtige heiligdom van Pallas Athene oprichten. - -Eene heilige plechtigheid wordt juist vóór den ingang van den tempel -verricht. - -Van tijd tot tijd wordt het oude houten beeld van Athene Polias -gereinigd en op nieuw bekleed; die reiniging pleegt op een plechtige -wijze te geschieden. Het is een godsdienstig feest als een ander, en -dit feest vond nu juist plaats. Men heeft het beeld zijne sieradiën en -gewaad afgenomen en er een doek over heen gespreid terwijl daartoe -aangewezene personen bezig zijn het gewaad te wasschen. En opdat -niemand ongeroepen dezen tempel zou binnentreden is er een koord voor -gespannen, zoolang de heilige plechtigheid duurt. - -De reiniging is nu volbracht, de Godin wordt weder gekleed, het -haar—want haar hoofd is met golvende lokken voorzien—wordt zorgvuldig -gekamd en opgemaakt, haar lichaam op nieuw getooid met kransen, -diademen, halskettingen en oorbellen. - -De personen, die aan den heiligen dienst deel hebben genomen, -verwijderen zich. Weldra ziet men nog maar twee mannen op de trappen -vóór den ingang van den tempel staan en zich samen onderhouden. De een -van hen is de priester van den Erechtheüs-tempel, Diopithes. Zijn -gelaat is somber en hij werpt toornige blikken van den drempel des -tempels naar de schare van arbeiders, wier geraas en drukte hem als -eene snoode verstoring van de heilige plechtigheid voorkomt. - -Het geslacht der Eteobutaden, waaruit sedert overoude tijden de -priester van Erechtheüs en de hem ter zijde staande priesteres van -Athene Polias stamden, was het oudste en geruimen tijd het -aanzienlijkste priestergeslacht in geheel Attica. Maar in latere tijden -hadden de verwante Eumolpiden, het priestergeslacht van Demeter [114] -te Eleusis [115], met wier eeredienst de groote mysteriën verbonden -waren, als Hiërophanten of opperpriesters van deze geheimzinnige -feesten van Eleusis tot een nog hoogeren rang in de Attische hiërarchie -[116] zich weten te verheffen. Niet zonder geheimen wrok verdroegen de -Eteobutaden deze vernedering. Maar deze wrok alleen was het niet, die -het gemoed van Diopithes, den tegenwoordigen priester in het heiligdom -van Erechtheüs op den burg, verduisterde. - -Opnieuw een ontevreden blik op den arbeid van het Parthenon slaande, -begon hij tot den man, die met het onderworpen gelaat van een -vertrouwde en helper naast hem stond en die niemand anders was dan -Lampon, de ziener, die vroeger ten huize van Pericles was geroepen om -het wonderteeken van den eenhoornigen ram te verklaren. - -„De vrede,” zei hij, „is van deze gewijde hoogte geweken, sedert op -haar de woelige schare van Phidias en Callicrates huishoudt, en het zou -mij niet verwonderen, wanneer de Goden zelve weldra van het gedruisch -van die dwaze en goddelooze menschen zich terugtrekken. Want dwaas en -goddeloos is het, wat zij doen, en nimmer kan het den Goden behagen. In -plaats van vooreerst het overoude heiligdom van Erechtheüs in -heerlijken glans te herstellen, dat slechts voorloopig door den nood -der tijden, toen de Pers zijne godschennende hand daaraan had geslagen, -is hersteld geworden, beginnen thans die Pericles en Phidias een geheel -nieuwen, onnutten prachttempel vlak tegenover dat oude, eerwaarde -heiligdom te bouwen. Liet ik mijn blik tot nu toe ongehinderd van deze -plaats tot in het verst verschiet weiden, zoo ligt nu weldra deze -prachttempel als een wal voor mijne oogen. O, ik weet wat zij willen, -die heimelijke godloochenaars. Zij willen dezen ouden eerwaardigen -tempel en zijne Goden verdringen, den ouden, gestrengen eeredienst -willen zij verdelgen en met hem de echte vroomheid; zij willen op de -plaats der oude tempels en der oude godenbeelden zulke oprichten, die -door hun ijdelen pronk en glans alleen het oog verblinden, maar geen -gevoel voor ware godsvrucht in het hart opwekken. Wat zal het worden, -dit „huis der jonkvrouw”, die Parthenon? Een tempel zonder priesters, -zonder eeredienst, een praalgebouw, een doel- en middelpunt alleen voor -de schitterende feesten der Panathenaeën, en daarnevens—doch neen, niet -daarnevens maar in zijn eigen zalen, o schande! eene schatkamer, eene -bewaarplaats voor het goud der Atheners, dat zij op eerlijke of -oneerlijke wijze aan zich hebben gebracht! Slechts als beschermster van -dit goud plaatsen zij in hun tempel de Godin! En welke Godin? wat -beteekent dat pronkbeeld uit goud en ivoor? Een maaksel zal het zijn -van menschenhanden. Het oude houten beeld, hetwelk deze onaanzienlijke -tempel bevat, is door geen roemzucht eens stervelings -vervaardigd—goddelijk is zijn oorsprong en door goddelijke genade is -het den Atheners ten deel gevallen!” - -Zoo sprak Diopithes. - -„Het is een booze tijd,” zeide Lampon met goedkeurenden knik. „Het -eenvoudige, het oude, het eerwaardige, het heilige is op verre na niet -meer geacht en weldra zal het menschelijke in laatdunkenden trots zich -boven het goddelijke willen verheffen.” - -Zachter en met een geheimzinnig gelaat ving nu Diopithes weder aan: - -„Die Pericles en die Phidias, die de Atheners tot den nieuwen bouw -hebben overreed, weten toch één ding niet, wat wij Erechtheüs-priesters -weten, en dat wij, die hier boven op den burgt wonen, boven alle andere -menschen kunnen weten: dat juist die plek daar ginds, waar zij den -prachtigen gevel en den hoofdingang van hun nieuwen tempel willen -oprichten, tot die plaatsen behoort, die men de „onderaardsche” noemt, -tot die plaatsen, waar nooit een vogel uit de lucht neerstrijkt, of -hij, die het doet, valt dood neder, als door een giftigen adem -getroffen. Laat ze maar bouwen, de Atheners, op die ongeluksplaats; zij -zullen geen zegen, zij zullen slechts vloek daarmede op zich laden! Het -is het erfdeel der Atheners, onberaden te handelen. Weinigen weten, van -waar dat komt. Wij Eteobutaden weten het. Poseidon, overwonnen in den -kampstrijd met Pallas Athene, verstoord om zijne nederlaag, doemde de -Atheners voor alle tijden tot onverstandigen raad!” - -„Onverstandig zijn zij,” hernam Lampon, „en onverstandig zijn hunne -leidslieden, omdat zij naar de leer luisteren van hen, die zich -wereldwijzen en waarheidsvrienden noemen. Naar Pericles hooren de -Atheners; Pericles zelf luistert naar Anaxagoras, den Clazomeniër, die -de natuur bespiedt en die, omdat hij alles tot natuurlijke oorzaken wil -terug brengen, daarom het bestaan der Goden ontkent. Onlangs nog werd -ik in het huis van Pericles geroepen, om een wonderteeken te verklaren, -dat zich daar had vertoond. Er was namelijk op Pericles’ landgoed een -ram met één hoorn midden op het voorhoofd geboren. Ik deed wat men -verlangde, naar de regelen mijner kunst, en Pericles kon over mijne -prophetie tevreden zijn. Maar ik werd met ondank beloond, want Pericles -zweeg geheel stil en Anaxagoras, die juist bij hem was, glimlachte, -alsof mijn werk ijdel en mijne uitspraak dwaas was!” - -„Ik ken hem,” hervatte Diopithes en een donker vuur bliksemde in zijne -oogen, „ik ken hem wel, den Clazomeniër; ik had onlangs op den weg naar -den Piraeus een gesprek met hem over Goden en goddelijke zaken en ik -zag dat zijne wijsheid eene verderfelijke is. Zulke mannen mogen in -onzen staat niet geduld worden. Of is het zoover met ons gekomen, dat -de wetten te Athene niet meer van kracht zijn tegen godloochenaars? -Neen, nog doortrilt den meesten Atheners een kille huivering bij dezen -naam!” - -Zoo sprak Diopithes. Terwijl hij nu naar den rechterkant een scherpen -blik sloeg, wees hij naar eenige mannen, welke in een levendig gesprek -gewikkeld, den eenigen weg, die naar den heuvel der Acropolis voerde, -over de westelijke helling opgingen. - -„Mij dunkt,” zeide Diopithes, „ik zie daar den onverstandigen raadsman -van het Atheensche volk, den vriend en beschermer van Anaxagoras juist -aankomen. Aan zijne zijde gaat, wanneer mijn oog mij niet bedriegt, een -van die nieuwerwetsche tooneeldichters, die den eerwaarden Aeschylus -[117] meenen overtroffen te hebben. Maar wie is echter die derde, die -fijne, slanke jongelingsgestalte, die aan de andere zijde van Pericles -gaat?” - -„Dat is zeker,” antwoordde Lampon, „die jonge citherspeler uit Milete, -dien Pericles, naar ik hoor, lief heeft en die thans overal met hem -gezien wordt.” - -„Een jong citherspeler uit Milete?” vroeg Diopithes, de goedgebouwde -gestalte van den Milesischen jongeling nauwlettend beschouwende, „ik -heb tot dusverre slechts geweten, dat Pericles een kenner en -bewonderaar is van de bekoorlijkheden der schoone kunne, nu zie ik dat -hij het schoone overal weet te waardeeren; want deze jongeling, bij de -Goden, is waardig, niet slechts Pericles, den zoogenaamden Olympiër, -maar den beheerscher zelven van den Olympus, den oppersten Zeus, als -schenker te dienen. Het verwondert mij echter, dat deze zoogenaamde -Olympiër, de zoo geroemde Pericles, vermetel genoeg is om zich openlijk -voor de oogen der Atheners met zijn lieveling te vertoonen.” - -Terwijl de Erechtheüs-priester zoo den jongeling, die met Pericles was, -te gelijk met afgunstige en wellustige blikken beschouwde, waren de -drie mannen genaderd. - -Bekoorlijk schoon en teeder was de jeugdige gestalte, welke Lampon aan -Diopithes als een citherspeler uit Milete had doen kennen. De -treurspeldichter, die zich eveneens in gezelschap van Pericles bevond, -wierp soms een vurigen blik op den bekoorlijken jongeling, en richtte -bij voorkeur het woord tot den Milesiër. De dichter zelf was schoon en -van een statig voorkomen. Zijn helder voorhoofd scheen als door een -vroolijken, hemelschen glans omstraald. - -Thans trad uit de schare der bouwlieden Callicrates den aangekomenen te -gemoet, de wakkere meester, wien de uitvoering was opgedragen van -datgene wat Phidias en Ictinus in de eenzaamheid hadden overpeinsd en -ontworpen. Men kon het den man wel aanzien, dat het zijn werk was -onophoudelijk heen en weer te loopen in de hitte der zon tusschen de -steenblokken en de zwoegende en slavende arbeiders op de hoogte van de -Acropolis. Zijn gelaat was verbrand en zijne kleur stak nauwelijks af -bij den donkeren baard, die het omgaf. Het niet minder donker, -doordringend en bliksemend oog scheen geheel vervuld van den gloed der -zon. Zijne geheele gespierde gestalte scheen als geblakerd. Zijn gewaad -onderscheidde zich zeer weinig van de kleeding der werklieden. -Achteloos hing de lap, waarvan de kleur niet meer te onderkennen was, -dien hij zijn chiton noemde, om zijne gebruinde ledematen. En evenals -hij nu onder de schare der werklieden arbeidde, zoo had hij reeds menig -jaar bij den langen muur daar beneden, die zijn werk was en die hij -onlangs tot vreugde van Pericles had voltooid, zijne beste krachten aan -het nut zijner medeburgers gewijd. - -Pericles deed Callicrates verscheidene vragen, aangaande de vorderingen -der werken. Met voldoening wees Callicrates hem op de nu gelegde -grondvesten, die samengevoegd waren uit reusachtige, vierkantige -steenen. - -„Gij ziet,” zeide hij, „dat het fundament gereed is, benevens de drie -groote marmeren trappen, die het omgeven. Zie eens hoe het zich bijna -over den geheelen zuidelijken kant van den heuvel uitstrekt! Reeds zijn -ook de tusschenruimten der zuilen afgestoken en eveneens de omtrekken -der binnenmuren; zoo ook die van het vertrek voor het beeld der Godin, -en van het achterhuis voor den schat, ook aan de voetstukken der zuilen -wordt gewerkt en aan het taflement; natuurlijk wordt alles nog maar in -het ruwe bearbeid; want het fijnere werk volgt eerst, wanneer het -geheel in algemeene trekken samengevoegd daarstaat, en gij moogt -voorloopig geen oordeel vellen, naar hetgeen er thans verrezen is. Gij -zult wat geduld moeten oefenen; want Ictinus is een talmer en Phidias -eveneens...” - -„Ik kan mij best voorstellen,” hernam Pericles, „dat de nauwgezette -Ictinus nooit over zich zelven te vreden is.” - -„En Phidias evenzoo,” herhaalde Callicrates, bijna verdrietig. „Dagen -lang zitten zij samen te fluisteren, met hun beschreven tafels en -bladen vóór zich, en rekenen en passen, peinzende over de juiste -tusschenruimten, de dikte en helling der kroonlijsten en kapiteelen; -dan weer gaan ze naar den Theseus-tempel en meten daar de omtrekken van -zuilen en taflement en voelen zich dan ook niet te vreden als zij de -balken wat te zwaar of de tusschenruimten der zuilen iets te groot -bevinden en wenschen dat het hier beter zal worden. En dan rekenen en -meten zij weer en zijn het onderling niet eens en nemen proeven om te -zien, hoeveel sterker de hoekzuilen moeten zijn dan de andere, en -hoeveel dichter de hoekzuilen bij de naastbij zijnde moeten staan, dan -de afstand der andere onderling, hoe de schacht zich naar boven en -onder moet verdunnen, hoeveel hier van den Dorischen, daar van den -Ionischen stijl [118] moet ontleend worden, en hoeveel strepen de -uitwijking van dien balk of van die kroonlijst of van dat kapiteel of -fries sterker of zwakker mag gemaakt worden, opdat er eene tot nu toe -onbereikte harmonie in het geheele werk moge verkregen worden.” - -„Wie zou een Ictinus niet om zijn fijn ontwikkelden kenners- en -kunstenaarsblik benijden!” riep Pericles. - -„Hij heeft het oog van een valk,” hernam Callicrates. „Gij kunt u niet -voorstellen, hoe verwonderlijk sterk het waarnemingsvermogen van dien -man is. Hij heeft den duimstok altijd in de hand, maar hij gebruikt hem -zelden, want zien is hem even zeker als meten en uitrekenen. Het -aangeboren vermogen om met zijn oog te meten, is zoo verbazend, dat hij -kleine verschillen opmerkt, waarvan de leek nauwelijks een flauw begrip -heeft. Hij ziet, om zoo te zeggen, met een oog dat tast en voelt, en -hij tast en voelt met een vinger, die ziet. En met Phidias is het -evenzoo. Deze pleegt te zeggen en gij hebt het zeker wel uit zijn mond -gehoord: „geef mij een leeuwenklauw en ik zal u daarnaar den heelen -leeuw vormen!”—Zoo scherp en geoefend is het oog van Phidias en zijn -kunstgevoel voor alles, wat men vorm, wezen en harmonie noemt.” - -„Waarom zou het oog der Hellenen ook niet even fijn gevoelig kunnen -worden, als hun oor?” zeide de dichter. „Wij dichters en -toonkunstenaars” en hij wierp bij deze woorden een blik op den jongen -citherspeler—„wij voelen de kleinste fijnheden en afwisselingen in den -rhythmus [119] en hooren tusschentonen daarin, die voor het oor van den -leek niet merkbaar zijn.” - -„Het is zeer loffelijk van Ictinus en Phidias,” vervolgde Callicrates -glimlachend, „dat zij alles zoo haarfijn bedenken en met lijnen en -teekens op het papier brengen. Maar begrijp wel, dat al dat fijn -gedachte, wat deze mannen overpeinzen en ontwerpen op het papier, ook -uitgevoerd moet worden—uitgevoerd in massieve, wederstrevende stof. Zie -hier het ontwerp, waarin Ictinus de maat en berekeningen heeft -opgegeven, zooals hij het verlangt te hebben—die moet ik nu in harden -steen ten uitvoer leggen op eene reusachtige schaal, en toch zoo -nauwkeurig, in al de fijnheden van het ontwerp, alsof ik het met een -fijn mesje uit ebbenhout moet snijden.” - -„Het is gemakkelijk te begrijpen,” zeide de dichter, „dat het moeite -moet kosten die fijne evenredigheden en rechte lijnen in het -reuzenschrift der marmerblokken, bij de verschillende vormen, overal in -acht te nemen.” - -„Rechte lijnen zegt ge!” riep Callicrates met een bijna spottenden -glimlach uit. „Rechte lijnen? Dat gaven de Goden! Met rechte lijnen kan -een stumper ook wel klaar komen. Maar zulke komen er niet voor in de -ontwerpen van Ictinus en Phidias. Weet ge, wat Ictinus zegt? „Om recht -te schijnen mag de lijn in groote afmetingen het nooit in de -werkelijkheid zijn.”—Zie maar eens hier naar die fundamenten en de -trappen, die naar de oppervlakte voeren. Gij zult wel denken, dat deze -oppervlakte werkelijk zoo recht loopt, als ze zich aan uw oog voordoet? -Gij vergist u: de lijn van deze oppervlakte verheft zich naar het -midden in eene zachte, voor het oog nauw merkbare en toch voor het -gezicht berekende kromming. En diezelfde zachte, onmerkbare kromming -zult ge later ook bij het groote werk, schoon in geringere mate, terug -vinden; ja, overal in deze gansche architectuur van den tempel wil -Ictinus ze zien aangebracht; en evenals van de kroonlijst tot aan de -fundamenten er werkelijk niets waterpas te vinden zal zijn, zoo wil hij -evenmin iets volkomen loodrechts dulden, maar de naar boven krom -oploopende lijnen moeten even zacht weder naar beneden afloopen. Zonder -deze zachte krommingen, op de wetten der optiek en lichtbreking -gebaseerd, zegt Ictinus, zou het geheel zonder zwier schijnen en zou -het, in plaats van vrij en fier naar boven te stijgen, er uitzien alsof -het in den grond weg wilde zinken. Gij moogt nu, wat ge wilt, gelooven -van deze en dergelijke kunstgeheimen der beide meesters, maar bedenk -eens, hoe ik, om maar van één ding te spreken, het moet aanleggen, om -in weerwil van die zachte krommingen naar boven en onmerkbare -afdalingen naar beneden, de blokken, de steenmassa’s, de zuilbrokken, -naar die fijne berekeningen, toch haarfijn en vast en stevig in elkaar -te voegen?” - -„Gij zult het tot stand kunnen brengen, wakkere Callicrates,” viel -Pericles levendig in: „ik ken u. Laten wij voor het overige Ictinus en -Phidias maar laten meten en berekenen; het is toch in den grond der -zaak een innerlijke, door de Goden ingeschapen aandrang, welken die -mannen volgen. Hun is het door de Goden in de ziel gelegd, langs welken -weg en door welke middelen zij ons in uiterlijken tooi datgene zuiver -kunnen doen genieten wat zij reeds in hun geest hebben aanschouwd.” - -„Zoo lang hier een steen op den ander blijft,” zeide de dichter -goedkeurend, „zal wel datgene, wat door Goden bezielde mannen, als deze -beiden, eerst in hunne ziel hebben aanschouwd, en dan in getallen en -berekeningen hebben uitgedrukt, hart en ziel der toeschouwers met -overweldigende kracht aangrijpen.” - -„Doch niet toeschouwers, als die luistervink daarboven,” viel -Callicrates lachend in, nadat hij een poos met scherpen blik den -Erechtheüs-priester en zijn vertrouwde had aangezien, die beiden -loerend en luisterend nog steeds aan den ingang van het Erechtheüm -stonden. - -„Met blikken van verbeten woede,” vervolgde Callicrates, „ziet die -Erechtheüs-priester steeds naar onzen arbeid, maar ik durf gerust zijn -blik beantwoorden. Wij plagen elkander en tusschen mijne lieden en -zijne tempeldienaars bestaat eene openlijke veete.” - -„Het kan ons ook niet verwonderen,” zeide Pericles, „dat de -Erechtheüs-priester vertoornd is. Wij bouwen toch, in plaats van zijn -oud heiligdom te herstellen, vlak voor zijne oogen een nieuwen tempel -op. Want wie toch zou het wagen de schennende hand aan de eerwaardige -geheimen van dit sombere heiligdom te slaan?” - -„Ja, waarlijk,” hernam Callicrates, „het is veel beter de uilen daar te -laten nestelen. Die zitten dag en nacht onder het oude tempeldak. Die -mannen daarginds willen niets weten van de nieuwe godenbeelden van -Phidias. Zij willen geen nieuwe Goden; zij wasschen en kammen de oude -en behangen ze uitwendig met nieuw gewaad, en gelooven, dat ze zoo -eeuwig kunnen duren. Deze lieden zouden Pallas Athene het liefst nog -met een uilenkop afgebeeld zien.” - -„Daar naderen Phidias en Ictinus,” zeide de dichter, naar den anderen -kant heenziende, „wij zullen nu hen zelven hooren.” - -„Gij zult niet veel hooren,” hernam Callicrates. „Phidias is stil, -zooals ge weet, en Ictinus wordt boos op ieder, die hem wil noodzaken -over zijn vak te spreken. Beide mannen zijn slechts onder elkander, met -niemand anders, spraakzaam.” - -Intusschen waren Phidias en Ictinus nader gekomen. Ictinus was een -onaanzienlijk gebogen mannetje. Zijne trekken waren niet scherp, zijne -gelaatskleur vaal, zijne oogen mat, alsof hij veel had gewaakt en -gepeinsd. In zijn gang echter had hij iets haastigs, iets onrustigs, -dat aan prikkelbaarheid en opvliegendheid deed denken. - -Phidias beantwoordde den handdruk van Pericles en dien van den dichter -die bij hem was. Op den schoonen citherspeler met zijne jeugdige en -teedere vormen sloeg hij een zonderlingen blik. Hij scheen hem te -kennen en toch niet te willen kennen. Ictinus had het voorkomen van -iemand, die weinig er mede op had menschen te ontmoeten, en hij scheen -voornemens zijn weg zonder Phidias te willen vervolgen. - -Maar de dichter wilde onderzoeken, of het waar was, wat Callicrates had -gezegd, en wendde zich tot het haastige mannetje met de vraag: „Meester -Ictinus, wilt ge niet als een deskundige de vraag beslissen, die -Pericles en mij en den jongen citherspeler straks een geruimen tijd -heeft bezig gehouden? Wij spraken over de redenen, die u, bouwmeesters, -konden bewegen, den architraaf niet onmiddellijk op de zuilenschacht te -doen rusten, maar een ietwat breed gelid, ’t zij in den vorm van het -Dorische kapiteel of van den Ionischen stijl, daartusschen te schuiven. -Sommigen beweren, dat dit geschiedt, om het te doen voorkomen alsof de -last van het taflement de zuilen uiteen houdt—en den top als ’t ware -naar beneden drukt—” - -Ictinus lachte bij zich zelven. „Zuilen dus van leem, van deeg of -boter?” antwoordde hij op sarkastischen toon. „Mooie zuilen -voorzeker—zuilen van leem, die zich plat laten drukken—ha, ha, ha—mooie -zuilen.” - -„Gij lacht dus om deze verklaring?” riep de dichter: „zeg dan zelf, -waarom doet gij het?” - -„Omdat het tegendeel leelijk en afschuwelijk en onverdragelijk zou -zijn!” - -Deze woorden bromde Ictinus haastig, sloeg op den vrager een vluchtigen -blik uit zijne grijze oogen en ijlde weg. - -De mannen lachten. - -„Ik zie,” vervolgde Pericles zich tot Phidias wendend, „dat de werken -goed vorderen. Dat verheugt mij. Wij moeten snel en ijverig -voortwerken. Wij moeten gebruik maken van de gunstige omstandigheden, -die wellicht nimmer terug zullen keeren. Een groote oorlog zou alles -stuiten en weldra zouden ons de middelen ontbreken om het ondernomene -te voltooien.” - -„Wij zijn daarom aan de ontwerpen en kleimodellen der ontzachelijke -gevelgroepen en van de friezen en metopen-velden in de werkplaatsen -ijverig bezig,” hernam Phidias. - -„Denkt ge er niet aan,” vroeg Pericles, „Polygnotus te ontbieden, opdat -ook hier, evenals daar beneden in den Theseus-tempel beitel en penseel -in de uitvoering van de metopen-velden het werk konden verdeelen? Doch, -ik herinner het mij, gij koestert geene hooge gedachten van de -zusterkunst, het schilderen, die, ik moet het bekennen, nog een weinig -onbeholpen in het niet verzinkt, bij de reusachtige vorderingen van den -beitel.” - -„Ik heb zelf als jongeling het penseel ter hand genomen,” hernam -Phidias; „maar het voldeed mij niet. Vol en rond en zuiver wilde ik -datgene wat ik in mijn geest zag, voorstellen, en dat kon ik alleen met -den beitel.” - -„Welaan,” zeide Pericles, „dan moge aan het nieuwe heiligdom van Pallas -alleen de rijpste kunst hare krachten wijden, opdat het een -gedenkteeken worde van het beste, wat wij vermogen. Wij zullen -Polygnotus bij eene andere gelegenheid zoeken schadeloos te stellen. -Wij willen later ook eens overleggen of er niet iets te doen is voor -het oude heiligdom van dien toornigen priester en ook voor gindsch -onvoltooid tempeltje, dat zich zoo fier op de rotsen verheft ter eere -van de ongevleugelde zegegodin. Mocht toch, als ik eens van het -wereldtooneel aftreed, geen Atheensch burger iets meer te wenschen -overblijven! Dat er nog zoovelen zijn, die ontevreden zijn, is mij eene -pijnlijke gedachte. Gij glimlacht? Waarlijk, misschien wil de ernstige, -gestrenge Phidias alleen zich zelven voldoen.” - -„Dat is juist het moeilijkste,” hernam Phidias. - -„Vreest ge niet de tegenstanders?” vervolgde Pericles. „Geef acht, wij -hebben overvloed van dezulken. Ook gij wordt benijd, en wat gij werkt, -is niet allen welgevallig.” - -„Pallas Athene verbiedt mij te vreezen!” [120] hernam Phidias met de -woorden van Homerus, en wees met de hand naar het ijzeren reusachtige -beeld zijner Athene Promachos, dat te midden van deze mengeling van het -oude en het nieuwe op de Acropolis zoo verheven, rustig in den reinen -aether zich verhief. - -Toen verwijderde Phidias zich om Ictinus weder op te zoeken. - -Pericles, de treurspeldichter en de jongeling uit Milete zetten hunne -wandeling over de hoogte van de Acropolis voort. - -De treurspeldichter verdiepte zich in een aangenaam gesprek met den -jongen citherspeler. Hij zelf toch was ook een voortreffelijk -beoefenaar van het snarenspel. Zoo fijn en scherpzinnig wist de -jongeling zich uit te drukken, dat gene ten laatste verwonderd zeide: - -„Ik wist wel dat de Milesiërs zeer beminnelijk waren, maar ik wist nog -niet, dat zij zoo wijs tevens zijn.” - -„En ik,” hervatte de jongeling, „heb de treurspeldichters der Atheners -altijd voor zeer wijs gehouden, maar ik dacht niet, dat ze ook zoo -beminnelijk konden zijn. Ik beoordeelde namelijk onberaden uit de -dichtwerken zelven de dichters. Hoe komt het, dat uwe tragische -dichtkunst tot nu toe zoo weinig rekenschap hield met de zachtere -aandoeningen van het menschelijk hart? Grootsch is daar alles, -verheven, niet zelden huiveringwekkend, maar aan den zachtsten en toch -tevens den machtigsten hartstocht, de liefde, gunt men de plaats niet, -die haar toekomt. Anacreon [121] toch en Sappho [122] weten, de een op -vroolijken, de andere op weemoedigen toon zooveel van haar te zingen; -waarom versmaadde het tot dusverre slechts de treurspeldichter, alleen -het grootsche en bovenmenschelijke nastrevend, tonen van die teedere, -echt menschelijke aandoening aan te slaan?” - -„Jonge vriend,” zeide de dichter glimlachend, „geen waardiger -verdediger had de teedere, met pijlen gewapende God [123] kunnen -vinden. Weinige dagen geleden is bij mij de gedachte aan een treurspel -opgekomen, waarin degeen, wiens verdediger gij heden zijt, wel eene -plaats zal worden ingeruimd. Ik weet niet, of die vluchtige gedachte -tot ernst zou zijn geworden; maar het treft heel goed, dat ik er door u -aan herinnerd word. Ik ben voornemens dat treurspel nu werkelijk te -schrijven, daar uwe woorden en nog meer uwe heerlijke oogen mij ten -gunste der zaak, die gij voorstaat, hebben ontvlamd en bezield.” - -„Voortreffelijk,” hernam de jongeling; „ik zal den geurigsten krans -voor den dag uwer zegepraal voor u vlechten”— - -„Een krans van roode rozen,” riep de dichter, „daar ik toch in mijn -gedicht den alles overwinnenden Eros denk te verheerlijken.” - -„Voorzeker,” hernam de jongeling, „en ziedaar, de dankbare, gevleugelde -God schijnt te willen, dat ik de rozen voor dien krans aanstonds pluk.” -De teedere slanke jongelingsgestalte ijlde tegelijkertijd op een -vooruitstekende rots, waar in de spleten een wellicht eeuwen-oude -heester stond, die geheel met bloeiende rozen bedekt was. - -„Wees voorzichtig, jonge vriend,” zeide de dichter, „gij weet niet op -welk eene noodlottige plaats gij staat. Van den top dier rots heeft een -koning der Atheners [124] zich in de zee neergestort, omdat zijn -beroemde zoon, van de bestrijding van den Minotaurus [125] -terugkeerende, verzuimd had, toen hij Athene naderde, als een teeken -zijner overwinning het witte zeil te hijschen. Buitendien de voet kan -op deze gewijde hoogte geene plaats betreden, waar niet vonken uit het -verleden uit den grond opspatten en overoude sagen den wandelaar -omruischen.” - -„En toch,” hernam Pericles, „terwijl de voet in het stof van het -verleden ronddoolt, zwerven de oogen van deze hoogte vrij in het -verschiet en baden zich in de volle schoonheid en frischheid van het -heden. Zijt gij moedig en behendig, Milesische vriend, volg ons dan -over de rots naar de hooge bergvlakte, waar de machtige schutsmuur der -Acropolis op uitloopt.” - -Lachend snelde de jongeling vooruit en weldra stonden de drie mannen op -de verheven sterkte. - -„Hoor nu eens,” zeide Pericles, „wat u dit schoone, bochtige Attische -strand zegt, deze schitterende golven, deze eilanden die hunne -bergtoppen uit het schoonste zeegroen in het schoonste hemelsblauw -verheffen! Ginds doemt uit de golven van den Saronischen zeeboezem -Aegina [126] op, met zijne talrijke bergkruinen. In die kloven -verborgen zich de wilde „Miermenschen” van den voortijd. Thans echter -verheft zich op den hoogsten top van het eiland in de eenzaamheid van -een schaduwrijk woud, de tempel van den panhelleenschen [127] Zeus, -welke ons volk tot een zijner schoonste feesten verzamelt. Daar rechts, -korter nabij in dezelfde baai ligt het heerlijke Salamis, de wieg der -helden. Behoeft wel de late nazaat voor de schim van den onsterfelijken -held te blozen, die van daar tegen Ilium [128] optrok? Werd niet juist -daar in die schoone zeeëngte, die ons thans zoo vreedzaam begroet, door -ons de beroemdste aller zeeslagen gestreden? En meer zuidelijk, waar de -Cithaeron, de Pentelicon en de Parnesus zich als een bolwerk voor -Attica verheffen, den westelijk zich uitstrekkenden Hymettus de hand -reikende, daar verhalen overoude sagen van leeuwen, die in de -woudkloven huisden. Maar onze vaderen hebben de leeuwen geworgd, hunne -harten bij het vuur gebraden en opgegeten, om leeuwenmoed en -leeuwenkracht hunne nazaten te doen erven. En zoo was het zeker die -geërfde leeuwenmoed, waardoor, vlak achter die hoogten, op het slagveld -van Marathon, de schitterendste aller overwinningen behaald zijn -geworden. De leeuwen en wolven van die kloven zijn geveld, de barbaren -uit die sterkten van het Attische strand voor altijd verdreven; rustig -delven wij op de plaats van de oude leeuwenjacht het heerlijke -Pentelisch marmer en verzamelen den honig van de beroemde Hymettus -bijen. Daar achter de Acrocorinthus [129] verheft zich het geweldige -Cyllene-gebergte in zilveren glans, en wanneer de laatste nevelsluier -in het Westen zal zijn verdreven, dan rijzen de tinnen op van Corinthe -[130] uit de blauwe fonkelende zeeëngte. Maar vergeten we den ernstigen -groet niet, die over Salamus en Aegina heen ons de naburige -Peloponnesus toezendt. Ziet ge die bochtige kusten met de steile -hoogten van Argolis en daarachter Arcadië’s bergen? Zoo dikwijls ik -over de gedenkteekenen en herinneringen van den Atheenschen roem naar -gindsche bergen van de Peloponnesus het oog sla, dan wordt het mij zoo -zonderling te moede en het is mij alsof ik de hand op het zwaard moet -leggen—het is, alsof zich achter die bergen het sombere Lacedaemon -verhief en dreigend daarover heen blikte.” - -„Dat toch de blik van staatslieden en veldheeren altijd in het -verschiet zweeft,” viel de dichter in. „Is het niet beter, in plaats -van het oog te slaan op gindsche bergen van de Peloponnesus, volop te -genieten, wat wij hier voor onze oogen hebben? Jongeling, laat u niet -verleiden naar de Peloponnesus en hare dreigende bergtoppen. Verlustig -u in het vroolijke beeld van het door water en zon begunstigde land -daar beneden u, waar in grooten getale de vriendelijke hoeven u -toelachen, de bezitting van den nooit vermoeiden Athener, die zoo -mogelijk, dag op dag uit de stad naar zijne vruchtboomen en zaadvelden -zich begeeft en onderzoekt hoe de slaven zijne runderen oppassen en -zijne lammeren en geiten. En hoe bekoorlijk kronkelen zich de wegen -tusschen de hoeven, weiden, olijfbosschen, tusschen de altaren der -Goden en steenen monumenten naar alle zijden heen. Hier naar den -Piraeus, en ginds naar Rhamnus en Marathon. Het schoonst en heerlijkst -echter loopt westelijk de weg naar Eleusis, de heilige stad der -mysteriën, tusschen tallooze wit schitterende heiligdommen en zilveren -populieren en olijf- en vijgeboomen door. En hoe heerlijk ligt de stad -zelve daar uitgestrekt tusschen den Ilissus en den Cephissus, de -kristalheldere maar kortlevende stroompjes; op de bergen nabij de stad -ontspringen zij en bereiken nog niet eens de naburige zee, maar zijn -tevreden om als stofregen en dauw de bloemtuinen der Atheners te -bevochtigen, of borrelend in duizende bronnen hun jong leven te -verspillen. Aan den Ilissus liggen lachende tuinen, door menschen -aangelegd; maar een natuurlijke tuin en een liefelijke schaduwrijke -oase in het zonnige land van Attica zijn de dalen, waar onder het -heldere groen der olijven de schoone beekjes van den Cephissus -klateren. Dit oord prijs ik met trots, want daar is mijne -geboorteplaats, de heuvel van Colonos [131]. Uw krijgszuchtige vriend -Pericles zou u kunnen vertellen, dat in deze streek de schoonste rossen -geteeld worden en dat het de wilde, prachtige veulens van Colonos -waren, waarvoor in overoude tijden de zeegod den breidel heeft -uitgevonden. Maar ik zeg u, dat in dit dal van den Cephissus nooit ruwe -winden blazen, dat daar de wijnstok en de vijg bloeien, dat daar, -bevochtigd door den reinsten dauw de narcissen tieren en de viooltjes -en de gulden crocus en de wijnkleurige klimop...” - -De trekken des dichters gloeiden van geestdrift, toen hij in de heldere -oogen van den jongeling blikkende, de bekoorlijkheid van zijn -geboorteland prees. Eindelijk vatte hij zijn hand en zeide: „Kom toch -zelf eens in mijne schoone landstreek, of nog liever, ga terstond met -mij en breng den dag door in mijne landelijke woning aan den -Cephissus-oever; ik zal u mijne cithers en lyren laten zien en we -zullen, als gij er lust in hebt, op de wijze van Arcadische herders, -een kleinen wedstrijd houden in zang en snarenspel.” - -De citherspeler glimlachte. Pericles zeide na eene pause: „Ik zelf zal -weldra den jongen Aspasius als gids naar uwe landelijke woning -geleiden; gij hebt ook voor uw wedstrijd in gezang en snarenspel wel -een kamprechter noodig”— - -„Dus heet de jongeling Aspasius?” riep de dichter uit; „die naam -herinnerd mij aan een schoone Milesische, van wie ik in den laatsten -tijd veel heb hooren spreken”— - -De citherspeler bloosde. - -Die blos trof den dichter. Hij hield nog steeds de tot afscheid -gereikte hand van den jongen Milesiër in de zijne. En zie, op dit -oogenblik werd een gevoel in hem levend, dat hij ongetwijfeld vroeger -reeds ondervonden had, maar zonder zich daarvan bewust te zijn. - -Hij voelde namelijk op eens duidelijk, dat de hand van den jongen -Milesiër zeer fijn, zeer warm en zeer zacht was. Een oogenblik later -was hij overtuigd, dat de hand te fijn, te warm en te zacht was, om aan -een mannelijken arm, al was die ook nog zoo jong en teer, toe te -behooren. De eene helft van het schoone geheim las hij in de purperen -kleur op de wangen van den citherspeler, de andere helft had hij, om -zoo te zeggen, in zijne hand.... - -De dichter vergiste zich niet. De hand, die hij in de zijne hield, was -niet die van een jongeling. Het was de hand van de schoone Aspasia. - -Pericles en de Milesische hadden elkander in den loop der maand, na die -eerste ontmoeting ten huize van Phidias, het eerst bij Hipponicus, den -goedhartigen gastronoom, die met Pericles bevriend was, wedergezien. -Zij ontmoetten elkander dikwijls en ten laatste zouden zij het liefst -niet meer van elkaar gescheiden zijn. Aspasia kleedde zich in -mansgewaad en vergezelde haar vriend soms onder de vermomming van den -„citherspeler van Milete.” Zoo was zij ook heden met hem naar de -Acropolis gegaan. Onder weg had zich de treurspeldichter bij hen -aangesloten. En zijne ontvankelijke en gevoelige ziel was zonderling -getroffen geworden. Door eene betoovering was de dichter in dit -gezelschap aangegrepen, die hem zelven onverklaarbaar was. Nu zag hij -dit raadsel opgelost. In verwarring liet hij de fijne, zachte hand -glippen. Weldra echter greep hij ze weder en zeide met een veel -beteekenenden glimlach tot zijn vriend Pericles: „ik bemerk dat Apollo, -de God der zieners en dichters, mij nog steeds gunstig is. Hij heeft -mij den verren weg naar Delphi bespaard en zelfs mijne nachtelijke -sluimering heeft hij niet afgewacht, om mij met openbaringen in den -droom te verschijnen; maar plotseling heeft hij mij de gave verleend, -onbedriegelijk uit de hand des menschen te voorspellen, en vooral -daaruit het geslacht op te maken, ook dan wanneer men het nog zoozeer -wil verbergen”— - -„Gij zijt van oudsher een lieveling der Goden,” zeide Pericles, „en -voor u hebben de Olympiërs geene geheimen”— - -„Daar doen ze wèl aan,” hernam de dichter. „Ik reken onder hen ook den -Olympiër Pericles”— - -„Wat uwe chiromantiek [132] u ook over het geslacht van den Milesischen -citherspeler moge verraden hebben,” zeide Pericles, „zeker is het, dat -hij recht heeft in mansgewaad te gaan en een mannennaam aan te nemen. -De aard der vrouwen is doorgaans ontvankelijk en lijdelijk. Deze -daarentegen is van eene steeds werkzame en vruchtbare natuur, en gij -kunt hem niet naderen, zonder dat hij invloed op u oefent en een -zaadkorrel in uw ziel achterlaat.” - -„Ik kan u verklaren,” zeide de dichter, „ook in mij heeft hij zooeven -eene dichterlijke vonk, door een paar los daarheen geworpen woorden tot -eene heldere vlam aangeblazen. Het is zonderling, welk eene kracht -wijze gedachten, door een schoone mond geuit, op ons hebben!—Hoe -verleidelijk is het, zich aan zoo’n gewenschte macht nog langer over te -geven! Maar de zon neigt achter de hoogten van de Acrocorinthus ten -ondergang. In dat boschje slaat een nachtegaal, die, naar ik geloof, -uit het vlek Colonos over is gevlogen, om mij te vermanen naar huis -terug te keeren. Van den hoogsten top der Acropolis tot gindsche hoeve, -die gij daar op de helling van den kleinen heuvel, door de wateren van -den Cephissus omspoeld, uit het groen der olijven ziet uitsteken, is -een tamelijk lange weg af te leggen. Ik neem derhalve afscheid van u en -niettegenstaande de veranderingen, die inmiddels hebben plaats -gegrepen, en welke bekoorlijker zijn, dan alle die de mythen ons -verhalen, herhaal ik mijne woorden: Kom over naar de streek van -Colonos; vlucht daarheen, wanneer u de nabijheid der menschen te -drukkend wordt, en breng daar een dag door in de eenzaamheid.” - -„We zullen uwe woorden niet vergeten!” zeide Pericles. „Doch laat uwe -Muze u volgen in uwe eenzaamheid. In den wedstrijd van alle kunsten -moet ook de tragische naar den hoogsten trap streven. Gij hebt ze van -de stroeve strengheid van uw voorganger [133] tot zachtheid en reiner -menschelijkheid gebracht. Laat uwe nieuwe tragedie den schepper der -„Electra” waardig zijn, opdat wij het weldra als de liefelijkste en -rijpste vrucht van Sophocles’ Muze moge prijzen en genieten.” - -„Mocht slechts,” hernam de dichter, „de geest van dezen citherspeler, -van wien ik nog geen citherklank heb gehoord en die mij toch reeds -betooverd heeft, mij omzweven. Het schijnt, dat hij de harten der -staatsmannen en dichters zich heeft uitgekozen. om zijne melodieën -daarop te spelen...” - -Zoo sprak de man met het heldere voorhoofd en de klare, bezielde, -vriendelijke oogen; hij drukte zijn vriend de hand, boog voor de -verkleede Milesische en verwijderde zich langzaam, evenwel niet zonder -nog eens om te zien; hij daalde de Acropolis af. - -„Verontrust u niet, omdat hij in ons geheim ingewijd is,” zeide -Pericles tot Aspasia. - -„Ik wilde juist hetzelfde aan u zeggen”, hernam Aspasia glimlachende. - -„Hebt gij dan zoo spoedig die edele, dichterlijke ziel doorgrond?” -vroeg Pericles. - -„Zij is zoo klaar en spiegelhelder tot op den bodem, als de wateren van -den Cephissus,” antwoordde Aspasia. „Maar laat ons nu ook de helling -afdalen, want ik gevoel mij door den zwoelen zomeravond vermoeid en -mijne lippen smachten naar een verfrisschenden dronk”— - -„Welaan dan,” zei Pericles, „we gaan slechts eenige schreden rechtsaf -buiten dien muur, en we hebben de Pansgrot met hare beroemde wateren -vlak voor ons, die onmiddellijk uwe lippen de gewenschte lafenis zal -bieden.” - -Pericles en Aspasia daalden een aantal trappen, die in de rotsen -gehouwen waren, af. Toen bereikten zij de grot en de bron die daarvóór -uit den grond ontsprong. Het was de bron Clepsydra, wier wateren soms -in den grond verdwenen en dan weer plotseling opborrelden. - -Aspasia schepte water met hare holle hand en dronk. - -Toen schepte zij andermaal en bood de handvol helder, verfrisschend -water met dartele vriendelijkheid Pericles aan. Deze dronk het water -glimlachend uit hare holle hand. - -„Geen koning der Perzen,” zeide hij, „heeft ooit uit eene zoo kostbare -schaal gedronken! Ze is echter zoo klein, dat ik haast vreezen moet, -haar met den dronk in te slikken.” - -Aspasia lachte en wilde de scherts beantwoorden, doch op hetzelfde -oogenblik verschrok ze, want ze bemerkte plotseling een gelaat, dat uit -den achtergrond der schemerdonkere grot met een soort van goedaardigen, -boerschen glimlach op haar neerzag. Naderbij tredende, bevond zij, dat -het een vrij ruw bewerkt beeld van den God Pan [134] was, aan wien de -grot was gewijd. - -„Vrees niets,” zeide Pericles, „de herdersgod is goedaardig van -karakter.” - -„Soms ook van een boozen aard,” hernam Aspasia; „de verhalen der -herders omtrent hem loopen uiteen.” - -„Voor ons Atheners ten minste,” hervatte Pericles, „heeft hij zich -bovenmate goed betoond. Den hardlooper Phidippides, die naar Sparta -ijlde, om de Spartanen ten spoedigste tot hulp tegen de Perzen op te -roepen [135], verscheen de God in het gebergte op de grenzen tusschen -Argolis [136] en Arcadië[136], waar hij inheemsch is; het beviel hem, -dat de kerel uit vaderlandsliefde zoo ademloos over de Argolische -bergen liep en hij kreeg een goeden dunk van de Atheners, over wie hij -zich vroeger niet erg had bekommerd. Hij kwam zelf om ons te helpen -naar Marathon en wij overwonnen, zooals bekend is, en de dankbare -Atheners verzuimden niet, hem na de overwinning dit kleine heiligdom in -de grot op de Acropolis op te richten.” - -„Pan mag zoo goed zijn als hij wil,” zeide Aspasia, „deze grot is -echter te bekoorlijk voor den boeren- en herdersgod.” - -„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles, „en nog meer dan gij zelve denkt: -wanneer het namelijk waar is, wat de oude sage bericht, dat juist deze -grot de plaats is geweest van de belangrijkste bruiloft, die er ooit in -de Grieksche wereld gevierd is geworden—dat hier in de vertrouwelijke -schemering der grot, de God des lichts Apollo, in liefde ontstoken voor -de rozenvingerige dochter van Erechtheüs Creüsa, zich met haar verbond -en dat de vrucht hunner liefde Ion de vader werd van onzen Ioninischen -stam!” - -„Hoe?” riep Aspasia geroerd uit, half schertsend, half ernstig, „is dit -hier de bakermat van den edelsten stam der Grieken, die ginds bloeit in -de landouwen van Attica en op de kusten van mijn geboorteland? En de -Atheensche jonkvrouwen tooien de wanden dezer grot niet dag aan dag met -kransen van rozen en leliën? En in plaats van den schitterenden God -Apollo staat hier grijnzend met zijn breed gezicht de plompe Arcadiër, -een vreemdeling uit die vijandige, sombere bergen van de Poloponnesus?” - -„Waarom,” antwoordde haar Pericles glimlachende, „waarom vaart gij zoo -heftig uit tegen den God der berg- en woudstilte? Ik ken er geen, onder -wiens bescherming een verliefd paar vertrouwelijker kan keuvelen, dan -onder dien van den God van den idyllischen vrede en der vreugde”— - -„Nu,” riep Aspasia, „voor één ding althans, voor de schaduwrijke -koelte, die hij hier in de grot mij schenkt, ben ik hem dankbaar.” - -Met deze woorden nam zij den Thessalischen hoed van het hoofd en zette -dien op het hoofd van den herdersgod. De goudgele, heerlijke lokken -golfden van hare schouders af. - -„Och, mocht ik toch weldra,” vervolgde zij glimlachend, „het geheele -gewaad van den citherspeler aan den eerlijken Pan wijden, evenals dit -hoofddeksel! Waarlijk, het wordt mij lastig. Hoe lang moet ik nog onder -dezen dwang gebukt gaan? O gij Atheners, wanneer zult gij het der vrouw -vergunnen vrouw te zijn! Ge moet toestemmen, Pericles, gij Atheners -zijt niet de waardigste zonen van Ion, die in deze grot geboren werd. -Gij hebt te veel van het Dorische karakter in u opgenomen. Gij moet het -hoofd buigen voor de nazaten der landverhuizers van uw eigen stam, die -op de kusten van Azië zich reiner, vrijer en vuriger hebben -ontwikkeld”— - -„En doen wij dat niet?” zeide Pericles met een veel beteekenenden -glimlach zich tot Aspasia buigend, die op een breed, uitstekend, met -mos begroeid rotsblok zich had neergezet. „Doen wij dat niet?” -herhaalde hij en drukte haar geurig gelokt hoofd tegen zijne borst. - -„Pan is luimig,” riep Aspasia. „Hij beloofde mij verkwikking in zijne -grot, maar hij schijnt met zijn adem heimelijk de zwoele avondlucht nog -drukkender te maken”— - -„In der daad,” zeide Pericles, „bijna bedwelmd omgeeft ons de lucht, -zwanger van den geur van de thym en wilde rozen.” - -Terwijl Pericles en Aspasia zoo praatten, was het blauw des hemels in -een gloeiend rood veranderd. De lange Hymettus-keten was geheel gedoopt -in den rozenkleurigen gloed. Langzaam was de zon achter Arcadië’s -bergen ter kimme gedaald. Over de bergtoppen van den Brilessus -flikkerde van tijd tot tijd uit het zwangere zwerk door de zwoele lucht -een matte bliksemstraal. - -„Aspasia,” riep Pericles, „de boodschap, die gij als Grieksche uit het -vroolijke Ionië den Grieken overbrengt, zij weerkaatst, als het -weerlicht in die zwangere wolk, zwoel en rijk aan zegen, in mijne ziel -en in alle geesten van Attica! Zij zal werkelijkheid worden, deze -boodschap: in den engsten kring tusschen u en mij, in den ruimsten van -geheel het Atheensche volk! Wij gevoelen allen eene nieuwe kracht, een -nieuw vuur in ons en wij zien dat het Helleensche volk streeft naar -zijne hoogste ontwikkeling!” - -Zoo sprak Pericles en drukte een gloeienden kus op de lippen van -Aspasia. Het was dezelfde gloed, het was dezelfde kracht, het was de -kiem van dezelfde levensvolheid en levensschoonheid, welke de vuist van -den strijder bij Marathon, den beitel van Phidias, de stift van -Sophocles, den redenaarsdonder van Pericles op de Pnyx en zijn -brandenden kus op de lippen der schoonste Grieksche vrouw bezielde.... - -Wanneer een vertrouwelijk paar als dit, waarin het menschelijke wezen -tot den reinsten, weelderigsten en edelsten bloei is ontwikkeld, in een -kus elkander beroeren, dan is dit de hoogste zaligheid van het leven en -eene huivering van vreugde doortrilt heimelijk het hart der wereld van -de eene pool tot de andere; ook die kus is te vergelijken met dien -bliksem van den zwoelen zomeravond boven de toppen van den Brilessus. - -Zielen ontmoeten elkander als van vonken zwangere wolken. - -Maar de wolken ontlasten zich—de menschelijke ziel voedt den gloed. -Dronken was de ziel van Pericles, toen hij met Aspasia de helling van -den berg bij het schitterend licht der fonkelende avondster afdaalde. -Hij drukte de schoone zacht aan zijne borst, en zeide, met het oog op -het door de maan beschenen reusachtige beeld der Godin van Phidias: - -„O Pallas Athene, leg den metalen helm af, en vergun den nachtegalen -der Cephissus-valleien daarin te nestelen!” - - - - - - - -V. - -DE PAUWEN VAN PYRILAMPES. - - -Ten tijde dat de hier verhaalde zaken voorvielen bevonden zich onder de -rijke en aanzienlijke burgers van Athene twee mannen, die voor het -eerst trachtten, niet slechts, zooals het gewoonte was, door de -schitterende diensten aan den staat, maar ook door eene tot hiertoe -ongewone huiselijke pracht en weelde elkander te overtreffen. - -De een dezer mannen heette Hipponicus, in wiens gastvrije woning -Aspasia zich ophield, een man van adellijk geslacht. De andere was -Pyrilampes, een parvenu, een rijk geworden wisselaar uit den Piraeus. - -Hipponicus leidde den oorsprong van zijn geslacht af van niemand minder -dan van Triptolemus [137], den lieveling van Demeter, den stichter der -Eleusinische mysteriën, den uitvinder van den ploeg, den beschermer van -den akkerbouw en van iedere beschaving. Zonder twijfel had het geslacht -van Hipponicus aan zijne afkomst te danken, dat het ambt van Daduchus -[138] priester bij de mysteriën van Eulesis, er erfelijk in was. - -Ook Hipponicus bekleedde deze waardigheid. Maar de man naar de wereld -bekommerde zich daar niet veel om. Slechts eenmaal in den loop van het -jaar, ten tijde der groote mysteriën, was hij verplicht zich voor -korten tijd naar Eleusis te begeven. - -Eene zonderlinge eigenaardigheid juist van dit geslacht was daarin -gelegen, dat de stamhouders steeds beurtelings Callias en Hipponicus -heetten. Ieder Callias noemde zijn eerstgeborene Hipponicus en ieder -Hipponicus den zijne Callias [139]. - -De lotgevallen van al deze verschillende Calliassen en Hipponicussen -waren veelal zeer merkwaardig; bijzonder de wijze, waarop zij aan hunne -rijkdommen kwamen. - -Aan Hipponicus, dien ten tijde van Solon [140] leefde, en een -persoonlijk vriend van dezen wetgever was, werd verweten, dat hij den -grond tot de welvaart van zijn geslacht, gelegd had, door misbruik te -maken van eene vertrouwelijke mededeeling van dien beroemden man. Ten -tijde van Pisistratus had een Hipponicus alleen den moed de goederen -van den verdreven tyran op te koopen. Terwijl in de Perzische oorlogen -velen verarmden, werd de familie der Calliassen en Hipponicussen steeds -rijker. Aan een Hipponicus namelijk had zekere Eretriër [141], -Diomnestus genaamd, zijne schatten in bewaring gegeven, welke hij bij -den eersten inval der Aziaten op een vijandelijk veldheer buit had -gemaakt. Bij den tweeden inval voerden de Perzen, zooals bekend is, -alle Eretriërs en onder hen ook Diomnestus, gevankelijk weg, en zijne -schatten bleven in het bezit van Hipponicus. Dan weder was het een -Callias, dien een Pers bij Marathon, om zijn leven te redden, in ’t -geheim naar een plaats voerde, waar zijne landgenooten veel goud hadden -begraven. Callias nam de voorzorg, den Pers, nadat hij hem de plaats -gewezen had, te dooden, om zoo zeker te zijn, dat hij niets van het -geheim aan een ander zou verraden, voordat Callias den tijd had -gevonden, den schat geheel weg te nemen en in veilige bewaring te -brengen. - -Zoo luidden de overleveringen, die getuigenis afleggen voor het in dat -geslacht erfelijke talent, zich rijkdommen te verwerven. Zooals van -zelf spreekt, geraakten de nakomelingen tot het grootste aanzien in den -staat. - -Menige Callias en Hipponicus diende zijnen medeburgers als gezant naar -den Perzischen koning of anders in gezantschappen over vrede; voor -sommigen hunner richtte men van staatswege eene eerezuil op. - -Onze Hipponicus nu, de gastheer van Aspasia, deed zijne vaderen eer -aan. Hij was goedhartig van karakter en bij het volk zeer bemind. -Somwijlen offerde hij aan de Godin Pallas Athene eene volledige -Hecatombe [142], onthaalde bij feestelijke gelegenheden het volk naar -stammen en geslachten, en bij de groote Dionysia richtte hij voor -allen, die komen wilden, in Ceramicus een drinkgelag aan in de open -lucht en gaf hun met klimop omkransde zetels er bij, waarop de gasten -plaats konden nemen. Toen hij eens naar Corinthe reisde om een vriend -te bezoeken en onderweg vernam, dat de man op het punt stond om door -zijne schuldeischers gegijzeld te worden, zond hij een bode met het -noodige geld vooruit, om den schuldeischer tevreden te stellen, omdat -het hem onaangenaam zou geweest zijn, bij zijne aankomst, zijn vriend -in eene slechte luim aan te treffen. Zijn huis te Athene onderscheidde -zich, zooals gezegd is, zeer van die toenmalige huizen der andere -Atheners. - -Alleen de rijk geworden geldwisselaar Pyrilampes beproefde het hem te -evenaren. Deze had een huis in den Piraeus, dat hij zoo inrichtte, als -dat van Hipponicus. Hij zocht overigens zoo veel mogelijk Hipponicus in -alles na te doen. Wanneer Hipponicus zich een klein hondje van -Melitaeïsche [143] ras, dat beroemd was om zijne bevalligheid, -aangeschaft had, dan kocht Pyrilampes een nog kleiner van datzelfde -ras. Vermeerderde daarentegen Hipponicus het getal zijner honden met -een nieuwen Laconischen, Molossischen [144] of Cretensischen hond, die -om zijn grootte door de menschen bewonderd werd, dan rustte Pyrilampes -niet, vóór hij een nog grooteren kon machtig worden. Hipponicus had een -reus tot portier, en daar nu Pyrilampes geen nog grooter man voor zich -kon vinden, plaatste hij aan de poort van zijn huis een aardigen dwerg, -’t geen veel opzien baarde. Hipponicus’ oudste zoontje, die, zooals -vanzelf sprak, Callias heette, betoonde weinig lust om de vier en -twintig letters van het alphabet te leeren; toen liet Hipponicus de -kameraadjes van den kleinen Callias, zijne huisslaven en andere -personen uit de omgeving van den jongen, ieder met den naam van een der -letters aanduiden. Pyrilampes had eveneens een zoontje, Demus geheeten, -en daar deze liever met jonge honden speelde, zoo schafte hij zich -vierentwintig hondjes aan en deed ieder een plaatje om den hals, waarop -de naam van eene letter van het alphabet geschreven was. Hipponicus was -beroemd om zijne paardenfokkerij; daar Pyrilampes hem hierin niet kon -overtreffen, zocht hij de paarden van Hipponicus door een aantal -zeldzame en merkwaardige apen te overschaduwen. Hipponicus hield altijd -veel hanen en kwartels, om ze met elkaar te laten vechten, een -schouwspel, waarin de Atheners bijzonder veel vermaak schepten. Meer -bepaald echter had hij zich in den laatsten tijd op het kweeken van -Siciliaansche duiven toegelegd, die te Athene zeer in den smaak vielen -en weldra nergens zoo schoon en voortreffelijk te vinden waren als bij -Hipponicus. Deze zegepraal van zijn mededinger hield Pyrilampes den -slaap uit de oogen. Hij peinsde zoo lang dat hij de duiven van -Hipponicus overtrof. Daar kreeg hij uit Samos [145] een paar van die -prachtige vogels, met hun schoonen, honderdoogigen staart, die aan Hera -[146] waren gewijd, en destijds te Athene alleen bij name bekend waren. -Pyrilampes liet de gevederde vreemdelingen broeien, paste ze zorgvuldig -op en weldra stapte een groot aantal dier verbazend schoone dieren -pronkend over zijn groot voorhof, ja zelfs op het plat van zijn dak tot -verwondering en genoegen der voorbijgangers. - -Met deze Samische vogels sloeg Pyrilampes Hipponicus en zijne duiven -uit het veld. In grooten getale stroomden de nieuwsgierige Atheners -toe, om de pauwen van Pyrilampes te bekijken. Men sprak een tijdlang -bijna over niets, dan over de pauwen van Pyrilampes. - -De gelukkige mededinger van Hipponicus rustte niet, voordat Pericles -hem beloofd had zijne pauwen te komen zien. Pericles ging naar hem toe, -vergezeld van Aspasia, die zich ook nu weder als Milesische -citherspeler had verkleed. - -Wie in die dagen te Athene zijne schoone vriendin een bijzonder -aangenaam geschenk wilde vereeren, kocht een van Pyrilampes’ jonge -pauwen en schonk haar die. - -Aspasia sprak met zoo onverholen ingenomenheid over de prachtige vogels -en Pericles meende zoo duidelijk in hare oogen te lezen, welk een -sieraad zij zulk een vogel in het peristilium harer woning achtte, dat -hij niet nalaten kon Pyrilampes ter zijde te nemen en hem heimelijk -last te geven een der jonge pauwen bij de Milesische Aspasia, die in -een der zijvleugels van het huis van Hipponicus woonde, te doen -bezorgen. Voor zijne vriendin echter hield hij de zaak geheim, om haar -door het geschenk te verrassen. - -Op den morgen, die op dit bezoek van Pericles en de verkleede -Milesische volgde, trad Hipponicus onverwachts het vertrek zijner -schoone gast binnen. Hipponicus was een vrij gezet man. Zijn gezicht -was rood en eenigszins opgezwollen. Zijne oogen glinsterden goedaardig -en om zijn tamelijk dikke lippen zweefde steeds een glimlach. Met dezen -glimlach op de lippen, die echter ditmaal, voor zooverre zulks bij -Hipponicus mogelijk was, iets spottends had, zeide hij tot Aspasia: - -„Schoone vriendin, ik hoor dat het u zeer goed bevalt in de stad der -Atheners”— - -„Daarvan komt u de verdienste toe,” hernam Aspasia. - -„Niet geheel en al,” antwoordde Hipponicus. „Gij hebt in den beginne -reeds een aangenaam verkeer gehad met Phidias en zijne kunstenaars en -later ook met mijn vriend, den grooten Pericles. Ik hoor, dat gij hem -somstijds uit zedigheid onder de vermomming van een citherspeler -vergezelt. En wanneer ik goed ingelicht ben, bevallen u de -Siciliaansche duiven van Hipponicus niet bijzonder meer, maar gaat gij -liever met Pericles naar den Piraeus, om de pauwen van Pyrilampes te -bewonderen”— - -„Die pauwen zijn prachtig,” zeide Aspasia onbeschroomd, „en gij moet ze -zelf eens gaan zien.” - -„Ik ben nog onlangs voorbij het huis van Pyrilampes gekomen,” hernam -Hipponicus, „en ik heb die dieren hooren schreeuwen. Daar had ik genoeg -aan. Nu, ieder zijn smaak; ieder moet zijn genoegen daar zoeken, waar -hij het vindt. Een genot, dat men t’huis heeft, verveelt gauw. En, naar -ik bemerk, wordt het meer gewaardeerd als men iemand aangenaam -onderhoudt, dan dat men hem gastvrijheid verleent.”— - -Hipponicus zag bij deze woorden Aspasia scherp aan en hoopte, dat zij -iets zeggen zou. - -Daar zij echter zweeg, vervolgde hij: „Gij weet, Aspasia, dat ik u te -Megara uit onaangename verwikkelingen heb gered; ik heb u hierheen naar -Athene gevoerd; ik heb u gastvrij ontvangen. Ik heb veel voor u gedaan. -En nu zeg mij, welken dank oogst ik daarvoor in? Verstaat ge mij, -Aspasia? Welken dank oogst ik daarvoor in?” - -„Wie op zulk eene wijze om dank vraagt,” hernam Aspasia, „die wil -betaling, geen dank. Ook gij verlangt betaald te worden, zooals ik zie, -voor wat ge mij bewezen hebt. Uwe weldaden hebben, naar het schijnt, -een bepaalden prijs. Maar gij hebt verzuimd, Hipponicus, dezen prijs -uwer weldaden vooraf te bedingen, en nu maakt gij u driftig, als een -vischwijf op de markt, omdat deze prijs den kooper te hoog is!” - -„Verdraai de zaken niet, Aspasia,” hernam Hipponicus rood wordende, -„gij weet het, ik was de kooper en uwe gunst was het, die ik, voor -alles, wat ge begeert wilde koopen”— - -„Zoo ben ik de koopwaar?” riep Aspasia uit; „het zij zoo, ik ben -koopwaar, als ge wilt en heb een bepaalden prijs”— - -„En deze prijs—?” vroeg Hipponicus. - -„Zult gij met al uwe schatten nooit kunnen betalen!” wierp Aspasia hem -snel tegen. - -Hipponicus draaide zich onrustig op zijn stoel. - -„Geen praatjes! zeide hij toen en zijne trekken namen weder een -goedhartige uitdrukking aan. „Gij zijt niet meer te krijgen! Dat is -alles.—Een ander heeft u gekocht. Voor welken prijs—dat is zijne zaak. -Daar het de groote Pericles is, ben ik noch op hem noch op u boos. Ik -houd van Pericles en gun hem alles goeds; hij heeft mij eens een -grooten dienst bewezen, dien ik nooit in mijn leven vergeten zal. Hij -heeft mij van eene lastige vrouw, de toen nog schoone, maar twistzieke -Telesippe afgeholpen. Mogen de Goden hem er voor beloonen!” - -Met dit gezegde, dat hij steeds uitte, wanneer men over Pericles kwam -te spreken, stond Hipponicus op en ging heen. - -Nadat hij zich verwijderd had, was Aspasia’s eerste gedachte, dat het -haar nu niet langer paste de gastvrijheid van Hipponicus te blijven -genieten. - -Zij riep hare slavin, liet een paar muildieren met hare bezittingen -beladen, om die naar een Milesische vriendin te brengen, eene -eerwaardige dame, die sedert jaren te Athene woonde. Met Aspasia’s -moeder was deze van kindsbeen af bevriend geweest en koesterde zelve -eene bijna moederlijke liefde voor hare schoone, jeugdige landgenoote. - -Nadat Aspasia Hipponicus haar dank had doen betuigen voor de bewezen -gastvrijheid en haar besluit, zijn huis te verlaten, had laten -mededeelen, verkleedde zij zich naar hare gewoonte als citherspeler en -ging op weg, begeleid door een slaaf, ten einde Pericles in zijn woning -op te zoeken. - -Tot op dezen dag had zij dien stap nog niet gewaagd, zelfs niet in hare -verkleeding. Maar heden brandde zij van ongeduld om onverwijld -gelegenheid te zoeken haar vriend te spreken en met hem te overleggen, -wat zij nu na hare verwijdering uit het huis van Hipponicus verder zou -aanvangen. - -Kort nadat Aspasia vertrokken was, werd Hipponicus door een bediende -gemeld, dat er een slaaf van Pyrilampes geweest was, die een jongen -pauw had gebracht voor de Milesische, die in het bijgebouw woonde. - -Hipponicus haatte niets zoo zeer in de wereld als de pauwen van -Pyrilampes, en had hij de eerste opwelling van zijn hart gevolgd, dan -zou hij den vogel onmiddellijk den hals hebben doen omdraaien, echter -stelde hij zich tevreden met gefronste wenkbrauwen te zeggen: - -„De Milesische is weg en ik weet niet waarheen zij gegaan is. Breng den -pauw naar het huis van Pericles. Deze heeft hem zonder twijfel -gekocht.”— - -Inmiddels was Aspasia op haar weg naar Pericles op de Agora gekomen. - -Terwijl zij met een zekeren haast zich door het gedrang der onbekende -menschen spoedde, ontmoette haar plotseling Alcamenes. - -De beeldhouwer bleef voor haar staan, zag haar met zijne heldere oogen -aan en zeide toen met een spottend lachje: „Waarheen gaat ge, schoone -citherspeler? Zeker naar Pericles?—Mogen uwe nieuwe vrienden met hunne -aanspraak op u en uwe gunst gelukkiger zijn dan de oude!” - -„Wien gaf ik ooit eenig recht op mij?” vroeg Aspasia. - -„Onder anderen ook aan mij,” hernam Alcamenes. - -„Aan u?” zeide Aspasia. „Ik gaf u wat ge noodig hadt, wat den -beeldhouwer onmisbaar was. Niets meer en niets minder.” - -„Eene vrouw moet niets of alles geven,” hernam Alcamenes. - -„Vergeet dan, dat ik u ooit iets heb gegeven,” riep Aspasia en verdween -in het gedrang. - -Snel waren deze weinige woorden gewisseld. Alcamenes lachte bitter en -sarcastisch. Aspasia vervolgde haar weg met spoed. - -In het huis van Pericles was Telesippe dien morgen met een vrome -plechtigheid bezig. - -Zij hoopte schadeloosstelling voor de nalatigheid, die Pericles, naar -zij meende, in het beheer zijner huishouding aan den dag legde, van de -gunst van Zeus Ktesios [147] den beschermer van de huiselijke have, die -door alle vrome Atheners door huiselijken eeredienst pleegde vereerd te -worden. Niemand was beter vertrouwd met de heilige oudvaderlijke -gebruiken dan Telesippe. Zij omwond haar voorhoofd en haar rechter -schouder met wollen draden, nam toen een nog ongebruikten aarden pot, -van deksel voorzien, omwoelde het hengsel met witte wol, deed in den -pot een mengsel van allerlei vruchten, met helder water en olie en -plaatste dit offer ter eere van den God in de voorraadkamer. - -Juist was zij gereed met haar vroom werk, toen zij bemerkte dat de -portier een slaaf binnen liet, die een grooten vreemden vogel met -langen, prachtigen staart, de pooten samengebonden, op zijn armen -droeg. - -De slaaf zeide, dat deze vogel voor Pericles was, legde hem neder en -ging zijns weegs. - -Telesippe verwonderde zich en wist niet recht wat de zaak beteekende. - -Zou Pericles dien vogel op de markt gekocht hebben en moest die voor -den maaltijd geplukt en gebraden worden? - -Maar Pericles placht zich anders zeer weinig met huiselijke -aangelegenheden te bemoeien. - -Zij besloot de terugkomst van haar echtgenoot af te wachten. Voorloopig -liet ze den vogel in den kleinen hoenderhof voor het huis brengen. - -Juist trad eene vrouwengestalte, door eene slavin begeleid, de -buitendeur binnen, en toen Telesippe haar te gemoet ging, stak uit het -himation het welbekende hoofd van hare vriendin Elpinice. - -De trekken van Elpinice vertoonden ditmaal een buitengewonen ernst. Zij -was opgewonden, hare bewegingen haastig en gejaagd, hare oogen rolden -heen en weder en hare lippen trilden als van ongeduld om iets te -zeggen, om zich van een gewichtig geheim te ontlasten. - -„Telesippe,” zeide zij, „verwijder alle getuigen of begeef u met mij in -een uwer binnenvertrekken.” - -De gade van Pericles was het niet vreemd hare vriendin in zulk een -opgewonden toestand bij zich te zien binnenstuiven. Zij had toch veel -verkeering en vormde, om zoo te zeggen, het middelpunt van de -vrouwenpraatjes in de stad. Ze wist veel en hare nieuwtjes brachten -groote opschudding in menig vrouwenvertrek. Toen zij beiden in een -binnenvertrek alleen waren, zonder gestoord te kunnen worden, begon de -zuster van Cimon op een plechtigen toon: - -„Telesippe, wat denkt ge van de trouw van uw echtgenoot?” - -Telesippe wist op ’t oogenblik niet wat zij zeggen zou. - -„Wat denkt ge van de genegenheid van uw man voor ons geslacht in het -algemeen?” vervolgde Elpinice. - -„Ach,” antwoordde zij: „zijn hoofd is zoo overvol van staatszaken...” - -„Dat hij aan vrouwen in het geheel niet meer denkt, meent ge?” viel de -zuster van Cimon in en vertrok haar mond tot een medelijdend, -spottenden glimlach. „Natuurlijk!” ging zij vorschend voort, „gij moet -het vóór allen weten, als zijne echte gade en wettige bedgenoote.” - -„Ja zeker,” hernam de vrouw van Pericles argeloos. - -Elpinice greep hare hand, glimlachte nog eens medelijdend en zeide -toen: - -„Telesippe, is het gedrag en karakter van uw man u dan onbekend? Denk -toch eens even na. Herinner u de schoone Chrysilla—de geliefde van den -treurspeldichter Ion, aan wie uw man, zooals iedereen weet, een -geruimen tijd het hof heeft gemaakt.” - -„Maar dat is nu al lang geleden,” antwoordde Telesippe. - -„Wel mogelijk, maar is in den laatsten tijd nooit een vermoeden bij u -opgekomen? Heeft niets in het gedrag van uw man u bijzonder getroffen? -Niets uwe ziel met booze voorgevoelens vervuld?” - -Zij bezon zich een oogenblik en schudde ontkennend het hoofd. - -„Arme vriendin!” riep Elpinice uit. „Zoo treft u de slag dan -onvoorbereid en verneemt ge alles op eens.” - -„Spreek,” zeide de vrouw van Pericles. - -„Is de naam van Aspasia nog niet tot uwe ooren doorgedrongen?” vroeg -Elpinice. - -„Die naam is mij niet bekend,” antwoordde zij. - -„Nu, hoor dan,” zeide de zuster van Cimon. „Aspasia is de naam van eene -jonge Milesische vrouw, die, de Goden mogen weten na welke zwerftochten -en avonturen, te Megara aangeland en van daar door uw voormaligen -echtgenoot Hipponicus naar Athene is gebracht. Ik denk, dat het u niet -ten eenenmale onbekend is van welk soort en van welke waarde zij zijn, -die Milesische vrouwen, de Ionische over ’t algemeen, die vrouwen van -de overzeesche kusten? Het zijn Bacchanten [148], die zich over -Griekenland verspreiden en met brandende fakkels de harten der mannen -in vuur en vlam zetten. Aspasia is van al deze Bacchanten de -gevaarlijkste, de doortraptste, de sluwste, de vermetelste! ... In de -strikken van deze vrouw is uw man gevallen!” - -„Wat zegt ge?” riep de vrouw van Pericles getroffen uit. „Waar ontmoet -hij die vreemde vrouw dan?” - -„In het huis van Hipponicus,” hernam Elpinice. „Want zij woont in het -huis van Hipponicus. Daar hebben die hetaeren hare samenkomsten. Daar -worden orgiën [149] gevierd, orgiën, Telesippe—het is verschrikkelijk -wat er gefluisterd wordt van de orgiën in het huis van Hipponicus! En -uw echtgenoot te midden daarvan!—Maar dat is nog niet het ergste. Let -wel, hij verkwist zijn bezittingen met die Milesische boeleerster! Hij -vereert haar slaven, huisraad, tapijten, duiven, sprekende spreeuwen en -alles wat ge maar denken kunt! Sedert gisteren is dat alles in de -geheele stad bekend! Tot heden geschiedde alles zoo geheim mogelijk. Nu -verbreidt het zich in de stad als een loopend vuurtje, want gisteren -heeft Pericles de kroon op zijn schandelijk werk gezet. Gisteren heeft -hij bij Pyrilampes een vreemden vogel, een pauw, gekocht voor de -Milesische Aspasia! De geheele wereld spreekt heden van dien pauw. En -van morgen is de vogel door een slaaf van Pyrilampes naar het huis van -Hipponicus gebracht. Ik zelf heb onder weg menschen gesproken, die den -slaaf den pauw op de armen hadden zien dragen. Maar denk eens! -Diezelfde lieden vertelden mij, dat Hipponicus den pauw niet heeft -aangenomen, omdat de Milesische niet meer bij hem woont! Vat ge, hoe -dat samenhangt? Zij is van Hipponicus weggegaan naar een ander huis. En -wie heeft dat andere huis voor haar gekocht of gehuurd? Uw man -Pericles!—Wat staart ge me zoo peinzend aan?” - -„Ik denk na,” zeide Telesippe, „over dien vreemden vogel, waarvan ge -mij vertelt. Weinige oogenblikken, voordat gij kwaamt, is een vreemde -vogel door een slaaf hier aan huis gebracht, met de boodschap, dat -Pericles hem gekocht had.” - -„Waar is de vogel?” riep Elpinice. Telesippe bracht hare vriendin naar -den hoenderhof, waar de jonge pauw jammerlijk op den grond lag te -spartelen; want men had hem de pooten nog niet losgemaakt. - -„Dat is de pauw!” zeide Elpinice; „juist zoo heb ik de pauwen van -Pyrilampes hooren beschrijven. De zaak is zonneklaar. De pauw is ten -huize van Hipponicus niet aangenomen geworden; de slaaf wilde of konde -de Milesische zelve niet verder zoeken en bracht den vogel gemakshalve -naar den kooper. Dat is eene beschikking der Goden, Telesippe. Breng -toch Hera een offer, de beschermgodin en wreekster van den -huwelijksband!” - -„Rampzalige vogel!” riep Telesippe en wierp een toornigen blik op het -dier, „ge zult niet te vergeefs in mijne handen gevallen zijn!” - -„Slacht hem!” riep de zuster van Cimon, „slacht hem en braad hem op het -vuur en bereid uw trouweloozen echtgenoot daarmede een Thyestes-maal -[150]!” - -„Dat zal ik,” hernam Telesippe, „en Pericles kan er mij geen verwijt -van maken. Om een vogel als deze vrij rond te laten loopen, daar is -onze hoenderhof veel te klein voor. Wanneer hij hem dus gekocht heeft, -zoo mag ik vooronderstellen dat hij geplukt en gebraden en opgegeten -moet worden. Pericles moet daar het zwijgen toe doen. Hij kan tegen -deze verontschuldiging niets inbrengen. Hij moet zwijgen en in stilte -bersten van spijt, wanneer ik hem den gebraden vogel voorzet. En eerst -als hij de vervloekte spijs mokkend genuttigd heeft, zal ik mijn mond -open doen, om hem zijne openbare schande geducht voor de voeten te -werpen.” - -„Daar doet ge wel aan,” zeide Elpinice en wreef zich lachend de handen. -„Ziet ge nu wel,” ging zij voort, „van welken aard de staatsbezigheden -zijn, die uw gemaal van zijne rechtmatige, wettige bedgenoote -vervreemden?” - -„Zijne vrienden zijn het, die hem in het verderf hebben gestort,” zeide -Telesippe. „Zijn hart is toch licht ontvlambaar en open voor iederen -indruk. De omgang met godloochenaars heeft hem goddeloos gemaakt. Ja, -hij is goddeloos geworden, den huiselijken eeredienst verricht hij met -een lauw gemoed en doet of duldt vele van deze dingen om mijnentwil. -Gij herinnert u, hoe hij kort geleden aan de koorts ziek lag. Gij riedt -mij een amulet om zijn hals te hangen, een ring met ingesneden magische -teekens of een stuk perkament met wonderkrachtige spreuken beschreven, -in leer genaaid. Ik zorgde voor zulk een amulet en hing het den zieke -om den hals. Hij lag in een lichten sluimer en lette er niet op. Weldra -echter kwam een zijner vrienden hem een bezoek brengen. Toen deze het -amulet op de borst van Pericles zag, nam hij het weg en wierp het ter -zijde. Pericles ontwaakte uit zijn sluimer; toen zeide zijn vriend tot -hem, zooals mij een slaaf verhaalde, die juist in het vertrek was: „De -vrouwen hebben u een amulet om den hals gehangen; ik ben een verlicht -man en heb het ding weggenomen!”—„Het is goed,” hernam Pericles, „maar -ik zou u voor een nog verlichter man gehouden hebben, wanneer gij het -hadt laten hangen.” - -„Dat was zeker een van die nieuwerwetsche beeldhouwers,” zeide -Elpinice. „Ik heb nooit veel van Pericles gehouden—hoe had ik ook met -den tegenstander van mijn voortreffelijken en onvergelijkelijken -broeder op kunnen hebben? Maar hij is mij bijna gehaat geworden, sedert -hij geheel en al een speel- en werktuig in de handen van Phidias, -Ictinus, Callicrates en al die menschen geworden is, die nu met hun -eerzuchtig streven zoo veel alarm maken en die iedere ware verdienste -op den achtergrond dringen. Weet ge wel, dat, terwijl al deze mannen -met beitel en troffel zich op de Acropolis zoo druk maken, de edele -Polygnotus, de voortreffelijke meester, dien mijn broeder Cimon zoo -hoog schatte, ledig moet loopen?” - -Elpinice gaf nog eenigen tijd lucht aan hare klachten, doch stond ten -laatste op, om te gaan. Telesippe deed haar uitgeleide tot aan het -Peristylium. Daar onderhielden de beide vrouwen, naar de gewoonte dier -kunne, die bij het afscheid nemen moeilijk het laatste woord kan -vinden, zich nog een geruimen tijd bij de deur over het groote nieuws -van den dag. - -Plotseling ging de voordeur open en een jongeling trad het huis binnen. - -De jonkman was van eene in ’t oog loopende schoonheid. - -De beide vrouwen hadden zich bij het gezicht van een vreemden man, -volgens de strenge Attische zeden, moeten verwijderen. Maar zij waren -als aan den grond genageld. - -En was het dan wel een man, was het niet een baardelooze jongeling, -dien zij zagen? - -Ook had deze, vóór Telesippe goed kon nadenken, zich even bescheiden -als innemend tot haar gewend met de vraag, of Pericles thuis was en het -hem gelegen kwam het bezoek van een vreemdeling te ontvangen. - -„Mijn man is uit,” antwoordde Telesippe. - -„Heb ik het genoegen zijne echtgenoote, de vrouw des huizes, te mogen -zien?” zeide de jongeling. „Ik ben,” vervolgde hij, de harde namen met -opzet nog scherper uitsprekende, „Pasicompsus, de zoon van Execestides -uit—,” hij durfde niet zeggen, uit Milete, want een enkele oogopslag op -de beide vrouwen, in wier handen hij gevallen was, deed hem gevoelen, -dat hij met het noemen van het lichtzinnige Milete hier geen bijzonder -gunstigen indruk zou maken. Den minsten argwaan wekte hij zeker, -wanneer hij voorgaf uit het strenge, zedige Sparta te komen. - -„Ik ben,” zeide hij derhalve, „Pasicompsus, de zoon van Execestides uit -Sparta. Mijn grootvader Astramphychus was met den vader van Pericles -door banden van gastvriendschap verbonden. - -Toen Elpinice, de vriendin der Spartanen, hoorde dat de jongeling uit -Sparta kwam, was zij in de wolken. - -„Welkom, vreemdeling,” zeide ze, „wanneer gij uit het land, der goede, -oude zeden komt. Wie is toch uwe moeder geweest, dat gij, een telg van -het ruwe Sparta, zoo schoon gelokt en van eene zoo ranke en slanke -gestalte zijt?” - -„Ik sloeg uit den aard,” hernam de jongeling. „Men heeft mij ginds te -Sparta steeds voor eene vrouw gehouden. En toch heb ik nooit voor -iemand gebeefd, die met mij wilde vechten. Ik heb menigeen voor mij in -het stof doen bijten. Maar dat hielp niet. Zij hielden mij toch steeds -voor eene vrouw. Daar kreeg ik genoeg van, en, om de spotters te -ontwijken, besloot ik in den vreemde te gaan en niet eerder naar het -ruwe Sparta terug te keeren, voordat ik een baard en een knevel zou -gekregen hebben. Vooreerst denk ik mij hier te Athene aan de schoone -kunsten, die hier bloeien, te wijden.” - -„Ik zal u bij den voortreffelijken meester Polygnotus aanbevelen,” -zeide Elpinice. „Ik hoop toch, dat gij een schilder zijt en niet een -van die steenhouwers, welke hier te lande zoo talrijk en overmoedig -zijn.” - -„Zeker heb ik nooit geleerd steenen te houwen,” hernam de jongeling; -„maar van het kleurenmengen geloof ik iets te verstaan, zoo goed als -iemand van ons geslacht; hoewel ik die kunst niet behoef uit te -oefenen, om mijn kost te winnen, want ik leef, den Goden zij dank, van -mijne eigen middelen—” - -„En hoe bevalt u Athene?” ging Elpinice voort, „en hoe bevallen u zijne -bewoners?” - -„Zij zouden mij best bevallen,” zeide de jongeling, „wanneer zij allen -zoo eerwaardig en beminnelijk waren, als die, welke de goden mij zoo -spoedig na mijne aankomst in dit huis deden ontmoeten.” - -„Jongeling!” riep Elpinice verrukt uit, „gij doet uw land eer aan! Ach, -dat onze Atheensche jeugd ook zoo wellevend en bescheiden was! O, -gelukkig Sparta! Gelukkige Spartaansche moeders en vrouwen en maagden!” - -„Is het waar,” vroeg nu Telesippe, „dat de Spartaansche vrouwen de -schoonste van geheel Hellas zijn? Dat heb ik dikwijls hooren -verzekeren.” - -De jonge man scheen door deze vraag onaangenaam gestemd te worden. -Zijne neusvleugels bewogen zich licht, en zijne lippen trilden een -weinig, toen hij minachtend zeide: - -„Wanneer forsche gestalte hetzelfde is als vrouwelijke schoonheid, dan -zijn de Spartaansche vrouwen de schoonste.—Maar wanneer fijnheid en -adel van vormen beslist,” voegde hij er na eene kleine pauze bij, -terwijl hij met een innemend lachje zijn blik over de gestalte en het -gelaat van Elpinice liet weiden, „dan is het billijk den prijs der -schoonheid aan de Atheensche vrouwen toe te kennen.” - -„Jongeling uit Sparta,” zeide Elpinice, „gij spreekt als de meester -Polygnotus sprak, toen hij met mijn broeder Cimon van Thasos hierheen -kwam; en mij verzocht of hij voor de schoonste dochter van Priamus op -de schilderij, waarmede hij de bonte galerij wilde versieren, mijne -trekken mocht bezigen. Ik zat vijftien dagen voor hem in de bonte -galerij, en hij schilderde mij trek voor trek.” - -„Zijt gij Elpinice, de zuster van Cimon?” riep de jonge man uit met -levendige gebaren van verbazing. „Wees gegroet! Van u en uw broeder -Cimon, den vriend der Laconiërs, vertelde mij telkens mijn grootvader -Astramphychus te Sparta, toen ik nog als een knaap op zijne knie -speelde. En juist, zooals hij u schilderde, staat gij nu voor mij! En -thans herinner ik mij de schoonste van Priamus’ dochteren op de -schilderij van Polygnotus. Gisteren heb ik ze gezien, toen ik door de -bonte galerij ging, en ik weet niet of ik meer de schilderij van -Polygnotus moet geluk wenschen, dat zij zoo op u gelijkt, dan u, dat -gij zoo gelijkt op de afbeelding van Priamus’ dochter!” - -De zuster van Cimon stond daar, met opgerichten hoofde, in al hare -waardigheid. Doch een traan welde op in haar oog en zij moest hem -wegpinken. Haar hart was ontroerd. Zooals deze jonge Spartaan tot haar -sprak, had in geen dertig jaren een jongeling uit haar eigen vaderland -tot haar gesproken. Zij had geheel Sparta, zij had alle Spartanen -willen omhelzen en zij mocht niet eens dezen eenen, die voor haar -stond, naar den drang haars harten, in de armen sluiten! Maar zij -beloonde hem met een teederen blik. - -„Amycle,” zeide de echtgenoote van Pericles, tot eene vrouw, die om -eenige huiselijke bezigheid in het peristylium kwam, „hier kunt ge een -landsman begroeten: deze jonge man komt uit Sparta.” - -Daarop wendde zij zich tot den jongeling met deze woorden: „Deze vrouw -was de min van den kleinen Alcibiades, dien mijn echtgenoot als -bloedverwant en vaderloozen zoon van Clinias, in huis heeft genomen. De -gezonde en krachtige Laconische vrouwen zijn als voedsters overal -gezocht. Wij hebben Amycle lief gekregen en thans dient zij bij ons als -huishoudster.” - -De jonge man beantwoordde den korten groet, waarmede de ruwe, -roodwangige vrouw in den breeden tongval van haar land hem begroette, -met een spottend lachje, terwijl de min van haar kant met blikken van -twijfel en argwaan de fijne weekelijke, ja, bijna weelderige vormen van -haar zoogenaamden landsman beschouwde. - -„Zulke forsche, krachtige gestalten,” zeide Telesippe, de huishoudster, -die zich verwijderde, nastarende, „worden uwe Laconische vrouwen.” - -„Hadden zij niet den vollen boezem,” zeide de jongeling, „dan zou men -ze voor zakkendragers houden. Nu kunt ge, in zooverre het geoorloofd is -van de minnen op de jonge meisjes te besluiten, de Spartaansche meisjes -u voorstellen, die loopen, worstelen, springen, zich in het werpen met -den discus [151] en de speer oefenen en met de jongelingen zich in den -wedloop meten. Zij zijn forsch en stout en dragen haar rokje kort, ter -nauwernood tot aan de knie en dan nog met een split.” - -Zonder door de vrouwen bemerkt te worden, was Alcibiades het -Peristylium binnen geslopen, had den vreemden, schoonen jongeling -nauwkeurig aangekeken en zijne laatste woorden opgevangen. - -„Maar hoe worden de Spartaansche jongens opvoed?” vroeg hij; terwijl -hij plotseling achter eene zuil te voorschijn kwam en met zijne -prachtige donkere oogen den vreemdeling strak aankeek. - -Deze was verrast door de plotselinge verschijning van den schoonen -knaap. - -„Dat is nu de kleine Alcibiades, de zoon van Clinias,” zeide Telesippe. - -„Alcibiades,” vervolgde zij, zich tot den knaap wendende, „doe uw -opvoeder geen schande aan door onbescheiden te zijn. Het is een -Spartaansch jongeling die daar voor u staat.” - -De vreemde boog zich neer naar den knaap, om hem een kus op het -voorhoofd te geven. - -„Zonder schoenen,” zeide hij daarop tot hem, „loopen de jongens in -Sparta, zij slapen op stroo of riet, mogen nooit volop eten, worden -jaarlijks voor het altaar van Artimis [152] tot op het bloed toe -gegeeseld, om gehard te worden tegen pijn, krijgen onderricht in alle -soort van gymnastiek, in het gebruik der wapenen, in krijgsdansen en in -de kunst van te stelen, zonder betrapt te worden; van den anderen kant -behoeven zij de letters niet te leeren en het is hun uitdrukkelijk -verboden, zich meer dan eens of twee maal in ’t jaar te baden en te -zalven.” - -„Bah,” riep de kleine Alcibiades. - -„Overigens,” vervolgde de vreemdeling, „zijn zij in klassen verdeeld en -de jongeren hebben ouderen tot vrienden, van wie zij allerlei goeds -zoeken te leeren, wier goedkeuring zij trachten te verwerven en die zij -met hart en ziel zijn toegedaan.” - -„Als ik een Spartaansche jongen was en zulk een vriend moest kiezen,” -sprak de knaap met fonkelende oogen, „dan zou ik u kiezen.” - -De jongeling lachte en boog zich andermaal naar den knaap, om hem een -zoen te geven. - -Op dat oogenblik vertoonde zich in de trekken van Elpinice, die tot -dusverre kalm, dicht nevens den jongen man had gestaan, plotseling eene -geweldige ontroering. ’t Was alsof eene huivering hare leden -doortrilde. Haastig trok zij Telesippe ter zijde en fluisterde haar -zacht in het oor: - -„Telesippe, deze jonge man—” - -„Welnu?” vroeg zij even zacht. - -„O Zeus en Apollo!” zuchtte de zuster van Cimon met gesmoorde stem. - -„Wat is er dan toch?” vroeg Telesippe in spanning. - -Wederom boog zich Elpinice naar het oor harer vriendin. - -„Telesippe,” fluisterde zij, „ik zag straks—” - -„Wat zaagt gij?” vroeg Pericles’ vrouw beangst. - -„Toen de vreemdeling zich naar den knaap vooroverboog en de boord van -den chiton aan zijn borst een weinig openging, toen zag ik”—en weder -stokte hare stem van ontroering in de keel. - -„Wat hebt ge gezien?” vroeg nogmaals Telesippe. - -„Eene vrouw!” bracht Elpinice er met moeite uit. - -„Eene vrouw?” - -„Ja, eene vrouw!—Het is de Milesische. Zend den jongen weg en laat het -overige aan mij over.” - -Telesippe beval den knaap naar zijne makkers terug te keeren. Hij wilde -echter niet; hij wilde liever bij zijn „vriend” blijven. Telesippe -moest Amycle roepen om den weerbarstigen jongen weg te brengen. - -Toen dit geschied was, wierp Elpinice haar vriendin een veel -beteekenenden blik toe, richtte zich fier en streng op, trad op den -vreemdeling toe en keek hem een tijdlang met doordringend oog aan. - -De vreemdeling trachtte in het begin den blik van Cimon’s zuster uit te -houden. - -Maar die blik was haar te doordringend, evenals die van den -gerechtsdienaar welke met doorborenden blik den betrapten misdadiger -aanstaart. Onwillekeurig poogde zij, harer schuld zich bewust, zich aan -dien vreeselijken oogopslag te onttrekken.—Thans eerst nu Elpinice haar -met hare oogen had overwonnen, verbrak zij het noodlottig zwijgen en -zeide op snijdenden toon: - -„Spartaansche jongeling, eet gij gaarne gebraden pauwen? Pericles zal -er heden een op zijne tafel hebben. Zoudt gij zijn gast niet willen -zijn?” - -„Ja,” sprak nu Telesippe en op haar gelaat stond, zoo mogelijk, nog -meer verachting en hoon te lezen dan op dat van Elpinice; „Ja, het is -een pauw van Pyrilampes! Een pauw, dien Pericles gisteren gekocht -heeft. Hij wilde hem aan eene Ionische boeleerster ten geschenke geven, -doch nu vindt hij het beter hem gebraden te eten”. - -„Knaap,” riep Elpinice van den anderen kant, „is het waar dat uwe -landgenooten aan den Eurotas beweren dat gij eene vrouw zijt? Bedenk, -dat ook te Athene menschen zijn, die beweren, dat gij geen man zijt, -maar—eene hetaere van Milete!” - -„Ellendige!” riep nu weder Telesippe, ziedende van toorn, en zich zelve -niet meer meester, „is het u niet genoeg, dat gij de mannen buitenshuis -in uwe netten lokt? Moet ge zelfs tot in het heiligdom van den -huiselijken haard binnendringen? Hebt ge geen ontzag voor de -godenbeelden van dit huis, die met gramstorige blikken neerzien op -haar, die den heiligen, huiselijken haard verstoort en ontwijdt?—Ga -gezalfd en opgesierd voor de deur van uw eigen huis staan en trek de -voorbijgangers bij hun gewaad naar binnen!—Hoe? Waagt ge het nog mij -aan te zien? Gaat ge nog niet weg?” - -„Roep Amycle hier,” zeide Cimon’s zuster tot hare opstuivende vriendin, -„om met hare echte Laconische vuisten dezen onechten landgenoot, deze -wellustige Milesische hetaere de deur uit te werpen.” - -„Vooraf,” riep Telesippe, die, nadat haar kalm karakter eens opgewekt -was, al heftiger en heftiger werd, „vooraf zal ik met deze vingers haar -de oogen uit het gezicht krabben—en haar dat geleende, valsche gewaad -van het lichaam scheuren.” - -Op deze wijze tierden en raasden de beide vrouwen, deze links en gene -rechts van de verkleede en ontmaskerde Milesische en hare woede ging -alle perken te buiten. - -Deze echter liet den eersten en heftigsten vloed van smaadwoorden -uitvloeden, totdat de razende vrouwen, verbluft over de rustige kalmte -van de zwaar beleedigde, een oogenblik verstomden. - -Toen echter nam zij het woord en sprak: - -„Hebt gij nu uwe scherpste, uwe in gift gedoopte pijlen afgeschoten? Ik -heb dien dichten hagel van schimpschoten rustig over mij heen laten -gaan, want ik had mij nu eenmaal in het gevaar begeven, ik waagde mij -in de nabijheid van die toornige huisgoden en ik heb, ofschoon ge mij -ondanks mijn gewaad hebt herkend, toch zooveel mannelijks in mij, om -mij in ’t onvermijdelijke te schikken. Maar ook gij, meesteres van dit -huis, Telesippe en gij, eerwaardige Elpinice, zult het begrijpen en -dulden, dat ik op zooveel smaadwoorden, zij ’t ook op een toon, die -niets gemeen heeft met den uwen, iets zal antwoorden.—Wat is het dan -Telesippe, wettige gade van den grooten Pericles, waarom gij mij zoo -harde woorden toevoegt en met smaad en schimp overlaadt? Zeg, wat heb -ik u ontroofd? Uwe huisgoden? Uwe kinderen? Uw onbesproken naam? Den -roep uwer deugden? Uw geld? Uwe kostbaarheden? Uwe zalf en -blanketdoozen? Niets van dat alles. Slechts eene kleinigheid kan ik -schijnen u ontnomen te hebben: dat wat u het onbeduidendst van alles -was, wat gij zelve hebt prijs gegeven, wat gij eigenlijk nooit -waarachtig hebt bezeten, waar gij nooit ernstig u op toegelegd hebt om -het te verwerven en te behouden: de liefde van uw man! En wanneer het -nu eens werkelijk zoo was, wanneer uw echtgenoot mij lief had en niet -u, zou dat dan mijne schuld zijn? Neen! Het zou de uwe zijn. Ben ik -naar Athene gekomen om de Atheners te dwingen hunne vrouwen lief te -hebben? Beter past het en gemakkelijker valt het mij, de Atheensche -vrouwen te leeren, hoe zij het moeten aanleggen, om door hare mannen -bemind te worden. Gij Atheensche vrouwen, kinderbarende slavinnen, -verstaat niet de kunst het hart eens mans te onderwerpen en gij wordt -boos op ons, Ionische vrouwen, omdat wij ze wel verstaan. Is het dan -een misdaad haar te kennen? Neen, het is een misdaad ze niet te -verstaan. Wat beteekent het bemind te worden? Het beteekent behagen. -Wilt ge bemind worden, weet te behagen. Daar baat geen echtband, geen -dure eed, geen beroep op goddelijke en menschelijke rechten, daar geldt -alleen deze wet: weet te behagen!—En wanneer behaagt de vrouw? Boven -alles als zij het wil. En waarmede moet zij trachten te behagen? Met -alles wat behagelijk is. Niet lang wordt de man geboeid, wanneer zij -alleen de zinnen streelt, niet lang wanneer zij slechts de -verbeeldingskracht betoovert, of den geest bekoort of het gemoed -roert—dat alles moet zij weten te vereenigen, in één woord, zij moet -beminnelijk zijn.—Maar om de zegepraal der beminnelijkheid volledig te -maken en te zekerder hartstocht op te wekken, moet zij haar eigen -liefde met meer zorg trachten te verbergen dan te openbaren. Verkoelend -werkt te groote gloed der vrouw op den vurigen man, afstootend op den -onverschilligen. Ze begint met den man ijdel te maken en eindigt met -hem te vervelen. De verveling des mans echter is het zekere graf van -het huwelijksgeluk en van de vrouwelijke heerschappij. Minnekoozen of -knorren, schertsen of vloeken mag de man, om ’t even, alleen geeuwen, -geeuwen mag hij nooit.—Gij, o Telesippe, deedt te weinig en te veel: te -weinig, want ge boodt uw man alleen uw lichaam en uwe trouw; te veel, -want gij boodt hem, wat ge te geven hadt, als zijn eten op een bord! De -vrouw moet echter geen eten op een bord zijn, noch een meubel in huis, -noch eene slavin, zelfs niet de „echtgenoote,” zooals men het noemt, -want Hymen [153] is de verraderlijke vijand van Eros. Dagelijks op -nieuw moet zij hare gunst doen verwerven en de zeldzame kunst verstaan, -des avonds als bruid zijn leger te beklimmen en ’s morgens als maagd -weder op te staan! Dat zijn de regels van die kunst: volg die op, als -ge wilt en kunt. Zoo niet, doe dan afstand van datgene, wat door deze -kunst wordt verkregen, en gun zonder jaloezie aan anderen hare vruchten -in te oogsten!” - -Zoo sprak Aspasia. - -Trotsch echter zag de vrouw van Pericles op haar neer en vertrok haar -mond in een verachtelijken plooi. - -„Behoud de wijsheid uwer boeleerkunst voor u zelve,” zeide zij, „gij -zult ze noodig hebben. Gij behoeft mij niet te leeren, hoe men de -liefde en hoogachting van een man moet zoeken te winnen, mij, die de -Archon Basileus tot vrouw wilde hebben. Wat meent gij toch met uwe -kunsten te zullen bereiken, gij de vreemdelinge, de boeleerster? Gij -kunt mijn echtgenoot door uwe aanloksels verleiden, maar zijn huis, -zijn haard blijft gij vreemd. En zelfs, wanneer hij mij verstiet, kunt -ge toch zijne wettige gade nooit worden, gij kunt hem geen wettigen -erfgenaam baren, want gij zijt eene vreemdelinge, gij zijt geen -Atheensche burgeres! Of mijn man naar mij, door vurige liefde gedreven -smacht of niet, om ’t even, ik heersch hier aan zijn huiselijken haard; -ik ben de meesteres des huizes. Ik zeg u: „ga!” en gij moet -gehoorzamen.” - -„Ik gehoorzaam en ga,” hernam Aspasia—„Wij hebben eerlijk gedeeld,” -voegde zij er scherp bij. „U zijn huis en haard, mij zijn hart!—Laat -ieder het hare behouden!—Vaarwel, Telesippe.” - -Met deze woorden verwijderde zich Aspasia. - -Telesippe en Elpinice waren weder alleen. Elpinice billijkte de -fierheid harer vriendin en prees het antwoord, dat zij de vreemdelinge -had gegeven. - -Na een lang gesprek ging ook Elpinice heen, terwijl de vrouw van -Pericles aan hare huiselijke bezigheden ging. - -De kleine Alcibiades sprak den heelen dag veel over zijn „Spartaanschen -vriend”, tot ergernis van de eerlijke Amycle, die het hoofd schudde en -zeide: - -„Die knaap heeft nooit door den Eurotas gezwommen.” - -Telesippe verbood beiden een woord van dien vreemdeling te reppen in -tegenwoordigheid van Pericles. - -De dag ging voorbij, het etensuur was gekomen. - -Pericles was in huis teruggekeerd en zette zich met de zijnen aan -tafel. - -Hij at van de spijzen, die opgedragen werden, beantwoordde de vragen -van den kleinen Alcibiades en der beide andere jongens en sprak soms -ook een woord tot Telesippe, die echter in een half somber, half -hoonend stilzwijgen verzonken bleef. - -Pericles zag de menschen om zich heen gaarne opgeruimd. - -Het strakke, norsche gelaat zijner vrouw maakte hem ongerust. - -Nu werd een nieuw gerecht opgedragen. Het was de gebraden pauw. - -„Wat is dat?” vroeg hij. - -„Dat is de pauw,” antwoordde Telesippe, „die hedenmorgen op uw last -hier is gebracht.” - -Pericles zweeg stil. Na eenige oogenblikken, waarin hij zich den -samenloop der omstandigheden zocht helder te maken, vroeg hij op een -toon, die voor den heldhaftigen man vrij benauwd klonk: - -„Wie zeide u, dat ik den vogel gebraden wilde hebben?” - -„Wat anders?” hernam Telesippe. „Om een zoo groot dier te houden en -vrij te laten rondloopen, is onze hoenderhof veel te klein. Ik dacht -dus, dat gij den pauw op de markt gekocht hadt, om hem vandaag op tafel -te hebben. En waarom niet? Hij is smakelijk en lekker gebraden. Proef -maar eens!” - -Daarop leide ze een mooi, bruin gebraden stuk op het bord van haar -echtgenoot. - -Pericles, dien men den Olympiër noemde, Pericles, de met zege gekroonde -veldheer, de machtige redenaar, de bestuurder van Athene’s lot, die met -waardige standvastigheid de opgeruide schare der Atheners, evenals de -legerbenden der aanrukkende vijanden op het slagveld onder de oogen -durfde zien—hij sloeg de oogen neer voor het stukje pauw, dat zijn -wettige echtgenoote op zijn bord legde. - -Maar weldra wist hij zichzelven te beheerschen. Hij stond op met de -verontschuldiging, dat hij verzadigd was en zich in zijne vertrekken -wilde begeven. - -Op dit oogenblik vroeg de kleine Alcibiades: - -„Hebben de zwanen in den Eurotas ook zulke prachtige veeren als deze -pauw?” - -En zonder het antwoord af te wachten, vervolgde hij: - -„Amycle is eene oude zottin, wanneer zij beweert, dat mijn Spartaansche -vriend nooit door den Eurotas heeft gezwommen.” - -Toen Pericles van een Spartaanschen vriend hoorde spreken, zag hij -eerst den knaap en vervolgens Telesippe met een vragenden blik aan. - -„Van welken Spartaanschen vriend spreekt ge?” vroeg hij eindelijk. - -Noch de knaap, noch Telesippe gaf hem antwoord. - -Pericles verliet de eetzaal. Telesippe volgde hem. - -Op den drempel der binnenvertrekken zeide zij zacht, doch op scherpen -toon tot haar man: - -„Verbied uwe Milesische boeleerster u hier in uw huis op te zoeken, -opdat zij ook niet de knapen moge verleiden. Geef haar uw hart, aan die -boeleerster, o Pericles, als gij wilt; maar uw huis, uw haard zal zij -niet ontwijden. Volg haar, waarheen gij wilt; hier echter in dit huis, -aan dezen haard, handhaaf ik mijn recht. Hier ben ik meesteres, ik -alleen.” - -Diep werd Pericles getroffen door den toon dezer woorden. Het was niet -de stem van een gekrenkt vrouwenhart, het was de beleedigde koele trots -van de meesteres van het huis, de wettige gade. - -Koel beantwoordde hij den koelen blik van den spreekster en zeide kalm: - -„Het zij zooals gij zegt, Telesippe!” - -Denzelfden dag nog kwam er een vreemde slaaf tot Pericles met eene -schriftelijke boodschap. - -Pericles opende het briefje en las de volgende regels van Aspasia’s -hand: - -„Ik heb het huis van Hipponicus verlaten. Veel heb ik u te vertellen. -Bezoek mij, als ge kunt, in het huis van de Milesische Agariste.” - -Pericles antwoordde als volgt: - -„Kom morgen op het buitengoed van den dichter Sophocles aan den -Cephissus-oever. Daar zult gij mij vinden. Kom verkleed of laat u in uw -gewone gewaad in een draagstoel daarheen brengen.” - - - - - - - -VI. - -IN HET CEPHISSUS-DAL. - - -Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een -weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de -tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie [154] zijn weg -vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad -aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde -Cephissus-dal. - -Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een -ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een -groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom -zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der -smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook -taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men -niets dan een groen tapijt zag. - -Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de -kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend -witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in -de rozen- en laurierboschjes zich verschuilend. - -Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den -niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel -Colonos. - -Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het -olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van -den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem eene bekoorlijke -landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog -gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die -bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde -strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze -toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, -maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, -waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant -uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, -en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin -de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden. - -In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden -Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen -omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en -rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook -de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen -van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar -het andere voerende, omzoomden dezen tuin. - -Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de -donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke -woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen -wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde -woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en -boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich -voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde. - -Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig -was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen -crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde -jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, -maar talloos bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen -bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters -prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen -verfrischt door den reinsten hemeldauw. - -Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de -namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is -het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit -weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den -Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was -zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke -wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke -boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade [155] uit de wateren -van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in -de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met -bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden -[156] hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene -ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van -den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar -ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus. - -Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was -niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der -Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die -hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en -Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde -hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit -het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen -den eeuwigen slaap. - -Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem -verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker -oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen -griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het -stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze -hem niet ten volle bevredigde. - -Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig -man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen. - -„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar -schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?” - -Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den -liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den -ingang van den tuin. - -Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide -hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en -alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit -Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen -doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en -weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.” - -„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles -verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik -u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de -rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u -ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder -en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat -het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en -vliegende manen naar buiten naar de weide rent...” [157] - -„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. -„Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend -in de morgenkoelte op mij werkten.” - -„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” -zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?” - -„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk -als eene Laconische,” hernam Pericles. - -„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te -benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach. - -„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is -onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze -dan van eene Charis heeft.” - -„Wellicht is zij voor u eene Parce [158],” zeide Sophocles, „zij kan u -goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.” - -„Waarom ook niet Lamia [159] en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware -het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze -zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe [160] te -rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”— - -„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles -voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, -„ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige -ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en -haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”— - -„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, -om te beminnen. Op den heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf -niets anders doen dan beminnen.” - -„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte -Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij -ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men -vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille -myrthen- en rozengaarden te herbergen.”— - -„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het -heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend -uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men -met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat -over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne -willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het -goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van -Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der -liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot -de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de -Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde -overstelpen u met dichterlijke gedachten.” - -„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde -geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken -en te scheppen gedreven worden, weten dat.” - -Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei -hunner jaren. - -Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil. - -Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad. - -Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de -lommerrijke, geurige boschjes. - -Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het -himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders -glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke randen, het -krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het -hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de -kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de -hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, -die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder -bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier. - -Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van -verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het -Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare -verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom -bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren -van haag en bloemen verre overtrof. - -Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke -lanen en zeide: - -„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord -heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in -het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij -Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan -te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij -voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch -aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, -gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder -opschik schoon is.” - -„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide -Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer -tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. -Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder -hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich -een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer -hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten met den -lusthof der Hesperiden [161] of met den tuin van Phoebus aan de -uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en -Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten -minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der -Phaeken op het eiland Scheria.” - -„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait -in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en -laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden -en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan -verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne -stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne -weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij -opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in -den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, -in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch -niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het -liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest -gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, -dezer myrthen- en rozenpriëelen.” - -„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes -voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot -volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere -licht der wereld en des levens treden?” - -„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets -anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen, totdat men ontdekt, -dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen -hangen onder de schaduw der dichtste bladeren. En al mocht gij in -twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker -zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge -wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der -vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen -dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en -Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij -mede.” - -Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, -tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den -hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de -beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep de -oever niet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de -oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed -genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het -groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden -wandelen. - -De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte -het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de -vogels het liefelijkst, daar speelden als dartele geesten schaduw en -licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een -weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de -verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. -Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door -bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die -tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden. - -Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en -voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te -zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op -de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom -uitliep. Bonte, schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen -der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige -onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den -kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige -kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een -zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die -weelderig woekerend van den oever in het water afhingen. - -„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier -dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.” - -„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen -zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, -uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij -die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch -zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, -wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht -zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede -bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen -der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel -raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke -libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne -bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, -maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van -rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van -de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus -werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn -huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.” - -„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia. - -„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep -Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage -meldt, zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans -eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed -voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch -haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik -geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, -dien zij als een nieuwen Argus [162] beschouwde, haar door haar -geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen -de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene -vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!” - -Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal. - -„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, -de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de -gouden Aphrodite hebt gebruikt.”— - -„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de -toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, -dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, -evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, -zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede -behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, -dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te -kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene -bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde -in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een -onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik -werd door deze beide Harpyen [163] uitgescholden, met smaadwoorden -overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard -van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, -eene boeleerster, ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat -zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou -prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij -de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, -die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te -vallen?” - -„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche -vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij -eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis...” - -„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen -heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten... Hoe zonderling! Gij -maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot -slaven van die slavinnen.” - -„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend. - -„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht -beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”— - -„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; -„echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de -wet.”— - -„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk -alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat -de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”— - -„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar -tegen. - -„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt -niets.” - -„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn -vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede -brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele -staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.” - -„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige -Aspasia het beste en heerlijkste deel van den mensch, de rede, zou -kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het -ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen -leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te -kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de -Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich -op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moeten aangorden, -voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot -onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten -liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden -eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken -onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil -en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat -wij...”— - -„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat -wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe -verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen -kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan -we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het -algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, -Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de -uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld -te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van -het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.” - -„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, -„valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, -vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en -even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd -daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne Aspasia -dreigend met een brandhout te gemoet...” - -„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, -„en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de -aangelegenheden van minnenden te mengen. Ik word nu bespot en bijna met -verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo -onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu -mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid -overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe -zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den -geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En -wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche -laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar -dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en -de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus -[164] beluister...” - -„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis -spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia. - -„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een -slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte -van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.” - -„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles. - -„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich. - -Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud -terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds -aangeroerd hadden. - -Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval -is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar -een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden hunne -ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden -bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de -geurige lucht der weiden in met volle teugen, plukten hier en daar een -bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, -sappige vrucht van den boom. - -Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte -haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een -aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de -aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. -Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan -Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor -de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den -krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de -eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen -de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de -kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te -leiden. - -Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de -hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in -het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, -beiden trachtten toch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. -Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten -volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles -haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun -omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over -niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste -ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van -Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste -kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan -was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen de verwijten zijner vrienden -had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden -verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die -nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het -schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen -laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter -aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer -beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht -van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw -evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om -gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wist of hij haar dit -mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de -komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord. - -Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen -naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat -van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige -ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden -voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de -linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die -aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder -aanligbed een afzonderlijke. - -Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en -strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was -aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, -noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden -[165]. - -„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen -gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich -niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen -braden.” - -„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” -smeekte Sophocles. - -„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in -staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te -plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas -gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der -Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het -heiligste wat er bestaat, aan het schoone!” - -„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide -Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en -daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de -laatste.” - -„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik -niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de -overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand -de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart -der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van -morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht -der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik -de Haemon, de zoon van koning Creon [166] vrijwillig in den Hades [167] -doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen...” - -„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die -eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te -hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der -dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en -moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene -menschelijke ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen -alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke -hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde -bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij...” - -„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij -daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik -zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en -wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een -offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk -liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. -Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en -beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en -overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God -is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder -op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij -slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig -stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den -jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is -eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der -stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede -besturend in den raad der hoogste machten.” - -„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” -herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de -spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.” - -„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik -die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in -mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder -gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in -dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hier niet gaan, vóór ik den hymne -opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.” - -„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles. - -„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets -aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon -u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, -hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich -op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en -met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?” - -„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de -wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets -dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en -breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van -Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als -onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot -kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen -toehoorders meer hebt.”— - -„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam -Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.” - -Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers -terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen. - -Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen -ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den -vuursteen. - -En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door -den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van -Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha [168] en daaronder -ook iets nieuws van eigen vinding. - -Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt: - - - „Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik? - Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot - Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming: - Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!” - - -Bezield antwoordde Aspasia: - - - „Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt - ons - Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde! - Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan - Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het - morgen!” - - -Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter: - - - „Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite - Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang! - Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten - In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?” - - -Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia: - - - „Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de - heupen - Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd. - Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig, - Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!” - - -„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan -Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter. - -„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem -vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de -schoone Philaenion zingen.” - -„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij -moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men -verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde -gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk -oord hebben verjaagd.” - -„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam -Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.” - -En hij zong: - - - „Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker - Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds. - Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij; - Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach. - Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris - Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!” - - -„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend -knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met -de woorden: - -„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”. - -„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een -loflied op de schoonste: - - - „Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen - Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem, - Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’ - Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.” [169] - - -„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der -dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.” - -Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog -veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis -aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische [170] en -Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van -de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in -verbazing ten laatste uitriep: - -„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe -prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?” - -„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de -geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.” - -„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult -gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en -Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet -behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.” - -„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van -Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het -genoegen ze te hooren met een ander moest deelen, ze niet half zoo lang -zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner -ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik -Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en -zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die -gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, -waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend -paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo -verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet -verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van -hem ten deel viel.” - -Met deze woorden verwijderde zich de dichter. - -Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren -zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion. - -Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen -alleen aan zich zelven overgelaten. - -Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en -het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten -zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien -zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in -geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den -geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, -in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.— - -De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen -kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. -Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep -op de takken hooren. - -In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, -zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men -zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder -ritselende boomen, de levensgeesten niet weten of het eene zoete -afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning -hunner veerkracht. - -De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop -zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige -twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk -paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te -beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden. - -Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta -ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun -vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal -der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten. - -Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn -en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij -niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar -haar verhaal. - -Eindelijk kwam zij aan het woord: - -„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een -lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt -het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van -welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. -Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien -ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles -te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t -geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest -beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij -is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die -hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de -ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het -levenslicht heeft aanschouwd. - -„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik ooit weder met een man in -zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene -verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij -telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde -jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren. - -„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd -ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. -Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens -vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste -grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet -niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een -jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen -des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging. - -„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, -lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het -licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en -cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van -zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem -betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het -oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne -lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig -sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen -verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede -deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in -uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van -welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met -gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren -beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld der poëzie, -der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en -bezield, toen hij ze nog eens met het kind genoot. Hij zeide, dat hij -tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen -verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen. - -„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje -van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. -Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de -Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met -verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen. - -„En toch was ik niet gelukkig. - -„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk -geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook -omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend. - -„Ik miste iets. - -„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, -ik verachtte hen. - -„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren -in de wijde wereld. - -„Toen zag mij een Perzisch satraap [171] en aanstonds vatte hij het -plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis [172] te -voeren, naar den grooten koning [173]. Mijne dwaze meisjesziel werd -ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis [174], die den koning van Aegypte, aan -mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot -echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de -machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle -mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en -geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor -mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te -Persepolis aangekomen, werd ik rijkelijk opgesierd en toen naar den -koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van -deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend -uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij -met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de -hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten -wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. -Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij -spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der -Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid -der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor -mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in -zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. -De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven -gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen -doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het -Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den -beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering -overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde -beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas. - -„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het -Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van -eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder -begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van -Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een -koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. -Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, -waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin -aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde -scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in -zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik -nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de -voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat -hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn -opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene -gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. -Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning -zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef -en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te -verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De -vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de -jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, -terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil -geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd -aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd -door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de -gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en -verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide -mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te -houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de -pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in -Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, -losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het -machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische -afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden -meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij -schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich -van hen meester maakt; want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun -heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de -gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en -vriendelijkheid is uitgespreid. - -„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men -mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn -goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het -huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op -straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet. - -„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene -Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik -weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, -toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom -mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, -achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor -mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, -opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van -verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord -tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij -bij de armen en het gewaad. - -„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg -langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, -door slaven gevolgd. - -„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de -vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen -stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen -reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span -mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en -onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.” - -„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in -strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt -wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.” - -„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara -aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.” - -„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan -Hipponicus?” - -„Dezelfde,” antwoordde Aspasia. - -„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische -karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara -leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop -ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is -van de verzoening en de harmonie der uitersten.” - -„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het -toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die -plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen -geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”— - -„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof -van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, -waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen -Alcamenes...” - -„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van -Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te -geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te -hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester -Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den -waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen -vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nog -ontbrak mij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien -ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou aarzelen toe te vertrouwen. -Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de -echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader -gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.” - -„En waar was dat?” vroeg Pericles. - -„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam -Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden -blik aan de borst van den geliefden man. - -Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna -sprak hij: - -„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht -nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar -nooit tegen had gedrukt!”— - -Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles. - -De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen -hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, -lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen -glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus [175] spreidde zijn -glans uit aan den hemel. - -Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit -te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk -versierde tuinhuis. - -„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik -van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u -niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?” - -Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit -Philaenion lachend te voorschijn trad. - -Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar -van een betooverende, evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van -leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de -zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste -haar in krullende lokken. - -Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne -bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk -schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er -aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn [176] onder -opgeruimden, geestigen kout en gelach. - -Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den -onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.” - -In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel -der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van -hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.— - -Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied -als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang -met de bekoorlijkste, innemendste dansen. - -Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen? - -Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden. - -Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, -om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de -scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in -de duisternis. - -En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan -in dien nacht. - -„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een -blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den -reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen: - - - „God der liefde, nooit bedwongen, - Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, - Waar uw pijl is ingedrongen, - Voor uw almagt buigen doet; - Die uw zetel hebt gekozen - Op het liefelijk gelaat - Van de teedre maagd, wier bloozen - Wat haar harte wenscht verraadt!” [177] - - -Zij zingen allen: - - - „Alle wezens kunt gij dwingen, - Land en zee is uw gebied; - ’t Broos geslacht der stervelingen, - De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet. - Ach, met onbegrensd vermogen - Heerscht de teedre, zwakke maagd, - Als de gloed der schitterende oogen - Zoete drift in ’t harte jaagt, - Onverwinbaar neemt de min - Spelend aller zielen in.”— — - - - - - - - -VII - -DE DISCUS-WORP. - - -Sedert het prachtige gebouw, dat door Pericles voor muzikale -uitvoeringen was bestemd, met een wedstrijd van toonkunstenaars -ingewijd en geopend was, stroomden de Atheners onophoudelijk naar den -zuidelijken voet van de Acropolis, om het eigenaardige gebouw, met zijn -kegelvormig dak, uit de masten van buitgemaakte Perzische schepen -vervaardigd, te bewonderen. - -Maar weldra volgde op de voltooiing van het Odeon die van het Lyceüm -[178] en evenals vroeger naar het eerste, zoo vloeide de schare der -Atheners ook oostwaarts naar den Ilissus, om de nieuwe prachtige -worstelschool, die haar wedergade niet had, te bezichtigen. - -Ofschoon nog nieuw, zijn de wanden en zuilen toch reeds hier en daar -met vleiende opschriften bekrast, die den lof van den een of anderen -knaap verkondigen. Want niet de scheppende beeldhouwers alleen, voor -wie de welgemaakte gestalte der jongelingen, die bij de vele -lichaamsoefeningen zich hier onbedekt vertoonde, eene onmisbare school -is voor het natuurlijke en schoone in hunne scheppingen, ook de -kunstliefhebbers komen hier, om aan het gezicht van zuiver ontwikkelde -jeugdige kracht hun hart op te halen. Met hun vurigen kennersblik -wedijvert het oog van liefhebbende en eerzuchtige vader, die met fieren -trots de oefeningen en wedstrijden hunner zonen volgen en hunne -krachtsinspanning en ijver met levendige gebaren, met luide kreten -aansporen. Overigens zijn er nog dweepende liefhebbers der gymnastische -kunsten, voor wie zoo’n schouwspel eene verkwikking is en die, met -hunne stramme ledematen, als verjongd door het vuur, de bewegingen en -oefeningen der jeugd in hun geest de vertoonde toeren medemaken. Ja -zelfs tot op zulk eene hoogte stijgt bij deze hartstochtelijke -liefhebbers hun ingeschapen lust, dat zij zich niet tevreden stellen -met als ledige toeschouwers dagen lang in het Lyceüm en de Palaestren -[179] zich op te houden, maar onmiddellijk, wanneer de geest hen -drijft, zich onder de jongelingen begeven, om aan hunne oefeningen deel -te nemen of een hunner tijdgenooten tot een kleinen worstelstrijd in -het gymnasium uit te dagen. „Hei daar Charisius,” luidt het, „willen -wij het eens tegen elkaar opnemen, zooals we zoo dikwijls in onzen -gelukkigen ephebentijd [180] plachten te doen? Wat jonge Herculessen -waren wij toch in vergelijking met de hedendaagsche jongens!” Zoo -klinkt het, en de beide mannen herinneren zich de dagen hunner -bloeiende jeugd en vatten elkaar aan en worstelen naar de nog niet -verleerde regels der kunst ten aanschouwe van een menigte, die hen -aanmoedigt. - -Maar niet alleen voor lichamelijke oefeningen dient deze plaats: het is -eene reusachtige gezelschapszaal. Ja zelfs zoozeer is dit het geval, -dat alle eigenlijke worstelperken op de zuidzijde van het Peristylium -achter de dubbele zuilenrij zich bevinden, terwijl de drie overige -gangen, alsook de lanen, die aan de worstelschool grenzen, uitsluitend -aan het gezellig verkeer der Atheners gewijd zijn. Hier ontmoeten -elkaar de beroemde mannen, hunne vereerders, vrienden en leerlingen. -Men kan zich hier immers ongestoorder met elkander onderhouden, dan in -die zuilengangen op de woelige Agora. Wat de nakomelingschap met -geestdrift op bestoven boekrollen zal lezen, dat vloeit hier in levende -taal van de lippen der denkers. Bij den meester en zijne nog niet -talrijke leerlingen, die hier vol aandacht aan zijne zijde wandelen, -kan zich een ieder, wie ook, uit de menigte aansluiten. Slechts weinige -dagen pas heeft de zaal van het Lyceüm hare deuren geopend en reeds -kunt gij den stouten vleugelslag van den Helleenschen geest daarin -hooren ruischen. In dien grijsaard daar, met zijne heldere oogen, -herkent gij den vriend van Pericles, den edelen Anaxagoras. - -Van hem heeft reeds menig Athener geleerd de wetten der natuur op te -sporen en met terzijdestelling van het bijgeloof aan de Olympische -Goden de eeuwige wetten van het natuurlijk ontstaan der dingen na te -vorschen. Maar velen zijn er nog, die in hem een godloochenaar en -Magiër [181] meenen te zien. - -„Is dit niet de wijze van Clazomenae?” vroeg een Athener, zich wendend -tot een der leerlingen en toehoorders uit de schare, die den wijsgeer -omstuwt, „is hij niet dezelfde, van wien men vertelt, dat hij eens bij -de spelen te Olympia in een dikken mantel plaats nam, terwijl de zon -helder aan den hemel scheen en tot hen die hem uitlachten, zeide dat -vóór er nog één uur verloopen was, een onweder zou losbarsten, ’t geen -dan ook werkelijk tot verbazing van anderen geschiedde. Waaruit putte -toch dien man kennis van de toekomst zoo hij niet meer dan iemand -anders wetenschap heeft van de bovennatuurlijke dingen en de mantiek -verstaat?” - -„Vraag het hem zelf!” antwoordde de leerling. - -De Athener volgde den raad en herhaalt zijne vraag aan Anaxagoras. -„Zijt gij,” zoo spreekt hij, „de man, die te Olympia in een dikken -mantel gehuld, plaats naamt en een onweder voorspeldet bij helderen -hemel en zonneschijn?” - -„Wel zeker,” antwoordde Anaxagoras lachend. „En ook gij zoudt hetzelfde -hebben kunnen doen, zonder magische of mantieke kunst, wanneer u, -evenals mij, een Arcadisch herder inlichtingen had gegeven over de huif -van den Erymanthus.” - -„Wat wilt gij zeggen met die huif van den Erymanthus?” vroeg de -Athener. - -„De Erymanthus,” hernam Anaxagoras „staat daar als een hooge berg op de -grenzen van Arcadië, Achaje en Elis [182]. Ziet men nu van Olympia uit -eene zekere kruin van dien berg bij groote hitte en Noordoostenwind met -een dichten wolkensluier bedekt, dan ontlast zich binnen een uur een -onweder, dat frissche koelte brengt en geweldige regenbuien uitgiet -over de Pisatische [183] velden.” - -En toen daarop door de omstanders het gesprek gebracht werd op het -ontstaan en de oorzaken van het onweder, verzekerde Anaxagoras lachend -dat de bliksem ontstond, door eene zekere wrijving der wolken tegen -elkander. Hij gaat tot andere natuurverschijnselen over en draagt -geheel nieuwe, ongewone stellingen voor. Zoo beweert hij bij voorbeeld, -dat de zon eene gloeiende massa is en grooter oppervlakte heeft dan de -Peloponnesus. De maan, meent hij, is bewoond en bevat heuvels en dalen. - -Terwijl de wijze op zulke wijze sprekende met zijne toehoorders -rondwandelt en elders levendige groepen zich om den staatkundige en -nieuwtjesventer vormen, zit in een ledigen hoek van de verst gelegene, -zuidelijke galerij van het Lyceüm op een gladde, marmeren bank een -paar, dat in zijne afzondering zich druk over gewichtige zaken schijnt -te onderhouden. - -Het is een jongeling van buitengewone schoonheid en een jonge man, -wiens gelaatstrekken een scherp contrast opleveren met die van zijn -makker. - -Er was onder de enkele voorbijgangers nauwelijks één, die niet bleef -staan of in het voorbijgaan ten minste niet even omkeek, om de in het -oog loopende schoonheid van den jongeling nauwkeurig gade te slaan. - -Eenigen zelfs kwamen weder terug of bleven in de nabijheid en hielden -den jongen man in het oog, het oogenblik afwachtende, dat hij bij de -gymnastische oefeningen—want met dit doel was hij toch zeker -gekomen—zijne geheele welgemaakte gestalte aan hunne blikken zou -toonen. - -Maar zij die dit verwachtten, bedrogen zich deerlijk. Want de -betooverde jongeling was de schoone vriendin van Pericles, die besloten -had heden nogmaals van de verkleeding gebruik te maken, om een der -lievelingsscheppingen van haar vriend, het nu voltooide Lyceüm te -bezichtigen. Zij had voor ditmaal haar ouden vriend Socrates tot -leidsman genomen. Openlijk durfde zij zich toch niet in dit gewaad met -Pericles vertoonen, daar het geheim van den citherspeler reeds door al -te velen ontdekt was. Socrates had volgaarne datgene op zich genomen, -wat Pericles zelf zijn vriendin moest weigeren. - -Reeds vroeg in den morgen had hij haar daar aangetroffen, om haar de -worstelschool geheel te laten zien, voordat de oefeningen der knapen en -jongelingen een aanvang hadden genomen. Hij volbracht met lust en ijver -zijn plicht, terwijl hij Aspasia in het gymnasium rondleidde en door de -ontzettend groote tuinen, met zuilengaanderijen omsloten, waarachter -zich de ruime zalen uitstrekten; ook vergat hij de baden niet, noch de -jonge lanen, die naast het gymnasium eene welkome verkwikking aan de -wandelaars aanboden, welke uitliepen op de groene weilanden van den -Ilissus-oever. - -Den „waarheidszoeker,” den „wijsheidsvriend,” den peinzer uit Phidias’ -werkplaats tot begeleider te hebben, zonder een offer te worden van -zijne onophoudelijke vragen was onmogelijk. Zoo had hij dan ook -vooreerst op zijne manier gesproken, hoe verstandig Pericles het Odeon -met het Lyceüm had aangevuld, daar het wellicht Pericles’ meening was, -dat de geesten- en lichaamsoefeningen steeds nauw verbonden moeten -blijven en dat zij vereenigd de harmonische volkomenheid van lichaam en -ziel konden tot standbrengen en dat de Grieken niet alleen in ijzer en -steen het schoone wilden zien en genieten, maar in hun eigen wezen, -geestelijk en lichamelijk, door eene sterke aandrift zich gedreven -gevoelden, dat te verwezenlijken. - -En nadat hij reeds zijn plicht had vervuld, wist hij Aspasia nog steeds -te boeien, door haar al dieper en dieper in een gesprek te wikkelen. -Hij zette zich met haar neder op een sierlijk marmeren bank in eene der -minst bezochte gaanderijen en weldra was hij op zijn -lievelingsonderwerp terug gekomen, dat hij nooit naliet op het tapijt -te brengen, zoo dikwijls hij zich met de schoone Milesische mocht -onderhouden. Ongelukkigerwijze vielen ook thans, ondanks al zijne -inspanning, om van haar de lang gewenschte verklaring over het begrip -en het wezen der liefde te verkrijgen, Aspasia’s antwoorden zoo uit, -dat Socrates steeds meende te moeten tegenwerpen: - -„Wat gij daar beschrijft, Aspasia, dat is toch geen liefde voor -anderen—dat is immers alles slechts liefde voor zich zelve.” - -Hij wilde namelijk weten, wat het toch eigenlijk beteekende, als men -bij voorbeeld zeide: Pericles bemint Aspasia of Aspasia bemint -Pericles. - -Maar welke schoone wendingen de Milesische ook aan de zaak mocht geven, -Socrates draaide en wrong zich nog veel behendiger en haalde uit -Aspasia’s woorden, zij mocht zeggen wat zij wilde, altijd weder de -verklaring, dat wie een ander scheen te beminnen, in den grond toch -alleen zich zelven en zijn eigen ik beminde en op het oog had. Hem -zweefde, zij het ook nog niet helder, de gedachte eener liefde voor den -geest, die werkelijk liefde tot den naaste, geen eigenliefde was. En -handelende op zijne eigenaardige wijze, hield hij zich alsof hij in de -verklaringen van Aspasia niet het geringste spoor van eene zoodanige -liefde kon vinden. Hij ontdekte daarin steeds egoïsme—een egoïsme onder -twee. - -De waarheidszoeker en de schoone hadden reeds geruimen tijd over dit -onderwerp gesproken, toen zij den wijzen Anaxagoras met eenige -volgelingen langzaam de gaanderij zagen op wandelen. - -„De Goden zenden ons ongetwijfeld dezen man,” zeide Socrates, „om ons -uit de verlegenheid te redden.” - -„Meent gij niet,” hernam Aspasia lachende, „dat de jeugd zich moest -schamen, wanneer zij over de liefde bij den ouderdom inlichtingen -vraagt?” - -Anaxagoras was, terwijl hij langzaam de gaanderij opwandelde en soms -een oogenblik stil bleef staan, juist bezig zijnen toehoorders uiteen -te zetten, dat het begin van alle dingen kleine, onderling geheel -gelijke, deeltjes waren; want evenals het goud uit goudstof bestond, -zoo bestond het heelal uit de kleinst mogelijke stofdeeltjes, die door -de overal heerschende rede den eersten stoot tot vorm en harmonie -erlangden. Deze rede die hij den „nous” [184], dat is den geest noemde, -was niet alleen in den bewusten mensch aanwezig, maar ook in de -schijnbaar donkerste diepte der natuur doorgedrongen en alles was vol -zielen. - -Toen de wijsgeer met zijne volgelingen vlak bij de plaats gekomen was, -waar Socrates zich met Aspasia onderhield, wendde hij zich van zelf, -zonder een groet van den jongen man af te wachten, met een -vriendelijken blik tot hem; want hij was zeer met hem ingenomen. -Socrates stond op en zeide: - -„Hoezeer benijd ik deze uwe vrienden, Anaxagoras, die u den ganschen -dag vergezellen, en ieder oogenblik hun dorst naar kennis aan uwe bron -kunnen laven. Wij anderen die u slechts zelden ontmoeten, dragen de -twijfelingen dagen lang in ons om, zonder die weggenomen te zien en -kwellen ons en onze weetgierige vrienden met vragen, die geene uitkomst -opleveren. Ik plaag hier nu den zoon van Axiochus reeds een uur lang en -wil van hem weten wat liefde is; want hij heeft kennis van zulke zaken. -Maar hij houdt, naar het schijnt, met opzet zijne wijsheid voor zich -zelven en geeft mij met ondeugende plagerij slechts zulke antwoorden, -waardoor ik nog minder van de zaak begrijp, dan straks. Heb gij -medelijden met mij, Anaxagoras, en zeg mij: wat is liefde?” - -„In den beginne,” hernam de wijsgeer, die de vraag uit een verkeerd -oogpunt opvatte en het onderwerp van bovennatuurlijke zijde beschouwde, -„in den beginne waren de grondstoffen en zaden der dingen in blinde -wanorde dooreen gemengd. Toen was alles chaos [185], nacht en „erebos” -[186]. Noch hemel, noch aarde, noch licht was er tot de duistere nacht, -door den wind bevrucht, het moederei voortbracht, waaruit de liefde ter -wereld kwam of de gevleugelde Eros, zooals de dichters zeggen, door -wiens alles beheerschende macht de inwendige strijd en tweedracht der -dingen werd te niet gedaan en het een met het ander in liefde -samensmolt, tot water, en aarde, en hemel, en menschen, en Goden, in -afzonderlijke gestalten en vormen uit den schoot der alles bevruchtende -natuur, als kinderen der liefde, te voorschijn traden...” - -„Dan zou Eros het eerst geboren wezen zijn,” zeide Socrates, den -wijsgeer, die naar het gebied der geestelijke wereld was afgedwaald, -voor een oogenblik volgend, „maar ik heb door u, Anaxagoras, ook den -Nous als eerste en hoogste wezen hooren noemen. Zouden Nous en Eros, de -overal heerschende rede en de alles voortbrengende liefde dan hetzelfde -zijn?” - -„Wel mogelijk,” hernam Anaxagoras, „dat zij in den innigsten grond een -zijn, en dat zij naar hetzelfde doel jagen—de een met bewustzijn, de -andere blind...” - -„Dan zou het in eens verklaard zijn,” riep Socrates uit, „wat het -zeggen wil, als men van de blindheid der liefde, van de geblinddoekte -oogen van Eros spreekt. Wanneer ik u goed begrepen heb, Anaxagoras, dan -is Eros niets anders dan de geblinddoekte Nous—” - -„Gij kunt dat zoo opnemen, als u dat bevalt,” hernam Anaxagoras -lachende. - -„Maar zie nu eens Anaxagoras,” vervolgde Socrates, „hoe gij mij en -dezen jongeling, den zoon van den Milesiër Axiochus, van ons eigenlijk -onderwerp hebt afgebracht, terwijl gij ons in de hoogste sferen uwer -wijsheid hebt opgevoerd. Want deze jongeling en ik, wij hadden bij ons -gesprek eene andere soort van liefde op het oog, dan die, waarop gij -ons in uw betoog over den strijd der dingen en erebos en het moederei -zooeven gewezen hebt. Wij vroegen namelijk—en ook dit is onze aandacht -wel waard—wat toch de eigenlijke natuur, het wezen en het doel van die -gewaarwording is, krachtens welke de eene mensch den anderen, maar -vooral deze man die vrouw of deze vrouw dien man beweert lief te -hebben?” - -„Een verlangen van deze soort,” hernam Anaxagoras „waardoor de man tot -eene vrouw, en niet tot de vrouw in het algemeen, maar tot eene -bepaalde vrouw en wederom niet tot den man in het algemeen, maar tot -een bepaalden man in hartstochtelijken en onbedwongen liefde zich -getrokken gevoelt, is een soort van krankheid der ziel en als zoodanig -zeer beklagenswaardig. Want eene ziekelijke begeerte en eene -hartstochtelijke neiging van dien aard stort niet alleen dengene, wiens -verlangen door het voorwerp zijner liefde onbevredigd blijft, in de -meest beklagenswaardige en jammerlijkste ellende, maar zij brengt, ook -wanneer zij hoop heeft bevredigd te worden of werkelijk ten deele -bevredigd wordt, hem in eene afhankelijkheid van de geliefde vrouw die -hij reeds aanstonds als zijner onwaardig en als smadelijk moet -erkennen, maar ook daarom moet de wijze haar geheel en al vermijden, -omdat hij, ten einde de kalmte en innerlijke tevredenheid zijner ziel -te bewaren nooit aan iets met hartstochtelijke liefde zich mag -vasthechten. Want alles, waaraan wij ons in die mate door de gewoonte -doen boeien kan ons weder ontrukt worden en zijn verlies berokkent ons -dan ondragelijke smarten. Zulk eene ziekelijke, hartstochtelijke liefde -verstoort de kalmte van het gemoed, vervult het met bestendige angst en -ijverzucht, doet den koensten versagen, maakt den sterksten zwak, den -besten onverschillig voor eer en schande, en den spaarzaamsten tot een -verkwister. Zij verbittert de menschen en maakt hen tot elkanders -heftigste vijanden en brengt jammer en ellende over gansche volkeren en -steden, zooals dan ook om der wille van ééne vrouw Illium verwoest is -en de Grieken tien jaren lang alle moeiten, gevaren en rampen hebben -doorstaan en het bloed hunner uitnemendsten hadden te betreuren.” - -Anaxagoras had nauwelijks opgehouden met spreken, toen Pericles met een -vriend al sprekende de gaanderij kwam opwandelen. Hij zag Anaxagoras -met Socrates redeneeren. Hij herkende ook Aspasia in hare verkleeding -aan de zijde van Socrates en wierp haar verwonderd een vragenden blik -toe, dien zij met een ongedwongen lachje beantwoordde. - -Pericles bleef staan en daar hij de laatste woorden van Anaxagoras had -opgevangen, vroeg hij, na wederzijdsche begroeting, over welk onderwerp -zij zooeven met gespannen aandacht naar Anaxagoras hadden geluisterd. - -„Laat dit, Pericles,” zeide Socrates met schalkschen lach, „deze jonge -man hier, de zoon van den Milesiër Axiochus, u uiteen zetten; hij toch -is de schuld, dat Anaxagoras gedwongen is zich op deze plaats op te -houden en het een en ander over een der moeilijkste vraagpunten van het -menschelijk weten, naar het mij voorkomt, in het midden te brengen.” - -„Het betoog van den wijzen Clazomeniër,” zeide Aspasia, „was een -uitvloeisel van de vraag van Socrates, wat men te denken heeft van de -liefde.” - -„En wat heeft de wijze Clazomeniër betreffende dit punt geantwoord?” -vroeg Pericles. - -„Hij zeide,” hernam Aspasia, „wanneer ik ten minste zijn gedachtengang -en niet alleen zijne woorden goed heb begrepen, dat de liefde, hoe -vurig zij ook wezen moge, steeds toch eene zaak van het vroolijke -levensgenot moet blijven en nooit in ziekelijke, sombere dweeperij mag -ontaarden, en evenmin in tyrannie of hartverterende ijverzucht...” - -„Hij zeide,” viel Socrates met een veelbeteekenend lachje in, „dat -wanneer iemand den jongeling, die hem dierbaar is, of de schoone, die -hij bemint, aan de zijde van een anderen, schoonen of leelijken man -mocht zien zitten, hij het daarom volstrekt niet voor noodig moet -houden de Olympische [187] wenkbrauwen te fronsen of eene Grieksche -vloot in Aulis [188] te verzamelen, om in woesten wraakdorst volkeren -te verdelgen en steden te verwoesten...” - -Pericles glimlachte. Hij vond de Silenus-gestalte [189] van den -waarheidszoeker bijna koddig naast de overweldigende bekoorlijkheid van -de verkleede Aspasia, die aan zijne zijde zat. Het had hem voorzeker in -het eerst bevreemd Aspasia hier te vinden en zijne Olympische -wenkbrauwen hadden zich werkelijk een weinig gefronst; maar nu schaamde -hij zich bijna over deze eerste opwelling. Hij twijfelde niet aan de -bedoeling zijner schoone vriendin, zich, zooals het aan hare kunne -voegde, vóór den aanvang der lichaamsoefeningen, uit de worstelschool -te verwijderen. Hij hield het echter voor raadzaam haar door eene -zijdelingsche vermaning er aan te herinneren, dat die tijd naderde en -dat zij er aan denken moest zich gereed te maken tot vertrekken. Hij -liet zich ontvallen, dat de oefeningen weldra zouden beginnen. Hij -voegde er bij, dat het voor heden voor hem eene noodzakelijkheid was, -hier aanwezig te zijn, daar zijne beide zonen Xantippus en Paralus, -benevens zijn pleegzoon Alcibiades, nadat zij eerst de gymnastische -voorbereiding in de palaestra hadden doorloopen, voor het eerst aan de -openbare oefeningen in de worstelschool zouden deelnemen. De kleine -Alcibiades was niet langer te houden geweest: hij wilde niets meer van -de kinderachtige palaestra hooren en brandde van begeerte zich op het -open veld van eer, in het Lyceüm, met zijne tijdgenooten te meten. - -Anaxagoras en zijne volgelingen vernamen dit bericht met levendige -belangstelling en sloten zich bij Pericles aan, om getuigen te zijn van -den wedstrijd van den kleinen Alcibiades van wien de Atheners, hoe jong -hij ook was, reeds begonnen te spreken. - -Aspasia stond eveneens met Socrates op, om de overigen te volgen en -verzocht stil den waarheidszoeker haar uit het Lyceüm te willen -wegbrengen. - -Maar de peinzende jonge steenhouwer uit Phidias’ werkplaats wandelde, -nadat hij met de verkleede schoone het gedrang voorbij was, als -droomende naast haar en zonder het te willen of te weten, voerde hij -haar in plaats van uit de worstelschool, naar de verst afgelegen en -juist geheel ledige gaanderij, verre van de plaats, waar de jongelingen -en knapen wedijverden. - -Zijn binnenste was geheel vervuld met de belangrijke woorden, die -Anaxagoras over den hartstocht der liefde had gesproken. De taal van -den wijze was tot in het diepst zijner ziel doorgedrongen. - -Aspasia vroeg hem ten laatste naar de oorzaak van zijn peinzend -zwijgen. - -In den beginne antwoordde hij niet, toen echter, als uit een droom -ontwakende, begon hij, nadat hij zijne gezellin had uitgenoodigd zich -naast hem op eene marmeren bank in de zedige zuilengang neder te -zetten, als volgt: - -„Weet gij, Aspasia, wanneer voor ’t eerst in mijn leven mijn daemon -zijne stem in mij heeft doen hooren?” - -„Wat noemt gij uw daemon?” vroeg Aspasia. - -„Mijn daemon,” hernam hij, „is een tusschenwezen, half van eene -goddelijke, half van een menschelijke natuur. Het is geen droombeeld, -geene hersenschim; want ik hoor soms heel duidelijk, zoo duidelijk als -men iets hooren kan, zijne stem in mijn binnenste. Maar hij verwaardigt -zich, helaas, niet, mij de diepten der wijsheid heimelijk te openbaren. -Wat kennis betreft, schijnt het toch niets krachtiger of wijzer te zijn -dan ik zelf. Het is hem voldoende, mij in enkele gevallen, kort en -zonder eenige reden, met zijne inwendig hoorbare stem te zeggen wat ik -doen of wat ik laten moet. Voor de eerste maal in mijn leven vernam ik -die stem, toen ik u, Aspasia, voor het eerst ontmoette.” - -Aspasia gevoelde zich wonderlijk bewogen, toen zij den jongen denker -zoo ernstig over zijn daemon hoorde spreken, alsof deze eene werkelijke -persoon en de natuurlijkste zaak van de wereld was. - -„En wat gebood u uw daemon in dat oogenblik?” vroeg zij lachende. - -„Toen ik u zag en de gedachte zich aanstonds van mij meester maakte, u -naar het wezen der liefde te vragen toen klonk het zacht, maar -duidelijk in mijne ziel; „doe dat niet!” Maar ik dacht: wat wil toch -die vreemdeling? Wat gaan hem mijne zaken aan?—Ik luisterde niet naar -hem en vroeg u, vroeg u telkens naar het wezen der liefde. Maar nu ben -ik besloten hem in het vervolg te zullen gehoorzamen in alles, wat hij -mij gebieden of verbieden mag; want de overtuiging is in mij levend -geworden, dat hij de zaken goed inziet en mijn vriend is en mijn -volkomen vertrouwen verdient.” - -„Gij zijt een dweeper, mijn vriend,” zeide Aspasia, „hoewel gij -voorgeeft naar het heldere begrip der zaken te streven. Uw karakter is -te veel in zich zelven gekeerd, o zoon van Sophroniscus. Zie rondom u -en merk het reine, rustige, gezonde leven op, dat met opwekkende -schoonheid u overal omgeeft. Offer aan de Chariten Socrates, offer aan -de Chariten en vergeet niet, dat gij een Griek zijt.” - -„Een Griek?” hernam Socrates lachende. „Ben ik niet te leelijk om een -Griek te zijn? Mijn stompe neus reeds maakt eene scherpe tegenstelling -met de schoonheid der Grieken. Ik maak van den nood eene deugd en zoek -een levensideaal, dat bestaanbaar is met leelijkheid.”— - -Aspasia zag na deze woorden Socrates aan, met eene mengeling van -verbaasdheid en medelijden. - -Die arme zoon van Sophroniscus! Hij wandelde onder de opgeruimde en -tevreden stervelingen als de eenige ontevredene. Men begon hem reeds -onder de wijzen te rekenen. Maar niemand had hem ooit zich zelven aldus -hooren betitelen. Hij vroeg maar altijd. Hij wandelde onder zijne -medemenschen als een levend, schier onaangenaam vraagteeken. Was hij de -belichaamde behoefte aan eene nieuwe openbaring, aan eene nieuwe -gedachte, aan een nieuwen tijd? ... - -Daar de werkelijkheid, zelfs in hare volste openbaring zijne vragen -niet geheel en al beantwoordde, klom hij op tot het gebied van de reine -gedachte. Hij jaagde „heldere begrippen” na. Maar niets grenst nader -aan het streven naar zulke diepzinnige gedachten dan zijn schijnbaar -contrast, de dweeperij. En daarom sprak hij van zijn „daemon”. - -Het was hem daarmede ernst. Het oog van den Griek was gewoon helder en -open naar buiten te zien. Socrates richtte het zijne naar binnen. Hij -dacht na, hij ontdekte het inwendige en schrikte daarvoor zoozeer, dat -het hem als eene daemonische macht toescheen. Die noemde hij zijn -daemon. - -Veel werd over zijn „ironie” gesproken. Ach, de ironie, waarmede hij de -onwetendheid van anderen in zijne gesprekken aantoonde, zij was slechts -een zwakke nagalm van die ironie, welker scherpte hij zich zelven, -tegen zijn vergeefs naar kennis dorstend worstelen in eigen boezem -richtte.— - -Het was een pijnlijke ernst, wanneer hij aangaande zich zelven de -verklaring gaf: „dit weet ik, dat ik niets weet.”— - -En toch gistte het in hem en was zijne ziel vol van gedachten over de -toekomst. - -Hij zocht, zooals hij zooeven aan Aspasia had gezegd, een levensideaal, -dat niet als het Grieksche, met leelijkheid bestaanbaar was.—— - -Hij zocht, hij had een voorgevoel van een ernstiger, een verhevener -ideaal tegenover dat van het „alverwinnende schoone”, ’t welk over -zijne tijdgenooten eene schitterende aureool verspreidde... - -Zoodanig was het wezen van dezen, nog jeugdigen denker. En toch—hij was -een Griek. Leelijk van uiterlijk, peinzend in zijn binnenste, was hij -toch ook aangeblazen door de liefelijkheid en bevalligheid van den -Griekschen geest. Een somber dweeper was hij niet en kon hij nooit -worden. De adem van Aspasia was ook over zijn hoofd heen gegaan; nooit -kon hij door sombere machten geheel beheerscht worden. Hoe langer zoo -meer moest zijn karakter tot blijde opgeruimdheid gestemd worden en ook -tot de blijmoedigheid van den wijze, die met gelatenheid den giftbeker -drinkt, als zijne ure is gekomen... - -Nu echter bruischte de jeugd nog in hem en eene heimelijke, hem zelven -schier onbewuste jeugdige hartstocht. Nog was hij niet de man, noch de -grijsaard, van wien de boeken der Ouden gewagen—nog was hij de -steenhouwer uit Phidias’ werkplaats... - -Hij beminde in stilte de schoone en wijze Aspasia. - -Hij beminde haar en wist dat hij een stompen neus had en het gezicht -van een Sileen en dat zij hem nooit kon beminnen. - -Hij wist het, maar hij was nog jong en kende zelf slechts ten halve de -macht van het vuur, dat heimelijk in zijn boezem smeulde. - -„Ik weet het, Aspasia,” zeide hij, „ik schijn u toe, als eene rups op -den bloesem van het Helleensche leven rond te kruipen, daaraan -heimelijk te knagen en hem met het sceptisch venijn der gedachte te -bezoedelen en gij zoudt lust hebben mij daarvan weg te knippen met de -toppen uwer roozenroode vingers. Maar zie, Aspasia, ik zou toch liever -schoon dan wijs zijn. Zeg mij, hoe ik het aanleggen moet, om schoon te -zijn?” - -„Wees altijd blijde en opgeruimd,” hernam Aspasia, „en tracht aan de -Chariten te offeren.” - -„Bestraal mij met den glans uwer oogen!” riep de anders zoo kalme -waarheidszoeker uit, door de ontroering van zijn hart overweldigd. „Dan -zal ik steeds,” voegde hij er bij, „blijde en opgeruimd zijn.” - -Hij sprak deze woorden in hartstochtelijke opgewondenheid en boog het -hoofd nader tot Aspasia’s gelaat, alsof hij den schitterenden straal -uit haar oog wilde opvangen. - -Daarbij kwam het Silenus-gezicht van den wijsheidsvriend zoo dicht bij -het bekoorlijke gelaat der Milesische dat zijne dikke lippen den -bevalligen, rozenrooden mond der schoone bijna beroerden. - -„Offer aan de Chariten!” riep Aspasia, sprong op en snelde weg... - -Op dat zelfde oogenblik kwam een naakte knaap bijna buiten adem, den -zuilengang instuiven, snelde, toen hij Socrates zag, op hem toe en -verborg in zijn mantel zijne naakte leden. - -De waarheidszoeker wist niet of hij zijne blikken op de voortvluchtige -Aspasia, dan wel op den knaap zou vestigen, die bij hem eene -schuilplaats zocht. - -Hij zag er uit als een man, wien een duif uit de hand vliegt en die op -hetzelfde oogenblik eene zwaluw aan zijn boezem ziet verschuilen... - -De jongen in den mantel gewikkeld, vleide zich vertrouwelijk tegen hem -aan en smeekte dringend, terwijl hij beefde van angst, dat hij hem zou -verbergen en beschermen. - -„Wiens zoon zijt gij en wat is de oorzaak van uwe angstige vlucht?” -vroeg Socrates den knaap. - -„Ik ben de zoon van Clinias, de pleegzoon van Pericles en heet -Alcibiades,” antwoordde hij. - -Op de volgende wijze had het zich toegedragen, dat het zoontje van -Clinias gedwongen was zijne naakte leden sidderend in den mantel van -Socrates te verbergen. - -Toen deze zich opnieuw met Aspasia in het gesprek verdiepte, waren de -oefeningen der jongelingen en knapen in de daarvoor bepaalde ruimten -van het Lyceüm begonnen. - -Pericles en zijn gevolg stonden met vele anderen rondom de -worstelplaats der knapen. - -Het was een schoon gezicht, vol bekoorlijkheid, deze flinke, knappe, -teedere en toch reeds door de oefeningen der palaestra krachtige, -bloeiende gestalten, na zich ontdaan te hebben van de chlamys [190], in -het zand der worstelschool te zien wedijveren. - -Onder alle muntte de jonge Alcibiades uit: hoewel een van de jongsten, -was hij toch reeds stevig op de beenen en had iets fiers, iets -overmoedigs in zijn gezicht. Maar dit fiere en overmoedige werd -getemperd door zijne bekoorlijke schoonheid. De beeldhouwers drongen -naar hem toe, om die nog onontwikkelde, maar zich reeds vertoonende -spieren, die bloeiende, welgemaakte gestalte, die kleinere, doch -harmonische vormen te bewonderen. - -Naast den jongen Alcibiades bevonden zich onder de knapen ook zijne -beide kameraden, de zonen van Pericles, Xantippus en Paralus; voorts de -kleine Callias, de zoon van den rijken Hipponicus, met wien Alcibiades -reeds vriendschap had gesloten; en ook het zoontje van den rijken -Pyrilampes, Demus, was daar tegenwoordig. - -De knapen, vurig en levendig, konden het begin der oefening nauwelijks -afwachten. - -Met den wedloop begon nu onder leiding der paedotriben [191] de -kampstrijd. - -De paedotriben onderwezen hun kweekelingen, hoe zij in den loop hun -adem en hunne krachten moesten sparen, hoe zij de bovenste en onderste -ledematen gelijkmatig moesten bewegen, hoe zij met opgelichten haast -zwevenden voet met groote passen voort moesten snellen, om met het -kleinst aantal schreden de grootste ruimte af te leggen; ook leerden -zij de knapen zekere regelmatige bewegingen der armen, die, naar hunne -meening, met de passen in overeenstemming, de snelheid der bewegingen -bevorderden. - -Maar zie, de kleine Alcibiades wilde van deze leer niets weten: hij -meende, dat de beweging der armen waartoe men hem noodzaken wilde, -leelijk waren en geraakte met de paedotriben daaromtrent in hevigen -strijd. - -Een der opzichters, die de oefeningen leidde, mengde zich bemiddelend -in het geschil, streek den knaap over de wangen en prees zijne begeerte -om de bevallige schoonheid in beweging en houding steeds in acht te -nemen, maar wees hem, om de doelmatigheid dier bewegingen aan te -toonen, op het voorbeeld der Mauretanische [192] struisvogels, die door -het slaan met hunne kleine vleugels, die zij als zeilen gebruiken, hun -vluggen loop versnelden. - -De naakte knapen liepen onder vroolijk geschreeuw, dat des te luider -werd, naarmate zij meer den eindpaal naderden, naar hun wit. Meermalen -werd de wedloop herhaald—steeds was de jonge Alcibiades het eerst bij -den eindpaal. - -Hierna kwamen de oefeningen in het springen aan de beurt: het springen -in de hoogte, in de breedte en in de diepte. - -De paedotriben gaven de jongens gewichten in de hand en leerden hen die -zoo te gebruiken, dat zij verre van de vlugheid in het springen te -belemmeren, integendeel de vaart des lichaams bevorderden. Ook deze -gewichten mishaagden den eigenzinnigen Alcibiades en het scheelde -weinig of hij had ze een van hen, die over het gedrag der knapen -moesten waken en hem zijne weerbarstigheid in vrij scherpe woorden -verweet, naar het hoofd geworpen. Toorn en schaamte maakte zich van -Pericles meester, toen hij onder zoovele vrienden en toeschouwers -getuigen moest zijn van de ongezeggelijkheid van den jongen. Maar zijn -toorn verdween en hij lachte weder minzaam, toen onder de bijvalskreten -der toeschouwers de zoon van Clinias ook in den sprong al zijne makkers -overtrof. - -Thans werden de knapen door de alipten [193] met olie ingesmeerd voor -den worstelkamp. Dat liet de kleine Alcibiades zich nog doen, maar toen -men hem het lichaam met stof wilde bestrooien, om de glibberigheid der -gladde leden te verminderen, verzette hij zich met kracht tegen die -bezoedeling. Maar hier schikte men zich niet, als in de palaestra, naar -de grillen van den knaap: hier gold de strenge wet van het gymnasium, -het zoontje van Clinias moest zich daarnaar voegen. - -Twee aan twee traden de knapen tot het worstelen vooruit. Met een -zachte buiging der knie den rechtervoet een weinig naar voren te -brengen, den arm tot den aanval zoowel als tot verdediging uit te -strekken, hals en hoofd niet voorover te buigen, het onderlijf in te -trekken, de borst vooruit te steken en de welven, des tegenstanders -beweging vooraf te bespieden, bij den aanval en bij de verdediging -steeds naar de regelen der kunst te werk te gaan, dit alles onderwezen -de paedotriben aan de knapen. - -Hoe men verder zijn tegenstander meer door vlugheid dan door kracht op -den grond moest werpen, den gevallene met handen en voeten zoo -omslingeren, dat hij bewegingloos op den grond moest blijven liggen en -alle pogingen opgeven weder op te staan, dat werd benevens andere -kunstgrepen den jeugdigen worstelaar telkens ingeprent. Maar ook op de -schoonheid en bevalligheid in bewegingen stelden de leeraars en -opzichters der oefeningen grooten prijs. Niet op krachtsontwikkeling en -vlugheid alleen doelden de regels, die zij gaven, maar ook op het ten -toon stellen der goedgebouwde gestalte, waardoor de Atheners zich van -de Barbaren en zelfs van menigen Griek onderscheidden. - -De jonge Alcibiades worstelde met den oudsten onder de knapen en wierp -hem door een kunstgreep, dien hij niet aan de paedotriben te danken -had, maar in het beslissende oogenblik zelf had uitgedacht, in het -zand. - -Nu werd den knapen het schaafijzer ter hand gesteld, om zich het stof -van de ledematen af te schrapen, en nadat dit geschied was, kreeg ieder -van hen een discus en eene kleine stang in plaats van eene speer, beide -voor de oefeningen in het werpen. De discus van de knapen was niet, als -anders, van metaal, maar van eene soort van hard hout gesneden. De -discusworp was lang niet gemakkelijk, wanneer hij naar de regels der -kunst werd uitgevoerd. Bij den worp den rechten stand des lichaams aan -te nemen, voorts de werpschijf, die met zand stroef was gemaakt, om een -beter houvast te verschaffen, de beste ligging in de hand te geven, dan -de hand in eene draaiende beweging te brengen, om als ’t ware de -kracht, die men aanwenden moest, evenredig te maken met het gewicht, -den discus recht en de spieren van den arm gespannen te houden, -eindelijk de schijf in een halven cirkelboog te slingeren en dan uit de -laagte zoover mogelijk te werpen—dat alles werd Alcibiades, evenals den -anderen knapen, ingeprent; deze echter sloeg al die regels in den wind -en toen de knapen, de een na den anderen, naar voren traden om den -discus te slingeren en de afstand, die ieder bereikte, op den grond -door een teeken kenbaar gemaakt werd, wierp de telg van Clinias, toen -hij aan de beurt kwam, zijn discus, zooals hem goed dacht. Toen vloog -zijne schijf verre die der anderen voorbij. - -Toen trad een nog sterkere knaap voor, die in het werpen met den discus -eene bijzondere handigheid had. Deze beproefde nu zijn geluk en -zorgvuldig, met inachtneming van alle regels der paedotriben, wierp hij -den discus en overtrof wel is waar den worp van Alcibiades niet, maar -bleef ook niet daarachter. Zijne schijf en die van Alcibiades lagen -evenver van die der anderen. - -Alcibiades verbleekte. Voor de eerste maal zou hij zijne overwinning -met een ander moeten deelen. Sprakeloos en van gramschap ziedend, wierp -hij toornige blikken op zijn mededinger. Deze echter durfde beweren, -dat zijne schijf, nauwkeurig beschouwd, nog iets verder lag dan die van -Alcibiades. - -Door deze bewering werd de jonge Alcibiades door eene onbegrijpelijke -woede aangegrepen, hief de rechterhand op en slingerde met alle macht -den discus, die hij in de hand had, naar het hoofd zijns tegenstanders. -Maar al te goed trof de worp; bezwijmd en bloedend zonk de knaap ter -aarde. - -Eene groote verwarring ontstond er. De bijna doodelijk gewonde moest -weggedragen worden. Bij dit gezicht verbleekte en sidderde Alcibiades -een oogenblik; toen echter de verwanten en vrienden van zijn gewonden -tegenstander met verwijtingen en bedreigingen op hem aandrongen, -herkreeg hij aanstonds zijne bedaardheid en fierheid. - -Thans echter zag hij Pericles, hevig vertoornd, met den eerwaardigen -gymnasiarch [194] naderen en daar hij begreep, dat men hem wilde -aangrijpen, wegvoeren, wellicht op eene smadelijke wijze kastijden, -keerde hij zich eensklaps om, brak door den kring der omstanders heen, -waar die het minst dicht was en ontvluchtte met die snelheid, waardoor -hij straks bij den wedloop de zegepraal had verworven. - -Men trachtte hem te achterhalen, maar weldra was hij uit de oogen -zijner achtervolgers verdwenen. - -In het afgelegenste deel van het Lyceüm had hij Socrates getroffen en -was, zooals reeds verhaald is, op hem toegesneld en had hulp smeekend -zich in zijn mantel verscholen. - -„Dus zijt gij de zoon van Clinias?” zeide Socrates op zachten en kalmen -toon, nadat de knaap hem op zijne vragen de aanleiding zijner vlucht -had verteld. „Vraagt gij in uw doen en laten niet naar lof of -berisping? Bekommert gij u niet om het verlangen en den wil van de -voortreffelijke en aanzienlijke mannen, van wie gij afstamt of aan wie -gij door geboorte verwant zijt?” - -„Ik wil niet altijd doen, wat de anderen willen,” zeide de knaap fier. -„Ik wil doen, wat mij goeddunkt en wat ik zelf wil en mij voorneem.”— - -„Gij hebt groot gelijk,” hernam Socrates, steeds kalm, „de mensch moet -kunnen doen, wat hij zelf wil en zich voorgenomen heeft. Maar wat hebt -gij toch gewild en wat hadt gij u voorgenomen, toen gij dezen morgen -met de andere jongens in het Lyceüm kwaamt?” - -„De eerste te zijn in alles!” riep de kleine Alcibiades levendig uit. -„De eerste te zijn, mij te onderscheiden en de grootste eer onder allen -weg te dragen! Dat had ik mij voorgenomen.” - -„Dan hebt ge dus niet gedaan, wat ge eigenlijk wildet en u voorgenomen -had. Gij wildet u onderscheiden, gij wildet met roem overladen het -Lyceüm verlaten en inderdaad zijt gij met smaad en schande bedekt -weggejaagd en hebt misschien nog bovendien, als gij aan de uwen wordt -teruggegeven, eene geduchte kastijding te wachten. Waarom zijt ge toch -niet rechtstreeks op uw doelwit afgegaan en hebt uw tijd met bijzaken, -die u van dat doel afvoerden, verloren? Gij zijt niet hierheen gekomen, -om uw makker een gat in het hoofd te werpen, maar, zooals gij zegt, om -roem en eer te behalen. Uw fout was, dat gij een oogenblik geheel en al -vergeten hebt, wat gij hier eigenlijk wildet en u met bijzaken hebt -afgegeven, die ten gevolge hadden, dat gij in plaats van met roem -overdekt met smaad en schande uit het gymnasium moest vluchten.” - -Voor de eerste maal werd het Alcibiades duidelijk, dat de wet eener -doelmatige orde niet als iets willekeurigs noch als eene bedreiging van -buiten hem voorkwam, maar als eene macht in hem zelven, die met zijn -eigen wezen innig verbonden was. - -Bovendien lag er in de woorden van Socrates en in den toon, waarop zij -gesproken werden iets, wat den knaap vertrouwen inboezemde. Hij zag den -man ernstig en zwijgend in het gelaat, hij zag hem in die vriendelijke, -bruine oogen en zijn vertrouwen ging in dat zelfde oogenblik bijna -onbewust in eene genegenheid over, zooals hij tot nu toe nog voor geen -mensch gevoeld had. - -Intusschen naderden de menschen, die Alcibiades zochten, met Pericles -en den gymnasiarch. - -Opnieuw begon de knaap te sidderen. - -„Vrees niets,” zeide Socrates, „ik zal met de hulp der Goden trachten u -met al deze grimmige vijanden en vervolgers te verzoenen. - -De aankomenden herkenden Socrates en aan zijn boezem, in zijn himation -gewikkeld, den knaap, dien zij zochten. Het was als zag men Achilles -[195], in tegenwoordigheid van zijn leermeester en opvoeder, den -goedigen Centaur. - -Toen Pericles en de gymnasiarch met de overige genaderd waren en recht -op Socrates toetraden, zeide deze: - -„Ik weet wien gij zoekt, gij mannen; maar hij, dien gij zoekt is mijn -smeekeling, zooals gij ziet en ik zal hem niet uitleveren, maar volgens -mijn plicht, naar mijne beste krachten verdedigen. Hij is, gelijk hij -mij zegt, in het Lyceüm gekomen om zich te onderscheiden, wat hem -daarom niet ten volle gelukt is omdat hij onbedachtzaam zich met -bijzaken inliet, daar hij namelijk den discus een zijner makkers naar -het hoofd wierp wat hem schande aanbracht, in plaats van de eer, die -hij eigenlijk gezocht had. Wat de wonde van dien knaap betreft, -bedenkt, gij mannen, dat een dergelijk ongeluk of vergrijp, zooals gij -het noemen wilt, ook door Goden en heroën is gepleegd; want, zooals gij -weet, heeft Apollo zelf zijn lieveling Hyacinthus [196] en de held -Perseus zijn grootvader Acrisius [197] met een discus-worp gedood. Het -is waarschijnlijk, dat deze donkergelokte knaap, met zijne vurige -oogen, ook in andere opzichten aan Goden en heroën gelijk kan worden. - -De toorn van Pericles bedaarde bij het gezicht van den wedergevonden -knaap, op wiens gelaat ieder spoor van trots was verdwenen. Hij richtte -tot zijn beschermer eenige vriendelijke woorden, die tevens den knaap, -welke nog steeds eene tuchtiging vreesde, konden geruststellen en beval -daarop den paedagoog den jongen aan te kleeden en uit het Lyceüm naar -huis te brengen. - -Socrates voegde zich bij Pericles en den gymnasiarch, en de mannen -spraken nog eene poos over de zeldzame mengeling van heerlijke en -gevaarlijke eigenschappen, die in het karakter van het zoontje van -Clinias zich vertoonden. - -Deze echter verliet aan de hand van den paedagoog de plaats niet -eerder, voor hij met een warmen blik uit zijn donkere, fonkelende oogen -van zijn beschermer en pleitbezorger had afscheid genomen. - -Op deze wijze werd de zeldzame band des harten gelegd tusschen -Socrates, dien zij den leelijke noemden, en den schoonste van alle -Hellenen-zonen, den jongen Alcibiades, op dien dag, toen den -„waarheids-zoeker” eene duif uit de hand vloog en op hetzelfde -oogenblik eene jonge zwaluw aan zijne borst een schuilplaats kwam -zoeken... - - - - - - - -VIII. - -HET OFFER AAN DE CHARITEN. - - -Geen scheppende en werkende geest gaat zoo geheel en al in zijn werk -op, als die des beeldhouwers. Geen anderen weg betrad Phidias, dan die -tusschen de Acropolis en zijne werkplaats liep. Hij zag zelfs in zijne -nachtelijke droomen niets anders dan zijne godenbeelden, zijne groepen, -zijne friezen en niet zelden vond hij, omdat zijn rustelooze geest en -in den slaap evenals overdag werkzaam was, niet zonder verwondering bij -zijn ontwaken zijne plannen verder gevorderd en gerijpt. Verscheidene -zijner beelden waren oorspronkelijk droomgezichten geweest en hij kon -beweren, dat hem Goden in den droom verschenen waren, evenals aan de -helden van Homerus. De geheele wereld had slechts waarde voor hem, in -zoover zij betrekking had op zijne kunstenaarsziel. Hij deed afstand -van de genietingen des levens; hij was eenzaam en ongehuwd. - -Zijne ziel was vervuld met allerlei ontwerpen en zijn helder oog was de -klare spiegel van zijn geest. - -Het was een bont gewemel van menschen en dingen in de zalen en pleinen -van de werkplaatsen van Phidias. Steeds waren er ontwerpen te bedenken, -te onderzoeken, te verwerpen, steeds opnieuw modellen in klei te vormen -en de verhoudingen te berekenen. Naar de kleimodellen werd ook menig -kunstwerk eerst door de steenhouwers uit het ruwe blok gehouwen en -later aan de fijnere hand des kunstenaars ter volledige afwerking -toevertrouwd. Een puinhoop kon Phidias’ werkplaats genoemd worden, maar -een puinhoop der wording, niet der vernietiging. Het was de chaos, doch -niet de chaos van den ondergang, maar de chaos waaruit de schepping -geboren werd. Brokken lagen overal verspreid maar niet als deelen van -een geheel, dat bestaan had, maar als deelen, die op weg waren, om een -geheel te worden. - -En over dien bajert zweefde de geest van Phidias. Deze geest bestuurde -alles. Hij hield den vurigen Alcamenes en den strengen Agoracritus in -bedwang en dreef hen tot eendrachtig samenwerken. - -Deze beide waren zijne machtigste armen; de eerste verleende hem -bovendien zijne hulp door zijne welbespraaktheid. Wat Phidias eens had -gezegd, in korte, wellicht raadselachtige woorden zich had laten -ontvallen, dat herhaalde en verduidelijkte Alcamenes, prentte het in -zijn geheugen en deelde het later weder mede. - -Juist liet hij zijn oog gaan over die jongeren en kunstenaars, wier -arbeid bijzonder aan zijne zorgen was toevertrouwd. Overal berispte -hij, vermaande hij, spoorde hij aan met de vurigheid, die hem eigen -was, terwijl hij de bestanddeelen der gevelgroepen, friezen en -metopenbeelden nauwkeurig beschouwde. - -„Wat doet gij daar, Dracyllus? Te zwak gewelfd om op een afstand -uitwerking te doen is die borst; het veld van het onderlijf te weinig -geleed, de kuiten te onduidelijk geteekend. De hoofdspieren te weinig, -de mindere spieren te veel op den voorgrond geplaatst!—Charicles, gij -spant hier de huid te strak, daar te slap over de spieren. Hier is zij -niet los genoeg, bijna niet te verschuiven. Het moet schijnen, alsof -men zelfs bij bronzen of marmeren beelden het vel tusschen zijne twee -vingers kan nemen en een weinig naar boven kan trekken!—Uw God, Lycius, -is schier niet te herkennen uit de plooien van zijn gewaad. Behoort gij -soms ook tot die beeldhouwers, wier Heracles [198] alleen aan de knots -kenbaar is?—Ook uw bronnimf, Crinagoras, schijnt aan haar kruik gekend -te moeten worden, in plaats dat gij het zachte, als ’t ware vloeibare -harer leden over het diepst van haar wezen hadt uitgespreid.” - -Thans kwam hij bij eene groep van Parthenon-fries: jongelingen, die -steigerende rossen optoomden. - -„Bij welke merrie, Lycius, hebt gij dien dikken kop, die stompe ooren -gezien? Ook het geheel is te stijf, te houterig, te ouderwetsch! Zijt -gij bij de Aegineten ter schole gegaan? Zulk ouderwetsch prulwerk zou -zelfs Argeladas [199] niet goedgekeurd hebben!”—Zoo ging Alcamenes te -werk, berispte nog dit en dat in het bijzonder en scheen in zijn vuur -geneigd, om het beeld van den leerling stuk te slaan, hetgeen hem -dikwijls overkwam, wanneer de toorn zich van hem meester maakte. - -Agoracritus naderde en nam, naar zijne gewoonte, den armen leerling -tegen den driftigen Alcamenes in bescherming. Dezen steeg het bloed -naar het hoofd en gaf hem een scherp antwoord. - -Op dit oogenblik echter naderde Phidias en onder zijne geleide een paar -menschen, die in ’t geheel geen vreemdelingen waren in deze werkplaats. - -Hoe hadden Pericles en Aspasia zich het genot kunnen ontzeggen nu en -dan een blik te gaan werpen op de rustige vorderingen van die grootsche -ontwerpen? - -Zij waren gekomen en hadden den meester midden onder de schare zijner -leerlingen gevonden, tusschen zijne kleimodellen, nog onvoltooide -werken en half gehouwen marmerblokken; zij vonden hem minder -spraakzaam, strenger, ingetrokkener, meer in zich zelven verdiept dan -ooit te voren. - -Toen Alcamenes de Milesische zag, deed hij zijn best onverschillig en -opgeruimd te schijnen, en de nog niet geheel verkropte spijt te -verbergen, die hij bij de vluchtige ontmoeting op de Agora had laten -doorschemeren. De sombere Agoracritus echter deed volstrekt geen moeite -om den wrok te verhelen, dien hij nog steeds tegen Aspasia koesterde. -Hij ging op zij en sprak geen enkel woord tot de beide aanzienlijke -bezoekers. - -Daar dezen bij hun binnentreden in de zaal nog iets van den -woordenstrijd tusschen Alcamenes en Agoracritus hadden opgevangen, viel -het gesprek terstond op dat zelfde onderwerp en de levendige Aspasia -sprak het onverholen uit, dat zij het volkomen met Alcamenes eens was, -als hij de laatste sporen der overlevering van het ouderwetsche uit de -kunst wilde weggenomen zien. Bij de beschouwing der ontwerpen en -kleimodellen voor de kolossale gevelgroepen, voor de friezen en -metopenbeelden, vond zij menig pronkstuk nog te hard en streng en zelfs -de hoogste bloeitijd der kunsten scheen haar toe te langzaam te komen. - -Onverholen sprak zij haar meening uit. - -„De schoone Aspasia,” zei Phidias met een ernstigen lach, „zou willen, -dat alles wat wij maken, zoo sierlijk, weelderig en bekoorlijk is, als -zij zelve. Maar vergeet niet, Aspasia, dat wij beeldhouwers verplicht -zijn in onze scheppingen niet het bloot menschelijke, niet het -alledaagsch schoone en bekoorlijke, maar het bovenmenschelijke, het -goddelijke voor te stellen en te belichamen.” - -„Phidias heeft misschien gelijk,” zei Pericles, „wanneer hij zich -datgene, wat Aspasia streng, stijf, ouderwetsch noemt, niet geheel wil -laten ontnemen. Wie weet of het ideaal van het schoone in de beeldende -kunst niet op de smalle grens ligt, die de kuische, jonkvrouwelijke -schoonheid van de weelderige, vol ontwikkelde scheidt. De hoogste en -laatste trap der ontwikkeling is toch ook de eerste der daling; -datgene, wat het gemoed met de reinste, edelste betoovering genoegelijk -aandoet en verkwikt, moet dus een weinig aan deze zijde van dien -hoogsten trap, niet daarop liggen.” - -„Ook al dat ik u, Phidias,” zei Aspasia, „nog zoo zeer tot het -sierlijke, bekoorlijke en weelderige wilde aansporen en dat gij van uw -kant de uwen tot dat zelfde doelwit opwektet, geloof ik toch, dat de -juiste grens nog in langen tijd niet zou overschreden worden. Want -zoover schijnen mij uwe leerlingen nog van het al te sierlijke en al te -weeke verwijderd, dat zelfs, wanneer zij met alle krachten er zich op -toelegden, zij het bezwaarlijk zouden bereiken. Ik zeg niet, dat gij -langzaam zijt, maar de weg is lang.” - -„Wanneer ik de beelden van Phidias beschouw,” zei Pericles, het gesprek -eene andere wending gevende, daar hij vreesde dat Phidias zich -beleedigd mocht achten door Aspasia’s woorden, „of de zangen van -Homerus hoor, dan vind ik, dat zij verheven zijn in hun bekoorlijkheid -en bekoorlijk in hun verhevenheid. Zij zijn verheven, zooals ieder -weet, en zij zijn bekoorlijk, zooals niemand loochent, en schoon noemen -wij ze misschien juist hierom, omdat ze beide zaken in zich bevatten.” - -„Daar kan ik mij mede vereenigen,” zeide de steenhouwer Socrates, van -zijn werk opziende, daar hij tot dusverre vlijtig aan een marmerblok, -dat hem aangewezen was, had zitten beitelen. „Lang heb ik bij mij -zelven nagedacht, wat toch de schoonheid is; nu zijn mij Pericles’ -woorden als eene lichtstraal in mijne ziel gevallen.—Als het verhevene -met het bekoorlijke verbonden, als eene liefelijke verhevenheid en eene -verhevene liefelijkheid zou men alzoo het schoone kunnen beschrijven. -En wanneer Aspasia en Pericles weder eens over de juiste grenzen der -ontwikkeling in de kunsten spreken, zoo behoeven zij slechts te zeggen, -dat het schoone om schoon te blijven, nooit alleen bekoorlijk en nooit -alleen verheven, maar steeds beide te gelijk moet zijn. Gaven mij toch -de Goden bij elken beitelslag, dien ik hier in Phidias’ werkplaats zal -slaan, deze les gedachtig te zijn, in ’t bijzonder als ik de hand leg -aan het wijgeschenk, dat ik voornemens ben aan de Godin van Phidias op -den dag, dat haar feestgebouw op Acropolis zal ingewijd worden, op te -dragen.” - -„Hoe?” riep Aspasia uit, „de nadenkende steenhouwer zal nu ook als vrij -scheppend beeldhouwer zijne krachten beproeven?” - -„Ja zeker,” hernam Socrates. „Wel is waar hebben Phidias en Alcamenes -mij niets van het beeldwerk voor het nieuwe Parthenon opgedragen, om -het zelfstandig uit te voeren, en toen ik verzocht mij zulken -verhevener arbeid toe te vertrouwen, ben ik door Alcamenes met dien -spottenden lach afgewezen, dien hij zoo meesterlijk verstaat. Bij Zeus, -ik heb zoo goed als iemand van Phidias geleerd, den volkomen eironden -vorm van het gelaat te teekenen, het hoofd klein, maar fijn en schoon -geëvenredigd te vormen, voorhoofd en neus op bijna gelijke lijn te -plaatsen, de wenkbrauwen in scherpe trekken te doen uitkomen, het oog -rond en diep uit te hollen, de neusvleugels zacht af te doen loopen, de -kin mollig te ronden, haar en baard golvend voor te stellen. Niet -altijd wil ik ruwe marmerblokken houwen en gedachten van anderen, als -een machinaal werkman helpen belichamen. Ik wil een wijgeschenk -scheppen en trachten met kunstvaardige hand een zelfopgevat, helder, -rein begrip in den steen door de beeldende kunst voor te stellen.” - -„Welk zelfopgevat, rein begrip is het dan, dat gij, zooals ge zegt, in -het marmer wilt belichamen?” vroeg Aspasia. - -„Daar zult gij wel van hooren,” hernam Socrates, „het betaamt immers -niet over den arbeid van een leerling te spreken, alvorens gij van het -werk des meesters, van de Goddelijke Pallas Athene, zooveel gezien -hebt, als heden daarvan te zien is.” - -Pericles en Aspasia verlangden zeer datgene van Phidias’ werk te zien, -wat gereed was. Phidias echter zeide: - -„Gij zult thans slechts brokstukken daarvan zien, want zooeven werd het -kleimodel stuk gezaagd, zooals dat vereischt wordt voor kunstwerk in -goud en ivoor.” - -Pericles en Aspasia echter zouden voorloopig voldaan zijn, als zij dit -mochten zien en op hun verlangen geleidde Phidias hen met Socrates en -Alcamenes naar eene der ruime zalen. Daar wees hij hun een houten -voorwerp, waaromheen de gedaante der Godin uit goud en ivoor, evenals -vleesch en vel, moest worden aangebracht. Naast de arbeiders, die bezig -waren het kleimodel van het grootsche werk in stukken te zagen, zag men -anderen, die olifantstanden, van uitnemende schoonheid en grootte, -zooals Indië die voortbrengt, in dunne platen te zagen, waarvan elk -weder zorgvuldig bewerkt moest worden om een der deelen van het model -uit te maken. - -Pericles en Aspasia beschouwden met aandacht de geweldige brokstukken -van den doorgezaagden Colossus. - -Ook deze brokstukken gaven aanleiding tot nadenken en gelukkigerwijze -was juist het hoofd der Godin nog geheel en ongedeerd. Dit konden zij -dus naar hartelust beschouwen en zich laten medeslepen door de hooge -gedachtenvlucht des meesters, die zich in de heerlijke, diepzinnige -trekken dezer nieuwe „Pallas Athene des vredes” openbaarde... - -Wat in dat beeld zich afspiegelde, was de geestelijke kracht, het was -het licht van het heldere verstand, dat opstijgt uit de diepten. - -„Zoo schoon en diepzinnig, als het gelaat der Godin ons daar -tegenstraalt,” zei Pericles, „schijnt zij ons waarlijk als eene die -niet uit eene vrouw is geboren, maar voortgekomen is uit het hoofd van -haar vader Zeus.” - -„In het hoofd echter,” viel Socrates in, die naar het rechte begrip der -dingen steeds zocht en onmiddellijk van die opmerking partij trok, „in -het hoofd zetelen, zooals bekend is, de gedachten. Wat is dus Pallas, -die uit het hoofd haars vaders voortgekomen is, anders dan de bezielde -en belichaamde gedachte van Zeus? O, gij gelukkige, door de Goden rijk -gezegende Phidias, die geroepen zijt het hoogste, dat er bestaat, de -gedachte voor te stellen!—Ik arme stumpert, ik zoek naar haar mijn -leven lang, de reine gedachte en zou haar gaarne door mijn peinzen uit -het hoofd van Zeus in het mijne overbrengen, evenals eene spattende -vonk, maar ik kan haar maar nooit vatten. En Phidias hier neemt slechts -een beetje leem, een beetje klei en kneedt ze, en onder zijne handen -ontstaat uit het leem een beeld, dat mij de oogen verblindt, wanneer ik -het aanschouw en mij dwingt uit te roepen: „Dat is de gedachte—de -gedachte van Zeus!”—Dat echter Phidias gelijk heeft, wanneer hij de -gedachte, zooals hij die daar belichaamd heeft, Pallas Athene noemt, de -schitterende schutsgodin van alle Grieken, vindt duidelijk zijne -verklaring in de meeningen der wijzen over de gedachte en der dichters -over Pallas Athene. Afgezien van de bekende geboorte uit het hoofd van -Zeus, verzekeren de dichters aangaande Pallas Athene, dat zij -maagdelijk, voorts ook dat zij van eene mannelijke en vrouwelijke -natuur tevens is, geheel in tegenstelling met de Godin der liefde, die -niets met de gedachte gemeen heeft, maar geheel opgaat in de schoone -gewaarwordingen en in de onbewust voortbrengende werken der liefde. Wie -echter zal loochenen, dat ook de gedachte maagdelijk en mannelijk en -vrouwelijk te gelijk is? De gedachte is koel, als het licht der -sterren, en blijft zelfgenoegzaam in hare reine, heldere sfeer; slechts -haar tegenhanger, het gevoel, is enkel gloed en brengt voort en gaat op -in de werken der liefde. En het ontzetting verspreidende Gorgonenhoofd, -’t welk de dichters en de beeldhouwers op het schild der Godin Pallas -Athene plaatsen, wat is het toch anders, dan de afschuw van den -overwonnen nacht, welke de zegevierende gedachte als tropee in haar -schild voert? Zoo is het dan aan geen twijfel onderhevig, dat Phidias -de gedachte heeft willen voorstellen, opdat wij echter ook steeds mogen -zeggen als het ons beter voorkomt, dat het hoofd daar vóór ons het -hoofd is van de Godin Pallas Athene...” - -De ernstige Phidias glimlachte bij deze woorden; Alcamenes echter viel -den spreker in de rede en klopte hem met goedkeurenden blik op de -schouders en prees zijne woorden. Aspasia zei: - -„Wanneer Phidias, zooals gij beweert, Socrates, de macht der ijle -gedachten heeft willen belichamen, heeft hij wellicht, terwijl hij ze -schiep, niet eens aan die gedachte gedacht”— - -„Dat wedervaart andere vaders ook wel eens,” hernam Socrates. - -„U overkomt dat zeker nooit!” riep Alcamenes met schalkschen lach den -denker aanziende. - -„Neen,” hernam Socrates, „maar waarom maakt gij u ten mijnen koste -vroolijk? Denken is beter dan niet te denken. Mogen de Goden al hun -lievelingen het beste in den droom beschikken, wij moeten steeds -trachten ons met wakkere zinnen te behelpen. Gij hebt u ongetwijfeld er -over verwonderd, Aspasia, dat ik u zoo dikwijls naar het wezen der -liefde heb gevraagd. En toch kon ik niet anders. Evenals Phidias het -zegevierend licht der gedachte in het beeld van Pallas Athene heeft -belichaamd, zoo zou ik in een beeld van Eros de liefde willen -teruggeven. Gij zult toch zeker niet beweren dat Eros een verachtelijke -God is; vele wijzen noemen hem zelfs den oudsten en eersten van alle, -en wanneer de liefde, naar het schijnt, boven alles een streven, een -zoeken, een verlangen is, dan mag ik toch wel zeggen, dat die God -eigenlijk de mijne is. Om echter nauwkeuriger met hem bekend te worden, -ben ik, gelijk gij weet, dikwijls vragend en onderzoekend bij de -menschen rondgegaan.”— - -„Dat is waar,” viel Alcamenes lachend in, „gij zijt meer op de Agora en -op de zuilengaanderijen en andere openbare plaatsen te zien geweest, -dan hier in Phidias’ werkplaats. Deze man schijnt waarlijk door eene -bijzondere onrust gedreven te worden. Eerst hakt hij een halven dag als -een dolleman op zijne marmerblokken, dan laat hij eensklaps zijne -gereedschappen vallen en staart peinzend een uur lang voor zich uit. -Dan springt hij op en loopt weg en komt in een halven dag niet terug. -Gij wilt een Eros beitelen? Nu, zeg dan toch wanneer? Weet gij wel, -mijn waarde, dat onze meester Phidias u den traagsten zijner leerlingen -noemt?” - -„Ik weet het,” hernam Socrates, „maar ik herinner mij ook, dat gij ook -niet zelden den beitel wegwerpt en wegijlt, met of zonder voorwendsel, -en, evenals ik, de liefde naloopt, naar men zegt, zonder toch eigenlijk -veel naar haar begrip en karakter te vragen.”— - -„Gij hebt gelijk,” hernam Alcamenes lachend, „ik vraag in ’t geheel -niet naar haar begrip. Maar wie zegt u, dat ik altijd de liefde naloop, -als ik mij uit de werkplaats verwijder?” - -„Niet altijd gaat gij zelf weg,” zei Socrates, „soms zendt gij slechts -een handlanger of zelfs den dollen Meno, als hij hier juist -rondslentert, met briefjes aan de schoone Corinthische Theodota.”— - -Wederom lachte Alcamenes en Socrates vervolgde: - -„Mijn vriend Anaxagoras heeft den hartstocht der liefde eene ziekte -genoemd: ik weet echter niet of zij eene gewone ziekte is en met -artsenijen moet behandeld worden, of eene goddelijke, zooals de -geestvervoering der dichters of de verrukking der Delphische -priesteres. Dat de God der liefde vleugels moet hebben en eene -knapengestalte, weet ik: hoe ik hem overigens moet voorstellen, ernstig -of vroolijk, met de oogen naar boven of naar beneden gericht,—waarlijk, -ik zou gaarne willen weten, Aspasia, hoe gij het zoudt aanleggen de -liefde voor te stellen, als gij een der onzen waart in deze werkplaats -van Phidias.” - -„Ik zou het niet gaarne beproeven haar voor te stellen,” zei Aspasia. -„De liefde is een gevoel, en een gevoel heeft geene gestalte. Waarom -wilt gij voorstellen, wat geene gedaante heeft? Stel in de plaats van -de liefde, datgene wat de liefde opwekt, het beminnenswaardige, het -schoone. Want dit heeft eene gestalte en is vleeschelijk zichtbaar en -tastbaar en met alle zintuigen waarneembaar. En gij behoeft niet eerst -lang te peinzen en rond te gaan bij de menschen, om er naar te vragen, -maar slechts eenvoudig na te maken wat uw oog het schoonst en -bekoorlijkst aandoet.” - -Socrates dacht eenige oogenblikken zwijgend na en sprak toen: - -„Niets is juister, dan wat gij zegt, Aspasia. Ik zal Eros laten varen -en trachten de Chariten te beitelen. Want dezen zijn het toch ook nu -weder, waarop gij al zoo dikwerf mijne aandacht vestigt, als op de -eigenlijke Godinnen der schoonheid en bekoorlijkheid. Aphrodite is wel -is waar schoon, maar zij is niet alleen de Godin der schoonheid, ook en -veel meer de Godin der liefde: in haar wezen is de schoonheid reeds met -de liefde gemengd; bij de Chariten echter is zij nog rein en vrij op -zich zelve en, om mij zoo uit te drukken, zelfgenoegzaam in hare -goddelijkheid. Ik zal dus de Chariten beeldhouwen en als wijgeschenk -aan de Godin van Phidias op de burg plaatsen. Maar evenals vroeger de -liefde, moet ik nu op alle mogelijke wijze de schoonheid onderzoeken. -Waar vind ik nu het schoonste en bekoorlijkste te gelijk, om het -„eenvoudig na te maken,” zooals Aspasia straks zeide?” - -„Wanneer gij het bekoorlijkste, dat men slechts zien kan, zoekt,” zei -Alcamenes glimlachend, „dan kan ik u een goeden raad geven. Tracht de -schoone Corinthische, van wie gij zooeven spraakt, te zien dansen.” - -„De Corinthische Theodota?” vroeg Socrates. „Ik heb de bevalligheid -harer dansen meermalen hooren roemen. Maar wie zou ons het genoegen de -Corinthische danseres te zien en te bewonderen, beter kunnen -verschaffen, dan gij zelf, Alcamenes, haar welsprekendste lofredenaar -en vriend?” - -„Waarom niet?” hernam Alcamenes opgeruimd. „Wie de hoogste -bekoorlijkheid, die de gestalte eener vrouw in dansen, vol uitdrukking, -kan ten toon spreiden, wil genieten, die moet naar Theodota gaan zien -en ik zal een ieder, die het wenscht, zonder afgunst den toegang tot -dit genot openstellen.” - -Deze woorden van Alcamenes waren niet zonder geheime boosaardigheid -tegen Aspasia. Met opzet roemde hij in tegenwoordigheid van Pericles’ -vrienden en Pericles zelven de bevalligheid en bekoorlijkheid van eene -andere vrouw. - -De schoone danseres en hetaere Theodota was door toedoen van Alcamenes -van Corinthe naar Athene overgekomen. - -De aanleiding daartoe was zeer eigenaardig geweest. - -Toen namelijk Alcamenes gemerkt had, dat hij van het bezit van Aspasia, -waarvan hij zich vroeger zeker geloofde, moest afzien, was hij door -eene heimelijke spijt en ergernis tegen de preutsche Aspasia -aangegrepen. Maar hij was te jong, te opgeruimd, te luchthartig, dan -dat om dit verlies het heimwee knagen zou aan zijn gemoed; zijn streven -was slechts hierop gericht een werkelijk geluk, een werkelijk -liefdegenot voor datgene, wat hij zich te vergeefs had voorgespiegeld, -in de plaats te stellen. - -Een zeer rijk Corinthiër had hem een klein beeldwerk in marmer -opgedragen. Alcamenes had zich van die opdracht gekweten en het -voltooide werk naar Corinthe gezonden. De Corinthiër was verrukt over -de bekoorlijkheid en zeldzame bewerking van dit stuk en schreef -Alcamenes dat hij voor dit meesterwerk elke belooning, die hij maar -wilde, kon ontvangen; wat ooit de wensch zijns harten geweest was, zou -hem gegeven worden. - -Daarop schreef de jonge beeldhouwer met zijn gewonen overmoed aan den -Corinthiër het volgende terug: - -„Het is bekend, dat gij in uw rijk en weelderig Corinthe sedert lange -tijden de schoonste „vriendinnen” hebt, die in geheel Hellas te vinden -zijn. Daar gij mij voor mijne marmeren groep elken wensch wilt -bevredigen, verzoek ik u mij die schoone, welke tegenwoordig te -Corinthe den grootsten roep heeft, op uw kosten voor eene maand naar -Athene te zenden en haar mede te deelen, dat zij voor die maand mij -uitsluitend als model moet dienen voor mijne beeldwerken.” - -De rijke Corinthiër lachte, toen hij deze regels las en weinige dagen -later bevond zich de schoonste hetaere van Corinthe, de danseres -Theodota, te Athene bij Alcamenes. - -Alcamenes was er zeer mede in zijn schik en heugde zich een maand lang -in het bezit van de geroemde schoone, op kosten van den rijken -Corinthiër. - -Toen de maand verstreken was en de verplichtingen der schoone Theodota -ophielden, gevoelde zij weinig lust naar Corinthe terug te keeren, zij -had Athene lief gekregen en besloot daar te blijven. - -Alcamenes bleef voor haar eene bestendige vriendschap koesteren en -roemde haar bij allen, die het hooren wilde, als de schoonste vrouw van -Hellas. - -Hij verzuimde nooit er bij te voegen, dat zij bekoorlijker was, dan de -alom geprezene Milesische Aspasia, die meer door sluwheid dan door -schoonheid Pericles in hare netten had gevangen. - -Toen nu Alcamenes in tegenwoordigheid van Aspasia die woorden tot lof -van Theodota tot Socrates sprak, begreep zij aanstonds de bedoeling van -den gekrenkten jongen man. Zij bemerkte, dat hij heimelijk hare -ergernis wilde opwekken door eene andere schoone te prijzen, vooral in -de tegenwoordigheid van haar zelve en Pericles. Met de snelheid en -gevatheid van den vrouwelijken geest had zij oogenblikkelijk hare -gedachten geregeld en haar besluit genomen. - -Onder de overwegingen, die snel als de bliksem door haar geest gegaan -waren, was ook deze geweest, welken indruk wel de door Alcamenes -gesproken woorden op het ontvankelijk gemoed van Pericles hadden -gemaakt. Zij overdacht, dat Pericles op de gedachte kon komen, de -schoone Corinthische te gaan zien en aan deze begeerte zou voldoen -zonder het gezelschap zijner vriendin. Dat Pericles in hare afwezigheid -Theodota zou ontmoeten, kwam haar niet wenschelijk voor; minder beducht -was zij, als zij zelve bij die ontmoeting tegenwoordig ware. Zij wist -wat zij tegenover alle andere vrouwen in de weegschaal kon leggen. Wat -Alcamenes betrof, meende zij zijne booze handelwijze niet beter te -kunnen straffen, dan door hem te toonen, hoe weinig zij om dergelijke -plagerijen gaf. - -Bij deze afdoende gronden voor haar besluit kwam nog een laatste; zij -zelve verlangde vurig de door Alcamenes zoo hoog geprezene Corinthische -schoone te zien. - -Zoo was het tot geene geringe verbazing van Alcamenes, dat zij zelve -zijn aanbod om ieder, die het verlangde tot haar te voeren, aannam. - -Opgeruimd en onbeschroomd sprak zij: - -„Als gij, Alcamenes, in staat zijt, ons den weg te openen tot het -schoonste en bekoorlijkste, wat gij kent, tot de danseres Theodota, dan -ware het dwaasheid van Pericles, Socrates, mij zelve en iedereen, die u -hoort, u niet aanstonds aan uw woord te houden, en u niet uit te -noodigen zonder dralen eene zoo aanlokkende belofte te vervullen.” - -„Ik onderstel,” hernam Alcamenes gevat, „dat gij, schoone Aspasia, -zoowel uit uw eigen naam, als ook uit dien van Pericles en Socrates, -hebt gesproken.” - -Pericles bedacht zich een oogenblik, doch verklaarde toen, dat hij -geene bezwaren had tegen het verlangen der schoone Aspasia. „Wij gaan,” -zeide hij, „dezen weg alleen in gezelschap van Socrates en om -zijnentwil: een wijze te volgen, kon toch nooit iemand tot schande -strekken.” - -„Onze vurige Alcamenes,” zei Socrates, „is een vriend van rassche en -koene besluiten. Zie, hoe hij zich reeds verheugd de handen wrijft en -naar zijn Thessalischen hoed grijpt. Ik wed, dat hij ons nu geen rust -meer laat, maar zich vast voorgenomen heeft, oogenblikkelijk langs den -kortsten weg uit Phidias’ werkplaats naar de woning der schoone -Theodota te voeren.” - -„Juist zoo,” antwoordde Alcamenes levendig. „Onze meester Phidias is -onder ons laatste gesprek reeds weggeslopen. Ik raad u hem niet door uw -afscheid te storen in zijne berekeningen en overpeinzingen. Hier in de -nabijheid is een uitgang, de deur is open, de straat vrij, de woning -van Theodota niet ver—laat ons gaan!” - -Het huis van Theodota was weldra bereikt. - -Men behoefde niet te vreezen, dat men de schoone ongelegen kwam. -Alcamenes ging even binnen, om het gezelschap aan te kondigen. Hij -keerde aanstonds terug en verzocht zijnen vrienden hem te volgen. - -Hij voerde hen in de binnenvertrekken van Theodota. Deze waren met -overdadige weelderigheid ingericht. Overal bevonden zich zachte -aanligbedden met purperen kussens, de grond was met mollige tapijten -bedekt; welriekende geuren stegen uit sierlijke schalen omhoog. Een bed -met purperen behang werd door de bevallige liefdegoden gedragen. -Sieraden en gewaad lagen in schilderachtige wanorde rondom verspreid. -Zachte sandalen, haarbanden, kostbare gordels, blanketdoozen, -zalfdoozen, ringvormige spiegels van blank gepolijst metaal met rijk -versierde handvatsels, bekoorlijk schoone zonneschermen en -veelkleurige, bladvormige waaiers, Cypria’s geheele tuighuis; te midden -daarvan kleine kunstwerken uit brons of marmer, deels geschenken van -Alcamenes, aarden werktuigen met goud en ivoor ingelegd, verwelkte en -frissche kransen van allerlei soort: dat alles maakte in zijne bonte -mengeling bij den eersten aanblik een overweldigenden indruk op de -binnenkomenden, een indruk, die door de welriekende geuren van het -vertrek werd versterkt, terwijl van een der mollige bedden de schoon -versierde hetaere zelve opstond, om haar gasten welkom te heeten. - -Theodota was schoon. Het haar was ravenzwart, het oog donker en vurig. -De trekken waren fijn. Zij was sterk geblanket, de wenkbrauwen kunstig -afgerond, de lippen rooskleuriger, dan zij in werkelijkheid waren. Zij -droeg een gewaad met bloemen geborduurd en met rijken tooi beladen. -Haar gewaad werd om het midden van haar lijf te zamen gehouden door een -vergulden gordel met rijk versierden gesp en van allerlei smaakvolle en -kunstige kostbaarheden voorzien. Haar hals, haar boezem, hare armen, ja -zelfs hare voeten boven de enkels waren versierd met tooiselen, -flonkerend van granaat of barnsteen. Ook het kleine, welgevormde oor -prijkte met bellen van eene bekoorlijke schoonheid. Om het hoofd had -zij een met paarlen bezaaiden metalen band. - -„Ik heb,” zei Alcamenes tot zijne bezoekers, „Theodota reeds verteld, -waarom gij hierheen gekomen zijt en wat gij van haar verlangt.” - -„Alcamenes is wel dwaas,” zei Theodota glimlachend, „dat hij zoo opeens -zulke aanzienlijke onverwachte gasten bij mij binnenleidt en mij geen -tijd gunt om ze waardig te ontvangen.” - -„Gij hebt geen tijd daarvoor noodig,” zei Alcamenes, „gij zijt immers -steeds dezelfde, en niet uwe woning geldt ons bezoek, maar u en uwe -bekoorlijkheid en uwe kunst.—Een wijs en ernstig man ziet gij hier voor -u,” vervolgde hij op Socrates wijzende, „en hij brandt van verlangen u -te zien en uw dans te bewonderen. En meer nog aan dezen wijzen man, -Theodota, hebt gij het te danken, dan aan mijne vurige woorden, dat -heden zelfs de groote Pericles en de gevierde, kunstlievende Aspasia -uit Milete over uw drempel gekomen zijn, om zich met eigen oogen van -uwe beroemde kunst te overtuigen.” - -„Wat?” riep Theodota uit, „voor een wijze, voor een groot en vermaard -staatsman en voor eene uitverkorene mijner kunne, die, naar het schijnt -alle andere vrouwen van dezen tijd in schoonheid overtreft, moet ik het -wagen mij te vertoonen en het weinige, wat ik vermag aan het oordeel -van zulke rechters onderwerpen?” - -„Maak u niet ongerust, Theodota,” zei Pericles, „Alcamenes heeft u -geprezen en Alcamenes weet het schoone op te sporen.” - -„Inderdaad,” voegde Socrates er schalks lachend aan toe, met een -zijdelingschen blik op Aspasia, „hem ontmoet het schoonste altijd het -eerst.”— - -„Dan moge hij het verantwoorden,” zei Theodota. „Preutsch te zijn voor -wien dan ook ter wereld en te weigeren mijne kunst ten toon te -spreiden, mag mij niet in de gedachte komen. Gij wilt mij zien dansen, -gelijk honderden voor u wenschten, en ik wil dat verlangen bevredigen. -Beschouwt u als mijne meesters. Wat wilt gij dat ik dansen en u daarin -zal voorstellen? Welke Godin? welke heldin? welke mythe of -geschiedenis?” Zij wendde zich met deze vraag vooral tot Pericles. Deze -echter antwoordde: - -„Vraag dat aan dezen wijze, want deze is opzettelijk hier gekomen met -bepaalde bedoelingen, zoodat het hem zeker zeer gewenscht zal zijn de -voorstelling van uw dans te mogen kiezen. Zeg het dus openhartig, -Socrates, wat gij wenscht dat Theodota zal dansen.” - -„Wanneer gij en Theodota zelve,” hernam Socrates na eenige oogenblikken -nagedacht te hebben, „de keuze aan mij overlaat, dan weet ik niets -beter dan Theodota te verzoeken den strijd der drie Godinnen [200] om -den prijs der schoonheid op den Ida te dansen.” - -„Wat een heerlijk genot als gij beurtelings als Aphrodite, Hera, en -Pallas Athene verschijnt en ons toont, hoe ieder van haar met dezelfde -en toch naar ieders karakter fijn veranderde middelen den herder op den -Ida zocht te betooveren en den prijs der schoonheid uit zijne hand -trachtte machtig te worden. Alcamenes heeft mij beloofd dat ik hier zou -ervaren, wat bekoorlijkheid is, en daarom willen wij Theodota -noodzaken, zoo bevallig en bekoorlijk mogelijk te zijn en op zooveel -verschillende wijzen, als maar denkbaar is.”— - -Nadat Theodota zich uit het vertrek had verwijderd, om aan haar gewaad -en uiterlijk die verandering aan te brengen, die overeenkwam met den -dans, dien zij zou voorstellen, zeide Socrates: - -„Wij zullen ons doel bereiken: want Theodota is niet als de meeste -schoonen, die slechts terughoudend en droppelsgewijs afmeten, wat zij -ons geven willen; maar zij zal ons, wat zij aan te bieden heeft, -ruimschoots schenken en alles op eens als uit den hoorn van Amalthea -[201] over ons uitstorten. Dan is de zaak afgedaan en kunnen wij naar -huis terugkeeren. Ik zie wel, dat Theodota lief en zacht is, maar niet -verstandig. Hoe zou Aspasia dansen, als zij wilde! Maar wie van ons, -behalve de Olympiër Pericles, heeft haar ooit zien dansen?”— - -Nu kwam Theodota terug, korter gekleed en in een gewaad dat haar in de -meest ongedwongen bewegingen niet belemmeren kon. Met haar trad een -knaap binnen met eene lier en eene fluitspeelster. Deze begon te spelen -en de knaap begeleidde haar met zijn snareninstrument. Onder die -klanken echter begonnen zacht de bewegingen van Theodota zich te mengen -en het was onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik zij begonnen was te -dansen. - -Zij danste, wat haar opgedragen was: eerst de strijd van Aphrodite om -den appel, den eereprijs in de handen van Paris, dan die van Hera en -vervolgens die van Pallas. Het was dezelfde dans, driemaal herhaald, en -toch steeds geheel verscheiden, overeenkomstig het wezen en karakter -der Godinnen. Zij scheen driemaal geheel veranderd. Bewonderenswaardig -was het te zien, welk eene afwisseling zij met hare levendige -bewegingen, sprekende oogen en doelmatige gebaren in dien strijd wist -te brengen. Nu eens scheen het verzoek een zacht smeeken, een zoet -vleien, een bekoorlijk dringen, eene verleidelijke bekoring, eene -belofte van den innigsten dank, dan weder een fier, der zege bewust -bevel, een meer gebiedend verlangen, dan ook een vleiend aandringen -soms eene listige poging om met verleidelijk geweld den kampprijs aan -de hand des rechters te ontwringen. Daarbij kon zij iedere -bekoorlijkheid van haar schoone gestalte in houding, beweging en -gebaren doen uitkomen. En daar ieder fijn uitgedachte, elke sprekende -trek driemaal voorkwam, steeds overeenkomstig het wezen der Godin, wist -men niet, wat meer te bewonderen, de rijkdom harer vinding en de -afwisseling van het geheel of de bekoorlijkheid en volkomenheid in elk -gebaar en iederen trek. - -Nog moet vermeld worden dat Theodota onder het dansen hare vurige oogen -vol van die afwisselende doch steeds smeekende uitdrukking schier -onafgebroken op Pericles gevestigd hield. Hem maakte zij tot het -doelwit harer mimiek, in hem scheen zij Paris te zien en uit zijne -handen scheen zij den kampprijs te willen ontvangen. - -Toen Theodota haar dans geëindigd had, zwaaide Pericles haar hoogen lof -toe over de bevalligheid en volkomenheid der kunst, waarmede zij zich -van hare taak gekweten had. - -„De taak, die gij de schoone Theodota hebt opgedragen,” zei Alcamenes, -„was niet zoo heel moeilijk: zij zou andere en veel zwaardere rollen -tot uwe grootere verbazing vervuld hebben. Zij is in staat niet alleen -de teederheid der duif en de woestheid van den leeuw, maar als het -noodig is, ook het zachte klateren eener beek of het opflikkeren van -het vuur of het suizend trillen van een boom na te bootsen.” - -„Ik twijfel er niet aan,” zei Pericles, „dat zij ook in staat is, als -die danser, dien ik onlangs gezien heb, zelfs de letters van het -alphabet, de eene na de andere, door het gebarenspel harer wonderlijke -lenige en teedere ledematen uit te drukken.” - -„En wat hebt gij ons van Theodota te zeggen,” vroeg Alcamenes, Socrates -op den schouder kloppende, die gedurende den dans geen blik van de -danseres had afgewend, en nu daar stond, naar het scheen, in diepe -gedachten verzonken. - -„Ik zal leeren dansen!” hernam hij ernstig. „Ik kende tot heden slechts -eene wijsheid van het hoofd en de gedachte; nu weet ik, dat er ook eene -wijsheid der handen en voeten is.” - -De omstanders lachten en meenden dat de peinzer met zijne gewone ironie -sprak. Doch Socrates ging voort: - -„De rhytmus is maat en maat is zedelijkheid. Zulk eene schoone rhytmus -van het lichaam als ons Theodota getoond heeft, moet noodzakelijk ’s -menschen geheele wezen met hart en liefde voor de schoone maat -vervullen. Men moet, als men dit eens gezien heeft, noodzakelijk al wat -plomp, ruw, gemeen en onbehouwen is verachten. Ik benijd u Theodota den -schoonen rhytmus dien gij in uw lichaam en uwe ziel bezit.” - -„Ik verheug mij zeer,” hernam Theodota glimlachend, „als ik dien -schoonen rhytmus werkelijk bezit en er anderen genot mede verschaffen -kan; want het is mijne bezigheid en mijne kunst te behagen en genot te -verschaffen. Deze kunst echter schijnt mij bij den dag in Griekenland -moeilijker te worden. Voor uw door de kunst verwend oog, is de schoone -natuur in de vrouw niet langer voldoende. Gij verlangt, o mannen, dat -wij ons tooien met iedere bekoorlijkheid der kunst, zoo wij u willen -aantrekken of aan ons boeien.—Intusschen,” voegde Theodota er met een -bekoorlijk lachje bij, „hoe zwaar gij ons vrouwen de kunst ook maken -moogt om te bekoren, ik zal niet ophouden dit beroep als het schoonste, -en met uw verlof, ook als het mijne te beschouwen.” - -„Klaarblijkelijk,” zei Socrates, „behoort gij niet tot die vrouwen, die -slechts aan een enkelen man zoeken te behagen en die men gewoon is -verliefden of minnenden te noemen.” - -„Neen, bij de Goden!” viel Alcamenes in; „tot deze behoort zij niet. -Zij is de schrik van alle dweepzieke jongelingen, die over liefde bij -haar komen zeuren. Gisteren nog beklaagden de jonge Damoetas zich bij -mij, dat gij hem de deur gewezen hadt, Theodota, omdat hij u te -zwaarmoedig geworden was.” - -„Ja, waarlijk,” hervatte Theodota. „Ik spot met de boeien niet alleen -met die van Hymen, maar ook van Eros. Ik ben geen priesteres der -liefde, maar een dochter der vreugde!” - -„Ik bewonder u, Theodota,” zei Socrates. „Want gij schijnt mij niet -alleen het schoonste, maar ook het menschlievendste aller beroepen -gekozen te hebben. Welk een zelfverloochening oefent gij uit, Theodota, -welk een zelfopoffering. Gij versmaadt het de lafenis te zijn in den -beker van een enkelen man, geëerd eene plaats in te nemen aan den -huiselijken haard, gij verkiest het als een dun wolkje in de lucht te -stijgen en heen te trekken over alle landen en u in een bloemenregen -van vreugde over de hoofden der menschen uit te storten. Gij doet -afstand van den huiselijken vrede, van de eer der gade, van het geluk -der moeder en den troost des ouderdoms, alleen om de vermeerderde -behoefte naar schoonheid en genot in den boezem der mannen van Hellas -te bevredigen. En niet alleen Hymen’s keten veracht gij—gij tart zelfs -met dartelen overmoed, ja schier met Prometheïsche [202] fierheid, de -toorn van Eros, den wraakgierigsten aller Goden. En het is u niet -onbekend, hoe kort de bloei der schoonheid en der jeugd duurt. Toch -staat gij daar, vol verloochening en zelfopoffering, als een bloeiende -boom in de maand Maart en zegt: „Plukt ze maar allen en schudt ze af de -bloesems mijner kortstondige lente en vlechte er wie wil een ruiker van -voor weinige dagen. Ik wil geen vruchtboom zijn, ik wil alleen bloesems -voortbrengen!”—Welk een opoffering, Theodota, welk een -zelfverloochening! Mogen de Goden en menschen u daarvoor zegenen en de -Chariten eenmaal uw lichaam onder rozen begraven!” - -Zoo sprak Socrates. - -Theodota bedankte hem met een bekoorlijken glimlach. Zij was maar al te -goed vertrouwd met de eigenaardigheden der verschillende menschen, dan -dat de taal van den zonderlingen man haar had kunnen bevreemden. - -„Gij schat mijne verdiensten te hoog,” zeide zij. - -„Ik heb nog lang niet alles gezegd,” hernam Socrates. - -„Dat moge u een rede zijn, eens weder te komen,” antwoordde Theodota. - -Zoo hielden zij beiden nog een poosje het gesprek gaande. Daar de -anderen thans er zich in mengden, werd het onderhoud levendiger en -Theodota vond gelegenheid om menigen vurigen blik op Pericles te slaan, -menig veel beteekenend woord tot hem te richten. - -Pericles beantwoordde dit op vriendelijke wijze, die hem tegenover -vrouwen eigen was. - -Aspasia nam de verhouding van beiden nauwkeurig waar maar zonder de -hartstochtelijke verblinding van andere vrouwen. Zij zelve predikte de -boodschap der vrije, vroolijke liefde en kantte zich openlijk tegen de -slavernij aan, niet alleen in den echt, maar ook in de liefde. -Bovendien wist zij, dat eene vrouw, die ijverzucht verried, verloren -was. Ook bleef zij zich van den afstand bewust, die Theodota van haar -scheidde. - -Theodota vervulde, zorgeloos daarheen levende, hare nimfenbestemming. -Aspasia zou nooit in zulk een beroep bevrediging kunnen vinden. -Oneindig ver was zij verwijderd van die zelfopoffering, die de -zonderlinge Socrates in zoo wonderlijke taal bij Theodota had geprezen. - -Zij offerden den bloesem harer lente niet aan het ruwe zingenot der -menigte op, zij had een heerlijker doel gezocht en gevonden; zij werd -bemind en beminde—ofschoon dan ook met die levenslustige, vrije -opwekkende liefde, die zij predikte. En wat de middelen betrof, te -betooveren, te boeien: Theodota schonk wat zij had zorgeloos weg en had -weldra niets meer te geven. Aspasia’s rijk, diep, gemoed was -onuitputtelijk. - -Toch achtte Aspasia het niet overbodig er op bedacht te zijn, hoe zij -hare medeminnares de gelegenheid om zelfs eene vluchtige en -voorbijgaande verovering te maken, zou kunnen ontnemen. Snel was in -hare ziel een plan gerijpt en het bezoek bij de schoone Corinthische -bleef niet zonder gevolg. - -Toen Pericles, Aspasia, Alcamenes en Socrates het huis van Theodota -hadden verlaten, vroeg de beeldhouwer zijn vriend: - -„Welaan, beste Socrates, wat hebt ge voor uwe groep der Chariten bij -den drievoudigen dans der bekoorlijke Theodota geleerd?” - -„Veel, wonderbaar veel,” antwoordde de aangesprokene. „Ik weet nu, wat -de trits der Chariten beteekent, wat ieder voor zich zelve en wat allen -te zamen uitdrukken. Maar het moet thans nog mijn geheim blijven; want -het is tijd den beitel ter hand te nemen en het marmer te laten -spreken. Gij zult ervaren, wat ik heden bij Theodota heb geleerd, -wanneer de groep mijner Chariten voltooid op de Acropolis staat. -Ontvang voorloopig mijn dank, dat gij mij vriendschappelijk op den weg -hebt geleid, dien ik bewandeld heb om der wille van die schoone en -wijze vrouw, die mij gelast heeft aan de Chariten te offeren.” - - - - - - - -IX. - -ANTIGONE [203] - - -Wanneer men in de lentemaand Elaphebolion [204] van het vierde jaar der -vierentachtigste Olympiade het huis van den rijken Hipponicus te Athene -voorbijging, zou men fluitspel en mannenstemmen, die zich oefenden voor -een reizang, kunnen hooren, daar het geluid uit het binnenste van het -huis voorkomende, tot op de straat doordrong. - -Hetzelfde kon men vernemen, als men het huis van den rijken Pyrilampes -en dat van den rijken Midas en dat van den rijken Aristocles en de -huizen van andere rijke Atheners voorbijging. Het scheen bijna, alsof -de beitelslagen wederom overstemd zouden worden door de tonen van -fluiten en het snarenspel en de stemmen van kunstvaardige zangers, die -de liederen der dichters zongen. Want het feest ter eere van Dionysus, -de Dionysiën, was wedergekeerd en daarmede de tijd aangebroken, dat de -Atheners, met achterstelling van alle belangen, zich bezig hielden met -de dramatische voorstellingen in het theater van Dionysus. - -De stukken waren, overeenkomstig het gebruik, door de dichters bij den -tweeden Archont ingediend. Deze had naar het oordeel van deskundigen -die stukken uitgekozen, welke het best geschikt waren voor de -opvoering; de tooneelspelers, welke daarin zouden optreden, werden op -staatskosten aangewezen en die rijke Atheensche burgers, die voor -ditmaal de „choregie” moesten betalen, kleeden, bekostigen en laten -oefenen, waren aangewezen om hun plicht te vervullen. De rijke -Hipponicus had een koor te stellen voor de Antigone van Sophocles, de -rijke Pyrilampes voor eene tragedie van Euripides [205], de rijke Midas -voor een treurspel van Ion, de rijke Aristocles voor eene komedie van -Cratinus [206] en wederom anderen voor andere stukken. Naar de -gewoonte, die langzamerhand te Athene heerschende was geworden, was er -een schier hartstochtelijke wedijver onder de choregen [207] ontstaan -en zij zochten met al de eerzucht, die den Athener eigen was, elkander -in nette, smaakvolle en prachtige uitrusting der hun opgedragen koren -te overtreffen. Den overwinnaar toch wachtte een krans, nauwelijks -minder benijdenswaard dan de kransen van Olympia en Pytho [208]. - -Geluid van stemmen en de klank der fluiten klonken wederom krachtig uit -het huis van Hipponicus, toen een rijzige gestalte met vluggen tred de -straat afkwam. Het scheen een vreemdeling te zijn; want hem volgde een -muildierdrijver, wiens dier met een reiszak beladen was. Het liet zijne -blikken in de straat weiden, als iemand die naar een bepaald huis -zoekt. - -Plotseling weerklonken de stemmen en muziek uit het huis van Hipponicus -in zijn oor. Hij luisterde een oogenblik, lachte toen tevreden en zei -tot den slaaf: - -„Wij behoeven het niemand te vragen. Dit en geen ander is het huis van -Hipponicus.” - -Met vluggen tred naderde hij het huis en wilde juist aan de deur -kloppen. - -Op dit oogenblik echter kwam een man van den tegenovergestelden kant de -straat op en ontmoette den vreemdeling juist voor het huis van -Hipponicus. - -Op het gezicht van dezen man toonde de vreemdeling zich aangenaam -verrast en terwijl gene met een vriendelijke glimlach op hem toetrad, -boog hij het hoofd een weinig achterover, lei de linkerhand op de -borst, hief de rechterhand op en galmde op hoogdravenden toon, alsof -hij reeds den cothurnus [209] aanhad, met volle stem de woorden: - - - „Zoo mijn geest niet dwaalt, - En ’t voorgevoel mij niet bedriegt, - En heldere blik mij niet ontbreekt,”— - - -dan geven de Goden een gunstig teeken, daar zij mij juist voor den -drempel van Hipponicus mijn edelen vriend doen ontmoeten, den -treurspeldichter Sophocles.” - -Daarmede reikte hij den dichter de hand, die haar greep en hartelijk -schudde. - -„Welkom, voortreffelijke Polus!” riep hij. „Wees welkom te Athene! Hebt -gij weder rondom in de steden van Hellas de menschen verrukt met het -geluid uwer stem op den hoogen cothurnus en nieuwen roem geoogst en -klinkende munt bovendien?” - -„Zoo is het,” hernam Polus. „Men heeft mij hier en daar eer bewezen, -waar men mij juist noodig had voor de feesten in Hellas’ steden. Maar -steeds toch weerklonk het in mijn hart: - - - „Daar wild’ ik heen. - Waar dicht begroeid ’t gebergt’ - Tot aan de baren reikt, waar - Sunions vlakke grond gelegen is. - Om Pallas’ heilge stad - Met blijden mond te groeten.”— - - -En toen mij nu te Halicarnassus [210] de boodschap gewerd van uw -Archont, die mij voor de Lenaeën [211] naar Athene riep en mij elk loon -beloofde, wat ik mocht verlangen en toen ik bovendien vernam, dat naar -uw wensch de eerste rol in uw nieuw treurspel mij was toegedacht, -snelde ik als op de vleugelen der liefde over de eilandzee; want -nergens toch rijg ik den cothurnus liever aan de voeten dan te Athene -en geen dichter wijd ik mijne kunst liever dan aan mijn besten vriend -en grooten meester Sophocles.” - -Nogmaals drukte de dichter den tooneelspeler hartelijk de hand. - -„Gij zijt ook mij steeds de meest gewenschte hulp,” hernam de dichter. - -„Daar binnen in het huis van Hipponicus,” vervolgde hij, „vindt gij de -choreuten en de koormeester en misschien ook reeds uwe beide -medetooneelspelers, Demetrius en Callipides. Hipponicus noodigde u op -dit uur in zijn huis, opdat wij allen te zamen zouden zijn, om de -rollen te verdeelen en alles in gereedheid te brengen, wat dienstig kan -zijn om aan ons treurspel de overwinning te verzekeren. Laat ons dus -binnengaan, Hipponicus wacht u met ongeduld.” - -De beide mannen klopten aan de deur en werden binnengelaten. Hipponicus -verwelkomde Polus met groote blijdschap en noodigde hem tevens uit, den -tijd, dien hij te Athene moest doorbrengen, zijn gast te willen zijn. - -„Wilt gij,” hernam Polus, „bij alle uwe moeiten en zorgen die gij thans -hebt, u ook nog dezen last op uwe schouders laden?” - -„Dezen nieuwen last,” zei Hipponicus, „gesteld dat het een last ware, -zou ik de moeite niet waard achten. Doch gij hebt geen ongelijk, als -gij zegt, dat ik tal van moeiten en zorgen te dragen heb, sinds de -Archont mij de choregie der „Antigone” heeft opgelegd. Eerst moesten de -noodige zangers en fluitspelers aangeworven worden en nu heb ik ze -allen in huis en die menschen moeten betaald en gevoed worden, en hoe -gevoed! met melk en honig en allerlei zoetigheden, opdat hun kelen niet -ruw zullen worden. Nachtegalen in eene kooi zou men niet met meer zorg -kunnen voeden en verplegen, dan ik het deze knapen doe. Dan moesten nog -de prachtige kostumen besteld worden en de sieradiën voor de choreuten -en gij weet wat tegenwoordig de Atheners op dat punt verlangen. Als zij -geen gouden kransen te zien krijgen en niet iedere pracht rijkelijk is -aangewend, dan valt er aan geen overwinning te denken. Ik geloof niet -dat ik er ditmaal onder de vijfduizend drachmen afkom. Maar ik zou -zelfs het dubbele besteden, als het noodig was, om den pauwenfokker -Pyrilampes de loef af te steken, die met een treurspel van den -vrouwenhater [212] Euripides de overwinning zoekt te bereiken. -Sophocles weet het reeds, maar gij nog niet, waarde Polus, wat die -kerel al gedaan heeft, om mij de zege te ontrukken. Eerst zocht hij den -Archont om te koopen, vervolgens trachtte hij mij de beste choreuten -afhandig te maken. Eindelijk heeft hij zelfs den koormeester heimelijk -geld geboden, om de koren slecht te laten instudeeren. En dat alles was -hem nog niet genoeg. Toen mijne sieradiën en prachtige kostumen in orde -waren en in den winkel gereed lagen, zoo heerlijk mooi, dat ze niet te -overtreffen waren, ging die kerel er heen en wilde den kleermaker -dwingen ze hem te verkoopen. Toen deze dat aanbod van de hand wees, -liet hij hem door zijne slaven afranselen en dreigde hem op eenen nacht -het huis met alles, wat daarin was, boven zijn hoofd in brand te -steken. Zoo handelt die ellendige Pyrilampes!” - - - „Getroost, getroost, mijn waarde!” - - -declameerde Polus met hoog pathos. - - - „Nog leeft hij in den hemel, - „Jupijn, die alles ziet en ’t al beheerscht. - Vertrouw hem toe uw bittre smart, - En haat noch vergeet in uw toorn, - Hen die u leed berokkenen!” - - -„Overigens,” vervolgde Polus, iets minder hoogdravend, „ken ik dien man -en zijne streken, Hipponicus, zeer goed. Gij dacht mij daaromtrent -beter in te lichten; maar ik kan u staaltjes mededeelen, hoe hij alle -middelen in het werk heeft gesteld om mij aan het treurspel van -Sophocles te onttroggelen. Uit zijn eigen zak beloofde hij eene groote -som aan den openbaren eereprijs toe te zullen voegen, als ik in de -tragedie van Euripides wilde optreden. Ik echter—ik stond als -Philoctetes [213] toen de sluwe Odysseus hem en zijn overwinnenden boog -naar Ilium wilde voeren: - - - „Nimmer en nimmer, wees daarvan verzekerd, - Nooit, zelfs niet als de verzengende bliksem - Mij met zijn gloed mocht verteren!”— - - -„Ik dank den Goden, Polus,” zei Hipponicus, „dat een man als gij, zoo -getrouw u aan ons aansluit; want een koor mag nog zoo voortreffelijk -zijn, als de tooneelspelers, die de staat aanwijst, niet deugen, -fluiten en sissen de Atheners.” - -„En ik dank den Goden,” hernam Polus, „dat gij het zijt, Hipponicus, -die het koor van Sophocles uitrust; want ook al dat de tooneelspelers -voortreffelijk zijn, maar het koor niet bovenmate prachtig is, dan -maken de Atheners met handen en voeten een oorverdoovend geraas, om hun -ongenoegen te kennen te geven.” - -Thans traden twee nieuwe gasten in het huis. Het waren de -tooneelspelers Demetrius en Callipides. Zij werden door Hipponicus -vriendelijk ontvangen en begroetten Polus, met wien zij zoo menigmaal -in de treurspelen van Sophocles het tooneel hadden betreden. - -„Ik zie nu,” zei Hipponicus, „dat alles wat tot de overwinning van de -„Antigone”, moet samenwerken, in mijn huis vereenigd is.” - -„Het instudeeren der koren,” zei Sophocles tot de tooneelspelers, „is -al lang begonnen; wij wachten u met ongeduld. Nu gij er zijt, willen we -niet dralen, maar onmiddellijk overgaan tot de verdeeling der rollen. -Vooreerst dan Antigone zelve: zij valt aan den speler der eerste rol -ten deel. En hierbij wees hij op Polus, den „Protagonist” [214]. Deze, -evenals zijne makkers, nam dat zwijgend aan, als iets dat van zelf -sprak. - -Maar Sophocles viel zichzelven in de reden en vroeg aan Polus: - -„Hebt ge wel van de schoone Milesische Aspasia hooren spreken?” - -Toen deze bevestigend antwoordde, vervolgde Sophocles: „Als wij naar -deze Milesische wilden luisteren, dan moest ik den Archont verzoeken, -mij eene vrouw voor de rol van Antigone toe te staan. Ik had met haar -een heftigen strijd, waarin zij ons gebruik om in vrouwenrollen mannen -te laten optreden, zeer gispte en beweerde, dat men de vrouwen moest -toestaan het tooneel te betreden. Te vergeefs beriep ik mij op de -maskers, die het gelaat bedekken en op den geweldigen omvang van den -schouwburg.” - -Polus lachte schamper. „Hoe?” riep hij daarop verontwaardigd uit, „toen -ik als Electra [215] optrad en aanhief: - - - O heilig licht, - O aether, die de aard omgeeft!”— - - -heeft toen iemand in mijne houding, in mijne stem, die uit het goede -masker voortkwam, de vrouw gemist?” - -„Niemand, niemand,” riepen allen uit één mond. - -„En toen ik de urn met de gewaande asch haars broeders [216] -hartstochtelijk aan mijne borst drukte,” vervolgde Polus diep ontroerd: - - - „Dierbaarst overschot, mij blijvend, - Van den liefsten aller menschen.”— - - -„Alle toeschouwers waren geroerd, bewogen, in tranen badend,” zei -Sophocles. „Nooit werd er op het tooneel eene stem gehoord,” vervolgde -Sophocles, „die roerender was, nooit eene, die vrouwelijker klonk, dan -de uwe!” - -„Ik hoop, dat gij daarmede niet zult beweren,” hernam Polus, „dat mijne -stem over het algemeen een vrouwelijken toon heeft? Gij herinnert u, -denk ik, mijn Aiax [217] nog wel: - - - „Ha, wee mij dat ik hen liet glippen, - Die snoodaards, die verwenschte schurken, - En in hun plaats, door waanzin aangegrepen - Onschuldige schapen en gehoornde stieren - Deed sneven door het flikkerend staal, - Hun donker bloed vergietend.”— - - -De stem van Polus scheen bij de voordracht van deze regels geheel -veranderd. „Dat is de diepste, geweldigste heldenstem!” riepen de -toehoorders in verrukking uit. - -„Hoe? en mijn Philoctetes?” vervolgde Polus; „mijn kreet van diepste -smart, toen het oude slangengif in mijne aderen brandde en mij schier -verteerde,—mijn „Ach! Ach! Wee mij! het komt—het komt.”— - -En wederom riepen allen: „Wat een stem vol lijden! Wat een natuurlijke -toon van den vertoornden, gefolterden, gepijnigden lijder!” - -„En dan,” ging Polus voort, „toen ik aan het slot der tragedie aanhief: - - - „Welaan, het uur van scheiden is gekomen. - Weest mij gegroet gij lachende dreven, - Gij bronnen en gij, zoetlavende drank.” - - -„Dat was een heerlijk oogenblik,” zei Hipponicus goedkeurend, „maar het -schoonste, wat ik van u gezien en gehoord heb, was toch toen gij als -Aiax op het tooneel stond en die overschoone alleenspraak hieldt.” - -„Gij bedoelt,” viel Polus hem in de rede, „toen ik in eene eenzame grot -vóór den zelfmoord het zwaard met de punt naar boven in den grond stak -[218]: - - - „Het moordend zwaard staat in den grond geplant, - Om ’t snelst mijn boezem te doorboren.”— - - -„Juist,” riep Hipponicus uit, „en toen gij eerst Zeus aanriept en dan -de maagdelijke Erinnyen en vervolgens Helios.” [219]— - -„O Helios,” viel Polus in, - - - „O Helios, als gij mijn vaderland bestraalt, - Houd dan uw goudgetooiden teugel in, - En breng de mare van mijn droeven dood.”— - - -„En toen gij,” ging Hipponicus in geestdrift voort, „ten laatste uw -geboortegrond nog herdacht en den vaderlijken huiselijken haard -aanriept en Salamis en de stad des roems, Athene, en uw stamverwant -Atheensche volk—toen gloeiden de harten van twintig duizend Atheners -van verrukking. Een fier gevoel van vaderlandschen trots doortintelde -allen en ieder gevoelde dat de afscheidsgroet van den stervenden held -ook hem gold. Tot nu toe waren zij geroerd geweest en in stilte -geschokt—thans barstten zij uit in een storm van toejuichingen, die u -gold en Sophocles en den Salaminischen held!” - -„Te recht, Hipponicus,” zeide thans Sophocles, „prijst gij Polus, maar -vergeet niet ook de verdiensten van Demetrius en Callipides te -erkennen. Ook zij zijn gevierd en geëerd in de steden van Griekenland; -ook zij hebben veel bijgedragen tot de zegepraal van verscheidene -mijner treurspelen.”—„U, Demetrius,” vervolgde hij, „draag ik voor -ditmaal den waardigen koning Creon op; aan den jongen Callipides Ismene -[220]. Er zijn nog een paar bijpersonen, die wel is waar slechts even -op het tooneel verschijnen, maar die ik daarom toch niet gaarne aan den -eersten den besten stumpert zou willen toevertrouwen.” - -„Voor den dag er maar mede!” riepen de tooneelspelers. „Ieder onzer is -bereid zoovele personen, als men slechts verkiest, op zich te nemen, -als zij maar niet te gelijk op het tooneel moeten verschijnen. Onder -het masker kan men elke rol vervullen.” - -„Daar hebt ge vooreerst Haemon, de minnaar van Antigone,” zeide -Sophocles, „hij treedt eerst op, als Antigone reeds ter dood is -geleid.” - -„Geef mij maar den minnaar Haemon,” riep Polus. - -„Callipides,” vervolgde Sophocles, „moet de rol van den blinden ziener -Tiresias op zich nemen. Dan is er nog een wachter en een bode. Deze -beiden hebben lange verhalen te doen. Verhalen nu moeten op het tooneel -altijd zoo voortreffelijk mogelijk voorgedragen worden. Niets is -vervelender, dan wanneer zij door iemand, die nauwelijks kan spreken, -uitgestameld worden. Ik heb daarom besloten deze beide kleine rollen -zelf te spelen. Ik ben toch bij mijne vorige stukken menigmaal op -dergelijke wijs opgetreden.” - -De tooneelspelers klapten in de handen van blijdschap, daar zij vereerd -waren, dat de dichter zelf met hen wilde medewerken. Ook Hipponicus was -er recht blijde om. - -„Eindelijk is daar nog Eurydice, de gemalin van Creon,” zeide -Sophocles. „Zij verschijnt slechts met weinige woorden aan het slot der -tragedie ten tooneele.” - -„Geef mij maar de Eurydice,” riep Polus. - -„Die is reeds vergeven,” hernam Sophocles. „Iemand die nog nooit het -tooneel heeft betreden, doch niet genoemd wil worden, wenscht de -Eurydice te spelen.” - -De nieuwsgierigheid van Hipponicus en de tooneelspelers werd door de -geheimzinnige gebaren van den dichter niet weinig geprikkeld. Doch hij -weigerde nadere inlichting te geven. - -Hij stelde toen aan tooneelspelers afschriften van het stuk ter hand, -gaf hun nog eenige wenken over de opvatting en uitvoering der rollen en -regelde de kostumen, waarin zij zouden optreden. - -Daarop stelde Hipponicus hun de vijftien choreuten voor, benevens den -koormeester en verzocht hen de oefeningen van het koor bij te wonen. - -Onder de muziek der fluiten begon men met plechtige liederen en den -plechtigen danspas, ter eere van den God [221] omdat de beteekenisvolle -dans om zijn altaar het begin was geweest van het drama. Nu schreden -zij rechts, dan links, nu stonden zij stil, dan weder vereenigden zij -zich, nu eens sneller dan weder langzamer zich bewegend, onder het -voordragen van de talrijke en heerlijke hymnen der „Antigone”. Gloeiend -van geestdrift gaf de didaskalos [222] de maat aan met de handen en -voeten, menigmaal zelfs, als de geestdrift hem overmeesterde, met het -geheele lichaam. De dichter trad herhaaldelijk tusschenbeide. Hij had -ook zijn best gedaan de zangwijzen der reizangen uit te denken en de -dansbewegingen van het koor passend te maken. Soms liet hij den -fluitspeler weggaan, greep het snareninstrument en begeleidde het koor, -om beter het gezang en de plechtige bewegingen te kunnen regelen. - -Evenals Sophocles bezig was in het huis van Hipponicus, zoo deed -Euripides in dat van Pyrilampes, Ion in dat van Midas, Cratinus in dat -van Aristocles en andere dichters in de huizen der andere choregen, als -veldheeren, die hunne troepen onderrichten en aansporen, allen begeerig -om den Dionysischen zegeprijs te behalen. - -De huizen der choregen waren als zoovele brandpunten, waaruit zich eene -gespannen verwachting en eene levendige belangstelling over de stad -verspreidde; in de overwinning toch van den choreeg waren ook zijne -verwante familiën betrokken en hare namen werden eveneens genoemd. De -spanning, waarin bij dergelijke gelegenheden gewoonlijk het Atheensche -volk verkeerde, had ditmaal een buitengemeen hoogen trap bereikt, daar -Hipponicus en Pyrilampes ongehoorde pogingen in ’t werk stelden, om -zich de zege te verzekeren, daarbij voegde zich de veete, die er -tusschen de beide mededingers bestond en die iederen dag in -handtastelijkheden dreigde over te gaan en eene onbeperkte stof aanbood -voor de praatzieke tongen der Atheners. De staatsaangelegenheden, de -zaken in den Piraeus, alles werd ter zijde gesteld; en al ware er juist -eene Atheensche vloot tegen den vijand in zee geloopen, men zou in die -dagen minder over haar hebben gesproken, dan over Hipponicus en -Pyrilampes. - -Zie, daar ontmoeten elkander op de Agora twee mannen, die op -vertrouwelijken toon van geheel andere zaken spreken, dan over de -vijandschap van Hipponicus en Pyrilampes. Het zijn Pericles en -Anaxagoras. - -„Gij zijt in gepeinzen verdiept,” zei de wijze tot zijn vriend; -„koestert gij nieuwe gedachten en plannen voor den staat of vervult -eene schoone vrouw uw hoofd?” - -„Wellicht beide,” hernam Pericles. „Hoe schoon zou het zijn, als men -een van die twee, de vrouwen, kon ontberen, om zich onverdeeld aan de -staatsbelangen of de wijsheid of eene andere, groote ernstige zaak te -kunnen wijden!” - -„Men kan de vrouwen ontberen—men kan alles ontberen,” zeide Anaxagoras -met nadruk en verdiepte zich in een betoog hoeveel beter het was, daar -men toch eigenlijk nooit iets waarachtig en bestendig bezitten kan, van -te voren van alles afstand te doen. - -Pericles luisterde geduldig naar den wijze, maar zijn gelaat drukte -duidelijk uit, dat hij niet van gedachte veranderd noch overtuigd was -geworden. - -„Wanneer gij nu eenmaal,” zoo besloot Anaxagoras zijn betoog, „de vrouw -niet missen kunt, dan is, wel beschouwd, de uwe, ik bedoel Telesippe, -toch even goed als iedere andere. Zij baart u kinderen. Wilt gij meer -van haar?” - -„Gij kent haar toch,” hernam Pericles. „Gij weet, hoe bijgeloovig zij -is en bekrompen van verstand en de vriendin van niet ééne Muze. -Misschien was dit nog te verdragen, indien zij zooveel zachtheid van -gemoed bezat als men haar bewijst. Maar deze vrouw is altijd -weerbarstig en vol vooroordeelen en aan mijne beste bedoelingen weet -zij altijd eene hatelijke uitlegging te geven. Wanneer ik vroeger -meermalen haar een keurig onderkleed ten geschenke gaf of iets -bekoorlijks, wat in huis of in de slaapkamer haar bevalliger maakte, -dan nam zij dit zeer kwalijk en vroeg: - -„Ben ik u dan niet meer mooi genoeg, dat gij zulke dingen voor mij -noodig oordeelt? Wanneer ik u niet beval, zooals ik ben, dan wil ik u -ook niet opgesierd bevallen.” Kan men dwazer en onvrouwelijker spreken? -Tooit niet zelfs de jongste, schoonste vrouw zich gaarne voor haren -geliefde en is het niet eene natuurlijke begeerte van den minnaar of -den echtgenoot, de beminde vrouw zoo bekoorlijk mogelijk te versieren? -In alle zaken, over het algemeen, die de liefde gelden, heeft ze altijd -die eigenzinnigheid gehad, die de schoonste vrouw onverdragelijk maakt. -Gij weet voorts, dat het mij eigen is zindelijkheid en reinheid tot in -het hartstochtelijke te drijven. Hoeveel harde woorden zijn er niet -tusschen ons gevallen over het varkenskot en het hoenderhok, dat zich -naar oud gebruik, vlak bij den huiselijken haard bevindt, dat mij een -gruwel is, doch haar zoo na aan ’t hart ligt. Het gevoel van viesheid -kent zij niet. Biedt zij mij niet de lippen tot een kus, bezoedeld met -het vuil of het kwijl, dat zij juist van het gezicht harer kinderen -heeft afgekust? Want in het vuil, ja zelfs in den uitslag harer -kinderen, als zij soms ziek zijn, zonder noodzakelijkheid met hare -vingers en lippen te wroeten, schijnt haar een natuurlijke en -noodzakelijke uiting te zijn der moederlijke liefde. Maar moet eene -moeder niet tegelijk gade zijn? Moet eene weldenkende en gevoelige -vrouw niet beide liefdeplichten weten te vereenigen en met -nauwgezetheid vervullen? En wat beteekent de moederlijke teederheid, de -aangeboren drift, die zij met elke wijfjesaap gemeen heeft, wanneer zij -alleen in de duistere neiging der natuur geworteld is, als zij niet -gepaard gaat met het goede inzicht, wat werkelijk voor de kinderen -nuttig is of niet? Hebt gij zelf niet dikwijls gevraagd: wat baat -natuurdrift zonder kennis en zonder de zedelijke wijding, die haar van -het dierlijke tot het menschelijke verheft!”— - -„Wat dit laatste punt aangaat hebt gij goed en verstandig gesproken,” -merkte Anaxagoras op. „Maar wat gij zeidet over die rokjes met schoone -franjes en schitterend van kleur en wat niet al, die Telesippe niet -wilde aannemen, dit is, verstandig beschouwd, dwaasheid en -verderfelijke weelderigheid. Zulke pronkerij is uit den booze. Een -vrouw is eene vrouw, zeg ik u. In naam der wijsheid laat af van alle -dweeperij voor de schoone Milesische Aspasia!” - -„Is het mijne schuld,” vroeg Pericles glimlachend, „dat de schoonheid -op aarde door de Goden sterker is gemaakt dan de wijsheid?”—— - -Op den dag van dit gesprek was er iets geschied, dat, zoo Pericles -toevallig met eigen oogen had gezien, hem verdrietig en bezorgd zou -hebben gemaakt, wellicht zelfs zijn geloof aan de voortreffelijkheid -der Milesische zou hebben geschokt en den vurigen gloed zijner -bezieling voor haar, als vuur door water, in een plotselingen rook en -walm zou hebben uitgedoofd. - -Van Aspasia waren naar den dichter Sophocles en van dezen naar de -Milesische herhaaldelijk geheime boden gegaan. Ja, eens had men den -dichter zelven in het schemerend avonduur heimelijk het huis van de -schoone vriendin van Pericles zien binnengaan. - -Thans gebeurde het, dat Aspasia naar hare woning terugkeerende, door -een man werd vergezeld, dien loerende buren in de schemering voor -Pericles hielden. - -Doch het was Sophocles. Voor de deur harer woning stonden beiden een -oogenblik stil. Overwegen zij soms of de begeleider den drempel zou -overschrijden of terug zou keeren? Eindelijk vroeg de dichter met zijne -zachte welluidende stem aan de schoone Milesische: - -„Wat is heiliger de vriendschap of de liefde?— - -„Heiliger is toch wel in ieder bijzonder geval, zij die de oudste -is,”—zei Aspasia glimlachende en de raadselachtige vraag op even -raadselachtige wijze beantwoordende.— - -Nadat deze woorden onder hen gewisseld waren, nam Sophocles afscheid en -keerde terug, terwijl Aspasia hare woning binnentrad. - -Op den morgen na deze kleine gebeurtenis begaf zich de ziener Lampon -naar het huis van de hem toegenegen zuster van Cimon. Hij kwam van de -Acropolis waar hij wederom geruimen tijd met Diopithes had gefluisterd. - -Nauwelijks was de priesterdienst, om welke Elpinice den ziener had -ontboden, ten einde gebracht of deze leidde met een geheimzinnig en -veelbeteekenend gezicht het gesprek op Pericles en Aspasia. - -Het manwijf en de ziener waren dikwijls gewoon de hun ter oore gekomen -praatjes en nieuwtjes elkander mede te deelen. - -„De Goden schijnen den trotschen Pericles te willen straffen,” begon -Lampon. - -„Wat is er dan geschied?” vroeg Elpinice in gespannen verwachting. - -„Voorloopig dit,” hernam de andere, „dat in het schemerlicht van den -avond heimelijk ook een ander naar de schoone vriendin van den Olympiër -sluipt.”— - -„Waarom niet?” zei Elpinice. „Zij is immers eene hetaere. Maar wie is -die andere?” - -„Pericles’ beste vriend, „de lieveling der Goden” zooals hij zich -gaarne hoort noemen, de vriendelijk lachende treurspeldichter uit het -vlek Colonos.” - -„Een vrouwengek,” riep Elpinice uit; „een vrouwengek en een oude -liefhebber, evenals Pericles zelf.—Maar dat is oud nieuws, wat gij mij -daar vertelt, vriend Lampon. Het is geruimen tijd geleden, dat men dien -dichter voor de eerste maal in het gezelschap van Pericles en Aspasia -heeft gezien. Het is overbekend, dat hij niet minder dan zijn vriend -voor die boeleerster in liefde ontvlamd is. Het vermoeden lag dus voor -de hand, dat hij naar haar toe zou sluipen. Maar wie heeft hem gezien? -Wie zal het op zijn woord getuigen?” - -„Ik zelf,” hernam Lampon. „Ik zelf heb hen gezien en hoorde zelfs in -het voorbijgaan een klein gesprek voor de huisdeur. En een tweeden -getuige, zoo noodig, bezorgt ons Diopithes.” - -„Dat is goed,” hernam Elpinice met innig genoegen. - -„Deze tijding, aan Pericles overgebracht, brengt zijne liefde voor de -Milesische den genadeslag toe. Deze liefde is het schandelijkst en -goddelooste, wat men hier in Athene vindt, en de Ionische hetaere is de -groote verleidster. Zij moet verwijderd, verdreven, ten gronde gericht -worden. Maar wie neemt het op zich Pericles die tijding te brengen?”— - -„’t Beste zou Theodota dat kunnen,” meent Diopithes. „Deze vrouw heeft -sedert eenigen tijd, en niet met ongunstig gevolg, hare strikken voor -den minnaar van Aspasia gespannen. En als zij het nu is, die hem het -bewijs van Aspasia’s ontrouw levert, kan zij deze daardoor het zekerst -verdringen en hare plaats innemen.” - -„Arme Telesippe!” riep Cimon’s zuster uit. „Het beste ware zeker, als -gij in ’t geheel geene medeminnares hadt; doch voor ’t oogenblik is -reeds veel, is reeds alles gewonnen, wanneer maar die Milesische uit de -deur wordt gezet.” - -„Zoo is het,” hernam Lampon. „Uit het hart van een man als die -Pericles, kan eene schoone en sluwe vrouw alleen door eene andere -schoone en sluwe vrouw verdreven worden. Theodota is veel minder -gevaarlijk dan Aspasia. Integendeel deze veile Corinthische is als was -in onze handen. Zij moet Pericles onder de belofte hem uitvoerige en -belangrijke mededeelingen aangaande de trouwelooze Aspasia te doen in -haar huis lokken. Dan volgt het overige van zelf.” - -„Wij zijn zeker, dat onze pogingen slagen zullen,” hernam Elpinice. -„Pericles heeft reeds een begeerig oog op haar geslagen. Ik weet het. -Hij is reeds eens in haar huis geweest, zij het ook in gezelschap der -Milesische, die overmoedig genoeg was, hem daarheen te voeren.”— - -„Op aansporing van Alcamenes,” zeide Lampon. - -„Deze heeft ons in de hand gewerkt. Ook hij behoort tot degenen, die de -Milesische haten en het met genoegen zullen zien, dat zij beschaamd, -vernederd en door Pericles verstooten wordt. Hij wil zich wreken op de -vrouw, die hem om Pericles heeft verraden. Lang vóór ons heeft hij het -voornemen opgevat, door Theodota de Milesische uit de gunst van den -gevierden man te verdringen. Hem ontbraken slechts de geschikte wapenen -tegen Aspasia. Wij willen hem die verschaffen. Wie echter zal nu -Alcamenes inlichten dat hij zich met de Corinthische moet verstaan, om -het plan te volvoeren?”— - -Elpinice dacht een oogenblik na, daarop sprak zij: - -„Laat mij daarvoor zorgen. Ik ken de bijpaden die wij moeten inslaan om -de boodschap juist, zooals wij verlangen, ter oore van de Corinthische -te brengen.”— - -Van dit oogenblik af had Aspasia zich niet alleen tegen Telesippe, maar -ook tegen Theodota tot een ernstigen kamp uit te rusten. - -Elpinice wendde zich tot Polygnotus; deze was met Agoracritus, -Aspasia’s bittersten vijand, bevriend. Agoracritus bracht de boodschap -van Lampon en Elpinice aan zijn makker in de werkplaats van Phidias -over en deze heethoofd vond de gelegenheid om zich op de trotsche -schoone te wreken te verleidelijk; hij had spoedig met zijne wakkere -vriendin een plan beraamd, om hun opzet te volvoeren. - -In deze wolken flikkerde dus de bliksemstraal, die geslingerd zou -worden om den liefdeband te verbreken tusschen den voortreffelijksten -man en de schoonste vrouw in Griekenland, de bliksem, die in de eerste -plaats heimelijk gesmeed was in de smidse, van den mokkenden, ouden God -Erechtheüs op den burg.—— - -De viering der Dionysiën was dartel en luidruchtig begonnen. De laatste -dagen van het feest waren aan den wedstrijd der tragische Muze gewijd. - -Lichte regenwolken dreven, terwijl de dolle comedie van Cratinus onder -de uitgelaten vreugde der toeschouwers werd opgevoerd, van den Hymettus -af over het Dionysus-theater en de opperpriester van Dionysus, die daar -voor het geheele volk op zijn heerlijken, met marmeren beelden -versierden zetel in de orchestra [223] zat, voelde een regendroppel op -zijn neus vallen, juist op het oogenblik dat de overmoedige Cratinus -tegen den persoon van den zelfden priester Agasthenes, onder het -luidruchtig gelach van alle Atheners, een gevleugelden pijl van zijn -Attisch vernuft afschoot. - -„Het begint te druppelen,” zei de opperpriester tot zijn buurman -Pericles: „mij dunkt, wij moesten het schouwspel staken.” - -„De wolk drijft over,” hernam deze lachend. - -Doch zie, daar snort een nieuwe pijl. En deze pijl trof zijn buurman -zelven. Alle Atheners lachten en keken naar Pericles, en Pericles -lachte mede. - -Maar een derde pijl snorde; hij trof de nieuwe Hera en den nieuwen -Olympischen Zeus, de Milesische Omphale [224] en den Atheenschen -Heracles... - -Wederom zagen alle Atheners naar Pericles. Maar Pericles lachte niet -meer. Eene wolk trok langs het voorhoofd van den Olympiër. De snorrende -pijl had Aspasia getroffen... - -Andere schouwspelen volgden en zoo ging voor de Atheners het grootste -gedeelte van den eersten dag voorbij. Verscheidene verwijderden zich, -om straks terug te keeren, velen hielden het tot het einde toe vol. De -gegoeden lieten zich door hunne slaven wijn, ooft en koeken tot -verkwikking brengen. - -Den volgenden dag begon alles opnieuw. Wederom zaten dertigduizend -Atheners op de steenen zitplaatsen van den Dionysus-schouwburg, de -omkranste overheidspersonen op afzonderlijke, schoon versierde, -marmeren zetels in de voorste rijen, de rijken op purperen kussens, die -zij zelven hadden medegebracht, door hunne slaven bediend, de armen met -eenige vijgen of uien in hun ransel, waarmede zij het den geheelen dag -moesten doen. Doch zoowel deze laatsten als de eersten gevoelden zich -als Atheners geroepen, om het schoonste te zien en spraken met groote -geleerdheid over Sophocles en Ion en Euripides en keken eens met -turenden blik naar de wolken des hemels, of niet eene daarvan de -feestvreugde van den dag zou verminderen of verstoren. - -Wederom hadden de eerste duizenden van het aanstormende volk zich in de -ruimte van het kolossale amphitheater als Pygmaeen verloren. Thans was -de geheele schouwburg van de bovenste rijen tot de onderste toe gevuld; -het scheen wel een reusachtige, kokende en bruisende menschenkrater. -Bijna bedwelmend en huiveringwekkend was het van de bovenste rijen neer -te zien op deze golvende zee van menschenhoofden. - -In die onstuimige dwarreling deed hoe langs zoo meer een dreigend -tumult zich hooren. Heden toch zou de fel ontbrande strijd tusschen -Hipponicus en Pyrilampes tot een beslissing komen. De partijen der -beide choregen schenen handgemeen te zullen worden. Als een hunner zich -te midden der toeschouwers vertoonde, klonken er kreten van vrienden en -tegenstanders, bijvalsbetuigingen en hoonend gesis. - -Onophoudelijk waren de agonotheten [225] en mastigophoren [226] in de -weer; telkens vlogen zij de trappen, die dwars door de zitplaatsen -liepen, op, om hier een twist te beslechten, daar een oproermaker tot -rust te brengen. - -De rustigste onder die woelige menigte was Socrates, de mijmeraar uit -Phidias’ werkplaats. Hij was ook gekomen, niet zoozeer om de -schouwspelen, als wel om de toeschouwers te zien en over hunne -handelingen na te denken. - -„Daar zitten dertigduizend Atheners in gespannen aandacht,” zeide hij -in zich zelven; „allen vol begeerte om eene verdichte geschiedenis te -hooren, om door valsche tranen en voorgewende smart zich te laten -roeren. Zij zijn als de kinderen, die met open mond naar sprookjes -luisteren, alleen met dit onderscheid, dat deze niet weten, dat zij -verzonnen zijn, genen echter het wel degelijk weten. Van waar komt toch -wel die zeldzame lust bij de menschen naar het nagebootste, het -verdichte?”—— - -De schoone Theodota zat onder de toeschouwers. Zij was op het -sierlijkst uitgedost. Haar oog was bijna onafgewend op den -strategenzetel gevestigd, waarop Pericles zat. Pericles kon zich niet -onthouden, van tijd tot tijd den vurigen blik uit hare donkere oogen te -beantwoorden. - -Eindelijk klonk boven het gonzen der menigte de helder klinkende stem -van den heraut uit, die stilte gebood. Nu werd een dankoffer gebracht -bij het altaar van Dionysus. Daarop deed opnieuw de stem van den heraut -zich hooren: - -„Het koor van Ion trede op!” - -Het treurspel van Ion werd door de Atheners aangehoord, toegejuicht, -geschat op zijn juiste waarde door hun aangeboren fijn gevoel. Een -tragedie van Philocles volgde. De uitspraak van den protagonist voldeed -niet aan het fijne Attische oor. Een onweerstorm van gelach, gemor, -snijdend gesis brak over hem uit. Het ontbrak niet aan spottende tongen -en trappelende voeten. Een blijspel kwam thans aan de beurt. Nu was de -spotter meester van het terrein, zelfs verheven boven alle Olympische -Goden. De meest onbedwongen scherts gaf zich lucht in de kunstige -rhythmen. - -Toen trad het koor van Euripides op. - -Het werk van dezen dichter bewoog de gemoederen. De vrouwen waren -geroerd door datgene, wat tot het hart sprak, de mannen meegesleept -door de schitterende gedachten, waarmede het geheele dichtstuk als het -ware doorwerkt en doorweven was, als gouden draden in een purperen -weefsel. Met kreten van verrassing en bewondering werd de schitterende -pracht van het koor begroet. Zoo iets had men schier nog nooit gezien. -Donderende toejuiching volgde, toen het stuk afgespeeld was. Pyrilampes -en zijne vrienden waren uitermate verheugd en waanden zich reeds zeker -van de overwinning. - -In den korten tijd, die er tusschen de voorstelling van dit treurspel -en den aanvang van het volgende verstreek naderde eensklaps een slaaf -den zetel van Pericles en reikte hem een toegevouwen blad papier. - -Pericles opende het en las deze woorden: - -„Sophocles sluipt in de avondschemering het huis van Aspasia binnen.” - -Pericles was getroffen. Wie had die regels geschreven?—Zij kwamen van -Theodota. Toen Pericles naar den brenger van dit korte en zonderlinge -bericht omzag, was deze reeds verdwenen.— - -Uit zijn ernstig denken wekte den strateeg de helderklinkende stem van -den heraut, die zich wederom deed hooren: - -„Het koor van Sophocles trede op!” - -En nu werd een treurspel der liefde voor het oog en het oor der Grieken -opgevoerd, een treurspel der liefde onder die drie gestalten, waarin -zij achtereenvolgens het menschenhart op zijn levensweg aandoet: de -zusterliefde, de liefde der bruid, de moederliefde. Ter wille van haar -geliefde broeder sterft Antigone, ter wille van de geliefde bruid -sterft Haemon en ter wille van den geliefden zoon sterft Eurydice.— - -Een lang, donker treurgewaad omhult der hooge gestalte van Oedipus’ -dochter. De maskers toonen ernstige, edele jonkvrouwelijke gezichten, -zacht en roerend klinken hare stemmen.—Antigone zweert haar broeder te -zullen begraven, dien koning Creon den honden en roofvogels tot eene -prooi heeft voorgeworpen; den ingeschapen, goddelijken plicht wil zij -vervullen, trots alle menschelijke inzettingen. - -Het koor van edele, Thebaansche grijsaards treedt voor, zijne eerste -reien ontplooien in purperen gewaad, vol Dionysischen luister, de -hoofden met goud getooid; daar klinkt de heerlijke, machtig -aangrijpende met zijne afwisselende rhythmen wegsleepende hymnus: - - - „Straal der zonne, wees gegroet.” - - -Koning Creon betreedt het tooneel in goud gestikt, purperen gewaad, het -voorhoofd met den diadeem versierd, steunende op een schepter, waarop -een adelaar zijne wieken ontplooit. Boven de gewone maat van den man -verheft hem de cothurnus, gebiedende waardigheid verleent hem het -masker, geweldig staat hij daar, zelfs voor het oog van den verst -verwijderden toeschouwer in de kolossale ruimte. Het recht van den -gebiedenden heerscher wil hij doen gelden tegenover de edele -jonkvrouw—zij echter kent slechts één hoogsten plicht, haar in het hart -gegrift: de liefde—en den koning, die de wreedheid tegen den broeder -met den rechtmatigen haat der burgers van Thebe tegen hem verdedigt, -geeft zij slechts dit eene onsterfelijke antwoord: - - - „Mij schiep natuur tot liefde, niet tot haat.” - - -En zij gaat heen om te doen, wat zij gezworen heeft en het recht der -levenden voor het recht der dooden ten offer te brengen. In een -ernstigen, verheven rei bezingt het koor de grootheid van den mensch en -zijne hemeltergende vermetelheid—en betreurt het erfelijke leed der -Labdaciden [227]; Haemon, Creon’s eigen zoon, komt en smeekt zijn vader -om het leven van Antigone, zijn teergeliefde bruid—doch de vorst houdt -streng vast aan zijn voornemen en als Ismene vraagt: - - - „Zult gij de bruid dan dooden van uw zoon?” - - -klinkt het harde antwoord: - - - „Ook andere velden nog beloven vrucht.” - - -Vertwijfelend ijlt de bruidegom weg, met een onheilspellend gelaat—en -nu weêrklinkt in het koor der edele Thebaansche grijsaards dat lied, ’t -welk gedicht werd op dien zonnigen dag, toen Pericles en Aspasia in den -lusthof van den dichter in het Cephissus-dal verwijlden: - - - „God der liefde, nooit bedwongen, - Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, - Waar uw pijl is ingedrongen, - Voor uw almacht buigen doet!” - - -Nu echter begint in afwisselenden zang van het koor, de roerende klacht -van Oedipus’ dochter, die gedoemd is, om levend neer te dalen in de -groeve—aandoenlijk, hartverscheurend klinkt de treurzang en bij dit -glanspunt der tragedie is ieder oog van de ademloos luisterende -Atheners vochtig van innerlijke aandoening. De jonkvrouw naöogend op -haar doodsweg, vermeldt de rei des grijsaards: - - - „Zoo werd ook Danaë aan ’t licht der zon - Ontrukt, in ’t koperen gewelf gesloten, - Waar als in ’t graf geen oog haar vinden kon.— - - -Tiresias komt, de onfeilbare, grijze ziener treedt op en spreekt eene -ernstige vermaning, om den onverzoenlijken te verbidden en eindelijk -buigen de onsterfelijken zijn onwrikbaren trots—hij laat, door een -vreeselijk voorgevoel aangegrepen, zijne vermetelheid varen—reeds roept -het koor in een vroolijken jubelzang den God der vreugde, Dionysus, -aan: - - - „Lievling der Thebaansche maagd - Zoon van Zeus, wiens donderslagen - Raatlend door het luchtruim jagen; - Kom, terwijl we in blijden zin - ’t Feestlied door uw stad doen schallen, - Zegenbrengend Theben in!” - - -Indrukwekkend klinkt die jubelzang na het sombere grafgezang—doch -plotseling versterven die juichtonen en maken opnieuw plaats voor het -grafgezang; want Antigone heeft zich zelve in de groeve van het leven -beroofd en haar lijk omklemmend is Haemon, door zijn eigen staal -geveld, met haar afgedaald in den nacht van den Hades. - -En nu verschijnt Eurydice, de gemalin van den weeklagenden Creon. Zij -verneemt de tijding van den dood van haar geliefden zoon. Uit den mond -van den bode hoort zij dat beiden vereenigd in den dood zijn gegaan in -de sombere groeve. Op de tijding van het uiteinde haars zoons breekt -haar moederhart. - -Geweldig greep dat doodsbericht uit den mond van den bode de gemoederen -aan. Doch nog aangrijpender klonken de weinige woorden uit den mond der -koningin, die zich als offer wil geven aan den dood. - -Ademloos luisterden de Atheners naar het wegsterven der laatste woorden -van dit grootsch en verheven treurspel: met eene strophe ter -aanprijzing der wijsheid eindigde het treurspel als met een verheven -slotaccoord. - -Groot en diep was de indruk, dien de tragedie van Sophocles, drie -liefdebanden en drie doodsoffers in elkander strengelend, op de -gemoederen der aandachtige Grieken teweegbracht. Zóó schoon was de -strenge, sombere ernst der tragische kunst nog nooit verzacht,—zóó -menschelijk was het verhevene, zóó verheven was het menschelijke door -niemand ooit uitgesproken. - -Maar ook nooit was in eenige tragedie zulk een overvloed van heerlijke -gezangen, zoo rijk en beteekenisvol over de toehoorders uitgestort; zoo -harmonisch volkomen tot in het kleinste had het Attisch tooneel nog -geene schepping gezien, zoo’n kunstvaardig en schitterend koor was nog -nooit voor de verzamelde Atheners opgetreden. - -Toen het koor van Hipponicus zich verwijderd had en de dramatische -wedstrijd geëindigd was, verhief het geheele volk met luide kreten -onstuimig zich ten gunste van Hipponicus, zoodat de kamprechters zonder -beraadslaging onverwijld den dichter der Antigone en zijn choreeg, ten -aanhoore der vergaderde menigte, die vol spanning de uitspraak -verbeidde, als overwinnaars in den tragischen wedstrijd uitriepen. -Sophocles en Hipponicus verschenen overeenkomstig het gebruik op het -tooneel, om voor de oogen van het volk uit de hand der kamprechters den -zegekrans te ontvangen. - -Onmogelijk is het de vreugde en den trots van Hipponicus te schilderen, -onmogelijk ook de verwoede verbittering van Pyrilampes en de zijnen. - -Toen Pericles den schouwburg verliet, ontstuwd door de ontzaglijke -menigte, zag hij te midden van het gedrang eensklaps Theodota aan zijne -zijde. Haar schoon gelaat was met de teederste blikken, met den -verrukkelijksten glimlach om den mond verleidelijk naar hem toegekeerd. -Zonder bemerkt te worden drukte zij hem een blad papier in de hand. - -Er stonden eenige regels op geschreven, Pericles las ze. - -De inhoud was als volgt: - -„Verlangt gij bericht omtrent Sophocles en Aspasia, kom dan tot -Theodota. Een slaaf wacht u onder de zuilen van den Tholus en zal langs -een geheimen weg u door een achterdeur in mijn huis geleiden.” - -Voordat Pericles er over kon denken, of hij deze uitnoodiging zou -aannemen, geraakte hij, verder wandelende, onder de schare van -Sophocles’ vrienden, die den dichter hartelijk geluk wenschten. - -Toen Sophocles hem zag, onttrok hij zich aan de gelukwenschingen zijner -vrienden en snelde hem te gemoet. - -Pericles, hoewel ontstemd en peinzend, wenschte den overwinnaar -eveneens van harte geluk. - -„Ik dank u,” zeide Sophocles, „doch spreek niet als vriend tot mij, -maar als kunstrechter.” - -Met moeite datgene, wat in dit oogenblik hem meer dan alles vervulde, -van zich zettende, sprak Pericles: - -„Weet gij, wat mij in uw treurspel reden tot nadenken heeft gegeven? -Het heeft mij, gelijk vele andere toeschouwers, bijna bevreemd naast de -banden des bloeds, dien den Griek sedert overoude tijden steeds heilig -zijn geweest, nu ook de banden der teedere min met gelijk recht, met -gelijke macht, met gelijken doodsernst in het treurspel geteekend te -zien. Levendig houdt deze nieuwheid mijn geest bezig, en nog weet ik -niet te zeggen, of gij daarin ten volle recht hebt.” - -Van dit onderwerp afstappende, vervolgde Pericles: - -„Waart gij het niet zelf, die onder het masker van den bode dat -aangrijpend verhaal van den dood van Haemon zoo plechtig schoon hebt -voorgedragen? Ik meende uwe stem te herkennen. Doch wie sprak de -woorden van Eurydice? Welke tooneelspeler stak achter het masker van -deze koningin? Ik weet niet, welke verwonderlijke, het gemoed heimelijk -aangrijpende betoovering de toeschouwers beving, toen gij beiden, gij -als bode en die koningin tegen elkander overstondt. Welke man, tenzij -Polus, zou dien wonderlijken klank der stem zoo heerlijk kunnen -weergeven?” - -„Ook Polus niet,” hernam Sophocles glimlachend. „Gij hebt straks van -nieuwigheden in mijn stuk gesproken; weet dan, dat bij deze -voorstelling ook eene nieuwigheid is gewaagd, waarvan tot heden geen -menschenziel afweet, behalve ik zelf en de eerlijke Hipponicus. Voor de -eerste maal, sedert Thespis [228] zijn kar in beweging bracht, heeft -heden op ons tooneel achter het masker eene werkelijke vrouw gestoken. -Wees gij nu de derde in het geheim en laat het tusschen ons drieën voor -alle volgende tijden bewaard blijven.” - -„En wie was die vrouw,” vroeg Pericles, „die het gewaagd heeft, zij ’t -ook onbekend, het tooneel te betreden? en het oude gebruik en de goede -oude zeden te trotseeren?” - -„Gij zult ze zien,” antwoordde Sophocles en verdween voor een -oogenblik; weldra keerde hij terug met eene vrouw, die zoo dicht -omsluierd was, dat ze onmogelijk was te herkennen. - -Sophocles voerde haar en Pericles iets meer ter zijde opdat zij -volkomen veilig zouden zijn voor de nieuwsgierige blikken der menigte. -Daarop sprak hij: - -„Is het nog noodig Pericles, dat zij zich ontsluiere, om de vrouw te -herkennen, die niet alleen de schoonste, maar ook de moedigste is van -haar geslacht?” - -Pericles was getroffen. - -„Ja, zij moet zich ontsluieren,” sprak hij op een koelen en ernstigen -toon. Met vaste hand trok de vrouw den sluier van het gelaat en -Pericles stond tegenover Aspasia. - -Hij kon geen woord uiten. De inhoud van dat briefje van Theodota scheen -dus waar te zijn geweest. Aspasia had, zooals nu duidelijk werd, zonder -zijne voorkennis heimelijk met den dichter samengewerkt, om het stoute -plan ten uitvoer te brengen. Hij kende de trouwe vriendschap van den -edelen Sophocles, doch Aspasia had een nieuw bewijs gegeven, dat haar -geest in dartele vrijheid met alle boeien spotte. - -Alles wat daar in het gemoed van Pericles omging, las Aspasia duidelijk -op zijn voorhoofd, in zijne zamengetrokken wenkbrauwen, in den donkeren -blik zijner oogen. - -En dit welsprekende zwijgen met haar gewone levendigheid -beantwoordende, sprak zij: - -„Frons uwe wenkbrauwen niet, Pericles, en boven alles vertoorn u niet -op uw vriend Sophocles. Door mij gedwongen, heeft hij die vermetelheid -begaan.” - -„Wees ook niet toornig op Aspasia,” viel de dichter haar in de rede, -„want weet, dat zij mij heeft doen inzien, dat de vriendschap heiliger -is dan de liefde, wanneer zij ouder is dan de liefde.” - -„Strijd tegen het overgeleverde is mijne roeping!” vervolgde Aspasia, -„en waarom zoudt gij dan op mij verstoord zijn, als ik niet minder -belang stel in de schoone poëzie van Sophocles, dan in de marmeren -beelden van Phidias’ werkplaats? Om de schoonheid en de vrijheid te -vinden, ben ik naar Hellas gekomen. Had ik slavernij gezocht, dan was -ik aan het Perzische hof gebleven en had een kwijnend leven -voortgesleept onder den matten liefdeblik van den grooten koning. Wat u -op dit oogenblik bezielt, Pericles, is een waan, een vooroordeel, eene -ergerlijke bekrompenheid, een vrije Helleen onwaardig. Verdrijf ze uit -uw gemoed, o Pericles!” - -Thans naderde hen Hipponicus, die Pericles en Aspasia uitnoodigde deel -te nemen aan het feestmaal, dat hij op een der volgende dagen wenschte -te houden, om op waardige wijze de overwinning van Sophocles en de -zijnen te vieren. - -De avond begon reeds te vallen, toen Pericles afscheid nam van -Hipponicus, Sophocles en Aspasia. Peinzend wandelde hij voort. - -Hij dacht aan Aspasia. Hij overwoog in zijn hart, wat zij zooeven had -gesproken. Hij moest haar volkomen gelijk geven. Geen kluister mocht de -liefde zijn, geen slavenjuk voor Aspasia. - -Maar ook voor hem zelve niet. - -„Gij kunt Theodota bezoeken,” sprak hij schier onhoorbaar; „het is -misschien niet goed een langen tijd onafgebroken zich aan één vrouw -over te geven.” - -De eischen van de fiere en vrije Aspasia schenen hem thans in volkomen -overeenstemming te zijn met de ernstige woorden van Anaxagoras. - -Nu kwam hem ook weder het briefje van de Corinthische te binnen en hij -dacht aan den slaaf, die hem onder de zuilen van den Tholus wachtte. -Het bericht, dat hem Theodota had gegeven, was hem nu door Sophocles -veel nauwkeuriger medegedeeld, dan Theodota het zou kunnen doen. Maar -zou zij misschien nog niet iets anders te zeggen hebben? - -Hij naderde de zuilen van den Tholus. De slaaf trad op hem toe en -voerde hem door eenzame steegjes tot aan een tuinhaag, waar hij een -klein poortje wilde opendoen. Pericles stond aan den drempel van -Theodota’s woning. Hij kon binnentreden. Niemand zag hem. De -nachtegalen kweelden in de boschjes van den tuin. - -Plotseling echter stond Pericles stil. Hij bedacht zich en bevond, dat -hem op dit oogenblik de lust om Theodota te spreken geheel en al -ontbrak. Hij verbaasde zich over zich zelven. Hij zeide tot den slaaf, -dat hij zijn bezoek tot een volgenden keer wenschte uit te stellen. -Deze keek hem verbaasd aan. Hij echter verwijderde zich met langzame -schreden en vervolgde zijn weg.— - -De maan was opgegaan en verspreidde haar zacht licht over de aarde. In -haar stralen schitterde de zee en een zilveren glans tintte de kruinen -van Attica’s bergen. De lucht was zoel en verkwikkend. Daar klonken op -eens in de verte de tonen, door de avondlucht gedragen, van den -heerlijken reizang uit de Antigone: - - - „God der liefde, nooit bedwongen, - Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed, - Waar uw pijl is ingedrongen, - Voor uw almacht buigen doet!” - - -Pericles in ’t oor. - -Jongelieden, uit den schouwburg terugkeerende, zongen stukken uit die -beroemde rei, die hen had verrukt en vroolijk gestemd in de zachte -avondkoelte. - -Eene andere onrust voegde zich bij de inwendige ontroering van Pericles -en bij zijne gedachten aan Aspasia. Hij benijdde bijna Sophocles en -Hipponicus de lauweren, die zij zich dezen dag om de slapen hadden -gewonden. Het was hem te moede, alsof hij het zwaard om de lendenen -gorden en een leger of vloot wilde verzamelen en voortstormen om -schitterende zegepralen te bevechten. De lange vrede begon hem roemloos -toe te schijnen. Een drukkend gevoel bekroop hem, waarvan hij echter al -peinzend voortwandelend bevrijd werd, toen hij de blinkende tinnen van -de Acropolis vóór zich zag opdoemen en de nagalm van den schoonen -Antigone-dag weder ruischte in zijne ziel. - -Hij was juist op de plaats gekomen van den hellenden weg, waar van den -eenen kant de geweldige, reusachtige graniet- en marmermassa van den -Dionysus-schouwburg zich verhieven in de diepte, aan den anderen de -rotsen van den burgtberg, beschenen door het licht der maan, majestueus -tegen de lucht afstaken. In de ontzachelijke ruimte van den schouwburg -heerschte de stilte van het graf, waar den geheelen dag door een zoo -bont en opgewekt leven zich had bewogen, waar de hoogste uiting der -Grieksche dichtkunst zich zoo plechtig hadden geopenbaard. - -Pericles zag neder in die diepte van den schouwburg en dan weder -richtte hij zijn oog naar de heldere hoogte van de Acropolis, waar de -tempel van Phidias begon te verrijzen. Zijn eigen persoon en lot -verdwenen naar den achtergrond, het wolkje op zijn voorhoofd dreef -voorbij, zijne borst verwijdde zich en uit deze diepte en van die -hoogte voelde hij zich door een geest van profetie bezield, die hem den -roem zijner vaderstad voorspelde en een adem van onsterfelijk leven -scheen er te zweven over zijn hoofd. - - - - - - - -X. - -DE KONINGIN VAN HET FEEST. - - -Toen Pericles, na de overwinning van Hipponicus en het daarop gevolgd -gesprek van Aspasia, eenige dagen door allerlei gevoelens, die de -vrijheidsliefde der Milesische in hem opgewekt had, bestormd werd, werd -telkens de gedachte bij hem levendig: „Ik zal aan de vriendelijke -uitnoodiging van Theodota gehoor geven. Waarom zou die Milesische vrouw -mij in kluisters slaan, die zij zelve niet kent?”—Doch als het beeld -van Aspasia weder oprees voor zijn geest, als hij dacht aan de vrije -fiere ziel van die vrouw, aan de mogelijkheid haar te zullen verliezen, -dan week zijne begeerte naar Theodota naar den achtergrond. Naast den -vurigen gloed, waarmede Pericles Aspasia beminde, kon die nieuwe -opwelling geen stand houden. Vooruit gezien, ja vooruit berekend was -deze uitwerking door Aspasia.—Maar Pericles ging voort met zich zelven -te bestrijden en aan nieuwe opwekking tot dien strijd zou het hem niet -ontbreken. - -Hipponicus, die alles opofferde, om van den luister zijns rijkdoms en -de pracht zijner feesten te doen spreken, had niet gerust, voordat -Pericles en Aspasia er in toegestemd hadden ook op het zegemaal te -zullen komen. - -Toen de bepaalde dag gekomen was, zag men in het huis van Hipponicus de -uitgelezenste hoofden, de schitterendste vertegenwoordigers van den -Atheenschen roem vereenigd. - -Pericles, Aspasia en de overige genoodigden waren nauwelijks -binnengetreden, of Hipponicus liet hen de pracht van zijn huis zien. -Hij leidde hen rond en toonde hun zijne vertrekken, zijne tuinen, zijne -baden, zijne worstelplaats—een gymnasium in het klein—zijne -vischvijvers, zijne schoone paarden, zijne honden, zijne zeldzame -vogels, zijne hanen en kwartels, die hij voor zijn genoegen hield, om -ze met elkaar te laten vechten. Hij wees hun het grafteeken, dat hij -voor een zijner gestorven honden van het Melitaeïsche ras had -opgericht. Hij zeide, dat zijn huis eene herberg was, steeds vol -gasten, dat hij dagelijks een dozijn parasiten aan zijne tafel -spijzigde. „Die knapen,” zei hij, „zijn zoo vet gemest, dat het mij -spijt, dat ik ze u vandaag niet kan laten zien. Want heden heb ik mij -voorgenomen, alleen de uitstekendste mannen van Athene aan mijne tafel -te vereenigen.” - -Een zijner gasten vroeg hem naar zijne gemalin, eene vraag, die niet -zeer bescheiden was. Hij antwoordde, dat zij wèl was, maar dat hij haar -in de vrouwenvertrekken niet storen wilde. Iedereen toch wist, dat hij -die vrouw alleen daarvoor gebruikte, om haar uit pronkzucht met -allerlei edelgesteenten en paarlen te behangen en haar naar de nieuwste -mode in een sierlijken wagen, met Sicyonische paarden bespannen, door -de straten te laten rijden. Voor ’t overige hield de oude -liefhebber—ook naar de nieuwste mode—er eene buitenlandsche vriendin op -na, en men zeide dat tegenwoordig de beroemde Theodota het voorwerp -zijner hulde was. - -Ook over zijne kinderen sprak hij tot zijn gasten, over zijn zoontje -Callias, die hij juist, naar hij zeide, naar Delphi had gezonden, om -zijn hoofdhaar te laten afknippen en dat volgens een oud gebruik aan -Apollo te wijden; voorts over zijn dochtertje Hipparete, wier -schoonheid en innemend karakter hij niet genoeg kon prijzen en van wie -hij zeer veel scheen te houden. „Dit kind,” zei hij, „groeit op tot de -schoonste en edelste aller Atheensche jonkvrouwen en het zal moeilijk -zijn eens een bruidegom, harer waardig, te vinden. Wat schoonheid -betreft, ken ik geen knaap in Athene, van wien men voorspellen kan, dat -hij als jongeling opgegroeid naast deze jonkvrouw zal kunnen gesteld -worden, behalve uw Pleegzoon, Pericles, den kleinen Alcibiades. Ik heb -hem een paar maal in de worstelschool gezien en deze knaap mag gerust -beweren, bijna onder de jongens te zijn, wat Hipparete is onder de -meisjes. Wat hun leeftijd aangaat, geloof ik, dat zij niet veel zullen -verschillen. Nu, wie weet, wat de Goden beschikken, als deze beide -knoppen eens opengebroken zijn! Wat dunkt u, Pericles? Doch, er is nog -tijd genoeg, om daarover te spreken.” - -Na deze en dergelijke gesprekken geleidde Hipponicus zijne gasten in de -groote, prachtig versierde eetzaal. Hier stonden in een wijden kring de -aanligbedden, waarop men gewoon was aan tafel aan te liggen. Het -behoeft nauwelijks vermeld te worden, dat de daarover gespreide -tapijten rijk en keurig bewerkt waren, dat de ronde kussens, waarop men -den arm kon doen rusten, met bonte kleuren afgezet waren, dat de -zilveren en gouden vazen, met edelgesteenten bezet, op de schenktafels -meer nog door bevalligheid van vorm, dan door hare kostbaarheid de -aandacht trokken, dat uit even sierlijke schalen de heerlijkste geuren -opstegen die de geheele zaal met een bedwelmende, aangename lucht -vervulden; dat de wanden beschilderd waren met beelden, vol levenslust -en bekoorlijkheid. Daar waren groepen en tooneelen te zien, waarin -tallooze liefdegoden waren voorgesteld, allen bevallig door duiven en -musschen gedragen. Nog merkwaardiger was de vloer. Bij den eersten -aanblik scheen zij bezaaid met den afval van een rijken disch: van -vruchtenschillen in de meest afwisselende kleuren, beentjes, -broodkruimels, afgesneden hanenkammen, bontkleurige vederen, kortom van -overblijfsels van allerlei soort. Maar wanneer men de vloer nader -beschouwde, zag men dat alle deze voorwerpen kunstig waren nagemaakt -door ingelegde bonte steenen in het fijnste mozaïek. Groote, schoone -beschilderde vaten waren tot verdere versiering op geschikte punten van -de ruime zaal geplaatst. Tegenover den ingang van het vertrek stond een -met bloemen bekranst altaar, waarop eene vlam brandde, die de -welriekendste geuren verspreidde. - -Hipponicus noodigde de gasten naar vrije keus zich op de aanligbedden -neder te vlijen. Eerst echter ging men zitten; slaven naderden met -schoon gevormde, zilveren bekkens en kannen, om vóór het begin van het -maal den gasten de schoenriemen los te maken, hun de zilveren bekkens -onder de ontbloote voeten te houden en daarover den inhoud der zilveren -kannen uit te gieten. Deze bevatten echter in plaats van water geurigen -wijn, die sterk was gekruid door vermenging van welriekende olie en -essencen. Eveneens werden de handen besprenkeld en vervolgens met fijne -doeken afgedroogd. - -De gasten van Hipponicus hadden, volgens de uitnoodiging van den -gastheer, zich twee aan twee op de aanligbedden nedergezet, naar het -toeval meêbracht of de vriendschap van een paar mannen, die gaarne -naast elkander wilden blijven. De waarheidszoeker Socrates had plaats -genomen naast den wijzen Anaxagoras; de beeldhouwer Phidias naast zijn -vriend, den bouwmeester Ictinus; de dichter Sophocles naast den -tooneelspeler Polus; de sophist Protagoras [229] naast den geneesheer -Hippocrates [230]. - -De sophist Protagoras vertoefde juist te Athene en had zijn intrek -genomen bij zijn gastvriend Hipponicus. Zijne aankomst te Athene had -groot opzien verwekt; want de roem van dezen man wies in Griekenland -van dag tot dag. Hij was een geboren Abderiet [231] derhalve een -Thraciër en toch eigenlijk een Ioniër, want Abdera was eene kolonie der -Ioniërs. In zijn vroegere jaren was hij pakdrager geweest, naar men -zeide, totdat een wijs man zijne kundigheden ontdekte en ze tot -ontwikkeling deed komen. Veel had hij rondgezworven, hij had zelfs uit -de wijsheidsbron van het oosten geput en nu rees hij op aan den hemel -van Hellas als een schitterend meteoor. Hij had verstand van alle -mogelijke zaken: van de gymnastiek, de muziek, de redekunst, de -dichtkunst, de kennis van hemel en aarde, de mathematische vakken, de -ethiek, de politiek en overal waar hij kwam vond hij een buitengewonen -toeloop van weetgierigen. Rijke jongelingen gaven de grootste sommen, -om van zijn onderricht te genieten. Hij was eene prachtige -verschijning, die het oog bekoorde, hij had de houding van een koning, -ging prachtig gekleed, en wegsleepend was de kracht zijner -welsprekendheid. - -Deze Protagoras nu zette zich naast den jongen, doch zeer ervaren en -scherpzinnigen arts Hippocrates neder, een neef van Pericles. - -Door eene zonderlinge bestiering van het lot had de afgetrokken -Polygnotus, die zich hier niet recht te huis gevoelde, den overmoedigen -blijspeldichter Cratinus, ook als drinker befaamd, tot nabuur gekregen. -Maar welk een hemelsbreed verschil er tusschen deze mannen bestond, één -punt van aanraking en overeenstemming hadden zij toch gemeen. Zij waren -de eenigen, die niet door vriendschapsbanden tot dit gezelschap -behoorden en alleen aan de eerzuchtige begeerte van Hipponicus, om -uitnemende mannen op elk gebied bij zich te zien, hunne uitnoodiging te -danken hadden. Cratinus was een spotter, wiens geestigheid, den bliksem -gelijk, het liefst de hoogst uitstekende punten trof. Hij had immers in -zijne laatste comedie zelfs Pericles en zijne schoone vriendin niet -gespaard. Polygnotus echter, de vriend van Elpinice, voedde een -heimelijken wrok tegen Phidias. En zoo keken dan ook Cratinus en -Polygnotus elkander hoofdschuddend aan, toen zij Aspasia, op -uitnoodiging van den gastheer, tusschen dezen en Pericles plaats zagen -nemen op een afzonderlijk aanligbed, waarop zij, naar de gewoonte der -vrouwen, rechtop zat, terwijl de mannen, met den linker arm op het -kussen steunende, op hunne linkerzijde aanlagen. Cratinus en Polygnotus -vroegen elkaar fluisterend, hoe het kwam, dat men hier eene -vreemdelinge, eene hetaere, zulk eene eer bewees. De overige gasten -dachten er anders over. Zij waren vrienden van Pericles, zij vormden de -schitterende schare zijner getrouwen, zij kenden de uitnemendheid en de -macht van Aspasia en verwonderden zich reeds niet meer over iets, als -het de Milesische gold. Wat Protagoras betrof, deze zag Aspasia wel is -waar heden voor het eerst, maar haar uiterlijk had hem van het eerste -oogenblik af zoo geheel en al betooverd, dat iedere gedachte eerder bij -hem zou opkomen, dan zich aan hare tegenwoordigheid te ergeren. - -Op een wenk van Hipponicus werd nu voor elk aanligbed eene kleine tafel -geplaatst; de spijzen werden deels opgedragen, deels rondgediend, en -het maal begon. - -Evenals het gezelschap van beroemde gasten in het huis van Hipponicus -eenig was, zoo had deze zijn best gedaan, dat aan zijne tafel niets zou -ontbreken, wat de Atheensche markt eere kon aandoen. - -„Wanneer ik,” sprak Hipponicus, terwijl zijne gasten zich aan de -heerlijke spijzen te goed deden, „mij heden het genoegen zie bereid, -zulk eene schare van uitgelezen mannen aan mijne tafel te vereenigen, -dan gevoelde ik mij verplicht, hen zoo kostelijk mogelijk te onthalen. -Maar gij weet, hoe ver wij Atheners het ook in de andere kunsten mogen -gebracht hebben, in de kunst van goed te eten staan wij nog zeer ten -achteren. En toch, meen ik, is de kunst van goed te eten volstrekt geen -zaak, die mag verwaarloosd worden. Ik voor mij heb er altijd eene eer -ingesteld voor een lekkerbek door te gaan en ik zou mij gelukkig -prijzen, als ik iets kon bijdragen, om de Attische keuken tot een -hoogere trap van volkomenheid te brengen. Ik zie een spottenden -glimlach de lippen van sommigen plooien, alsof zij wilden zeggen, dat -ons Athene iets dergelijks niet noodig heeft, dat het wel geroepen is -in andere kunsten aan de spits der volken te staan, doch niet in deze -kunst. Veroorlooft mij te zeggen, dat dit eene dwaling is. Want, als -gij u op ons uitnemend marmer, op onze voortreffelijke kleiaarde en -dergelijke dingen beroept, zal ik u gemakkelijk aantonen, dat gij ook -zout en olie en azijn en aromatische kruiden, die toch altijd de -krachtigste hulpmiddelen blijven in de handen van een kunstenaar in de -kookkunst, onder geen hemelstreek beter vindt dan bij ons. Om van het -Attische zout niet te spreken, dat in tweeërlei zin beroemd is, weet -ieder dat niets te vergelijken is met de vrucht van den Attischen -olijf, dat de kruiden van de Hymettus de geurigste zijn en dat juist -daarom de honig van dien Hymettus de kostelijkste is, die ergens is te -vinden. - -„Ik betreur het, dat ik om een waarlijk uitmuntenden kok te hebben, er -een uit Sicilië heb moeten ontbieden. - -„Deze echter, Anacharsis genaamd, is nu werkelijk een meester van -onovertroffen bekwaamheid en ik mocht hem wel den Phidias of Sophocles -der kookkunst noemen. - -„Niemand verstaat het zoo goed door voorgerechten den eetlust te -prikkelen. De sausen, waarin hij ons de worstjes, de wildezwijnenlever, -de kleine vogels en dergelijke heeft opgedischt, zullen zelfs den -fijnsten kenner bevredigen. Wat zijn meesterschap betreft in het -uithalen van tonijnen [232], alen, muraenen [233] en speenvarkentjes en -ze op de scherpzinnigste wijze tot streeling van het verhemelte met -lijsters, eieren en oesters op te vullen, daarvan kunt gij u heden zelf -genoeg overtuigen. Zijne hazen en reeën, zijne patrijzen en fasanten -zult gij even heerlijk vinden als zijne koeken met melk en honig -toebereid en met allerlei vruchten gevuld. - -„Gij hebt juist, ik herhaal het, de gelegenheid de kunst van dezen -voortreffelijken man te waardeeren; maar gij allen—en ik mocht er wel -bijvoegen, alle Atheners over het algemeen—gij zijt in uw gemoed steeds -te zeer met andere zaken bezig, om met waren kennerssmaak dit te -proeven en de waarde van deze kunst onbevooroordeeld te erkennen. -Eigenlijk zijn slechts de parasiten van professie werkelijke, degelijke -lekkerbekken en dankbare dischgenooten. Gelukkig groeit het aantal van -die kunstlievende mannen, die er hun vak van maken, om op andermans -kosten heerlijk te smullen, met den dag aan. Ik heb u reeds gezegd, dat -ik dagelijks een dozijn van die lekkerbekken aan mijne tafel vereenig -en ik kan ze niet missen; want het begint mij te vervelen al dat -heerlijke geheel alleen te genieten. Gij moest eens zien, met welk een -ernst die knapen hun vak opvatten, hoe zij smakken met de tong, hoe zij -de wenkbrauwen optrekken, als mijn kok hen met een nieuwe uitvinding of -met eene fijne, slechts voor den kenner merkbare verandering, in de -spijzen verrast. Zóó zijt gij nu waarlijk niet; integendeel terwijl gij -de grootste kunststukken van mijn voortreffelijken Anacharsis door uwe -keel laat glijden, denkt de een dit, de ander aan wat anders, Pericles -aan zijne staatszaken en aan eene nieuwe volksplanting, die hij wil -overbrengen, Sophocles aan een nieuw treurspel, Phidias aan de friezen -van het Parthenon, Polygnotus overdenkt, hoe men de wanden dezer -eetzaal nog sierlijker had kunnen beschilderen en Socrates ontleedt in -zich zelven een begrip, in plaats van den patrijs, dien hij op zijn -bord heeft.” - -Aldus gaf Hipponicus zijn gemoed lucht en zijne gasten lachten vroolijk -om de aanmerkingen van den goedhartigen gastronoom. - -Nu echter stond Hipponicus op en bracht het gebruikelijke plengoffer -met eene waardigheid, die hij als daidouchos te Eleusis niet plechtiger -kon ten toon spreiden. - -„Aan den goeden Geest gewijd!” [234] sprak hij en goot eenige droppels -ongemengden wijn uit de schaal op den grond, dronk toen zelf, liet den -beker opnieuw vullen en bij de gasten, rechts beginnende, rondgaan. -Gedurende dit plengoffer heerschte er eene plechtige stilte, slechts -twee fluiten begeleidden dit met ernstige, gedempte tonen. - -Daarop werden de kleine tafels weggenomen en de vloer gereinigd [235]. - -Toen vervolgens de drinkbeker gebracht, het groote mengvat geplaatst en -het nagerecht opgedragen was, met allerlei versnaperingen die den -drinklust konden opwekken, alsmede hoofdtooisels en geurige kransen van -rozen, viooltjes en myrthen binnengebracht waren, waarmede de gasten -hunne hoofden omwonden, werd de Paëan [236] ter eere van Dionysus -aangeheven en op het met bloemen bekranste altaar een offer van -vermengde wijn in de vlam gegoten, ter eere van alle Olympische Goden. - -„Gij weet, waarde gasten en vrienden,” sprak weder Hipponicus, „wat het -oude, schoone gebruik van ons verlangt. Wilt gij liever den symposiarch -[237] kiezen of wel hem door het lot benoemen?” - -Phidias, Ictinus, Anaxagoras en eenige anderen verklaarden zich er -tegen, dat men hem door het lot aanwees, want dan moesten zij vreezen, -naar zij zeiden, zelf benoemd te kunnen worden en zij gevoelden weinig -roeping den post van ceremoniemeester op zich te nemen. - -„Als het noodig is,” zeide Protagoras, „een symposiarch te kiezen, dan -weet ik niemand, wien we dit eerambt liever moesten aanbieden, dan aan -den aanzienlijksten van zoovele aanzienlijke mannen, aan den grooten -Pericles.” - -Deze bedankte met een glimlach voor die eer en zeide: „Kiest Socrates. -Die verstaat het, verstandige gesprekken te leiden; zou hij dan ook -geen symposion kunnen besturen?” - -Socrates echter antwoordde: „Ik weet niet of ik verstandige gesprekken -kan leiden of niet; dit echter weet ik wel, dat ook wanneer dit -werkelijk zoo was, het een onvergeefelijke aanmatiging van mij zou -wezen, ’t zij bij een gesprek, ’t zij bij een symposion, de moeilijke -taak der leiding op mij te nemen, in tegenwoordigheid van mijne -leermeesteres Aspasia, wier heerlijke wijsheid allen hier aanwezigen -genoeg bekend is. Ik geef toe, dat de gewoonte medebrengt, een -symposiarch te kiezen en dat Aspasia eene vrouw is; maar ik weet niet, -wat de kunne met de taak van een symposiarch te maken heeft? Hipponicus -verlangt, dat dit symposion eenig in zijn soort zij; welaan, laten wij -hem daarin behulpzaam zijn en kiezen we in plaats van een symposiarch -eene symposiarche.” - -Op het eerste oogenblik schenen de gasten door deze woorden verbluft, -doch weldra klonken van alle kanten levendige bijvalskreten. - -„Zonderling, maar misschien verstandig is het,” zei Aspasia, „iemand -tot hoofd der tafel te kiezen, die zelf het drinken niet verstaat.” - -„Met welken wijn,” ging zij voort, „zijn tot nu toe onze bekers -gevuld?” - -„Het is wijn van Thasos,” hernam Hipponicus, „Thasische wijn van de -beste soort, zooals hij geplengd wordt in het Prytaneüm [238] te -Thasos. Den kostelijken geur heeft de wijn uit zich zelven, maar den -zoeten smaak van het met honig gemengde weitemeel, dat men, naar een -voortreffelijk gebruik, in vaten heeft gedaan.” - -„Honigzoete, geurig gekruide wijn van Thasos!” riep Aspasia, „gij zijt -waardig op het welzijn gedronken te worden der beide mannen, wier -overwinning met dit maal gevierd wordt! Mijne vrienden, ledigt uwe -bekers op het welzijn van den gekransten choreeg en op dat van den -gelauwerden dichter der Antigone!” - -Met geestdrift begroetten allen dezen dronk en ledigden hunne bekers, -die op bevel der koningin van het feest opnieuw werden gevuld. - -„Thrax” [239], riep Hipponicus, tot een der bedienende slaven, „breng -de wijnkaart hier, die voor het symposion van heden bestemd is en geef -ze aan de symposiarche.—Op dezelfde lijst, Aspasia, vindt ge de spelen -en vermakelijkheden, waarover wij heden in dit huis beschikken kunnen. -Moge het u behagen tot ons genoegen telkens datgene uit te kiezen wat u -juist het schoonst en geschiktst voorkomt en het door een woord of een -wenk als met een tooverstaf voor ons te bezweren.” - -„Wilt gij mij eene cither laten geven?” vroeg Aspasia. „Ik zal mij als -symposiarche niets meer aanmatigen, dan den grondtoon voor de stemming -en de harmonie aangeven.” - -Oogenblikkelijk liet Hipponicus een slaaf eene met edelgesteenten en -ivoor rijk versierde cither binnen brengen. De schoone Milesische nam -ze aan en begon bij de tonen de volgende verzen te zingen: - - - „Lachend, met bloemen getooid, welriekend van Syrischen nardus, - Met Dionysischen dauw, schitterend, rooskleurig besproeid, - Laat ons met klinkende stem onder ’t getokkel der snaren verkonden, - Dat hij het schoonst is op aard, hij het hoogste: de lust!” - - -Daarop liet zij de luit aan Socrates geven. - -Deze echter zeide: - -„Daar het ook tot de taak van den symposiarch behoort, raadsels ten -genoege der gasten op te geven, heb ik aanstonds vermoed, dat Aspasia -onze scherpzinnigheid met zulke dingen op de proef zou stellen. Wat zij -daar juist, om den grondtoon voor ons symposion aan te geven, zooals -zij zegt, van den lust des levens onder begeleiding der snaren heeft -gezongen, wat is dat, wel beschouwd, anders dan een verleidelijk -raadsel, dat zij ons voorlegt? Deze schoone Milesische schijnt mij -inderdaad eene Sphinx [240] toe, met een afgrond naast zich, waarin zij -ons allen zal storten, als wij hare raadsels niet kunnen oplossen. Hoe -benijd ik thans den voortreffelijken Hipponicus! Want deze schijnt toch -zeker wel het best van ons allen den lust en het vroolijke genot des -levens te kennen en zoo wellicht alleen in staat dat raadsel van -Aspasia in de rechte beteekenis te verklaren en op te lossen. Want wat -iemand het best in de praktijk kent, dat zal hij wel het best kunnen -onderwijzen.” - -Levendig en vroolijk hunne goedkeuring aan die woorden te kennen -gevende, riepen allen: - -„Zoo is het! Hipponicus is de man, om ons over het genot en over den -lust des levens te onderrichten.” - -„Wanneer dan de vervelende bespiegeling van alle dingen bij dit -symposion niet geheel vermeden kan worden,” begon Hipponicus met een -schalkschen lach, „dan dank ik den Goden, dat het gesprek juist op dit -en geen ander onderwerp gekomen is. Want dit is werkelijk, zooals -Socrates zeide, eene zaak, waarover ik een woordje mag meespreken. Gij -herinnert u nog wel, hoe ik straks mijn best heb gedaan, u aan het -verstand te brengen, dat men bezwaarlijk het ergens ter wereld in de -kunst van goed te eten en te drinken verder zou kunnen brengen, dan -hier te Athene, als men maar wil. In het algemeen kan men de stelling -uitspreken, dat op dezen bodem en onder dezen Helleenschen hemel de -menschen geboren zijn, om gelukkig te zijn. Ik zal u echter ook -bewijzen, dat het bij ons in Griekenland gemakkelijk is het -aangenaamste leven met de wijsheid, de deugd of vroomheid of -godenverheerlijking of wat gij ook noemen wilt, te verbinden. Want de -Helleensche Goden verlangen al het mogelijke, alleen niet onthouding of -verloochening van de vreugde en het genot des levens. Zelfs van mij -verlangen zij dat niet, hoewel ik van een priesterlijk geslacht ben en -jaarlijks éénmaal bij de viering der Eleusinische mysteriën het ambt -van diadouchos moet waarnemen. Het overige deel van het jaar leef ik te -Athene voor het vaderland en mijn genoegen, zonder dat het de Goden en -niemand ter wereld zou invallen, mij daarvan een verwijt te maken. Als -de arme stumpert Diopithes daarboven op den burg mij vijandig is en -kwaad van mij spreekt, is het niet, omdat ik van eene keurige tafel en -schoone vrouwen houd en er goed van leef, ’t geen hij ook wel gaarne -zou doen, als hem de middelen er niet toe ontbraken, maar alleen omdat -het Eleusische priestergeslacht het zijne, de Eumolpiden, de -Eteobutaden, in luister en aanzien overschaduwd heeft. - -„Als Diopithes als een suffer leeft, dan doet hij dat uit vrijen wil; -de Goden der Hellenen bekommeren zich daar niet om en, hoewel ik er -eene betere tafel op nahoud, beroem ik mij toch even vroom en den Goden -even welgevallig te zijn als hij. Durft iemand beweren, dat ik geen -vroom man ben en de Goden niet eer, zoo goed als iemand te Athene? Zeus -Herkeios [241] heeft zijn altaar aan mijn huiselijken haard; in de nis -achter de deur staat Hermes Strophaios, de goddelijke bewaker van den -deurdrempel; vóór de deur staat het gewone Hecate-huisje [242], en de -kegelvormige zuil van Apollo Agyieus [243] den God der straten en -daarnaast de laurier, den God gewijd, tot eene beschutting tegen -tooverij en vallende ziekte, bij de deur zelve blijft van het eene -Pyanepsiën-feest [244] tot het andere de olijftak, symbool der -overwinning, hangen, dien men met witte wol omwonden in den -Apollo-tempel bij dat feest wijden laat; het ontbreekt ook niet aan -opschriften boven de deur, die het huis onder de hoede der Goden -stellen, noch aan den gebruikelijken Medusa-kop aan den anderen kant, -die al het booze van den ingang afweert. Ik verzuim noch de betamelijke -godenoffers, noch de reinigingen en verzoeningen, noch de gebeden, noch -de gaven, noch de rijkelijke bijdragen, om den luister der godenfeesten -te verhoogen en het heeft mij kort geleden weder vijfduizend drachmen -gekost, om het koor voor Sophocles’ Antigone zoo prachtig mogelijk uit -te rusten. Wie durft dus opstaan en zeggen, dat ik geen vroom man ben -en de Goden niet, naar oudvaderlijk gebruik, eer? Wij Grieken zijn een -vroom volk en ik ben een Griek. Daarom vereer ik de Goden, zooals -betamelijk is, maar ik vrees ze niet, ook al geniet ik het goede der -aarde. Want in den Tartarus [245] zijn er velen, die om verschillende -overtredingen de zwaarste straffen lijden, maar ik herinner mij niet, -dat er onder hen één is, die daar lijdt, omdat hij een gastronoom en -man van de wereld geweest is. Is er één onder? Neen, geen enkele! -Daarom nog eens: ik ben een vroom man en behoef de Goden niet te -vreezen. Ik vrees niets ter wereld, behalve de dieven en inbrekers, die -mij mijne schatten, mijne paarlen en edelgesteenten, mijne Perzische -gouden dariken [246] zouden kunnen ontrooven.” - -Alle dischgenooten begonnen vroolijk te lachen bij deze laatste woorden -van Hipponicus en klapten in de handen; hij echter vervolgde: - -„Daar bouwen ze wijselijk een schathuis voor de staatsgelden boven op -den burg, onder de bescherming der schutsgodin dezer stad. Maar hoe zal -een vaderlandlievend man, als een onzer, zijn zuur verdiend geld in -veiligheid brengen? Ik ontken het niet, dat sedert ik zesduizend slaven -in mijne zilvermijnen laat werken en mijne bezittingen dagelijks -toenemen, ik mij wat ongerust maak.”— - -„Troost u, Hipponicus,” riep Pericles, „ik zal bij het volk mijn best -doen, dat het u toegestaan wordt, een schathuis voor u zelven op de -Acropolis te bouwen. Gij hebt dit, zoo al niet door iets anders, dan -toch zeker door uwe prachtige rede verdiend, die gij straks gehouden -hebt.” - -Wederom klapten alle dischgenooten in de handen en prezen Hipponicus en -zijne rede. - -Alleen de dartele en onvermoeide drinkebroer Cratinus zeide tot den -gastronoom: - -„Wanneer gij, edele Hipponicus, werkelijk de Goden niet vreest, maar -alleen de dieven en niets anders ter wereld, dan de dieven, wat denkt -gij dan van de waterzucht en de andere gevolgen van een vroom en tevens -goed leven? En van het pootje, dat, zooals ik helaas bij ondervinding -weet, aan te rijke besproeiing met Dionysischen dauw pleegt verbonden -te zijn? Hebt gij ook hiervoor geen vrees? Of vertrouwt gij op dit punt -geheel en al uw vriend Hippocrates, den voortreffelijken arts dien gij -wijselijk aan uwe tafel pleegt te noodigen?” - -„Gij hebt het geraden,” hernam Hipponicus, „in deze dingen verlaat ik -mij geheel op Hippocrates, met wien ik, evenals met de Goden gaarne op -een goeden voet sta. Hem laat ik het ook over te beslissen of het -pootje en waterzucht en dergelijke zaken werkelijk komen, van wat men -noemt „het vette der aarde genieten.” - -„Niet geheel en al,” hernam Hippocrates glimlachend. „Het is wel is -waar niet te ontkennen, dat de inspanning en vermoeienis, die met een -goed leven gepaard gaan, waterzucht en dergelijke dingen veroorzaken -kunnen. Wat het genot op zich zelf echter betreft—en om het zuivere -begrip daarvan is het toch in ons onderhoud te doen—moet dit als een -zeer geschikt hulpmiddel ter bevordering der gezondheid beschouwd -worden. Het genot is namelijk eene eigenaardige lichaams- en -zielsstemming, hetwelk de wangen kleurt, de oogen verheldert, de -ademhaling gemakkelijker maakt, het bloed krachtig door de aderen -drijft, het trage veerkracht geeft, het vloeibare stolt, alle -levensgeesten opwekt, alle krachten vermeerdert en het geheele wezen -van den mensch in een staat van schoone, heilzame harmonie brengt. -Zelfs voor den kranke is de vreugde eene zoo heilzame artsenij, dat ik -niet weet of onder alle kruiden, pleisters en dranken, die wij -geneeskundigen bij zieken aanwenden een krachtiger middel is te -vinden.” - -Lachend gaven alle gasten hun instemming te kennen met deze woorden, en -alle dischgenooten deden eene gelofte, dat zij zich nooit aan een -anderen arts dan Hippocrates zouden toevertrouwen. - -„Wijze geneesheer!” riep de halfdronken Cratinus, „gij hebt mij ten -volle gerust gesteld. Nu is het mij helder: hoe had ik, dien zij een -vriend der flesch noemen, voornamelijk sedert ik eene comedie -geschreven heb, waarin gevulde flesschen, mijne vriendinnen, het koor -vormen, hoe had ik, zeg ik, de met genot van het drinken verbonden -kwalen tot op dezen huidigen dag zoo gelukkig kunnen trotseeren, zoo -niet de genezende kracht van het drinken op zich zelve mij op de been -had gehouden?—Ware ik ceremoniemeester, in plaats van die schoone -vreemdelinge, die zich vermoedelijk beter op de werken van de gulden -Aphrodite verstaat, dan op die van Bacchus, dan zou ik oogenblikkelijk -een dubbelen dronk instellen op den wijsten aller geneesheeren, den -grooten Hippocrates!” - -„Thrax,” riep Aspasia den naast haar staanden slaaf toe, „geef Cratinus -een beker, dubbel zoo groot als de onzen. En laat ons nu een dronk -wijden ter eere van Hippocrates!” - -Toen nu allen ter eere van Hippocrates gedronken hadden en ook Cratinus -zijn dubbelen beker geledigd had, nam Polus het woord: - -„Ik weet niet, hoe onder ons van daag over levensgenot kan gesproken -worden, zonder vóór alles aan de woorden te denken, welke gij in het -treurspel, welks overwinning wij vieren, uit den mond van den bode -vernomen hebt: - - - „Des menschen leven past het nooit te roemen, - Nooit over ’t onheil dat hem trof te klagen. - Want die het meest door rampen werd bezocht, - Dien beurt het lot vaak uit zijn lijden op, - En werpt hem die ’t gelukkigst scheen in ’t stof. - Geen ziener die des stervelings einde kent. - Doch alles is voorbij. Want als de vreugd - Den mensch ontviel, leeft hij geen leven meer, - Als een bezielde doode doolt hij rond. - Al is zijn huis met schatten opgevuld, - Al praalt hij in een vorstelijk gewaad. - Zoo hem ’t genot ontbreekt, acht ik dit alles - Niet hooger dan de schaduw van den rook!” - - -„Ik prijs de vreugde,” zei daarop Sophocles, „niet alleen omdat zij het -leven aangenaam, maar ook, omdat zij het schoon maakt. In de diepte des -levens heerscht veel sombers en verschrikkelijks en dikwijls is de -vraag gerezen, of het niet beter was niet te leven dan wel. Daar wij nu -echter leven, moeten we den afgrond des levens en zijne -verschrikkingen, zoo goed mogelijk, trachten te bedekken met de bloemen -der schoonheid en harer tweelingzuster, de vreugde. Nauw is de grens, -die om het menschelijk leven is getrokken; maar binnen deze grens -mensch te zijn is geoorloofd en tevens de reine menschheid in dien -kleinen tijdkring schoon en edel te ontwikkelen. Mensch te zijn wil -zeggen edel te zijn en zacht, en voor dat edele en beminnelijke zachte -is de grens de liefelijke maat, waardoor hij zijn aanzijn goddelijk -besteden kan. Even schoon als opgeruimd, even edel als zacht genoemd te -worden, zij der Hellenen trots!” - -„Ik dank u voor deze uitspraak,” zei Pericles. - -„Men heeft mij in den oorlog soms te zacht en toegefelijk genoemd, doch -ik geloofde juist als een Helleen te handelen. Als er weer gestreden -moet worden, te land of ter zee, zal ik van het volk der Atheners den -dichter der „Antigone” tot medestrateeg verzoeken.”— - -„Sophocles als strateeg?” riepen sommigen van het gezelschap. - -„Waarom niet?” zei Sophocles lachende. „Mijn vader toch was een -wapensmid. Dit is een voorteeken, dat ik voor strateeg geboren ben.” - -„Veel geluk er mede!” riep Hipponicus. „Maar meent ge, Pericles, dat er -spoedig weder krijgsvolk ingescheept zal worden en eene vloot zee zal -bouwen?” - -„Het is best mogelijk,” hernam Pericles. - -„Het is mij wèl,” hernam Hipponicus, „maar ik hoop Pericles, dat gij u -op geen ander admiraalschip lauweren zult verwerven, dan op datgene, -wat ik als triërarch zal uitrusten.” - -„Dat zal ik,” antwoordde Pericles. „Doch laten we niet de krijgshaftige -stemming den boventoon laten voeren bij een zoo vreedzaam feest. -Onvriendelijk zou het zijn, zoo wij niet vóór wij tot andere dingen -overgaan, den wijzen Anaxagoras vroegen, of hij hetgeen hier over het -genot is gezegd, verwerpt of goed keurt.” - -„Wanneer gij mijne meening verlangt te hooren,” zei Anaxagoras, „wil ik -u die niet onthouden. Wat gij daar te berde hebt gebracht, bewijst dat -het uw streven is van buiten af het schoone en goede en aangename tot u -te brengen, zooveel maar mogelijk is. Maar ik beweer dat de ware, de -rechte vreugde diegene is, welke niet van buiten komt, maar die welke -men als zijn innigst werkelijk leven in zich zelven bezit. Geluk is -niet hetzelfde als vreugde; en zoo weinig bestaat het geluk in de -dingen buiten ons, dat het veel meer, ja het best zonder deze bestaat. -Vrijwillig zich aan den algemeenen Wereldgeest te onderwerpen, den -eigen wil te dooden, dat is wijsheid en deugd en de waarborg tevens der -rechte vreugde, de vaste burgt der apathie, waarin de mensch zonder -begeerten, zonder hartstocht, zich zelven genoegzaam, zich zelfs -tegenover de machten van het noodlot overwinnelijk toont.” - -De woorden van Anaxagoras maakten een eigenaardigen indruk. Pericles -hoorde ze met die belangstellende aandacht, welke hij steeds aan de -uitspraken van zijn ouden vriend schonk. Over Aspasia’s voorhoofd -echter vloog een licht wolkje. Haar oog ontmoette dat van Protagoras. -Het was alsof de schoone vrouw en de sophist in elkanders oogen lazen, -wat er in hunne ziel omging. En toen nu de schitterende redenaar in den -zwijgenden kring rondzag, gereed om den wijsgeer te antwoorden, schenen -de stralen uit Aspasia’s oogen zijne gedachten te bezielen, zijne -woorden kracht en gloed te geven. - -„Streng en hard,” begon hij, „klinken de woorden van den wijze uit -Clazomenae te dezer plaatse, waar zooeven nog onder den klank van -vroolijke skoliën [247] het feestelijk genot om het met bloemen -bekranste altaar van Dionysus heerschte! Maar ook hij—merkt dit wel -op—ook hij, de strenge, harde wijze heeft van het genot als van ’s -menschen hoogste doel gesproken. Slechts over de wegen, die daarheen -voeren, denkt hij verschillend. En in der daad het genot heeft vele -namen en vele vormen en vele zijn de paden, die heenvoeren naar zijne -zonnige hoogte. Menigeen vindt zijne hoogste vreugde in de bedwelming -der zinnen, anderen, door een hoogeren adel der ziel tot het schoone -gedreven, verheffen zich tot de reiner sferen van het genot, en er is -eene derde soort van die goddelijke menschen, die boven lucht en wolken -in het eeuwige klare zonder begeerten wonen. Weet gij aan welke van die -drie wijzen, om het genot na te jagen, ik de voorkeur geef? Aan geene, -maar aan die, welke het verstaat, naar tijd en plaats, iedere dezer -verschillende wegen te bewandelen. Wanneer de bekers tintelen en -schoone oogen schitteren, laat ons dan de vroolijke wijsheid van -Hipponicus volgen; wanneer voor onze oogen de wonderen van het schoone -heerlijk zich vertoonen en het menschelijke zijn edelsten bloei -ontvouwt, dan deelen wij de geestelijke vreugde van Sophocles, wanneer -de hemel bewolkt is, wanneer onafwendbaar smart en onheil ons -bedreigen, dan is het tijd kalm tot de schoon bekranste vreugde te -zeggen: Vaarwel! en zich te omgorden met de goddelijke kalmte en -rustige waardigheid van den wijzen Anaxagoras. Te kunnen ontberen is -roemrijk—maar wij willen die kunst slechts daar uitoefenen, waar wij -haar noodig hebben. Als het tijd is zich te verheugen, willen wij ons -verheugen, als het tijd is te ontberen willen wij ontberen. Wie -verstandig weet te genieten, hem zal ook de wijsheid der -zelfverloochening niet ontbreken. Hij zal de vreugde tot zijne slavin -maken, niet zich zelven tot een slaaf der vreugde. Hij zal de -omstandigheden aan zich, niet zich aan de omstandigheden onderwerpen. -En wanneer datgene, wat door de wijsheid onzer vreugde als perk wordt -gesteld, niets anders is dan de natuurlijke, rechte maat van het genot -en het genot door overmaat verdwijnende, geen genot meer is, maar het -tegendeel daarvan, zoodat het zijne grens en zijne maat niet buiten of -naast zich, maar in zich heeft, waarom zouden wij dan nog van deugd -spreken en onthouding, als van een zaak, die vreemd, ja zelfs vijandig -aan het geluk zou zijn? Ontbering, onthouding, deugd zonder genot kan -in de gedachte van den Helleen opkomen, nooit echter doordringen tot de -diepte van zijn gemoed. Zelfs te werken in het zweet des aanschijns, -handenarbeid te verrichtten om het dagelijksch brood, acht hij zijns -onwaardig. Daarom werkt de slaaf, werkt de barbaar voor den Helleen. -Het minder edele deel der menschheid moet zich voor het edeler deel -opofferen, opdat het ideaal van waarachtig bestaan, den mensch waardig, -verwezenlijkt worde. Ware ik wetgever, een nieuwe Lycurgus of Solon -[248] en werden de tafelen der wet onbeschreven in mijne hand gelegd, -ik zou ze aangrijpen en met gouden stift bovenaan deze woorden zetten: - -Gij stervelingen, weest schoon,—weest vrij—weest gelukkig!” - -Zoo sprak Protagoras, met onafgewenden blik op Aspasia gericht en -verheugd over den glans van ingenomenheid, die onmiskenbaar uit haar -gelaat hem tegenstraalde. Bijna elk van den kring hechtte zijne -goedkeuring aan zijne woorden en Pericles zeide, dat hij Protagoras zou -opdragen de eerstvolgende kolonie, die uit Athene zou gezonden worden, -aan te voeren. Want hij scheen hem toe een staat in den Helleenschen -geest te kunnen regelen. - -„Gelukkige Protagoras,” begon nu Socrates, „gelukkige Protagoras, wien -het vergund is het goud van Aspasia’s zwijgen in de klinkende munt van -welsprekende taal om te zetten. Wanneer ik uwe woorden even goed -begrepen heb, als gij de taal van Aspasia’s oogen, dan schijnt gij mij -de wijsheid in zooverre als een middel ter bevordering van geluk te -beschouwen, als men haar om zoo te zeggen, gereed houden en uit den zak -kan halen, wanneer men juist niets beters bij de hand heeft—” - -„Wat is wijsheid?” riep Protagoras. „Vraag het duizend menschen en wat -de een wijsheid noemt, heet bij den ander dwaasheid. Vraag hun echter -wat vreugde is en droefheid, allen zullen het daaromtrent eens zijn.” - -„Gelooft gij dat werkelijk?” hernam Socrates. „Men kan er de proef van -nemen...” - -„Vergun mij, Protagoras,” viel Aspasia in, „dat ik mij verstout -Socrates te antwoorden; niet met woorden, want hoe zou ik mij vermeten, -wanneer er woorden van wijsheid moeten gesproken worden, in Protagoras’ -plaats te treden? Ik wil den eeuwigen twijfelaar en vrager met die -middelen bestrijden, die mij als symposiarche, tot onderzoek zijner -laatste tegenwerping ten dienste staan.” - -„Vooraf,” vervolgde zij, „bevochtig uwe lippen, die wellicht door het -vuur van het gesprek droog geworden zijn, met frisschen dauw.” - -Op haar bevel werd nieuwe wijn in den krater [249] gemengd en den -gasten in andere, grootere bekers geschonken. - -„Dit is wijn van Lesbos,” zei Hipponicus, „de bloem van den wijnstok. -Hij is minder geurig dan de Thasische, doch zijn smaak is nog -aangenamer.” - -„Hij is zacht en vurig te gelijk, als de ziel van zijne landgenoote -Sappho,” riep Protagoras, even met zijne lippen het vocht in de beker -proevende. - -De beker werden geledigd op Aspasia’s bevel ter eere van de zachte en -hartstochtelijke Lesbische zangster en op nieuw gevuld, terwijl de -oogen der gasten al meer en meer begonnen te schitteren. - -„Laten wij nu,” begon Aspasia weder, „hen laten binnenkomen, die gereed -staan, om ons op iets van datgene te vergasten, waaronder de menschen -naar Protagoras’ meening het allen eens zijn, naar Socrates’ zienswijze -echter niet.” - -Fluitspeelsters, danseressen en kunstenmaaksters kwamen de zaal binnen, -allen jong, bekoorlijk, allen bekranst en met welriekende wateren -besprenkeld en getooid in verleidelijk gewaad. - -Het fluitspel begon in weeke, zoete tonen en daarbij werden door de -danseressen mimische dansen uitgevoerd. Wat Socrates bij Theodota had -bewonderd dat had hij nu in veelvoudige mate in eene groep van -bloeiende gestalten voor oogen. Nadat deze danseressen door hare kunst -aller oogen hadden verrukt, oefende hetgeen thans de kunstenmaaksters -volvoerden, eene betooverende en bedwelmende werking uit. Als dezen bij -den klank der fluiten en de maat der muziek een aantal ballen in de -hoogte wierpen en weder opvingen of den zoogenaamden kogelloop op een -pottebakkersrad uitvoerden, lag in de bliksemsnelle bewegingen der -jeugdige, slanke, lenige meisjesgestalten eene betooverende, ja -bedwelmende bekoorlijkheid. Toen zij echter den verbazingwekkenden -zwaardendans begonnen, toen zij tusschen de klingen, die met de punt -naar boven in den grond gestoken waren, dansend heen en weder sprongen -en over de blinkende zwaardspitsen naar voren en achteren oversloegen, -toen gevoelden de opgewekte toeschouwers zich door een genot, met -huivering gemengd, aangegrepen. Toen eene van die slanke, bekoorlijke -meisjes in een licht, nauwsluitend gewaad, dat den vollen en reinen -vorm des lichaams deed uitkomen, met de handen op den grond steunende -in eene bevallige kromming naar achteren de voeten over den rug en het -hoofd heenstrekte, om daarmede uit het vóór haar staande mengvat een -beker te vullen, dien zij met de teenen van den linkervoet bij het -hengsel had gegrepen, terwijl zij met de teenen van den anderen voet -het oor van het schepvat vasthield, of in diezelfde houding een pijl -van den boog deed snorren—toen was het niet alleen de verbazende -vaardigheid, die zij ten toon had gespreid, maar tevens het tot de -hoogste vrijheid en bijna bovenmenschelijke vlugheid ontwikkelde -schouwspel harer bloeiende ledematen, die de zinnen van Hipponicus’ -gasten in eene soort van zwijmel bracht. - -Toen de dansen en spelen geëindigd waren en de danseressen, -kunstenmaaksters en fluitspeelsters onder de levendigste toejuichingen -der dischgenooten zich weder hadden verwijderd, zei Aspasia: - -„Het schijnt dat alles wat wij gezien hebben ons genoegen heeft gedaan -en dat wij het volkomen eens zijn in deze soort van genot, terwijl wij -toch vroeger, toen het de leer der wijsheid gold, het maar niet eens -konden worden. De proef, waarop het aankwam, zooals gij zeidet, -Socrates, is derhalve genomen—” - -„Gij weet zeer wel, Aspasia,” antwoordde Socrates, „dat niemand ter -wereld zich liever laat onderrichten dan ik. Vergun mij nog één ding -aan Protagoras te vragen. Wanneer er, zooals gij leert, verscheidene -soorten van genot zijn en wij datgene, wat het genot verschaft, een -goed noemen, dan zijn er nog wel andere goederen en onder deze een -hoogste goed. Om echter juist dit uit andere goederen uit te vinden en -ook het hoogste genot uit andere genietingen—want het genot is toch, -zooals wij gezegd hebben, niet zelf het goede, maar wordt eerst door -het bezit van het goede teweeg gebracht—zou daartoe een weinig verstond -of oordeel of wijsheid noodig zijn of hoe men het ook noemen wil?” - -Glimlachend zei Aspasia: - -„Gij ziet, Protagoras, dat deze man u in de engte drijft: doch het is -mijn plicht te zorgen, dat de strijd niet al te heftig wordt. Reeds -sedert een half uur heb ik een kleinen aanslag in den zin tegen den -strijdlustigen Socrates. Het komt mij niet goed voor, dat Socrates op -hetzelfde aanligbed met Anaxagoras aanligt en zoo steeds door den adem -des meesters met nieuwen strijdlust aangeblazen wordt. Over het -algemeen schijnt het mij toe, dat Hipponicus’ gasten zich grootendeels -op een wijze geplaatst hebben, die gevaarlijk is voor het algemeen en -gunstig voor heimelijke samenzweringen. Verscheidene malen heb ik -opgemerkt, dat Phidias en Ictinus zacht samen fluisteren. Ook Cratinus -zag ik vaker dan noodig was tot het oor van zijn buurman, Polygnotus, -overbuigen. Krachtens mijne volmacht als symposiarche zal ik eene -geheele verandering in de plaatsen brengen.” - -„Goed,” riepen de vroolijke dischgenooten. „Wij willen u gaarne -gehoorzamen. Spreek, hoe denkt ge ons nu te plaatsen?” - -„Welaan,” zeide Aspasia. „Den gastronoom Hipponicus bevele Socrates op -te staan en zette zich naast den wijzen Anaxagoras; de spraakzame Polus -neme plaats naast den stillen Ictinus, de overmoedige Cratinus zal den -zachten, vromen Sophocles tot buurman hebben. Phidias eindelijk moet -met Polygnotus één aanligbed deelen. Hoe echter plaats ik Socrates? -Onmogelijk kan ik hem in de nabijheid van Anaxagoras laten; integendeel -ik moet deze beide kampioenen zoo ver mogelijk van elkander zetten. Wat -blijft er anders over, dan dat ik u Protagoras, verzoek mijne plaats in -te nemen, terwijl ik zelf ter beslechting van den strijd mij naast -Socrates zal zetten.” - -Met deze woorden stond Aspasia op en plaatste zich onder op het -aanligbed, waarop Socrates aanlag. - -Bereidwillig hadden inmiddels de dischgenooten de schikking van de -symposiarche opgevolgd; alleen benijdden zij in stilte en luide -Socrates zijne gezellin. - -Op dezen zelven oefende de onmiddellijke nabijheid der schoone eene -eigenaardige werking uit. Had straks de adem van Anaxagoras, zooals -Aspasia zich uitdrukte, zijn strijdlust aangeblazen, de adem van de -bekoorlijke vrouw stemde hem tot vrede en verzoening. - -„Wat is dat?” riep Aspasia, zich tot Socrates overbuigend en zijn krans -beschouwend, „aan uw krans zijn reeds vele bladeren ontvallen. Dat -geldt als een voorteeken van geheime minnesmart. Is het soms uw jongste -vriend, de moedwillige Alcibiades, die u droefheid veroorzaakt? Doch, -ik ben gekomen om u te woord te staan. Welke bezwaren waren het, -Socrates, die gij nog uit den weg zoudt willen geruimd zien?”— - -Socrates, betooverd door den vurigen blik van Aspasia, bedwelmd door -den adem van haar mond, opgewekt door het ruischen van haar gewaad bij -ieder harer bewegingen, antwoordde: - -„Aspasia, ik had bezwaren—en zij stonden in mijn hoofd goed -gerangschikt, als in slagorde. Maar men heeft juist, toen ik ze in de -beste orde wilde doen oprukken, een schoonbekranste dam opgeworpen, -zoodat het schijnt dat zij daarover willende springen, de beenen zouden -breken. Wat ik bedenkelijk vind, Aspasia? Zal ik het u zeggen? Ik vind -op dit oogenblik alleen dit bedenkelijk, dat gij naast mij zit.” - -Met een ietwat spottend lachenden blik zag Anaxagoras, die intusschen -den beker flink had toegesproken, zwijgend naar den spreker, die zoo -smadelijk de wapens strekte. - -„Gij ziet, Anaxagoras,” zei Socrates, „ik ben in den strijd voor eene -goede zaak gevallen en gij, grijsaard, voor wien ik eigenlijk het -zwaard had getrokken, moet thans mij, den jongen man, uit den strijd -dragen. Wreek mij, als gij kunt, Anaxagoras!” - -„Waarom niet?” hernam Anaxagoras, nadat hij een dronk uit zijn beker -genomen had, „ik gevoel mij in het geheel niet zoo zwak, als de oude -Priamus, om voor de jeugdige wijsheid van dezen Achilles sidderend te -verstommen. Ik wil nog een woordje met u praten, Protagoras.” - -„Halt!” riep Aspasia, „wanneer het uwe bedoeling is ernstige woorden te -spreken, vergun mij dan vooraf, dat ik mijn plicht als presidente der -tafel vervulle en met een dronk van den vurigsten en kostelijksten -aller wijnen, die tot nu toe geschonken werden, met het heerlijk -druivensap van Chios, uwe tongen moge ontboeien.” - -Na deze woorden liet Aspasia den gezochtsten van alle Grieksche wijnen -rondschenken. - -De bekers werden geledigd en nu was er niemand meer in het gezelschap, -die niet hoog zweefde boven de sferen van het nuchtere verstand en zich -niet overgegeven had aan de geweldige macht van den bezielden Dionysus. - -Anaxagoras ledigde zijn beker en begon eenigszins verward te spreken -over genot en deugd, over kennis en den Wereldgeest. - -Om zijn geest nog meer op te wekken en te verhelderen bood Aspasia hem -zelfs nog een beker van den krachtigen Chiër-wijn aan. - -Hij dronk dien uit en de taal van den wijze werd nog verwarder; hij -begon te stotteren en met het hoofd geducht heen en weer te schudden. - -Ten laatste zonk het hoofd geheel op de borst. Nog eenige oogenblikken -en de grijsaard lag in een rustigen sluimer. - -Een vroolijk gelach klonk er door de rijen der dischgenooten. - -„Wat hebt gij gedaan, Aspasia?” riepen zij: „de laatste voorvechter der -strenge wijsheid hebt gij ontwapend en in slaap gewiegd!” - -„Bij het vroolijk symposion,” hernam Aspasia, „betaamt het der strenge -wijsheid in te slapen. Maar niet zonder de Chariten is deze edele man -ingesluimerd. Ziet, hoe schoon het gezicht is van den rustig ademenden -grijsaard! Ik stel u voor, dat wij allen de kransen van onze hoofden -nemen en ze op het hoofd en de schouders van den slapenden nederleggen -en op deze wijze de zoo schoon en vreedzaam ingesluimerde wijsheid -begraven.” - -De gasten deden wat Aspasia voorsloeg en in weinig oogenblikken was het -hoofd van den wijze onder bloemen begraven. - -Socrates ging voort met drinken zonder dronken te worden, om ongestraft -de zonderlingste dingen, Aspasia, die naast hem zat, in ’t oor te -kunnen fluisteren. - -De ernstige Phidias zei tot den knaap, die zijn beker vulde, dat hij -hem tot model voor eene zijner ephebenbeelden op den fries van het -Parthenon wilde gebruiken. Cratinus stiet heimelijke verwenschingen uit -en zei tot zijn buurman Sophocles: - -„Die toovenares, die Circe, die Omphale zal aan mij denken! zij laat -mij zelfs dien krachtigen Chiër uit den grooten beker drinken! Zoolang -ik nuchteren was, merkte ik er niets van; nu echter is het mij -duidelijk, waarop zij het gemunt heeft.”—Polygnotus verzekerde zijn -buurman, dat hij, met uitzondering van de jeugdige Elpinice, nog nooit -eene zoo schoon gevormde vrouw als Aspasia gezien had. „Pericles,” zei -de purperroode Hipponicus met eene stem, die trilde van aandoening, -„Pericles, gij weet dat ik u steeds in eere heb gehouden, dat ik u den -innigsten dank verschuldigd ben, omdat gij vóór eenige jaren mij van de -toen nog schoone, maar kijfzieke Telesippe hebt afgeholpen. Doe mij nog -het genoegen mij toe te staan een schathuis op den burg te bouwen—want -ik heb zesduizend slaven in het werk in de zilvermijnen en mijn -vermogen neemt bij den dag toe en men is voor dieven niet veilig. En -als uw pleegzoon Alcibiades grooter is... mijn dochtertje Hipparete... -de schoonste aller Helleensche jonkvrouwen... - -„Het zij zoo,” zei Pericles met een vriendelijken glimlach. - -Hij was de eenige van het geheele gezelschap op wien Bacchus zijne -macht niet had kunnen uitoefenen; niet omdat hij minder gedronken had, -maar omdat zijn gestel even sterk was, als zijne ziel zacht. Hij sprak -met Protagoras over de politiek, over veranderingen in de -volksheerschappij te Athene, over het uitzenden van de kolonie, over de -mogelijkheid dat een veldtocht op handen was. Protagoras echter was -verstrooid, daar hij telkens vurige blikken sloeg op de schoone -Milesische. Eindelijk verraste de stille Ictinus de dischgenooten door -het aanheffen van een paeän op Dionysus, die toen door allen in koor -gezongen werd. - -Zoo heerschte er op het symposion ten huize van Hipponicus eene -feestelijke stemming, die aangewakkerd werd door Bacchus’ heerlijke -gaven, door zinnenstreelende bekoorlijkheden, door de betoovering, die -er uitging van de schoone Milesische, eene stemming die gekruid werd -door de bloem van den Helleenschen geest. - -Toen stond de welsprekende Protagoras op en stelde den volgenden toost -in: - -„De symposiarche Aspasia heeft mij, zooals gij weet, hare plaats -afgestaan. Ik maak van mijn recht gebruik, om voor een oogenblik mij -hare waardigheid aan te matigen en u uit te noodigen dezen laatsten -dronk aan Aspasia zelve te wijden. Hoog heeft zij als koningin der -tafel de banier der schoone vreugde opgeheven, zegevierende heeft zij -het rijk van den blijden levenslust tegen den ernst en de strengheid -der wijsheid verdedigd, op gunstige oogenblikken heeft zij nu eens door -Dionysus’ gaven, dan eens met de hulp van Eros en de Chariten, dan -weder met de betoovering der zinnen den strijd tegen den vijand -gevoerd, zij heeft met zoete bedwelming de vragen van den -waarheidszoeker in slaap gesust en het grijze hoofd van den grijsaard, -dien het jeugdig vuur had verlaten, onder bloemen begraven, zij heeft -ons allen de hooge zee der Dionysische vreugde doen doorklieven. Zonder -gevaar echter is de zachte dronkenschap voor de edele Hellenen en niet -verderfelijk dringt zij tot in de diepten der hoofden, maar als dauw -slaat haar zilveren nevel neder op de bladeren der kransen, waarmede -wij verkoelend ons voorhoofd omschaduwe! Derhalve, mijne vrienden, -ledigt met mij dezen laatsten beker ter eere van de schoone en wijze -koningin onzer tafel, de goddelijke Aspasia!” - -Zoo sprak Protagoras en de uitgelezen mannen beantwoordden dezen dronk -met vuur. De groote mannen, die bij het maal van Hipponicus vereenigd -waren als omkranste feestgenooten, vormden om Pericles en Aspasia eene -groep die op het veld van den roem als de schitterendste sterren van -Oud-Hellas fonkelden!— - -En toen de laatste bekers geledigd waren, namen de mannen met een -warmen handdruk van elkander afscheid en verlieten het huis van -Hipponicus, toen de morgen reeds grauwde. - -„Kunt ook gij instemmen met de lofspraak van Protagoras op de -symposiarche?” vroeg Aspasia aan Pericles toen zij zich met hem alleen -bevond. - -„Ik bewonder u thans nog meer,” zei Pericles; „maar vreest gij niet, -dat ik wat minder liefheb?” - -„Waarom?” vroeg Aspasia. - -„Omdat gij altijd een woord hebt voor iedereen,” hernam hij; „wat hebt -gij dan over voor Pericles?” - -„Mij zelve,” antwoordde Aspasia. - -Hij kuste haar op het voorhoofd en zij sloot hem in hare armen, in de -volheid van haar geluk. - -„Ik weet niet,” zei Pericles, toen hij van haar afscheid nam, „ik zou -van u gescheiden mij weder in het druk gewoel der daden willen storten -of ongestoorder dan nu een heerlijke maand van liefde met u in -idyllische rust doorleven.” - -„Wellicht,” hernam Aspasia, „verleenen u de Onsterfelijken het een of -het ander of beide te gelijk ter goeder ure.” - -De Milesische sloot dien morgen hare moede, schoone oogen in het -bewustzijn, dat zij haar doel weder eene schrede nader gekomen was. Zij -dacht aan het oogenblik, toen zij vernederd het huis van Pericles moest -verlaten; zij dacht aan de fiere Telesippe, die zich onaantastbaar -waande en onschendbaar in hare heerschappij aan den huiselijken -haard—zij zeide in zich zelve, dat hare geheime en openlijke plannen -der verwezenlijking naderden en dat zij in hare zending zou -triompheeren, dat zij op de puinhoopen van het overgeleverde en het -veroordeel de banier der vrijheid, der schoonheid en der vreugde voor -eeuwig zou planten. - - - - - - - -XI. - -SAMOS. - - -„Dat had ik niet gedacht,” riep de oude Callipides te midden van eene -der talrijke groepen Atheners, die, op de groote markt van den Piraeüs -bij elkander staande, druk in gesprek waren, „dat had ik niet gedacht, -toen ik onlangs voorbij de Athene Promachos op den burg ging. Ik zag de -speer der Godin vol boomkrekels, die lustig piepten. Dat beteekent -vrede, zei ik bij mij zelven. Doch ’t is waar, den volgenden dag is -kort vóór den aanvang der volksvergadering eene wezel over de Pnyx -geloopen—” - -„Gij wilt toch geen onheil krassen, oude uil?” riepen de anderen. - -„Samos is nu eenmaal het machtigste der met ons verbonden eilanden,” -hernam de oude. „Het kan andere bondgenooten tot afval verleiden, het -kan een opstand tegen ons verwekken, Sparta kan zich er in mengen, een -algemeene Grieksche oorlog kan ontbranden. Er ligt, zooals men zegt, -veel tonder opgehoopt. Wat raakt het ons of de Samiërs dan wel de -Milesiërs Priëne [250] bezitten?” - -„Het aanzien van Athene moet opgehouden worden!” viel een jong man -heftig hem in de rede, terwijl hij de hand uitstrekte en het hoofd -oprichtte. „Samos en Milete zijn verplicht als leden van het bond hunne -geschillen ter beslissing aan Athene, het hoofd van het bond over te -laten. Samos weigert dit. En daarom is Pericles in woede tegen de -Samiërs ontstoken.” - -„En in zijne woede heeft hij in de volksvergadering den zachten -Sophocles tot medestrateeg verzocht,” zei een der mannen lachend. - -„Om „de Antigone!” riepen anderen. „Daar heeft hij goed aan gedaan. -Leve Sophocles!” - -„Gij weet er geen van allen iets van,” sprak de barbier Sporgilus, dien -de nieuwsgierigheid en de onstuimigheid van den volkshoop naar de haven -had gedreven. „Gij weet allen niets van deze zaak af; gij weet niet hoe -dat geschil met Samos ontstaan is en wie dat aangewakkerd heeft.” - -„Leve Sporgilus!” riepen sommigen. „Hoort naar Sporgilus! Hij is een -van hen, die ’s morgens precies weten wat Zeus ’s nachts met Hera -verhandeld heeft.” - -„Moge ik een bult als eene vuist op mijn neus krijgen,” riep Sporgilus, -„als het niet de zuivere waarheid is, wat ik u ga vertellen! Aspasia, -de Milesische, heeft Pericles bepraat. Ik weet het precies—luistert -slechts naar mij. Den dag, nadat het Milesische gezantschap aangekomen -was, stond ik juist op de markt, toen de gezanten voorbijgingen en om -zich keken, als menschen, die iets wilden vragen. En werkelijk, daar -kwam een van hen op mij toe en zei: „Zeg eens, Atheensche vriend, kunt -gij mij de woning van de jonge Milesische Aspasia wijzen?” De mannen -dachten zeker, dat ik hen niet kende maar ik kende ze wel -degelijk—terstond aan hunne nette manieren en kostbare kleeding zou ik -ze herkend hebben, al had ik ze nooit gezien. Ik bewees hun zooveel -mogelijk beleefdheid en beschreef hun haarfijn het huis van de -Milesische en den weg daarheen, waarop zij mij zeer vriendelijk en -beleefd hun dank betuigden en onverwijld den weg insloegen, dien ik hun -gewezen had. De avond begon reeds te vallen. Zij slopen de woning van -de Milesische binnen. Bemerkt gij het nu? De gezanten zeg ik u hebben -met de Milesische heimelijk onderhandeld; zij heeft daarna Pericles -bepraat en hem in hevigen toorn doen ontsteken tegen de Samiërs.” - -„Daar hebt ge het!” riep een der omstanders. „Sporgilus weet dus -werkelijk, wat Hera met Zeus gesproken heeft.—Doch—daar komt Pericles -met zijn vriend Sophocles aan—hij drilt hem zeker voor zijn nieuw -ambt.” - -In der daad zag men de beide mannen ter zijde op een tamelijk stille -plaats tusschen de zuilen wandelen. Zij waren in een vertrouwelijk -gesprek verdiept. - -„Waarachtig,” sprak Sophocles, „gij verrast de Atheners; men geloofde, -dat Pericles in dit oogenblik eerder tot alles zou overgaan, dan -hiertoe. Want hij scheen thans ten volle opgegaan te zijn in de werken -des vredes, in de bevordering van de binnenlandsche welvaart en—in de -liefde voor de schoone Aspasia...” - -„Mijn waarde vriend,” zei Pericles glimlachend, „is het dan te -verwonderen, dat den strateeg de lauweren van zijne vrienden, die met -truffel, beitel en stift arbeiden, geen rust laten? Reeds lang, ik -beken het eerlijk, gevoelde ik mij in mijn binnenste onrustig en -gejaagd. Ik gevoelde mij werkeloos onder die onverpoosd arbeidende -mannen en soms schaamde ik mij bijna over die liefelijke rozebanden, -die mij omstrengelden.” - -„Hoe?” hernam Sophocles, „dat gij inderdaad de onvermoeidste arbeider -zijt onder de ijverigen, dat alles wat gedaan en geschapen wordt, -slechts door u mogelijk wordt gemaakt, bevorderd en tot een goed einde -gebracht, rekent gij dat dan voor niets?” - -„Het voldoet niet aan de eischen, die een van ons beiden zich zelven -mag stellen,” hernam Pericles. „Ik wil niet alleen een medearbeider -zijn, ik wil zelf iets volbrengen en ik kan als strateeg alleen naar -het zwaard grijpen. Waarom zou ik alleen door het schoone vuur der -eerzucht, dat rondom mij ontbrand is, niet aangegrepen worden?” - -„En gij wilt ditmaal volstrekt uw krijgsroem met mij deelen?” vroeg de -dichter na eene kleine pauze. - -„Liever dan—de gunst van een bekoorlijke vrouw!” antwoordde Pericles en -sloeg een scherpen blik op zijn vriend. - -Deze ontroerde. „Nu begint er,” zoo sprak hij, „een licht voor mij op -te gaan,—en het is een zonderling licht—waarom juist ik tot strateeg -moest verkozen worden—” - -„Alles wat in de wereld geschiedt, beste vriend,” hernam Pericles -glimlachend, „heeft niet ééne maar honderd oorzaken. Wie kan zeggen, -welke de gewichtigste is?”— - -„Wilt ge niet liever mij achterlaten en de schoone met u naar Samos -nemen?” vroeg de dichter. - -Pericles antwoordde slechts met een glimlach. Daarop zei hij: „Troost -u; het is maar een klein reisje, dat we voor ons genoegen ondernemen, -een zeetochtje van slechts weinige weken; want aan eene ernstige -tegenweer van de Samiërs tegen het machtige Athene valt wel niet te -denken. Samos [251] is eene prachtige stad, die u wel bevallen zal; -Melissus, de bevelhebber van het Samische smaldeel, dat wij tegenover -ons zullen hebben, is een waardig wijsgeer van de Eleatische [252] -school, met wien gij ongetwijfeld met genoegen kennis zult maken en als -wij Chios voorbij zeilen, willen wij uw vriend Ion een bezoek brengen, -den treurspeldichter, die daar in eene aangename, bekoorlijke rust -woont.” - -„Wilt gij Ion gaan bezoeken?” riep Sophocles uit. „Herinner u, dat hij -niet erg op u gesteld is, sedert gij zijn medeminnaar bij de schoone -Chrysilla zijt geweest.” - -„Mijne verhouding tegenover iemand,” hernam Pericles, „wordt nooit -aangewezen door de meening, die men omtrent mij koestert, maar daardoor -hoe ik over hen denk. Ion is een flink man. Hij zal u met zijn besten -inlandschen Chiër verwelkomen, hoewel gij zijn mededinger in den -tragischen wedstrijd geweest zijt.” - -„En gij, ik herhaal het,” zei Sophocles, „zijn mededinger bij de -schoone Chrysilla, die thans, naar ik verneem, op Chios hem gezelschap -houdt.” - -„Laat Chrysilla rusten,” hernam Pericles. - -De dichter schikte zich blijmoedig in zijn lot. Pericles begon hem over -datgene, wat zijn nieuw ambt vereischte, te onderrichten. - -Als men in die dagen een beschreven blad in Sophocles’ handen zag, was -het geen schets van een treurspel, geen reizang, geen loflied op Eros -of Dionysus, maar de lijst van de manschap, die ter zee moest dienen, -welke hij moest oproepen, van de rijke burgers, die hij aansporen moest -als triërarchen hunne schepen te leveren en ze uit te rusten. - -Uit de bekoorlijke eenzaamheid van zijn groen Cephissus-dal zag hij -zich door Pericles medegesleept naar tuighuizen der krijgshavens Zea en -Munichia, in het rumoer van den Piraeüs, waar de vreeselijke zeedraken -der Atheensche vloot uit hunne ramen weder in zee getrokken werden, in -het leven en gedruis der arsenalen, waar het onophoudelijk dreunde van -gehamer en geklop, rumoer en geraas. In den beginne deed het den -smaakvollen dichter schier pijnlijk aan, steeds te verkeeren te midden -van het geschreeuw der roeiers en matrozen, die toen nog weinig werk -hadden en kibbelden om fluitspeelsters en elkander soms gaten in het -hoofd sloegen. Zijn gehoorvlies werd verscheurd door het schelle -fluitje van den bootsman, door het aangeven van de roeimaat, door -schetterende fanfaren: want met die triëren, wier uitrusting gereed -was, ondernamen hare triërarchen dagelijks kleine tochten in de golf om -te onderzoeken, welk schip het beste en snelste zeilde. - -Maar toen de dag der afvaart was aangebroken en men de schepen met hun -drie rijen roeibanken, met hun hoog uitstekende, als zwanenhalzen -gekromden voor- en achtersteven, prachtig geschilderd, met de van goud -schitterende Pallasbeelden en andere versierselen, de dreigend -toeloopende balken der kiel, vrij en koen in goed geordende rijen over -de flauwe oppervlakte zag zweven en op het teeken eener trompet eene -plechtige stilte volgde, gedurende welke de heraut met luider stemme -van het verdek van het admiraalschip een gebed uitsprak, dat allen van -de overige schepen naspraken en waaraan zelfs het volk op het strand -deel nam en de rook der offers van het verdek der schepen in de blauwe -morgenlucht opsteeg en het geheele leger uit gouden en zilveren bekers -dankoffers plengde en den paeän aanhief en eindelijk de vloot zich in -beweging zette, de wind de zeilen deed zwellen, de zee onder den slag -van tallooze riemen opbruischte en de lange rij der vaartuigen, -vergezeld door de zegewenschen van de achtergeblevenen, uit de haven de -open zee koos—toen was de dichter Sophocles van ganscher harte strateeg -geworden en met geen fierder zin kon zijn held Aiax uit Salamis tegen -Troje zijn opgetrokken, dan hij thans zelf uit het vlek Colonos koers -zette naar Samos.— - -Na verloop van eenige weken liep een snelzeiler met berichten van -Pericles voor den raad en de volksvergadering den Piraeüs binnen. De -bevelhebber van het schip, dat deze tijdingen overbracht, bezorgde -heimelijk niet als triërarch, maar als persoonlijk vriend van den -strateeg Pericles, een geschrift, dat niet voor het publiek bestemd -was. Het was een schrijven van Pericles aan zijne vriendin Aspasia. - -De brief luidde als volgt: - -„Ik weet niet, vanwaar het kwam, dat mijne borst schier nooit fierder -klopte, dan op het oogenblik, dat ik wederom de hooge zee onder mij -voelde. Toen ik op het verdek van het schip stond en de winden de -Aegaeïsche zee mijn voorhoofd verkoelden, toen was het alsof met hen -een adem van vrijheid mij tegenwoei en alsof ik mijzelven had -wedergevonden. Wedergevonden? Een dwaas woord! Had ik mij dan verloren? -Ik was het mij niet bewust—misschien u, Aspasia? Een oogenblik scheen -het mij werkelijk toe, alsof ik in den laatsten tijd te weekelijk en te -lijdelijk mij op het rozenleger der liefde had neergevlijd. Ik was -bijna verstoord op u. Doch toen ik nadacht, zag ik in, dat ik u groot -onrecht deed en dat juist integendeel datgene, wat van u uitgaat, nooit -eene verslappende, maar steeds bewust of onbewust eene opwekkende, -aandrijvende kracht, mij geheel beheerschte en mij heendreef uit het -rustige Athene naar het woelige oorlogsveld. - -„Derhalve schaam ik mij niet langer over mijne liefde voor u noch over -het verlangen, dat ik nu reeds koester om u weder te zien, hoewel die -zoete begeerte mij bijna een leelijken trek had gespeeld. - -„Ik vond de Samiërs slecht uitgerust en slechts ten deele voorbereid. -Ik schaamde mij haast over de gemakkelijke overwinning. Er scheen -weldra niets meer te doen overig; ik maakte derhalve aanstalten om naar -Athene terug te keeren, in de hoop dat bij de eenvoudigheid der -middelen, waardoor dit gevolg bereikt was, de snelheid waarmede de -overwinning bevochten werd, mij tot roem zou strekken. Zou tot die -bespoedigde terugkeer ook niet het verlangen om datgene, wat ik te -Athene achtergelaten had, zoodra mogelijk weder te zien, eenig aandeel -hebben? Ik ben er mij zelven niet van bewust maar toch durf ik de -mogelijkheid niet ontkennen. In alle gevalle bleek de haast, waarmede -ik wilde terugkeeren, niet zoo voordeelig, als die, waarmede ik -uitgetrokken was. Ik leerde, dat men in den oorlog met spoed -uittrekken, maar behoedzaam terug moet keeren. - -„Doch waartoe zou ik u tijdingen mededeelen, die zeker te Athene op -aller lippen zijn? Onze vloot brandt van verlangen den vroeger -verzuimden zeestrijd in te halen: zelfs de zachte Sophocles gloeit op -dit oogenblik van het vuur van Ares [253]. Ik heb hem naar Chios en -Lesbos gezonden om de schepen der bondgenooten te halen; andere -versterkingen zijn in aantocht. - -„Zend mij berichten van u en de vrienden te Athene door dienzelfden mij -bevrienden triërarch, die u dezen brief bezorgd heeft en houd u -overtuigd, dat ik naar uwe berichten niet minder vurig verlang, dan gij -naar de mijne. Zeg aan Phidias, dat hij zich niet door het rumoer des -oorlogs in zijne rustige werken des vredes late storen. De schoonste -vreugde zal het voor zijn vriend bij zijn terugkeer zijn wanneer dezen -de hooge tempelzuilen van den burgt bijna voltooid tegenblinken.” - -Dit was dan de inhoud van Pericles’ brief aan Aspasia. De Milesische -beantwoordde dien in dier voege: - -„Het verheugt mij, dat gij zoo snel van de gedachte zijt teruggekomen, -dat het karakter van den fieren Pericles in den laatsten tijd door -Aspasia verwijfd zou zijn geworden. Moet ik integendeel mij niet -verwijten, dat ik door de voorspraak ten behoeve mijner landgenooten u -voor een deel heb heengedreven naar wat gij het woelige veld des -oorlogs noemt? Eene zoo kortstondige scheiding schijnt mij niet -onvoordeelig toe; want het scheen dat gij den langen vrede reeds moede -waart geworden, ja zelfs het genot en de liefde voor Aspasia. Schaam u -echter niet over het verlangen om mij en uwe vrienden weder te zien. De -begeerte om wat ons lief is geworden terug te zien is dan immers het -sterkste, wanneer men het juist verlaten of verloren heeft. Ik vrees, -dat gij de scheiding hoe langer zoo gemakkelijker zult verdragen, hoe -langer ze duurt en ten laatste, evenals Agamemnon vóór Troje, in steeds -toenemende gemoedsrust voor Samos zult blijven liggen. - -„Mijn verlangen naar u daarentegen kan niet verflauwen door den tijd, -daar het gevoed wordt door werkeloosheid en eenzaamheid. Gij hebt mij -hier bijna zoo verlaten achtergelaten, alsof ik uw gemalin was; gij -hebt den blijmoedigen Sophocles met u medegenomen en den welsprekenden -Protagoras met eene kolonie naar het verre buitenland gezonden. Alleen -Socrates is nog over en deze zoekt nog van tijd tot tijd mijn -gezelschap. Maar of het uit wantrouwen tegen mij geschiedt of tegen -zich zelven—hij waagt zich niet zonder een ander in mijne nabijheid en -overschrijdt mijn drempel steeds in gezelschap van een vriend, die -bijna zoo zonderling is als hij zelf. ’t Is de treurspeldichter -Euripides, de jongere mededinger van Sophocles. Hij en Socrates zijn -onafscheidelijke vrienden en men zegt zelfs, dat deze hem helpt bij -zijne treurspelen, omdat zij zoo rijk zijn aan wijze spreuken. Maar dit -is dwaasheid. Zij beiden zijn zoo gelijk van karakter, dat ik niet -weet, wat de een van den ander zou kunnen ontleenen. Beiden vloeien zij -over van wijsheid. Wat Socrates is onder de denkers, dat is Euripides -onder de dichters: een peinzer en een zonderling. Bovendien is hij een -boekenworm; hij heeft zich een groote boekerij aangeschaft en leeft -daarin geheel voor de Muzen. Voor het overige ziet hij er uit als alle -dichters; een oudachtig gezicht op een eeuwig jeugdig bewegelijk -lichaam. Hij is afgetrokken, norsch en ruw in zijne manieren en gaat -alleen met Socrates en de sophisten om. Intusschen heeft Socrates zoo’n -invloed op hem uitgeoefend, dat hij begeerig werd mij te zien. - -„Deze man hier,” zei Socrates, terwijl hij mij voorstelde, „is de -voortreffelijke treurspeldichter Euripides, dien gij, naar ik hoop, -dubbel bewonderen zult, als gij hoort, dat zijn vader Mnesarchus een -herbergier en zijne moeder Clito eene groentevrouw is geweest. Ook moet -gij weten, dat hij juist op den dag van den grooten zeeslag bij Salamis -op dit eiland het eerste levenslicht heeft aanschouwd.” - -„Een roemrijk voorteeken,” zei ik. - -„Dat is mogelijk,” sprak Euripides zelf, „maar wat de Goden -oorspronkelijk met mij bedoelden, is nog niet ten volle duidelijk.” - -„Toen vertelde hij mij uitvoerig—want nadat hij eens aan het praten -raakte, werd hij tegen verwachting tamelijk spraakzaam—hoe zijn vader -in een droomgezicht voorspeld was, dat zijn pas geboren zoontje eens -als overwinnaar in roemrijke wedstrijden de zege zou behalen. Zijn -vader had, als echt Helleen, gemeend, dat dit op de overwinningen te -Olympia en Nemea doelde en had hem met de meeste zorgvuldigheid in de -gymnastische kunsten laten onderrichten; ook had hij werkelijk reeds -als knaap den palm bij de Panathenaeën weggedragen; maar hij had -langzamerhand meer smaak gekregen in boekrollen dan in vuistriemen en -werpschijven en was ten laatste in plaats van een gelauwerden athleet -een mededinger in den tragischen wedstrijd geworden. - -„Hoe komt het toch,” vroeg ik hem, „dat gij in elk uwer treurspelen u -zoo scherp en vinnig uitlaat tegen de vrouwen en dat men u algemeen -voor een vrouwenhater houdt?” - -„Ik ben getrouwd,” luidde het korte antwoord. - -„Is dit een reden,” zei ik, „om alle vrouwen te haten, ook haar, met -wie gij niet door dergelijke banden verbonden zijt?” - -„Socrates heeft mij tot u gebracht,” hernam hij, „om mij van mijn -vrouwenhaat te genezen. Voorloopig acht ik ééne vrouw, de vrouw, die -mij ter wereld bracht: de voormalige groentevrouw Clito—ik zeg -voormalige, want thans heb ik haar overgehaald den groentenhandel aan -kant te doen en een klein landgoed, dat mijn eigendom is, te besturen.” - -„Ik gaf mijn verlangen te kennen met deze vrouw kennis te maken. - -„Als het u niet verveelt,” gaf hij ten antwoord, „de geschiedenis, hoe -ik op Salamis gedurende den grooten slag in eene grot aan het strand -geboren ben, te hooren vertellen—want dit verhaal spaart zij niemand, -die haar komt bezoeken—is het gemakkelijk uw verlangen te bevredigen.” - -„Een paar dagen later zocht ik, vergezeld van eene slavin, het -afgelegen, bescheiden landhuis op, waarin moeder Clito heerscht en -welks stilte alleen door de welluidende trimeters [254] van haar -dichterlijken zoon wordt gestoord, als hij, om geheel zijn eigen -meester te zijn, zich in die landelijke eenzaamheid terugtrekt. Ik trof -de goede vrouw aan te midden van haar kippen, eenden en biggetjes en -zei haar, dat ik zeer gaarne de geschiedenis, hoe haar beroemde zoon op -Salamis gedurende den grooten veldslag geboren was, wilde hooren. - -„Innig verheugd en met kennelijken trots zeide het moedertje: - -„Dat is eene geschiedenis, waarde vrouw, die zelfs de groote -Themistocles [255] mij gaarne hoorde vertellen.” - -„Toen noodigde zij mij uit op eene zodenbank midden in den tuin plaats -te nemen, nadat zij eerst de kippen en duiven, die daar zaten, -weggejaagd had. - -„O kind,” zei zij toen, „dat was een schrikkelijke dag, toen de scharen -der Perzen op ons heilig Athene losstormden en alles te vuur en te -zwaard vernielden en de menschen bij de altaren doodden en in pek -gedoopte vuurpijlen van den Areopagus naar de Acropolis slingerden, tot -alle tempels daar in lichter laaie stonden en een dichte rook van -zwarte wolken over de zee zich verspreidde. Maar terwijl de stad -verbrandde en alle mannen zwoeren, dat zij met de wapenen in de hand -onder de rookende puinhoopen wilden sterven en de vrouwen daartusschen -weeklaagden en de stad van gejammer weerklonk, omdat Athene, het -heilige Athene, verdelgd werd van den aardbodem, toen stond -Themistocles op, Themistocles, de zeeheld en strekte de hand uit naar -de zee en de vloot en riep: „Daar is Athene!” en dreef alles, wat -weerbaar was, naar de schepen. En naast hem stond de langgebaarde -priester van den Erechtheüs-tempel op den burg, die verkondigde, dat er -een hoogst belangrijk wonder was geschied: de heilige burgslang was van -zelf uit den brandenden tempel verdwenen, een teeken, dat de -schutsgodin der stad, Pallas Athene, zelve en alle Goden van daar waren -gevloden en dat het vaderland van den Athener nergens anders was dan op -zee, op de schepen der vloot van Themistocles. - -„Terwijl nu de mannen allen te scheep gingen, was het een jammerlijk -gezicht hoe zich de vrouwen, de kinderen en grijsaards door elkander in -de booten wierpen, die aan de kust gereed lagen en ook lager aan de -straten van Salamis, waarvan er vele omsloegen, omdat zij de menigte -vluchtelingen niet konden dragen. - -„Zelfs de honden wilden niet achterblijven in de verlaten stad: zij -stortten zich in zee en zwommen langs de schepen hunner meesters, -zoolang zij konden. Ge moet echter weten, kind, dat ik toen hoogst -zwanger was en in dien toestand bereikte ik gelukkig met eene gansche -schare het strand van Salamis en daar sloegen wij in eene rotsgrot op -de kust, met eenige vrouwen en kinderen, ons nachtleger op. De nacht -was bovenmate onrustig; want in die nachtelijke ure verzamelden zich om -Salamis alle Grieksche zeilschepen en onophoudelijk weerklonk van schip -tot schip den geheelen nacht door het geroep der zeelieden, zoodat -zelfs de onbezorgden onmogelijk een oog konden luiken. Het was juist -toevallig de tijd van het Jacchus-feest, waarop het beeld van den God -in het begin van den nacht bij fakkellicht in een grooten, plechtigen -optocht van Aegina naar Eleusis over zee wordt gevoerd, en Themistocles -had niet gewild, dat men deze plechtigheid om de benauwde tijden zou -nalaten en juist toen de Grieken hunne schepen in orde schaarden, kwam -het feestelijk getooide vaartuig met de heilige beelden de Aeäciden -[256] van Aegina en bij den hellen schijn der fakkels schitterde de -geheele burg, zoodat alle Grieken op de schepen nog meer werden -aangevuurd, omdat zij zagen dat de Goden van hun vaderland nog -heerschten. En toen de heldere morgen aanbrak en ik mij met de andere -vrouwen naar het strand voortsleepte, zag men reeds de vereenigde -schepen der Hellenen strijdvaardig staan, beschenen door den glans der -fakkels en de geheele Euripus [257] wemelde en de groote vloot der -Perzen kwam langzaam in een onafzienbare rij van den Phaleron -aanzeilen. - -„Ik echter kon het daar niet meer uithouden; ik moest naar de grot -terugkeeren. De barensweeën en de kommer overweldigden mij. En daar lag -ik nu op een bed van zeegras, verlaten door een ieder, want de vrouwen, -die haar nachtleger met mij gedeeld hadden, liepen allen weg; alle -vrouwen en kinderen toch op Salamis wisten dat hare echtgenooten en -vaders op de schepen waren en zij stonden daar allen dicht opeen op het -hooge strand en keken naar de vaartuigen en wrongen de handen en -smeekten tot de Goden. Daar hoorde ik opeens een trompetgeschal en een -paeän hoorde ik zingen door vele duizende stemmen—uit de verte klonk -het in gedempte tonen tot mijne legerstede door. - -„Toen was het, alsof een vreeselijke orkaan in een dicht olijfwoud zich -stortte en alsof duizende toppen kraakten—het was echter het gekraak -der schepen die tegen elkander stietten en daar tusschen klonk steeds -dof uit de verte het krijgsgeschreeuw der onzen en der barbaren. Hoe -lang dit duurde weet ik niet en het gevecht kan ik u niet vertellen, -kind, want ik zag niets; ik wentelde mij den geheelen dag door op mijn -bed heen en weder, hulpeloos als ik daar lag en smachtte naar lafenis -en verzonk ten laatste in eene sluimering, die wel mijne laatste had -kunnen wezen. - -„Toen hoorde ik plotseling in mijne sluimering een luid gejubel van -vrouwen en ik kreeg mijn bewustzijn weder en het kwam mij te binnen dat -ik op Salamis lag. Maar menige jammerklacht mengde zich onder de -jubelkreten; want niet alleen tallooze wrakken spoelden aan het strand -van Salamis, maar ook lijken, onder welke menige vrouw haar zoon of man -herkende. Ook velen der in het gevecht gewonden en velen van de -bemanning van die schepen welke verbrijzeld waren en die dichter bij -het strand van Salamis waren dan bij het Atheensche strand, redden zich -op de eilanden en brachten de heugelijke tijding: de Pers is verslagen -en vlucht in zijne hartader getroffen over de zee en ontvliedt de -rookende puinhoopen van Athene en nog heden mogen wij terugkeeren in de -bevrijde stad.—Verbeeld u eens kind, hoe het mij te moede werd, toen -onverwacht, alsof de Goden het zoo bestierd hadden, mijn man -Mnesarchus, die zich onder de gelanden bevond, de grot kwam -binnenstormen, met den jubelkreet: „Athene is weer vrij! Athene is weer -het onze!”—Zoo wou hij voortgaan met juichen en jubelen, toen—maar -verbeeld u hoe hij mij verbaasd aankeek en naast mij het naakte, -pasgeboren, schreiende knaapje. Hij kon geen woord uitbrengen, hij nam -het kereltje in zijne armen en sprong er mede in de rondte in zijne -uitgelaten vreugde over de zegepraal en zijn vaderschap, liep toen met -het kind naar de zee en wiesch het af en liep weer weg en bracht mij -water en andere verkwikkingen, zoodat ik eindelijk hoewel langzaam, wat -bijkwam van de doodelijke afmatting waarin ik verzonken was. - -„Den volgenden dag werd er op het eiland een groot zegefeest gevierd. -Omkranste jongelingen dansten om de tropaeën, terwijl de Pers aftrok en -met het rampzalig overschot zijner onmetelijke schare heenvluchtte naar -het verre Oosten. Toen ging Mnesarchus met het pasgeboren knaapje op -zijne armen midden door het feestelijk gewoel en toonde het aan alle -Grieken en vertelde hoe het ter wereld was gekomen in de ure van den -strijd. En toen Themistocles zelf naderde en de toedracht der zaak -vernam zei hij: - -„Eere den Griekschen moeders, die ons nieuwe burgers baren nog -gedurende den strijd, ter vergoeding voor diegenen, welke voor het -vaderland gevallen zijn!” - -„Zoo sprak hij en hij beval aan Mnesarchus honderd drachmen uit te -betalen. Toen heerschte er algemeene vroolijkheid en Mnesarchus noemde -den knaap Euripides, ter herinnering dat hij geboren werd op den dag -der overwinning in den Euripus, in de zeeëngte van Salamis.” - -„Zoo vertelde mij het eerlijke moedertje Clito, precies, zooals ik het -hier voor u neergeschreven heb.”— - -Weinige dagen, nadat de brief van Aspasia aan Pericles verzonden was, -kwamen krijgsberichten uit Samos en tegelijk een nieuw schrijven voor -Aspasia. De inhoud daarvan luidde aldus: - -„Gij zijt onvergelijkelijk, Aspasia, en altijd dezelfde. Was het toeval -of geschiede het met eene geheime bedoeling, dat gij mij in uw brief -dat bekoorlijk verhaaltje van het moedertje van Salamis deedt? Toen uwe -brieven mij met de verlangde versterking uit Athene gewerden, stond ik -reeds met mijne vloot tegenover de Samische. Ik las het verhaal van uw -moedertje en vol van Salaminische geestdrift gaf ik het teeken tot den -aanval. - -„Wij overwonnen. Maar ik zal mij wel wachten u eene schildering van -dien slag te geven. Hoe zou ik het wagen tegenover dat beeld, waarmede -gij mij zoo levendig de herinnering aan het heldenfeit van Salamis voor -den geest hebt getooverd, met mijne onbeteekenende overwinning te -pralen, waardoor de Samische vloot wel onschadelijk is gemaakt, doch -het verzet der stad zelve nog niet is gefnuikt. Wij omsluiten haar te -land en ter zee. Dit Samos is eene sterke stad en prachtig gelegen: -maar zijn grootste, van oudsher beroemde tempel is, zooals gij weet, -aan Hera, de Godin van den echt, gewijd en in dit heiligdom worden -gansche troepen van die vogels gemest, die der Godin heilig, maar ons -beiden gehaat zijn. - -„Ook Sophocles heeft uw brief gelezen, vooral het verhaal van uw -moedertje heeft hem groot genoegen gedaan. - -„Daar hij zelf zich onder de bekranste jongelingen en knapen bevond, -die bij het zegefeest, waarvan het moedertje spreekt, om de tropaeën -dansten en Aeschylus onder de strijders, hebben deze drie -treurspeldichters een belangrijk aandeel genomen aan de eer van -Salamis—het geringste echter uw Euripides, die alleen de verdienste -heeft toen geboren te zijn geworden. - -„Ik heb overigens ook nog bij Sophocles inlichtingen ingewonnen naar -het karakter van Euripides en hem gevraagd naar zijne meening over -diens vrouwenhaat. Sophocles antwoordde mij, dat Euripides de vrouwen -slechts haatte, omdat hij ze liefhad. Want als hij ze niet liefhad en -ze missen kon, dan zou hij zich niet om haar bekommeren en niet van -haar spreken en het zou hem onverschillig zijn of zij goed zijn of -slecht. Tot zooverre Sophocles: ik houd het er dus voor, dat de roem om -Euripides van zijn vrouwenhaat te genezen, u niet veel moeite zal -kosten.” - -Deze brief van Pericles beantwoordde Aspasia in dier voege: - -„Gij hebt met uwe overwinning vóór Samos den Atheners reden gegeven tot -groote blijdschap, waarmede ik in stilte van ganscher harte instemde; -alleen hebt ge mijne vreugde aanmerkelijk verminderd door uwe -bescheidenheid, waardoor gij mij eene schildering van uw zeegevecht -hebt onthouden. Ik vind het over het algemeen zeer goed, dat gij uwe -brieven aan mij niet met staats- en krijgszaken vult en u liever tot -datgene bepaalt, wat uw eigen persoon betreft; maar men zegt, dat juist -deze slag u in al uw glans en heerlijkheid heeft getoond, dat gij zelf -het schip van den vlootvoogd der vijanden in den grond hebt geboord. -Niet om de zaken is het mij te doen, maar om u, om het heldere beeld -van uw wezen, zoodat ik u als met eigen oogen zie. - -„De bouw van het Parthenon vordert met eene haast ongeloofelijke -snelheid. Waarlijk, uit eene welgevulde kas is het, zooals Callicrates -pleegt te zeggen, goed bouwen. - -„Vóór eenige dagen heeft er op de Acropolis een ongeluk plaats gehad, -dat veel opzien verwekte. Een werkman viel van een steiger en werd -doodelijk gewond: en daar dit juist geschiedde op de plaats, die -Diopithes als eene „onderaardsche,” als een ongelukspunt verklaard had, -heeft de gemoederen en de tongen der bijgeloovigen te Athene geducht in -beweging gebracht. - -„Zegepralend wijst de onverzoenlijke Erechtheüs-priester op zijne -vervulde voorspelling en verkondigt nog meer rampen in de toekomst; -hetgeen de Goden mogen verhoeden! - -„Hij ziet van den drempel van zijn oud heiligdom nog steeds donker en -toornig op den wakkeren Callicrates neer en wenscht hem een zonnesteek -toe. Doch de heetste pijlen van Apollo stuiten op het voorhoofd van den -onvermoeide af. Pallas Athene dekt hem met haar schild. Hij tergt zijn -tegenstander, waar hij kan, en wanneer zijne wangunstige blikken hem al -te lastig worden, weet hij het zoo in te richten, dat zijne lieden eene -stofwolk in de nabijheid van het Erechtheüm doen opdwarrelen, die den -priester noodzaakt, zich de oogen wrijvende, naar het binnenste van -zijn tempel de wijk te nemen. - -„Nu is zelfs een muildier in den twist dezer beide mannen betrokken -geworden. Onder de muildieren namelijk, die nu reeds eenige jaren bezig -zijn dag aan dag de helling van de Acropolis op en neder te draven, -steenen en andere vrachten op de hoogte te sleepen, bevond er zich een, -dat deels door den ouderdom, deels door eene wonde, die hij bij het -vervullen van zijn arbeid gekregen had, ongeschikt voor den arbeid -geworden was. Zijn drijver wilde hem sparen en in den stal rustig laten -staan. Het wakkere dier echter was daar mede niet te vreden en liet -zich zelfs niet door slagen afhouden datgene te doen, wat het sedert -zoo langen tijd gewoon was, en draafde met zijne makkers, zij het ook -onbelast, de Acropolis op en af. En dit doet het nu getrouw dag aan dag -en iedereen kent den „muilezel van Callicrates,” zooals men hem noemt, -daar Callicrates het onbruikbaar gewordene, maar altijd toch wakkere -dier onder zijne bescherming neemt. Daar deze muilezel echter op de -Acropolis zonder werk losloopt en rondstappende soms het gebied van het -Erechtheüm te nabij komt en zelfs eenige malen de heilige kruiden, die -daar geplant zijn, met zijn onheiligen snuit heeft besnuffeld, haat -Diopithes dezen trouwsten aller arbeiders van het Parthenon bijna nog -meer dan Callicrates zelven en het is niet te voorzien, welke -verwikkelingen uit deze zaak nog zullen voortspruiten. - -„Vaarwel, mijn held, en denk niet altijd alleen aan het verhaal van het -moedertje, aan Salamis en Themistocles, maar ook eens aan uwe Aspasia. -Noch Hera, noch alle pauwen van Samos zouden mij verhinderen tot u te -snellen, als gij het wilt.”— - -Niet lang daarna ontving Aspasia van Pericles de volgende regelen: - -„Gij zijt verstoord op mij, omdat ik u de beschrijving van het -zeegevecht niet gegeven heb; gij verlangt dus mij vóór Samos te zien -heerschen en handelen en het bevel voeren? Op zich zelf is een zeeslag -misschien van alle schouwspelen het meest waard gezien te worden en ik -beken u volmondig, dat ik, zoo dikwijls ik mij als strateeg ter zee met -den vijand moet meten, hoezeer ook mijn plicht als aanvoerder mij -geheel vervulde, toch steeds een blik van bewondering over had voor het -schoone en geweldige gezicht, dat een strijd tusschen die met zeilen -voorziene kolossen opleverde. De goede Clito heeft u alleen de -bijomstandigheden van den slag van Salamis, niet het gevecht zelf -verhaald, en daarom wil ik trachten u de geschiedenis van den strijd -der schepen vóór Samos in korte trekken te schilderen, onder die -voorwaarde evenwel, dat dit verhaal van krijgszaken het eenige zal -zijn, ’t welk gij aangaande dezen veldtocht van mij zult ontvangen. - -„Bij het eiland Tragia ontmoette ik de van Milete komende Samische -vloot. Een aanval verwachtende, nam zij onmiddellijk eene vaste -stelling in een kring aan, om mij te verhinderen datgene te doen, wat -steeds in een zeeslag mijn hoofddoel is, namelijk de vijandelijke -schepen door eene snelle en onverwachte wending in de flank aan te -tasten. Ik zond eenige kloeke zeilers vooruit, om deze kringvormige -positie in verwarring te brengen en door schijnaanvallen en eene -geveinsde vlucht hier en daar een vijandelijk vaartuig van zijn plaats -te lokken. Ook stak er een tamelijk felle wind op, wat eveneens -medewerkte om door den zwaren golfslag den gesloten kring der Samische -vloot te verbreken. - -„Onze vloot stond van het begin af met vooruitspringende vleugels -tegenover de vijandelijke linie en gereed om ieder schip, dat zich -buiten den kring durfde wagen, in de flank aan te vallen. - -„Intusschen gelukte het den Samischen vlootvoogd, terwijl zijne -voorhoede reeds in een vrij heeten strijd gewikkeld was, uit het -daarachter staande gedeelte van den wankelenden en half verbroken kring -eene gesloten slagrij te vormen, waarmede hij plotseling, terwijl de -schepen der voorhoede, op zijn bevel, zich terugtrokken, in dichte -rijen naderde. - -„Een oogenblik bracht de aanval dezer gesloten phalanx [258] onze -voorste gelederen in verwarring. De dikbuikige schepen der Samiërs met -hunne trompvormig gebogen voorstevens en tallooze krachtig bewogen -riemen zagen er als monsters uit, die op duizend pooten naar ons -toekropen. Alleen was dit kruipen eer een vliegen, als de snelheid van -den wind. Maar na weinige oogenblikken, toen ook ik de verstrooide -schepen ijlings in orde had gesteld, stond onze phalanx evenzeer -gesloten, als een ijzeren muur, tegenover de Samische. - -„Nu ontbrandde de eigenlijke strijd in woeste verbittering. Onder luid -geschreeuw op elkander losgaande, drongen de voorste rijen der onzen en -die der Samiërs onstuimig op elkander in, zoodat ieder Attisch vaartuig -naar twee kanten zijn aanval richtte, ieder vijandelijk schip zich naar -twee kanten verdedigde. Geleken de Samische schepen op dreigend -vooruitstekende zwijnensnuiten, de onzen waren met zeeslangen te -vergelijken, die tusschen die snuiten door vlug en met doodelijke beten -rechts en links hare kronkelingen wisten te slingeren. In de dicht -opeen gepakte rijen begonnen nu van schip tot schip de geweldige -krijgswerktuigen te werken: de catapulten en schorpioenen [259] -slingerden hun geschut en de vreeselijke dolfijnen [260] lange balken -met zware, ijzeren punten, die, nederstortend op het vijandelijke -vaartuig, met goed berekende juistheid nederdaalden en de mast -verpletterden of het verdek verbrijzelden en als met ijzeren klauwen -het schip vasthielden en tot een buit van den aanvaller maakten. En -terwijl de aandacht van het vijandelijk vaartuig door een hagel van -pijlen, waarmede zijn verdek overstormd werd, werd beziggehouden, -voeren stoute, lichte booten om het zeegevaarte heen, wier bemanning -met bijlen zijne riemen vernielde. - -„En toen ten laatste de schepen kiel aan kiel gesloten waren en de hoog -uitstekende boorden der onzen en der vijanden elkander raakten, vormden -de vereenigde verdekken weldra een slagveld, waarop de zwaargewapenden -met lans en zwaard, man tegen man, tegenover elkander stonden. De -vermetelsten aarzelden niet aan boord der naaste vijandelijke -vaartuigen te springen. Sommigen der onzen gelukte het hier en daar de -vijandelijke bemanning neder te houwen, den triërarch gevangen te -nemen, zich van het roer meester te maken en de weerlooze roeiers te -dwingen het buitgemaakte vaartuig uit de Samische linie naar de -Atheensche over te brengen. - -„Hoe roemrijk bij dergelijke waagstukken de heldhaftige zin zich ook -openbaarde, ik keurde dien al te onstuimigen moed af, daar ik er steeds -op bedacht ben, in den zeestrijd het bloed mijner dapperen zooveel -mogelijk te sparen en meer de schepen dan de menschen tegen elkaar te -doen strijden. Waarom zouden dezen elkander vermoorden, waar gene door -stoute, snelle bewegingen in staat zijn den kamp te beslissen? - -„Ik voer tusschen de schepen der vloot door en riep den triërarchen -toe, dat zij liever met de scheepsnebben en de ijzeren, puntige balken, -dan met zwaard en lans moesten strijden en hun schip niet als een -burgt, maar als wapen zouden beschouwen. Zij begrepen mij en daar de -Samiërs talrijke onbruikbaar gemaakte schepen uit den slag brachten, -doch met het overschot dichter opeen drongen, werd het ons te -gemakkelijker, om de schepen te enteren en in de flank aan te tasten. - -„Thans werd het ons hoofddoel, om de vijandelijke schepen in den grond -te boren. Het was nu inderdaad een strijd der schepen zelve geworden. -Benevens het geweld der in volle vaart aangebrachte scheepsnebben, -benevens de kracht der ijzeren, puntige balken aan de kiel, bewezen de -door mijzelve uitgevonden „ijzeren handen” [261] voortreffelijke -diensten, daar zij menig Samisch vaartuig aangrepen en vast omkneld -hielden in hare vreeselijke omarming. Onder het dof gekreun der tegen -elkander botsende balken mengde zich het snerpend gekraak van -splinterende riemen, wanneer in snelle, goed berekende vaart een -vaartuig vlak langs het vijandelijke schoot en het uitstekend roeituig -als dorre takken deed breken. - -„De Samiërs deinsden terug, zij geraakten in wanorde doch zij weken nog -niet. Vertoornd over dien trots, verdrietig over den langen strijd, -wilde ik juist het bevel geven eenige transportschepen met werk en rijs -geladen, in brand te steken en in de vijandelijke rijen te zenden, om -het overschot der weerbarstige Samische vloot te verbranden, toen -plotseling een geweldig stuk steen naar den mast van mijn schip werd -geslingerd. De mast werd niet getroffen, de stuurman echter wel, die -oogenblikkelijk met verbrijzelden schedel van zijn stuurstoel afviel. -Bij het nedervallen had de steenklomp tevens het roer zelf, met alles -wat in de nabijheid zich bevond, verpletterd. De steen was van het -admiraalschip der Samiërs geslingerd, waaruit ik opmaakte, dat de -Samische vlootvoogd mij zelven tot een persoonlijken kamp uitdaagde. -Doch met mijn ontredderd schip was weerstand onmogelijk. Snel en zonder -dat de vijand het kon bemerken klom ik van den achtersteven van het -schip langs een ladder in een boot en spoedde mij naar een ander -vaartuig, de „Pharthenos” [262], en terwijl het Samische admiraalschip -mijn ontredderd schip bemachtigde om het, met mij zelven als -krijgsgevangene, naar de Samiërs meenden, buit te maken en mede te -voeren, boorde ik met de „Pharthenos” in de flank van den Samiër, -zoodat hij, lek geworden, water schepte en op zij vallend onder den -waterspiegel verdween. De Samische vlootvoogd zelf was een der -weinigen, die onder een pijlregen der onzen, die hun krachtigen -zegekreet reeds deden weerschallen, ter nauwernood al zwemmend zich -redden. Nu eerst weken de Samiërs en de zege was ons. - -Nog op den avond van denzelfden dag kwam de Samische opperbevelhebber, -Melissus, onder veilig geleide op mijn schip, om met mij over de -vredesvoorwaarden te onderhandelen; hij stelde echter zulke eischen, -dat men mij voor overwonnen zou hebben moeten houden, als ik ze -aangenomen had. Hij erkende wel dat de vloot der Samiërs verslagen was, -maar gaf de verzekering, dat de stad echter in staat en voornemens was -een lang beleg uit te houden. Bovendien was Phoenische hulp in aantocht -en eene geldelijke ondersteuning was den Persischen satraap te Sardes -aangeboden. Melissus lei bij dit geheele onderhoud eene wilskracht en -hardnekkigheid aan den dag, zooals alleen een wijsgeer in staat is te -ontwikkelen. Hij is van eene hooge gestalte, reeds op vrij gevorderden -leeftijd en zijn voorhoofd draagt zoozeer den stempel van den -diepzinnigen denker, dat het mij schier ongeloofelijk voorkwam, in hem -den man te zien, die nog zooeven eene vloot tegen mij aangevoerd had en -dien ik met de vlugheid eens jongelings door de met wrakken bezaaide -golven had zien zwemmen. Weldra zag ik in hem alleen den in geheel -Griekenland met roem overdekten wijze uit de school van Parmenides. Ik -weet zelf niet hoe het kwam, dat ons gesprek langzamerhand en -onmerkbaar in wijsgeerige overdenkingen overging. Waarheid is, dat hij -mij ten laatste met groote levendigheid uiteen zette, dat, wanneer iets -is, het eeuwig is; dat het eeuwige echter in ruimte onbegrensd was en -het waarachtig eeuwige, één en oneindig, alles in zich omvatte; want -als er twee of meer oneindigheden waren, moesten zij elkander begrenzen -en waren derhalve niet meer oneindig en het Al moest iets in zich zelf -gelijksoortigs zijn; want ware er iets waarachtig ongelijksoortigs, dan -bestond niet meer het ééne, maar het vele; het vele echter kon niet -bestaan, want dat het bestond was slechts schijn en gold alleen voor de -zinnelijke waarneming, niet voor de denkende bespiegeling van den -geest.— - -„Toen toevallig eenige andere strategen en triërarchen binnenkwamen, -die met groote nieuwsgierigheid en belangstelling den uitslag onzer -vredesonderhandelingen verbeidden en nu hoorden dat de Samische -vlootvoogd en ik ons over de onbegrensdheid van het Al en over de -oneindigheid van het ongeschapen Zijn onderhielden, bleven zij geheel -verbluft en met open mond staan, en wij zelven moesten lachen, als wij -nagingen hoe wij zooeven nog met scheepsnebben en doodelijk geschut -tegen elkander hadden gewoed, doch thans in een dergelijk onderwerp -verdiept waren. Want daar ik dergelijke vertoogen, als Melissus hield, -te Athene dikwijls uit den mond van Zeno had gehoord en deze Eleatische -stellingen en strijdvragen mij steeds de grootste belangstelling hadden -ingeboezemd, behoefde ik Melissus het antwoord niet schuldig te blijven -en ons gesprek had inderdaad bijna het karakter van een wijsgeerigen -strijd aangenomen. - -„Hoe veel beter zou het zijn,” zei ik tot Melissus, toen wij afscheid -namen en ik hem de hand schudde, „als wij Hellenen allen, zooverre onze -taal op de kusten en eilanden wordt gesproken, daar wij toch door één -geestelijk streven verbonden zijn, ook door één zelfde staatkundig -belang in den loop der tijden konden vereenigd worden!” - -„Een bliksemstraal schoot bij deze woorden uit het grauwe donkere oog -van den Samiër. - -„Ongetwijfeld,” zeide hij met een bitteren, spottenden glimlach, „hoopt -gij, dat het Athene zal zijn, dat allen Hellenen in zijn gebied lokt en -hen goedschiks of kwaadschiks tot ééne staat vereenigt?” - -„Ik begreep het gevoel van den vaderlandslievenden man, die met zooveel -warmte voor de onafhankelijkheid van zijn eiland streed en ik -waardeerde het. - -„Het is nu eenmaal het lot van alle welgemeende bedoelingen en -gedachten, dat zij schipbreuk lijden op de klip van kleinere belangen, -die toch eigenlijk zich moesten oplossen in de grootere. Het wordt met -ondank beloond, als men de gedachte van een groot geheel in zijn hart -opvat en daarvoor wil werken. Spoor ik de Hellenen aan tot eenheid, dan -zien zij daarin alleen Atheensche veroveringszucht of zelfs eerzuchtige -bedoelingen van mijzelven. Zoo gevoelt men zich met zijn besten wil en -bedoelingen telkens gedwarsboomd door eene jammerlijke bekrompenheid. -Daardoor heb ik soms oogenblikken, dat alle kracht en lust tot den -arbeid mij ontzinken en ik troost zoek in de reine sfeer der gedachte, -waar de geest in onbeperkte vlucht zich kan verheffen in de ongemeten -ruimten van het geestelijke en ongeziene. Als ik in stilte des nachts -op het verdek treed van mijn vaartuig, boven mij de met sterren -bezaaide hemel zich welft—als de masten onbewegelijk zich verheffen en -daar boven de oneindigheid het uitspansel zich uitbreidt—als geen -geluid wordt gehoord, dan het zachte, welluidende kabbelen der golven, -licht bewogen door den adem van den wind, tegen de kiel van het -schip—dan rijst het beeld van Melissus op voor mijn geest en ik geloof -niet langer aan, maar gevoel de waarheid van zijne oneindige, eeuwige -eenheid van het Zijn. - -„Meer dan gij gelooven kunt, denk ik aan u, aan de vrienden te Athene -en aan datgene, wat daar onder hunne handen der voltooiing nadert. -Thans, nu hier, naar het schijnt, het moeilijkste volbracht is en eene -wellicht lange, vervelende belegering mij bijna tot werkeloosheid -veroordeelt, durf ik u mijn heimwee naar Athene wel bekennen, zonder -mij daarvoor te schamen. - -„Het ongeluk, dat de werkman bij den bouw van het Parthenon heeft -getroffen, waaraan Diopithes op zoo kwaadwillige wijze eene rampzalige -uitlegging heeft gegeven, is mij zeer ter harte gegaan. Ik heb -Hippocrates doen verzoeken den gewonde, als hij nog leeft, te -behandelen, en wanneer het ons gelukt hem te redden en Diopithes te -beschamen, doe ik de gelofte uit dankbaarheid voor Pallas Hygieia [263] -een altaar op de Acropolis op te richten. - -„Wat voorts het wakkere muildier van Callicrates aangaat, ik ben van -meening, dat het beschouwd moet worden om zijne trouw en vlijt den -staat der Atheners belangrijke diensten bewezen te hebben en om te -voorkomen, dat de afgunst van Diopithes hem onheil zal berokkenen, heb -ik hem de vrijheid bezorgd te snuffelen en te grazen, waar het hem -lust, en alles wat hij aan het goed van een ander beschadigt of zich -daarvan toeëigent, zal den eigenaars van staatswege vergoed worden.” - -Nog vóór Aspasia gelegenheid gevonden had dezen laatsten brief van -Pericles te beantwoorden, ontving zij opnieuw eenige letteren van hem, -die de bevestiging inhielden van het ongeluk, dat het Atheensche leger -vóór Samos had getroffen, terwijl Pericles de Phoenische hulpvloot te -gemoet was getrokken. - -Slechts met enkele woorden meldde Pericles deze zaak in zijn brief aan -Aspasia. Daarna vervolgde hij aldus: - -„Kondt gij het voor mogelijk houden, dat onder ons Hellenen datgene nog -steeds gebeuren kan, wat ik gezien heb, toen ik mij naar het leger -begaf, dat de stad van de landzijde had ingesloten en door de uitvallen -der Samiërs niet weinig geleden had? Luide jammerklachten klonken mij -in het oor, toen ik het kamp binnentrad. Ik vond den priester van het -leger juist bezig aan Zeus, den Redder [264] een offer te brengen. In -den kring, die zich rondom het altaar en den priester gevormd had, zag -ik vijftig gevangen genomen Samiërs met gebonden handen staan. Ik vroeg -wat er met deze menschen, die als offerdieren om het altaar stonden, -moest geschieden. Toen vernam ik dat de ziener, die van staatswege aan -het leger was toegevoegd, verklaard had, dat het de wil van Zeus den -Redder was, dat hem ter eere de vijftig Samische krijgsgevangenen -plechtig zouden worden geofferd. En men was juist op het punt den wil -van Zeus te volbrengen. Ik trad op den priester en ziener toe en -verklaarde ten aanhoore van het geheele leger, dat het een leugen was, -dat de Goden der Hellenen ooit menschenoffers wilden en stelde mij -daarmede tevreden door op de voorhoofden der vijftig Samiërs het teeken -van een zwijnensnuit, zooals de voorsteven der Samische schepen voeren, -af te drukken, ter vergelding van den smaad, dien zij kort te voren aan -onze gevangenen hadden aangedaan, door in hun lichaam een uil [265] in -te branden. - -„Nu belegeren wij opnieuw de stad en bestormen haar van de landzijde -met stormrammen en werpgeschut. - -„De brieven, die ik van Telesippe ontvang, zijn vol klachten over den -jongen Alcibiades”— - -Aspasia beantwoordde de letteren van Pericles op de volgende wijze: - -„Vele en gewichtige zaken, dierbare Pericles, hebben uwe beide laatste -brieven mij medegedeeld. Vele dingen, waarbij ik van vreugde zou kunnen -juichen, ook andere zaken die een bange vrees, zij het ook slechts eene -voorbijgaande, voor u in mijne ziel opwekten. Maar waarom zou ik over -de wisseling der fortuin al te zeer klagen, daar juist in deze -wisseling de onveranderlijkheid van uw eigen, trouw beeld mij te -duidelijker wordt afgespiegeld? Gij hebt mij, zooals ik wenschte, -zonder het te weten, u zelven afgeschilderd. Hoe arm zijn woorden en -hoeveel vuriger zou een kus, op uw voorhoofd gedrukt, u zeggen wat ik -gevoel! De tijd vliegt mij om, als ik aan u denk en de liederen van -Sappho bij de klank der snaren zing. - -„Phidias en de zijnen zijn onvermoeid. Verdiept in hunne berekeningen -en als door eene daemonische macht voortgezweept, luisteren zij slechts -met een half oor naar de gebeurtenissen, die buiten hun werkkring, -elders in de wereld plaats grijpen. Vergeef het hen: want ook zij -arbeiden toch voor u en den roem van uw naam tot in de verste toekomst. - -„Over den jongen Alcibiades verneem ik telkens een en ander; want hij -begint de aandacht van de Atheners tot zich te trekken. Er zijn er -velen, die in de worstelschool of waar hij zich ook vertoont, zich om -hem verdringen. Maar hij sluit zich alleen aan bij Socrates, wellicht -omdat deze hem niet vleit. Toen hij onlangs door zijn paedagoog -begeleid over straat ging, met een kwartel, zijn lievelingsvogel, in -den mantel verborgen, drong er weder veel volk om hem heen. Terwijl hij -nu genoodzaakt was hieraan zijn aandacht te wijden, ontvloog hem den -kwartel. De jongeling werd daarover zoo driftig, dat half Athene op de -been kwam, om den kwartel van Alcibiades weder op te vangen. Zóó zijn -de Atheners! Intusschen, wanneer zij den jongen Alcibiades bederven, -komt dit grootendeels ook daar van daan, dat hij de pleegzoon is van -Pericles, den grooten Pericles, die na de zege bij Tragia meer dan ooit -de held van den dag is. - -„Alleen Diopithes blijft heimelijk tegen u mokken, benevens de zuster -van Cimon en uwe vrouw Telesippe. Op hunne zijde zijn de oude pruiken -met hun ouderwetsche kleeding en de haarvlecht over de kruin -samengebonden, de ijdele oude strijders bij Marathon [266] en -afgeleefde grijsaards en zotte Spartanen-vrienden, die lang haar -dragen, het lichaam oefenen, honger lijden, zich nooit wasschen en met -hun lompen knuppel op de steenen der straat ratelen; voorts -verscheidene suffers, die meenen de wijsheid in pacht te hebben, en -sterrekijkers, die barrevoets en met gescheurde mantels loopen, doch de -wenkbrauwen bedenkelijk fronsen, den neus in den haveloozen, langen -baard steken en er een deftigen onderkin op nahouden. Al deze lieden -denken in uwe afwezigheid aan het spreekwoord: „als de wijnstok niet -bewaakt wordt, is het goed druiven plukken.” [267] - -„Theodota zweert nog steeds, naar ik hoor, dat de zwaardvisch Pericles -eens zeker in haar net zal spartelen. Geheime draden schijnen steeds -tusschen deze vrouw en onze vijanden gesponnen te worden. Elpinice -loopt zich de beenen onder haar lijf stuk, om hare vrienden en -vriendinnen tegen mij op te zetten. Door hare en uwe vrouw word ik -openlijk vervolgd; zij zien, dat ik weerloos en onbeschermd ben en -houden mij voor eene lichte en zekere prooi. - -„Euripides schijnt het er op gezet te hebben te loochenstraffen, wat uw -vriend Sophocles van hem gezegd heeft. Ik zie hem nog altijd somber, -knorrig, ontevreden. Toch maakte hij mij in tegenwoordigheid van -Socrates tot vertrouwde van zijn treurig levenslot. Hij gaf mij eene -schildering van het karakter zijner gemalin, eene schildering, die ik u -niet behoef te herhalen, daar de dierbare echtgenoote van den -treurspeldichter het trouwe afbeeldsel is van uwe beminde Telesippe. -Doch hoor nu eens, wat de dichter besloten heeft, om zich van dit -ondragelijk gezelschap te ontslaan. Hij denkt zijne vrouw weg te zenden -en eene betere, die meer aan de behoefte van zijn hart beantwoordt, -voor haar in de plaats te nemen.—Dierbare held, wat zegt gij van zulk -een mannelijk besluit van den dichter?”— - -Na eenigen tijd schreef Pericles aan Aspasia: - -„Ik weet niet of ik den lof van edelmoedigheid verdien, dien gij mij -toezwaait. Ik ben ten hoogste verbitterd op die koppige Samiërs en ik -zal hen, als de tijd daarvoor gekomen is, geducht voor hunne -hardnekkigheid doen boeten. - -„In de dagen van werkeloosheid en ongeduld is de edele, opgeruimde -Sophocles mij een dubbel gewenschte vriend, terwijl hij zich overigens -als medestrateeg voortreffelijk houdt. Steeds is hij bereid mij ten -dienste te staan, het liefst bij vreedzame zendingen. Als bemiddelaar -en onderhandelaar werkt hij met zoo’n wonderlijke macht, dat men hem -voor een toovenaar zou houden; het verwondert mij trouwens niet want -zijn karakter is zoo innemend, dat hij zonder uitzondering bij allen -geliefd is. Hij staat mij getrouw ter zijde in mijne pogingen, om de -verwildering der gemoederen tegen te gaan, die bij een langdurigen -oorlog zoo licht zich van het krijgsvolk meester maakt. Nu eens moeten -de wetten der menschelijkheid gehandhaafd, dan weder een ergerlijk -vooroordeel uitgeroeid worden. Gij weet zelve, hoeveel in dit opzicht -nog bij ons Atheensch volk te doen valt. - -„Wanneer een onweder losbreekt en de bliksem midden in ons kamp slaat, -of de stuurman van mijn schip bij eene invallende zonsverduistering -zijne zinnen verliest, dan moet ik alles, wat ik aangaande de oorzaak -van dergelijke natuurverschijnselen van Anaxagoras geleerd heb, mij -voor den geest halen, om de verschrikte en verslagen mannen tot bedaren -te brengen. - -„Doch, ik vertel u hoe ik mijn best doe de vooroordeelen van anderen -uit te roeien en ik vergeet, dat gij mij soms beschuldigt zelf er nog -mede behebt te zijn. Gij vraagt den echtgenoot van Telesippe, wat hij -zegt van het manhafte besluit van Euripides?—Ik zal u dat mondeling -mededeelen, als ik weer in Athene ben teruggekeerd.” - -Zóó schreef Pericles. - -Negen maanden lang bood de trotsche eilandstad hardnekkigen weerstand -en menig bericht werd er van Samos naar Athene, van Pericles naar -Aspasia gezonden. - -Ten laatste meldde de Atheensche veldheer aan zijne Milesische -vriendin: - -„Samos is stormenderhand genomen, de trots van Melissus gebroken, de -vrede gesloten. De Samiërs leveren hunne schepen uit en slechten de -muren. - -„Toch is het mij niet mogelijk aanstonds naar Athene terug te keeren. -Ik moet eerst nog naar het naburige Milete, waar velerlei zaken te -regelen zijn. - -„Slechts kort is dit uitstel en wij zullen binnen weinige weken -elkander wederzien. - -„Op de vloot heerscht groote vreugde en de triërarchen verblijden zich -over de overwinning, voor een deel in gezelschap hunner vriendinnen, -van welke reeds eenigen gedurende de langdurige belegering van Athene -naar Samos zijn overgekomen. Deze schoonen hebben de gelofte afgelegd, -na de verovering van Samos in de stad van den beroemden Hera-tempel nu -op hare kosten een tempel te bouwen voor de Godin der Liefde. Het -schijnt, dat zij vast besloten zijn die gelofte te houden. Vóór weinige -dagen is ook Theodota hier gekomen, volgens den wensch van haar vriend -Hipponicus, die even goed patriot als gastronoom is en zich op het -schip, waarvan hem de triërarchie was aangewezen, niet door een ander -liet vervangen, maar zelf den zeetocht heeft medegemaakt. - -„Vaarwel! Te Milete, uw vaderstad, zal ik voortdurend aan u denken!” - -Toen Aspasia den brief van Pericles had gelezen, dacht zij eene poos -na. - -Daarop nam zij een stout besluit. - -Den volgenden dag zag men haar reisvaardig met eene slavin zich naar -den Piraeus begeven en een vaartuig beklimmen, dat op het punt was uit -de haven van Athene koers te zetten naar de Ionische kust. - - - - - - - -XII. - -UREN VAN ZALIGHEID. - - -Van Samos had Pericles met twee zijner galeien den kortsten tocht naar -Milete gemaakt. - -De triërarch van het tweede schip was niemand anders dan Hipponicus. -Deze had Pericles verzocht hem naar Milete te mogen vergezellen. Onder -zijn geleide bevond zich de schoone hetaere Theodota. - -Zóó geraakte de verleidelijke danseres weder in de omgeving van -Pericles en kon voor hem weder hare bekoorlijkheden ten toon spreiden. - -De Milesiërs ontvingen den Atheenschen strateeg met gejuich. Met -schitterende feesten vierden zij zijne aankomst en met een gouden -lauwerkrans vereerden zij den overwinnaar van Samos. - -Pericles voelde zich als door zwoelen adem aangewaaid toen hij -Klein-Azië’s kusten betrad. Dit was toch het land der Artemis beelden -met hun duizend borsten, met de reuzentempels, die de Helleensche -schoone vormen met de kolossale, reusachtige afmetingen van het Oosten -vereenigden, het land der Aphrodite-priesteressen, die zich aan het -zingenot wijdden, het land der weekelijke, vrouwelijke melodieën, het -land van de moeder der Goden, wier feestrijen op den Tmolus door -orgiastische [268] woestheid en mystieke razernij van het Oosten zich -kenmerkte, het land ook van haar pleegzoon, den vreugdegod Dionysus, -die reeds door zijn karakter en uiterlijk, teeder en vrouwelijk van -gestalte en toch vol moed en vuur, met weelderige lokken en rijken -haardos door eene lydische mitra [269] getooid, in veelkleurig, wijd -gewaad, als Klein-Azië’s echte zoon zich betoonde. - -En zoo ergens op de Ionische kusten van Azië, dan waaide deze zwoele -adem, die den Athener Pericles trof in de straten van het rijke, -prachtige, met rozen bezaaide Milete. Hier hoorde men over de Perzen en -de satrapen te Sardes spreken als te Athene over de Megarensers en -Corinthiërs. Men zag Perzen en ook andere Oosterlingen in de straten -wandelen. Rijk en bont als het gevederte der Oostersche vogels en toch -smaakvol was de kleeding der mannen van Milete en van de bekoorlijke, -weelderige vrouwen. Kleederdrachten troffen hier de Atheners, die aan -de Perzen, andere die aan de Egyptenaars waren ontleend; hij zag ze van -de kleur van het viooltje en den hyacinth, hij zag ze zelfs in -vuurroode kleedij. Hij zag de Milesiërs omhangen met de weefsels van -Perzië, stralend van de edelgesteenten van Indië, druipende van -Syrische zalven. - -Pericles en Hipponicus genoten gedurende hun oponthoud te Milete de -gastvriendschap van den rijksten en aanzienlijksten burger, -Artemidorus. Deze bracht hen naar zijn prachtig landgoed in de -nabijheid der stad. Niet verre van dit landelijk verblijf lag een -myrthenbosch, waarvan de sage meldde, dat in zijn lommerrijk geboomte, -bevolkt door het gewiekte koor van zangers, somwijlen de Godin -Aphrodite in hare heerlijke gestalte zich vertoonde. - -In de vertrekken van Artemidorus heerschte de pracht van het Oosten. -Met bonte Perzische behangen prijkten de wanden: het huisraad -schitterde van goud, het blonk van ivoor, het ademde een geur van -sandelhout. Eene menigte schoone slavinnen zweefde door het huis. Er -bevonden zich onder haar, die van de stranden der Kaspische zee -geboortig, schitterend blank waren als de marmeren beelden, anderen -bruin als de bronzen beelden in het huis van Artemidorus en nog meer -anderen schitterend zwart, als de met goud ingelegde ebbenhouten tafels -in zijne vertrekken. Met beelden en schilderijen was Artemidorus’ huis -rijkelijk versierd. Niets ontbrak er, wat het gemoed van den -Aziatischen Griek in Aspasia’s vaderstad kon bevredigen. - -„Gij andere Grieken noemt ons Ionië een brandpunt van weelderigheid,” -zei Artemidorus tot zijne gasten, toen hij hen aan eene kostelijke -tafel onthaalde, „en, naar ik hoor, moeten in der daad onze Milesische -schoonen voor de deugd van Atheensche mannen gevaarlijker zijn, dan de -hoffelijke Milesiër voor de Atheensche vrouwen.” - -Pericles glimlachte. - -„Vergeet niet,” vervolgde Artemidorus, „dat ons Ionië niet alleen een -brandpunt der weelderigheid is, maar ook de bakermat der dichtkunst, ja -zelfs der wijsheid, daar wij u Hellenen, behalve schoone vrouwen, -Thales [270], Herodotus [271] en, zoo wij ons niet te veel aanmatigen, -ook den grooten Homerus [272] hebben geschonken.” - -„Wie twijfelt er aan,” hernam Pericles, „dat de krachtige bloesem van -den Helleenschen geest nooit en nergens afvalt, zelfs niet in de -weelderigheid van het rozenleger der vreugde?” - -„Zeg liever, dat hij zich nergens schitterender ontwikkelt, dan juist -daar!” riep Artemidorus. „Er is geen vooruitgang onder de menschen en -volkeren zonder datgene wat onverdraagzame dwepers weelderig noemen.” - -Den avond van den tweeden dag voerde Artemidorus zijne gasten naar het -myrthenbosch, nabij zijn prachtig landhuis gelegen, dat hij zelf op de -wijze van een lusthof had doen aanleggen. De schoone Theodota was als -geliefde en metgezellin van Hipponicus door den beleefden Artemidorus -mede genoodigd. Zij wilde trachten door den vurigen gloed harer donkere -oogen den vriend van Aspasia in liefde te doen ontbranden. - -Onder geleide van hun gastheer doorwandelden Pericles, Hipponicus en -Theodota de bekoorlijke dreven van den bloeienden myrthenhof. Daar het -groote bosch zich over eene zachte glooiing uitstrekte, had men op -verscheiden punten, waar de grond niet met boomen beplant was, een -heerlijk gezicht op de stad, op de blauwe zee en de eilanden, die als -een bolwerk vóór de vier havens van Milete lagen. Op zulke plaatsen -liet de rijke Artemidorus door de slaven, die hem op den voet volgden, -Oostersche tapijten spreiden of eene met purper behangen tent opslaan, -om daar uit te rusten, verfrisschingen te gebruiken of naar de weeke -toonen van Lydische fluiten te luisteren, die op last van Artemidorus -met de nachtegalen in het woud wedijverden, om het oor te bekoren. - -De slaven en slavinnen bevolkten het bosch als Silenen, die hier en -daar den wandelaars uit wijnzakken de volle bekers toereikten, of als -Hebe’s [273] en nimfen uit bevallige horens hun bloemen en heerlijke -vruchten aanboden. Drie der schoonste nimfen voerden op een open -grasperk een bekoorlijken reidans uit, waarbij de Aziatische, bij de -Cybele-feesten [274] gebruikelijke tamboerijn op luidruchtige wijze -geslagen werd, zoodat eene zekere betoovering en bedwelming zich van de -zinnen meester maakten. - -Een klein meer in het midden van het bosch was met allerlei gedaanten -uit de Helleensche fabelleer bevolkt. Zeemeerminnen met vischstaarten -zag men er, die zich met waterbloemen bekransten, en Sirenen [275] op -rotsen uitgestrekt, die in een wedstrijd met de Tritons [276] hare -zoete, verleidelijke zangen deden hooren. Ook de waarzeggende, van -gedaante wisselende grijsaard Proteus [277] ontbrak daar niet, die -allen wie het verlangden, voorspellingen deed. Ook Pericles naderde hem -en wenschte een orakel van hem te vernemen. - -„Ik zal, als het noodig is, niet verzuimen u vast te houden,” zei hij -lachend, „zooals het gebruik is bij hen die u ondervragen, opdat gij -niet in steeds nieuwe gedaantewisselingen den vrager moogt ontkomen.” - -Bereidwillig stond de grijsaard Pericles te woord en deelde hem de -volgende orakelspreuk mede: - - - „Daar waar de nachtegaal nestelt, de rozen het heerlijkste geuren - Knellen goedgunstige Goôn in ijzeren banden uw geluk! - Houd het, o held, slechts vast met sterke vuist, als gij thans mij - doet! - Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk.” - - -Pericles begreep niet, wat de grijze zeegod bedoelde. Toen hij na dit -onderhoud met hem naar zijne vrienden omzag, waren zij verdwenen. Hij -liep dus eenigen tijd alleen. De vogels, die van tak tot tak, van boom -tot boom huppelden en daarbij hun liefelijk gekweel aanhieven, lokten -hem al dieper en dieper in het woud. Maar ook eksters, spreeuwen en -papegaaien zaten hier en daar in ’t geboomte, die Pericles toeriepen en -bespotten met de woorden: „Wees welkom!” en „verheug u” en „kom toch, -kom toch!” Snaterend huppelden zij weldra naast den wandelaar voort. -Thans echter meende Pericles, dat hij in plaats van enkele vogels een -geheel koor van nachtegalen op eenigen afstand vernam. Tegelijk drong -een sterke rozengeur, als door zachte koeltjes uit de verte gedragen, -tot hem door: het moest van eene groote, bloeiende rozengaarde komen. -En, wat het opmerkelijkste was, onder die rozengeur scheen zich het -aroma van Indische reukwateren te mengen. Half onwillekeurig vervolgde -Pericles zijn weg in de richting, van waar de rozengeur en de heldere -tonen der nachtegalen kwamen. Hij deed het zonder bedoeling en hij -dacht niet meer aan de voorspelling van den grijzen zeegod. Hier en -daar zag hij in de schemering van het woud uit de verte iets -schitterends door de takken blinken. De vogels, die den wandelaar van -tak tot tak huppelend en zingend als ’t ware hadden vergezeld, -verstomden nu en schenen met schalksche blikken op hem neer te zien. En -in plaats van hun gezang deed zich hier en daar in de toppen der boomen -een sterker wiekgeklap en een zacht lachen hooren, als van zwevende -liefdegoodjes, die zich ten koste van den wandelaar vroolijk maakten. - -Nu zag Pericles de weelderige rozengaarde zelve, wier geuren hem straks -reeds bedwelmend waren toegewaaid. Tusschen de takken door zag hij nu -duidelijker die schitterende gedaante blinken, als met purper, goud en -verblindend wit gewaad omhangen. Hij naderde en het gelukte hem, juist -van den kant, vanwaar hij kwam, zijn oog dieper in het loof te doen -doordringen. Te midden nu van deze weelderige rozenpracht, zag hij het -bekoorlijkste tooneel, dat men zich voorstellen kan. - -Omgeven door een schaar lieve knapen, in purperen kleeding, met gouden -vleugels aan de schouders en gouden pijlen in zilveren kokers aan hunne -zijde, stond eene vrouwelijke gestalte in sneeuwwit gewaad, met een -gouden gordel om het midden en met rozenkransen omwoeld. Het gelaat der -schoone kon Pericles onmogelijk duidelijk zien; want juist toen hij -naderde waren de liefdegoodjes met overmoedigen ijver bezig het hoofd, -de borst en het geheele lichaam der vrouw al dichter en dichter met -rozenkransen te omwinden, dat het daaronder schier geheel verdween. -Pericles dacht aan de legende, die zijn Milesische gastvriend hem had -medegedeeld, dat in deze gaarde de Godin Aphrodite somwijlen zich in -hare heerlijke gestalte vertoonde, en het kwam hem niet ongerijmd voor, -dat die onder rozen schier bedolven schoone eene Godin was. - -Nadat de gevleugelde knapen de slanke vrouwengestalte geheel met -rozenbanden omstrengeld hadden, trokken zij haar aan die zelfde banden -op een leger van bloemen neder en bevestigden lachende de einden der -kransen aan de stammen en struiken. Daarna bestrooiden zij de geboeide, -terwijl zij vroolijk om haar heen dansten, steeds met rozen, die zij -van zwaar beladen takken der dichte struiken afplukten. - -Bij het gezicht van den vreemdeling sprongen de kleine Eroten allen -lachend weg en lieten de geketende achter. Pericles trad de priëel -binnen. Nu klonk uit het bloemengraf de bede van de gevangene tot den -vreemdeling, om haar te bevrijden. - -Pericles verbrak eene der rozenketenen, schoof de rozen ter zijde, die -het hoofd en het aangezicht van de vrouw bedekten, en de stralende -oogen van Aspasia schitterden hem tegen... - -Het gevoel, dat zich in het eerste oogenblik van Pericles meester -maakte, was dat van ongekende vreugde. In het volgende oogenblik echter -werd het gemengd met verbazing, die zulk eene verrassing bij hem moest -opwekken. En reeds zweefde eene ernstige vraag op zijn lippen naar de -omstandigheden, waardoor hem deze onverwachte vreugde was bereid. - -Doch nu stond Aspasia op, schudde de rozenketenen van zich af en zeide -met hare zacht betooverende, zilveren stem: - -„Weet dan, dierbare Pericles, dat ook ik, evenals Socrates, mijn daemon -heb, die in beslissende oogenblikken mij toefluistert, niet alleen wat -ik nalaten, maar ook wat ik doen moet. Deze daemon nu heeft, toen uw -laatste schrijven van Samos mij meldde, dat de vrede gesloten, dat -Theodota te Samos aangekomen was en gij van plan waart naar Milete te -vertrekken, zich oogenblikkelijk in mij doen hooren en mij gelast -onmiddellijk een schip te beklimmen en u te Samos of zoo gij daar niet -meer waart te Milete op te zoeken. Wellicht wilde de daemon mij het -schoonste, dubbele geluk doen smaken, Milete niet zonder u en u alleen -te Milete weder te zien. Ik kwam te Milete, ik begaf mij naar uw -gastvriend Artemidorus en hoorde van de verrassingen, die de schoone -Theodota uit eigen beweging en op aansporen van anderen, u in deze -gaarde, aan Aphrodite geheiligd, wilde bereiden. Ik hoorde van de -maatregelen, die reeds met behulp van den grootmoedigen Artemidorus -genomen waren, maar ik vond het beter in overleg met dien zelfden -Artemidorus, de verrassende rol, welke Theodota wilde spelen, op dit -tooneel zelve te vervullen. Artemidorus dus hebt gij het te danken, dat -de liefdegoden niet Theodota, maar mij op deze plaats u geketend hebben -overgeleverd.” - -„Voor mij,” hernam Pericles, „hebt gij de legende van de verschijning -der Godin der liefde in dit woud bewaarheid; voor mij zijt gij de Godin -der liefde, de Godin van het geluk, en boven alles, veroorloof mij dit -er bij te voegen, de Godin der verrassingen.” - -„Is er wel een geluk denkbaar zonder verrassingen?” vroeg Aspasia. - -Een vertrouwelijk gesprek vereenigde de beide minnenden nog een -geruimen tijd op die bekoorlijke plek. Zij hadden, zooals alle -gelieven, na eene lange scheiding, elkander duizenden dingen te zeggen. - -Maar toen kussen de woorden dreigden te vervangen en de schemering -inviel, sprongen plotseling weder de liefdegoden uit de struiken te -voorschijn en wilden Pericles, met nieuwe kransen die zij gevlochten -hadden, eveneens omstrengelen en ketenen. - -„Pas op voor die kleinen!” zei Aspasia. „Het is tijd om heen te gaan en -voor heden afscheid te nemen. Uw weg is ver; de mijne korter; want mij -is door Artemidorus dat kleine, bekoorlijke tuinhuis ingeruimd, dat, -weinige schreden van hier gelegen, alleen door het dichte myrthenbosch -halverwege voor onze blikken verborgen is. Daarheen wil ik mij begeven. -Keer gij echter, dierbare Pericles terug naar Artemidorus, naar uw -vriend Hipponicus en naar de schoone Theodota, de verleidelijke -Corinthische met hare vurige oogen!” - -Op deze woorden van Aspasia barstten de liefdegoden in een luid, -vroolijk gelach uit, terwijl zij hunne ketenen nog vaster om Pericles -wonden en deze stemde in met hunne vroolijkheid, en ten laatste ook -Aspasia zelve. De liefdegoden echter vormden met Pericles en Aspasia -eene bekoorlijke groep, die door rozen omwonden en door kleine Geniën -[278] voortgetrokken, tusschen de myrthen- en rozenboschjes verdween. -De stilte des nachts heerschte in het eenzame woud; alleen nog sloegen -de nachtegalen en geurden de rozen. - -En Pericles vond een zoeter geluk bij Aspasia, dan hij ooit gesmaakt -had bij de Corinthische met hare vurige oogen. - -Want niet het oogenblik, waarin een vurig minnend paar voor de eerste -maal zich in onbeschrijfelijke zaligheid verliest, is het zoetste van -het leven; dat echter is het, waarin de minnenden na lange scheiding, -na lange ontbering elkander wedervinden. De weelde der eerste omhelzing -is gelijk aan de vlam van het groene hout, dat niet zonder onaangenamen -rook en heftig knetteren brandt; voor de minnenden echter, die elkander -wedergevonden hebben, flikkert de vreugdevlam hoog en helder -ongehinderd opwaarts. - -Toen op den morgen na dien nacht Pericles en Aspasia hand in hand uit -het tuinhuis van Artemidorus in de van dauw parelende gaarde traden, -geleken zij zelven twee heerlijke gestalten, door den fonkelenden -morgendauw besprenkeld. En evenmin als de zoete tonen in de kelen der -vogels verstomd of de bedwelmende geuren der zwellende rozekelken -verdwenen waren, zoo min was de liefde in beider minnende harten -verkoeld. - -Zij klommen eene der kleine hoogten, van waar men een vrij gezicht had -op de stad, de zee en het strand, op den kronkelenden Meander, die met -palmen, laurieren en kuischlamstruiken omzoomd, als een zilveren koord -zich slingerde door de velden, op den blauwen Latmus in het verschiet -en het meer Biblis, waarover bontgevederde watervogels hunne wieken -uitspreidden. Pericles echter liet zijne blikken weiden over de tinnen -der stad, liet ze een oogenblik rusten op de trotsche Atheensche -triremen in de haven en sloeg toen het oog ver over de zee, waar Samos -lag, in nevelen gehuld, de plaats, waar hij een jaar zijns levens met -mannelijken moed aan zijn vaderland had ten offer gebracht. Toen weder -zijn blik op de schoon gebouwde stad vestigende, prees hij hare -vroolijke, prachtige ligging en den opgewekten, levenslustigen geest -harer bewoners. - -„Nog is Milete prachtig en zijne bewoners levenslustig,” hernam -Aspasia. „Maar de vaderlandslievende burgers denken terug aan den tijd, -toen Milete de beheerscher was dezer zee, toen het niet alleen rijk en -weelderig, maar ook machtig en onafhankelijk was, toen het zijne -koloniën uitzond tot op de verste kusten van den Pontus [279]. Deze -tijd is voorbij: Milete is niet meer onafhankelijk en moet zich buigen -voor het machtige, bloeiende Athene.” - -„Gij zegt dit bijna met bitterheid,” zei Pericles glimlachend, „maar -bedenk toch, dat Milete, zoo het niet Atheensch was, Perzisch zou zijn -geworden. Niet de stamverwante Helleen heeft uwe macht gebroken, maar -de Pers, toen hij deze kusten met zijne drommen heeft overdekt. En -hadden niet Atheners daar ginds bij Marathon en Salamis gestreden, een -Perzisch satraap heerschte nu te Milete, evenals te Sardes. Wees niet -verstoord op de Atheensche vloot, die beschermend haren arm boven deze -kusten houdt uitgestrekt.” - -„Dan moest ik dus,” antwoordde Aspasia, „in plaats van verbitterd te -zijn op den Athener, dankbaar zijn voorhoofd kussen?” - -Tegelijk gaf zij Pericles een kus op het voorhoofd; deze hernam: - -„Uw gevleugelde liefdegoden hebben gisteren dit Milete op den -aanvoerder der machtige Atheensche vloot gewroken.” - -„Laat het u geen berouw veroorzaken,” zeide Aspasia, „aan dit Milesisch -strand eene week van uw werkzaam leven gewijd te hebben. Eer de plaats, -die niet alleen als het vaderland der weelderigste rozen en der fijnste -wol in de wereld, maar ook als dat van de schoonste sprookjes beroemd -is. Of zou er voor teedere harten iets liefelijkers kunnen bedacht -worden, dan onze Milesische fabel van Eros en Psyche [280]?” - -„Gij hebt gelijk,” hernam Pericles; „maar,” vervolgde hij schalks -lachende, „zoover ik weet, is ook de fabel van de „Weduwe van Ephese” -onder deze hemelstreek gedicht, als het ten minste eene fabel heeten -mag.” - -„Waarvan de strekking volgens de gewone opvatting is,” viel hem Aspasia -in de rede, „dat de vrouwen meineedig, weifelmoedig en trouweloos zijn. -Maar het is eene slechte fabel, die niet meer dan ééne beteekenis -heeft, niet meer dan ééne waarheid in zich bevat. Vergun mij dat ik de -weduwe van Ephese onder mijne bescherming neem. Zij werd haar dooden -echtgenoot ontrouw. De liefde echter hangt zoozeer met het leven samen, -dat eene liefde en trouw tot over het graf, een leven, dat zich aan een -lijk laat koppelen, een onding is. De bloedelooze schimmen in den Hades -mogen zich niet met het bloed van de levenden voeden.” - -Zoo spraken zij beiden vertrouwelijk en opgeruimd. Toen kwam -Artemidorus en verweet Aspasia schertsend, dat zij hem zijn gast had -ontnomen; nadat hij beiden tot een ontbijt had genoodigd, voerde hij -hen op een sierlijken, met witte paarden bespannen wagen naar den -overouden, beroemden tempel van Apollo en naar het heiligdom van de -Cybrische Godin aan het vlakke strand der zee, door ruischend riet -omzoomd en door gele halcyonen [281] bevolkt. Zij voeren langs de -schoone zeekust en op den terugtocht bestegen zij eene boot, om zich -over de zachte, donkerblauwe golven te laten roeien naar een boschrijk -eiland, dat de slaven van Artemidorus aanstonds weder in een klein -paradijs omschiepen, door bonte, mollige tapijten uit te spreiden en -kostelijke gaven van elke soort aan te bieden. - -Zoo vervloog de dag even snel als de nacht voorbij was gegaan en -wederom hoorden zij beiden elkander geheel toe in de eenzaamheid van -den lusthof, die alleen door het gekweel der nachtegalen werd -verstoord. - -Artemidorus had Aspasia nu geheel aan zijn gast afgestaan en het was -niet alleen de begeerte om Pericles eer te bewijzen, maar ook de -overdadige grootmoedigheid, die hem eigen was, die hem zijne schoone -landgenoote alle mogelijke hulp deden bieden, die zij noodig had, om -haar vriend de idyllische eenzaamheid van den myrthenhof met de -afwisselende betoovering van eene onuitputtelijk vindingrijke liefde te -kruiden. - -En Aspasia maakte niet minder gebruik van deze hulpmiddelen, dan van -diegene, welke de natuur zelve nog kwistiger dan de rijke Artemidorus -in haar bekoorlijk, betooverend karakter en uiterlijk had nedergelegd. - -Het hoogste, edelste genot van den geest en der zinnen vierde in deze -beide door de Goden beminde zielen zijn zeldzaam, zalig feest. Vele en -groote dingen had Pericles geschapen en volbracht, tot veel schoons en -onvergankelijks had Aspasia hem bezield, terwijl zij de brandende vonk -van haar geest, de schoonheid, naar alle zijden deed spatten. Maar het -schoonste en goddelijkste volbrachten beiden, terwijl zij elkander -liefhadden en gelukkig waren: zoo gelukkig, als niet de gewone menschen -konden worden, maar alleen zij, die het beeld der godheid in zich -omdroegen. Over datgene, wat zij bezielden, schiepen, volbrachten, -mochten de stervelingen zich verheugen; op hun reine liefde zagen de -zalige Olympiërs zelven met voldoening neder. Het ideaal van het -menschelijk geluk in de schoone vreugde des levens en der liefde te -verwezenlijken, scheen in die Halcyonische [282] dagen van Milete -beiden zelven als het beste deel hunner bestemming... - -Inderdaad genoten Pericles en Aspasia voor de eerste maal ten volle het -geluk hunner liefde in deze eenzame plaats. Maar de schoonste -wijkplaats van ongestoorde eenzaamheid, schooner en ongestoorder dan de -bloemengaarde en het tuinhuis konden opleveren, had de tooverhand van -Aspasia geschapen. Het open, platte dak van het huis, door de toppen -van hooge pijnboomen en cypressen omruischt, was door haar in eene -kleine lustgaarde herschapen. Door bloeiend heestergewas en bloemen, -die op hooge stengels wiegelden en den rand aan alle kanten omzoomden, -en door purperkleurig linnen, waardoor men het geheele terras als een -tent kon bedekken, was deze wijkplaats aan de oogen der buitenwereld -onttrokken. In dit bloemenpriëel, van de wereld afgesloten, alleen voor -de beide gelieven toegankelijk brachten zij zalige uren door. Hier -genoten zij de veilige eenzaamheid van een gesloten vertrek, zonder de -benauwde lucht daarmede verbonden. Zij hadden den vrijen aether boven -zich en gevoelden den weldadigen adem van de zachte, geurige en -verfrisschende koeltjes uit het woud. De eenzaamheid der myrthen, de -eenzaamheid van het huis voldeden hun niet; evenals teedere duiven, -vlogen zij naar het dak, naar dat zalige, zonnige plekje, en alleen wat -met vleugels voorzien was, kon hen daarheen volgen; de duiven, de -pauwen, de tjilpende vogels. Hier rustten zij te midden der bloemen, -hier liet Aspasia haar vriend de zangen der dichters hooren, die in -haar mond eene wonderlijke bekoorlijkheid kregen, hier snoerde zij hem -bij den klank der snaren in het zilveren net harer tonen, met de -betoovering harer smeltende stem, die het gemoed van den hoorder tot -zaligheid stemden, hier vertelde zij hem liefelijke Milesische -sprookjes, hier keuvelden zij nu eens onverstandig als kinderen, dan -weder diepzinnig als oude wijsgeeren. Hier konden zij de purperen -doeken om zich en over zich heen trekken en als Goden, in een Olympisch -rooskleurig licht gehuld, in verheerlijkte gestalte onder eene -vriendelijke schemering ademen. Of zij konden den helderen glans der -zon naar binnen laten stroomen en de minnaar kon het gelaat en de -gestalte der geliefde, door het verblindend witte licht bestraald, en -door de terugkaatsing der groene heesters tooverachtig beschenen, in -verhoogde bekoorlijkheid als een aetherisch wezen bewonderen. - -Aspasia kleedde zich naar Milesisch gebruik, nu eens in het purper, dan -weer in het zeeblauw, soms in vuurkleurig, niet zelden in saffraangeel -gewaad. Zij hield er van haar vriend in telkens afwisselende gedaante -te verschijnen. Zij ontleende gewaad, houding, gestalte, uitdrukking, -gang nu eens aan deze dan weder aan gene Godin of Heroïne [283], en op -verlangen van Pericles voerde zij voor hem mimische dansen uit, die met -deze afwisselende gedaanten overeenkwamen en die in kunstvaardigheid en -bekoorlijkheid alles overtroffen, wat de schoone Theodota ooit ten toon -had gespreid. - -Bij die verwisselingen van zijn onvergelijkelijke vriendin kon Pericles -niet nalaten zich de verzen van den grijzen zeegod te herinneren, die -deze hem had toegesproken, toen hij zonder het te weten den weg insloeg -om Aspasia te vinden. Die verzen, welke hem het schoonste geluk -beloofden en hem aanrieden: - - - „Houd het, o held, slechts vast, met sterke vuist, als gij thans - mij doet! - „Zóó toch omklemd, ontsnapt nooit u het vluchtig geluk!” - - -„Ik zal u moeten vasthouden, gelijk den voorspellenden, van gedaante -verwisselenden Proteus, opdat gij mij niet in uwe metamorphosen -ontsnapt,” zei Pericles schertsend tot Aspasia. - -„Hoe wilt gij het aanleggen om mij vast te houden?” vroeg de -Milesische. - -„Dat wenschte ik gaarne van u zelve te hooren,” hernam Pericles. - -„Toch niet naar Atheensch gebruik in eene kooi, met stevige tralies?” -vroeg Aspasia. - -„Wat voor kooi bedoelt gij?” zei Pericles. - -„Die kooi,” antwoordde Aspasia, „die gij mannen het vrouwenvertrek in -uw huis pleegt te noemen.” - -„In die kooien,” zei Pericles na een korte pauze, „zijn wellicht alleen -Telesippe’s, doch geen Aspasia’s opgesloten te houden.” - -De Milesische antwoordde met een glimlach. - -Het was haar genoeg, dat woord daar los heen te hebben geworpen, om in -de ziel van Pericles overdacht te worden. - -Het gebeurde eens, dat Pericles met Artemidorus, in Aspasia’s -afwezigheid, over haar sprak. - -„De sagen en legenden van alle tijden,” zei Artemidorus, „berichten van -tal van helden, die voor langer of korter tijd in de macht van schoone -vrouwen zijn geraakt. Odysseus, die naar zijn huiselijken haard -smachtte, hield de schoone nimf Calypso jaren lang in hare grot terug. -Den vromen Aeneas wist de minnende Dido [284] te veroveren, zelfs den -sterksten der sterken ketende de schrandere Omphale [285] een tijdlang -aan haar spinrokken. Maar geene van al die vrouwen vermocht het, de -geketende mannen voor altijd te boeien: hare betoovering week, de -banden werden geslaakt, de ontevreden held trok het roestige zwaard of -haalde de vergeten knots uit den schuilhoek te voorschijn, kalefaterde -op een goeden dag zijn half verrot vaartuig weder en trok na een -vluchtigen afscheidsgroet aan de schoone op nieuwe avonturen uit. Zoo -zou ook Aspasia’s betoovering wel verdwijnen, als gij in deze -vreugdevolle wijkplaats voortdurend met haar moest verkeeren.” - -„Voorzeker,” zeide Pericles, „als Aspasia Theodota was, als zij niets -bezat dan de bekoorlijkheid van haar lichaam. Doch er zijn middelen, -waardoor de minnaar voor altijd geboeid kan worden. Ik spreek van -diegene welke gewone vrouwen aanwenden, in de meening dat zij door -geveinsde preutschheid of door grillen en plagerijen en bezwaren, -waarmede zij den geliefde kwellen, haar bezit zullen doen op prijs -stellen. Er zijn bevoorrechte vrouwelijke naturen, wien het vergund is -in weerwil van onbeperkte overgave, waardoor het geluk der vrouwen -doorgaans schipbreuk lijdt, juist door deze den geliefde met steeds -vaster boeien te kluisteren. Moest ik dat onnoembare, waardoor haar dit -gelukt, een naam geven, dan zou ik het slechts charis kunnen noemen: -die wonderlijke vereeniging, van bekoorlijkheid en bevalligheid, -vleiend zonder opdringen, het gemoed vervroolijkend als de lach der -Olympische Goden. Deze charis, geloof ik, is de betoovering, die -Aphrodite in haar gouden gordel bewaart. Duizend droeve wolken -verdonkeren den hemel der geliefden: alleen de charis weet ze te -verdrijven: alleen in de stralen der schitterende, opgeruimde -blijmoedigheid der ziel verdwijnt al het droefgeestige. Alleen door -haar adem wordt al het ruwe en harde verzacht. Haar wordt alles vergund -en alles vergeven, omdat zij geene wonde slaat of ze heelt die -oogenblikkelijk. Aspasia bezit deze blijmoedigheid van ziel, dezen -charis, deze gordel van Aphrodite en daarmede alleen verijdelt zij -spelende alle pogingen van Theodota. Want ik ken de vrouwen en weet, -hoe zeldzaam, hoe eenig in de wereld datgene is, wat Aspasia bezit.” - -„Ik versta u volkomen,” zei Artemidorus; „wat gij zegt, heb ik dikwijls -ondervonden. De proefsteen van de vrouwen en van haar toovermacht is -niet het genot, dat zij verschaft, maar de kunst, hoe zij de -tusschenruimten tusschen de oogenblikken van zalig genot weten aan te -vullen.” - -„Aspasia verstaat het,” hernam Pericles, „ieder oogenblik eene -schitterende vonk te laten opspatten, iets als een vuurpijl of ook als -een schoone zeepbel, waarnaar men snel grijpen moet en dat het volgende -oogenblik ons weer ontneemt. En dit alles doet Aspasia zonder -inspanning, zonder dwang en gemaaktheid; zij doet het, omdat het haar -van nature eigen is. En juist daarom, werkt zij onwederstaanbaar. De -zalige uren der armen van geest zijn eene bekoring der zinnen, met -doodelijke verveling verbonden; alleen uit de ziel welt datgene op, wat -aan het zoetste duurzame waarde schenkt.” - -De dag naderde, waarop Pericles met zijne beide schepen weder naar -Samos moest terugkeeren, om vandaar nog een kort uitstapje naar Chinos -te maken. De vriendelijke tegemoetkoming der Milesiërs had het Pericles -gemakkelijk gemaakt, om het plan, waarom hij te Milete gekomen was, te -volvoeren; en zoo was het hem mogelijk geweest slechts het geringste -deel van den tijd, dien hij zich te Milete ophield, aan politieke -onderhandelingen te besteden, terwijl hij het grootste deel aan zijn -innerlijk geluk had kunnen wijden. - -De gastvrije Artemidorus gaf den Atheenschen veldheer vóór zijn vertrek -een feestmaal, waaraan ook Aspasia deelnam. - -Aan dit feestmaal zei Pericles tot zijn gastheer Artemidorus: - -„Geen wonder, dat de geheime betoovering van deze hemelstreek ook mij -heeft bekoord en ik zeven dagen lang schier onbewust mij aan eene -gelukkige werkeloosheid heb overgegeven. Men bemerkt het, dat gij, -Grieken van deze kust, nabij de vurige Phoeniciërs woont, die het eerst -de Godin der liefde vereerden, en nabij dat Cyprische eiland, dat die -weelderige Godin op haar zegetocht uit de Sidonische golf naar Hellas -de eerste rustplaats heeft aangeboden. En evenals uit het Zuiden de -feestelijke bezieling der Cyprische Godin, zoo dringt van het Noorden, -van de hoogten van den Tmolus, het feestelijk geruisch van Dionysus en -van zijne voedster Rhea tot u door. Zoo zijt gij als het ware omringd -en omruischt van de golven der feestvreugde dier Goden van het genot. -Evenals uit overvolle uiers de melk, zoo wordt hier de dauw der -weelderigheid uit den hoorn des overvloeds van die Goden en uit de -duizend zwellende borsten van Artemis over u uitgestort. U, Milesiërs, -zullen de vreeslijke, dweepzieke Orgiën op den Tmolus wel niet alleen -van hooren zeggen, bekend zijn. Het zou mij verwonderen, zoo niet de -een of ander uwer door nieuwsgierigheid gedreven, ten tijde der feesten -zich in die geheimzinnige plaatsen van het naburige Lydië had gewaagd -en, zij het dan ook misschien op een afstand, de razernij der -Corybanten had gadegeslagen.” - -Bij deze woorden van Pericles toog er een wolk over het gelaat van -Artemidorus en eene lichte zucht ontsnapte aan zijne borst, zoodat -Pericles hem verwonderd en schier getroffen aanzag. - -„Mij zelven,” sprak Artemidorus, „heeft het noodlot eens daarheen -gevoerd en ik zou u gaarne datgene, wat ik gezien en beleefd heb, -verhalen, als er niet zoovele smartelijke herinneringen aan verbonden -waren.” - -Deze woorden vermeerderden de belangstelling van Pericles en toen -Artemidorus dit bemerkte, vervolgde hij: - -„Ik zie het wel, ik moet ook tegen mijn wil spreken en mijne -onaangename gewaarwording rechtvaardigen door u eene mededeeling te -doen, die de uitdrukking van uw gelaat, Pericles, van mij schijnt te -verlangen. Welnu, luister: - -„Het is nog slechts weinige jaren geleden, dat ik den bekoorlijksten -jongeling van Milete, mijn zoon mocht noemen. Hij was met alle gaven -des geestes en des lichaams toegerust, doch tevens met eene onbeperkte -verbeeldingskracht, die geen teugel kende, met een vurig, ja dweepziek -gemoed. Het heeft nooit te Milete ontbroken aan jongelingen, die door -de verhalen der razende orgiën op den Tmolus tot misdadige -nieuwsgierigheid geprikkeld werden, en menigeen is aan de bewaking -zijner zorgvuldige ouders ontsnapt, om zich bij die wilde rijen aan te -sluiten; ja zelfs er waren tijden, waarin dat verlangen als eene soort -pestziekte woedde. Ik overwoog, hoe ik eene dergelijke -zinsverbijstering van mijn al te hartstochtelijken Chrysanthes zou -afweren. Zooals ik gevreesd had, werd hij ook weldra door die ziekte -aangegrepen. De tijd der Lydische feesten naderde. Chrysanthes was in -het oogvallend stil en ingetrokken; zijne wangen verbleekten en hij zag -er uit, alsof hij door een heimelijk, koortsachtig ongeduld werd -verteerd. Reeds was ik besloten hem als gevangene in huis te behandelen -en oppassers bij hem te plaatsen, die ieder zijner schreden zouden -bewaken. Toch deed de toestand, waarin ik hem zag, mij vreezen, dat hij -zou ontsnappen en daarbij voegde zich de gedachte, dat de jongeling, -ten gevolge van zijn geheel onbevredigd verlangen, in eene gevaarlijke -zwaarmoedigheid of in eene doodelijke ziekte zou vervallen en dat het -heilzamer zou zijn, wanneer ik de begeerte, naar het scheen, zijner -steeds toenemende nieuwsgierigheid ten deele bevredigde, althans op -eene wijze, die geen gevaar voor hem na zich sleepte. Ik deelde hem -mede, dat ik mij met hem naar den Tmolus wilde begeven en met hem de -mystieke gebruiken der Corybanten wenschte gade te slaan. In mijn -gezelschap onder mijne onmiddellijke hoede, moest toch de jongeling -voor elk gevaar beveiligd zijn. - -„Eene reis van verscheidene dagen bracht ons tot ons doel. Wij -bestegen, begeleid door een slaaf, die levensmiddelen voor één dag -droeg, den boschrijken, nog eenzamen Tmolus en wachtten het oogenblik -af, waarop de wilde troep der Corybanten uit Sardes de berghelling zou -bestijgen. - -„Het orgiastische lentefeest was reeds den vorigen dag daarmede -begonnen, dat men den grooten pijnboom van den Tmolus had geveld en -omwonden met kransen van de tallooze lenteviooltjes, die in de kloven -van den Tmolus groeiden; den boom, zóó bekranst, sleepte men onder -uitbundig gejubel naar den tempel van Cybele, om hem aan de alles -voortbrengende moeder der Goden als lenteoffer te wijden. - -„Nog bleef het grootste en luidruchtigste deel van het feest over. Een -dof geraas drong tot onze ooren door nog voor wij in de avondschemering -de naderende schaar der Corybanten konden zien. Wij verborgen ons bij -hare nadering in het dichte struikgewas, om ongemerkt getuigen te zijn -van haar dolle waanzin. - -„De zwerm naderde, het geraas werd oorverdoovend. Ieder dezer -Corybanten, van welke verscheidene geheel naakt, andere slechts met het -ruige vel van een wild dier om de lendenen bekleed waren, droeg een -tamboerijn, waarop hij met alle geweld sloeg en een doffen toon deed -hooren, of een rammelend bekken; sommigen bliezen op eene fluit of -hoorn, anderen hadden zwaarden en schilden in de handen, die zij tegen -elkander sloegen. Doch boven al dat gekletter van metaal en -muziekinstrumenten klonk het geschreeuw, of liever het gebrul uit, dat -een jubelzang ter eere van den verlorenen en nu wedergevonden jongeling -Attis, den lieveling en bode van de alles voortbrengende moeder Rhea, -moest voorstellen. Van den verloren en wedergevonden Attis zongen zij, -maar het was de uit haar doodslaap ontwaakte, wild opbruisende -teelkracht der natuur, die deze menschen niet alleen vierden, maar ook -in zich zelven tot waanzinnige bedwelming lieten opbruisen. De schaar -werd aangevoerd door Cybele-priesters, die helder brandende pijnfakkels -in de eene hand, in de andere scherpgeslepen kromme messen droegen, die -zij met de uitdrukking van dweepzucht, verwoed zwaaiden. De gang dezer -menschen mocht geen loopen heeten, veeleer een woest springen en dansen -onder allerlei verwringingen, onder begeleiding van een oorverdoovend -geraas van zwaarden en muziekinstrumenten. - -„De gezichten van allen waren hoog rood; sommigen zelfs met -donkerblauwe vlekken geteekend; de oogen schenen uit hunne kassen te -zullen springen en velen stond het schuim op den mond. Daarbij schudden -zij woest de lange, golvende lokken, die voor het meerendeel uit -vreemde haren kunstig samengevoegd, om de slapen fladderden en die hen -een half mannelijk half vrouwelijk uiterlijk gaven. De wilde of tamme -dieren, die op weg in hunne handen waren gevallen, sleepten zij met -zich mede. Aan de spits van den zwerm werd een panther gevoerd. Eenigen -zagen wij met slangen, die zij opgeraapt hadden, in de handen en -speelden daarmede onbevreesd alsof het kransen of linten waren. - -„Terwijl de tierende schaar langs ons heenstormde, zag ik den jongen -Chrysanthes naast mij door eene toenemende ontroering aangegrepen. Hij -zweeg, maar zijn gelaat gloeide, zijn oog staarde wezenloos op de dolle -feestvierende schaar en hij begon eenige bewegingen, die hij bij de -razenden opmerkte, onbewust na te doen. - -„Niet verre van de plaats, waar wij in het geboomte verborgen waren, -strekte zich eene groote vlakte uit, door reusachtige pijnboomen -ingesloten en met allerlei kruiden begroeid. Hier hield de troep stil, -doch niet om te rusten maar om nog doller te woeden. De meegesleepte -dieren werden in het midden geplaatst, ook de priesters sloten zich -daarbij aan en rondom hen schaarden zich de Corybanten. - -„Op een bezielend woord van den priester, stortten zij zich op den -panther en de overige dieren, scheurden ze in stukken, eerst met de -handen, vervolgens met de tanden, slurpten hun warm bloed en staken de -overblijfsels van het bloedende vleesch aan hunne Thyrsusstaven [286], -als op spiesen. Toen begonnen zij, onder nog sterker geraas der pauken -en cymbalen [287] en koperen werktuigen, in de rondte te dansen, de -groote, alles voortbrengende moeder prijzende en de alles bezielende -teelkracht, de onuitputtelijke kracht van genot en liefde, wier beeld -voor hunne oogen werd ten toon gesteld. - -„De wilde dieren vloden voor het woest getier in de verwijderdste -schuilhoeken; een leeuw stoof verschrikt in dolle vaart vlak langs mij -en Chrysanthes door het geboomte. En waarlijk, de fanatieke kreten, het -rookende offerbloed, het zwaaien der brandende fakkels en bovenal het -geraas der tamboerijnen, moesten mensch en dier verschrikken of in de -wildste onstuimigheid brengen. Ik zelf verloor schier mijne bezinning. -Toen deed Chrysanthes plotseling een poging om zich van mij los te -rukken. Ontzet zag ik hem aan en bemerkte, dat hij in zijn geheele -uiterlijk reeds aan die razenden gelijk was. Ik hield hem vast, maar -reuzenkracht in zijne jeugdige leden ontwikkelend, maakte hij zich los -en voortstormend sprong hij van een rotswand, zoo hoog en steil, dat -alleen door een wonder zijne leden niet verbrijzeld werden, midden -onder die razenden, en evenals de schuimende vloed een droppel, zoo -verzwolg hem de dolle schaar. - -„Van schrik en ontzetting radeloos stond ik daarbij bijna zinneloos. - -„De woeste dans ging voort voor mijn benevelden blik. Sommigen stortten -als dood neder, stonden weder op en begonnen opnieuw. - -„Wederom klonken kreten der zinneloozen, vergezeld van teekenen en -wonderlijke gebaren, door het rumoer heen. En toen de razernij ten top -was gestegen, traden eenigen uit den troep te voorschijn en trachtten -hunne woorden te doen verstaan, waarvan echter slechts weinig -verstaanbaars tot mijn oor doordrong. - -„Het duizelde mij voor de oogen, ik zag niets dan een woesten troep -zich door elkander bewegen, waarin de dolsten zich met flikkerende -klingen wondden, verminkten—ik dacht aan Chrysanthes—het werd nacht -voor mijne oogen, ik zonk buiten kennis op den grond. - -„Toen ik mijn bewustzijn herkreeg, was de maan in al haar glans -opgegaan, de Corybanten waren verder getrokken, het geluid van het -tympanon [288] klonk uit de diepte van het woudgebergte, als de donder, -die in de verte ratelt. - -„Ik begaf mij naar het naburige Sardes, den zetel van de priesterschap -Cybele, omdat ik daar het eerst iets aangaande het lot van mijn -Chrysanthes hoopte te vernemen, of ik soms den geliefden verloren zoon -mocht kunnen terugvinden. - -„En ik vond hem terug; het werd mij gebracht op eene baar, uit de -pijnboomtakken van den Tmolus gevlochten, gewond, verminkt, bloedend. - -„De jongeling in den bloei zijner jaren en schoonheid lag daar voor -mijne oogen, gelijk die met viooltjes omkranste pijnboom, geveld op den -Tmolus door het mes der Corybanten, als een dankoffer aan de alles -voortbrengende Godin...” - -Zoo luidde het verhaal van Artemidorus. - -De vroolijkheid van het feestmaal was verdwenen. - -Toen het afgeloopen was en Pericles zich met Aspasia alleen bevond, -zeide hij: - -„Milete is schoon en het verhaal van Artemidorus zal mij de herinnering -aan de zaligste dagen mijns levens, die de Goden mij ooit schonken, -niet geheel en al treurig maken. Doch ik gevoel dat het tijd is den -voet van dit gloeiend strand weder op het snelle schip te zetten, en -mijne schier beklemde borst zal eerst weder ten volle vrij adem halen -in de zachte, vaderlandsche Attische lucht!” - - - - - - - -XIII. - -DIOPITHES EN HIPPARETE. - - -Aspasia bevond zich verkleed in mannengewaad op het schip, dat den -Atheenschen strateeg naar zijne vloot vóór Samos terugvoerde. Toen de -triëre uit de haven roeide, in de open zee, schitterend in de stralen -der zon, wierp de Milesische aan de zijde van haar vriend nog een blik -naar het bloeiende Ionische strand. Troepen van kraanvogels en -langhalzige zwanen vlogen over de beemden en lieten zich klapwiekend -neder op den ruischenden oever. Aspasia’s blikken echter hingen aan de -verdwijnende tinnen van hare vaderstad. Haar gemoed was doordrongen van -het vaste gevoel, dat zij hier op de plaats, waar zij het levenslicht -had aanschouwd, den schoonsten triomf haars levens had gevierd en de -betooverende keten der liefde vaster dan ooit, ja onverbreekbaar om den -gevierdsten Helleenschen man van zijn tijd had geslagen. Ook Pericles -staarde met helder schitterend oog terug naar het wijkend strand van -Ionië: hij dacht aan de zoet doorleefde dagen en hoe zijne -onvergelijkelijke vriendin als een vrouwelijke Antaeüs [289] uit de -aanraking van haar geboortegrond, als ’t ware verdubbelde kracht tot -overwinnende, onwederstaanbare bekoorlijkheid had verkregen. - -„Bijna zou ik kunnen klagen,” zei hij, „dat de uren van zaligheid, in -Milete gesleten, voorbij zijn; maar hoe zou mij de gedachte niet -bevredigen, dat ik u zelve, als den schoonsten buit, weder met mij -voer?” - -„Overal,” hernam Aspasia, „zal ons het geluk en de liefde volgen; -slechts ééne zaak laten wij achter, om ze misschien nimmer weder te -vinden: de gelukkige eenzaamheid, die wij hier hebben genoten en de -schoone vrijheid van alle knellende banden.”— - -Pericles boog het hoofd en zag peinzend vóór zich uit. - -„In Athene teruggekeerd,” vervolgde Aspasia, „zijt gij weder de -staatsbestuurder, op wiens doen en laten aller oogen gericht zijn; zijt -gij weder burger van Athene, door de strenge wet der overlevering -gebonden, zijt gij weder Telesippe’s gemaal—en ik—ik ben weder de -vreemde, de van vaderland beroofde, de van recht verstokene, ik ben -weder, zooals uwe echtgenoote en hare vriendin zich uitdrukken, de -hetaere van Milete.”— - -Pericles hief langzaam het hoofd op en zag zijne vriendin scherp in het -gelaat. „Hebt gij iets anders verlangd Aspasia,” sprak hij, „hebt gij -niet altijd den echt als eene slavernij bespot en het vrouwenvertrek -van den Athener als eene gevangenis?” - -„Ik herinner mij niet, Pericles,” hernam Aspasia, „dat gij mij -werkelijk ooit gevraagd hebt, aan welken staat ik de voorkeur gaf, aan -dien van hetaere of van Atheensche echtgenoote.” - -„En wanneer ik het deed,” zei Pericles, „wanneer ik u de keuze -voorstelde, welk antwoord zoudt gij mij geven?” - -„Ik zou u zeggen,” hernam Aspasia, „dat ik noch het een noch het andere -zou kiezen; dat ik vrijwillig noch hetaere zou willen zijn, noch de -echtgenoote van een Athener.” - -Pericles was getroffen. - -„De echtgenoote van een Athener?” herhaalde hij toen; „gij schijnt dus -niet elke echtverbintenis, maar alleen de Atheensche te versmaden; zeg -mij toch, waar ter wereld het ideaal eener echtverbintenis te vinden -is, die uwe goedkeuring wegdraagt?” - -„Ik weet het niet,” hernam Aspasia; „ik denk dat die wel nergens te -vinden zal zijn; maar ik draag dat ideaal in mijn binnenste.” - -„En wat zou er noodig zijn, om datgene wat gij in uw binnenste draagt -te verwezenlijken?” vroeg Pericles. - -„Wanneer er eene echtverbintenis zijn moet,” hernam Aspasia, „dan moet -zij gegrondvest zijn op de wet der vrijheid en op de wet der liefde.” - -„En wat zou ik moeten doen,” vroeg Pericles, „om dit ideaal met u te -verwezenlijken?” - -„Gij zoudt mij alle rechten der gade moeten toestaan,” antwoordde -Aspasia, „zonder mij één van de rechten te ontnemen, die gij tot nu toe -aan de geliefde hebt gegund.” - -„Gij wilt dus,” zei Pericles, „dat ik Telesippe verstooten en u in hare -plaats als meesteres mijn huis zal binnenleiden? Dat is mij -begrijpelijk; maar wat gij overigens verlangt is mij niet duidelijk. -Wat bedoelt gij met de rechten, die ik u niet ontnemen mag?” - -„Boven alles het recht om tusschen mij en u geene andere wet te -erkennen, dan die der liefde,” antwoordde Aspasia. „Dan geniet ik -dezelfde rechten als gij, evenals eene geliefde, dan ben ik niet de -slavin, zooals de echtgenoote. Gij zijt de heer des huizes, niet de -mijne; gij zijt tevreden met het offer van mijn hart, zonder mijn geest -in boeien te slaan en mij tot de werkeloosheid eener dompige -eenzaamheid in het vrouwenvertrek te doemen.” - -„Gij wilt mij derhalve u hart toewijden,” hernam Pericles; „de gaven en -kracht van uw geest echter zullen, evenals thans, het goed van allen -zijn. Gij wilt u niet ontzeggen in aanraking te blijven met alles, wat -uwe verbeeldingskracht prikkelen, uw geest bezighouden en verrijken -kan?” - -„Ja, dat is mijne meening,” riep Aspasia. - -„En wanneer wij de proef eens wilden nemen met zulk eene verbintenis,” -zei Pericles, „weet gij of zoo’n proef mogelijk is, niet alleen uit het -oogpunt van ’t gevestigd gebruik, maar ook uit het oogpunt der liefde -zelve?” - -„Als ze u onmogelijk voorkomt, wie dwingt ons dan die te nemen?” hernam -Aspasia glimlachend, terwijl zij haar vriend een teederen kus op het -voorhoofd drukte, en aanstonds begon zij over andere dingen te -spreken.— - -De weg naar Samos was spoedig afgelegd. Nadat Pericles hier eenige -beschikkingen betreffende de vloot gemaakt had, beklom hij opnieuw eene -triëre, om naar Chios te zeilen. - -„Hoe?” vroeg Aspasia schertsend, „koestert gij zoo groot verlangen uwe -vroegere, schoone beminde terug te zien, die, zoo ik meen, bij den -dichter Ion op Chios leeft?” - -Pericles beschouwde het als eene aardigheid en glimlachte. - -Ditmaal was Sophocles in het geleide van Pericles. De dichter was niet -weinig verrast de Milesische in hare vroegere verkleeding op het schip -van Pericles terug te zien. - -Zij was nu weder de bekoorlijke jongeling, wiens geheim slechts aan -weinige ingewijden bekend was. - -Op Chios, het vaderland der edelste druiven die onder Griekschen hemel -rijpten, welks bewoners de rijkste lieden van geheel Hellas geheeten -werden, leefde de treurspeldichter Ion, een geboren Chiër, die met -zijne treurspelen te Athene reeds menigen lauwerkrans had weggedragen. -Wel is waar werd er gemompeld, dat hij de Atheensche burgerij door -eenige vaten Chiërwijn, die hij ter gelegenheid van de opvoering van -zijn eerste stuk het volk aanbood, voor zich en zijne tragedie gunstig -gestemd had. Hij was zooals reeds deze mildheid bewees een der rijkste -mannen van Chios en oefende daarom een grooten, staatkundigen invloed -op zijn vaderland uit. - -Met Pericles stond Ion op geen goeden voet, sinds beide mannen -mededingers naar de bekoorlijke Chrysilla geweest waren, en de dichter -was nog steeds op Pericles verstoord, ofschoon de schoone ten laatste -de zijne was geworden en den rijken, in weelde levenden man naar zijn -geboorteland was gevolgd. Pericles betreurde dien wrok in het gemoed -van zijn eenigen medeminnaar; want hij moest voor Athene van Chios -eenige belangrijke voordeelen trachten te verwerven en hij vreesde, dat -de invloedrijke Ion uit persoonlijke vijandschap hem daarin in den weg -zou staan. - -Sophocles nam op zich Ion met Pericles te verzoenen, en daar niemand -tot middelaar zoo van nature geschikt was als de beminnelijke dichter -der „Antigone,” die alle menschen voor zich innam, gelukte hem ook die -poging bij zijn kunstbroeder Ion zoo uitnemend, dat deze Pericles -benevens Sophocles tot zich noodde en het zich tot eene eer rekende de -beide Atheensche strategen gastvrij te onthalen. - -Slechts van den eenen morgen tot den anderen kon Pericles op Chios -vertoeven, en nadat het grootste deel van den dag aan politieke -onderhandelingen was gewijd, maakte Pericles, door Sophocles vergezeld, -zich gereed om aan de uitnoodiging van Ion gevolg te geven. - -Maar niet zonder een derde begaven zij zich naar het huis van hun -Chiïschen gastheer. - -Aspasia had er, niet zonder geheime bedoeling, op gestaan haar vriend -ditmaal als slaaf verkleed te volgen en daar, werwaarts hij zich begaf, -naar de gewoonte der slaven, die hunne heeren vergezelden, altijd in -zijne nabijheid te blijven. - -De geheime bedoeling echter der Milesische was geene andere, dan de -vernieuwde ontmoeting van Pericles en de schoone Chrysilla onschadelijk -te maken en de aandacht haars vriends van Chrysilla en die der schoone -van Pericles af te leiden. Pericles willigde het verzoek van Aspasia -gaarne in en meende dat de reden daarvan alleen gelegen was in eene -vergeeflijke nieuwsgierigheid zijner vriendin, om die Chrysilla eens te -leeren kennen. - -Ion bewoonde een landgoed op de bekoorlijkste plek van het eerst -steile, daarna zacht glooiende strand, rondom omringd door latten, die -beladen waren met de rijpende gaven van Bacchus, beschenen door de -koesterende zon. - -Hij voerde zijne gasten op een terras, dat op eene der liefelijkste -vooruitspringende rotsen lag, door de zee omspoeld. Daarover slingerden -zich de schoone wijnranken waaraan de Chiïsche druiven verleidelijk in -dichte trossen hingen en tusschen welke aan het oog een verrukkelijk -gezicht op de glinsterende zee en de bloeiende omliggende eilanden -gegund werd. - -Naar dit liefelijke oord geleidde Ion zijne vrienden en nadat hunne -oogen zich aan het bekoorlijk gezicht vergast hadden, verzocht hij hen -zich neder te vlijen op mollige aanligbedden en verkwikte hen met -kostelijke gaven. Het edelste Bacchusnat werd rondgediend in zilveren -bekers. - -Chrysilla was ook tegenwoordig. Zij bloeide nog als eene roos, maar de -bloei harer ledematen had zich in den loop van den tijd op Chios tot -zulk eene weelderigheid ontwikkeld, dat de fijne kunstsmaak van den -Athener de maat der schoonheid daarin miste. Zij geleek op eene -trotsche, volle roos. Maar de roos is wel de weelderigste en geurigste, -niet de schoonste der bloemen. - -Ion, die in den grond een goedhartig man was en een groot minnaar van -het genot, ontving Pericles zonder zijn vroegeren wrok en met -ongeveinsde hartelijkheid. - -Hij hief den beker in de hoogte, gevuld met den vurigsten, schuimenden -wijn zijner gaarde en stelde een dronk in op het welzijn van Pericles -en zijn vriend, den beroemden, edelen Sophocles. - -Maar toen Ion in zijn opgewondenheid verder ging en de beide mannen -prees om hunne krijgsdaden, die zij als strategen vóór Samos hadden -verricht, wees Sophocles voor zijn deel dien lof af en zeide, dat die -onverdeeld aan zijn vriend Pericles toekwam. - -„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van -Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn, -als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet -bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de -roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die -eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren -kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte -deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest -ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft, -weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs, -die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor -zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de -sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de -hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den -grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter -zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij -was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot -de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig -zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat -de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij -weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat -hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een -oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer, -zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel -verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne -geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen -thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus, -een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door -zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen -zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het -leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was -en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te -verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en -voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als -strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof, -maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo -dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft -betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en -eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft -gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.” - -Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van -Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn -vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende: - -„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik -hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te -tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen, -omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan -tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te -kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de -krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort -verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang -veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden, -dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche -triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een -prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot -gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten -verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten -heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de -Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met -zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest -verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te -doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel -is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de -Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen, -naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den -Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond -opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den -droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn -medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den -Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel -verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.” - -Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde -hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend, -elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van -vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone -terras van Ion. - -„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als -Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en -onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in -de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof, -dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone -ledigheid is. Deze heb ik verkozen.” - -„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die -schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet -vergeten.”— - -„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij. - -„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij -Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel -wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de -wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan -beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.” - -„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd -en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne -treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te -houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek, -overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en -dergelijke akeligheden meer...” - -„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles, -„verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden -het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde -machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij -kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te -bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne -triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf -opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op -zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of -onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft -beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een -reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van -zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de -fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de -rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij, -niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit -eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke -gevoelens misdreven hebben.” - -„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt -spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want -daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”— - -„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken -in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik -geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben -opgelost.” - -„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij -toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de -bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude -schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der -heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft -niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes, -voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij -allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van -den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt, -dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed -zich hebben neergestort.”— - -Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme -gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen -gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof -omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen -de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen -overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de -zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der -ondergaande zon zich afspiegelde. - -Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn -slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid -waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige -aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den -jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van -schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en -met kennelijke vreugde liet welgevallen. - -„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij. - -„En welke is die?” vroeg Pericles. - -„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de -dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om -zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere -beschouwing overwaard zijn.” - -De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller -blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den -knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters: - - - „Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!” - - -„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die -purperwangen?” - -„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne -tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de -dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid -volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt -purper geverfd, leelijk zou zijn.”— - -„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos -[294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?” - -„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als -rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het -sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan -wasschen.” - -„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep -Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu -eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden. - -Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door -den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te -midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een -klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden. -Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen -slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt -van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van -haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van -Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang -op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten. -Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den -beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke -nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog -iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen. - -Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door -haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op -gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden. -Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna -geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven -werd hij door Sophocles krachtig geholpen. - -Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen -Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag -ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne -vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan -zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk -liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen -jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten. - -Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de -hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des -bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend: - -„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend -genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein -pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.” - -Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de -plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen. -Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende: - -„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met -den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden -gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich -glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te -blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den -jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve -raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den -boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit -opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het -gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist -op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond -aangeroerd was. - -Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde -Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om -zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.” - -„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu -inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze -allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt -uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het -mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner -groote talenten laten zal.” - -Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze -hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog -laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een -vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van -Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar -nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers -op Chios. - -Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige -schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden. -Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen. -Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen, -ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den -wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten -afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken -en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en -niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond -het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de -verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te -dienen, heerschte zij toch... - -Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan -zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf -verkoopen wilde. - -„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te -geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het -laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen -verklaar ik hem vrij!”— - -Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te -kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en -zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld. - -Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het -einde ernstig en nadenkend geworden. - -„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen, -„mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen -trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.” - -„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer -mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.” - -„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de -vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te -vernederen.” - -„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles. - -Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en -onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te -zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen. - -Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels -getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij -het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader -uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om -na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien. - -„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun -vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op -den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult -overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de -Attische lucht noodig hebt.” - -„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel -geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds -klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond -van Sophocles gehoord heb: - - - „Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea, - Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid, - Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren, - Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee, - Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte - Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!” - - -De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een -onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de -beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat -zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend -doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die -in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als -in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende -zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast -met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden -dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed -doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten -staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren, -scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende -lichamen in de golven te begraven. - -Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren. -Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der -zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether -fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden -brug over de zee. - -Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles -rondom hem in diepen sluimer verzonken lag. - -Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne. - -„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia: -„Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters -van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?” - -De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen. - -Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij -zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd, -de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de -dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die -schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te -midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen -gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als -een zeil boven zich heen golven. - -Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling -den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus -[296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had -gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed -verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de -zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel -vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van -Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot -zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen -naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in -beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de -uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te -brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner -vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne -terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de -verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden, -die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange -tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid. - -Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee -verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der -zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware -gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet -zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude -eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een -geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene -binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet -zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der -geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van -Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde -over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der -morgenzon. - -Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen; -eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het -vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte -kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door -de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het -zilte sop te doorklieven. - -De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij -gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden -van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en -breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen -begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te -bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen. - -Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den -achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de -diepten der zee Attica’s gewijde kust. - -Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de -afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen -gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil -zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den -marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene -lichtende stip is voor den zeevaarder. - -In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke, -zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische -golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende -tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de -zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een -gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee -en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der -laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud. -Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt. -Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen -van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven -zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de -lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon, -de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus. - -Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare -hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller -blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige -hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen, -schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der -ondergaande zon. - -Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der -reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche -schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte, -maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die -door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.— - -En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het -Parthenon!”—— - -Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de -hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het -eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon, -eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats. - -Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der -Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de -schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar -oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos -[298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve, -in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het -oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog -kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene -gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige -maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde -onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den -ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg -samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden -nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis -zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets -geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de -priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den -Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs, -onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te -brengen. - -Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want -zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van -Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus -gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere -zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig -reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete -het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken -knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en -waardigs ten toon spreidde. - -Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin -geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het -tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den -tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich -door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had -het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van -Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van -Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene -Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van -het Erechtheüm. - -Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en -het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar -boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds -boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige -gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden -en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met -de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of -haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer -ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide, -dat haar vader haar aan dezen wilde verloven. - -„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke -trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan. - -De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als -vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert -dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden. -Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand -was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de -echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de -omgeving van zijn tegenstander voorviel. - -De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was -aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden -uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare -vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij -gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven. - -Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het -heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres -in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die -gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te -vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze -van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te -dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst, -in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg -begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over -hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige -nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te -verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht -ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen. -Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich -bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier -heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al -mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in -vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen -dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht -niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In -elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te -wachten. - -De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk -geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was -vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere -Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af, -waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen, -Hipparete sprak haar moed in. - -Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken -verborgen mocht zijn. - -„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij -voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht -dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.” - -„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder. - -„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven -dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar -beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor -en droog is het op den bergtop.” - -„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten -uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het -Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de -slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.” - -„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in -hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut -en ons zegent op dezen tocht.” - -De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel -van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen -poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die, -vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam -brandde. - -Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes -hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande, -eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen. - -Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot; -daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold -liggen, met den kop half opgeheven. - -Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete -hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst -en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere -kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den -achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete -en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het -pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen, -zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke -stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken -te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was. - -„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de -God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste -geluk u voor uw geheele leven waarborgt.” - -Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden -en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte -op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij -verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd. -Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die -schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren -waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine -knoppen zijn gebroken. - -„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke -genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij -nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?” - -De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden -sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd -van het meisje streelde. - -„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die -uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet -verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?” - -Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte; -maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het -reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting -eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te -gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen. - -Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende: - -„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel -kleiner van gestalte...” - -Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste -aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op -haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat -daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had -die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere -vreezen? - -De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te -sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar -dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het -vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij -onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter -sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden -aardworm... - -Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene -volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den -Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van -Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de -Olympiër”. - -Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om -zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn -wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester. - -Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot -weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht -denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij -de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de -geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt -verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat -zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan -alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden. - -Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik -neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de -verschijning van den God. - -En Diopithes? - -Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan -ooit de vrees voor de oude Goden prediken.— - -Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel, -was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte -drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden -te zien en te begroeten. - -Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van -fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den -schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op -de golven kwamen aandrijven. - -Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide -fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en -de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden -getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere -tropaeën rijkelijk omhangen. - -Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in -’t oor. - -De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong -alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en -velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen -overlaadden. - -Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de -uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn, -met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken -gastronoom in den Piraeüs wachtte. - -Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte -haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de -stad gevoerd werd. - -Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de -zee, de kusten en de stad. - -Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen -verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming -van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den -Acropolis. - -Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden. -Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de -schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der -maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de -pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van -Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis. - -En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de -eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat, -doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles. - - - - - - - -XIV. - -DE PANATHENAEËN. - - -Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert, -wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen, -dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt, -waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen -ontmoeten. - -En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner -familie, het uitgangspunt van zijn arbeid. - -Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen -hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren -klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning -betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook -hem eene heimelijk mokkende gade. - -De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete -geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had -bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer -vriendin had Telesippe het vernomen. - -De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden -echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden -Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het -verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan. -Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar -haat en kleingeestig ook haar wraak. - -Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den -vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem -tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen? -Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis -de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van -Telesippe verdragen. - -En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na -zijn terugkeer ontmoette: - -„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over -barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u -verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”— - -Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in -den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet -Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart -had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne -gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde -gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve -dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere -neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd -maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten, -haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des -huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken? - -Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij -geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard -was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen. - -De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude -worden, waren teruggekeerd. - -De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het -feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de -gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd -verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde -en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit -geheel Griekenland kwamen de gasten. - -Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en -vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde -zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds -had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste -maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de -Pallas Athene van Phidias onthuld te zien. - -Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór -den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den -Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den -prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste -jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den -Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook -ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners, -Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte, -omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus -en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde. - -Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar, -terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter -tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den -prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van -Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den -Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den -dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in -de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen -wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende -strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan -stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t -hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht -te komen! - -En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der -jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte -spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei -krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van -ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den -rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de -opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het -metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van -krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook -bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door -deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na -te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te -mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan -het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus -plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk, -dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben -kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier -niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had. - -Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede -de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en -Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste -jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er -op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts -onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om -de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het -volk tot spoed gedreven. - -De Atheensche stammen kozen uit hun midden de schoonste grijsaards, de -statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren -en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de -jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon -bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen -en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele -vormen te toonen. - -Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen. - -Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met -gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en -fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had -opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde, -behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene. - -Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde -peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm -gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het -nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk -der Ceramicus in orde geschaard. - -De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de -vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een -even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier -stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle -kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere -rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag. -Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen -met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren -hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te -beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen, -aan beelden van kracht en welgemaaktheid. - -Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te -scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van -trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de -hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen, -bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en -vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen, -sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen -eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits -voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen, -die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen. -Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone -horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers, -offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere -offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen, -deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen. - -Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen, -in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige -pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde -plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden -gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk, -droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden. -Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig, -bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder -oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en -bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den -dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die -gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste -der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn -gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke -feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde, -ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God -der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van -bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige -ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die -hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde. - -Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker -wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans: -prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten -van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de -hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde -oogverblindend in de stralen der zon. - -Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog -kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien -zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en -onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete. - -Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die -aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden -steden en eilanden gebracht werden. - -Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het -glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige -weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een -zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den -feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van -buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de -Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter -zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens -eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van -Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het -prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën, -herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas -Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel -door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten -[304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op -den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven -den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van -dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel -voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en -verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon. - -Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de -Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en -fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den -fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud -gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis -werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens, -met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm -en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone, -eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke -welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele -voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met -hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van -lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde -de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten, -donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende -ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd, -marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de -zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende -wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen -de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het -veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden -aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en -vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers -de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen -met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God -der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen -achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en -droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende -zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning, -klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden -neer laten. - -Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste -straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid, -overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien -dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron -der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de -ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste -deel van de geheele feestviering uitmaakten. - -Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van -de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om -vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het -andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen. - -Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de -hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook -verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste -heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door -offers of door het aanheffen van een paeän. - -Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de -Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat -langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op -de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben. -Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met -hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich -zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar -door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als -voor raderen, verminderd was. - -Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm -en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het -Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het -aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de -oostzijde van het Parthenon. - -Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het -Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met -bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos, -ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte -zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich -heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten. - -De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was -onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der -grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen -marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of -heldere kleurenpracht. - -Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien -vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het -zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne -afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met -wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De -grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven -zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met -zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner -rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die -de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten -bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar -den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen -van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich -te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether. - -Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog -des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen -voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden. -Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij -rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar -als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn -aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne -lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk -der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden -de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend -leven in zinrijke vorm afgebeeld. - -De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de -geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de -Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de -Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten -heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar -tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding -vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden -opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in -de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas -Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land, -bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende -godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de -heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene -en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende -span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich -bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van -deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld, -dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de -zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der -Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen, -die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen -fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door -het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te -stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen -beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën -en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige -jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier -stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het -overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone, -Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten -nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo -onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte, -dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende -tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds -in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid -bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de -werkplaats van den diepzinnigen Phidias!” - -Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer -der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste -overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden -zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en -de Archon Basileus. - -Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het -inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en -Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al -zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan -het volk der Atheners. - -Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin. -Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en -sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte: - -„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche -zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de -geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste -goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had -gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch -ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen, -waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de -Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner -macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het -over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene -Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en -diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer -zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij -zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in -welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier -voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun -van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit -den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas -Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het -nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis -voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin -zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen, -losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren. -Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van -haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo -wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het -overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude, -heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het -feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden -van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der -kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de -beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om -die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen, -zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van -de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden -zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in -steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al -het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den -Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken -waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven -had opgericht.” - -Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door -duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der -jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten -en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den -wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de -stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van -het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der -maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden -de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel -ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden, -onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die -wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de -geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder -blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen -des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche -wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij, -die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden. - -Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de -paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin -onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en -steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken -gericht. - -Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale -godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al -het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone -hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken -neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende -uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke -opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het -schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was -niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen -verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte -rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif -of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud -stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde -zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de -Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der -Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd. -Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene -Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan -griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en -waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van -de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de -strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche -Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal -strijd tegen de woeste, donkere machten. - -Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der -Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met -bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie -schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede -zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang. -Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak, -dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel -viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin -bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere -aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het -gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den -blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den -overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De -valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van -Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en -schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit -zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen -het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter -van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was -niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar -terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken -tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en -verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen -hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig -stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het -reusachtige, verheven schoone beeld der Godin. - -Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk -onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der -Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare -voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de -overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden -door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende -knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen -uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias, -Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas -geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving -uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel -eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende -kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen -verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige -olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke -eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun -echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald, -werden gouden kransen toegekend. - -Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog -onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat -naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede -omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting -aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder -vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar -geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van -Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en -pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan -bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het -Atheensche volk. - -Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich -her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het -Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde -waren gekomen. - -Onder hen ook een Spartaan. - -Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een -Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende -blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem -toeduwde: - -„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!” - -Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen -stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans -tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze -orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan -drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok -alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te -verlaten. - -Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor -een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de -beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde, -onheilspellend in het zwerk... - -Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch, -dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst -neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs. - -Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het -Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias -opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht -geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis -van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend. -Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de -Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden -de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas -Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken -nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun -priester met hen... - -Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in -gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden -gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans -zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde -aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met -Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag -hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de -hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus, -Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende -Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne -banier hadden geschreven: - - - „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!” - - -Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij -het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels -der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden, -bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die -uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het -voltooide werk in oogenschouw te nemen. - -Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders; -een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd. - -Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het -allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene -afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid -werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde -hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en -als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd. - -Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de -duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden -gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één -hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen -bezielde. - -Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid -der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne -gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in -gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch -zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars -beschouwen. - -Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de -mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach, -zich tot Aspasia wendend: - -„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone -Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in -alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij -herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het, -dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?” - -Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte -voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias. - -„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene -vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij, -mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en -geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel -toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige -van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te -denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel, -groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van -het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en -onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig -in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat -ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste -tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der -vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne -hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets -anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp -richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen, -in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle -Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden -wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet -den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds -slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in -menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet -toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone -niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort, -het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid -van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters -het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt -gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel -zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros, -hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij -dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe -bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen -zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas -Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?” - -„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en -Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas -Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet -weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o -Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der -jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet -aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de -Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde -Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te -vervaardigen.” - -„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij -over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter -verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het -volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze -houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van -deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat -ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van -het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij -schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de -„vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal -zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende -manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu -overig dan de vrouw?” - -„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg -afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik -niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.” - -„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,” -vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid, -en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk: -„alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten -veroveren!” - -Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met -Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken, -die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden -opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en -prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af -aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de -beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of -anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden -beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo -ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit -meesterstuk hunne krachten hadden gewijd. - -Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het -werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der -Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had -vervaardigd. - -Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander -omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een -verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en -gestreng de andere, peinzend de derde. - -Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide -de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat: - -„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen, -integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou -men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk -waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van -deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende -eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het -gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende -bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone -Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen -de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en -Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het -lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone -naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter -van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer -ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het -volkomen wezen der Charis uit te drukken... - -„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij -daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in -een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te -stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou -deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer -bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter, -o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken; -want ik lees het in uw blik!” - -„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia. - -„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige -vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil -van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in -plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als -wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken -slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als -het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het -gemoed en het leven der Atheners!” - -„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin -als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping -is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet -niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan -door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de -schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam, -gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten -bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken, -waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en -scheppingskracht! - -„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot -vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het, -naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele -Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft -volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den -gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk -ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een -lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en -schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want -zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met -der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der -schoonheid!— - -„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort: -„het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende -regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van -Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds -bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men -ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag -beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige -gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe -vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als -meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met -onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche -vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den -spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert. -Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van -geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den -echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet -niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit -verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten -tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom -zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene -wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die -het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd -een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en -geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te -gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke -leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte -dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op -gelijke wijze openbaren!” - -Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van -Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven, -greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak: - -„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords -noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u -iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging, -die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was -zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben -ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de -vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe -mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van -barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw -van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van -het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den -Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven -verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden -van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik -inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden -en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der -beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan -zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een -openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke -onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde -levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal, -naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij -zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!” - -Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol -aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk. - -Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht, -achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot -een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in -zijn oog en viel op de Milesische. - -In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen -en prezen de voornemens van het edele paar. - -Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed, -wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond. - -Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach: - -„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe -zijner Chariten is gesloten?” - -„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus, -„dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde -wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij -willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden -vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.” - - - - - - - -XV. - -UILEN OP DE ACROPOLIS. - - -Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der -Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de -gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft -plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van -den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest -zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren -tinnen van het Parthenon. - -Doch er waren ook uilen op de Acropolis.... - -Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen -naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen -arbeid. - -En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden -bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen -nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en -beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het -wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets -zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt, -en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht. - -Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van -het licht geworden zijn. - -Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij -nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine -dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen, -muizen en slangen. - -Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester -Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het -Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich -tevens eenigszins zonderling beweegt. - -Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere -opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang -des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de -breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt -Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare -stem uit. - -En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal -der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende: - -„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door -den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is -vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer -trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste -trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.” - -„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak. - -„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit -Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede -voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is -even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden -met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben: -wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik -voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is -in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene -beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij -zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen -weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het -verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel, -zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt; -opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd -mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag -aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste -deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die -inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en -misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome -woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!” - -Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester -zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te -zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der -gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede -van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle -inlichtingen, die hij kon geven. - -„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de -vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij -dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in -vredestijd.” - -„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes. - -„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare -tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en -gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort -voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder -grootsch dan het Parthenon zelf—” - -„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem -in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die -overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het -heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve -waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt -met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van -Phidias.” - -„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat -niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners, -zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles -daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne -oppermacht zich staande houdt?” - -„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd -laten hen zelven te gronde te richten.” - -„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig -man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.” - -„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak -in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest -der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik -heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de -hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet. -Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners -alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets -van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele -Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te -Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude -tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.” - -Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester -de hand. - -„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op -Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik -zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm, -onverzoende wraakgeesten zweven.” - -Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand -van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand -naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den -burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan -deze zich verhief. - -„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen -handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de -rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze -plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene -diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof -staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met -slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de -verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven -ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen -rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen -toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en -heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en -waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat -de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd -heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het -doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers -worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters -beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen -tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de -strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij, -nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de -urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te -vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid, -nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen, -behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het -familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen -misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij -straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig -dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die -meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te -teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het -te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots -van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers -van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles -was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare -voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen -invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals -over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den -burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen -heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten, -zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”— - -„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de -Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der -volksheerschappij.” - -„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een -oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in -geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij. -Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige -menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich -in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen -hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle -volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner -eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden -schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over, -dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op -een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en -aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op -voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin -Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene -kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!” - -Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei -hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den -grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning -met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.” - -Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit -Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een -tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden. - -Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door -minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal -verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen -geleid. - -Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar -met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor -zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had -durven hopen. - -Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den -Archon Basileus kunnen wezen!” - -Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was, -kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den -indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne -gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon -Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus -bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk -gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en -vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus -was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in -het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem -opdeed. - -„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als -gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van -die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze -beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die -strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het -priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik -sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer -gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een -beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou -vinden, wat zij in mijn huis miste.” - -De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend -waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met -eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te -beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de -schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de -Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het -huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade -binnen te leiden. - -Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar -te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen -huwen. - -Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel -woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar -echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot -zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij -Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij -de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij -voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van -hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij -scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot -huis verjaagd.... - -Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht! -Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja, -waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven, -niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd -door de angstige slagen van het onverzoende moederhart. - -En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van -haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den -laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook -Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen -hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten -had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed -daarmede vergoten werd. - -Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne -gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en -heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die -zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel -gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden -hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan -helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet. - -Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar -afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de -moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe -reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in -gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene -menschelijke wijsheid ooit zal oplossen.... - -Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne -rechten met elkander in strijd.... - -Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen. - -Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals -bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe -volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk -de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij -verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia -kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche -lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis. - -De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia -bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken -Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden -beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden -aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de -Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo -lang was geweigerd. - -De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde, -begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was -dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks, -niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade -vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel. -Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken -haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met -bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan -niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar -ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften. - -Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem -dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het -verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man -versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter -wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne -beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der -schoonheid herscheppen. - -Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het -smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare -sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo -ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares -bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als -alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder -verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot -heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De -geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te -verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet -had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest? -Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten -arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in -zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring, -verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het -reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen -fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en -iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne -ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring -op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat -een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood, -het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte -groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare -schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen. - -De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog -zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat, -bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft, -evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich -te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de -zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook -het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben, -is benijdenswaard. - -Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.— - -Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn -eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was -Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des -morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete -sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem -den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar -zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te -ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe -als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde, -waarmede men een kind liefheeft. - -Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems, -schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen, -in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk -verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de -muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van -bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze -bronnen weten te scheppen en te putten! - -Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk -zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist -hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen -geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las, -of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met -kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei -telkens afwisselde... - -De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden -buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis. - -Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van -Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten -goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen. - -Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het -geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet -de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten -volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden -gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het -verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn. - -Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke -stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in -alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der -handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat -Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom -als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de -witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de -nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak -van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had -plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen, -waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering -van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken -zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene -met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares, -weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met -de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes. - -Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles -voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd -gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende, -dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia -bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms -bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van -stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij -met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men -veel leeren kon. - -Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht -te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat -zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook -gelukt was de gade van een koning te worden. - -Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier -nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van -Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den -kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf. -Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles -koesterde en jegens den jongen Alcibiades. - -Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus -hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet -aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen -Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van -Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden. - -Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden -pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar -des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de -evenbeelden hunner moeder Telesippe waren? - -Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van -Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van -Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon -worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene -gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon -van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat -hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was -en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne -deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen -uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar -Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam -was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en -adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de -Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon, -bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was -stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig -karakter. - -Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te -nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet. -Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan -den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap, -die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden. -Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem -zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne -spotternijen en overmoedige scherts. - -Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans -meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met -opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van -haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk -van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige -oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om -later dubbel gelukkig elkander weder te vinden. - -Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den -achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die -zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche, -onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een -natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het, -dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht: -hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn -vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat -hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te -moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw -zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet -onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder -talrijk maakten.... - -Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar -vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op -het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam -Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De -belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van -Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap -niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te -leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder -kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij -wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond -Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de -richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne -stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken. - -Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der -vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen. - -Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich -zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef -zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij -werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier, -om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over -te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde. - -Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had -gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend: - -„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij -de schoone natuur ter schole wil gaan?” - -„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen -eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het -is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en -lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.” - -„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen, -om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron -te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan -oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen, -naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou -ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u -vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?” - -„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel -haar eigen meester is.” - -„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar -eigen meester is?” vroeg Pericles. - -„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten -wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot -haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.” - -„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou -kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de -blikken van een ander prijs te geven?” - -„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in -staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?” - -„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De -Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan -de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen -ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is, -moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde -omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen -onteert.” - -„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist. -De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen -afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe -vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het -dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de -eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering -op zich zelve onzedig is.” - -Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij -plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier -gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste. - -De beide mannen waren Protagoras en Socrates. - -„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting, -„dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij -Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over -zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis -betreden?” - -„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het -volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander -van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij -stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden, -omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene -gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik -daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras -van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar -hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met -opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether -liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende -Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer -van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den -andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we -elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod -wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te -zamen het huis binnen te treden.” - -Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting -een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van -wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag -bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende -meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel -het hunne konden bijdragen. - -Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was, -maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te -zetten. - -„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn -de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog -eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia -echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de -oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze -eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere -gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het -toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze -mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.” - -„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan -de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der -zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia -reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst -worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des -beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen -tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft -geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone -toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat -zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid, -volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor -het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de -nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat -de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade -van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des -lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver -mogelijk, overlevert.” - -„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als -gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag -bezitten?” - -„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras. -„Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en -wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder -het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de -vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de -kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die -het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.” - -„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles. - -„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit -te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat -gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene -vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den -hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden, -doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks, -als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens -en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man -zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs -geven...” - -„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw, -wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was, -alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog -de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal -geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de -eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt, -om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen. -Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen -koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval -kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij -goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den -gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij -bezat wat hem zoozeer had verrukt.”— - -„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met -andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte, -als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als -hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist -zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt -daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn -gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen, -heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere -bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den -ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene -door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die -alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat -is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”— - -„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren -wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat -denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van -een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?” - -„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de -wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is -juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten -op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus -weder werd afgebroken.”— - -„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede, -„gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van -afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig -vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou -hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de -wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles -in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn -wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene -zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van -den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het -voor heden laten berusten.” - -„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt, -alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en -schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op -zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute -waarheid.” - -De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige -uitdrukking aan en hij zeide: - -„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en -gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de -meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!” - -„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter -dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch -altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”— - -„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij -echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken -arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst -hebben begonnen?” - -„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en -harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden -beschouwing te willen vervangen.” - -„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij -de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te -sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar -hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het -alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner -toehoorders werken.” - -„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken -geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden -eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel -en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest -zal zoeken.”— - -„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die -hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel -gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam -zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”— - -„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der -werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich -in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in -de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er -zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat -hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen -ontzegd werd.”— - -„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken, -omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven -is.” - -„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de -deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op -terugkomen.”— - -„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de -deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer -eener schoone liederlijkheid te geraken.”— - -„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam -Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die -op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den -angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en -genot geroepen zijn.”— - -„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras, -schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene -willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!” - -„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij -met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot -beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een -onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.” - -Socrates zeide: - -„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!” - -Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor -van opgewondenheid in zijne trekken. - -Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens -zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben -gegeven. - -„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij -volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te -lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te -zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.” - -Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen -gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer -wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven -en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel -snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart -van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen -woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone -Milesische welgevallig zou zijn. - -Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in -Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van -bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke -arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte” -altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan -hem zelven te schande te maken. - - - - - - - -XVI. - -DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320]. - - -„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn -nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden, -voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners -onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel -Athene. - -Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had -voorgesteld, had geen Griek haar gedacht. - -Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken -om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon -was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen -gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen -waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm. -De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts -licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het -de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen. - -Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste -schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne -bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest -gediend hebben. - -Niet geheel dwaalden zij met deze bewering. - -Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene -kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen -daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze -verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had, -zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten -toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven -waren Pericles en Phidias geweest. - -De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te -geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen. - -In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote -natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende -kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia -drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met -kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar -eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde. - -Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze -Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de -vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het -betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid. - -Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem -vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten. -Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote -meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke. - -Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot -eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een -ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste -beeldhouwersziel. - -Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke -wijze: - -„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias -kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone -Aspasia.” - -Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de -Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig -maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk -wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf -geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half -onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen -was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust -zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem -opgewekt was geworden. - -Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren. -Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de -beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner -ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden. -Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op -een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te -gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te -verwezenlijken. - -De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas -bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin -van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem -niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger -ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen, -dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde. -Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles -richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te -ontmoeten. - -Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende, -zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste -onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van -straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar -hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats -terugbracht. - -Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar -die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks -gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een -inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras, -zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets -van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens -zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert -dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is -toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die -vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere -woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van -die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte. - -En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en -innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen -teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was, -des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates. - -Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen -den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid? -Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling, -welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en -Aspasia gehouden had. - -Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van -zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in -hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin -zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles -glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne -moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de -schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem -aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd, -vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en -ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de -schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden. - -Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater -Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid -geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd -weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de -onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene -ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring -opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn -geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem -open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets -toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten -vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het -Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te -verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde -dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was -en niet het volk de onderwijzer van den dichter. - -Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den -toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken. - -Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit, -dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw -overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had. - -Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak -te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat -zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem -naar zijne nieuwe gade. - -„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig, -„maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde -gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene -huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die -door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik -ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al -het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.” - -„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en -beminnelijk is.”— - -„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het -natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte -eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”— - -„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg -Aspasia. - -„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan -den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij -hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te -staan en op straat te gluren.” - -„Is dat alles?” vroeg Aspasia. - -„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij -is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch, -zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij -is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig, -zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is -ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is -zielloos...” - -„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit -alles afzonderlijk te bewijzen.” - -„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides. - -„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t -midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!” - -„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de -vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt -geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het -tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik -mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen -behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij -door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang -men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar -aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar -één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare -liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit -middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die -zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den -voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon -in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke -koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar -bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die -wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met -de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt -vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt -roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat -vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij -haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij -veracht en in een jaar dood gekweld.” - -Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon -uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken -wrevelen ernst en nadruk: - -„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden -spint—zwarte of gouden.” - -Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte. - -„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo -afhankelijk is van de vrouw.” - -„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik -voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het -toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert -overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld, -eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De -Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk -zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam -is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.” - -„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia, -„als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het -grootsche verleent?” - -„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering -wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want -de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf -roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter -komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven -zwakheid.” - -„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden -triomfeeren!” zeide Aspasia. - -„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake -komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht, -de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal -uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de -vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar -slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met -onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets -meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen -kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf -behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is -niet goed...” - -Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde -dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het -en zeide: - -„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.” - -„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik -spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn -geen Aspasia’s...” - -Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’ -gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon -van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen, -dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke -geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met -bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates -omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia -afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde. - -En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover -den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide: - -„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder -man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts -zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan -zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken, -die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te -zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter -zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van -grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook -gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die -geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel -gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en -ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke -blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde, -als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den -goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de -troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een -pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom -harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van -haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen -beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en -een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn -omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen, -maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet -liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet -haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve -de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid -ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de -verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf -onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele -zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door -hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat -zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch -daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe -heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en -het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting -het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de -aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd -ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar -streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen -van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone -en het goede te maken!” - -„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep -Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het -overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen -uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk -geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u -echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van -haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel -berust!” - -„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of -het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden, -dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte -ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”— - -Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia -zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele -punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening -overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het -masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te -geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van -haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest. - -Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de -gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de -gade van Pericles geworden was? - -Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en -al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen. - -Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te -krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen -bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot -aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken. - -Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij -verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer -deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De -Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten; -maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar -argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer. - -Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is, -de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het -bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij -opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en -voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet -door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en -opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den -gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen, -en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van -haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te -boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat -eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een -verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen -inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men -gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf -het geval zijn. - -Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet -gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor -hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en -plannen meer openlijk voor den dag gekomen. - -Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van -Pericles in een tal van partijen verdeeld. - -Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van -vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar -verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke -genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te -vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de -persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een -innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in -vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel -en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet -alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden -tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw. - -Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van -Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin -van Pericles en de zuster van Cimon. - -Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de -handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot -andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden -verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen -de gade van Pericles op te hitsen. - -Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde -vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het -jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk -der liefde en van den echt berustte. - -Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen -redeneertrant te beproeven. - -„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner -kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?” - -„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw. - -„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,” -vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?” - -„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw. - -„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de -voorkeur geven, den uwen of dien van haar?” - -De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag. -Aspasia echter zei glimlachend: - -„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de -man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg -voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog -zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van -haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de -liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te -verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.” - -Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker -niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den -mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge -echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men -vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar -echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste -aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest -houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in -tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man -boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter -beviel. - -Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het -vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten, -met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van -Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken -aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te -ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen -dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen -dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve -de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van -vermakelijk genot verschafte. - -Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde -bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de -clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde. - -Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar -echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien? - -„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den -argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien -kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is -eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd, -alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar -meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit -sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde -gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet -er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om, -besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en -lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is, -laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en -andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de -verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die -met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze -het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan -maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en -moeten geheel heet op tafel komen.” - -Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken -uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en -tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond, -wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den -roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te -bewijzen. - -De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de -vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te -liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar -verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij -zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en -ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene -vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia -geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten -over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en -persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school, -waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die -tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot -overwinning zou helpen voeren. - -Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver -reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden -rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te -bereiken. - -Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der -heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare -macht te brengen. - -Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een, -dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe -geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van -Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als -die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen -van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt. - -De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde -priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de -verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren -moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest -voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef -het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot -deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De -viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den -Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder -ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden. - -Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het -kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van -Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene -terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot -aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en -Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere -dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere -kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en -plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden -gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich -voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede -den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd. - -Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge -omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en -nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven -overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen -houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige -gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar -hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal -licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke -tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en -hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen. - -Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd. - -Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en -de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel. -Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd -al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond -zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten -harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er -over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en -uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de -beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden -elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of -deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van -liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor -fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den -echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden -elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of -sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog -anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het -levendigste, dat in den tempel gevoerd werd. - -„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch -uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der -meesten rondom haar uitkwam. - -„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te -behandelen, als Pericles Aspasia doet.” - -„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij -moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in -te richten als Pericles met Aspasia doet.” - -„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige, -kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds -aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te -geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.” - -„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook -tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen -het meest verlept en geblanket waren. - -„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het -toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en -onze mannen dwingen het goed te vinden.” - -„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster -met een boosaardigen lach. - -„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die -vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik -mijn man tot een hoorndrager maak?” - -„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe -leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!” - -Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw -van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar, -die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf -vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden -blik op haar. - -„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en -er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich -voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat -is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man -binnengeslopen?” - -„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!” - -Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond -zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering. - -Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden -van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de -oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven. - -Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht -omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de -vermetele vestigde. - -Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare -partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden -toe: - -„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest -dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man -Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk -uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom -die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”— - -Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij -maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door -den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende: - -„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat -hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne -gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als -Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne -vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den -mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht, -hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het -voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?” - -„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij -elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en -Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als -deze!” - -„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft -het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke -geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die -macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens -hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den -titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan -slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de -markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?” - -„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man -heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het -vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet -verzegeld.” - -„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht, -die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne -afwezigheid binnen moge sluipen.” - -„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging -Aspasia voort. - -„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man -draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.” - -„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te -koopen?” riep eene tweede. - -„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen -gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het -Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien -pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar -huis.”— - -„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben -gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te -verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare -aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar -over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd -krijgen te vragen, wat daar beslist is?” - -„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan. -„Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!” - -„En als gij niet zwijgt?” - -„Dan is het nog erger!” - -„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die -oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is -stilzwijgen!” - -„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!” -klonk het in den kring. - -„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde -er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?” - -De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder -elkaar. - -Aspasia echter ging voort: - -„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen -kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig -en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk -geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit -met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw -huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op -let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan -den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand -uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een -crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met -zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar -alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is -lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk -wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest -noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de -mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg -veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der -vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten -werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in -u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed -uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden, -vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de -wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het -huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de -kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het -ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten, -eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat -wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen -strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping -behoort.” - -Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den -kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een -luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer -onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met -heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken. -’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels -zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten. - -Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en -krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen -zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia -stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook -het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon -herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en -haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende -men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon. - -Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare -geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare -bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom -ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van -Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging: - -„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in -den kring van geboren Atheensche vrouwen?” - -Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele -der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat -deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was. - -Elpinice echter vervolgde: - -„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij -zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid? -Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van -kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben -op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij -hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen, -wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die -zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der -Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen, -door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster, -misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat -zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar -tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?” - -Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia: - -„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van -een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in -saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën -eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den -hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe -Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot -Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!” - -„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger -vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze -heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?” - -Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes -op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die -zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene -dreigende houding aan. - -Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar -leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal -dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’ -gade kozen. - -Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig -woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te -wakkeren. - -Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te -verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen. - -„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe -deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche, -wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar -echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de -boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de -mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het -gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!— - -„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar -een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in -rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de -tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare -kinderen!”— - -De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s -blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op -eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia -blikte. - -Elpinice echter ging voort: - -„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te -zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas, -voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en -genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots -zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de -schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende -Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen -meten!” - -Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele -vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in -de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest. - -Elpinice nam opnieuw het woord: - -„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van -haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander -herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige -beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij, -als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!” - -Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige -sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met -woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter -stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op; -zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke -minachting: - -„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart -wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij -zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en -te bijten?” - -De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen -zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene -vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten -aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen -trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede -dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming -dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den -Thesmophoriën-tempel. - -Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den -geest te bevrijden. - - - - - - - -XVII. - -HET MEISJE UIT ARCADIË [326]. - - -Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden, -maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het -onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend -geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle -omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens -ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van -haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige -uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten. - -Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij -dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte, -maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms -maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de -zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene, -waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen, -die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden. - -Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en -ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste -en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld -om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar -Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en -Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de -gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide -ter sprake gebracht werd. - -In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van -Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier -lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te -kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke -plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren -dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen. -De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van -Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de -Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en -scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch -zij verborg ook een scherpen angel. - -Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken. - -Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van -Aspasia toegeschreven. - -„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden -zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?” - -En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen -der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd. - -Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna -vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia -kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig -op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de -voeten der Milesische... - -Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene -uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het -Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van -Athene te vertoeven. - -Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en -nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest -en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden -van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel -van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al -uitsluitend voor zijn en haar geluk leven. - -Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en -weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de -hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t -punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne -beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede -zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren -velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen -echter waren er ook, die het in stilte benijdden.... - -Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328]. -Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om -vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus -behulpzaam te zijn. - -Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter -zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware -vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel -bespoedigden... - -Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling -zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den -weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles -voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk. - -Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome, -menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden -vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige -zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden -ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens -gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het -niet. - -„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia. -„Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken -van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed -gezorgd.” - -Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke -bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron -overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit -te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk -aan de takken opgehangen. - -Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich -aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad -der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai -gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de -stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename -herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij -zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar -een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide: - -„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat -het misdeed!” - -Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich -naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met -de hoogste eerbewijzen ontving. - -Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd -uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door -bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de -stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin -schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want -evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van -de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke, -genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende -Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de -beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van -de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee, -tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen -der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in -het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen, -zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene -zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen -was. - -Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en -zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig -gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij -zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder -oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet -geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte -van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte -opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië. -Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems -en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de -bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten. - -In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord -door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied -in de zuilengangen en priëelen omzwierven. - -„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar -vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles, -„gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht -in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat -prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk -priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze -gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich -in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij -offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de -feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter -eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin, -de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt -meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat -vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is -een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door -handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet -naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet -aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij -leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de -individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn, -zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons -nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons -brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de -liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.” - -Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles, -zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de -bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten -glimlach, zich tot Aspasia richtend: - -„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel -van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste -weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen -gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke -Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door -verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel -staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en -die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een -onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover -die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan -genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende -Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke -kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een -worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die -strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd -uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten -tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en -Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed -in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt -niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op -den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den -prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den -lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze -Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te -vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen -trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij -weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken -in die ruwere lucht.” - -„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een -bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van -gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend! -Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne -sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het -zegevierende licht van Pallas Athene!”— - -Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van -Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over -de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den -draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor -haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de -moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de -voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En -zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende -bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven -nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de -vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en -lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun -schaduwrijke twijgen in elkander strengelden. - -Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een -angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de -donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan -glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de -wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het -gebergte had medegenomen: - -„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze -paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis -[330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en -dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier -zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het -knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen -Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.” - -Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin -van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den -in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden -wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn -rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het -Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige -berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan -den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte -gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de -stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het -„paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van -Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt, -hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met -groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende -golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op. - -Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester. -Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen -van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere -onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven, -muren en gewelven van den voortijd. - -Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen. -Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit -reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en -klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich -verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de -woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en -schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden. -Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van -deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te -brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte -zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen -tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden -Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere -maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge -opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het -woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de -huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de -sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam -over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen -vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn -onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’ -bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van -den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege -der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg -van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar -minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden -Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En -binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de -doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken. -Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts -gekeerden heerscher der volkeren... - -Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van -den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij -bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang -van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel -prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de -binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig -leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke -vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten -verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het -eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de -grafkelder tevens der Pelopiden was. - -Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de -gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de -nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde -hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken -slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond -konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte -woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden -bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn -donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó -wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben, -op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte, -nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe, -zilte nat zijn leden had geteisterd. - -De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den -schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort -van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij -te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd -verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen, -tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den -Hellenen vorst Agamemnon zouden maken. - -Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude -tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle -Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang -naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch -trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan. - -„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde -Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de -bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze -hulde te bewijzen.” - -Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op -wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te -oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche -hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter -zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar -zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door -de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep -in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen. - -Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en -Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone -wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de -steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig -gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan -de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt. -Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen -wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar -gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed -grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde -kringen den beschouwer tegen. - -Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort -in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen -was. - -Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het -sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven. - -„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in -deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!” - -Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte -zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de -huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om -een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te -rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon. - -Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute -gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer -van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger -gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te -slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang. - -Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend, -geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den -grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze -rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was -werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf. - -„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de -gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke -gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig -schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des -tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon -zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen -van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die -menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht -ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren -zullen inademen!”— - -„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het -onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige -leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen, -maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare -stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de -steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven -ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen -kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch -eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots -en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar -vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.” - -„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en -vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode -beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen -afwisseling is leven.” - -„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend -helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze -verliefde paren opnieuw gevoeld?” - -„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige -verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit -komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht -verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de -steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is -waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van -Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen, -maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus -een weinig ingekrompen zijn.” - -„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald -worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich -vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd -en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon -gebeiteld!” - -„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen -eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van -Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend, -met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan -zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of -zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van -onsterfelijke bouwvallen?” - -„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia. - -„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd -gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich -hernieuwt?” - -„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia. - -„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de -liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde -levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!” - -„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden -glimlach in de rede. - -„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van -schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs -één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar -schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den -heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit -van de schoonste Helleensche vrouw!”— - -De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming -met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het -den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich -te vreden te stellen met het geluk van Paris.— - -Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia -de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles -oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere -rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het -geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had -geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den -vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps -vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der -schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu -in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en -der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der -vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.— - -Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en -uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met -zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar -’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en -doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier -zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in -de blauwe lucht. - -Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den -wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor -een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd -had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve. - -„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom -midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb -Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor -oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen -jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het -volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart -en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets -Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon -klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van -jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna -bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen -staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet -alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.” - -„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de -Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden; -integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet -zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig -wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die -mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen -heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van -Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter -Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen -zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte -trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te -maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar -vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg -of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde -terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor -het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de -plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de -maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende -blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En -juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den -droom gezien.” - -Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun -verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half -schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin -in deze droomgezichten verscholen mocht zijn. - -Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de -Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om -hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de -Arcadische aan te vangen. - -Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af -te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het -groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren. - -Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te -rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op -mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij -zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op -bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus -bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen -daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze -zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen -bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien, -begrepen zij den dichter eerst ten volle. - -Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles -al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees, -terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den -tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht. - -„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te -vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand -mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die -menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het -zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en -dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog -niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons -in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij -schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het -menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije -Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke -te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast. -Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door -menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en -hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt, -menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de -reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen, -helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de -verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.” - -Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede. - -„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet -onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult -willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten -minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias -waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in -volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk, -vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er -zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in -rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne -welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334] -bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord, -dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun -verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht -der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.” - -„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles. - -„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik -verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst -daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen -eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de -natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.” - -Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers -zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland -Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun -niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen -gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de -eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen -andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen -onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels, -spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der -bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de -diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de -handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen -des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad. -Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden -bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in -de zon zich koesterden. - -Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij -het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands -meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden, -onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden -schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen -zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te -gemoet.— - -Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden -de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid -van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen -van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór -het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht -gehulde gebergte. - -„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die -huiverde. - -„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde -zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem -wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.” - -Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden -wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar -werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere -afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak -zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel. -Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige -duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als -die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in -de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de -morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar -werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten, -dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien -hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden, -beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon. - -„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!” -zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas -ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in -eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het -hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.” - -„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al -het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!” - -Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het -boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich -talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder -zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de -weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend -groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de -beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen -omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal -bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden -God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing, -ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed -schuimde uit de harige borst van den ram. - -Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den -olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een -borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar -het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een -beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de -herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen. - -Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en -ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en -waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde, -lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen -grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op -dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd. - -Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun -weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de -takken. - -„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch -gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke -ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit -woud waar wij thans doortrekken.” - -De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen, -verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel -was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel -helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De -Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten -hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te -bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging -het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen -te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken -joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks -nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog -schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten -rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend -voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige -oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met -hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers -onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling -deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af -volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken -schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De -rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte -zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en -bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen -neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte -weerklonk het gehuil van den wolf. - -Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats -onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen -van alle kanten woedde. - -Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven -den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste -boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam -zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot -den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de -knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den -brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen -en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen -beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij -zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij -zich, hunne gidsen volgend. - -Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het -doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich -nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en -rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met -zich sleepend. - -Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud -in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de -wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over -het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden -strijd der elementen. - -Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene -met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar -beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de -stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich -de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der -maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder -beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog -had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden -droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld. -Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder. -Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun -plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt -was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van -wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan -zijne zijde. - -Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij -verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde -de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust -had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve -omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur -brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette -de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel -hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het -onthaal zijner gasten bij het vuur te braden. - -Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun -nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij -de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een -helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den -grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek -gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel. - -De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de -ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats -van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en -gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en -uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe -kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming. - -Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den -herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van -Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei -der runderen uit de dampende stallen.... - -„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen -zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen -hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons -midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de -avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft -ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door -ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn -kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!” - -Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden -en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den -ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten -zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met -eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep -haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan -eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag. -Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem -met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en -trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met -steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte -van het water spiegelde. - -Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen: -vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de -kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met -kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld. -Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan -loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde -hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in -donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs -wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.” - -De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin -meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die -een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in -het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht, -waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter -nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat -haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter -nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan -haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze -oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in -deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van -kinderlijke verbazing rond te staren. - -De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op. -Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand -van het meisje. - -Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje -geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en -Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter -was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu -verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een -ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood. - -Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag -lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den -laatsten tocht zeer vermoeid waren. - -Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw -en zeide met geheimzinnig gebaar: - -„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze -hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en -schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe, -zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen. -Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.” - -„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?” - -„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar -die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.” - -Daarop keerde de herder tot zijne gasten terug, leidde hen overal rond, -toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne -gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en -de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten -achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees -hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en -roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid -was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een -gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte -daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen -merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de -stervelingen vereischten. - -Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den -hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale -opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden, -ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven -overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in. -In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen, -glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen -schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen -klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek -op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even -haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de -verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De -valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld, -die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden -schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen -zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de -rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede -gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant -vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de -ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en -vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken -fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der -luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde -meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de -schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom -stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter -hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide, -dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis, -door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden -gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver -dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne -gemalin het rechtersambt te vervullen. - -Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der -herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde -menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook -gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken. - -Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met -elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen, -een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half -koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij -verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist -voor te stellen. - -„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?” -vroeg Aspasia den knaap. - -„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met -zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende. - -„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge -van Cora? Cora wil niets van u weten!” - -De knaap zuchtte en sloop weg. - -Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die -aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier -vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge -witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om -Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat -met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene -schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone, -heldere en schrandere oogen aankeek. - -„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia -genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering -verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor -haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote, -ronde, kinderlijke oogen en zeide: - -„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen. -Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar -hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk -uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude -Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich -verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets -geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het -bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en -gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.” - -Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich -gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar -zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het -herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan -vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen -weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij -verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden -doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend -vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een -brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had -genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden -ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter -een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin -geslagen en is voor altijd verloren. - -De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en -sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen -en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in -het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin -booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen -van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de -verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk -beangstigde oogen open. - -„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de -doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had -geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan -marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode -Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de -menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met -hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat -zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.” - -Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch -kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen, -dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx, -dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen -neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden -en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter -verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige -ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een -roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen -nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten -afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide -gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit -het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te -vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het -zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit -den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen -en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar -zijner bespringers. - -Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en -belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het -herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof -en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders -ruimte scheen overgelaten. - -„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet -ongaarne deel zoudt willen nemen.” - -„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen, -overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde -bespringen, met een brandend hout verjaagd.” - -„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in -dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het -Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te -vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben, -door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in -de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik -der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen -zachtere aandoening iets weten wilde.” - -„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er -niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?” - -„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk -verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze -schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die -misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te -spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij -altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende, -ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun -geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren -kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo -statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de -grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd -vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter -heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon -hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne -toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het -witte maanlicht omschenen.” - -Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw -hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van -zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere -aandoeningen.” - -Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak: - -„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten, -dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in -een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene -verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die -beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en -die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!” - -„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles. - -Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel -van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even -eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon -Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van -toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van -Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek -te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg -vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag -geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het -struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op -de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog -opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s -van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten. -Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon. - -Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen -ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven -hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken; -het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over -hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen. - -„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van -een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen -afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering. -Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit -naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik -verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te -willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden -draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat -blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren -weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert -ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men -gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder -dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.” - -„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt, -zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch -herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene -liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de -geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender, -dan die van alle rozenpriëelen van Milete!” - -„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige -woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der -rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik -voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij -eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod -den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens -zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam -geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze -voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan -schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel, -tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.” - -„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de -gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze -menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij -huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het -mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die -hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist -geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en -dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven, -bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die -oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid -ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen -achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen -wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo -deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te -begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene -cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig -werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken -behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met -steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de -zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij -naar Athene zal vergezellen.” - -Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u -te nemen?” - -„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij -uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.” - -Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet -geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?” - -„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische -meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare -groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.” - -’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken, -zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het -bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het -plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste. - -De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag -de gast van den herder te blijven. - -Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van -het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde -herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge, -kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende: - - - Het beekje komt van ’t rotsgebergt’ - En stort zich in het woud; - Er grazen reeën in het dal, - Het lachend ze aanschouwt. - - ’t Besprenkelt bloem en blad met dauw - En lescht der dieren dorst, - En komt de barre winter aan, - Wordt het met ijs omkorst. - - -Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van -zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren -betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij -luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en -teekenen van afkeuring... - -Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden -omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich -daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde -haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen -plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van -eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren. - -Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende -middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij -wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of -andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam -van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s -verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat -Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij -bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid -was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter -berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde -voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener -spin verward had. - -Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar -opnieuw van Athene begon te vertellen. - -Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in -den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in -verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische -natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit -kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene -wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten -verzonken. - -Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij -Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter -daar een gelukkig lot zou verbeiden. - -„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden -geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls -Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd -dit ééne: - -„Dat mogen de Goden geven!” - -Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun -eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten -gaan. - -Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat -zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en -langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en -Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de -helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had -namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van -Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in -eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij -plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der -slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde -oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en -bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en -Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare -ontsteltenis. - -„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met -u naar Athene zou gaan.” - -„Hoe dan?” vroegen beiden. - -„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan -geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in -de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets -geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in -het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht, -totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan -trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men -verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de -vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.” - -„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg -Aspasia. - -„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening. - -„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend. - -„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia -glimlachend. - -De ouders van Cora kwamen nader. - -„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen, -maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de -grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd. - -De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen -elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon -dan het meisje, de woorden: - -„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”— - -Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en -kusten het. - -„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei -Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken -van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij -zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.” - -„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de -herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de -kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar -beneden is gevallen.” - -Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te -bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart, -voegde het zich in den wil van den God. - -Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden -herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het -landelijk erf ronddoolde. - -Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te -brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische -bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te -breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen -hen verbeidden dan hier in het stille herdersland. - - - - - - - -XVIII. - -DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT. - - -Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen, -niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten, -niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te -hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en -vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in -den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen. -Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den -glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den -heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle -wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de -Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het -Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige -feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over -de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste -schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen. - -Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der -feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven; -geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een -gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong -zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en -allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad, -bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet -zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was, -ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het -talrijke geleide. - -Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover -den ingang van het woud, bevond zich eene groote -beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden -Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere -zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust -alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord, -het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het -vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht -zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen -trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt, -onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus. - -Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever -van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen. - -In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker -is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen -beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen -geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein -trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het -liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was -Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende -omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw. - -Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier -onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener -geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd -aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den -Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met -zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste -kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier -Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem -zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone -zijne mededingers kon overvleugelen... - -Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van -den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van -Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne -over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene -toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen -kunstbroeder had aangeknoopt. - -Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne -school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm -dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze -zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene, -ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien. - -„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste -leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de -overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij -nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag -beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te -arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet -zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop -of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met -Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen -uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet -meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan. -Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem -heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij -zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep, -zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God -der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar -mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn -wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in -staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te -arbeiden.” - -„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke -groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet -gemakkelijk kunnen volgen.” - -„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te -Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van -den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en -Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels -over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over -zijn Olympischen beheerscher der Goden.” - -Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen -plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die -zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar -iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening -te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide: - -„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van -eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel -een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne -gade, de schoone Milesische Aspasia.” - -„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem -vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel -vreemd.” - -„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte -Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet -haten, zonder haar te beminnen.” - -Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het -Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander -hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias. - -„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet -om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid -al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien, -maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den -grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te -gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne -begeleiden.” - -„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas -voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders -opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk -gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der -menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al -zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal -de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier -menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven, -in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan -te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.” - -„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet -Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij -begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien. -Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van -den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang -van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen -genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in -de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn -volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.” - -„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen -wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor -het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met -mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te -huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren -beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het -heilige woud u toeblinken.” - -Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide -der beide groote kunstenaars aan. - -Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije -ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den -Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den -Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en -marmeren beelden. - -Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot -den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre -na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de -strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen -en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk -zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd. - -Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het -feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens -die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een -groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de -verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent -van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides -uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De -bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige -gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen -uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten. -Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten -met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van -den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude -gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich -bij de bonte tentenrij aan. - -De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche -tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de -vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de -platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische -tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige, -vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen. -Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe. - -Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien -rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en -hunne overwinningen. - -Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en -Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn -grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar -de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging -van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat -hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was. -Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich -te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke -gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap -vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen! -Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de -Hellanodiken.” [347] - -Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de -opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend -groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier -openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die, -op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de -door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden -voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in -trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte -gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen -wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende -rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een -onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende -zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een -sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde -berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde. - -Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en -onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid. - -„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde, -„toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag -leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene -vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen -ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare -levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als -sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen -opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van -Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne -verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds -meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en -ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het -overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen -van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van -het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef -zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met -iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige -Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om -toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!” - -„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone, -bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken. -Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te -brengen...” - -Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de -populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na. - -Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem -van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel -van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een -oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der -Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen -[349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat -zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een -minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs -[351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en -Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging -hebben aangegaan.” - -Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen -ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun -dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”— - -„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden -glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de -Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende -Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren -doen!” - -„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van -hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de -geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!” - -„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van -alle Lechaeërs aan te spietsen!” - -„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult -gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief -hij dreigend de vuist op. - -Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met -rust, of gij hebt met mij te doen!”— - -„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich -om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs -in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne -vriendelijkheden op uitloopt!”— - -„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert -eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder -veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van -den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!” - -„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een -grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met -zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud -en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk -ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te -breiden?” - -„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit -gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de -werkplaats van Phidias wijzend. - -De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten -welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden. - -Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo -wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden. - -„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die -daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners? -Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van -den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert -eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij -ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de -maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche -volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen; -hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van -den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der -Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen! -Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen -metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die -tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden -van alle oorden elkander herkennen!”— - -De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte: -„Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne -jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te -voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne -donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche -Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de -harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van -toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den -stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval. - -Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne -vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor -tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de -standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der -olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den -nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen, -tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij -beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar -den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne -voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding -en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten. - -Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia -daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud. - -Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts -naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den -zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit. -Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers -van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden -wijgeschenken bewaarden. - -Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden -Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van -den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen -onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in -zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den -majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij -zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen -ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen -ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor -de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van -den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij -gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en -waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld -van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de -wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te -zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige -feestterrein van Olympia lag. - -Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia -echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen, -die haar kwelden. - -„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten -wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei -van den Alpheüs hebben gekozen?” - -„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes -lachend. - -„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar -nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven, -Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.” - -Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij -de standbeelden van Polycletus. - -Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en -de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des -avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag -de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit -een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste -schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het -overoude beroemde aschaltaar van Zeus. - -De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den -nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die -bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene -schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst -werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste -vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een -niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene -goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het -begin der spelen af te wachten. - -Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den -Cronos-heuvel. - -Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte -zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken -Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het -genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf -te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het -oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja -schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende -hitte ten toon werd gespreid. - -„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende -menigte dwalen?” vroeg Pericles. - -„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk, -zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk -zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia -bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der -voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?” - -„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der -vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner -maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.” - -„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is -zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander -woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik -haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar -schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat -de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe -langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering -en ruwheid terug zal voeren.” - -„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend. - -De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en -Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door -een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden. - -Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag, -vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion -wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t -dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te -rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden -genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich -deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd. -De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden -en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die -overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders -hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had -gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen -de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun -doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden -verduren. - -„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar -dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit, -met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een -lantaarnpaal.” - -„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en -vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een -in olie gedoopten doek had omwonden. - -„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been -kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik, -een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten -eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst -zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint -mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen, -waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.” - -„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij -nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch -is, de rug echter het teerste!” - -„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar -zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze -uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn -verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen -geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in -de maag met zich te dragen.” - -„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet -ook tanden kunnen verduwen.” - -„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen -als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een -oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en -lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door -vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde -borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op -zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de -stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had. - -„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een -weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een -hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin -omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht -beven—blijf ik nog staan!” - -Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en -vervolgde: - -„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?” - -Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne -kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten, -zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne -stelling. - -Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze -vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de -pink van de overige vingers los te trekken!”— - -Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere -vingers gesmeed te zijn. - -„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik -houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand -in de spaken te grijpen!” - -„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de -hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.” - -„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het -mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden -hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!” - -„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal -tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe -snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?” - -„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de -Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten -hier uit het zand bijeen rapen!” - -„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals -de kok den inktvisch!” - -„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u -bij kruimels kunnen wegdragen!” - -„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat -is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden -bewijzen.” - -„Dat willen wij doen!” riepen beiden. - -„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt -gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat -zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het -meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij -hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein -bevinden?” - -„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk. - -„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over -zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan -Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch -hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik -mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles -beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een -grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet -hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet -zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.” - -„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote -athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel -halen en hem aan het spit braden.” - -Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden -zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken. - -Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden -gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons -gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische -wedstrijden aan te zien!”— - -Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen -met Aspasia den weg naar huis in. - -„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes, -„schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene -vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke -en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die -krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien -zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De -ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich -omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken? -Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij -deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide -bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.” - -„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven -blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en -onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed -ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in -zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan -herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des -geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is -het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke -gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en -werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en -door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn -lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf -daartoe wordt aangespoord.” - -Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en -stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars, -gebeiteld door de hand van Polycletus. - -Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende: - -„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij, -dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de -bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen -heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden -en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde -gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de -voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als -Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft, -die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het -verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze -heeft nagebootst.” - -Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak -op Polycletus. - -„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en -behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas -alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden, -schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia -ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den -inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en -ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te -vervaardigen.” - -Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare -ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet -lang daarna onder het een of ander voorwendsel. - -„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een -spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus -van Olympia waardig zij.” - -„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand -brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne -Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg -naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den -Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel -weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt -niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de -verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten -ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en -te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom -godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen -Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht -verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts -en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte -eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn -zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen -voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de -draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien -heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de -beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u -over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het -leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe -scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.” - -De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden. - -„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw -lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot -Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen -naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen -nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke -pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan -volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den -fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn -kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel -liet.” - -„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der -koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die -uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.” - -Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia -in het hart van Alcamenes. - -Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne -plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en -zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht. - -Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia -een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes, -Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden, -achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de -mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone -levendigheid voortzette. - -Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger -zijne blikken. - -Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de -gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg -ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die -eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem -daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin -bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had, -hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren? - -Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van -gekrenkten trots. - -De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de -vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak -daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men -bijzonder vertrouwd is. - -Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia. - -Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de -bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron -was voor zijn kennis op het gebied der kunst. - -Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder -onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden. - -„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes. - -„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij -vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb -ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te -koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan -te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van -Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de -liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.” - -„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar -zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog -gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u -heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!” - -„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u -reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen -geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.” - -„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik -herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een -werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder -hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik -het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes -hebt geprezen!” - -Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger -hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles. - -De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot -bezinning bracht. - -Op dat oogenblik trad Pericles binnen. - -Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes. - -Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde -gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia. - -Pericles was bleek. - -„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de -trekken van Alcamenes gelezen.”— - -„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft, -zooals men eene vrouw doet, die men...” - -„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia. - -„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de -opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon. -Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen -tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij -over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar -men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar -de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk -karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij -zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.” - -„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten -bondgenoot!” zei Aspasia. - -Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het -vertrek van Aspasia. - -Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond. - -„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij -onheil aan.” - -Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht -zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt. -Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de -verkoeling. - -Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende -vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde -alles wat zij vergeeft?— - -Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij -had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats -ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar. -Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van -zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen -omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de -eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het -grootste werk zijner handen zou onthullen. - -De met spanning verwachte ure was genaderd. - -Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd. -Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de -hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis -heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem -opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te -geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het -meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige -woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen -zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel -trilde door de toppen der boomen. - -Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen -het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins -hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten. -Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en -liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel -neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het -tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken. - -Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia -en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der -duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge, -schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het -tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en -zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van -den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij -zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat -verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner -lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet -daveren [359]. - -Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden -mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel -des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel; -met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne -oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van -den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit -verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter. -Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde -stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier -zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief -zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans -van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke -voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans -van het goud en het ivoor te beter uitkomen. - -Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den -God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden -leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher -der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel, -zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op -de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus -geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den -beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede -de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia. - -Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich -verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite, -uit het schuim der zee. - -Goddelijk genadig was het aangezicht van den Olympiër en toch vol -onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge -kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was -de uitdrukking der hoogste majesteit. - -Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles. -Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende, -overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het -goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke -Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den -beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht. - -Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem -doorvlijmde... - -Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld: -spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God -met het vertrouwen van een kind. - -Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de -opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men -hoorde uit de verte den rollenden donder. - -Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme -verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon -van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter -zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het -was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld. - -Daarbuiten rolde al nader en nader de donder. - -Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak. - -Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning. - -Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene -marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische -Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en -gebarsten... - -Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik -eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne -hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had -verbrijzeld... - -Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit, -zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en -verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts -als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven. - -„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is -te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd -opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...” - -Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend -verzoek. - -Zij zochten Phidias op. - -Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij -voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden. - -Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te -onttrekken. - -Hij bleef voor hen verborgen. - -Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning -waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen, -verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende -regendruppels van zijn lichte vederen afschudt. - -Niet alzoo Pericles. - -Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn -voorhoofd had verdreven. - -Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid -van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de -bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne -ontroerde ziel de overhand. - -Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van -Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den -gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen -bliksem. - -Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had -gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte -had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had -gestooten. - -Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom. - -Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters -neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der -gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte... - - - - - - - -XIX. - -HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS. - - -Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en -deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan -Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar -zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van -statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in -velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in -Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige -huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels -van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen -zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier -werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich -aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden, -in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek -gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de -overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens -eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der -herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven -gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat -beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den -ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een -grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen. -Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den -Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping -gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig -schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig -bezegeld. - -Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens, -die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk, -en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend. -Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende; -Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de -echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne -edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk -gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk -en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze -invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis, -wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia -onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar -karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust -en de alverwinnende kracht van het schoone. - -Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden -onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone -harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten -toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord? - -Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde -schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken -toovergeur te verspreiden. - -Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende, -Aspasia de zegevierend werkende, de gevende. - -In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet -zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening -overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste -bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en -stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering, -die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al -van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren -tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing. -Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder -hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het -Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan, -waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen. - -Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t -voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de -nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den -gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk -voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken. - -Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van -Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de -hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen -hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.— - -In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige -schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde -ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar -Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde -niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het -bereiken van hun doel wachtte. - -Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk -hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had -gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische -mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om -een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote -mysteriën. - -Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren, -bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht -erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar -hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de -omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet -ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit -eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote -tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij -stonden. - -Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te -Eleusis zou vertoeven. - -De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten, -door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën -ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van -ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor -die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden -veroorloofd was te aanschouwen. - -De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia -zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar -geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht -onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het -geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag -zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht -strevenden geest der Hellenen. - -Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze -mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen -de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in -’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne -eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke -geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!” - -„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia. -„De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone -menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders -zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen -vast aan het schoone, vroolijke heden!”— - -Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan -deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos -zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van -dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar -zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot -hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken. - -Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en -dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening -waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,” -zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige -geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud -gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden -gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt, -dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige -Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort -te behooren.” - -Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan -inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat -overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe -gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift -gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de -omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de -daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te -beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed. - -Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene -zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel -aan gelegen te laten liggen. - -Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met -Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal -versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het -bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht. -De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de -bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca. -[362] - -Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als -ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten -op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot -Aspasia. - -„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige -licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des -„erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig -versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de -deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.” - -Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten -inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene -overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te -Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen: -terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde -in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten. - -„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij -steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither -onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig -ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche -ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij -’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden, -en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit -heil deelachtig te doen worden.” - -„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde -en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle -andere u mede te deelen.”— - -„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor -de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te -laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als -vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding -deelachtig te worden?” - -„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende -jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan, -gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere -wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen -feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding -deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te -aanschouwen.” - -„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen? -Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien -verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij -niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst -niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de -grootere ontvang?” - -„Onmogelijk!” hernam Hipponicus. - -„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia. - -„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige -gebruik,” antwoordde de daduchus. - -„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in -het midden. - -„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen, -zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn -van dien opperpriester op den hals willen halen?” - -Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde -zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en -moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche -Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield -van vrede en behagelijke rust. - -Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis. -Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als -toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den -heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over -de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der -mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en -akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten -doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den -Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte -menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van -Telesippe. - -Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw -tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de -Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche -priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en -deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met -fier opgericht hoofd aan zijne zijde. - -Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al -den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter -rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de -Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en -een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo -plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het -Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van -Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige -gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en -waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van -stilzwijgendheid afnam. - -Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer -priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit -hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de -bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.— - -„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar -praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe! -Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij -nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij -echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan -een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want -voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!” - -Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s -oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener -Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals -zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en -loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte -verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende -gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd -in de drie gekrenkte gemoederen op. - -In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem -de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts. -Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide -dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem -stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met -den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In -tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels. -Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische -fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als -een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen. - -Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering -een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats -grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften, -gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden. - -Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch -hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden -ingewijd. - -Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het -toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe, -en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de -Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van -Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën. - -Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen: -en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van -Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van -Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde -hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd. -Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op -hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een -gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen -zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij -wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te -grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den -minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw -opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar -vurig verlangen zou inwilligen. - -En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de -kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen -hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog -[365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere -Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den -„tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de -reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus -geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere -gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te -bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot -het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk -liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der -groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor -eeuwig zou in acht nemen. - -Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle -mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere. - -Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden -zich Pericles en Aspasia. - -Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar, -geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den -Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in -schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de -vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards, -eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen -ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de -hand. - -En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige -heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch, -dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen, -alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig -voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen -ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen -te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd -ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de -myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den -vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige -hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd. - -En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van -Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren -binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond -werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der -zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens -aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den -mond van den Hiërophantes uitgelegd. - -En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen -der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de -geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke -tonen van fluit- en snarenspel. - -Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche -gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen -duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol, -doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den -Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke -spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen -zwerftocht. - -Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde -trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en -geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige -schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te -sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het -voorhoofd. - -Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel -van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond -sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend -was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een -vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende -Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een -leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende -Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met -hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld -van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen. -Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods, -zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd -omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand, -naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke -afstanden aflegt. - -Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der -vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het -vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn -aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het -weeke vleesch. - -Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke, -uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke, -hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de -noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld. - -Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker -en haar gelaat marmerwit... - -Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne -fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds -huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor -klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische -[370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als -van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een -driekoppigen hond [371]. - -Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden, -zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor -zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en -omgeven door somber vlietende stroomen. - -Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf -van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door -de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het -vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk -met treurig neerhangende twijgen. - -Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige -doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels -wiegelden. - -Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen -en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar, -zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de -uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half -bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle -bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend -offerbloed. - -Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en -spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de -visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld. -Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de -stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de -vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren. - -Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de -mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat -plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders -vóór hen opensprong. - -Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats -van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half -sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide -te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren -in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades. - -Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig -dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig -terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde -begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche -krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te -wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende -inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds -aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen -aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een -speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische -schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten -op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde. - -Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het -talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk -worstelen en streven.— - -Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het -lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel -was met angst en siddering vervuld. - -Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen -en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend. - -Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al -luider het geween en gesteun der boetelingen. - -De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele -schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten; -maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren, -scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te -vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!— - -Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste -duisternis: - -Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen: -liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de -heerlijke velden. - -Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van -het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige -mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige -zaken. - -Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen, -waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner -sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.— - -Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans, -verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche, -niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over -Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den -haar verwanten, goddelijken aether.— - -Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te -worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der -geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de -eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige -licht van Eleusis.— - -Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische -geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel -der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde, -eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering -aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In -een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en -gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te -verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel, -wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet -kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des -lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en -verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den -nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de -duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht -voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar -geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was -somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht -alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat -schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille, -spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht, -dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen, -scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht. -Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende -phantastische kunsten der Eleusinische priesters. - -Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke -onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld. - -’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners, -wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van -haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de -bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe -oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel -spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw -beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet -zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen -en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te -winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die -zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw -en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon -weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia -tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem -werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht. - -Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van -deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd -van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de -heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend. - -Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in -kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een -onaangenaam geval van gansch anderen aard. - -Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt. -Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën -eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den -ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën -op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan -aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig -aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren, -terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te -velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het -sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens -en der vreugde plaatste. - -Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis -bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek. - -Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar -verwijtingen toe te voegen. - -„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb -ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn -loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in -gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote -mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank -inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo -vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest -gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht? -Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet -jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij -heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles -altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals -Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont -dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje! -Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij -dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het -ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult -zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!” - -Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen -werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij: - -„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht -dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer -wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige -matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder -eenige preutschheid tot model hebt gediend!”— - -Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen -beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel -haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar -echtgenoot Pericles te gemoet. - -Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van -Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen. - -Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was -aangekomen. - -Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het -eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij -onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het -heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij -thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het -verderf zouden kunnen storten. - -Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij, -was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer -aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend -vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet -veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij -aangeklaagd en veroordeeld was. - -„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige -Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo -al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan -wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden, -hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die -betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak, -als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag -noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende -bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat -wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf -te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in -alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles -liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of -verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig, -zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn -rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van -onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe -Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van -Hipponicus. - -De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond -hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van -hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad. - -Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem -ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op -eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had -binnengeleid. - -Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij -bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn -tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als -eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen. - -„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij -wilt, zij verdient het!”— - -Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap -tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op -eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had -doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van -plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich -in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging -aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in -onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en -beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen. -Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het -onderhoud vastgesteld. - -Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde -Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar -snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet -anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het -voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in -verlegenheid en verwarring bracht. - -De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen -van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De -geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk. -Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat -Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat -zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat -reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was. -Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte, -over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs -verbittering in de gemoederen. - -Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade -van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te -verschaffen. - -’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden -volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden -lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten. - -„Wat is er voor nieuws in Athene?”— - -„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen -verwijfd zijn.”— - -„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd -wordt.”— - -„Door Pallas Athene bedoelt ge?”— - -„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra -haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”— - -„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is -immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met -hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”— - -„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in -Klein-Azië heeft rondgezworven?”— - -„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar -den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals -men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”— - -„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met -zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk -recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag -zacht.” - -„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest -zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder -zullen aanstaan.”— - -„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”— - -„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd -af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare -smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam, -geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte -Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”— - -Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in -het steeds toenemend gewoel achter Aspasia. - -Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling -stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat -bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een -kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom -haar. - -Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar -omringend en haar aangapend volk: - -„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s -straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig -vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik -beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij -drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen -aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij -aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd -rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels -Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch, -welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het -ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt. -Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan? -Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent -gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en -volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het -licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor -licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere -tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe -schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige -beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden, -vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw -burg!”— - -Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend -oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de -mannen elkander aan, zeggende: - -„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter -wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]— - -Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg -kon vervolgen.— - -Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden, -waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den -Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd -voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige -plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had. - -Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus -genoodigd had, was gekomen. - -Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders -van Pericles, waren bij den priester verzameld. - -De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle -zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen -tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes -hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers. - -Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten -hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven, -als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van -Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de -vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het -geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder -oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van -goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen. - -Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat -men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de -Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar -dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij -wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat -hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door -zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom -gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk -geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de -willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen -meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de -eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat. -Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te -spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men -trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders -van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook -de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt. - -De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen. -Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat. - -„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of -te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor -ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten -wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier -schuldigen voor te bereiden.” - -Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en -gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen. - -Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd; -alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen -hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar -den daduchus. - -Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die -hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne -dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans -zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en -gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld -had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het -gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige -inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was. - -Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne -bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen. - -Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de -daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde -zijn ouden vriend in ’t oor: - -„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de -schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want -het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem -onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en -u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die -ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles -wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen -verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!” - - - - - - - -XX. - -DE SCHOOL VAN ASPASIA. - - -Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen -makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen. - -De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn -achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de -andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de -volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het -heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar -den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich -aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan -te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te -strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den -Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan -de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te -gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af -te schaffen. - -Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw -zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver -en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde -Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten -voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden -eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden. - -De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de -genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias -opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge -Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die -insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne -rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus -werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave -knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek -meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol -vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan -geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als -die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van -Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn -vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen. - -Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat, -den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg -had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van -Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van -Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen -jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale. - -Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge -soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende -opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige -neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of -maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag -verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten -oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het -plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met -gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even -onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden -knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men -begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen, -als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond. - -Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners -getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken, -toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”. -Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij -vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen -deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs, -wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het -hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog -dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem -heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde -beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig -tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen -mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef -altijd geliefd. - -’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste -jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht -worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich -daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen -Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem -bijna met de teederheid van een vader. - -Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter -wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem -Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel. -Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende -woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden -schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt -gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de -heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.— - -De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds -geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te -beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed -ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij -echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het -oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de -stad der Atheners gedurig toenam. - -Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de -mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was -ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken -Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had -bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de -bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen. - -Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de -weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot. -Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen -hoe langer hoe wijder uitbreidde. - -Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt -gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”— - -Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid -zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades -bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de -wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen -moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale -gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk -als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling -wil schilderen. - -Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den -beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar -hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De -ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen, -door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk -hem te beminnen!— - -De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den -terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats -gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk -erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de -gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig -op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van -het huis, waarin hij opgevoed was. - -Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde -wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene -soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd -had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den -onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in -’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de -buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor -de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist, -dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou -kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het -twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en -bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te -wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve -niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte, -tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in -jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere -vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te -zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig -door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met -moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen. -Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten -veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die -hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel -zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was. -Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar -de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest -was te zoeken. - -Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen -streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de -aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd -namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de -besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar -onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje -geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene -verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der -Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren. - -Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge -van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de -naburige Dorische stad zouden uitbreken. - -Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak -volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis -uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin -Aspasia. - -„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de -landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine -afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te -loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes -van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae. - -„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus -nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij -hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot -pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms -ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische -meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en -zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten -en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en -hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte -van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de -golven. - -„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep, -waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast -hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De -bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij -praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de -fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal, -zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid -weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop -moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht -omver wierpen of vernielden. - -„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een -van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het -bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk. -De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de -sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het -terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging -het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten -ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze -eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon -gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met -purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het -heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in -de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de -ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het -Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en -eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener -herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van -runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en -vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die -wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige -wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken. - -„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de -richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht, -dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet -onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een -bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje -deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de -ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de -Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en -verdween uit onze oogen. - -„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte. -Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds -doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen -naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te -worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de -nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het -bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf -voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De -honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze -verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden. -Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een -scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der -honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die -alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond. - -„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas -loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze -echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen, -toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel -maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan. -Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen -landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer -beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in -dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te -spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij -volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig -aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed, -verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist -dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die -wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het -gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken. -De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners, -antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte -ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar -hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp -der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord -waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend, -waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige -voldoening de plaats te verlaten. - -„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet -verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog -steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en -schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde -ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen -Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte -lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in -de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop -het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou -bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren. - -„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid. -Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt, -aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in -vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht. - -„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den -liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van -de Megarische kusten.” - -„En het meisje?” vroeg Aspasia. - -„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals -wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij -geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is -haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet -der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der -Helleensche jonkvrouwen!” - -Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met -onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den -koenen jongeling aangehoord. - -Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het -meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken. - -Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid -haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje -was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het -geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara -opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo -niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te -loor gaan. - -De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis -opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet -zoo goed als eene dochter. - -Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens -of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te -willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den -edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in -het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene -warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich -liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug -te keeren. - -Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke -voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het -jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was -ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid -uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen -te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot -Alcibiades: - -„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op -haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil, -om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij -zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele, -bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus, -veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken -bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw -overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha, -zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede -worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die -eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste -de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het -kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt, -ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult -ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug -ontvangen.” - -Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had -kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen -verlaten en Aspasia toe te vertrouwen. - -„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te -zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen -stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene -volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone -kind in uw huis te komen bezoeken.” - -„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare -vorderingen.” - -Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne -toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en -teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar -verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts -zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet -uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat -geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit -liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis -verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans -geschiedde. - -Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van -eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor -dien naam. - -Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten -bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke -hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds -langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van -hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit -Megara gevoegd. - -Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling -van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te -veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte -tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag -bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust. -Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was -de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den -ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden. - -Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en -medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij -zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij -stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit -verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in -haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen -zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden. - -De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze -hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den -voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere, -schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres, -machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de -heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar -invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden. - -Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige, -bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te -verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel -was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens; -zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na, -maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat -Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand -nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog -lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst -worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof, -zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon -verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die -door de gewoonte al hechter en hechter was geworden. - -Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij -verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen -van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in -die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan -zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon -beproeven. - -Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als -’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar -werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst -gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de -eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de -muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar -werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid. - -Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de -schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen -en vrij te maken. - -Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet -alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid, -kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der -Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was -het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt -als de hoogste wet der schoonheid en des levens. - -Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het -was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde -haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke -uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke -andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar -duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid -gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak -zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die -door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets -vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in -geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen -toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht -en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op -eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij -is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals -het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen. - -„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te -zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen, -verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te -merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden. -Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd -leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den -loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich -zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene -schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan -leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene -moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene -vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne -gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien -wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en -overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel -zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.” - -Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde -Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden -daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na, -evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of -roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield -dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid, -naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige -meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en -hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel. - -Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een -schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina -daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en -snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich -uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst -toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van -ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde -persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der -kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling -van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.” - -Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte -was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door -de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem -scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die -jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel -meer bekoort dan plompe weelderigheid. - -Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene -heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit -zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets -liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig -meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid -en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen. - -Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door -den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In -Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche -betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt. -Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der -beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die -onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende -vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der -jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk -schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het -meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele -ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische -beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den -schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende -geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof -in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de -kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk -scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met -hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke -kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene -schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school -der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad -en hare schoonste verwachtingen op haar stelde. - -En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar -tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar -Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid -der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven. -Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap -van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot -bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene -dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar -wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet -bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van -geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat -zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste, -door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets -oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort -van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit -eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld. - -Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden -en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang -met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger -bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken -de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid -verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van -vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene -schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het -volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten, -bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een -verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar -Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen -besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van -nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene -beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar -die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van -Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer -school ook buiten hare woning uit te breiden. - -Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen. -Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar -statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was. - -Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s -woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de -Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden. -Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone -beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch -overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring, -Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in -toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de -teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia -gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd -was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld -had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering, -die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren. - -Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot -een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van -den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van -zijne overmoedige makkers zou mede nemen. - -Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en -halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip -van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan, -en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa -geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en -door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen. -Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich -niemand op het schip. - -Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van -Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende -eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387] -heuvels. - -Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een -spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur -wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook -het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder -dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven -hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der -zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in -eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee -bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij -zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den -blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te -onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee -somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den -blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug -daaruit in te zwelgen. - -Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke -visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether -verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke -in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als -die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia -zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om -hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in -den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar -gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld. - -De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde -zich in Cora. - -De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten -laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee -te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de -stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij -dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die -verre over de zee klonk. - -Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een -dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een -vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich -een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het -bemerkte. - -Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades -weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de -koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en -het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op -de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere -blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van -Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar -echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark -achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem. -Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben. - -In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om -zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te -vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen -zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der -aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne -vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende -strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de -overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de -vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd. -Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de -rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als -de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging -gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met -Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen. - -Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen, -schoten op tusschen de klippen. - -Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee -uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het -tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land -blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende -strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende -bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het -ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven -bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die -zweefde over de klippen. - -„Bij alle zeenimfen!” zei Alcibiades: „het is hier zoo vreedzaam, als -aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de -nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de -zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed, -terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen -herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf -overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf -zoodat hij druipstaartend terugloopt.” - -Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven -kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden. - -Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de -bergen van de Peloponnesus. - -„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik -ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel -weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan -dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het -sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den -strijd, ruwe sombere Peloponnesus!” - -„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische -bergen. - -„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend. - -Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het -Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het -scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde -zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien -overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van -dezen zetel op zijne vloot nederzag. - -Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis -en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de -golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame -golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem. - -Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich -deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen -de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende -vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades. - -Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood -zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte -nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de -dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene -schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder -gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende -meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens -aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt, -toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land -slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend -verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp -omkneld werd. - -Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus. - -De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van -een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met -Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een -mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen, -had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een -heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel, -dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en -waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn -vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te -Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare -betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten -halve, die wraakgedachten. - -Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht -zijner levendige phantasie. - -„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man -aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot -elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige -zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.” - -Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de -beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de -détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid -afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had. - -„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een -vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt -gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de -bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die -oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult -er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil. -Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere -versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij -het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden. -Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te -verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?” - -„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met -keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn -schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren, -wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?” - -„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds -jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik -uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.” - -„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en -al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene -voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de -beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden, -wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met -schranderen geest volkomen weder te geven.” - -Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord -door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene -verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden -ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen. - -Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich -door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken -zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door -overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen, -smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk -stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen. -Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een -meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene -breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen -den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs -om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende -tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf. - -Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een -grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de -aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.” - -Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen, -hernam Callimachus: - -„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend -en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument -heeft meegedeeld. - -„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk -Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om -aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens -zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog -op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor -haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met -eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en -wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan -te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De -Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot -een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden -van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem -gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede, -bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn -vaderstad Athene. - -„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des -jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer -jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare -bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld, -zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de -minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en -bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de -overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt, -ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt -zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord -uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort -in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee, -omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden -van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen -strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der -geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar -neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten, -haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden -toe. Hij heeft slechts een lijk gered. - -„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt -hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land -heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn -oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren -drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen -teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij -zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en -plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje. -Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de -zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien -op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen. -De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen -en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op -zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn -heerlijk loof schier bedekt.”— - -Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus -geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige -paar. - -Aspasia sprak na eene korte pauze: - -„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt, -kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige -steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft -gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk -slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met -verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet -eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende -luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan -verzinnen?” - -Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een -bliksemstraal door zijne ziel. - -Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak -hij, zich tot de Milesische wendende: - -„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die -groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog -geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.” - -„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend -in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”— - -In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen -zijne ziel vervulde. - -Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene -nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die -werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats -te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd -verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te -plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden -tooien. - -Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen -gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden -Triton vervulde. - -Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die -op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den -vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan -de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen. - -Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich -een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha -zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij -het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts -weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts -voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid -en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares -was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van -Aspasia’s school! - -Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke -afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon -gestoord worden.— - -En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte -vijandige, loerende oogen gericht. - -Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van -Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop -bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen. - -Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd -en haastig tot zijne makkers: - -„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge -hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige -meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene -gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte -Simaetha!” - -„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe? -is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias -voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit -verheugt?” - -„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over -zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren, -zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om -de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te -verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den -Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal -leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen -verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons, -wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid -zich thans aanbiedt. - -„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen -meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven, -alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als -wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te -nemen en haar met ons naar Megara te voeren.” - -Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus -raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap -van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit -uit de verte. - -„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t -strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel -onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te -sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij -verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk -vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het -meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder -dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen -kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een -oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden -en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons -wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig -voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is, -vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter -geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen -misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen -en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit -weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze -hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!” - -Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden -zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan -twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met -scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes. - -Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen. -Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina, -naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip, -waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades -was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich -nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje. - -De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha -te vangen. - -Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen, -vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina, -die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden. - -Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare -haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades -stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het -schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings -ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok -hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich -met de roeispanen hadden gewapend. - -Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij -zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en -Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven -gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten. - -Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks -gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij -Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar -in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat -Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te -vervolgen. - -Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig -werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe -bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat -zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden -werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en -zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden -wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht -den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers -en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven, -daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren, -om den overmoed der Megarensers te tuchtigen. - -Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt; -maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was -nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden; -bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te -nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten -haastig koers naar Athene. - -„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande -in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe -klippen. - -„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de -trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde -rotsen van de Atheensche Acropolis!”— - - - - - - - -XXI. - -DE MUILEZEL VAN CALLICRATES. - - -Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en -de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen. -Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene: -Megara moet getuchtigd worden. - -De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die -voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger -waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha, -die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven. -Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan, -waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was -de lieveling van Aspasia geworden. - -De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara. -Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven, -dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt -te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden -uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde -voldoening zouden hebben gegeven. - -Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers, -en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden. - -Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot -de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen, -en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en -door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust -zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van -Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien. -Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte -losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van -Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles -het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder -de Hellenen geworpen. - -Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des -volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten -laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en -dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun -persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer -staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal, -als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de -teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant -zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij -bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen -wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het -grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende -Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte -volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had. - -De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar -Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den -staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden -tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen -tegen den „nieuwen Pisistratus.” - -Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman -Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen -in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles -aan te randen. - -Niet onverschillig beschouwde Pericles de moeilijkheden, die menige -daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals -haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar. -De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den -jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen -zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste -onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande -hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk -te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven. - -„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend. -„Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid -vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten -wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot, -dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige, -armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige -meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara -te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het -vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de -vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische -bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O -zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere -daden.” - -„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en -ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar -slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke -eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een -gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard -gaan.” - -„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen? -en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?” - -„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd -van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op -waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid -voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te -genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers -is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”— - -„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide -Alcibiades. - -„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het -niet te verspillen, maar het te behouden!” - -Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling. - -Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde -glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde: - -„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad -wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene. -Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat -bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch -zijn!”— - -Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne -Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester -Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had -gesmeed. - -Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds -te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes -had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de -volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den -godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren, -wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met -de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de -menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede -geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende -orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende -meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen. - -Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den -grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht; -doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij -bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles -aan. - -De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor -zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de -werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het -prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken -Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel -van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren -hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des -nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste -vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken, -zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet -behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de -gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en -snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou -worden vergoed. - -Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen -na zich. - -Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners -hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond -te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij -reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven. -Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het -Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden, -die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige -blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de -nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te -verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome -lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd. -Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde -deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van -het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de -aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten -niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest -vreeselijke wraak gezworen. - -Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner -ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en -onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias -binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn -onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het -overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid -had. - -Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates -heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor. - -Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de -trappen van het Parthenon. - -Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de -Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren -allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was -gevallen. - -Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor -het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware -niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er -slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van -Callicrates. - -Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den -Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne -gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang -beraamde plan der wraak. - -’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was -en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame -Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud -te zamen. - -Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen -tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de -eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen -Callicrates. - -De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch -Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes -traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half -vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare -schreden aansluipen. - -Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op -hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de -nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot -stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken -brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een -eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid -en minachting. - -Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en -de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens -ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij, -door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid -beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden. - -Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes. - -„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?” - -Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den -Erechtheüs-priester toe. - -„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon -aan!” - -„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den -twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen -tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken -vijand.” - -„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een -man, die nog erger is dan zij?” - -„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van -dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?” - -Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op -’t eerste oogenblik der ontmoeting. - -Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden, -waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had -gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den -Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt -hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander -toch de hand gaven. - -Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met -den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch -Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden -des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen -zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij -daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot -tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren -beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester, -wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst -Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten. - -Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen -indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht, -persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden, -moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te -winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en -bondgenooten noodig. - -Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar -zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort. -Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden; -voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen -Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar -onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te -doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk -zoo geliefden man. - -Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden -gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en -bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder -afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring. - -Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in -betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon. -Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte -zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere -blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles, -door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid -der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den -dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij -de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot -alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en -sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de -straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles. - -Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie -mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk -was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de -beide vrienden van Pericles. - -Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een -godloochenaar was. - -Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige -uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene -andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen. -Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met -ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu -eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door -den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de -wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid. - -Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren -geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren -angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming -der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de -Tripodenstraat in de richting van den Illissus. - -Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk -een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus -bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de -Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden. - -Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend -en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen -gelaten had. - -Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer -zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard. - -Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was -Pericles. - -Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert -geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten -waande. - -„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw -nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng, -moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar -ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.” - -„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard, -„die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij -te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder -terughouding, wat u op het hart ligt.”— - -„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester -heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens -godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”— - -„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed -herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf -voor een oud man!” - -„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles, -„wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de -veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor -uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het -noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben -te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak -beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.” - -„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de -voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?” - -„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de -vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal -de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk -heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter -beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor -den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten. -Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle -voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame -baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij -wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde -gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene -gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot -de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen: -„Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van -dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar -Cephalus u wacht.” - -„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog -minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren -naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met -het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten -wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen -mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid -op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als -zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den -Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een -stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund. -Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te -binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en -mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.” - -De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede, -liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de -chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis. - -Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder -bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs -den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron. - -Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door -rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het -strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander. - -Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het -vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag -Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in -het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de -onstuimige baren. - -„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld -niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t -ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig -jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar -tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij -en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der -bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de -hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne -ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en -zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter -ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste -en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan -mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den -roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe -zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken. -Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de -genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien -het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.” - -„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles, -„verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt, -maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood -maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone -vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat -voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden -ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog -voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen, -somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere -onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de -schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende -beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en -mijn lot zal ik mannelijk dragen!”— - -Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t -klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun -gemoed voor elkander uit. - -Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en -omarmden en kusten elkander. - -Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak: - -„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij -zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene -plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het -goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk. -Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het -ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven -weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben -gevoerd!”— - -Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het -vaartuig. - -Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken -riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel -over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee. - -Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun -slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in. - -Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende -schip langen tijd na. - -Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene -huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden -morgen. - -Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen, -eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke -zuilengalerij verdrong. - -De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging -van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van -beschuldiging. - -Zij luidde als volgt: - -„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door -Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus -uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet -te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken -der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der -godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door -gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel -jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die -zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan -te zetten. Eisch: de dood.” - -Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist -voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de -koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte—— - -„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’ -huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!” - -„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de -blijspeldichter!” - -„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit -den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia -opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men -ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora -openen.”— - -Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk -eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel -ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet -minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de -Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden. - -Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en -Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens -op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en -Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën -krachtig bevorderen. - -Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm -staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling -Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang -tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen -zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet -opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek -te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun -geheele gesprek af te luisteren. - -„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der -Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht -Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn -jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid -gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren -roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste -krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de -zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden -roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion -beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in -metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik -en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele -vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.” - -„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het -den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas! -verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk -binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het -schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de -donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het -woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één -Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.” - -„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus. -„En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van -weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn, -en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van -den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de -machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne -Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn -hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult -haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met -langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”— - -„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias -ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische -breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes -straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat -wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat -zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon -hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander -bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!” - -„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?” -vroeg Agoracritus. - -„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den -Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig -weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb -ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb, -dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen -wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne -Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe, -nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!” - -„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt -toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd -en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen -moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.” - -„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte -zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!” -sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist -tusschen de zuilen in de zon lag. - -De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de -vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd. - -Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting -van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan. - -„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide -Phidias. - -Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den -beeldhouwer. - -„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het -Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen -uitkrabben!” - -Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder -het woord van Homerus: - - - „Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!” - - -„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich -reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas, -ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de -beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte, -oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!” - -Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk, -nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen -eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er -afvloog. - -Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar -en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander. - -Zij kenden elkander. - -Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn -heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de -pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve -had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener -vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene -verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit -medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood, -eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp -het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar -werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de -spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters -vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan -de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een -afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood -gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij -verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die -schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar -hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een -kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te -stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder -het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van -wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de -vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar -zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den -Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in -’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen -niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare -plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij -onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op -zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche -rol kon spelen. - -Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik -af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de -bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen -zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den -Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in -’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of -als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij -evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren. - -Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de -bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het -volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den -onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte -hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk. - -Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander -zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen -bedelaar en den priester tot bondgenooten. - -„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes. - -„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel! -Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het -vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem -niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde -alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat -de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”— - -„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”— - -„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te -kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem -roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal -en het ivoor en het blinkend goud.”— - -„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”— - -Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te -flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen. - -„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een -onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het -blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats -verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de -Acropolis te maken?”— - -„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem -grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.” - -„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno? -Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven -van hen, die daarmede omgingen?”— - -Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan. -Een daemonische glans lag op zijn gelaat. - -„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem -werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk -kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele -goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen, -die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim -kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde -niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw -bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”— - -En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon, -als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan. - -Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde -hem in ’t oor: - -„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de -Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?” - -„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend -lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”— - -Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van -harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben -tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd -verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn -vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had -Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen -zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem -van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen -zijner werkplaats gekomen was... - -Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige -plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig -werkenden meester van het Parthenon. - -De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder -voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van -de Agora zou behandeld worden. - -Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof. - -Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia -zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene -soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok. - -Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen -zweefde een verachtelijke glimlach. - -Pericles trad tot haar. - -Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken. -Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De -lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den -Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een -voorbode van regen te zijn. - -Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het -was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter -beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van -Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden -uitgesproken. - -„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de -Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft -een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij -onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op -de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn -er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als -rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de -lippen houden.”— - -„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op. -„’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed -beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het -Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke -begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te -zoeken en er onder te leven.”— - -Aspasia sprak niet één enkel woord. - -„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend -Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks -schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks -vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de -scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar -insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te -hooren en te genieten.” - -„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne -Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van -barbaarschheid, in zich bevat.” - -„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht -gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de -werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te -hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en -bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft -aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten. -Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote -deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen -deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is -het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de -zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den -grooten hoop pleegt te noemen.” - -„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk -ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.” - -„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie, -„genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het -schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls -genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van -het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die, -welke ik u zooeven opnoemde?” - -Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was. - -„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t -gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt -gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de -minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?” - -„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook -in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij -treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij -vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de -straten van Eleusis.” - -Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de -Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon -Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers, -verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de -aangeklaagden. - -Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig -dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen, -wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en -aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren. - -„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er -een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem -zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die -Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.” - -„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld -mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet -kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen -betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan -hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor -met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat -beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk -onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig -aangewend!” - -Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal, -wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.” - -„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die -Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond -te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.” - -„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie -[395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen -schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde -Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de -lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen -berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van -geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol -gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de -Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe -langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar -niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou -zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer -landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.” - -Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en -tweedracht. - -In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne -houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon -Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren -hem omringden. - -De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen -toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep. - -Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te -hooren, wat gesproken zou worden. - -Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als -voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht, -waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden -worden. - -Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een -onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig -ronddwaalde. - -Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw, -maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een -man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen. - -Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de -schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den -grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien. - -Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware, -verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel. - -Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst -op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel -moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den -staat. - -Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier -gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen -fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te -temperen. - -Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager -den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der -rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden -reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en -stipte nauwgezetheid afgelegd. - -Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht, -daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift -voorlezen. - -Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en -uitvoerig toe te lichten. - -Hermippus stond op. Zijne rede vloeide over van sarkasme. Men zou -meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende -woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen -Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk -oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de -heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de -Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien -welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te -Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de -jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij -verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche -vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij -eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche -vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot -vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het -familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren -Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig -leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe -zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in -huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot -onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen -te verbinden. - -Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de -openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van -sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den -openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene -samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen -getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging -om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de -voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit -getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de -jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene -bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den -voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat -in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met -Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige -Dorische stad. - -Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen -het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de -eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid. -Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan, -dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat -op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven -derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden, -aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in -hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het -heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der -vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen -beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en -door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde -gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van -godloochening. - -De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de -rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse -des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting -in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een -gemompel: - -„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en -afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische -moet vallen.” - -Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten, -verhief zich Pericles. - -Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor -luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van -Aspasia’s gemaal. - -Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet, -zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het -redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag, -zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte -gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte -trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken. - -Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na -het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan -de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener -misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen -kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij -zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een -edel streven nooit misdadig kan zijn. - -Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden -spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk -bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne -hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot, -zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?— - -Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet -op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit -het hart voortkwam en tot het hart sprak. - -Hij zeide: - -„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de -misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij -de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat -gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van -Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne -aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land -niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij, -door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te -Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden -in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het -volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet -verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en -bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te -verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die -pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete, -niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk -en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal -verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met -het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en -heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden -zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven -ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der -Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de -uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en -sleept haar voor zijne oogen ter dood!” - -Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles. - -Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in -het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der -natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een -wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den -hemel. - -Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik -blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt, -zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan. - -Zij fluisterden elkander toe: - -Pericles heeft geweend! - -Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden: - -Pericles heeft geweend! - -Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene: - -Pericles heeft geweend! - -Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota, -waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs -met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde -slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den -traan van Pericles. - -Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door -den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een -einde. - -Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de -stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe -van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die -veroordeelde. - -Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene -koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het -zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen, -houten bak. - -De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de -tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den -aangeklaagde geëischt werd. - -Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden -de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den -Archon. - -Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn -rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere -loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en -zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.— - -De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis -was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen. - -Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen -gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora. - -Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik -zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden -der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles. -Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door -de menigte gingen. - -Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden -aangeheven vreugdekreten der Atheners. - -In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde -gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen -werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het -zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en -overal werd herhaald: - -„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!” - -Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en -alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem -voorbij ging, een scheldwoord na. - -Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast -Pericles en Aspasia. - -„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen -aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe -vrienden!” - -„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?” - -„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates. - -„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia -weder. - -„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter -bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.” - -„En welke waren die?” - -„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd -Aspasia!” - -„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne -wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de -gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg, -Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want -alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is -belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder -eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat, -Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!” - -„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te -persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd. - -„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates -en verdween onder de menigte. - -Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had -haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad -een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe -te voegen!— - -„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij -weet, hij meent het goed met ons.”— - -Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst -gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd -onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere -vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van -haar echtgenoot daarheen ging.— - -Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken; -een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met -elkander fluisterden. - -Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides. - -„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik. - -„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware -zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en -medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal -men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en -dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde -voor hem de schuldigen vrijspreekt!” - -„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte -de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het -hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd -treffen!” - - - - - - - -XXII. - -STRIJD EN ZEGEPRAAL. - - -Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op -de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den -waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele -bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een -oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en -werwaarts hij voornemens was te trekken. - -„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille -eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan -ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het -levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan -en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen -overgeven.” - -„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg -Pericles. - -„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk. -„Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal -kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog -meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag -en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon -heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze! -Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille -rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs -heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne -holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke -Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene -gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!” - -„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is -immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de -pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert. -En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere -Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo. -Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en -kikvorschen....” - -„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de -rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het -schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen -noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van -schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens -onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een -onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de -vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens -zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die -mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij -niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene -weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe -Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo -door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich -bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter -geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga -voorloopig naar Salamis.” - -„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles. -„Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne -meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere -des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid -en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste -van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen -vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.” - -„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp -Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?” - -„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,” -hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des -mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel -schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den -Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.” - -„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides, -„en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden, -om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.” - -„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik -vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone -harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne -willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te -vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het -oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men -bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig -en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken, -den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon -genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo -dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen, -of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den -voorrang verdient?”— - -Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den -dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af. - -Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging -onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het -teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en -alles toog derwaarts. - -Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde -richting te volgen: - -„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe -lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners -wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender -zaken beslissen.”... - -Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw -juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.— - -„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om -de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte -van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb -een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van -orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er -medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het -bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland -van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd -geworden.”— - -„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af, -dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is -vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door -onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.” - -„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is -het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd -duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch -gedreun zich heeft doen hooren.” - -„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat -in Hellas!” - -Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich -in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te -keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief. - -„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem, -steenigt hem!” - -Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man -verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei -uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd. - -Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename -verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt -en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren, -was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de -markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden, -uitgescholden of mishandeld geworden. - -Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de -Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd -hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds -dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te -Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen. - -De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen -Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam. - -„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en -hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet! -Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!” - -Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de -zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door -eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk -weg te doen voeren. - -Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering, -fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de -leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar -Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn... - -Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om -zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren -gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen -verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche -mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan. - -Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor: - -„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?” - -„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de -Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...” - -Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het -na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene -groepen. - -„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep -Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed -hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe -scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij -eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het, -toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle -vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen -hetzelfde deden!” - -„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw, -Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper -Sporgilus met een bedenkelijk gezicht. - -„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een -vroolijk zeetochtje?” - -„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en -bitters!” - -„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook, -lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!” - -Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier -Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar -zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog -grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als -hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg -met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit -Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten -inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!” - -Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn -geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde -plaats bleef. - -„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk. - -Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid -getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter -verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen. - -Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een -jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij -beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een -blijspel zou optreden. - -„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit -de menigte den ouden brasser toe. - -„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver -in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken, -lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen, -mooie, hooggeschorte dansmeisjes.” - -„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?” - -„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt -ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt -toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan -aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser -is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men -geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude -Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij -gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch -over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de -volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld? -Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de -volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den -baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van -den mantel plukken...” - -Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één -opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het -bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te -muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.” - -„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke! -Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat -de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De -leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten -waarschuwen.” - -Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl -Cratinus voortging: - -„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de -hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten -man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den -hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar -gezuiverd wordt.” - -„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt, -dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”— - -„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt -van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die -onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den -strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit -rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij -eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die -halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle -„met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.” - -Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een -luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil -neergehurkt zitten. - -„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De -kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags -ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!” - -De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden! -Met viooltjes bekranste honden!” - -Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers -aan. - -Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit -oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde -en hem met zich uit het gedrang voerde. - -De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd -weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem -den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden. - -Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals -Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering. -Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in -handen hebt.” - -Pericles zweeg. - -„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus, -„ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te -leggen!” - -Pericles antwoordde niets. - -„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij -voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!” -schreeuwde Pamphilus. - -Pericles bleef zwijgen. - -„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en -boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door -toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”— - -Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis -gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles -had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter -zich. - -De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog -altijd. - -„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer -donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne -woning binnen.— - -Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn -boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog -altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met -haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder, -raadselachtiger, steeds meer als orakels. - -Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates -wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek -met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden -zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de -partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den -Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid -der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij, -„zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas -aanschouwen.” - -„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk? -Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat -Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in -feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik -reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter -beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden, -maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk -opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met -gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten -bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het -Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de -oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht -ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was, -en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust; -ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen -verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig -liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld -der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden; -want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het -Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen -uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig -voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en -ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor -altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond. -Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend -boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door -eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon -verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde -frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als -vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt, -van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t -Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich -eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog -gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de -beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren -zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen -kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den -mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo -blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce -geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige, -voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid -gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne -zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.” - -„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en -getuige van eene vreemde liefde geworden?”— - -„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij -toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates, -„sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar -het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne -trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of -nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met -den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.” - -Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den -jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten -eenenmale was uitgedoofd. - -De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang -gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem -opnieuw te deemoedigen en te beschamen. - -Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus: - -„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder -herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het -eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder -redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u -verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren; -gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om -bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die -beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt, -wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te -streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene -voldoening schuldig was.” - -„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij -hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene -bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.” - -„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom -zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”— - -Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig -ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van -Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden -en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven. -Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een -betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in -de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks -als luim bij Aspasia sprake mocht zijn. - -Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van -Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een -bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals. - -Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone -lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook -op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia -herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen -vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken. - -Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd, -fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar -„kir, kir” te hebben doen hooren. - -„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht -en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten -smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik -noemen.” - -„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat -niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!” - -„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates. - -„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij -ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en -schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van -alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die -eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim -afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn -geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de -schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?” - -„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.” - -„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat -gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.” - -Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den -wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates -herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe -gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te -stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf. - -Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een -schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij -met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward, -dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te -komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke -nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam -doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak -voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en -zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen -zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er -reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw. - -Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij -den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende -waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal -van het Lyceüm gezeten had. - -Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich -eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm, -berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf -der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.— - -Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om? - -Rustig en kalm stond hij op en zeide: - -„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen -vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw -achterlaat. - -„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins -spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet -vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een -volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal -geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den -aan Aphrodite gewijden vogel.” - -„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik -van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik -voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te -vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft -aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks -mede.” - -„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg -Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”— - -„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates. -„Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te -bestrijden?” - -„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt -zelf een Doriër geworden!” - -„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende -Pallas Athene te zijn.” - -„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de -Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is -die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm -voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?” - -„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde -wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft -verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe -bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo -is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen, -versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster -geworden”... - -Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon, -welke ondeugende Eros stak in dien vogel. - -Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de -beide smalle einden van den chiton samenhield. - -Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de -gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de -schitterende witte schouders omhulde. - -„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel -over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen. - -De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand -naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik -eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog. - -Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar -durfde trotseeren? - -Eene zachte huivering voer haar door de leden. - - - -De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch, -dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te -mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene -plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden -worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä. - -Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet -het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der -Atheners voedsel kon verschaffen. - -Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin -de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te -zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men -van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon -Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en -dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen, -die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen -bogen. - -Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag -vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden -slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich -door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere -gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te -zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam -van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals -Socrates, van „zijn Daemon” sprak. - -Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde, -zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man -voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg -inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna -raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet -den minsten invloed op zijn doen en laten oefende. - -Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder -toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van -eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op -het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de -bliksemschicht van Zeus. - -Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een -Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t -scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den -gevleugelden knaap... - -Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten -hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van -uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde, -naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt. - -Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen -Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen -tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de -banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot, -eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der -liefde, alleen die van het genot. - -Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de -jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in -den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte. -Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en -beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota, -welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog -op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het -bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering -ook weder den roep van haar naam. - -Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever, -dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo -dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s -huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de -kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne -makkers. - -Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van -haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan -dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor -altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering -met hare vrijheid zou moeten betalen. - -Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook -andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als -hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en -bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd. - -Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder -misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en -meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens, -hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van -onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in -de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde -zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare -tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en -hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht. - -Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van -den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe -vol schonk, dien ledigde en weder verder ging. - -Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met -hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling. - -In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf, -wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die -overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij -hem lastig viel. - -Zij zwoer hem te beminnen, hem alleen toe te behooren. Het was hem -onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte -voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder -eenige waarde, ja zelfs lastig. - -Alcibiades zeide tot Theodota: - -„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van -tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet -niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der -vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen -door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die -van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie -niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen, -Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en -hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en -verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest -ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!” - -Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans. -Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw, -overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet -zich door den overmoedigen jongeling mishandelen... - -Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de -vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken -jongeling liggen. - -Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige -„zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot -deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder -hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij -Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde -haar weg. - -Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij -dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten -verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet -binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij -uitging zijn vriend aan den drempel vond. - -„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij. - -„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,” -antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben, -dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet -noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men -noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is -mij dit weder twijfelachtig geworden...” - -Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de -Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne -afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte. - -Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het -volgende aan Aspasia: - -„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw -beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies -dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest. -Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij -het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere -sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates -rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te -vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar -onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen -gedrongen. - -„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en -gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de -vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden, -die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke -wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans -tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft -steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is. -Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten, -die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden -drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen. -Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk -zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in -den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en -taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze -dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden -plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine -kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch -ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of -ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand -uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden. - -„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet -heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers -onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige -voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder -verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet -heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot -elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms -stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren -steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat -iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en -verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij -tegenover eene betooverende vrouw stond. - -„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein -nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398] -van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en -van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van -Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne -wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen -middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij -inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op -deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de -vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen -toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en -vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik -weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man -als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo -dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had -ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld -waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de -muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien -de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op -avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp -ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons -ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man -zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog -wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan -hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En -evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden -moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote -moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de -hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te -vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in -het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of, -wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de -bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen. -Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam -gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de -dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat -zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren. - -„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou -kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te -houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge -menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den -krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over -menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet -zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is -geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden -opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen -zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets -dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten -openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de -partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht -wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht -naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten; -bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend -zijn, als eene wereld zonder liefde. - -„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik -ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in -alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend -Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb. - -„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en -schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het -zonder Alcibiades maakt.”— - -Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger, -gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand -van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend -Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten -konden Athene alleen ter zee hulp verleenen. - -Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus -overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen -onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de -lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De -geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten -en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen -woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen. -Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige -tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad -uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en -op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van -Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had -voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard. -Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme -rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen, -zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en -hare onmiddellijke omgeving te bewaken. - -Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van -honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers -zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De -Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en -tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun -vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden -prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over -den Isthmus. - -Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot -aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de -Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden. - -Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een -klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken. -Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige -afrekening met de gehate stad. - -Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom -hooggewenscht. - -De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun -sluimer en sloegen de vleugels uit. - -Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang -beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten -uitvoer te brengen. - -Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op -aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze -ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn -huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost -zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias -van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene -Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve -toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied -jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den -dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin -zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het -verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een -geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich -opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft, -ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij, -had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet -opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der -Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en -weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te -eigenen. - -Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van -Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En -zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed -voorbereiden akker. - -De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd -op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen. - -De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide, -het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd -op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet. - -Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte, -waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende -de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed -onder het volk uit te breiden. - -Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval -der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer -vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang -gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad -achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren. -Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het -getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders -stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij -immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de -volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan -ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk -uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van -dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen. - -Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men -beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de -Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun -uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een -lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en -die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten -verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op -Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op -de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur -te kunnen heerschen. - -Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening -waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den -voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte -te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij -het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen. - -Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!” -riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede -tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn -leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en -nog heden zal hij in Athene zijn!” - -Pamphilus werd bleek van gramschap. - -„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de -tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!” - -Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer -ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht -op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde -dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets -uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest -uitstellen. - -Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de -vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard! -Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles -is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben -volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen! -Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!” - -„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den -schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter -wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”— - -Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen -van Pamphilus en ijlde weg. - -„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die -vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil -water over hunne hoofden uitgestort!” - -Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner -verbittering. - -Hij klaagde hem zijn nood. - -„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en -duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga -slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!” - - - - - - - -XXIII. - -HET DIONYSUS-FEEST. - - -Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen -uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle -echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te -waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de -groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont -zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de -kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den -Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente. -Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen -en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen -getooid. - -De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los, -richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven -ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der -verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten -tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der -Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn -gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van -den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de -straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en -Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn -er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken -ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom -biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een -gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en -hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen. - -Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een -wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in -hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is -waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel -scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des -Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een -Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van -dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd. - -Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in -Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste, -verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van -Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het -getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende -steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en -uitgelatenste feest der Atheners. - -He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke, -dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige -goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde -gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een -vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die -haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden -troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende, -overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende -aapjes. - -Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne -winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den -Ilissus. - -Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen -de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche -fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te -doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk -Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken, -waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht -staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al -zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt. - -Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is -ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en -dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen, -die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen -wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de -maat geslagen wordt bij het gezang. - -Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met -wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van -boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde -maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen: -hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus, -ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten, -Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho -[400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs -schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien. - -Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de -Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog -altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd -groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus -dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld. - -Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den -God in deze dagen en nachten beschouwd. - -En de God, hij rechtvaardigt in dien tijd zijn bijnaam van den -„Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit -hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd. -Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de -vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten, -dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der -feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde -doodskop verborgen is. - -De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den -hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die -wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën -den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt. - -Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu -hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich -vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig -rumoer. - -Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het -Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van -Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt -het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God, -dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de -hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude, -houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft -geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude, -eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van -Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den -Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor -een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor -den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is -Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap. - -Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers -te plengen of offerdieren te slachten. - -De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen -fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij -niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de -dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de -straten. - -De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid -te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd -van zijn gezelschap. - -„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook -reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te -razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed -geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien -van de stad der Atheners!” - -Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle -Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen. - -Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en -voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de -huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die -muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden -verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich -bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep -Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard. - -Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige -hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en -dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne -Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus. - -Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene -luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen. - -Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer -bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag -zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk -was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd -van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene -jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin -onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in -overdreven taal begon te roemen. - -Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl -zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart -schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en -uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te -verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich -een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm -gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het -Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten. -Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van -haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem -zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en -jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië -naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste -schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne -moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die -heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische, -hoofdige kind afstand doen. - -Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig -tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig -voorkomen. - -„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en -pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals -ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet -geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer -die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in -alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat -verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders -zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de -vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan -die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig -viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En -nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne -beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen? -Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer -prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het! -Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!” - -Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden. -Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig, -trouweloos, misdadig, meedoogenloos. - -„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve -ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is -gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik -moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude, -kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen -zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en -vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een -bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze -Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw -worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een -heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder -als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals -de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich -bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude -vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet -doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?” - -Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota -slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen -antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan -de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek. - -„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die -heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik -niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen -Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer -vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar -omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige -banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug -te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik -verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!” - -Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden -jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te -zullen voldoen. - -„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds -verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”— - -„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota. - -„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der -hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden -paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld -voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat -ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!” - -Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen. - -Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’ -dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden -en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij -door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de -onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en -over alle landen werd voortgedreven. - -In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het -geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en -meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij -voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene -uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept. - -Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de -ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden -gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene -wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der -vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen, -toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs -een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende -natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige. - -Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden -verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen -bedekten zich met een licht schuim. - -Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne -vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de -onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen. - -Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met -matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge -namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen -verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus -meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog -strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht; -verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het -meisje storten.— - -Theodota was krankzinnig geworden.— - -Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in -onsamenhangende, onzinnige taal. - -Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering -aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw -aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op, -waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in -haar maalstroom voortsleurde. - -Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus -plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene -gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen -tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd, -waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij -de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een -feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht. - -Dit geschiedde juist nu weder. - -Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van -de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide -van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en -op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van -toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk -gezicht opleverden. - -Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode -kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden. - -Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in -purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen -droegen. - -Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een -masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige, -bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar -jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de -symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die -den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde. - -Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op -het hoofd droegen en op gouden lieren speelden. - -Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van -Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig -gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij -hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn -gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was -een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken -nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom -versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig, -dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende. - -Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke -Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop -of struikwinde [407] bekranst. - -Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers -bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig -Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het -aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den -geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den -zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den -wijnstroom in bekers opvingen. - -Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld, -gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin -fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten -lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en -in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en -Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich -trachten te redden. - -Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den -optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder -jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst -van Dionysus gewijd. - -Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde -personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den -feeststoet potsierlijk nabootsten. - -Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische -Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus, -waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar -bewoog. - -Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder -getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de -aandacht tot zich trok. - -In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele, -die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars, -apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus -overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden, -alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom -te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te -verkondigen. - -De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld, -door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het -hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de -Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook -met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en -den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als -razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking -pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den -Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg -hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor -geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs -gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen -van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en -onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen. - -De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke -dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel -te schieten. - -Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een -somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige -Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten -dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades, -wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was, -stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en -kwakzalvers ter zijde. - -Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten -en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te -werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en -gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel -omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd -zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het -Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de -zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich -tot bloedens toe. - -Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en -predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God -Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God -welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de -zelfverminking. - -Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen -bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar -der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden -dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken. - -„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van -zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der -Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem -niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!” - -Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige -jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig -aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem -in den naburigen afgrond, het Barathron.— - -Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de -leerlingen van Aspasia. - -Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet -volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij -waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen? - -Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in -schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede -voortgetrokken door de onbeteugelde reien. - -De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de -Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak. - -Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare -speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst -prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot -vermetelheid. - -Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers -onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te -volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare -speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met -geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren. - -Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong -zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit. - -Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming -gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het -meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende -schemering met geweld weg te voeren. - -Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij -vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had -gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in -het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep -zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den -vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker -in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte -Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te -ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers -verdwenen. - -Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het -huis van Aspasia bereikt had. - -Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de -pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen. - -Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en -Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja -beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam -een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de -Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel -weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn -doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten -bestormd werd, niet beantwoorden. - -„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr -daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest -afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen; -mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af! -Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!” - -Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne -krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar -huis terug. - -Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit -oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen -bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich -neder en verzonk in diepe gepeinzen. - -Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen -eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het -luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan -wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar -vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen -indruk, zich van zijne ziel meester maakte. - -Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen -naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich. -Eensklaps stond Aspasia voor hem. - -Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem -eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem -aldus minzaam aan: - -„Hoe komt het, Manes, dat gij de genoegens van uwen leeftijd zoolang -versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om -van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te -genieten?” - -Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets. - -„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia. -„Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere -menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles -verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen -zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?” - -Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn -zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een -dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde. - -Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te -onderzoeken. - -Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst -ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij -waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen -eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking. - -De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch -had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs -over zich. - -Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een -geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde. - -Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden! -Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes -immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten -aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en -waren deze pogingen niet altijd mislukt?— - -Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t -eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed -lachen.— - -Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die -gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders -niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden -aangegrepen. - -Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen -jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de -vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken. - -Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en -verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de -woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar -Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar -in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis -teruggekeerd, het peristylium doorging. - -Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam -en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich. - -Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was -teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie -zij was uitgegaan. - -Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als -Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de -bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de -afgeplukte bladeren der bloemen. - -Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat -oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van -het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der -Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het -bijna den lachlust opwekte. - -Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan: - -„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat -gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever -weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet -gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche -bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.” - -Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die -eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was -dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken -blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende, -scheen te liggen. - -„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een -hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind, -en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar -uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora? -Spreek!” - -Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische -meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar -gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte -getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem -begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers. - -„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe -opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij -mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een -antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht. - -„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij. - -Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken. - -„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde -Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van -uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare -macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der -ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem. -Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het -geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle -menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun -bestaan verheugen? - -„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en -gelukkig zijn?” - -Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op -aarzelenden toon: - -„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!” - -„Zonderling kind!” riep Pericles. - -Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare -maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen. - -En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die -zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele -karakters kon wekken. - -Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en -voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad -plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende -gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend -van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind -had. - -Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van -vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en -vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde -zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan -de machtige hoede der goden. - -Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van -een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij -het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren. - -Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t -peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het -hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte -de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras -geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen -jongeling. - -En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne -bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van -den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid -op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij -Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad. - -„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof -dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke -toespraak!” - -Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid -opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte. - -Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een -afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende -ranken was aangebracht. - -Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar -het zijne met het Arcadische meisje. - -Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig: - -„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om -het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!” - -„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?” -vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin -hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen -beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij, -ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.” - -„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles. - -„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij -met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan -afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.” - -„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles. - -„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia: -„liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het -geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin. -Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een -in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten -zijn!” - -„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het -mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan -nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des -harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte -opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog -altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te -verwinnen?” - -„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!” - -„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,” -vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat -zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst -verdooft?” - -„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de -hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs -geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste -kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.” - -„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich -zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet -huiveren”—— - -„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot -der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te -verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te -vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering -en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte -wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het -voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker, -waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal -werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen -langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der -natuur”— - -Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich -gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes -en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk -onderhoud gewikkeld. - -Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras -herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en -hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld. - -Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor -de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer -in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden -bemerkt hebben. - -Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst -verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat -Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het -gezelschap van den ander gezocht had. - -’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich -mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een -gesprek met elkander. - -Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de -schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de -Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren. - -Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig, -Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt -en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak, -volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in -droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende -wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle -paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den -geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben -ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet -weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het -wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds -noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden -trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij -zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt -terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt -weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw -geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben -immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen -leven en met hen jagen op de wilde dieren?” - -„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan, -omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou -volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar -ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal -bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer -naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht -zelfs een koninkrijk.”— - -„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar -’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te -vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.” - -Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze: - -„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden -zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En -’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”— - -Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde -weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening -bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze -begon hij weder: - -„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen! -Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik -overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een -koninkrijk.”— - -Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het -geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven. -Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle -vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met -kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en -geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de -oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de -Bacchante!— - -„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen -elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t -schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel -beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden -willen brengen.” - -„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die -beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij -hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en -ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen, -hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij -durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.” - -„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene -smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene -opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door -bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en -bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij -vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der -natuur onderworpen is.” - -„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee -den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het -morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees -deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort -van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg, -als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van -liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte -was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde -groeven!” - -Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en -Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis. - -Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een -klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche -burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren -er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa. - -Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het -koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den -zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei. - -Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken. - -Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij -stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam, -met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds -vergaderde gasten. - -Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t -huis. - -Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke -Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij -verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische -herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen. -Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte. -Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te -vergeefs. - -„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als -eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de -geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als -de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne -toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige, -bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!” - -„Doe dat gerust!” zei Simaetha. - -„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen -hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen -zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik -trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf -mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen -te doen dansen!” - -„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias; -„hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!” - -Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter -niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!” - -„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk, -„al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene -weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de -ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij -geven.” - -„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden. - -„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij -wilt!” - -„Top!” riepen Callias en Demus. - -Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De -weddenschap van duizend drachmen was aangegaan. - -„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades, -„daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet -genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota -waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten -en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en -eene vrouw genomen.” - -„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen. - -„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades. - -„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia. - -„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene -vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!” - -„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van -gehoord.” - -„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in -eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend, -dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met -bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers -en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten. -Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den -nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen -wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt -de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis -der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit -gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende; -de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot -aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het -aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom -nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de -nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.” - -„En de bruid?” vroegen velen. - -„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat -echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand -heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te -houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates -getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene -vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en -wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor -losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt -men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige -gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische -strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker -meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een -ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult -ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend -dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus -huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden -willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet -langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen -strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons -met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen! -En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren, -dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk, -Aspasia?” - -„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het -sombere zijn wij bondgenooten.” - -Zoo sprak zij en liet nieuwe bekers brengen en in het mengvat schuimde -weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de -fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden -door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus. - -Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond -eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt -langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes, -de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne -stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte -den slapende uit zijne rust opgedreven. - -Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium -doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden, -door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den -spookachtigen wandelaar. - -Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die -tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de -trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der -feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te -volgen. - -„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn -blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van -den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld -deel doen nemen aan ons feest!”— - -Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het -dakterras. - -Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken -voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte. - -Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak, -langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met -gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend -in de diepte zou neerstorten. - -Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes -in slaap wandelde, toegesneld. - -Ook Pericles verscheen. - -Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit -oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te -naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!” - -Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora. - -Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat -door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den -slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene -huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen -naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak, -deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden -op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en -trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem -onder zich voelde. - -Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester -en bezwijmd zonk zij ineen. - -Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het -meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot -bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de -kaken henen vlood. - -De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen. -Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke, -opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium. - -Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter. - -„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen -getuige geweest is van dit tooneel!” - -„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia. - -„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat -ware liefde is.”— - -Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen -zeide zij: „en gij?” - -Pericles antwoordde: - -„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is -alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe -plaats aan ons in!” - -Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat. -Toen sprak zij: - -„Gij zijt geen Griek meer!” - -Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij -waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot. - -Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring -tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden. - -Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en -inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen. - -Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche, -schoone en heerlijke gebouw ineen.— - -Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een -laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van -Pericles afgewend. - -Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek, -Aspasia terug naar hare gasten. - -Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den -jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst -van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was -teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis. - -Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar -moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener -gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld -had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was; -hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had. - -En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates -dit tooneel niet had bijgewoond. - -„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer -en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest -alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans -niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de -fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene -soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der -wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken -en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige -onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte -hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem -gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder -gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge -vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij -bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige -vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en -het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke -voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te -onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede -menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het -slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te -bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog -meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas -was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar -man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds -dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren -koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op -den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen -zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had -vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de -meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij -mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had, -„ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door -eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne -vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te -trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de -Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de -pest—” - -„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens -moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in -het huis van Hipponicus.”— - -„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus. - -„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een -spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en -bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer -smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd— - -„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog -zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige -lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber -begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de -treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!” - -„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias. -„Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd -ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in -het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals -men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de -geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit -darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk -ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen -gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang -verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en -gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer -gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een -vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en -vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende -wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder -helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!” - -„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken, -tegen elkaar. - -„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste -zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het -genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der -Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school, -die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van -Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle -bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom -niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk -gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder, -Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus! -Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen, -waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een -poos laten wachten!” - -Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met -Alcibiades te verzoenen. - -Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen -Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia -op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan -kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid -der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve -vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet -onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen, -opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid -onderga.” - -„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot -koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”— - -„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers -zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?” - -In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid -stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot -onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde. - -Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon -op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de -lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes -omslingerd. - -Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte -koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar. - -„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha, -behoort de toekomst!”— - -De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de -schitterende koningin der vreugde geledigd. - -„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk -der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”— - -„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik -geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De -vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der -schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare -tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het -Parthenon!” - -Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde, -vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg -onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het -gesloten verbond met een kus bezegelen. - -Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha -gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar -gezicht verspreidde. - -Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een -plotselinge, geweldige hoofdpijn. - -Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis -te snakken. - -Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug -en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het -ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend -ijzer vielen. - -Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren. - -De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij -begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te -klagen. - -Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige -bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele -lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden. - -Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door -een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een -diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende -gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden. - -Men had Pericles geroepen. - -Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte. - -„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten. - -Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming. - -„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij. -„Kent ge haar ziekte, zeg het dan!” - -„Verwijdert u!” herhaalde Pericles. - -„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades. - -„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon. - -Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in -de vergadering. - -Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander. - -De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en -verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling. - -Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in -stilte te verwijderen. - -Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste -van allen. - -„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij -en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat -stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als -gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet -over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!” - -Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij -geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van -verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers. - -Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij, -lustige Ithyphallers?” - -„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen -verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere -machten zegevieren”— — - -„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende. -„Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!” - - - - - - - -XXIV. - -DE SATYR EN DE BACCHANTE. - - -In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde -bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed -van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in -dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den -donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber -starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend, -onheilspellend gekras deed hooren. - -Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder -die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den -uil op den gevel van het Parthenon. - -Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen -der Acropolis af, als eene doodstijding. - -En waarlijk zoo was het. - -Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers -ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het -festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de -bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias -in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester -van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte -aangetast, eenzaam den laatsten adem uit. - -In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt -van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren -kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de -woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als -werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia -verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart -der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens -het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een -boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de -hoogte der Acropolis. - -De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk -leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor: -„Op, uw tijd is gekomen!” - -En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht -gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op -Hellas!” - -Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en -de Pest. - -De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen -voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der -Bacchanten weergalmende stad der Atheners. - -Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij -vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke, -jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning. - -Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals -Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van -een daemon. - -Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der -zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote -physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der -zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te -worden. - -Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan -voor geheel Hellas. - -Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam -en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door -het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het -meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met -ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit -inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de -stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te -voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid -van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich -de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte. - -De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer -moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich -het Helleensche leven had mogen beroemen.— - -Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles -in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de -uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst, -voor verlammende bezorgdheid. - -Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten -en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen -[413]. - -Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote -verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de -keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de -tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige -hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige -suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het -geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend, -een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar -de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte -de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw, -met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier, -evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die -builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de -zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden -geesel der volken. - -Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood -bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud -en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want -menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten, -handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het -brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het -geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef -krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner -vrienden herinnerden. - -Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates -werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben, -dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden, -zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen. - -Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe. - -Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof. -Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen, -bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver -betracht. - -In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der -stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest -weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels. - -Maar toen de sterfte toenam en de besmetting, die van de kranken en de -lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en -verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd -op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den -doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond -gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in -de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met -welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en -bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis -tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie -vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw -dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone -rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en -zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de -tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels. -Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer, -den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten -had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste -lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in -ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept, -om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de -bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren -om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste, -vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders -door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het -verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon -toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.— - -In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich -zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren -gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken -afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten -spoedigste van bevrijd te zijn. - -Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den -Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst -voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat -stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd -werden. - -Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een -afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er -bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door -de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de -smeulende brandstapels. - -Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig -ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet -aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene -prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls -met de honden. - -De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora -werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich -niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast -gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open, -omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de -banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven -prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking -wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal -en onbeschaamde plundering. - -Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige -onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te -bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van -genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering. - -De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er -om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste -vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men -zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich -verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de -lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat -juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef, -vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de -straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t -ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare -verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld -zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in -de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding -wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van -menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij -eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in -de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden. -Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der -gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger -dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou -wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden -ontheffen. - -Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden -zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was -het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar -omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk -geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en -zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten -vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie -zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot -en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van -deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op, -zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting -wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen. - -Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en -zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit -den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden. - -Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de -genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de -algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste -tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook -het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit. -Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en -uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen -troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden. - -Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht -werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden, -en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns -gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen -werden. - -Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er -werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de -overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen -gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland -Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de -misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak -was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden -Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het -eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene -wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle -toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres -van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden -tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met -zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken: -’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem -aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om -zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep: -„De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de -wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere -plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en -bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke -omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het -voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij -zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den -Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij -plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest -getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een -behoedmiddel tegen de ziekte. - -Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners! - -Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde: -vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone -Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige -zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen, -waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere -wolken zou ondergaan. - -Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en -verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg -baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude, -maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde, -bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land. - -De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische -leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad: -andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven -aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij -op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot -overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand, -Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in -de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie -uit. - -Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het -dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner -afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich -Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit -de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook -Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles -uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei -harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen. - -Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf -zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het -gevaar geringer scheen. - -Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds -voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden -en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn -tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der -wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier -zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog -op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan -wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne -voeten in schuim spatten. - -Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan -den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar -gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide. -Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven -en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn -hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht -over zijn gemoed te verleenen. - -Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij -het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken -Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en -overal, waar hij kon, hulp en troost gaf. - -De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de -bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd. - -Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest, -hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de -pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van -Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien -uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de -Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste -Ithyphallers en het gapende Barathron. - -De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder -aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar -onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar -op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet -gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was -door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de -doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne -vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs -geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd -medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen -gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet -alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten, -slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van -partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer -mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder -verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze -kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld. - -Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met -Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug. -Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke -vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd -geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor -de geheime plannen der demagogen en van Diopithes. - -De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder -genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter -geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het -doodsgevaar. - -’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een -man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand -waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te -voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd. - -De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die -moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen -losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de -demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar -ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had -meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van -Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige -woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op -hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld. - -Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door -eene menigte zijner aanhangers en vrienden. - -Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der -Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de -trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan. - -Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij -zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon -toen tot het volk te spreken. - -„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een -droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen -komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange -reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd, -hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er -opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot -verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor -uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat -gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden -over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in -overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden -somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer, -konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is -bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet -verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des -doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne -straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten -gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de -toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne -asch naar alle windstreken verstrooid!” - -Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld. -Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en -verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid -te helpen. - -„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en -nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd -worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een -plaatsje zijn voor hem!” - -Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der -meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den -ongelukkige voort te sleepen. - -Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het -buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de -oorzaak daarvan. - -Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een -zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon -van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen. - -Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden -en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet. - -En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten -strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing -steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een -tweegevecht tegenover elkander. - -„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu -weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend -verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige -zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood -waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet, -waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk -heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden -heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft -gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft -naar de woorden der godloochenaars!” - -„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon, -„waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken -moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke -wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der -ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft -afgewend!” - -„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze -hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met -het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren -schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der -Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen -prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen, -hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij -zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een -oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en -vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg -over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de -pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw -bloed afgewend te worden!”— - -„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien -man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!” - -Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van -Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne -eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand -aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg. - -„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die -stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb -aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij, -Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of -gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten -glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene -nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid -beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der -wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht -en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken, -maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere -en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van -mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!” - -Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd -ongeduldig. - -Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij -zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het -dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in -Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle -anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des -vijands wilde achterlaten.” - -„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog -genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering -vergrijp ter dood wilden veroordeelen.” - -„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij -heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle -overheden te Athene geen recht kon krijgen.” - -„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd -het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden. - -„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw -gedragen!” klonk het [417]. - -Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig -vast. - -„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog -meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche -menigte op: - -„Laat Pericles los, Pamphilus!”— - -Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken -zich niet vergrijpen. - -„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden -Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw -hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel -voortwoedt over ons!”— - -Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles, -Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der -vreeselijke ziekte. - -Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans -duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het -geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen. - -Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer, -en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans -onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der -Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den -man hadden gebracht. - -Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen. - -Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles. - -In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel -rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den -ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar -loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden, -beslissenden slag te slaan, was gekomen. - -In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid -voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden -te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het -voorstel aan. - -Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat -te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou -Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben? - -Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder -het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en -raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt -de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles -heeft ontwrongen! - -Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een -grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend -Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden, -zijne bekwaamheden op te vijzelen. - -Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een -armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint -tot het volk met vuur te spreken. - -„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het -Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft -kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten. -In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch -eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik, -dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad -tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en -een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij -vogelmelk te koop hebben...” - -„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des -volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!” - -„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch -burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit -Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat -mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter -nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik -alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als -lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de -huizen naar de brandstapels sleepen.” - -Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en -hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem. - -De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan -volstrekt niet, maar vervolgde: - -„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van -ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de -Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de -rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn -burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik -zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich -door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En -toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men -eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten -beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een -door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.” - -„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de -rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets -meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk -man?” - -„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken -leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!” - -„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been -oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven. - -„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw -huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren -en uw ingewanden dooreen klutsen!” - -Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van -pestlijken. - -„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het -lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling! -Ellendigste, allerellendigste der menschen!”— - -„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het -misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als -gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen! -Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten, -opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij -dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder -aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet -missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die -eene knots [418] draagt, is daarom een held.”— - -Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar -eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden -logica. - -Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook -willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met -zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook -weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners. - -Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden -Pericles in al zijne ambten en waardigheden. - -Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich -andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich. - -Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe -besluit des volks bracht. - -„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem -gelukwenschende. - -„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen -op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij -zelven!— - -„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu -ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de -overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes -niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en -gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”— - -„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles. -„Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk -gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons -betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten -bloei ontwikkeld te zien.” - -„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam -Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene -donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt -van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van -onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere -echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het -schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór -zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!” - -Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.— - -Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte. - -Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht, -waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische -land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den -Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven -werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde. -In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij -speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de -eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den -wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men -vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon -vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen -klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels -krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene -Promachos trilde op zijn granieten voetstuk. - -In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis -hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door -eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude -gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op -gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf -meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook -dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd. - -Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande -brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en -glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde -zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër, -die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks -voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was. - -Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker -op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen. - -En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij -getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij -eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is -omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen -en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst -de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes -hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier -ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de -ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven. - -Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij -een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij -Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met -viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk -vermengd is met de walmen des doods?”— - -Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind -klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en -klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage -wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan -ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos -zweefde... - -Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem -nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond. -Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles. - -Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe -lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was! - -Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat -zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder -bewaker. - -Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen -geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte, -die hem omgaf. - -Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber -flikkerende lichten. - -Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar -tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts. - -Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen -kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam -gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met -groenende klimopranken. - -Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos -als een steenen beeld. - -Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan, -zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een -krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat. - -Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop -omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër. - -Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke -schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben -verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog -altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en -met welks verval hij zelf ook het leven verliet. - -Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de -pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij -zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de -pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den -Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door -zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd -straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke -den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien -ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen... - -Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles? - -Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche, -heerlijke herinneringen voorbij. - -Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het -vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na -manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de -schoonheid hem in banden sloeg. - -Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het -redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan -weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de -hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en -grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door -begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe -lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste -menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den -bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de -Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke -gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche -plannen en verwachtingen. - -In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne -overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte -van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en -moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld -van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den -anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in -weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde. - -Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde -wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met -zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het -leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een -voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn -diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den -geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend -vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der -ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te -hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de -macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek. - -Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles -was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het -bleeke gezicht der vrouw. - -In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de -lijkbaar van den edelste zijner zonen... - -Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens -zoo levenslustige Hellas! - -Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van -Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates -wisselden. - -Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de -gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten -lagen. - -Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden -gewisseld. - -Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de -vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de -doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.— - -Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan -of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen -gemoed. - -Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden. -Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den -nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen -kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen -streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de -straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden -slechts enkele verflauwende sterren. - -Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen, -vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates. - -Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende -Agoracritus. - -„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker -in Phidias’ werkplaats aan den denker. - -„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen -Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te -komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen, -wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste -Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar -ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb -lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te -believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van -Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite -midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze -met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet -gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare -tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik -nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en -op het ziekbed heeft geworpen.” - -Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide -zacht: - -„Hij is dood.” - -Agoracritus zweeg getroffen. - -Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander. - -„Dood?” vroeg toen Agoracritus. - -„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon. - -Wederom zwegen beiden een tijd lang. - -Eindelijk begon Agoracritus: - -„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen -Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem -in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik -naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere -soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem -gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der -vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans -op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield -had. - -„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen -waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden -iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij -herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne -gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van -groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en -marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al -alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan -en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat -moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn -wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten -laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke -beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne -Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van -den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden, -voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met -een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne -namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel -alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de -eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij -zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem -wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten -adem uit. - -„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit -eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem -omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus -voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene -losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met -onbenevelden geest heenging. - -„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe -deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want -nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het -Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had -geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft -overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de -meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat -hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker. - -„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel, -die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester -de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts -Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en -besten heen zijn gegaan!” - -Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos -peinzend naast elkander. Toen scheidden zij. - -Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door -innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij -nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken -brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken -zag Socrates ook den dollen Meno liggen. - -De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een -vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den -brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep -huilend om den brandenden hoop. - -Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de -hond op den stapel en verbrandde met zijn meester. - -Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!” -sprak hij. - -„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij -met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens -een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al -voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich -zelven bij— - -Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek -van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen -der Atheners met de open dreven afwisselden. - -Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door -de lucht scherende. - -Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere -beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan. - -’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef -staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in -dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene -geboorte, een ontwakend leven... - -Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij -betrad het huis van den hem bevrienden man. - -Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een -hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn, -hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het -aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed -voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen -werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst. - -Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen -Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om -’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even -slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt -zij weder weg. - -Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener: - -„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van -dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419] - -Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het -voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens -ontsluieren. - -De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt, -zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen. - -Zijne lippen zullen druipen van Attischen honig. Maar met de zoetste -welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen: - -Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel, -zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het -bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en -naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in -onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten— - -En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden; -zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van -een Galilaeër de wereld veroveren— - -Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der -Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der -zelfkastijding en zelfverloochening— - -Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene -hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien, -beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon. - -Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte -nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk -naar dit vaartuig. - -Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar -het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet. - -Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde. - -Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos, -voor het laatst de stad der Atheners. - -Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad -omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel, -die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde. - -Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis. - -Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte -marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde. - -Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere -licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide -Propylaeën op uit de verte. - -Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der -Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin -van den berg. - -Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der -Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans. - -En het scheen te zeggen: - -„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige -ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde. -Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de -eeuwige glans der wateren in zijne golven!” - -Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren. - -Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het -Schoone. - - - EINDE. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER. - - -DEEL I, PAGINA 24. - -Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen -Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus. - - -DEEL I, PAGINA 149. - -De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus, -Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van -die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat -niet door eene verkeerde uitspraak. - - -DEEL I, PAGINA 320. - -De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn -geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman, -om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen -komen. - - -DEEL II, PAGINA 349 EN 350. - -Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger -1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B. -v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals -hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg -geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het -jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van -Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman -in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien -Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die -het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert -in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit -tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk -verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden. - - - - - - - -AANTEEKENINGEN - - -[1] Zie Noot 3 op pag. 24. - -[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats -beteekent, van daar de markt. - -[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod -geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld, -evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van -Pan behooren. - -[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482 -v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen -en Munichia. - -[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt. - -[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas -Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der -stad) geheeten. - -[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van -de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden. - -[8] De burg van Athenen. - -[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de -jonge mannen (Epheben), droegen. - -[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona), -overeenkomende met de Romeinsche Diana. - -[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot -opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de -bonte) met muurschilderijen van Polygnotus. - -[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de -plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden. - -[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee. - -[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende. -Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer. - -[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen -bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497. -Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en -Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937. - -[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken -boven elkander. - -[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden, -bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus. - -[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die -alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest -uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het -bevel had. - -[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland, -doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke -ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele -land gebezigd. - -[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst. -Kampvechtster. - -[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden -Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders -gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door -Perseus overweldigd. - -[22] Zie noot 2 op pag. 19. - -[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen -volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote -werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de -kleine jaarlijks gevierd. - -[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000 -Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene -tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v. -C. glorierijk gestreden. - -[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit -de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het -schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op -Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond -zich daar. - -[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de -groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de -Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en -Artemis, kinderen van Zeus en Leto. - -[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters -dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het -Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het -voorhof van den burg te Athene. - -[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid -bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze -Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord -uitdrukt). - -[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en -Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen) -gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een -gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta. - -[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld -van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene -hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit -geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte. -Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus, -Conversationslexicon, in voce. - -[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats, -evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke -bouwkunst: Pteroma. - -[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido. - -[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de -muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete -dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te -weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato, -Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en -elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke -kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het -Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de -Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce. - -[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië -geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en -Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen -omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van -Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig -meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene -samenvoeging zijn der werken van tal van dichters. - -[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters, -ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij -schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere -der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als -Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd. - -[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks -500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de -natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren -Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs -en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de -stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in -beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en -vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van -ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v. -C. - -[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste -tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit -vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus -zijn gossypium en chylon. - -[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en -vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos -genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt -het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben -der Griechen und Römer S. 179. - -[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden -later ook de Romeinen wat hen zelven betrof. - -[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun -zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in -Thessalië. - -[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over -Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen -Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten, -werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510 -v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord. - -[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten. -Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een -alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de -heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen. - -[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe -nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van -Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den -eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën -af. - -[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat -schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht. - -[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de -wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij -ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een -standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de -Perzen veroverd marmer gebeiteld had. - -[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene -ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste -streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te -ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken, -ongeveer 400 v. C. - -[47] Vergelijk noot 2 pag. 33. - -[48] Zie noot 1 pag. 16. - -[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij -aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college. - -[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme -bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen -maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een -talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14. - -[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene -Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en -menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest. -Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en -enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God). - -[52] Zie noot 1 pag. 29. - -[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een -beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen, -die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten -worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus -Ephestios. - -[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die -des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden -gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus, -ook Iacchus en Liber geheeten. - -[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene -geestvervoering. - -[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan -zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den -rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und -Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk. - -[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige -nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene -stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den -Maeander bij Magnesia tot aan de kust. - -[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva) -van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot -afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome -het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta -heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus) -het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia. - -[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat -van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee -gelegen. - -[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas). - -[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van -Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren, -werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen. -Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies -aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde -echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de -zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens -nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde -verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde -oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of -schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij -door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een -vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen -naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood. -Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius -Nepos hebben zijn leven beschreven. - -[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche -zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000 -bewoners. - -[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale -Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den -Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn -zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de -Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en -verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den -Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij -Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit -gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros -door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros) -vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel, -door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld. - -[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”. - -[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch -tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was, -ongev. 1184 v. C. - -[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en -Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met -den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te -vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van -Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten -sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde -haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene -voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard -hebben. - -[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is -geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea, -die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem -voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus -ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld). - -[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden -schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1 -pag. 30. - -[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent -dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”. - -[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele -plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation -werd door mannen en vrouwen beide gedragen. - -[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten -haar, ook een mantel. - -[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der -vrouwen. - -[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld -van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook -gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel. - -[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht. - -[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene, -ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is -het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli. - -[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland), -beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische -spelen. - -[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger -vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd. - -[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden -van het Boeötisch verbond. - -[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf. - -[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin -beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals -Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die -slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en -Socrates. - -[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten -(bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10 -jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus -geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon -Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon -Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen. - -[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn -vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette -Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met -Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde -daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus -vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van -Socrates. - -[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd. - -[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te -jagen. - -[85] Het Grieksche woord beteekent spook. - -[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo” -een spook. - -[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de -vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld. -Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade. - -[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond -uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet -bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door -pantoffel. - -[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is -Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C. -Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is -beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van -elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars -bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides -stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro -begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen -bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides. - -[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van -Athene zitting had. - -[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis -voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk -pottebakkersmarkt. - -[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van -Sophocles: Oedipus Coloneüs. - -[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene -de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die -afwisselend voorzaten) spijzigden. - -[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in -Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de -zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden. - -[95] Maaltijd, drinkgelag. - -[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal. - -[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd -van opening, waaruit de wijn geschept werd. - -[98] Een wateremmer of kruik. - -[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den -Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen. - -[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust -van de Peloponnesus. - -[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de -bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel -hebbende „de Acharners”. - -[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke -liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke -liefde. - -[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene, -tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne -zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te -worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van -oorlogsschepen werden gebezigd. - -[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van -het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra -geheeten. - -[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den -priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer. - -[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand -aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche -aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer -talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt. - -[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van -een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen. - -[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij -komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het -noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van -iedere misdaad. - -[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene -een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens -echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd. - -[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front. - -[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn -attribuut was de geweldige drietand. - -[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van -Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en -reizigers. Ook is hij de bode der Goden. - -[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij -maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta -gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de -zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar -hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het -vermaarde Labyrinth op Creta. - -[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan. - -[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam, -tegenover het eiland Salamis. - -[116] Priesterheerschappij. - -[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel. -Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette -Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de -gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als -tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490 -onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij -talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen -bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door -Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele -dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben -overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de -stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen -ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners -voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot, -hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”, -„de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie -bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en -„de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”. - -[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te -zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de -lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het -algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze -verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend -zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de -Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is -de Ionische bouworde. - -[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een -werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat, -versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het -rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden. - -[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner -Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en -Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256. - -[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische -dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem -zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68 -gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er -zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te -Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde -hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij -terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd -ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens -den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij -op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift. -Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit -gestorven. - -[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op -Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te -Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een -dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben -opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat -die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet. -Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon -harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische -strophe genoemd. - -[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido. - -[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60. - -[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken -Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die -Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van -Ariadne. - -[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met -gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van -Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid. - -[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend. - -[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen. - -[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en -sterke vesting. - -[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op -den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt -het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae -lumen”, het licht van geheel Griekenland. - -[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote -Atheensche treurspeldichter. - -Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v. -C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de -overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek. -Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin -hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone -werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij -het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij -Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de -bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt -hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens -drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen, -die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn -hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over -diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn -schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben -voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij -werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna -90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou -gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den -blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen. - -Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot, -hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën -en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op -den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is. - -De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der -schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink -en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk -vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk -overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de -„Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan -van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch. -Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der -oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden. - -[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen. - -[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111. - -[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig, -bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt -afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische -schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus). - -[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen -echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan -strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De -Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners. -Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald -door Herodotus, Boek VI. § 105. - -[136] Beide landstreken in de Peloponnesus. - -[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van -Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een -met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou -rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning -van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt -hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en -korenaren en scepter in de hand. - -[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de -fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische -spelen. - -[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet -duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader -genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125. - -[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides -uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In -594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij -verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden -ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog -bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door -Plutarchus. - -[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene -kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om -den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en -de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd, -die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet -thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60. - -[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton) -runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd. - -[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de -Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook -de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch -het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of -Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch. - -[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond -vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel -woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het -Noord-oosten. - -[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van -het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi -geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion). - -[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van -Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel -van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de -Godin van den echt. - -[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende; -Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt. - -[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten -vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw. - -[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging. - -[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn -broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar -Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder, -Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak -ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in -hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon -van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet -zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der -zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn -broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens -eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood -die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die -Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste. - -Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk -maal. - -[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde -schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel -bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen -bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het -loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den -discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei -wedstrijd). - -[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster -van Apollo, de Godin der jacht. - -[153] De God des huwelijks. - -[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus -genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder -Academie de school van Plato verstaat. - -[155] Eene bronnimf. - -[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat -in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen -nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan. - -[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking -in haar geheel kan lezen. - -[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk -worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” -die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de -noodzakelijkheid om te sterven. - -[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door -Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van -verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere -moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later -verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen -bekoorde en verleidde. - -[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en -Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen -veranderde. - -[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia -en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden -appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der -aarde. - -[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of -Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. -Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den -pauwenstaart. - -[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote -klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”. - -[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste. - -[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd. - -[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus. - -[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook -de onderwereld zelve. - -[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. -distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een -hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer -verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee -korte. - -[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord -Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der -overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. -De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei -en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo -(herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten -(Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat -Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46. - -[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke -samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in -Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien -stijl of melodie zweemt. - -[171] Landvoogd. - -[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad -van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. -Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven. - -[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische -koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, -zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde. - -[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische -koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte -vertaald. - -[175] De avondster. - -[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de -Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. -Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen. - -[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in -de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling. - -[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan -Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium -aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische -wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd -gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd. - -[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk. - -[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren -heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en -krachtig man is. - -[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener -priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij -bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel -eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse. - -[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus. - -[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan -onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus. - -[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest; -bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de -uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het -Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken. - -[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke -ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal -geschapen is „de bajert”. - -[186] Duisternis. - -[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij -het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne -gevesten. - -[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea -gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje -te voeren. - -[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd, -is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een -afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus, -geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene -Silenus-gestalte van een leelijk mensch. - -[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen. -Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met -een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was -de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters. - -[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen. - -[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen, -ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en -Caesariensis. - -[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de -slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het -worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp -met olie zalft, om de ledematen lenig te maken. - -[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk. - -[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de -beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar -roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten, -o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door -Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen, -zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot -leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op -dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld. - -[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede -was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus -bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den -discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het -hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling -deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet -onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is -deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.). - -[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter -Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn -grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius -bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van -den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd -deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood. - -[198] Heracles, door de Romeinen Hercules genoemd, was een der -beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros -d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend. - -[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd -beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van -Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in -de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene. - -[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de -zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin -van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een -gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en -Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van -Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door -Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te -geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van -koning Menelaüs. - -[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des -overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit, -die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus) -verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren -opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters -van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle -mogelijke zegeningen en goede gaven. - -Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener -geit Zeus voedde. - -[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het -vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot -straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan -eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever, -die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn -trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d. -beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar. - -[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig, -kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices, -de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren -van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod -uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices -onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk -haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad -en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te -zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij -zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde -van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van -die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven, -haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door -prachtige reizangen. - -[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half -April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter -eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend. - -[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters. -Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en -zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der -overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken -is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer -bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken -zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over, -waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van -hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te -Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in -hunne stad. - -[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne -Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt, -is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme. - -[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de -kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt. - -[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd -door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de -Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen -waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland. - -[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het -tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen. - -[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in -Ionië. - -[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd; -de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent. - -[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen -duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide -vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere -beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de -vrouwenhater.” - -[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium. -Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een -slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos -achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder -welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na -negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en -Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te -voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van -Philoctetes werd Ilium genomen. - -Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn -„Philoctetes.” - -[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes -hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt -degene, die in de derde rol optreedt. - -[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een -treurspel van Sophocles geheeten is. - -[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend -wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares -huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra” -geheeten. - -[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene -vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken -waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard. - -[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v. - -[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en -v.v. - -[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze -te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood -veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade. - -[221] Dionysus (Bacchus). - -[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een -tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester. - -Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het -tooneelstuk. - -[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen -schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende -zitplaatsen. - -[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin -van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules -en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar -verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale -de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op -deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia. - -[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter -en rechter daarvan. - -[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een -lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft. - -[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der -Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende. - -[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke -stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de -reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden- -of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat -Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking, -die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het -eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.” - -Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven. - -[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is -het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden -wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was. -Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en -zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de -mensch is de maat van alles. - -Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is. - -[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v. -C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door -zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden, -onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen -tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377 -te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht. -De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn -niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen -Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit -den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend -wiskundige. - -[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C. -gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners. -Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat -„Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen -uitdrukkende. - -[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten. - -[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog -gewaardeerd. - -[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden -Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia). - -[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes, -schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk -te verstaan. - -[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van -Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord -voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het -algemeen: een zegezang, een loflied. - -[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer -president van de tafel; we meenden dat woord het best door -ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die -van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid -genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke -symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best -voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk -een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door -muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden. - -[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije -Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van -Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de -prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook -verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd -zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het -prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.” - -[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn -vaderland genoemd. - -[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een -vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder -in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen, -dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten -gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch -bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden. - -[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had, -als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij -den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes. - -[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de -onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op -kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen, -om tooverij en dergelijke zaken af te weren. - -[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als -beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop -reukoffers gebrand werden. - -[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop -men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin -dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot -half November. - -[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor -verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een -donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het -schimmenrijk”. - -[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig -zilveren drachmen, ongeveer f9,—. - -[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op -symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied. - -[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in -888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk -gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne -wetten in de „Rhetra” vervat. - -[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water -vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was -gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van -onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig. - -[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van -Bias, een der zeven wijzen van Griekenland. - -[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam. - -[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school, -welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene -stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde -Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling -was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is; -dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen -slechts voor de gedachte aanwezig zijn. - -[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche -Mars. - -[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes -voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe -door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe -door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee -korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten -bestaat hij uit drie voeten. - -Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat -„trimeters” hier gelijk met „verzen”. - -[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van -Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene -geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides, -wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de -schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen -verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven -door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht -werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne -laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes, -die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C. - -[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en -Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op -Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort -Achilles, de zoon van Peleus en Thetis. - -[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het -bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland. - -[258] Slagorde. - -[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen, -waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in -horizontale, de laatste in boogvormige richting. - -[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een -krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood -gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk -schip geslingerd werd. - -[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt -overeen met ons „enterhaken”. - -[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd. - -[263] De Godin der gezondheid (Hygieia). - -[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter. - -[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd. - -[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als -vereerende titel voor den dappere en onversaagde. - -[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als -de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar -is, of iets dergelijks. - -[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of -feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en -uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145. - -[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de -Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de -verwijfde Aziaten gedragen werd. - -[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640 -v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij -verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging -is. - -[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in -Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne -ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der -Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van -stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in -Beneden Italië. - -[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de -eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos, -Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene. - -[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls -als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op -den Olympus. - -[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de -personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook -geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea -geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar -lieveling de jongeling Attis. - -[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de -voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel -voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels. - -[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het -algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij -blaast. - -[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn -verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij -had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen. - -[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.) - -[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee, -vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame, -geheeten. - -[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop -hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een -wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te -Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de -volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters, -zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover -vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch -deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo -daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg -moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden. -Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor -haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien, -naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk -liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die -sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal -rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard -behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar -tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den -benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner -pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche -ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den -geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas, -Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de -boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde. - -[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels. - -[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den -kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee -dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan, -beteekenende: kalme, diepe rust. - -[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros; -voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin. - -[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar -Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het -door haar gestichte Cartago. - -[285] Zie noot 2 pag. 259. - -[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en -wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald. - -[287] Metalen bekkens. - -[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van -Cybele in gebruik. - -[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde, -aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den -grond te houden en zoo dood te drukken. - -[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij -waren vijftig in getal. - -[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis, -de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de -God der genees- en heelkunde vereerd. - -[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag -gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun -zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen). - -[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der -eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het -eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op -hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te -Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al -schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren -gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de -„Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling -schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte -(zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete -veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had, -dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde -niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens -Aristophanes leefde. - -[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten. - -[295] Goddelijke, onsterfelijke. - -[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de -Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn -betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de -zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard. - -[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de -Bacchanten. - -[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en -historie voorgesteld. - -[299] Clytaemnestra, de echtgenoote van Agamemnon, hevig op hem -verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia, -vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae -was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon” -behandeld. - -[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van -Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze -terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden -met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra -gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit -bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de -liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde -ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad -dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen -het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem -tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een -brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien -aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij -onder de onsterfelijke Goden opgenomen. - -[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard). - -[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen -met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te -Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia. - -[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt -heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder. - -[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de -Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd, -verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus -komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.) - -[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene -legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te -Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in -het veld moest brengen. - -[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste -stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs. - -[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen -waren wederom in demen, districten, gesplitst. - -[308] De Godin der overwinning. - -[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de -bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van -Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken -dan ook Iris noemden. - -[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens. - -[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus -vervaardigde schild van Zeus. - -[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder -zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde -aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon. -Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene -koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken -en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en -ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina. - -[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van -aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend; -doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz. - -[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de -toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming -betreft. - -[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94. - -[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij -wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”. - -[317] De maan. - -[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel -Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63. - -[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van -Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren -kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van -Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de -gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde. -Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik -geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten, -òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die -onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood -gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de -heerschappij. - -[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd, -ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en -burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en -instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook -Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid. - -[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie -geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan -op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of -sesamis. - -[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië, -tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen. - -[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch -cinnabaris of cinnabari geheeten. - -[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de -vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia -de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet -Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een -stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste. - -[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een -everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar -verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar -mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en -over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden -in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door -vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin -zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot -Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig -opgevat. - -[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus -(Moréa) gelegen. - -[327] De Peloponnesus. - -[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van -Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte. - -[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene -rivier in de onderwereld. - -[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in -zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een -scheuren. Hij werd door Theseus gedood. - -[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van -Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles -verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus, -Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices -wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk -behandeld. - -[332] Bij Homerus alzoo genoemd. - -[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van -Mycenae en Menelaüs van Sparta. - -[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles -beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd, -omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den -priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten -teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch -door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan -hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn -boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den -strijd. - -[335] „Pan”. - -[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”. - -[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje. - -[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit -verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende -pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of -Pans-fluit. - -[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken, -Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera -met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara, -dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op -last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem -zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en -klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg -in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd. - -[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg -Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en -de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders -teruggegeven. - -[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het -meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord -daarvoor, gebezigd had. - -[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in -Thessalië. - -[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf. - -[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen -van het meer Copaïs. - -[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W. -van het meer Copaïs. - -[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs -als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en -overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar -hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking: -trotsch, pedant zijn. - -[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de -kamprechters bij de Olympische spelen. - -[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral -worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus, -Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden -en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden -de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd. - -[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige -Palermo. - -[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong -(370 v. C.) - -[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche -stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den -Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad -van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai -(Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden. - -[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in -Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië -beschouwd. - -[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de -Peloponnesus. - -[354] Alle Grieken. - -[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den -Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en -Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden -strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit. - -[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten, -ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met -een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de -renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan. - -[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen, -de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8. - -[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus -als handhaver en beschermer van den eed. - -[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204. - -[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63. - -[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de -mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier -verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard -geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën -hadden verworven, heetten epopten, opzieners. - -[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee. - -[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst -en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de -geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153. - -[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral -echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus. - -[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de -oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”. -Vergelijk Cic. Verr. 4. 59. - -[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der -Gorgonen; zie de volgende noot. - -[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van -voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht, -naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met -de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon -gedood. - -[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in -de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter -van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks -onderlijf uit bassende honden bestond. - -[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms -asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met -knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is -bitter en scherp; de wortel saprijk. - -[370] Stinkende, verpestende. - -[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had; -hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was -voortgebracht door Typhon en Echidna. - -[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades -(Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar -echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd -als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten. - -[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid -van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent. - -[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô, -brandende vuurstroom. - -[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier -telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage -onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen, -die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig -ronddraaiend rad werd gebonden. - -[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in -hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan -hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen, -waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch -telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar -uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik. - -[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van -Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken -op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried -hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde -straf in de onderwereld veroordeeld. - -[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van -Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in -den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen -Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot -bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld. - -[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van -Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf. - -[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche -velden. - -[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259. - -[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op -Cyprus, bijzonder werd vereerd. - -[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171. - -[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op -Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena -zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden, -volgens Vosmaer’s vertolking, aldus: - - „Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe - Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen. - Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.” - -[385] In het Grieksch: Simaitha. - -[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens -Pericles geheeten, geschonken. - -[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is -bovengenoemd adjectief gevormd. - -[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde, -volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor -Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan -Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde -Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd -veranderd. (Fzons Acilius). - -De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt: -Galateia. - -[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels -als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand -om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel -nagebootst werd. - -[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien -eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het -zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit -acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste -acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later -werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt. - -[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland -Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene -nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van -Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig -beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over. - -[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste -rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld. - -[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter -de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden. - -[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten. - -[395] Alleenheerschappij. - -[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische -eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs -bevolkt; thans Korfu geheeten. - -[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië -inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod -Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo -werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij, -zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd -Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd, -dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij -zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de -doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den -Ondergoden gewijd. - -[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515. - -[399] De dronkenschap, roes. - -[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182. - -[401] De verleiding, begoocheling. - -[402] De overmoed, uitgelatenheid. - -[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest, -de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van -Januari en de eerste van Februari, gevierd werd. - -[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende -mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de -dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en -met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de -pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt -is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op -Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend -terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op -onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het -huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door -de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door -Bacchanten en rijdende op een panther. - -[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is -dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748. - -[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te -zijner eer (ook wel van andere Goden). - -[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene -Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet -hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn -welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop -dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten. - -[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook -wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden -gevonden. - -[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder -Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd. - -[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk -huis naar den bruidegom voert. - -[411] De volksregeering. - -[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische -vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid” -drukt het nog niet voldoende uit. - -[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de -overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest -is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56. - -[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de -onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux. -Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de -oevers van den Acheron verwijlen. - -[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs -koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele. -Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele -voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de -lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der -natuur in den winter en haar ontwaken in de lente. - -[416] Het raadhuis (bouleuterion). - -[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel -van het hier vermelde ontleend is. - -[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en -de noot. - -[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld. - -*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ASPASIA *** - -Updated editions will replace the previous one--the old editions will -be renamed. - -Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright -law means that no one owns a United States copyright in these works, -so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the -United States without permission and without paying copyright -royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part -of this license, apply to copying and distributing Project -Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm -concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, -and may not be used if you charge for an eBook, except by following -the terms of the trademark license, including paying royalties for use -of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for -copies of this eBook, complying with the trademark license is very -easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation -of derivative works, reports, performances and research. Project -Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may -do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected -by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark -license, especially commercial redistribution. - -START: FULL LICENSE - -THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE -PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK - -To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free -distribution of electronic works, by using or distributing this work -(or any other work associated in any way with the phrase "Project -Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full -Project Gutenberg-tm License available with this file or online at -www.gutenberg.org/license. - -Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project -Gutenberg-tm electronic works - -1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm -electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to -and accept all the terms of this license and intellectual property -(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all -the terms of this agreement, you must cease using and return or -destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your -possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a -Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound -by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the -person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph -1.E.8. - -1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be -used on or associated in any way with an electronic work by people who -agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few -things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works -even without complying with the full terms of this agreement. See -paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project -Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this -agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm -electronic works. See paragraph 1.E below. - -1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the -Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection -of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual -works in the collection are in the public domain in the United -States. If an individual work is unprotected by copyright law in the -United States and you are located in the United States, we do not -claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, -displaying or creating derivative works based on the work as long as -all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope -that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting -free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm -works in compliance with the terms of this agreement for keeping the -Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily -comply with the terms of this agreement by keeping this work in the -same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when -you share it without charge with others. - -1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern -what you can do with this work. Copyright laws in most countries are -in a constant state of change. If you are outside the United States, -check the laws of your country in addition to the terms of this -agreement before downloading, copying, displaying, performing, -distributing or creating derivative works based on this work or any -other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no -representations concerning the copyright status of any work in any -country other than the United States. - -1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: - -1.E.1. The following sentence, with active links to, or other -immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear -prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work -on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the -phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, -performed, viewed, copied or distributed: - - This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and - most other parts of the world at no cost and with almost no - restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it - under the terms of the Project Gutenberg License included with this - eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the - United States, you will have to check the laws of the country where - you are located before using this eBook. - -1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is -derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not -contain a notice indicating that it is posted with permission of the -copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in -the United States without paying any fees or charges. If you are -redistributing or providing access to a work with the phrase "Project -Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply -either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or -obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm -trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted -with the permission of the copyright holder, your use and distribution -must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any -additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms -will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works -posted with the permission of the copyright holder found at the -beginning of this work. - -1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm -License terms from this work, or any files containing a part of this -work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. - -1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this -electronic work, or any part of this electronic work, without -prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with -active links or immediate access to the full terms of the Project -Gutenberg-tm License. - -1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, -compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including -any word processing or hypertext form. However, if you provide access -to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format -other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official -version posted on the official Project Gutenberg-tm website -(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense -to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means -of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain -Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the -full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. - -1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, -performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works -unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. - -1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing -access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works -provided that: - -* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from - the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method - you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed - to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has - agreed to donate royalties under this paragraph to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid - within 60 days following each date on which you prepare (or are - legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty - payments should be clearly marked as such and sent to the Project - Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in - Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg - Literary Archive Foundation." - -* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies - you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he - does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm - License. You must require such a user to return or destroy all - copies of the works possessed in a physical medium and discontinue - all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm - works. - -* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of - any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the - electronic work is discovered and reported to you within 90 days of - receipt of the work. - -* You comply with all other terms of this agreement for free - distribution of Project Gutenberg-tm works. - -1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project -Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than -are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing -from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of -the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set -forth in Section 3 below. - -1.F. - -1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable -effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread -works not protected by U.S. copyright law in creating the Project -Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm -electronic works, and the medium on which they may be stored, may -contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate -or corrupt data, transcription errors, a copyright or other -intellectual property infringement, a defective or damaged disk or -other medium, a computer virus, or computer codes that damage or -cannot be read by your equipment. - -1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right -of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project -Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project -Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all -liability to you for damages, costs and expenses, including legal -fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT -LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE -PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE -TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE -LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR -INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH -DAMAGE. - -1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a -defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can -receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a -written explanation to the person you received the work from. If you -received the work on a physical medium, you must return the medium -with your written explanation. The person or entity that provided you -with the defective work may elect to provide a replacement copy in -lieu of a refund. If you received the work electronically, the person -or entity providing it to you may choose to give you a second -opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If -the second copy is also defective, you may demand a refund in writing -without further opportunities to fix the problem. - -1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth -in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO -OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT -LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. - -1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied -warranties or the exclusion or limitation of certain types of -damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement -violates the law of the state applicable to this agreement, the -agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or -limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or -unenforceability of any provision of this agreement shall not void the -remaining provisions. - -1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the -trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone -providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in -accordance with this agreement, and any volunteers associated with the -production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm -electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, -including legal fees, that arise directly or indirectly from any of -the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this -or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or -additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any -Defect you cause. - -Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm - -Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of -electronic works in formats readable by the widest variety of -computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It -exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations -from people in all walks of life. - -Volunteers and financial support to provide volunteers with the -assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's -goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will -remain freely available for generations to come. In 2001, the Project -Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure -and permanent future for Project Gutenberg-tm and future -generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see -Sections 3 and 4 and the Foundation information page at -www.gutenberg.org - -Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation - -The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit -501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the -state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal -Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification -number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by -U.S. federal laws and your state's laws. - -The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, -Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up -to date contact information can be found at the Foundation's website -and official page at www.gutenberg.org/contact - -Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg -Literary Archive Foundation - -Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without -widespread public support and donations to carry out its mission of -increasing the number of public domain and licensed works that can be -freely distributed in machine-readable form accessible by the widest -array of equipment including outdated equipment. Many small donations -($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt -status with the IRS. - -The Foundation is committed to complying with the laws regulating -charities and charitable donations in all 50 states of the United -States. Compliance requirements are not uniform and it takes a -considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up -with these requirements. We do not solicit donations in locations -where we have not received written confirmation of compliance. To SEND -DONATIONS or determine the status of compliance for any particular -state visit www.gutenberg.org/donate - -While we cannot and do not solicit contributions from states where we -have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition -against accepting unsolicited donations from donors in such states who -approach us with offers to donate. - -International donations are gratefully accepted, but we cannot make -any statements concerning tax treatment of donations received from -outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. - -Please check the Project Gutenberg web pages for current donation -methods and addresses. Donations are accepted in a number of other -ways including checks, online payments and credit card donations. To -donate, please visit: www.gutenberg.org/donate - -Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works - -Professor Michael S. Hart was the originator of the Project -Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be -freely shared with anyone. For forty years, he produced and -distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of -volunteer support. - -Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed -editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in -the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not -necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper -edition. - -Most people start at our website which has the main PG search -facility: www.gutenberg.org - -This website includes information about Project Gutenberg-tm, -including how to make donations to the Project Gutenberg Literary -Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to -subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
