diff options
| author | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-04-19 14:21:03 -0700 |
|---|---|---|
| committer | nfenwick <nfenwick@pglaf.org> | 2025-04-19 14:21:03 -0700 |
| commit | 55bdffac61fe612d815f5e92199342f45840a71c (patch) | |
| tree | f93c91ae0f394eb0f17b72fde054f39800db345d /75911-0.txt | |
Diffstat (limited to '75911-0.txt')
| -rw-r--r-- | 75911-0.txt | 9578 |
1 files changed, 9578 insertions, 0 deletions
diff --git a/75911-0.txt b/75911-0.txt new file mode 100644 index 0000000..404b5d6 --- /dev/null +++ b/75911-0.txt @@ -0,0 +1,9578 @@ + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75911 *** + + + + + + MOEDER EN KIND + ZWANGERSCHAP BEVALLING EN + VERZORGING VAN ZUIGELINGEN + + VIERDE VEEL VERMEERDERDE DRUK + VAN „DE AANSTAANDE MOEDER” + + + DOOR + DR. C. N. VAN DE POLL + VERLOSKUNDIGE EN VROUWENARTS TE AMSTERDAM + + + AMSTERDAM + SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL + K. GROESBEEK EN PAUL NIJHOFF + + + + + + + + + AAN MARIANNE ELISABETH UIT DANKBAARHEID + VOOR LIEFDE EN TOEWIJDING, ALS VROUW EN MOEDER. + + + + + + + + +VOORBERICHT + + +VOOR DEN EERSTEN DRUK. + +Het kind, als product van het mannelijke en het vrouwelijke, is, zooals +onze schoone moedertaal zoo juist uitdrukt, onzijdig, d.w.z. dat noch +het mannelijke noch het vrouwelijke in den aanvang op den voorgrond +treedt, al moge de bouw van het lichaam in velerlei opzicht reeds +aanwijzen, waartoe het komen zal. + +Het kind is, pasgeboren, tot zekere hoogte nog maar natuurlijk, niet +geestelijk, ontwikkeld, al brengt het den geest mede als mogelijkheid +tot ontwikkeling daarvan. Het pasgeboren kind is dus mensch in aanleg +en zal zich tot mensch te ontwikkelen hebben, door ontwikkeling van den +geest tot begrip. + +Zoo verhoudt het pasgeboren kind zich als een menschelijk dier, dat +slechts gedeeltelijk voor zichzelf zorgen kan en hulp behoeft van haar, +die het ter wereld bracht. Ofschoon hieruit volgt, dat moeder en vader +hebben acht te geven ook op de ontwikkeling van den geest van hun kind, +en vooral in dàt opzicht eene groote en grootsche taak haar wacht, die +moeder worden zal, heeft zij, om te beginnen, te bedenken, dat het +kind, waarvan zij de moeder zijn zal, ontsproten uit haar lichaam, +allereerst den aard zal hebben van haar natuurlijk leven, zoodat—in ’t +algemeen gesproken—alleen de gezonde moeder een gezond kind kan ter +wereld brengen, de gezonde moeder de meeste waarborgen geeft voor een +gezond nageslacht. + +Reeds vóór de vrouw moeder wordt heeft zij dus zorgen en is, met het +oog daarop, eenige kennis van de wijze waarop in haar binnenste het +kind wordt aangelegd en van de plaats waar de vrucht zich tot kind +ontwikkelt, niet overbodig te achten, opdat zij kunne begrijpen, waarom +zij, mede ter wille van haar kind, voor zichzelve heeft zorg te dragen. + + + +De plichten van den aanstaanden vader zijn evenmin gering. Het kind, +ontsproten uit vereeniging van man en vrouw, is, natuurlijk en +geestelijk, herhaling en voortzetting van het voorafgegane of +voorafgaande geslacht en zal dus vertoonen, wat men onder erfelijkheid +verstaat. Beide factoren zijn in het product begrepen, en is dus te +begrijpen, dat het kind van man en vrouw niet afwijkt van, doch gelijkt +op beiden, zoodat ook de vader, vóór hij zich zoo zal kunnen noemen, +heeft te bedenken hoe, en heeft zorg te dragen dat hij, met recht, zal +zijn een goed vader, natuurlijk en geestelijk. De voorafgegane +opmerking dient dus uitgebreid te worden tot: slechts gezonde ouders +kunnen waarborgen geven voor een gezond nageslacht. + +Dit geschrift wil trachten de aanstaande moeder eenigermate in te +lichten en raad te geven met betrekking tot velerlei uit den tijd +waarin, en omtrent datgene waarvoor, zij in „blijde verwachting” leeft. + + + +VOOR DEN TWEEDEN DRUK. + +Toen de uitgevers mij verzochten voor een tweeden druk van „De +aanstaande moeder” te willen zorg dragen, voldeed ik daaraan met +genoegen. Ik heb daarbij rekening gehouden met een ander verzoek, +uitgegaan van talrijke vrouwen, om haar, als de gelegenheid zich +voordeed, iets meer omtrent den zuigeling te vertellen. Dit laatste was +niet gemakkelijk, doch ik heb mijn best gedaan. In hoeverre ik geslaagd +ben, mogen zij, die mij tot nu toe van hare waardeering zoo ruimschoots +blijk gaven, beoordeelen. + + + +VOOR DEN DERDEN DRUK. + +Met vreugde vernam ik van de uitgevers, dat de tweede druk reeds binnen +twee jaren was uitverkocht. Voor dezen derden druk heb ik een uitvoerig +register vervaardigd, dat, naar ik verwacht, de bruikbaarheid van het +boek zal verhoogen. + + + Dr. C. N. van de Poll. + + + + + + + + +INHOUD + + + Bladz. +Bevruchting 1 +Zwangerschap en enkele zwangerschapsverschijnselen 13 +Andere zwangerschapsverschijnselen, onaangenaamhedenen kwalen 23 +Leefregelen voor de zwangerschap 36 +Meervoudige zwangerschap 55 +Miskraam 59 +De kraamkamer en de benoodigdheden voor de bevalling 64 +Voorbereiding voor de bevalling 70 +De bevalling of baring 76 +Het kraambed 93 +Het kind 102 +Eenige opmerkingen met betrekking tot het zoogen en de voeding + van een zuigeling 128 +Allerlei opmerkingen met betrekking tot het kind 180 +Het een en ander omtrent bijgeloof, volksgewoonten, enz. bij + zwangerschap, baring en in het kraambed 203 +Aanhangsel I 251 +Aanhangsel II (Enkele recepten) 279 +Register 283 + + + +AFBEELDINGEN. Tegenover bladz. + +Tweelingen bijna 4 maanden oud, meisje (zittend) 2¾ jaar oud + Tegenover den titel. +Voorstelling van de inwendige geslachtsorganen der vrouw, + van de voorzijde gezien 16 +Zwangerschapsstrepen en donkergekleurde lijn bij eene zwangere + vrouw 32 +Ligging van het kind in den buik der zwangere vrouw aan het einde + der zwangerschap 48 +Ligging van tweelingen in den buik der zwangere vrouw aan het + einde der zwangerschap 64 +Tweelingen 8 maanden oud 176 + + + + + + + + +BEVRUCHTING. + + +Het kind ontstaat ten gevolge eener vereeniging van man en vrouw, uit +samensmelting van het mannelijke en het vrouwelijke, van ei-cel en +zaad-cel, tengevolge van bevruchting. Want bevruchting is +samensmelting, éénworden van ei-cel en zaad-cel. Ei-cellen of eieren en +zaad-cellen of zaaddiertjes noemt men geslachts-cellen. + +Om eenigermate tot begrip te brengen wat daaronder te verstaan is, gaan +wij in gedachte een oogenblik terug tot de eenvoudigste dieren die +bekend zijn, tot die welke slechts bestaan uit een, alleen door het +mikroskoop zichtbaar, klompje eiwit, waarin nog een kleiner klompje, +dat men „kern” noemt, is waar te nemen. Dat eiwitklompje, met +ingesloten kern, noemt men een cel en een diertje, dat slechts uit één +cel bestaat, een één-cellig dier. + +De vermenigvuldiging van zulk een diertje, zijn voortplanting, +geschiedt aldus, dat de kern en het eiwit, dat er omheen ligt, zich +deelen, zoodat er twee zulke klompjes eiwit ontstaan, ieder van een +kern voorzien. + +Elke nieuw ontstane cel deelt zich, op dezelfde wijze, weder in twee +cellen, zoodat, door voortgezette deeling, een groot aantal cellen, een +groot aantal één-cellige diertjes ontstaat. Dat gaat evenwel niet +eindeloos zoo door. Er komt een einde aan die vermenigvuldiging door +deeling en de diersoort zou te gronde gaan, indien er niet, na eenigen +tijd, iets anders gebeurde, waardoor een cel weder het vermogen krijgt, +om zich, door voortgezette deeling, te vermenigvuldigen. Dat andere +noemt men bevruchting. + +Door het mikroskoop het leven van die één-cellige diertjes gadeslaande, +kan men waarnemen hoe er een oogenblik komt, waarop twee zulke diertjes +elkander naderen, zóó dicht, dat zij elkander aanraken en ten slotte +samensmelten, zich vereenigen tot één eiwitklompje met één kern, tot +één cel. Als dat geschied is, heeft bevruchting plaats gevonden en +begint de deeling van het dier, nu moederdier te noemen, opnieuw, in +twee, vier, acht, enz. deelen, die, als dochter-cellen, als op zichzelf +levende één-cellige dieren, de soort in stand houden, tot na eenigen +tijd opnieuw de behoefte aan vereeniging, aan bevruchting, optreedt. + +Als zulk een cel, dus als een eiwitklompje met een kern, heeft men zich +het ei, waaruit de hoogere dieren, ook de mensch, zich ontwikkelen, +voor te stellen. En evenals de één-cellige diertjes ontstaan door +deeling van de ééne, de moeder-cel, ontstaat de mensch door deeling van +de ei-cel. Daarbij valt evenwel het volgende op te merken. + +De dochter-cellen, door de deeling ontstaan, leiden bij de één-cellige +dieren een afzonderlijk leven. Bij de hoogere dieren en bij den mensch +is dat niet het geval. Het lichaam van den mensch bestaat uit een +ontelbaar aantal cellen, die, oorspronkelijk door deeling der ei-cel +ontstaan, met elkander vereenigd blijven en te zamen het menschelijke +lichaam vormen. + +Daarom rekent men het menschelijke lichaam tot de veel-cellige +organismen. + +Men zou nu kunnen meenen, dat uit de vereeniging van twee cellen, +onverschillig welke, van een veel-cellig organisme, evenals bij de +één-cellige dieren, één nieuwe cel zou kunnen ontstaan, waaruit een +nieuwe reeks van cellen, een nieuw individu, zich kan ontwikkelen. Dat +gebeurt echter niet. Wel is waar zijn er organismen, bestaande uit +koloniën van cellen, waarvan, na een bepaalden levensduur, alle cellen +geslachts-cellen worden, doch waar de ontwikkeling van een organisme +tot hoogeren graad gekomen is, houdt dat op. In hooger ontwikkelde +organismen, zooals de hooger ontwikkelde planten en dieren, scheidt de +ontelbare hoeveelheid cellen van het lichaam zich in twee groepen, +namelijk in cellen die tot den bouw van weefsels en organen van plant +of dier dienen, en in cellen die tot bevruchting bestemd zijn, tot +geslachts-cellen. Dat is dan ook de reden, waarom, met de vereeniging +van twee geslachts-cellen, met de bevruchting dus, het hooger +ontwikkelde dier niet als zoodanig verdwijnt, doch behouden blijft; het +zondert alleen de geslachts-cellen af om zich te vermenigvuldigen, tot +het eindelijk, door verbruik van zijne lichaams-cellen of door een +andere oorzaak, ten onder gaat. + +Zooals nu bij de één-cellige dieren eene samensmelting van twee cellen +noodig is om een nieuw, volledig individu te voorschijn te brengen, zoo +moeten ook de geslachts-cellen van den mensch samensmelten om het +ontstaan van een nieuw individu, dat uit bij de deeling ontstane cellen +wordt opgebouwd, mogelijk te maken. Die samensmelting heeft op ongeveer +dezelfde wijze plaats als wij voor de één-cellige diertjes beschreven. + +De vrouwelijke geslachts-cellen, de eieren, ontwikkelen zich, door +cel-deeling, in grooten getale, in de eierstokken, de mannelijke +geslachts-cellen, ook door cel-deeling, in nog grooteren getale, +eveneens in daartoe aangelegde organen. + +De eierstokken der vrouw liggen in het onderste gedeelte der buikholte. +De ei-cellen, welke zich daarin ontwikkelen, kunnen zich niet uit +zichzelf bewegen, zoodat van een samenkomen met de mannelijke +geslachts-cellen al heel weinig zou terecht komen, indien niet aan deze +laatsten eene beweegkracht was toebedeeld, waardoor in dat gemis +voorzien wordt. Deze hebben eigen beweging, waardoor zij, in het +lichaam der vrouw gebracht, zich met groote snelheid voortbewegende, +door daartoe aanwezige kanalen, het ei te gemoet gaan, om, bij de +ontmoeting, er mede saam te smelten. Op dien langen weg, lang in +verhouding tot de kleinheid der zoogenaamde zaad-cellen, zal er menige +cel niet tot het doel geraken, doch daarin wordt voorzien door het +groote aantal dat tegelijkertijd in het vrouwelijke lichaam gebracht +wordt. Daardoor is het mogelijk, dat ten slotte toch één dier cellen +het ei ontmoet en tot de noodzakelijke samensmelting overgaat. Eén dier +cellen, omdat met duidelijkheid is aangetoond, dat slechts één zaad-cel +in het ei binnendringt, waarna aan het ei oogenblikkelijk zulk eene +verandering plaats grijpt, dat het binnendringen van andere zaad-cellen +belet wordt. + +Nadat de zaad-cel het ei is binnengedrongen en de samensmelting +zoodanig heeft plaats gevonden, dat beiden tot één cel met één kern +vereenigd zijn, is de bevruchting afgeloopen, is het ei bevrucht +geworden. Van stonde aan begint het bevruchte ei zich te deelen in een +steeds grooter wordend aantal cellen, die, vereenigd blijvende, ten +slotte, na allerlei groepeeringen en veranderingen, een nieuw individu, +de vrucht of het kind, vormen. Van het oogenblik der samensmelting af +begint dus de aanleg van het kind, en, daar beide cellen levende cellen +waren, kan men van de eerste deeling af spreken van eene levende +vrucht, zij het ook dat die vrucht, als vrucht in aanleg, nog in geen +enkel opzicht gelijkt op die, welke bij de geboorte als eene +menschelijke vrucht te voorschijn komt. + +Voor de ontwikkeling van de bevruchte ei-cel tot ontwikkelde vrucht is +tijd noodig en die tijd is de tijd der zwangerschap. Voortdurend heeft +in dien tijd nieuwvorming van cellen plaats, die, door rangschikking +volgens vaste wetten, het lichaam, met al zijne weefsels en organen, +opbouwen. + +Die nieuwvorming, die rangschikking, dat opbouwen uit teedere cellen +heeft plaats in een gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat, geborgen +in de buikholte, in zijn binnenste de zich ontwikkelende vrucht +herbergt, tot den tijd dat zij, tot volkomen ontwikkeling gekomen, +buiten het moederlijke lichaam een betrekkelijk onafhankelijk leven kan +beginnen. + +Dat gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat orgaan, noemt men de +baarmoeder, die, door eene kleine opening, welke zoowel ingangs- als +uitgangsopening is, door middel van de scheede met de lichaamsopening +in de uitwendige geslachtsdeelen der vrouw in verbinding staat. Langs +dien weg, door scheede en ingangsopening der baarmoeder, den +baarmoedermond, bewegen zich de zaad-cellen in de richting der +buikholte, om het te bevruchten ei te ontmoeten. Langs dien weg ook +wordt de ontwikkelde vrucht uitgedreven, om voor het eerst het licht +der wereld te aanschouwen. + +Het is duidelijk dat de cellen, welke zich uit de bevruchte ei-cel +ontwikkelen, dit slechts kunnen doen wanneer daarvoor voldoende +voedingsstoffen aanwezig zijn. Die voedingsstoffen vindt het ei niet in +zichzelf, daartoe is het te klein. Het is immers nauwelijks met het +bloote oog waar te nemen. De noodige voedingsstoffen nu vindt het +eveneens in de baarmoeder. + +Alvorens te bespreken hoe dat geschiedt, behooren wij na te gaan hoe +het eitje in de baarmoeder komt, waarbij tegelijkertijd kan worden +medegedeeld, waar en wanneer de bevruchting plaats vindt. + +Zooals wij reeds zeiden, worden de eieren in de eierstokken gevormd. +Deze—er zijn er twee—liggen in de onmiddellijke nabijheid van de +baarmoeder, in het onderste gedeelte der buikholte. Van het bovenste +gedeelte der baarmoeder gaat, beiderzijds, een zeer nauwe buis uit, die +tot vlak aan den eierstok nadert en daar eene kleine trechtervormige +opening heeft, welke, door eenige franjevormige strookjes omkranst, het +ei, dat uit den eierstok losraakt, opneemt. Ofschoon het ei geen eigen +beweging heeft, bereikt het toch door een dier buizen of kanalen de +holte der baarmoeder, en wel doordien er eene strooming bestaat in een +laagje vocht, dat de binnenvlakte der buizen, der eileiders, bedekt. +Die vloeistofstrooming is gericht naar de baarmoederholte en zij +beweegt het kleine eitje naar de baarmoeder, waar het tot verdere +ontwikkeling zal komen. Ergens op dien weg van eierstok tot +baarmoederholte ontmoeten ei en zaad-cel elkander, welke laatste zich +tot zóó ver, door de baarmoeder heen, heeft voortbewogen. Op dien weg +heeft dus de bevruchting plaats. + +Ter beantwoording van de vraag, wanneer de bevruchting geschiedt, +hebben wij na te gaan hoe en wanneer een eitje uit den eierstok +losraakt. + +Het is bekend, dat het gewoonlijk niet eerder tot bevruchting en +zwangerschap komt, voor het meisje zekeren leeftijd en zekeren graad +van ontwikkeling bereikt heeft, voor zij geslachtsrijp is. Die +ontwikkeling maakt zich, behalve door eenige opvallende veranderingen +in den lichaamsbouw, vooral kenbaar door het optreden der maandstonden +(onwelzijn, regels, menstruatie, periode), hetgeen dan ook als +uiterlijk kenteeken van bereikte ontwikkeling wordt opgevat, waaraan, +onzichtbaar, het rijpworden en het uitstooten der eieren uit den +eierstok beantwoordt. + +Aan het losraken van het ei gaat eene zwelling van den eierstok vooraf, +maar vooral van dat gedeelte waar een eitje, gereed tot uitstooting, +gelegen is. Bij toenemende spanning, ten gevolge dier zwelling, +ontstaat daar ter plaatse een scheurtje aan de oppervlakte van den +eierstok, en het eitje wordt, met eene geringe hoeveelheid vocht, +uitgestooten en vindt zijn weg, door vloeistofstrooming, naar den +eileider. Dan is de gelegenheid tot bevruchting gegeven en deze zal +geschieden, wanneer levende zaad-cellen van den man aanwezig zijn. Dat +zal menigmaal het geval zijn, omdat, na gemeenschap tusschen man en +vrouw, de zaad-cellen, door baarmoeder en eileiders heen, zich reeds in +de richting van den eierstok bewogen hebben en gewoonlijk lang genoeg +in leven blijven om de uitstooting van een eitje, als die nog niet +mocht hebben plaats gevonden, af te wachten. + +Is het tijdsverschil tusschen de gemeenschap en de uitstooting van het +eitje al te groot, dan zullen de zaad-cellen kunnen sterven of aan +levenskracht hebben ingeboet, en zal het eitje onbevrucht blijven. Zoo +niet, dan zal de bevruchting weldra zijn tot stand gekomen. + +Reeds tegen den tijd dat een eitje uit den eierstok zal worden +gestooten is het slijmvlies, dat de binnenvlakte van de baarmoeder +bekleedt, gezwollen en bloedrijker geworden, als maakte het zich gereed +het bevruchte eitje in ontvangst te nemen. Heeft bevruchting plaats +gevonden, dan nemen zwelling en bloedrijkdom toe; is bevruchting echter +uitgebleven, dan gaat het eitje te gronde en zwelling en bloedrijkheid +van het slijmvlies verdwijnen, doordat daaruit bloeding optreedt en het +bloed zich naar buiten ontlast. De menstruatie treedt in. De +menstruatie kan dus worden opgevat als een teeken, dat een eitje, +hetwelk te voren uit den eierstok ontsnapt is, niet is bevrucht +geworden, waaruit volgt, dat bevruchting voor den tijd, waarop de +menstruatie verwacht wordt, plaats grijpt. + +Als van zelf dringt zich hierbij de vraag aan ons op, wanneer het den +geschiktsten tijd is voor de gemeenschap tusschen man en vrouw, om de +kans te hebben dat een eitje bevrucht wordt. Om die vraag te +beantwoorden moeten wij nog mededeelen, dat er niet alleen in de +eileiders een vochtlaagje aanwezig is, dat, door eene bijzondere +inrichting, eene strooming heeft naar de baarmoederholte toe, doch dat +hetzelfde het geval is in de baarmoeder, met dien verstande, dat de +strooming in de baarmoeder gericht is naar de opening, welke, in het +onderste gedeelte van dat orgaan aanwezig, zich in de scheede bevindt. +Wanneer wij nu bedenken dat die strooming aan de zaad-cellen, die zich +juist in tegenovergestelde richting moeten bewegen, moeilijkheden in +den weg legt, dat zij—om het zoo te noemen—tegen den stroom op moeten +gaan, dan ligt het voor de hand om aan te nemen, dat, na het ophouden +der menstruatie, waarbij het slijmvlies der baarmoeder geleden heeft, +die vloeistofstrooming niet zoo sterk is, als dat later het geval zal +zijn, wanneer het slijmvlies weder hersteld is, en dus de belemmering +voor de voortbeweging der zaad-cellen tegen den stroom op het geringst +is. Dat aannemende zal de gemeenschap tusschen man en vrouw voor het +beoogde doel de meeste kans op welslagen hebben, eenige dagen nadat de +menstruatie is afgeloopen. En al is er dan ook geen eitje aanwezig dat +bevrucht kan worden, de zaad-cellen hebben genoegzaam langen +levensduur, om den tijd af te wachten tot er een eitje uit den eierstok +losraakt. Daar is aangetoond, dat de zaad-cellen wel twee weken lang in +het lichaam der vrouw kunnen blijven leven, zou dus de geschiktste tijd +ongeveer een zevental dagen na het ophouden der menstruatie beginnen. + +Men kent de oorzaken voor het ontstaan van het geslacht nog niet, +waaruit volgt, dat men ook niet in staat is daarop eenigen invloed uit +te oefenen. Alles wat daaromtrent wel eens gezegd of geschreven en, met +het oog op het verlangen naar een jongen of een meisje, te doen of te +laten aangeraden wordt, heeft derhalve niet de minste beteekenis. Ook +gedurende de zwangerschap is niet met zekerheid uit te maken, welk +geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, heeft. Eenig vermoeden +kan wel opkomen naar aanleiding van de meer of minder snelle +opeenvolging van de hartkloppingen der vrucht. + +Is het bevruchte eitje in de baarmoeder aangekomen, dan vindt het daar +een zacht, gezwollen, bloedrijk slijmvlies, dat uiterst geschikt is om +het in ontvangst te nemen. Dat geschiedt dan ook. Het vindt er, als een +zaadje in vruchtbare aarde, een geschikten bodem ter ontwikkeling, en, +doordien zich weldra bloedvaatjes aan zijne oppervlakte vormen, welke +in gemeenschap treden met die van het slijmvlies der baarmoeder, dus +met de moederlijke bloedvaten, kan het eitje daaruit de voedingsstoffen +verkrijgen welke het noodig heeft, terwijl het tevens beschut is door +zijne ligging in een orgaan, dat van de buitenwereld gescheiden is. In +de baarmoeder dus, gelegen in het voedselverschaffende binnenbekleedsel +van het moederlijke orgaan, zal het eitje zich zoo lang en zoo ver +ontwikkelen, tot het, tot volkomen vrucht gerijpt, dien voedingsbodem +kan ontberen en wordt uitgedreven. Zoo is het moederlijke orgaan in +zekeren zin te vergelijken met den vruchtbaren akker, waarin het zaad +zich ontwikkelt tot een gewas. + +Niet overbodig schijnt het mij toe, te trachten begrijpelijk te +schetsen, waar de inwendige geslachtsdeelen der vrouw in haar lichaam +gelegen zijn. + +Denkt men zich de vrouw op den rug liggend, dan kan men bij de normaal +ontwikkelde vrouw de groote schaamlippen zien, tegen elkander gelegen, +als twee met gewone huid bekleedde en van haren voorziene kussens, +welke naar boven samenkomen en overgaan in den, eveneens behaarden, +Venusheuvel, en naar onderen, naar de aarsopening vlakker wordende, in +de omgeving en in den bilnaad overgaan. Tusschen deze beide +schaamlippen loopt, in overlangsche richting, de schaamspleet, welke +naar onderen toe door den bilnaad van de aarsopening gescheiden is. +Door de beide schaamlippen van elkander te trekken opent zich de +schaamspleet en worden twee, gewoonlijk rose-rood gekleurde, gladde +plooien, de kleine schaamlippen, zichtbaar. Worden ook deze +uiteengehouden, dan worden, dieper inliggend, twee openingen zichtbaar. +De onderste daarvan is de, van het maagdevlies voorziene, ingang der +scheede; de bovenste, in eene verdikking verscholen als een +halvemaanvormig spleetje, is de uitgangsopening van den urine-weg. Het +maagdevlies sluit, min of meer volkomen, de opening der scheede af, +doch bezit toch altijd eene opening, somtijds twee of in enkele +gevallen meer, waardoor het menstruatie-bloed kan wegvloeien. Het is +deze als een vliezig tusschenschotje zich voordoende afsluiting, welke +bij de eerste geslachtsgemeenschap gewoonlijk scheurt en waaraan Cats +de regelen wijdde: „Een die haar maechdom vindt, die is haar maechdom +kwijt.” + +De scheedeingang geeft toegang tot de scheede, een buisvormig kanaal, +ter lengte van ongeveer 8 à 10 c.M., welks wanden tegen elkander +liggen. Dat kanaal eindigt in de diepte als een blinde zak en omgeeft +daar het onderste gedeelte der baarmoeder, dat door den ingebrachten +vinger te voelen is als een in de scheede uitpuilend, dik en tamelijk +breed bultje, met een deukje of groefje juist in het midden. Dat deukje +of groefje is de opening, welke toegang geeft tot de holte der +baarmoeder. + +De baarmoeder, welke een zoo belangrijke rol speelt in het leven der +vrucht, heeft den vorm van een in de richting van voren naar achteren +eenigszins saamgedrukte peer, waarin, als holte, zich een kanaal +bevindt, dat in de lengte van het orgaan loopend, in het bovengedeelte +daarvan eenigermate naar links en rechts wijder wordt, zoodat de +doorsnede van de holte op een gelijkbeenigen driehoek gelijkt, waarvan +de tophoek naar de scheede gericht is. In elk der beide andere hoeken, +dus het verst van de ingangsopening verwijderd, is eveneens eene +opening aanwezig, welke openingen toegang verleenen tot de eileiders. +Het orgaan is voorzien van een dikken stevigen wand, welke geheel uit +spierweefsel bestaat, en dus op te vatten als een gespierden zak, met +eene zeer kleine holte, ter lengte van ongeveer 7 c.M. + +De eileiders gaan van terzijde uit, naar links en rechts, en reiken tot +aan de eierstokken. + +De plaats waar de baarmoeder gelegen is, kan men zich ongeveer aldus +voorstellen. Wanneer men, bij de staande vrouw, van uit het midden van +den Venusheuvel zich eene rechte lijn getrokken denkt midden door het +lichaam, eenigszins oploopend naar de lendenstreek, dan zal die lijn +den bodem van de baarmoeder juist raken of misschien er doorheen gaan. +Zij ligt dus diep in de buikholte, in het gedeelte dat men aanduidt met +den naam van bekkenholte, terwijl zij met eene kromming naar voren op +de urine-blaas rust, en boven haar de overige ingewanden van den buik, +de darmen en—het hoogst gelegen—de maag, zich bevinden. Denkt men zich +de maag gelegen boven den navel, in de streek van den hart- of +maagkuil, onder het onderste gedeelte van het borstbeen, dan is het van +belang te vermelden, dat boven de maag, dwars door het lichaam heen, +bij wijze van een koepeldak, een scherm, het middenrif genaamd, zich +uitspant, dat de buikholte scheidt van de boven het scherm gelegen +borstholte, waarin de longen en het hart geborgen zijn. Bovendien is +het van belang te weten, dat de maag eveneens is op te vatten als een +zakvormig orgaan, dus als een hol orgaan met een wand. Later, in een +hoofdstuk gewijd aan verkeerde opvattingen omtrent gebeurlijkheden +gedurende de zwangerschap, zal blijken hoe groote waarde er aan gehecht +moet worden, dat iedere vrouw zich, althans eenigermate, eene +voorstelling kan maken van de ligging der genoemde organen in eigen +lichaam. + +De streek van het lichaam waar de inwendige geslachtsdeelen gelegen +zijn, is omgeven door een beenigen ring, welke bedekt wordt door de +huid, een laag vet en spieren. De ring wordt gevormd door verschillende +beenderen. Aan de achterzijde vindt men het heiligbeen en het +stuitbeen. Daaraan sluiten zich beiderzijds de heupbeenderen aan, welke +naar voren toe overgaan in de al smaller wordende schaambeenderen, die +juist in het midden, aan de voorzijde, bedekt door den Venusheuvel, tot +vereeniging komen. Te zamen vormen zij, zooals gezegd, een ring, welke +men den bekkengordel of het bekken noemt. + +Boven het heiligbeen bevindt zich de beenige ruggestreng, ter zijde en +iets naar achteren zijn, in het heupbeen, door middel van een gewricht, +het heupgewricht, de dijbeenderen ingeplant. Het bekken, boven wijder +dan beneden, rust bij het zitten op de zitbeenderen. Aan de buitenzijde +wordt het omgeven door spieren, vetweefsel en huid. Vooral aan de +achtervlakte zijn de spieren, die de billen vormen en zich voortzetten +op de dijen, sterk ontwikkeld. In het bekken liggen de +geslachts-organen, rustende op lagen van spieren en vetweefsel, door +zachte doch stevige weefsellagen met de binnenvlakte van den beenigen +ring verbonden. Door dat harde bekken, in- en uitwendig met zachte +weefsels bekleed, zal het kind, als de zwangerschap haar einde bereikt +heeft, door de kracht der weeën worden heengedreven, om het levenslicht +te aanschouwen. Hoe dat geschiedt kunnen wij hier niet beschrijven, +omdat wij daarvoor te veel in bijzonderheden zouden moeten treden, +welke eene uitgebreide studie vereischen. + + + + + + + + +ZWANGERSCHAP EN ENKELE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN. + + +Met spanning wordt de geboorte van het kind tegemoet gezien en +uitgerekend, wanneer die heuglijke gebeurtenis plaats zal vinden. De +berekening gaat gewoonlijk uit van een tijdstip, dat bekend kan zijn. +Dat tijdstip is de begindag van de laatste menstruatie. Wanneer bij +dien datum zeven dagen worden opgeteld en van den aldus verkregen datum +drie maanden worden teruggeteld, verkrijgt men den vermoedelijken datum +der geboorte. Gesteld dat de begindag van de laatste menstruatie 3 +October was, dan verkrijgt men door optelling 10 October en door +terugtelling 10 Juli. De bevalling kan dus omstreeks den 10en Juli, +volgende op dien Octobermaand, tegemoet gezien worden. + +De duur der zwangerschap bedraagt vrijwel 280 dagen, dat is 10 maal 4 +weken, dus 40 weken. De verloskundigen spreken dan ook van een +zwangerschapsduur van 10 maanden, waarbij elke maand op 4 weken +gerekend wordt. In het gewone spraakgebruik stelt men dien duur op 9 +kalendermaanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neer komt. Afwijkingen +van den duur der zwangerschap zijn evenwel, zonder dat men aan iets +buitengewoons te denken heeft, niet zeldzaam. Lichamelijke gesteldheid +en bouw schijnen daarop invloed te hebben. Zoo wordt tenminste beweerd, +dat de duur bij krachtige vrouwen 278,6 dagen zou bedragen tegenover +276,8 bij zwakkere, alsook dat veel rust gedurende de zwangerschap den +duur zou verlengen. Hierdoor zou misschien verklaard kunnen worden, dat +de duur bij gehuwde vrouwen berekend wordt op 282,4 dagen en bij +ongehuwden op 278,2 dagen. Daarop zullen wij niet verder ingaan, doch +alleen vermelden, dat vergissingen, tot 3 weken toe, nauwelijks te +vermijden zijn. De berekening zou eenige meerdere zekerheid verkrijgen, +wanneer men weten kon, wanneer de bevruchting tot stand komt, doch uit +het vroeger gemelde omtrent de bevruchting blijkt duidelijk, dat zelfs +wanneer slechts eenmaal geslachtelijke gemeenschap heeft plaats +gevonden, de berekening geen zuivere wezen kan. Inderdaad zijn +dergelijke berekeningen, gegrond op den datum waarop eenmaal +gemeenschap had plaats gehad, gemaakt geworden en kwam men op een duur +van 268,2–269,9 dagen. Intusschen kan men uit al dergelijke +berekeningen geen ander dan een gemiddeld cijfer trekken, dat voor elke +vrouw afzonderlijk niet de minste beteekenis heeft. Wanneer wij dan nog +vermelden, dat men als kortsten duur der zwangerschap vermeld vindt 236 +dagen en als langsten duur 334 dagen, dan meenen wij goed te doen, met +vast te houden aan de in den aanvang vermelde wijze van berekening. + +Het blijkt dus van belang, dat iedere vrouw aanteekening houde van den +begindag der menstruaties. De meeste kans op eene goede berekening zal +zij hebben, wier menstruaties steeds met geregelde tusschenpoozen op +elkander volgen. Is reeds daarom het houden van aanteekening van +gewicht, nog meer is dat het geval, wanneer wij weten, dat—in het +algemeen genomen—onregelmatigheid der tusschenpoozen, alsook in den +duur der bloedige uitscheiding en in de hoeveelheid daarvan, eene +afwijking beteekent, welke niet altijd van de geslachtsorganen behoeft +uit te gaan, en waartoe het wenschelijk is, dat de vrouw zich tot den +geneesheer wendt. + +Wanneer wij nu overgaan tot bespreking van verschijnselen, welke zich +gedurende de zwangerschap veelal voordoen of kunnen voordoen, bedenke +de aanstaande moeder, dat zij in de vermelding daarvan geen redenen tot +bezorgdheid of angst mag vinden. De meeste toch, vooral die welke +betrekking hebben op veranderingen in den vorm van het lichaam en op +verrichtingen van sommige organen, zijn natuurlijk, terwijl andere, +hoewel onaangenaam, meestal van korten duur en betrekkelijk zoo gering +zijn, dat zij met eenige wilskracht en met de verwachting op een +gelukkig einde wel te dragen zijn. En zelfs wanneer zij een zekere +grens overschrijden, bedenke men, dat de geneesheer gereed is de +klachten aan te hooren en de onaangenaamheden zooveel mogelijk weg te +nemen of te verminderen. Liever dan in een onvruchtbaar nadenken of +tobben daarover te verzinken, liever dan raad in te winnen bij +familieleden of vriendinnen, die, van hoe goede bedoeling ook, +uiteraard niet bekend zijn met wat daaraan ten grondslag ligt, wende +men zich dus tot den geneesheer, die, door studie en ervaring, gerekend +mag worden de aangewezen raadsman te zijn. + +Het uitblijven der menstruatie bij eene vrouw op geslachtsrijpen +leeftijd kan dus beschouwd worden als een teeken, dat een eitje +bevrucht geworden, dat zwangerschap ingetreden is. Mocht zij +desniettemin twijfelen, dan raadplege zij den geneesheer. Twijfel kan +ontstaan wanneer de menstruatie is uitgebleven en na eenigen tijd weder +bloed te voorschijn komt. Gebeurt dit omstreeks den tijd dat de +menstruatie, indien geen zwangerschap bestond, had moeten komen, dan +wordt veelal die bloeding als eene menstruatie gedurende de +zwangerschap opgevat en niet altijd ten onrechte. Het komt inderdaad +voor, dat na ingetreden zwangerschap nog één of een paar malen, door +regelmatige tusschenpoozen gescheiden, bloeding optreedt, doch dan zal +eene opmerkzame vrouw kunnen bespeuren, dat de duur der bloeding +meestal korter, de hoeveelheid bloed geringer is, kleur en +samenstelling afwijken van het tijdens eene gewone menstruatie +afgescheidene. Men doet dan, met het oog op de berekening voor de +bevalling, het best die bloeding, welke geheel den aard en het karakter +van de gewone menstruatie droeg, te beschouwen als de laatste +menstruatie. + +Het kan echter ook voorkomen, dat, nadat de menstruatie éénmaal is +uitgebleven, eene bloeding optreedt, welke zich niet houdt aan de +gewone tusschenpooze, doch binnen dien tijd te voorschijn komt. Dat +wordt dan gewoonlijk opgevat als de menstruatie, welke te laat komt. +Dit kan het geval zijn, doch evenzeer kan die bloeding, bij de vrouw +die werkelijk zwanger is, op eene afwijking wijzen en is het in +dergelijke gevallen een dringende eisch, den geneesheer te raadplegen. + +Twijfel kan ook ontstaan wanneer de vrouw haar kind zoogt en zij +zoogenaamd blind zwanger of blind opgezet wordt. Ook dan wende zij zich +tot den geneesheer. + +Gewoonlijk paren zich aan het verschijnsel van uitblijven der +menstruatie andere, welke de waarschijnlijkheid der zwangerschap doen +toenemen. Die verschijnselen, uitingen van wijzigingen in het +levens-proces, gaan uit van de veranderingen welke in de baarmoeder +plaats grijpen, tengevolge van de daarin zich ontwikkelende vrucht en +oefenen in mindere of meerdere mate invloed uit op den algemeenen +toestand der vrouw en op sommige verrichtingen. In den aanvang gering, +worden zij sterker, verdwijnen somtijds of wel treden andere op, +naarmate de zwangerschap voortschrijdt. Die verschijnselen noemt men, +voorzooverre zij in het begin der zwangerschap optreden en gebruikt +worden om de waarschijnlijkheid van het bestaan daarvan te +ondersteunen, onzekere zwangerschapsteekenen. Zij hebben veel geringere +waarde dan het uitblijven der menstruatie, ofschoon er vele vrouwen +zijn, die, uit ervaring gedurende vroegere zwangerschap opgedaan, +daaraan terecht waarde hechten. Daartoe kan men rekenen gevoelens van +moeheid, slaperigheid, onbehaaglijkheid, duizeligheid, wegraken, +veranderde gemoedsstemming, veranderenden eetlust, verandering in de +spijsvertering, herhaalden drang tot urineloozing, onwillekeurig +afloopen van urine, verstopping of diarrhee, het ontstaan van aambeien +(haemorrhoïden), opgezet zijn van den buik, benauwdheid, slapeloosheid, +hartkloppingen, snelle wisseling van gelaatskleur, sterke afscheiding +uit de geslachtsdeelen (zoogenaamde witte vloed), braken, hoofdpijn, +tandpijn, zwelling van de halsstreek, sterkere speekselafscheiding, het +zwellen van oppervlakkig gelegen bloedvaten (aderen) aan en zuchtige +zwelling van de beenen, enz. Deze verschijnselen treden niet altijd op, +noch komen zij tegelijkertijd of in denzelfden tijd der zwangerschap +voor, doch steeds geven zij min of meer onaangename gevoelens en +gewaarwordingen. Voor een deel worden die verschijnselen in een +afzonderlijk gedeelte van dit boek besproken. + +Tot de meest opvallende verschijnselen, reeds vroeg in de zwangerschap, +behoort het braken. Meestal geschiedt dat in den ochtend, op de +nuchtere maag, waarbij niets of slechts eene waterachtige vloeistof te +voorschijn komt. Dit is het zoogenaamde looze braken. Vaak houdt het op +als de vrouw iets nuttigt, doch niet altijd. Ook na het ontbijt en +gedurende het overige gedeelte van den dag, onregelmatig, of regelmatig +soms na elken maaltijd, kan het optreden, doch gewoonlijk wordt kort +daarna weder met smaak gegeten, zoodat de voeding er niet onder lijdt. +De tong is daarbij niet beslagen. + +Het komt vooral in de eerste zwangerschap voor, minder dikwijls in +volgende zwangerschappen en eindigt meestal als de eerste drie maanden +voorbij zijn. + +Vrij spoedig beginnen de borsten te zwellen, niet opeens doch +langzamerhand, hetgeen gepaard gaat met zekere gevoeligheid, met een +gevoel van spanning, prikkelen, steken en trekken in de borsten. +Naarmate de zwangerschap vordert nemen grootte en zwaarte der borsten +toe. Daarbij komen belangrijke verschillen voor, afhankelijk van de +hoeveelheid vet, welke de borstklier, waarin het zog gevormd wordt, +omgeeft. + +De meisjesborst, halfkogelvormig, vast en gespannen, verandert vooral +in de tweede helft der zwangerschap in die mate, dat zij meer en meer +gevuld wordt en eenigszins hangend worden kan, waarbij zij vrijwel den +oorspronkelijken vorm, met naar voren gerichten tepel, behoudt. Dat zal +dus over het algemeen het geval zijn in de eerste zwangerschap. Bij +vrouwen die reeds gebaard hebben, is de borst hangend, met lager en +meer zijdelings naar buiten gelegen tepel, terwijl zij aan de plaats +van aanhechting week en los aanvoelt. Soms zijn er knobbelachtige, +eenigszins hardere deelen in te voelen. Dat zijn de afzonderlijke +kwabjes, waaruit de klier bestaat en waarin het zog gevormd wordt. Bij +andere vrouwen weder is de borst over het geheel vaster op aanvoelen. +Ligt men zulk eene hangende borst op, dan bespeurt men daaronder vaak +een plooi van de huid, alsook een roode of open streep of vlakte, als +gevolg van druk of wrijving der huid. + +De huid van de borst is teeder en dun, zoodat, vooral in de tweede +helft der zwangerschap, uitgezette bloedvaten (aderen) als blauwachtig +gekleurde strepen daardoorheen schemeren. + +De gekleurde hof om den tepel wordt donkerder van kleur, bij blondines +van roserood tot geelachtig bruin, bij brunettes donkerbruin tot bij +het zwarte af. In dien hof, tepelhof genoemd, worden, langs den +buitenrand kringsgewijs geplaatste, kleine verhevenheden duidelijker +zicht- en voelbaar, welke somtijds eenig vocht afzonderen. De huid van +den tepelhof verkrijgt vele plooitjes. + +In het begin van de zwangerschap is dikwijls, soms van de tweede week +af, door voorzichtig drukken van de met volle hand gevatte borst, uit +den tepel eenig waterhelder vocht te voorschijn te brengen, dat in +lateren tijd troebel is, met geelachtig gekleurde strepen er in. Voor +haar die dit in den beginne als een teeken van zwangerschap meenen te +mogen opvatten verdient opgemerkt te worden, dat het alleen van waarde +mag geacht worden bij vrouwen, die nog niet zwanger waren. Datzelfde +geldt trouwens ook voor de verkleuring van den tepelhof en het grooter +worden van de kleine verhevenheden daarin, terwijl omgekeerd die +verschijnselen langen tijd kunnen ontbreken bij ingetreden +zwangerschap, vooral bij slecht gevoede vrouwen met kleine slappe +borsten. Het gebeurt ook wel, dat tegen het einde der zwangerschap van +zelf wat zog uit de borsten loopt. Dat dit kans zou opleveren voor +later, in het kraambed, optreden van ontsteking (zweer) in de borst, is +volkomen onjuist en mag dus geen reden tot ongerustheid zijn. Ook is +daaruit niets met zekerheid af te leiden omtrent de al of niet +mogelijkheid om het kind te zoogen. + +De huid van het geheele lichaam neemt veelal eene vaal gele kleur aan, +een tint van onreinheid; zomersproeten en moedervlekken worden +donkerder. Bovendien verschijnen geelachtig of bruinachtig gekleurde +vlekken in het gelaat, vooral op het voorhoofd, de oogleden, den rug +van den neus, op bovenlip en kin, te zamen het zoogenaamde +zwangerschapsmasker vormende; verder op borst en armen. Ook hierbij +komen individueele verschillen voor, zoodat het verschijnsel bij +vrouwen met lichte huidtint en lichte haarkleur, als ook bij haar die +de huid goed verplegen, zoomede in den winter, veel minder duidelijk +is. Meestal verdwijnt die verkleuring in het kraambed spoedig, om +evenwel dikwijls in eene volgende zwangerschap opnieuw te verschijnen. + +Eene zelfde verkleuring wordt waargenomen langs eene lijn, welke van +den behaarden Venusheuvel naar den navel loopt. Buiten zwangerschap +bestaat die verkleuring ook wel bij brunettes, doch dan neemt zij in de +zwangerschap sterk toe. Daarom is het voor de zwangerschap kenmerkend, +dat ook de navel door een donkergekleurden hof omgeven wordt en +daarboven de bruingetinte lijn zich voortzet. Vooral bij vrouwen met +bloedarmoede kan zij duidelijk zijn. Donkerder kleur wordt verder +waargenomen aan de uitwendige geslachtsdeelen, voornamelijk aan de +groote schaamlippen en aan den bilnaad. + +Betrekkelijk vroeg neemt de omvang der heupen toe, als gevolg van +vermeerderde vetafzetting. In den beginne is er van omvangstoename van +den buik geen sprake. Gewoonlijk wordt die eerst duidelijk als de +baarmoeder reeds vrij groot is, omstreeks het einde der vierde maand. +Naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, wordt die toename grooter en +de buikwand gerekt, waarbij op sommige plaatsen de neiging bestaat tot +sterke verdunning, vooral daar, waar de bovengenoemde donkergekleurde +lijn onder den navel loopt. Daar liggen, ter weerszijden van die lijn, +in den buikwand, overlangsloopende spieren, welke uiteenwijken, hetgeen +bij menige vrouw, na de baring, zich uit als een zoogenaamde buikbreuk. + +Bij vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, en soms ook bij haar die +meermalen baarden, is de buikwand flink gespannen, waardoor de +uitzetting van den buik, zelfs bij vergevorderde zwangerschap, niet +overmatig groot is. Zij die meermalen baarden, vertoonen echter +gewoonlijk een slappen buikwand, die gemakkelijk voor de groeiende +baarmoeder uitwijkt en zich het sterkst vertoont bij en als hangbuik. +Tusschen deze twee uitersten worden alle graden van uitzetting +waargenomen, voornamelijk naar voren toe, tengevolge van sterk +uiteenwijken der zooeven aangeduide overlangs loopende spieren. Ook +bestaat er groot verschil in dikte van den buikwand. + +Wanneer de zwangerschap tot het einde der achtste maand gevorderd is, +staat de bodem van de baarmoeder, dat is haar bovengrens, het hoogst en +is de spanning het sterkst. Vooral zij die voor de eerste maal zwanger +zijn, en een stevigen buikwand hebben, bespeuren dan die spanning, in +het bovengedeelte van den buik, als eene onaangename, vaak gepaard +gaande met pijnen. In de laatste maand neemt de spanning daar ter +plaatse merkbaar af, daar de baarmoederbodem, het hoogst gelegen +gedeelte dus, met het geheele orgaan en zijn inhoud, daalt. Dan voelt +de vrouw zich verlicht en sluiten de kleederen daar gemakkelijker dan +te voren. + +Met toenemenden omvang van den buik treden ook aan de navelgroeve +veranderingen op. Allengs wordt die groeve minder diep, bij zeer vette +buikbekleedselen vaak in den beginne juist dieper. Aan het einde van de +zwangerschap wordt de navelstreek gewoonlijk vlak en de huid van den +navel dun, zoodat deze kan uitpuilen en een navelbreuk ontstaan. + +Wanneer de buikwand zeer dun is, kunnen krachtige bewegingen van het +kind niet alleen gemakkelijk gevoeld, doch dikwijls ook duidelijk +gezien worden. + +Bij het uitzetten van den buik neemt de voor de eerste maal zwangere +vrouw soms niet zonder eenigen schrik waar, hoe er strepen, kleine en +groote, in de huid te voorschijn komen, niet alleen in den buikwand en +aldaar kringsgewijs om den navel gerangschikt of, boven de lies en naar +de zijden toe, in dezelfde richting als de liesplooi loopend, doch ook +op de voorvlakte van de dijen en op de billen. Ook op de borsten, in +eene richting van den tepel naar den omtrek loopend, worden zij +duidelijk waarneembaar. Bij sommige vrouwen vertoonen zij zich in groot +aantal, bij anderen slechts spaarzaam, nu eens vroeg, dan laat in de +zwangerschap. Soms ontbreken zij geheel en al. Pas ontstaan hebben zij +meestal eene roodachtige, blauwachtige of naar het violette zweemende +kleur. Zij verdwijnen niet meer, doch de kleur verandert later in als +atlas-glanzend wit, terwijl zij in de dwarse richting geplooid worden +en een geribd aanzien verkrijgen. Haar ontstaan hebben zij te danken +aan rekkingen in het weefsel van de dieper gelegen lagen der huid. Men +noemt ze zwangerschapsstrepen of -striemen, ofschoon zij niet +kenmerkend zijn voor zwangerschap. Overal waar sterke uitzetting van +den buik plaats vindt, b.v. ook bij groote gezwellen, komen zij voor; +eveneens bij snelle vetafzetting in de huid, ook bij mannen. + +Vet- en zweetklieren vertoonen verhoogde werking, vooral aan de +uitwendige geslachtsdeelen, in den zomer en bij donkerharige vrouwen, +gepaard met een onaangenamen geur naar kaas. Ook vetpuistjes en +roodachtige kleine puistjes die sterk jeuken, alsmede buitengewone +ontwikkeling van haren, worden dikwerf waargenomen. + +Hiermede komen wij onwillekeurig tot verschijnselen, welke in minder of +meerder mate onaangenaam zijn, ja zelfs den naam van kwalen kunnen +dragen. Omdat de grens niet altijd scherp te trekken is, behandelen wij +dat alles te zamen in het volgende gedeelte. + + + + + + + + +ANDERE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN, ONAANGENAAMHEDEN EN KWALEN. + + +Aan de beenen treedt vaak uitzetting der bloedvaten (aderen) op, welke +bij de eene vrouw van weinig beteekenis, bij anderen zeer belangrijk +zijn kan. De bloedvaten zijn over korten of langen afstand vrij +gelijkmatig uitgezet, in eigenaardig geslingerden loop, of wel zij +vertoonen, bij hoogen graad van uitzetting, knobbelige verhevenheden, +zakvormige uitpuilingen, van allerlei vorm en uitgebreidheid, +blauwachtig zwart van kleur. Dikwerf beperkt tot omschreven plaatsen, +op een of beide beenen, kunnen zij ook voorkomen aan de uitwendige +geslachtsdeelen, zelfs in de huid van den onderbuik, zeldzamer in de +lendenstreek of billen. Zij dragen den naam van aderspatten en treden +gewoonlijk niet voor de vijfde maand op. Gedurende het kraambed kunnen +zij geheel verdwijnen, ofschoon dat gewoonlijk niet het geval is en zij +in geringen graad blijven bestaan, om, met het getal der +zwangerschappen, in aantal en grootte toe te nemen. Dan worden zij +reeds vroeg in de zwangerschap duidelijk, zelfs zoo vroeg, dat sommige +vrouwen beweren aan het uitzetten van de aderen allereerst te bemerken, +dat zij weder zwanger zijn. Het verschijnsel kan vergezeld gaan van +zwelling der deelen, van jeuk, pijn en ontstekingachtige roodheid. +Wanneer pijn, die aan ontsteking doet denken, en roodheid mochten +optreden, houde de vrouw het bed en zende om den geneesheer. Men neme +zich in acht voor stooten dier plekken en voor krabben, hoe +verleidelijk dat bij hevigen jeuk ook zijn moge, omdat bij het opengaan +van zulk een bloedvat belangrijke bloeding optreden kan. Dit zal +gemakkelijk gebeuren bij zeer oppervlakkig gelegen, sterk uitpuilende +knobbels met dunnen wand. Mocht onverhoopt zoo iets geschieden, dan is +het noodzakelijk onverwijld den geneesheer te ontbieden. Onderwijl kan +men de bloeding beheerschen door een flinke dot zuivere verbandwatten, +eene reine hand- of zakdoek, stevig en voortdurend op de bloedende plek +te drukken. Wanneer alleen de huid daar ter plaatse gewond wordt, +vertoont de wond weinig neiging tot genezing. Doch zonder deze +verschrikkingen, welke betrekkelijk weinig voorkomen, kunnen de +aderspatten onaangename gevoelens genoeg geven en het gaan, door gevoel +van zwaarte en moeheid, bemoeilijken. + +Daartegen helpt liggen, of zitten met de beenen in de hoogte, het +omwikkelen met een windsel, hetzij van katoen, tricot-weefsel of +elastiek, het dragen van elastieken kousen, zonder naad. De zwangere +vermijde langen tijd achtereen te staan. Men zorge voor beweging, +regelmatige, ruime ontlasting en vermijde het dragen van kousebanden om +het been. Gunstigen invloed kan het dragen van een goeden buikband +hebben. In vele gevallen zag ik belangrijke vermindering der gevoelens +van zwaarte en moeheid, en ten gevolge daarvan gemakkelijker worden der +bewegingen in het gaan, door het gebruik van groote hoeveelheden melk. + +Minder onaangename gevoelens veroorzaakt zuchtige zwelling der beenen, +wanneer zij zich beperkt tot de voeten en de streek om de enkels. Bij +geringe ontwikkeling bemerkt de vrouw het bestaan daarvan gemakkelijk +door de indrukken van de figuren der kousen en, wanneer ook het +onderbeen mededoet, door een kringsgewijze verdikking daar waar de +schoen ophoudt. ’s Avonds het sterkst, verdwijnt de zwelling ’s nachts +bij horizontale ligging in bed. + +Ook deze zwelling wordt sterk bevorderd door het dragen van +kousebanden, vooral elastieken. + +Niet altijd blijft de zwelling beperkt tot het onderste gedeelte der +beenen. Zij kan zich uitstrekken over het geheele been, over de +uitwendige geslachtsdeelen en het onderste gedeelte van den buik, zelfs +worden waargenomen aan de handen en het gelaat. Is het in het algemeen +gewenscht den geneesheer van zulke zwellingen in kennis te stellen, +dringend noodzakelijk is het zijn raad in te winnen bij uitgebreide en +sterke zwellingen. Ook tegen de zwelling der beenen kan het noodig en +nuttig zijn een goeden buikband te dragen. + +Oprispen, vergezeld van scherpen of bitteren smaak, soms van een zuur +vocht in den mond, zooals dat in meer dan de helft der gevallen +gewoonlijk in de laatste maanden der zwangerschap voorkomt, berust +dikwijls op ondoelmatige voeding, vooral door het gebruik van +meelspijzen. In de eerste maanden kan het zich evenwel ook voordoen. +Behalve oplettendheid in de keuze van voedsel, vermijding van +overmatige voeding en goede zorg voor ontlasting, kan men trachten, +door het gebruik van zuiveringszout of magnesia, met of zonder +citroensap, telkens een halve eierlepel, of van spuitwater, het lastige +euvel te bezweren. + +Hiermede gepaard, doch ook zonder dat, bestaat vaak tegenzin tegen +bepaalde spijzen, allereerst tegen vleesch, minder tegen meelspijzen, +koffie en bier, nog minder tegen groenten, aardappelen en melk. +Daartegenover staat somtijds een vermeerderde lust tot het gebruik van +sommige spijzen, vooral met betrekking tot zure spijzen, zuur, haring +en ooft, minder vaak tot zoet, vaak tot alcoholische dranken en zelfs +tot stoffen die geen voedingsmiddelen zijn, zooals: krijt, kalk, zout, +enz., enz. Opmerkelijk is het ook, dat soms lievelingsspijzen worden +afgeweerd, terwijl juist die spijzen en dranken worden begeerd, waarvan +de vrouw in gewone omstandigheden een afkeer heeft. De zoogenaamde +lusten der zwangere vrouwen behoeft men niet, op grond van allerlei +verhalen, tegen te gaan, tenzij zij zich uitstrekken tot stoffen die +geen voedingsmiddelen zijn of tenzij de behoorlijke maat overschreden +wordt. + +In enkele gevallen komt het tot versterkte speekselafscheiding. Dat +verschijnsel begint dan, afgezien van het in enkele gevallen optreden +gedurende de eerste weken, in de derde of vierde maand, is zeer lastig +en verschillend lang van duur. Meestal eindigt het met het voelen der +eerste bewegingen van het kind, zelden duurt het tot het einde der +zwangerschap. + +In onze streken minder veelvuldig voorkomend is de zoogenaamde +zwangerschapskrop, bestaande in eene belangrijke vergrooting van eene +klier, aan de voorzijde van den hals gelegen. Toch kunnen ook onze +vrouwen wel eens eene zwelling aldaar waarnemen, meestal van de zesde +maand af, in de eerste zwangerschap dikwijls later. Van groot belang is +deze zwelling, althans hier te lande, waar de krop niet als inheemsch +te beschouwen is, niet. Zij verdwijnt gedurende het kraambed, waarbij +het al of niet zoogen geen invloed uitoefent. + +Een veelvuldig voorkomend verschijnsel, nu eens vroeg dan weder later +optredende, is herhaalde drang tot urineeren, bij weinig gevulde blaas. +Meestal is die drang overdag sterker dan ’s nachts. Somtijds is het +moeilijk, zelfs onmogelijk, de urine op te houden, zoodat die +onwillekeurig afloopt. Dat komt vooral voor bij herhaalde zwangerschap, +in de latere maanden der zwangerschap en in het koude jaargetijde, het +meest bij hoesten, lachen, bukken, het op- en afgaan van trappen en bij +sterke bewegingen. Men trachte daaraan te gemoet te komen door minder +drinken, vooral van koffie, thee en bier en door het gebruik van tot +urineeren aanzettende spijzen, zooals asperges, peterselie en +prikkelende stoffen in ’t algemeen, te vermijden. Een goed zittend +buikverband kan ook hierbij, vooral in de latere maanden der +zwangerschap, verlichting aanbrengen. + +Herhaalde drang tot urineeren vindt ook zijn oorzaak in de +omstandigheid dat de hoeveelheid urine, door zwangeren te loozen, +grooter is dan bij niet zwangeren, hetgeen zich tegen het midden der +zwangerschap pleegt voor te doen. Na de baring neemt dan de hoeveelheid +weder af. + +Over het braken, als een onzeker teeken van ingetreden zwangerschap, +spraken wij reeds met een enkel woord. Somtijds kan het zeer belangrijk +worden, zelfs zoodanig, dat de vrouwen niets meer kunnen binnenhouden +van hetgeen zij genuttigd hebben en reeds braken bij de minste +bewegingen die zij maken. Dit overmatig braken is een ernstig +verschijnsel, de voeding lijdt er sterk onder, de krachten der vrouw +raken, somtijds zeer spoedig, uitgeput. Vooral vrouwen die aan een of +anderen vorm van zoogenaamde bloedarmoede lijden hebben er neiging toe. +Dat zijn zij, die ook bij de menstruatie lijden aan duizelingen, +onmachten, misselijkheid, slechte spijsvertering, maagkrampen en braken +bij volle of ledige maag. Maagziekten kunnen de oorzaak zijn, doch ook +ondoelmatige levenswijze en voeding, darmstoornissen, verkeerde ligging +van de baarmoeder, losse nier en overprikkelde geestestoestand. +Gewoonlijk begint het in de derde maand, zelden eerst in de laatste +vier maanden. + +In den beginne slechts na den maaltijd, terwijl in den tusschentijd +misselijkheid, speekselvloed of droogte in den mond met kwellenden +dorst, duizeligheid en maagpijnen bestaan, met tegenzin in voedsel, +prikkelbaarheid of lusteloosheid en neerslachtigheid, neemt het +zoodanig toe, dat ook zonder voedselopname het braken optreedt, +vergezeld van andere verschijnselen, welke de vrouw inderdaad ziek doen +zijn. Met het oog hierop is het dus aan te raden, wanneer de gewone +misselijkheid en het looze braken sterker worden, den geneesheer te +raadplegen. Tegen de gewone misselijkheid en het braken in den vroegen +morgen is het dikwijls voldoende, dat de vrouw, vóór zij opstaat, een +gemakkelijk verteerbaar ontbijt gebruikt, en, wanneer het ook overdag +mocht plaats vinden, zich minder aan de gewone maaltijden houdt, doch +met korte tusschenpoozen geringe hoeveelheden van smakelijke en +gemakkelijk verteerbare spijzen tot zich neemt. Somtijds is het noodig +daarna eenigen tijd te rusten. Steeds trachte zij zich zooveel mogelijk +tegen dit onaangename en hinderlijke verschijnsel te verzetten, waarbij +afleiding, buitenshuis of door huiselijken arbeid, van grooten invloed +zijn kan. Zij bedenke, dat het gewoonlijk niet langer dan de eerste +drie maanden aanhoudt. Beweging in de frissche lucht, vermijding van +alle spijzen welke oprispen of tegenzin verwekken, geregelde ontlasting +en het drinken van koud, ook koolzuurhoudend, water is van gunstigen +invloed. + +Meer dan een vierde deel der zwangere vrouwen lijdt aan verstopping +(constipatie), waarvan hoofdpijnen en congesties, doch ook +haemorrhoïden en, bij harde ontlasting, scheurtjes in het slijmvlies +aan de opening, waardoor de ontlasting te voorschijn komt, het gevolg +zijn. Zelden bestaat diarrhee, welke dan meestal met verstopping +afwisselt. Voor een deel hiermede samenhangend is opzetting van den +buik, door sterke gasophooping in de darmen, hetgeen aanleiding tot +benauwdheid en krampen in de beenen geven kan. Benauwdheid en +bemoeilijkte ademhaling worden veelal waargenomen bij eerstzwangeren. +Hoofdpijnen worden, vooral in den laatsten tijd der zwangerschap, ook +door andere oorzaken teweeg gebracht. Wanneer zij gepaard gaan met +zwelling der beenen, maar vooral met zwelling der handen en van het +gelaat, somtijds ook met stoornissen in het zien, is het noodzakelijk +den geneesheer daarvan mededeeling te doen. De opmerkzame vrouw zal +tevens kunnen waarnemen, dat dan dikwijls de hoeveelheid urine welke +zij loost geringer is dan vroeger en die urine, donkerder van kleur, +vaak een branderig gevoel bij het loozen opwekt. Die „branderigheid” +wordt vooral duidelijk wanneer er sterke afscheiding uit de +geslachtsdeelen, zoogenaamde witte vloed, bestaat. Niet zelden is die +afscheiding zoo sterk, dat het ondergoed onophoudelijk vochtig of nat +is en zoowel de dijen, als de plooien tusschen de schaamlippen en +tusschen deze en de dijen, open zijn, waardoor het gaan pijnlijk is. + +Behalve de vroeger genoemde verkleuringen van sommige gedeelten der +huid, worden nog andere verschijnselen op de huid waargenomen. Vooral +bij haar die in de eerste maanden veel braken, treedt vaak een uitslag +op, gelijkende op die welke ontstaat bij het aanraken van brandnetels. +Zij wordt dan ook netelroos genoemd en kenmerkt zich door het optreden +van kleine en groote, min of meer platte, verhevenheden, lichter van +kleur dan de omgevende huid, die sterk jeuken en lang bestaan blijven +of, wanneer zij verdwijnen, spoedig weder keeren. Behalve regeling van +de ontlasting brengt bepoedering, vooral na afwassching met azijnwater, +verlichting. + +Niet zelden vertoonen zich, vooral op borst en rug, schouders en +onderste deelen van den hals, in de okselholte en in de buigvlakte der +gewrichten, licht- tot donkerbruin getinte vlekken, in vorm en +uitgebreidheid zeer verschillend, waarop bij nauwkeurige beschouwing +schilfertjes zijn waar te nemen. Verwijdert men die door krabben, dan +komt de onveranderde huid te voorschijn. Van belang zijn zij niet. Het +eenige verschijnsel is jeuk. Daar zij vooral te voorschijn komen op +plaatsen, welke weinig gewasschen worden, is de behandeling als van +zelf aangewezen. Zij bestaat in het betrachten van reinheid. Wanneer +men ze ’s avonds met wat groene zeep insmeert en ’s morgens met +lauwwarm zeepwater afwrijft, verdwijnen zij spoedig. Overigens veel +baden en verschoonen. + +In het algemeen kan men zeggen, dat de zwangerschap eene zekere +voorbeschiktheid geeft tot huidziekten, zooals ook de menstruatie dat +doet, en dat de zwangerschap een ongunstigen invloed heeft op +chronische huidziekten. + +Aan de uitwendige geslachtsdeelen, vooral op de vochtige plaatsen +tusschen de groote en kleine schaamlippen, tusschen deze laatsten en +den ingang der scheede, maar ook op de schaamlippen en aan den bilnaad, +komt het vaak tot het optreden van uitwasjes, als waren ’t wratjes, +alleenstaande of tot groepjes en groepen vereenigd, ook zonder dat er +gesproken kan worden van onreinheid of van witten vloed. Behandeling is +gewoonlijk niet noodig, tenzij de uitwasjes heel groot of zeer pijnlijk +mochten worden. Na afloop van het kraambed verdwijnen zij. + +Wij spraken reeds een paar malen van witten vloed. Dat is niet te +vermijden, omdat bijna iedere vrouw kan opmerken, hoe, gedurende de +zwangerschap, bestaande afscheiding sterker wordt, of bemerkbaar wordt +bij haar, die tot nu toe daarvan niets of nagenoeg niets bespeurde. Het +is dus tot op zekere hoogte een gewoon verschijnsel. Is die afscheiding +al te sterk, dan moet daartegen iets gedaan worden. Ook hierbij is +reinheid een eerste vereischte. Die bestaat in vaak afwasschen der +geslachtsdeelen met warm water en zeep, nooit met een spons, doch het +best met zuivere verbandwatten of met een zuiveren zachten doek, welke +dan evenwel niet weder gebruikt mag worden dan nadat hij zorgvuldig +gereinigd is. Het gebruik van watten is te verkiezen, omdat die worden +weggeworpen. Ook de open vlakten aan de dijen en in de omgeving der +geslachtsdeelen moeten op dezelfde wijze gereinigd, goed afgedroogd en +daarna gepoederd of wel met eene zalf, b.v. zinkzalf, bedekt worden. +Een uitstekend poeder bleek mij alsol-strooipoeder te zijn. + +Daarmede kan men bij minder sterke afscheiding volstaan. Is de +afscheiding overvloedig, daarbij etterig of bijtend, dan kunnen +voorzichtig scheedeuitspoelingen gedaan worden, het best met zuiver +lauwwarm water (het water moet men laten koken en daarna laten +afkoelen), waarin een paar theelepeltjes soda, een eetlepel zout, een +eetlepel boorzuur of aluin (alles per liter vocht) opgelost worden. Men +make voor de uitspoeling gebruik van een glazen irrigator, met lange +slang en glazen aanzetstuk (canule), met meer dan één opening, en +spoele uit in liggende houding, n.l. liggende op een zoogenaamd +ondersteek (slofmodel), waarin het spoelvocht wordt opgevangen. Om +verontreiniging van het bed te voorkomen, bedekke men het met een stuk +guttapercha-zeil, waarop een stuk molton, een handdoek of iets +dergelijks. Daarbij komt dan het ondersteek te staan. De irrigator moet +steeds zuiver worden gehouden, de canule, na gebruik, van de slang +genomen, met zeep afgewasschen, met zuiver water doorgespoeld en daarna +bewaard worden in eene antiseptische (desinfecteerende of +bederf-werende) vloeistof, b.v. in een glas met lysoform (1 %), lysol +(1 %) of iets dergelijks. Bij het gebruik worde de irrigator +opgehangen, niet hooger dan één meter, en de canule niet in de scheede +gebracht voor men wat van de vloeistof door slang en canule heeft laten +loopen, opdat die geheel met vocht gevuld zijn en dus geen lucht +bevatten. De canule behoeft niet ver te worden ingebracht, ongeveer ter +lengte van een vinger. Zij wordt weder uit de scheede getrokken voordat +de irrigator geheel is leeggeloopen. Het verdient echter aanbeveling +den geneesheer te raadplegen en dringend noodig is dat bij hardnekkige +gevallen. + +Het zenuwstelsel der zwangere vrouw is betrekkelijk gemakkelijk uit +evenwicht te brengen, is prikkelbaarder dan buiten zwangerschap. Ten +deele berusten daarop enkele reeds genoemde verschijnselen, zooals b.v. +het braken in den aanvang, duizeligheid, wegraken of flauwten. De +gemoedsstemming is vaak veranderd, waaraan bij herhaalde zwangerschap +zorg wegens toenemende familie, bij eerstzwangeren vooral angst voor de +bevalling, voor afwijkingen en allerlei gebeurlijkheden, schuld zijn +kan, niet zelden als gevolg van verhalen, waarmede onverstandige +familieleden en kennissen meestal blijk meenen te moeten geven van +bezorgdheid, hetgeen gewoonlijk op niets anders berust, dan op een +pogen om met eigen, gewaande, kennis te geuren. Die bezorgdheid is in +de meeste gevallen eene kwelling, vooral voor de jonge vrouw die voor +het eerst moeder zal worden. Zij is maar al te geneigd het oor te +leenen aan allerlei raadgevingen en beschouwingen, meestal +voortgesproten uit verhalen van oudere vrouwen, die geacht worden het +toch wel te zullen weten, doch die gewoonlijk hare zoogenaamde kennis +ook alweer van hooren zeggen hebben. Wanneer telkens nu de een, dan de +ander met dergelijke verhalen of raadgevingen voor den dag komt, blijft +er allicht iets van hangen. Het zijn voor een niet gering gedeelte +zulke mededeelingen, welke ons noopten een hoofdstuk hierbij te voegen, +waarin sprake is van bijgeloof, gewoonten als anderszins, bij +zwangerschap, baring en kraambed. Daarvoor verwijzen wij naar dat +gedeelte. + +Het is, dit bedenkende, dan ook niet zonder reden, dat de veranderde +gemoedsstemming bij zwangeren, in een overgroot gedeelte, zich uit in +toestanden van neerslachtigheid bij anders rustige of vroolijke +vrouwen, welke stemming begunstigd wordt door de onaangename gevoelens +en gewaarwordingen, welke de zwangerschap zoo nu en dan vergezellen, +doch die meestal verbeteren nadat de eerste bewegingen van het kind +gevoeld worden. Dan wordt gewoonlijk de stemming kalmer, daar de jonge +vrouw het zich ontwikkelende wezen van nu af als het hare beschouwt en +zij zich gemeenzaam maakt met de gedachte, hoe heerlijk het zijn zal, +wanneer zij haar kind in de armen sluiten kan. + +Tot die onaangename gevoelens welke, ten minste voor een deel, op +prikkelbaarheid van het zenuwstelsel berusten, behooren pijnen, vooral +aangezichtspijnen, waarvoor onverstandige vrouwen zich wel eens gezonde +tanden laten trekken; ook hartkloppingen, slapeloosheid en jeuk over +het geheele lichaam, meestal zonder dat er op de huid eenige +verandering is waar te nemen. Moeheidsgevoel, duizeligheid en onmacht +(flauwten) komen veelvuldig bij zwakke vrouwen, in den laatsten tijd +der zwangerschap, voor en worden dikwijls veroorzaakt door het verblijf +in slechte lucht en onbeweeglijk zitten in lokalen, waar vele menschen +bijeen zijn, zooals in kerken en schouwburgen, doch ook door langdurig +zitten aan tafel, bij diners, enz. Wanneer zij duizeligheid of flauwte +voelen aankomen, is het verstandig horizontaal te gaan liggen, het +hoofd lager dan het overige lichaam. De natuur zelve wijst dat aan, +zooals blijkt uit het woord „flauwvallen”. Welnu, het is zeker +verstandiger te gaan liggen voordat men flauw zal „vallen”, waarbij men +toch ook komt te liggen, doch op onaangenamer wijze. Tegen +hartkloppingen kan het drinken van koud water, het leggen van koude +compressen op de hartstreek helpen. De algemeene jeuk kan men trachten +te bestrijden door dagelijksche afwasschingen met zeep in een warm bad +of door warme baden met wat azijn, ook door koele afwasschingen, in het +algemeen dus door reinheid. Daarbij zorge men voor goede ontlasting, +dieet, kleede men zich niet te warm en dekke men zich in bed niet te +warm. + +In de laatste maanden treden in vele gevallen kuitkrampen op, meestal +dubbelzijdig, in enkele gevallen of rechts of links, alsmede een +eigenaardig gevoel, dat men mierenkruipen noemt, vooral in de beenen. + +Van belang acht ik het, hier te waarschuwen tegen de meening, dat het +zenuwstelsel, en vooral de werkzaamheid der hersenen, van zoo grooten +invloed op de gebeurtenissen in de zwangerschap zou zijn als veelal +wordt aangenomen. + +Terloops spraken wij van het laten trekken van gezonde tanden, wegens +aangezichtspijnen. Dat neemt niet weg, dat pijnen, uitgaande van de +tanden, evengoed kunnen voorkomen als bij niet-zwangeren. Meestal heeft +men te doen met een verschijnsel van carieuse tanden (zgn. wolf), welke +door de zwangerschap regelmatig verergerd wordt. Het zal dus noodig +zijn, waar tandpijn bestaat, het gebit te laten nazien. De tanden +moeten zorgvuldig verpleegd worden, tandsteen door den tandarts +verwijderd, aangestoken tanden of kiezen (wolf of caries) behandeld, +gevuld, zoonoodig getrokken worden. De vrees welke daarvoor gewoonlijk +bestaat is overbodig en eene dergelijke behandeling zou alleen dan +achterwege moeten blijven, wanneer te groote prikkelbaarheid bestaat. +Bestaat deze niet, dan kunnen die kunstbewerkingen, zonder nadeeligen +invloed, gerust verricht worden. + +Somtijds is de pijn niet afhankelijk van slechte tanden of kiezen, doch +van eene aandoening van het tandvleesch, welke, gewoonlijk eerst in de +vierde maand ontstaande, in verschillend sterken graad de geheele +zwangerschap door kan blijven bestaan. Zij begint met roodheid, zoo, +dat vlak tegen den tand aan een rood gekleurd half maantje te zien is; +later komt daarbij zwelling, het sterkst bij de snijtanden, welke +zwelling zich tusschen de tanden uitbreidt, waardoor die losraken. Het +tandvleesch bloedt gemakkelijk bij reiniging, kauwen en aanraking, doch +ook wel zonder dergelijke oorzaak. Soms worden licht gekleurde plekken, +iets boven het tandvleesch uitstekende en door een rooden hof omgeven, +waargenomen, meestal op de binnenvlakte van de lippen, de wangen en de +tong. + +In de meeste gevallen is de aandoening niet belangrijk, vooral niet bij +vrouwen die den mond reinhouden. Mondreiniging door het borstelen der +tanden met een zachten borstel, spoelen van den mond met een licht +samentrekkend of ontsmettend mondwater en het doen genezen van zieke +tanden is dus een voorbehoedmiddel. + +Vooral in de laatste maanden klagen zwangere vrouwen vaak over pijn in +de streek der ribbogen, welke meestal veroorzaakt wordt door sterke +rekking der spieren van den buik, door uitzetting van den buik of door +hangbuik. Daartegen vermag een goede buikband, welke steun geeft en den +buik draagt, heel veel. Ook ondervinden zij pijnen in de beenen, rug, +lendenen en stuit, waardoor het gaan bemoeilijkt wordt. Daar dit alles +samenhangt met den toestand is behandeling niet mogelijk, en trooste +men zich met de gedachte, dat vaak met het zakken van den buik +dergelijke pijnen minder worden, of dat weldra de tijd nadert, dat, met +de geboorte van het kind, ook deze onaangenaamheden een einde nemen. + +Het lichaamsgewicht neemt gedurende de laatste drie maanden toe. +Wanneer dat niet het geval is of zelfs het gewicht afneemt, bestaan +stoornissen, welke trouwens gewoonlijk al eerder aanleiding gegeven +hebben tot het raadplegen van den geneesheer. + +Aan het einde van dit gedeelte verzoeken wij haar, die dit alles +gelezen hebben, toch vooral te bedenken, dat wat geschreven staat een +reeks van verschijnselen en onaangenaamheden vormt, welke niet altijd, +niet steeds tegelijkertijd, niet steeds in den hoogsten graad aanwezig +zijn en dat de vrouw, die ook gedurende de zwangerschap op hare +gezondheid let, zonder angst en vrees, doch in blijde stemming, met het +moedergeluk voor oogen, aan eigen lijf geen kennis zal maken met veel +wat, ter wille der volledigheid, werd aangestipt. + + + + + + + + +LEEFREGELEN VOOR DE ZWANGERSCHAP. + + +Zooals wij opmerkten zijn allerlei veranderingen in het levensproces +der vrouw, met de beschreven verschijnselen en onaangenaamheden, het +gevolg van veranderingen in en aan de geslachts-organen. + +Naarmate het ei groeit en in omvang toeneemt, wordt ook de ruimte, +waarin het zich ontwikkelt, grooter. De aanvankelijke peervorm van de +baarmoeder maakt plaats voor een rondere, die overgaat in den vorm van +een ballon, welke steeds grooter en grooter wordt, zoodat het kind +daarin de noodige ruimte vindt. Langzamerhand wordt die toename in +grootte zichtbaar door uitzetting van den buik, terwijl de van buiten +onderzoekende hand de vergrooting van de baarmoeder tastend +onderscheiden kan. + +Omstreeks het einde van de vierde maand is de bovengrens van de +baarmoeder, de baarmoederbodem, ongeveer een handbreed boven den +Venusheuvel te voelen. Van dien tijd af is een gestadig rijzen met de +hand na te gaan. Zoo staat de bodem in het midden der zwangerschap even +hooger dan het midden van den afstand tusschen Venusheuvel en navel. +Gewoonlijk zal de aanstaande moeder dan voor het eerst de bewegingen +van het kind, het „leven” kunnen waarnemen. Vrouwen die reeds vroeger +zwanger waren kennen dit teeken en voelen het dan ook dikwijls aan het +einde van de vierde maand, vaak nog eerder. Daaruit blijkt, dat aan het +leven voelen geen al te groote waarde mag toegekend worden voor de +berekening van het tijdstip der bevalling. Ook is het voelen der +kindsbewegingen afhankelijk van de gevoeligheid der vrouw, van den +toestand der buikwanden, van ligging en levendigheid van het kind. In +den aanvang slechts zwak, worden de bewegingen sterker naarmate het +kind grooter en krachtiger wordt, zelfs zoo, dat in de laatste maanden +niet alleen de moeder ze voelt, doch zij door de opgelegde hand en, bij +dunnen buikwand, ook door het oog zijn waar te nemen. Somtijds maakt de +vrouw zich beangst, omdat zij, vooral in de laatste maand, gedurende +eenige dagen het leven niet voelt. Dat is echter geen ongewoon +verschijnsel en behoeft zij zich dus niet bezorgd te maken dat het kind +niet meer leeft, tenzij het al te lang duurt. Dan kan inderdaad het +vermoeden, als zou het kind gestorven zijn, gewettigd zijn, doch zal +zij ook andere verschijnselen, zooals kleiner worden van den buik, +slapper worden der borsten, kunnen waarnemen. + +In andere oogenblikken kunnen de bewegingen onafgebroken en zoo sterk +gevoeld worden, dat het verschijnsel inderdaad hinderlijk is. Dat is +dikwijls afhankelijk van sterke gemoedsbewegingen der vrouw. + +Het rijzen van de baarmoeder gaat geleidelijk voort tot het einde van +de achtste maand. Dan staat de bovengrens ter hoogte van den maagkuil. +Daarna begint eene daling, nu eens vroeger, dan weder later, +afhankelijk van verschillende oorzaken. Met die daling wordt de +spanning in het bovengedeelte van den buik geringer, voelt de vrouw +zich verlicht van de tot nu toe toegenomen beklemming. Eerstzwangeren +kunnen daaruit de berekening maken, dat ongeveer 3 à 4 weken daarna de +bevalling zal plaats vinden. Doch ook hieraan hechte men niet te veel +gewicht. De daling is voornamelijk het gevolg van eene verplaatsing van +het kind naar de bekkenholte toe, waarin het hoofd met een kleiner of +grooter gedeelte wordt opgenomen. Een andere reden is het uitrekken van +den buikwand, waardoor het mogelijk is dat de baarmoeder meer naar +voren overhelt. Aan de verminderde hoogte beantwoordt dan een grooter +worden van den buikomvang. De eenige ondersteuning van de zwangere +baarmoeder wordt, in staande houding, gegeven door den voorsten +buikwand en zij valt zoover naar voren als de rekbaarheid van den +buikwand toelaat. Als bij herhaalde zwangerschap de daling wordt +waargenomen, is zij hoofdzakelijk aan de laatste oorzaak toe te +schrijven, aangezien alsdan het kinderhoofd gewoonlijk eerst hij het +begin van of zelfs eerst gedurende de baring in de bekkenholte wordt +geperst. Hieruit volgt reeds de belangrijke invloed van den buikwand op +de ligging van het kind. + +Bij eerstzwangeren is de omvang van den buik aan het einde van de +laatste maand, gemeten wanneer de vrouw plat op den rug ligt, ongeveer +91 c.M., gemeten in staande houding ongeveer 98 c.M. Veel waarde is aan +die cijfers niet te hechten, tenzij de omvang veel grooter mocht +blijken. + +Die toename in omvang van buik en baarmoeder is niet alleen toe te +schrijven aan den groei van het kind. + +Het maakt, vooral in de laatste maanden, den indruk alsof de gedaante +van den buik veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van een eenigszins +in de lengte uitgerekten bol. In dien bolvormigen zak, de baarmoeder, +is het kind gelegen in de eivliezen of den vruchtzak, een dunne, +gladde, doorschijnende, overal gesloten blaas, welke gevuld is met een +vocht, dat zich gedurende den groei van het kind daarin ophoopt en den +naam van vruchtwater draagt. Daarin ligt het kind met gebogen rug en +nek, het hoofd met de kin op de borst, de bovenarmen tegen het lichaam, +de onderarmen naar elkander gericht voor de borst, de beenen +opgetrokken met de knieën op de borst, zoodat het gemakkelijk plaats +vindt in de bolvormige holte van de baarmoeder. De overblijvende ruimte +wordt door het vruchtwater ingenomen. Meestal ligt het kind, tenminste +in de laatste maanden van de zwangerschap, met het hoofd naar beneden +gericht, somtijds met den stuit, zeldzamer met het aangezicht of het +voorhoofd het laagst, of geheel dwars in de baarmoederholte. + +De eivliezen bekleeden de binnenvlakte van de baarmoeder, ongeveer als +de voering van een gevoerden zak, losjes, doch op een enkele plaats +zijn zij vaster verbonden. Daar ligt de moederkoek, welke, als een +sponsachtig geweven, vleezige platte koek, met eene oppervlakte ter +grootte van omstreeks twee handen en een dikte van een paar +centimeters, innig verbonden is met den baarmoederwand, ongeveer op de +plaats waar het eitje zich, na de intrede in de baarmoeder, als het +ware ingeplant had. + +Zooals wij weten ontwikkelden zich, spoedig nadat het eitje in de +baarmoeder was opgenomen, aan zijne oppervlakte bloedvaatjes, welke in +verbinding traden met de moederlijke bloedvaten in den wand der +baarmoeder, waardoor het mogelijk was dat het eitje gevoed werd. Die +verbinding breidde zich, gelijken tred houdende met de ontwikkeling van +het eitje, over eene grootere oppervlakte uit en nam geleidelijk in +dikte toe. Die dikkere verbinding, niet alleen uit bloedvaten +bestaande, doch tevens uit een weefsel, gevormd door het optreden van +cellen, welke met elkander in samenhang bleven en zoowel de aanhechting +steviger maakten als de bloedvaten tot steun en onderlaag dienden, is +de moederkoek. + +Naarmate zich het kind in het eitje aanlegde, werd daarin ook het +vruchtwater gevormd, dat, daar het ei zich langzamerhand in een blaasje +veranderde, waarin het kind ruimte kreeg ter ontwikkeling, dat blaasje +vulde. Met toenemende ontwikkeling van eiholte en kind puilt het ei in +de holte van de baarmoeder, welke door haren groei meer ruimte +aanbiedt, uit, zoodat de dunner wordende wand van het eitje, later de +eivliezen genoemd, ten slotte overal de binnenvlakte van de +baarmoederholte aanraakt en er losjes mede vergroeit, terwijl de +verbinding ter plaatse waar de moederkoek ligt veel inniger is. + +Met die uitpuiling gaat toeneming in omvang en binnenruimte van het ei +gepaard, waarin het kind dus ruimte vindt en zich meer en meer van de +plaats verwijdert waar de moederkoek ligt. Doch met die moederkoek +blijft het kind verbonden, ter wille van de voeding, welke het +verkrijgt uit de bloedvaten der moeder. Die verbinding bestaat ten +slotte uit eene ongeveer ½ meter lange, dunne, licht gedraaide streng, +de navelstreng genoemd, welke van de moederkoek uitloopende zich bij +het kind iets beneden het midden tusschen hoofd en voeten inplant. Door +die streng heen loopen drie bloedvaten, welke eenerzijds, door +bemiddeling van de moederkoek, in verbinding staan met den bloedsomloop +der moeder, anderzijds met den bloedsomloop van het kind. Langs dien +weg ontvangt het kind van de moeder alles wat het noodig heeft. En wat +heeft het kind noodig? Allereerst voedsel, ter ontwikkeling. Doch ook +zuurstof, een gasvormig bestanddeel van de lucht, dat voor het leven +van den mensch even onontbeerlijk is. De geboren mensch verkrijgt dat +bestanddeel uit de lucht door de ademhaling. De zuurstof wordt door de +longen uit de lucht in het bloed opgenomen en door het lichaam +gebruikt. Een ander gas, ontstaan bij de processen welke zich in het +menschelijke lichaam afspelen, doch dat schadelijk is als het in het +lichaam zou blijven, wordt bij de ademhaling, door de longen, uit het +lichaam verwijderd. Dat moet dus ook bij den ongeboren mensch +geschieden. Ook het kind moet de zuurstof, welke het noodig heeft, +ontvangen en het andere, schadelijke, gas, het koolzuurgas, kunnen +verwijderen. Doch daar het kind in eene holte ligt, welke geen +gemeenschap met de buitenlucht heeft en daarenboven met vocht gevuld +is, waarin het onmogelijk is adem te halen, wordt in de gaswisseling op +andere wijze voorzien. Dat gebeurt door middel van de bloedvaten, welke +door de navelstreng loopen. Door een van de drie bloedvaten vloeit het +bloed van de moederkoek naar het kind toe en brengt het de noodige +voedingsstoffen en de zuurstof in opgelosten toestand, door de twee +andere bloedvaten vloeit het bloed van het kind naar de moederkoek toe, +met zich voerende de stoffen welke het kind niet gebruiken kan, dus ook +het schadelijke koolzuurgas, ten einde die daar af te geven aan het +moederlijke bloed. Door middel van den bloedsomloop in de moederkoek en +hare verbinding met het kind langs de navelstreng, voorziet dus de +moeder, door eigen ademhaling en spijsvertering, haar kind van alles +wat het noodig heeft en bevrijdt zij het van schadelijke en onbruikbare +stoffen. De moederkoek blijkt dus een zeer belangrijk orgaan, als de +eenige onmiddellijke verbinding tusschen moeder en kind, waarin alle +wisselwerking tusschen beiden plaats grijpt. + +Moederkoek en eivliezen vormen te zamen de nageboorte, welke eenigen +tijd na de geboorte van het kind, wanneer het die hulp van de moeder +niet meer behoeft, wordt uitgedreven. + +Dit alles bedenkende, namelijk den groei van een tot ontwikkeling +komend levend wezen in het lichaam der aanstaande moeder, waar binnen +het ruimte vergt, met terzijde schuiving van wat de toeneming in omvang +van zijn schuilplaats zou kunnen belemmeren, van een organisme dat zijn +voedsel ontvangt uit de bloedsbestanddeelen der vrouw, dat, in grootte +toenemende, in dien groei het moederlijk lichaam op vele en velerlei +wijzen betrekt, is het te begrijpen, dat onaangename verschijnselen +zich bij de aanstaande moeder kunnen voordoen. + +Wij weten echter uit ervaring dat, van nature alles geleidelijk +geschiedende, de gezonde vrouw over het algemeen die onaangenaamheden +slechts in betrekkelijk geringe mate ondervindt en zij kan nu +eenigermate begrijpen, hoe zij, door zorg voor eigen welzijn, ook en +vooral gedurende dezen belangrijken tijd, veel tot den gunstigen +toestand van haar zelve en van haar kind kan bijdragen. + +Eenige algemeene en bijzondere beschouwingen in die richting willen wij +hier geven. + +Heel in ’t algemeen kan men zeggen, dat alles wat de gezondheid bewaart +of der gezondheid bevorderlijk is, ook van toepassing is op de zwangere +vrouw. Zij heeft te begrijpen, dat zoowel het zwanger worden als het +zwanger zijn en het baren, natuurlijk is, dat van nature—dus +natuurlijk—alles geschiedt zooals het geschiedt en zelfs afwijkingen +natuurlijke afwijkingen zijn. Dat sluit evenwel niet in zich, dat men +afwijkingen als zoodanig maar moet laten doorwerken of bestaan. +Integendeel, het is even natuurlijk dat de mensch, die de natuur tracht +te beheerschen, ook hier dat doel najaagt en tracht afwijkingen te niet +te doen of te verkleinen. Zoo begrepen is elk geneesheer +natuurgeneesheer, een woord dat gewoonlijk niet op hem wordt toegepast. +Het moet begrepen worden, ook door de zwangere vrouw, dat men in +oogenblikken van onbehaaglijke gevoelens, hoe en wanneer zich die ook +voordoen, of men slechts van onaangename gevoelens dan wel van ziekte +spreekt, zich met vertrouwen alleen kan en mag wenden tot die menschen, +die, door studie en ervaring in de praktijk, meer en beter weten wat er +in het menschelijke lichaam gebeurt dan alle anderen, die—zonder +dat—beweren beter op de hoogte te zijn. Deze waarschuwing is te meer +noodig, en kan niet dikwijls genoeg herhaald worden, omdat iedere vrouw +die kinderen gebaard heeft, maar ook zij die dat niet gedaan heeft, +doch bij dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig geweest is, meent de +aanstaande moeder, vooral in de eerste zwangerschap, van raad te moeten +dienen, een euvel dat nog steeds bestaande en waartoe, wij ontkennen +het niet, aanleiding bestaat, omdat het voortspruit uit den +onwillekeurigen drang om anderen te helpen, in niet geringe mate +nadeelig op de zwangere vrouw kan inwerken. Het feit dat gewoonlijk +geen enkele dier raadgeefsters ook maar de geringste kennis heeft van +den bouw van het menschelijke lichaam, van de verrichtingen der +organen, van de invloeden, zoowel die van buitenaf als die van binnen +uit op bouw en verrichtingen inwerken kunnen, moest de denkende vrouw +reeds van te voren doen begrijpen, dat zij van die zijde geen juiste +inlichtingen bekomen kan. + +In het algemeen behoeft de mensch, om gezond te blijven, afwisseling +tusschen arbeid en rust, heeft hij zorg te dragen voor zijn lichaam, +d.w.z. voor behoorlijke samenwerking van alle organen, die, hoewel +ontleedkundig te scheiden, toch—en vooral in hunne werkingen—verband +houden. Geen lichaam kan gezond heeten, waar een of meer organen +afwijkingen vertoonen. Wie begrijpt dat het levende lichaam voortdurend +slijt en voortdurend zich herstelt, begrijpt ook, dat de mensch heeft +zorg te dragen, dat slijtage en herstel zoo regelmatig mogelijk plaats +hebbe, omdat elke onregelmatigheid daarin zich voordoet als ziekte. +Niet ten onrechte spreekt men van ziekte en herstel, al wordt niet +bedacht, dat men met het woord ziekte zich eenzijdig beperkt tot het +noemen van verschijnselen, die eene tijdelijke versterking of +opeenhooping aan het licht brengen van de verschillen, welke altijd +geldig, in den regelmatigen gang van het levensproces niet tot +bewustzijn komen. + +Het lichaam heeft behoefte aan arbeid, frissche lucht, voeding, +reinheid, uitscheiding van afgewerkte stoffen, in regelmatigen gang en +afwisseling, en de mensch, die gezond wil zijn, behoort daarop te +letten, met inachtneming van de verschillen welke elk individu, in +verhouding tot anderen, openbaart. Hieruit volgt, dat regelen, daarvoor +aan te geven, niet anders kunnen zijn dan algemeene regelen. + +Hetzelfde geldt voor de zwangere vrouw. Zij zorge dus voor regelmatige +beweging in de frissche buitenlucht. In de steden zoeke zij daarvoor de +plaatsen op, waar zij die frissche lucht zooveel mogelijk kan genieten. +Reeds daardoor kan zij gunstigen invloed uitoefenen op gemoedsstemming, +op slaap, op goede werking van zenuwstelsel, bloedsomloop en +spijsverteringsorganen. Het weder mag daarop in zooverre van invloed +zijn, dat zij zorg drage voor eene kleeding, waarbij rekening gehouden +is met de weersgesteldheid. Kan zij zich moeilijk bewegen of wordt zij +spoedig moe, dan is het rijden in de frissche buitenlucht toch altijd +beter dan een voortdurend verblijf binnenshuis. Ook binnenshuis zorge +zij dat frissche lucht en zonnelicht onbeperkt kunnen binnentreden, de +eerste ook des nachts. Als van zelf sluit zich daarbij de raad aan, om +alle ruimten te vermijden, waarin, door aanwezigheid van veel menschen, +de lucht te warm en bedorven wordt, te meer omdat zwangere vrouwen +gemakkelijk aan duizeligheid of onmacht ten prooi zijn. Zelfs sterke +behoefte aan rust, zooals dat nog al eens voorkomt in de eerste en +laatste maanden der zwangerschap, vooral wanneer de slaap te wenschen +overlaat of allerlei ongemakken bestaan, mag niet leiden tot +verwaarloozing van beweging in de reine frissche buitenlucht. Er blijft +nog genoeg tijd over om rust te nemen. Voortdurend rusten wordt geacht +nadeelig te werken o.a. in dien zin, dat het gewicht van het kind +toeneemt en het tijdstip der bevalling wordt verschoven. + +Is arbeid goed, te inspannende arbeid en bewegingen, welke het lichaam +aan sterk schokken kunnen blootstellen, zooals springen, dansen, sport, +ook paardrijden en het rijden in wagens over hobbelige wegen, zijn te +vermijden, evenals het tillen en dragen van zware lasten, het langdurig +arbeiden met de naaimachine en dergelijke. Het wielrijden als zoodanig +zou geen bezwaar zijn, indien, afgezien van eenige begrijpelijke +moeilijkheid bij toenemenden omvang van den buik, het gevaar niet +bestond van vallen, zoo niet door eigen toedoen dan toch door toedoen +van anderen. Hetzelfde geldt voor het schaatsenrijden. Automobielrijden +kan geen kwaad, doch niet te lang achtereen en niet te snel, wegens +gevaar van stooten en snelle schokken. + +Het reizen behoeft niet te worden nagelaten, als de ontwikkeling van de +zwangerschap en die van vorige zwangerschappen regelmatig geweest is. +Als dat laatste niet het geval was, mag de reis slechts indien +onvermijdelijk ondernomen worden. Men hoort gewoonlijk beweren, dat +door het reizen miskraam, d.i. afbreken der zwangerschap in de eerste +maanden, kan voorkomen. Die bewering wordt niet geheel ten onrechte +geuit, doch men bedenke daarbij, dat door de reis de miskraam, bij +daartoe bestaanden aanleg, vroeger tot stand komt dan het geval zou +geweest zijn, als de reis niet ondernomen was. Wij bedoelen hiermede te +zeggen, dat een gezond ei, in eene gezonde baarmoeder, niet of hoogst +zelden door een reis, vermoeienis, schok of gemoedsbeweging zal worden +uitgestooten, in het algemeen dus de reis en de andere invloeden de +uitstooting van een ziek ei verhaast hebben. Korte reizen kunnen zelfs +weldadig werken, doordien zij lichaam en geest verfrisschen, de +gemoedsstemming verbeteren. Lange reizen zijn evenwel te vermijden, +alsmede het reizen in den tijd dat de menstruatie had moeten intreden, +en vooral omstreeks het einde van de derde maand en tegen het einde der +zwangerschap. Kan een lange reis niet vermeden worden, dan is het +gewenscht daarin langere of kortere tijden van rust op te nemen. De +beste tijd voor reizen is dan tusschen de vierde en achtste maand. +Wordt eene vrouw op de huwelijksreis zwanger, dan vermijde zij alle +inspannende toeren te voet en het bestijgen van bergen, en verblijve +zij zoo lang mogelijk rustig op dezelfde kalme plaats. + +Ook de geslachtsgemeenschap behoeft niet te worden nagelaten, doch +behoort die met mate en omzichtigheid te geschieden. Voorzichtigheid is +vooral aan te raden gedurende den tijd dat de menstruatie had moeten +intreden. Men vermijde haar wanneer de vrouw er tegenzin in heeft of de +onaangenaamheden der zwangerschap er door versterkt worden. Anderszins +moet, wanneer de vrouw vermeerderden lust daartoe vertoont, door den +echtgenoot daaraan worden tegemoet gekomen, terwijl de man zijne +lusten, waar dat der vrouw hinderlijk is, moet weten in te binden. + +Door zelfbeheersching kan hij in dit en andere opzichten veel bijdragen +tot den goeden toestand der vrouw gedurende hare zwangerschap. Dan toch +is hare gemoedsstemming, zooals wij reeds opmerkten, dikwerf zeer +wisselend, is zij vaak prikkelbaar, zoodat alle gebeurtenissen sterker +op haar inwerken. Dan heeft de man de schoone taak, door geduld en +liefdevolle toewijding, door het aanbrengen van afleiding en +afwisseling, door vermijding van driftige toespraak of prikkelende +handelingen, tot steun te zijn; door behoedzame mededeeling zoowel van +zeer aangename als van treurige tijding het zijne bij te dragen tot een +zoo rustig mogelijk voorbijgaan van dien voor vrouw en kind zoo +belangrijken tijd. Vooral zal dat noodig zijn bij de vrouw van zwakken +wil. Wanneer er aanleg toe bestaat, kan de zwangerschap ontijdig worden +afgebroken door angst, hevigen schrik en groote vreugde. De vrouw met +sterken wil, met sterk verlangen naar het moederschap, zal de +onaangenaamheden der zwangerschap gewilliger en gemakkelijker dragen en +te boven komen. In de zwangerschap, als in alle ernstige gebeurtenissen +des levens, blijkt vooral van hoe grooten invloed de opvoeding, ook in +geestelijk opzicht, is. + +Een rustige slaap werkt gunstig en weldadig op het zenuwleven. Hij +wordt, behalve door het bovengenoemde, bevorderd door vermijding van +langdurige avondgezelschappen tot laat in den nacht en van het uitgaan, +waarbij de zenuwen geprikkeld worden. In het algemeen geldt, dat, wie +’s nachts goed geslapen heeft, overdag niet behoeft te rusten. De +slaapkamer zij ruim, hoog, goed gelucht, zonnig, gemakkelijk te +reinigen en, voor wie ’t behoeft, ’s winters matig verwarmd, het bed +niet te zacht, de bedekking niet te zwaar en te warm. + +Van groot belang is reinheid van het geheele lichaam en reinheid op +lijf- en beddegoed. Het gebruik van lauwwarme baden, (33°–36° C., +27°–29° R.) in den winter, ’s zomers wat kouder, gedurende de geheele +zwangerschap is aan te bevelen. Men moet zich goed met zeep afwasschen, +zich goed afdrogen en na het bad schoon goed aantrekken. De meening, +dat zulke baden een bijzonder gunstigen invloed op het verloop der +baring zouden uitoefenen mist, als daarmede een rechtstreekschen +invloed bedoeld wordt, allen grond. Bij prikkelbaarheid van het +zenuwstelsel en slechten slaap kan een dergelijk bad, dagelijks +genomen, gunstig werken, doch men raadplege daaromtrent den geneesheer. +In het algemeen geldt de regel, dat men niet minder, doch ook niet meer +moet baden, dan men voor de zwangerschap gewoon was. Voetbaden, water +van 33°–41° C., (27°–33° R.), kunnen genomen worden, doch beter is het, +als de vrouw het zelf niet doen kan, de voeten door eene hulp te laten +wasschen. Zee- of koude rivierbaden behoeven door haar, die er aan +gewend zijn, niet altijd te worden nagelaten, tenzij de temperatuur van +het water beneden 19° C. (15° R.) daalt. Ook mag het bad niet lang +duren. Vooral bij zeebaden lette men er op, dat de golfslag niet te +sterk mag zijn en beperke men den tijd tot eenige minuten. Ook zwemmen +kan worden toegestaan, waarbij men evenwel te bedenken heeft, vooral +bij het zwemmen in diep water, dat de zwangere vrouw gemakkelijk +onderhevig is aan duizeligheid en flauwten. + +De geslachtsdeelen moeten dagelijks, een of tweemalen, met schoon +lauwwarm water en zeep gereinigd en daarna goed afgedroogd worden. Te +lange haren daar ter plaatse knippe men af. Nooit wassche men met een +spons, doch met de hand of met zuivere ontvette verbandwatten, ook kan +men een zachten doek gebruiken die dan telkens, het best door uitkoken, +gezuiverd moet worden. Bij neiging tot opengaan van de huid aan de +binnenvlakten der dijen en in de omgeving der geslachtsdeelen, in de +plooi van den buik boven den Venusheuvel en onder de borsten, bepoedere +men deze deelen na reiniging en zorgvuldig afdrogen, met een of ander +strooipoeder, b.v. talkpoeder, witte pijpaarde of alsol-strooipoeder. + +Als scheedespoelingen noodig zijn, verrichte men die als op bl. 30 is +aangegeven. Bij sterke afscheiding (witten vloed) verdient het +aanbeveling, nadat de geslachtsdeelen voor het naar bed gaan gereinigd +zijn, een propje verbandwatten in de schaamspleet te leggen, waarin, +gedurende den nacht, het uit de scheede komende vocht wordt opgevangen. + +Ook lauwwarme zitbaden gedurende 5 à 10 minuten, niet langer, zijn +aangenaam en reinigend en bevorderen vaak gemakkelijke ontlastingen; de +temperatuur van het water ongeveer 40° C., (32° R.). Men houde een +ketel met heet water naast zich gereed, om nu en dan wat heet water bij +te gieten, teneinde het water op temperatuur te houden en te sterke +afkoeling te voorkomen. De geschiktste tijd daarvoor is onmiddellijk +voor het naar bed gaan. + +Deze reinigingen kunnen vaak veel bijdragen tot het bestrijden van jeuk +aan de uitwendige geslachtsdeelen. + +De voeding zij zooveel mogelijk de gewone, met inachtneming van de +gevoeligheid der spijsverterings-organen; de hoeveelheid voedsel in ’t +algemeen noch te klein noch te groot. Meestal is in het begin van de +zwangerschap de eetlust verminderd, na de vierde maand dikwijls +vermeerderd. Men trede daartegen niet op met de opmerking, dat, wat het +eerste verschijnsel betreft, de zwangere vrouw voor twee moet eten; wat +het tweede betreft, dat hongeren en vasten den buikomvang zouden +verminderen, het kind klein zou blijven en de baring dus gemakkelijker +gaan zou. Als vermindering van den eetlust gepaard gaat met stoornissen +in de spijsvertering heeft men daarop bij de voeding te letten. In ’t +algemeen is matigheid in het stillen van honger en dorst te betrachten, +dus geen maagoverlading. De laatste maaltijd worde, met het oog op een +gerusten slaap, niet later dan twee of drie uren voor het naar bed gaan +genomen. Doch ook hierbij hangt veel af van gewoonte, vele vrouwen +slapen juist geruster als zij kort van te voren iets nuttigen. + +De beste drank is frisch, koud water. Geringe bijvoeging van wijn +alsook licht bier zal geen nadeel brengen, doch alle dranken, welke +veel alcohol bevatten, zooals dessert-wijnen, likeuren, zwaar bier, +zijn af te keuren. Zij werken zenuwprikkelend en slaapstorend. + +Met kracht moet worden opgetreden tegen het aanprijzen van zoogenaamde +versterkende middelen, voornamelijk tegen het gebruik van groote +hoeveelheden melk. Wanneer het noodig is, zal de geneesheer ook hier +den weg wijzen. Vóór alles dient gezorgd, dat alle voedsel behoorlijk +gekauwd wordt, waartoe een goed gebit een hoofdvereischte is. Daarmede +wordt het voedsel niet alleen behoorlijk verkleind en met speeksel +vermengd, doch wordt het ook geschikter voor verwerking in de +spijsverteringsorganen, zoodat het lichaam er het grootst mogelijke nut +van trekt. Bovendien zal zij die daarop let—en dit geldt ook buiten de +zwangerschap—niet alleen minder last hebben van stoornissen, als +zuuroprispen, abnormale gisting en rotting in de ingewanden, met de +gevolgen daarvan, als opgezetten buik door gasophooping in de darmen, +hoofdpijnen en allerlei andere onaangenaamheden, maar inderdaad in vele +opzichten haar weerstandsvermogen tegen ziekten verhoogen. Behalve goed +kauwen van het voedsel, is eenzijdigheid in de voeding te vermijden. + +Wie lust heeft gedurende den maaltijd te drinken, behoeft dat niet na +te laten, uit vrees daardoor de spijsvertering te storen. Ook hier +geldt het voorschrift van maathouden, en wie maat houdt stoort de +spijsvertering daardoor niet, kan haar integendeel bevorderen. + +Het zij hier nog eens aangestipt, dat dit alles, in het algemeen, geldt +voor de gezonden. Wie ziek is, wende zich tot den geneesheer en volge +diens voorschrift, ook waar het betreft het gebruik van spijzen en +dranken. + +In ieder geval hoede men zich voor het gebruik van sterk gekruide, +gepeperde en gezouten spijzen, ook voor die welke opblazen of +verstoppend werken. Het gebruik van zoogenaamde genotmiddelen beperke +men tot een minimum. Van belang is deze opmerking vooral voor het +dikwerf zoo geliefde kopje koffie, dat—als het werkelijk goed is—de +spijsvertering benadeelt en het optreden van hoofdpijnen, duizeligheid, +hartklopping, slapeloosheid kan bevorderen. + +Zoo is ook het gebruik van zoetigheden af te keuren. De tegenwoordig +aangeprezen smakelijke chocolades en suikerwerken, in zoodanigen vorm +en verpakking, dat ze gemakkelijk en gaarne als geschenk gegeven en +aanvaard worden, hebben het groote nadeel, dat daarmede al te veel +zoetigheid in het lichaam gebracht wordt. Veel beter is het gebruik van +vruchten, waarmede men menig dokters-recept buiten de deur houdt. + +Van groot gewicht is eene voldoende en regelmatige uitscheiding van +afgewerkte stoffen. In dat opzicht wordt het allermeest geleden aan +slechte ontlasting. Door dagelijks voldoende ontlasting worden velerlei +bezwaren verminderd of opgeheven. + +In de allereerste plaats is de gewoonte, om steeds op een bepaald uur +van den dag daarvoor zorg te dragen, aan te bevelen; in de tweede +plaats het vermijden van een euvel, waaraan zoo goed als alle vrouwen +mank gaan. Dat is, dat zij zich daartoe niet den behoorlijken tijd +gunnen. + +Tot de eenvoudige middelen om ontlasting te bevorderen, behooren, +behalve het nemen van beweging, het gebruiken van een glas frisch water +op de nuchtere maag, soms ook ’s avonds, ook van een glas suikerwater, +eenige vijgen op de nuchtere maag, vruchten, zoowel gestoofd als +versch, vooral druiven, karnemelkspap met stroop, het drinken van +koolzuurhoudende wateren met vruchten-limonade, karnemelk, enz. Bij +verstopping vermijde men rooden wijn en cacao. Moet men tot eenig +geneesmiddel overgaan, dan kan men afwisselend inwendige middelen en +lavementen te baat nemen. Van de inwendige middelen die welke zacht +werken, zooals magnesia, rhabarber, groene poeder, tamarinde, cascara +in tabletjes of vloeibaar (bitter), vijgenstroop, nu en dan een glas +bitterwater of wat wonderolie, doch niet te lang achtereen. Lavementen +van ½–1 liter lauwwarm of koud water, al of niet met bijvoeging van +1–1½ lepel wonderolie of glycerine, ook van zeepwater of van zoutwater +(9 gram zout op 1 liter water), somtijds ook enkel glycerine, met een +zoogenaamd glycerinespuitje in te brengen. Wanneer dergelijke, +meerendeels eenvoudige, middelen niet helpen, vrage men liever den +geneesheer om raad, dan gebruik te maken van allerlei in de dagbladen +aangeprezen middelen, waarvan het gebruik niet altijd zoo onschuldig is +als de aanprijzingen zouden doen denken. Men vergete bij dergelijke met +veel ophef aangeraden middelen nooit, dat zij ten doel hebben de beurs +van het publiek te ontlasten en die van den verkooper te vullen. + +Bij vele vrouwen wisselt verstopping af met diarrhee. Wanneer deze +laatste van korten duur is, is het niet steeds noodig daartegen eenig +middel aan te wenden; toch doet men in ieder geval het verstandigst den +geneesheer te raadplegen. + +Goede en gemakkelijke ontlasting is ook een van de beste middelen om +aambeien (haemorrhoïden) en scheurtjes in de aarsopening, welke beide +veel pijn kunnen veroorzaken, te voorkomen. Die scheurtjes zijn veelal +te wijten aan het dóórpersen van harde ontlasting en vereischen meestal +een bijzondere behandeling ter genezing. + +In het einde der zwangerschap geeft ophooping van de ontlastingsstoffen +vaak weeënachtige pijnen, zoogenaamde valsche pijnen of valsche weeën. +Ook daartegen is dus goede ontlasting een voorbehoedmiddel. Daar uit al +het voorgaande reeds genoegzaam blijkt, van hoe groot belang geregelde +en voldoende stoelgang gedurende de zwangerschap is, meenen wij met het +genoemde te kunnen volstaan. + +Wat de kleeding betreft houden wij ons eveneens aan enkele algemeene +opmerkingen, zonder partij te kiezen voor een of andere richting. Men +drage zorg dat voeten en onderlijf steeds warm gehouden worden, +pantalons gesloten zijn. Zwangere vrouwen zijn gevoeliger voor de +invloeden van het weder, voor koude, tocht en vochtigheid. Daarmede +moet bij de keuze der kleeding worden rekening gehouden, zonder dat van +verweekelijking sprake is. Veel hangt echter van gewoonte af. De +kleeding zij ruim, geenerlei druk mag daardoor op onderlijf of borsten +worden uitgeoefend. Het corset, mits voor de draagster vervaardigd, +behoeft niet te worden afgelegd, doch vermijde men elke snoering. +Naarmate de zwangerschap vordert is het dragen van een oud corset, dat +gemakkelijk medegeeft of een voor de zwangerschap vervaardigd corset +aan te bevelen voor haar, die toch een steun wil hebben, waaraan zij +gewoon geraakt is. Wie het corset aflegt, kan lijfjes of borstophouders +dragen. Het dragen van kousebanden is, om vroeger reeds genoemde +redenen, beslist af te keuren. Een buikband of buikgordel, welke +gemakkelijk rekt en toch goed draagt, kan vele ongemakken der +zwangerschap, zooals pijnen in den buik en in de lendenstreek, +urine-drang, moeilijk gaan in het einde der zwangerschap, vooral bij +zwangeren met sterk uitgezetten of hangbuik, doen verdwijnen of +verminderen, en kan reeds van de 5e of 6e maand af gedragen worden. + +Niet alleen de houding van de vrouw wordt daardoor verbeterd, maar ook +de ligging van het kind in de baarmoeder, ten opzichte van het bekken, +ondervindt daarvan een gunstigen invloed. + +De schoenen mogen niet nauw zijn, en niet voorzien van hooge hakken. + +Gelukkig neemt tegenwoordig het verlangen der moeders, om zooveel en +zoolang mogelijk haar kind te zoogen, weder toe. Daarom wordt ook, nog +meer dan geruimen tijd het geval geweest is, meer de aandacht gevestigd +op de behandeling der borsten. + +Vooreerst drage de zwangere vrouw zorg, dat de borsten op geenerlei +wijze gedrukt worden, tweedens zorge zij voor reinheid, waarbij alle +overmaat van wasschingen of afwrijvingen moet vermeden worden. +Gewoonlijk wordt aangeraden de tepels, om ze te harden, zooals ’t heet, +dagelijks te wasschen met brandewijn, rum, verdunden cognac, rooden +wijn, enz., enz., in ’t algemeen met een verdunden alcohol. Als het +noodig mocht zijn, behoeft men daarmede niet reeds in den aanvang der +zwangerschap te beginnen en kan men zich daarmede in de laatste maanden +bezighouden. Het komt mij voor, dat wasschen met frisch en zuiver water +evenveel, of evenweinig, het ontstaan van wondjes of kloven in de +tepels gedurende het zoogen voorkomen zal, als alle andere tot dat doel +aanbevolen middelen. Heeft men zulke middelen aangewend en komen er +geen wondjes of kloven in de tepels, dan heet de behandeling van nut te +zijn geweest, ontstaan zij wèl dan heet het dat de behandeling niet +goed of niet lang of niet flink genoeg is toegepast geworden, treden +zij zonder voorafgegane behandeling op, dan kan men het verwijt hooren, +dat de tepels niet behandeld waren zooals was aangeraden, komen ze in +dat geval niet, dan.... wordt er niet over gesproken. Wanneer er +korsten op de tepels aanwezig zijn, doet men goed die week te maken +door de tepels in te smeren met zuivere olijfolie, slaolie, vaseline of +eenig ander vet, en, na verweeking, den tepel af te wasschen met water +en zeep. Het dagelijksch wasschen van de geheele borst, met lauw warm +of koel water, heet voor hare ontwikkeling bevorderlijk te zijn. + +De pogingen om zoogenaamde vlakke of holle tepels, door het dagelijksch +uittrekken of door het dragen van ringen en dergelijke werktuigjes, te +verbeteren, heeft nooit het gewenschte gevolg, omdat de oorzaak gelegen +is in slechte ontwikkeling van den tepel. Men kwelt daarmede zich zelf +en loopt gevaar van infectie. + + + + + + + + +MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP. + + +Bij het bespreken van de bevruchting vermeldden wij, hoe eene zaad-cel +met een eitje te zamen komende, daarmede versmelt tot één +ontwikkelingskiem, waaruit een kind zich ontwikkelen kan. De vrouw zal +dan één kind baren. Het is echter bekend, dat eene vrouw niet alleen +aan tweelingen, doch zelfs aan drielingen het leven schenken kan. De +hoogst enkele mededeelingen, waarin van een nog grooter aantal gewag +gemaakt wordt, zullen wij niet in beschouwing nemen. + +Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe dat komt. Ontstaan uit één +bevrucht ei b.v. twee kinderen of komen zij voort uit twee bevruchte +eieren? Het antwoord op die vraag luidt, dat beide mogelijkheden +voorkomen, waarbij wij op bijzonderheden niet ingaan. + +Het ligt voor de hand, dat, wanneer de vrouw zwanger is van meer dan +één kind, die kinderen niet alleen meer ruimte vergen, maar die +meerdere ruimte zich zal kenbaar maken door snellere toeneming van den +omvang van den buik. Dat is vooral waar te nemen van de 5e maand af, +zoodat ongewoon groote omvang van het onderlijf moet doen denken aan de +mogelijkheid, dat, laat ons maar zeggen, tweelingen aanwezig zijn. De +buik ontwikkelt zich daarbij opvallend in de hoogte en in de breedte. +De baarmoeder bereikt in de achtste maand reeds de hoogte, welke anders +aan het einde der zwangerschap wordt waargenomen. Omstreeks dien tijd, +dikwerf ook vroeger, begint dan ook het vermoeden op meervoudige +zwangerschap op te komen en wordt dat den geneesheer kenbaar gemaakt +met de vraag, of hij daaromtrent eenige zekerheid kan geven. In het +algemeen kan, ter geruststelling, wel gezegd worden, dat, wanneer de +omvang van den buik aan het einde van de zwangerschap niet meer dan 100 +c.M. bedraagt, aan tweelingen niet te denken valt. + +De ongemakken gedurende de zwangerschap zijn meestal grooter. Braken, +bemoeilijking van urine-loozing en ontlasting zijn sterker, aderspatten +treden vroeger op, zoo ook de lastige zwelling der beenen, welke zich +eerder uitbreidt over de uitwendige geslachtsdeelen en den buik, zelfs +over armen, handen en het gelaat. De ademhaling is bemoeilijkt, de +beweging eveneens. + +Dikwijls treedt de baring voor het berekende einde der zwangerschap in, +gemiddeld in drie vierden der gevallen. De kinderen zijn over ’t +algemeen minder ontwikkeld in dien zin, dat het gemiddelde gewicht, +zelfs als de zwangerschap haar einde bereikt, beneden dat van het kind +bij enkelvoudige zwangerschap blijft, terwijl de lengte van het kind +geen afwijking behoeft te vertoonen. Dit geldt voor tweelingen. Bij +drielingen betreft de mindere ontwikkeling zoowel lengte als gewicht, +waarbij nog komt, dat de zwangerschap, in de helft of meer dan de helft +der gevallen, het normale einde niet bereikt. Daarom zijn de +levenskansen bij drielingskinderen geringer. + +Betrekkelijk zelden hebben tweelingskinderen hetzelfde gewicht, terwijl +bij verschillend geslacht de jongen zwaarder is. + +Volgens berekening, uit een groot aantal geboorten opgemaakt, komt op +80–89 geboorten een tweeling, op 7500–7900 geboorten een drieling voor. + +De neiging tot tweelingsgeboorten is erfelijk. Volgens sommige +schrijvers schijnt die erfelijkheid bijna uitsluitend bij tweeëiige +tweelingen voor te komen en hebben erfelijke tweelingen menigvuldig +verschillend geslacht, omdat zij van twee eieren afkomstig zijn. Ook +meent men te hebben opgemerkt, dat, voor het verwekken van tweelingen, +de vruchtbaarheid en de ouderdom der ouders in aanmerking komen. De +gemiddelde ouderdom is voor den vader 37,5, voor de moeder 33,5 jaar. +Terwijl bij éénlingsgeboorten de vruchtbaarheid tot het 25e jaar +toeneemt om dan te dalen, is voor de tweelingsgeboorten de verhouding +juist omgekeerd, waaruit te verklaren is, dat tweelingmoeders vaak +meerbarenden zijn van hoogeren ouderdom. De eigenlijke +tweelingsvruchtbaarheid valt tusschen het 30e en 40e jaar. + +Het geslacht der tweelingen zou van den betrekkelijken ouderdom der +ouders zóó afhangen, dat, als de vader ouder is dan de moeder, +gelijkslachtige mannelijke, in het omgekeerde geval vrouwelijke, bij +ongeveer gelijken leeftijd ongelijkslachtige tweelingen ontstaan. + +Drielingen worden het vaakst geboren uit meerbarenden, vooral in de +zesde zwangerschap en latere; eerstbarenden die drielingen ter wereld +brengen, zijn meestal oudere vrouwen. + +Gewoonlijk zal de geneesheer wel met eenige mate van zekerheid kunnen +uitmaken of de vrouw van tweelingen zwanger gaat, en vrage zij, die +daar vrees voor koestert, hem liever daarnaar een onderzoek te doen, +dan zich aan vaak onnutte angst en bekommering over te geven. + + + +Behalve door aanwezigheid van meer dan één kind, kan de omvang van den +buik grooter zijn, dan gewoonlijk beantwoordt aan het tijdstip van de +zwangerschap, door eene overmatige hoeveelheid vruchtwater. De sterke +uitzetting van den buik gaat dan gepaard met pijn in den buik, in de +lendenstreek en in de liezen, met bemoeilijkte ademhaling en trage +ontlasting. De buikwand vertoont een matten glans, gewoonlijk wordt +urine in geringere hoeveelheid geloosd, braakt de vrouw dikwijls en +zijn de beenen en de buikwand zuchtig gezwollen. Juist bij +tweelingzwangerschap kan zich dit voordoen. + +Algemeen gesproken kan de oorzaak voor eene overmatige hoeveelheid +vruchtwater gelegen zijn in het ei en bij de zwangere vrouw, +voornamelijk in hart- of nierziekten der laatste. + +Wat in dergelijke gevallen te laten of te doen valt, zal de geneesheer +te beoordeelen hebben. + + + + + + + + +MISKRAAM. + + +Wanneer de zwangerschap voor het einde van de zevende maand wordt +afgebroken, spreekt men van miskraam. Zij komt vooral veelvuldig voor +in de eerste en in het begin van de tweede maand. + +Gewoonlijk gaat het in zoo vroegen tijd der zwangerschap als volgt. +Nadat de menstruatie niet op den verwachten tijd is ingetreden, neemt +de vrouw aan, dat zij zwanger is. Dan komt het eenigen tijd later tot +bloeding, meestal sterker dan gewoonlijk, met wat bloedstolsels +vermengd, vergezeld van wat lendenpijn en .... zij meent zich vergist +te hebben en dat de „opgestopte” menstruatie te voorschijn is gekomen. +De vrouw, die tegen eene zwangerschap opzag, is gerust gesteld en +dankbaar dat zij „niet zwanger was”; zij, die in blijde verwachting +verkeerde omdat het eindelijk zoover gekomen was, meent dat zij ten +onrechte geloofde zwanger te zijn en is bedrukt. Geen van beiden +evenwel heeft gelijk, beiden waren zwanger, bij beiden is het bevruchte +eitje onbemerkt met de bloeding uitgestooten, beiden hadden een +miskraam. + +Afgezien van deze gevallen komt miskraam wel het meest voor in de +tweede en derde maand, het menigvuldigst in de derde maand. Een groot +aantal valt samen met den tijd, waarop de menstruatie had moeten +verschijnen, indien geen zwangerschap bestaan had. Vrouwen, die +gedurende het zoogen niet menstrueerden en in dat tijdsverloop zwanger +werden, vatten gewoonlijk het eerste teeken van de dreigende miskraam, +de bloeding, op als de eerste menstruatie welke weder verschijnt. + +Het hoofdverschijnsel is, zooals uit het voorgaande blijkt, bloeding, +meer of minder sterk, aanhoudend, al of niet in hoeveelheid toenemende, +of ook afwisselende met zeer geringe, alleen vlekken gevende bloeding, +zelfs eenigen tijd geheel ophoudende. Ten slotte komt dan, ten minste +in de tweede en in het begin van de derde maand, het ei gewoonlijk in +zijn geheel, vergezeld van krampachtige pijnen in den onderbuik en +pijnen in de lenden, te voorschijn. In de latere maanden wordt +gewoonlijk de vrucht, die reeds betrekkelijk groot is, onder bloeding +en pijnen, die het karakter van weeën dragen, uitgestooten. Dan treedt, +wat de pijnen betreft, een korter of langer tijdperk van rust in, doch +de bloeding houdt aan en weldra wordt de rest van het ei, als +nageboorte, uitgedreven. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd was, +gelijkt de miskraam dus reeds meer op de baring, waarbij het verschil +voornamelijk bestaat in de grootte van vrucht en nageboorte. + +Van belang is vooral de bloeding. Zij kan zeer hevig zijn, waarom het +in ieder geval aan te raden is den geneesheer te ontbieden. Dat zal te +meer noodig zijn, wanneer de miskraam niet zoo geleidelijk gaat als +zooeven beschreven werd. Stoornissen toch worden juist hierbij vaak +waargenomen, voornamelijk wat de nageboorte, hoe klein die ook wezen +moge, betreft. Niet zelden wordt zij niet, òf niet spoedig genoeg, òf +niet geheel en al uitgedreven. Dan houdt de bloeding aan en kunnen de +in de baarmoeder gelegen overblijfselen van het ei, in rotting +overgaande, tot infectie aanleiding geven, met al de gevaren daaraan +verbonden. Tijdige behandeling door den geneesheer kan die gevaren +voorkomen. + +Na elke miskraam is bedrust, als na eene gewone bevalling, noodig. + +De oorzaken voor het optreden van miskraam zijn velerlei. Wij zullen +die niet alle opnoemen. Behalve ziekelijke aandoening van de vrucht en +hare omhulsels, kan men in ’t algemeen zeggen, dat acute ziekten, welke +met belangrijke en langdurige temperatuurs-verhooging, dus koorts, +gepaard gaan, veelal de zwangerschap afbreken. Onder de chronische +ziekten zijn het wel voor het meerendeel hart- en nierziekten, +vergevorderde tuberculose en syphilis, welke daartoe leiden, en, onder +de plaatselijke ziekten, de infectie met druipergif en de aandoeningen, +welke tegenwoordig alom bekend zijn onder den naam van +blinde-darmontsteking. + +Een groot aantal miskramen is verder te wijten aan ziekte van het +slijmvlies der baarmoeder. Het is vooral deze oorzaak, welke veelal +miskend wordt, wanneer men miskraam ziet optreden na invloeden, welke +van buiten af op het lichaam der zwangere vrouw hebben ingewerkt, +zooals belangrijke lichamelijke vermoeienis en inspanning, vallen, +stooten, enz., waarover reeds vroeger het een en ander gezegd werd. +Ofschoon niet ontkend mag worden, dat daarin wel eens de oorzaak +gelegen is, moeten zij toch meestal opgevat worden als de laatste +aanleiding, waardoor een miskraam, die anders wat later zou zijn +opgetreden, verhaast werd. Dezelfde beschouwing kan worden toegepast op +zoogenoemde psychische invloeden, werkingen van het zenuwstelsel, +voornamelijk van de hersenen, uitgaande zooals angst, wanhoop, schrik, +overspanning, enz. Als oorzaak mag ook gelden veelvuldige en al te +hartstochtelijk uitgeoefende geslachtsgemeenschap, b.v. kort nadat het +huwelijk gesloten werd. + +De middelen ter voorkoming zijn eigenlijk reeds uit deze algemeene +opsomming van oorzaken af te leiden. In het algemeen bestaan zij in het +volgen van de leefregelen voor de zwangerschap aangegeven. Meer in ’t +bijzonder kan van het pogen om een miskraam te voorkomen eigenlijk +alleen gesproken worden in gevallen, waarin zwangerschap al een- of +meermaal op die wijze afgebroken werd. Behalve dat vooral dan de +leefregelen streng moeten gevolgd worden, vermijde de vrouw alle +overdaad, iederen overmatigen prikkel, overspanning, vermoeienis, +reizen en rijden, onthoude zij zich van het gebruik maken van koude +baden of warme zitbaden, van geslachtelijke gemeenschap, drage zij zorg +voor doelmatige kleeding, vooral in den winter, voor warme voeten, +lette zij zorgvuldig op de voeding en op gemakkelijke, geregelde +ontlasting en vrage zij den geneesheer om raad in alles, ook al moge +het haar soms minder gewichtig toeschijnen. Of het al dan niet noodig +is rust te houden, hoe lang, op welke tijdstippen van den dag of van de +zwangerschap, zal hij te beoordeelen hebben. + +Ten slotte geven wij dezen raad. Wat ook met de bloeding moge te +voorschijn gekomen zijn, alles moet bewaard en den geneesheer getoond +worden, omdat hij daaruit steeds een oordeel kan vellen omtrent hetgeen +er vóór zijn komst gebeurd is. Maar al te vaak moet deze, op zijn vraag +om te mogen zien wat er voor den dag gekomen is, vernemen: „Het is +weggeworpen”, met welk antwoord hem, in de meeste gevallen, een +uitstekend middel ter beoordeeling van den toestand en van het al of +niet noodzakelijke eener ingrijping onthouden wordt. Menige +onaangenaamheid zal der vrouw bespaard worden, wanneer zij deze +raadgeving ter harte neemt. + +De vrucht is bij een miskraam steeds verloren. Zelfs indien zij levend +uitgedreven wordt, heeft zij geen levensvatbaarheid, afgezien misschien +van eene hoogst enkele uitzondering, bij vergevorderde ontwikkeling, +welke voor eene algemeene beschouwing geen waarde heeft. + +Anders wordt het, wanneer de zwangerschap na de zevende maand wordt +afgebroken. Dan spreekt men van vroeggeboorte en levensvatbaarheid der +vrucht. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd is, gelijkt de +vroegtijdige baring meer op de baring aan het einde der zwangerschap. +Dat een te vroeg geboren kind meer zorg vereischt dan een voldragen, is +zonder meer duidelijk. + + + +Een verschijnsel dat allicht eenige angst verwekt, is het volgende. +Vooral na de zesde maand, doch soms ook wel in de eerste weken der +zwangerschap, kan het gebeuren, dat plotseling eene betrekkelijke +groote hoeveelheid geel- of rose-gekleurd vocht uit de geslachtsdeelen +te voorschijn komt, dat zich nog wel eens op dezelfde wijze herhaalt of +eenigen tijd, als druppelsgewijs vochtverlies, blijft aanhouden, +terwijl de zwangere zich dan eenigszins onlekker gevoelt. In het +algemeen heeft het niets te beteekenen, doch daar het toch niet +onmogelijk is, dat de zwangerschap daarna een einde neemt, is het van +belang den geneesheer daarvan in kennis te stellen, te meer omdat er +eene vergissing in het spel kan zijn en blijken kan, dat het +weggeloopen vocht slechts urine was. + + + + + + + + +DE KRAAMKAMER EN DE BENOODIGDHEDEN VOOR DE BEVALLING. + + +De eischen, welke aan de kraamkamer gesteld moeten worden, zullen in +vele opzichten ongeveer dezelfde zijn als die, welke voor iedere +slaapkamer gelden en waaraan, helaas, in vele gevallen nog te weinig de +aandacht geschonken wordt. Onbegrijpelijk mag het genoemd worden, dat +in vele woningen nog steeds eene ruime, op straat uitziende, kamer +wordt ingericht tot salon of zoogenaamde „goeie kamer”, waarin de +bewoners hoogst zelden vertoeven en waar allerlei „mooie” meubels +worden neergezet, terwijl voor slaapkamer, waarin zij zooal niet den +langsten tijd, dan toch een groot deel, van hun leven doorbrengen, een +klein vertrek, dat vaak uitziet op eene donkere binnenplaats, in +gebruik genomen wordt. Juist het omgekeerde behoort het geval te zijn. +Beter geen mooie kamer en eene goede slaapkamer, dan een salon als +bergplaats van allerlei moois en eene bedompte slaapgelegenheid. De +ruimste en droogste kamer, met uitzicht op het Zuiden of het +Zuid-Oosten, waarin de zonnestralen kunnen binnendringen, moet tot +slaapkamer worden ingericht. Licht en frissche lucht bevorderen de +gezondheid en behooren tot de beste hulpmiddelen om haar te herstellen; +duisternis en bedorven lucht benadeelen haar, werken schadelijk op het +zenuwstelsel. Waar zon en frissche lucht binnenkomen, is de geneesheer +minder noodig. + +Dit alles geldt vooral voor de kraamkamer, waarin moeder en kind ook +overdag verblijven moeten. + +De kamer behoort frisch te zijn. De frischheid wordt bevorderd door +luchtverversching, welke behoort te geschieden zonder tocht te +veroorzaken. Warme, vooral vochtige, lichaamsdeelen worden door tocht +te sterk afgekoeld, wat het lichaam ziek kan maken. Het best zorgt men +voor luchtverversching door openingen boven in de ramen, die naar +believen kunnen gesloten worden. Waar dat niet mogelijk is, worde het +raam opgeschoven en de open ruimte afgesloten met een hor van +muskietengaas, waardoor insekten worden geweerd. Op die wijze kan ook +des nachts geventileerd worden. Vooral in groote steden is de lucht ’s +nachts zuiverder dan overdag. In den winter heeft men dan zorg te +dragen voor verwarming van de kamer door middel van een open haard of +een kachel, waardoor de ventilatie nog bevorderd wordt. De meerdere +kosten voor verwarming mogen geen gewicht in de schaal leggen waar het +de gezondheid geldt. Wanneer het bed te dicht bij de ramen mocht staan, +of men om andere reden vreest dat de frissche lucht van buiten +hinderlijk of gevaarlijk zou kunnen zijn, opene men het raam of de +ramen in een aangrenzend vertrek, dat met de slaapkamer in ruime +gemeenschap staat, desnoods den doorgang gedeeltelijk afsluitende met +een tochtscherm. Petroleumkachels en gaskachels, zonder afvoer naar +buiten, zijn uit den booze. Zelfs de beste, de zoogenaamde reukelooze, +bederven de lucht in hooge mate. De temperatuur in de kamer schommele +hoogstens tusschen 17° en 19° C. (13°–15° R., ± 62°–65° Fahrenheit), +doch zij zoo gelijkmatig mogelijk. Voor kinderen, vooral dus daar waar +een pasgeborene verblijf houdt, mag de temperatuur iets hooger zijn. + +Ook reinheid is een zaak van groot gewicht. Tapijten, zware +overgordijnen, portières, stoelen met stoffen bekleeding en franjes, +allerhande versieringen, welke stof houden, mogen geen plaats vinden in +de kamer, omdat met het stof allerlei ziektekiemen in het lichaam +kunnen binnendringen. Dus ook geen overtollige vloerkleedjes. De beste +vloerbedekking is linoleum. Het reinigen daarvan behoort zoo te +geschieden, dat het eerst wordt afgenomen met een vochtigen doek, opdat +het stof niet in de lucht verspreid worde, en daarna gedweild. +Stofdoeken, kussens, enz., worden buiten de kamer, niet door het +geopende venster, uitgeklopt. Als behangselpapier zij +gezondheidspapier, dat met water kan worden gereinigd, aanbevolen. + +Ook rustig en aangenaam moet de kraamkamer zijn. Men gebruike haar dus +niet als ontvang- of huiskamer. Klepperende ramen kunnen worden +vastgezet met houten wiggetjes; scharnieren en sloten van deuren zullen +niet knarsen en piepen, wanneer zij zorgvuldig gesmeerd worden. + +Zoo zijn er velerlei kleinigheden, welke rust geven en het verblijf +aangenaam maken voor haar, die geruimen tijd het slaapvertrek gebruiken +moet als verblijfplaats. Tot die kleinigheden behoort ook de keuze van +het behang. Geen onrustige patronen daarin, geen schrille kleuren. Het +turen daarop werkt op den duur onaangenaam. Daarentegen zullen platen +aan den wand, muurborden en dergelijke eene aangename breking geven. +Herhaaldelijk viel het mij op, dat juist uurwerken in de +slaap-kraamkamer niet loopen of den tijd al heel zonderling aanwijzen. +Men bedenke dat ook de kraamvrouw gaarne wil weten hoe laat het is. + +De meubileering zij voldoende en eenvoudig. Liefst twee ledikanten, een +waschtafel met dubbel waschstel, nachttafeltjes, eenige stoelen, een +tafel met zeil bedekt, waaroverheen een schoon servet. Verkiezelijk is +ook een zoogenoemde gemakstoel of stilletje en een eet-, lees- of +bedtafeltje. + +Het ledikant moet zoo geplaatst worden, dat het gemakkelijk van twee +kanten toegankelijk is, met het hoofdeinde naar den muur, en wel een +zijmuur, gekeerd, midden in de kamer en niet te dicht bij de kachel. Te +hooge ledikanten vindt men niet veel, te lage tegenwoordig des te meer. +Het beste ledikant is een van ijzer, waarin een spiraalveeren +onderstel, gedekt met een matras met paardenhaar gevuld, dus niet te +zacht. Veeren bedden zijn te warm, terwijl de kraamvrouw er te diep +inzakt. Als bedekking gebruike men een laken en wollen dekens, geen +gewatteerde, die te zwaar zijn, en de verdamping van het zweet +beletten. + +Voor de bevalling dient het bed in orde gemaakt te worden. Op het +onderlaken komt een onderlaag van molton te liggen, daarop een stuk +hospitaaldoek, aan beide zijden van gummi voorzien, minstens een +vierkante meter groot, en daarop, dwars over het bed, een zoogenaamd +steeklaken, d.i. een laken overlangs en overdwars dubbel gevouwen, met +veiligheidsspelden aan de matras vastgestoken om het verschuiven te +beletten. Aanbeveling verdient het een soort matrasje, eveneens +ongeveer een vierkante meter groot, van houtwolwatten en gaas +vervaardigd en niet te dik, waarin allerlei vocht, dat bij de baring te +voorschijn komt, wordt opgevangen en dat, na afloop, wordt weggeworpen, +op het steeklaken te leggen. + +Daar vaak reeds eenigen tijd voor het berekende einde van de +zwangerschap, zonder eenige voorafgaande pijn, het water breekt, d.w.z. +de blaas, waarin het kind zich bevindt, scheurt en het vruchtwater zich +naar buiten ontlast, is het een verstandige voorzorgsmaatregel, om, ten +einde het bed voor onverwacht nat worden te behoeden, reeds eenige +weken voor den tijd het hospitaaldoek, b.v. onder het onderlaken, op de +matras te leggen. + +Zoolang het hospitaaldoek nog ongebruikt blijft, beware men het +opgerold op een ronden stok, niet gevouwen. In de vouwen toch breekt +het gummi-bekleedsel, laat daar schilfertjes los en verleent het +doorgang aan alle vocht, zoodat later blijkt dat de onderliggende laag +allerminst beschermd was. + +Met deze opmerkingen hebben wij reeds een begin gemaakt met de +vermelding van datgene, wat voor de bevalling noodig is. Wij sluiten +hierbij een lijst aan van al het andere dat daartoe verder behoort: + + + GROOTE EN KLEINE VEILIGHEIDSSPELDEN. + OUD LINNEN OF MOLTON VOOR ONDERLAGEN. + STOP- OF BANDDOEKEN, of kussentjes van watten, in hydrophiel gaas, + vervaardigd, om de afscheiding na de bevalling, de zoogenaamde + kraamzuivering, op te vangen. + SLUITLAKENS, zacht en zoo hoog, dat zij van de ribboog tot over de + heupen reiken. Verschillende modellen worden daarvoor aangegeven. + EEN ONDERSTEEK VAN EMAIL OF AARDEWERK, zoogenaamd slof-model. + WARMWATER-KRUIKEN. + VERBANDWATTEN, ZEEP. + TWEE FLINKE HANDENBORSTELS. Deze moeten van te voren worden + uitgekookt en bewaard worden in een glazen wijdmondsstopflesch + gevuld met eene desinfectie-vloeistof, of in een schoonen doek. + EEN OF ANDER DESINFECTIE-MIDDEL. Het aangenaamste lijkt mij + Lysoform. + EEN BAD-THERMOMETER. + EEN MAXIMAAL KOORTS-THERMOMETER. + EEN GLAZEN HEVELBAK OF IRRIGATOR, met 1½ meter goede slang en twee + glazen canules, één voor scheedeuitspoeling en één voor het zetten + van lavementen. + VETERBAND, niet te breed, rein. + FLINKE HOEVEELHEDEN HEET EN KOUD WATER. + + +Voor het Kind: + + + EEN BADKUIP. Daarvoor kan ook een groote zinken teil dienst doen. + EEN TAFEL, waarop het kind geholpen wordt. + EEN BEDJE, waarin een matras van paardenhaar of zeegras, een + hoofdkussen gemaakt van paardenhaar, zeegras of varen, niet te + groot, niet te dik, niet te zacht; lakentjes en één of twee wollen + dekentjes. + MOLTON ONDERLAGEN, 30–40 cM2. lang en breed. + HOSPITAALDOEK, 50 cM. groot. + NAVELBANDEN. Het beste lijkt mij een tricot-windsel ter breedte van + 8–10 cM. + LUIERS, het best uit badhanddoekengoed. Zij moeten van te voren + gewasschen zijn. + ZUIVERE OLIJFOLIE, SLAOLIE, VASELINE of eenig ander zuiver vet. + TALKPOEDER, witte pijpaarde, vasenol-strooipoeder of + alsol-strooipoeder. + EEN POEDERBUS. + OVERVETTE ZEEP. + ZACHTE, KLEINE, GOED UITGEKLOPTE SPONZEN. + WARMWATER-KRUIKEN. + EENIGE KOMMETJES VAN AARDEWERK. + VERKIEZELIJK IS OOK EEN KINDERWEEGSCHAAL. + KLEEDEREN. + + +Omtrent de kleederen zou velerlei kunnen worden opgemerkt. Ik laat dat +echter achterwege. Het „pak”, zooals dat oudtijds voor den pasgeborene +gebruikt werd, is gelukkig in onbruik geraakt, daar men heeft ingezien, +dat lichte, zachte, warme en losse bekleeding, welke gemakkelijk kan +worden aan- en uitgetrokken en het kind zooveel mogelijk vrijheid laat +voor beweging van armen en beenen, de doelmatigste is. + + + + + + + + +VOORBEREIDING VOOR DE BEVALLING. + + +Een zaak van het hoogste belang is reinheid. Daarop kan niet genoeg +nadruk gelegd worden. Reinheid is een van de grondslagen waarop de +verloskunde van den tegenwoordigen tijd rust, waaraan zij de groote +triomfen dankt, welke zij behaald heeft op een van de +verschrikkelijkste ziekten, die duizenden moeders ten grave sleepte, de +kraamvrouwenkoorts. + +Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat tallooze vrouwen, zoowel +gedurende de baring als daarna, vrij regelmatig koorts kregen, dikwijls +in die mate, dat het kraambed tevens het sterfbed werd van haar, die, +jong en levenslustig, in blijde hoop het tijdstip hadden zien naderen, +waarop zij moeder zouden worden. Talrijk waren de mogelijkheden welke +bedacht en overwogen werden, allerlei maatregelen werden, doch steeds +zonder gevolg, toegepast, totdat omstreeks het midden der voorgaande +eeuw een geneesheer te Pest, Ignaz Phil. Semmelweis, de eerste schrede +deed op den weg, die nu door alle geneesheeren tot heil der barenden +bewandeld wordt. Toen hij, gedurende den tijd dat hij assistent was in +eene kraaminrichting te Weenen, zoovele vrouwen aan kraamvrouwenkoorts +zag sterven en, na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, vernam dat een +zijner leermeesters, bij het doen van eene lijkopening, gewond en +besmet was geworden met lijkengif, waaraan deze onder dezelfde +verschijnselen overleed als die welke Semmelweis bij de kraamvrouwen +had waargenomen, rees bij hem de gedachte, dat de oorzaak der +kraamvrouwenkoorts in hoofdzaak moest gezocht worden in infectie of +besmetting der barende, door stoffen, welke van buiten af in de wonden, +die noodzakelijkerwijze gedurende de baring ontstaan, binnendringen. +Hij overwoog, dat zij, die de barende hulp verleenen, daarbij eene +groote rol konden spelen. Zij toch, geneesheeren als andere +hulpverleenenden, vooral in ziekenhuizen en kraaminrichtingen, kwamen +in aanraking met vuile wonden, etterende lichaamsdeelen en lijken, en +konden gemakkelijk de schadelijke stoffen aan handen en kleederen met +zich voeren. Wanneer, zoo dacht hij, de oorzaak, zij het ook slechts +ten deele, daarin te zoeken is, zal verbetering moeten zijn waar te +nemen, wanneer die personen, door het aanwenden van ontsmettende +middelen, de mogelijkheid tot het overbrengen dier stoffen op de +barenden tot de kleinste afmeting terugbrengen. En deze gedachte, door +hem toegepast, bleek juist te zijn; er werd verbetering waargenomen. +Men meene evenwel niet, dat zijne belangrijke ontdekking +oogenblikkelijk ingang vond. Ook nu leert de geschiedenis weder dat het +nieuwe, het vreemde, moeite heeft zich een plaats te veroveren. Slechts +enkele zijner ambtgenooten begrepen, dat er waarheid school in zijne +waarnemingen, welke hij in 1849 voor ’t eerst publiek maakte. Zelfs 15 +jaren later was de toestand nog weinig verbeterd. In Augustus 1865 +stierf de man, dien nu allen als weldoener der barenden eeren, in het +krankzinnigengesticht te Weenen, aan bloedvergiftiging, zonder dat hij +heeft mogen beleven, dat de wetenschappelijke mannen van zijn tijd, +uitgezonderd een enkele, zijne belangrijke ontdekking aanvaardden. +Langzamerhand echter kwam men tot het besef dat Semmelweis de waarheid +op het spoor was, en de laatste tientallen van jaren hebben, dank zij +den ijverigen arbeid van vele wetenschappelijke mannen, het bewijs +gebracht, dat zijne ontdekking duizenden moeders het leven heeft gered. +Door hunnen arbeid werd het steeds duidelijker, dat niet alleen de zoo +gevreesde kraamvrouwenkoorts, maar nog vele andere ziekten veroorzaakt +worden door infectie, dat de kraamvrouwenkoorts te beschouwen is als +een wondkoorts, de kraamvrouw als eene gewonde. En nu aanvaardt ieder +geneesheer datgene, waarvoor de ontdekker jarenlang, onder groote +miskenning, heeft gestreden. Zoo ergens dan is het hier van pas een +woord van dankbare hulde te brengen aan de nagedachtenis van den man, +wiens naam met eerbied dient genoemd te worden door alle moeders. + +Kleine levende wezens, zoo klein dat zij slechts met behulp van het +mikroskoop zijn waar te nemen, bleken de vijanden te zijn, die, overal +aanwezig, steeds den mensch belagen. Bacteriën noemt men ze met een +algemeenen naam, en hun schadelijken invloed oefenen zij uit, zoodra +zij, in het lichaam binnengedrongen, daar een geschikten bodem vinden +voor ontwikkeling en vermenigvuldiging. Zij scheiden daarbij stoffen +af, die, in de weefsels van het lichaam overgaande, niet alleen +plaatselijk allerlei veranderingen kunnen teweegbrengen, maar ook het +geheele lichaam zoo ziek maken, dat het leven er mede gemoeid is. + +Toen men eenmaal zoo ver gekomen was, zocht men, zooals voor de hand +ligt, naar middelen ter bestrijding. Het zou ons te ver voeren, hier +ook maar in ’t kort mede te deelen, hoe ver men daarmede tegenwoordig +reeds gevorderd is. Het zij genoeg te vermelden, dat eensdeels +duidelijk bleek, dat zorg voor een gezond lichaam een belangrijk +hulpmiddel in den strijd tegen de werking dezer kleine organismen is, +dat anderdeels reinheid en ontsmetting in staat zijn den vijand met +goed gevolg te bestrijden. + +Onmiddellijk, om te beginnen dus, zorg voor een gezond lichaam. Overal +zijn bacteriën aanwezig, ook in ons lichaam. Gelukkig echter bezit het +lichaam middelen om zich te verdedigen, zoodat de vijand onophoudelijk +onschadelijk gemaakt wordt of zoodanig verzwakt, dat hij geen vat op +ons heeft. En het ligt in de rede, dat het gezonde lichaam de beste +weerkracht kan ontwikkelen. + +Zoodra echter van buitenaf die organismen in het lichaam binnendringen, +wordt de strijd moeilijker en hangt het van velerlei omstandigheden af, +wie den strijd wint. Elke verwonding vormt een zwakke plek, van elke +verwonding kan de van buiten gekomen vijand den strijd beginnen. Daarom +is het noodig ons zooveel mogelijk te beschutten tegen het indringen +van bacteriën in ons lichaam. + +Hoe beschutten wij ons dan het best daartegen? Door reinheid! Door +reinheid op woning, kleeding, voedsel en lichaam. En waar reinheid in +de gewone dagelijksche beteekenis ons niet voldoende lijkt, verscherpen +wij haar door ontsmetting, door het gebruik maken van ontsmettende of +desinfecteerende middelen, welke worden aangewend om de bacteriën te +dooden of, zoo dat niet mogelijk zijn mocht, ze zoodanig te verzwakken, +dat hun schadelijke invloed zoo gering mogelijk wordt. + +Passen wij deze beschouwing toe op de baring, dan blijkt hoe de +kraamkamer zoo rein mogelijk moet zijn, hoe alles wat stof herbergt en +stof kan afgeven, zooveel mogelijk moet geweerd worden. Wij begrijpen +dan den eisch van den verloskundige, dat alles wat de barende aan en om +zich hebben zal, dat alles wat gedurende de baring gebruikt zal worden, +rein zij. Allereerst de barende zelf. Vóór de baring reinige zij zich, +in een bad als ’t kan, en anders door wassching van het geheele lichaam +met warm water, waarin men een stukje soda ter grootte van een noot kan +oplossen, en zeep. Vooral de geslachtsdeelen moeten op die wijze +gereinigd, lange haren daar ter plaatse kort geknipt worden, omdat deze +allerlei vocht, vuil en bloed vasthouden. Zij trekke daarna schoone +kleederen aan. Het best worden die, om verontreiniging gedurende de +baring tegen te gaan, van onderen op tot het middel omgevouwen en +vastgespeld, en het onderlijf bedekt met een schoonen witten onderrok, +welke gemakkelijk, als hij bevuild is, door een andere kan vervangen +worden. Ook is het aan te bevelen kort voor de baring, maar ook als die +begonnen is, den darm door een glycerine-lavement te ontledigen, om +zooveel mogelijk verontreiniging te voorkomen. Na de ontlasting moet de +vrouw weder met warm water en zeep gereinigd worden. Voor de reiniging +gebruike men nooit een spons, doch verbandwatten. De spons toch is niet +behoorlijk meer te reinigen en blijft allerlei vuil vasthouden, terwijl +vuile watten worden weggeworpen. Het hoofdhaar worde gekamd en +gevlochten. + +Het bed worde bedekt met schoon linnen. Geen beslapen lakens dus, +zooals nog dikwijls worden gebruikt. Beslapen lakens zijn vuile lakens. +Het hospitaaldoek moet, voor het gebruikt wordt, met warm water en zeep +goed afgewasschen en met een schoonen doek afgedroogd worden. + +De watten, welke door den verloskundige en de verpleegster gebruikt +zullen worden, verdeele men in twee helften. De eene helft kan weder in +de verpakking worden weggeborgen, de andere helft wordt, in strooken +verdeeld, bewaard in een schoongemaakte glazen wijdmondsstopflesch of +in een schoonen handdoek en voor het gebruik gereed gehouden. +Gewoonlijk bezorgt de verpleegster al deze dingen. + +De handenborstels, uitgekookt en bewaard in een glazen +wijdmondsstopflesch, gevuld met een ontsmettingsvloeistof, of in een +schoonen handdoek, worden gereed gehouden. + +De waschkommen moeten schoon zijn, zooals alles wat aan kommen of +kommetjes zal gebruikt worden, dus ook het ondersteek. + +Steeds moet eene voldoende hoeveelheid heet en koud water aanwezig +zijn. + +Zoodra de verloskundige geroepen is, zorge men voor heet water. Ook hij +toch, evenals de verpleegster die hem ter zijde zal staan en menige +handreiking te doen heeft, zal zich behoorlijk reinigen voor hij tot +een onderzoek of eenige andere handeling overgaat. Immers geldt vooral +voor die beiden het voorschrift van nauwkeurige reiniging en +ontsmetting. Op en in de huid, vooral van de hand, zijn vele bacteriën +aanwezig en die moeten, door langen tijd borstelen der handen met heet +water en zeep en daarna met eene ontsmettingsvloeistof, verwijderd of +onschadelijk gemaakt worden. + +Zóó is het den verloskundige mogelijk geworden de gevaren te +bestrijden, welke de barende bedreigen; zóó heeft de verloskunde, +afgezien van hare ontwikkeling in andere richting, de triomfen kunnen +vieren, waartoe Semmelweis haar eens den weg wees. + +Nu kan men begrijpen, waarom de verloskundige steeds moet aandringen op +reinheid, altijd en overal, maar vooral vóór, gedurende en ook na de +baring. + + + + + + + + +DE BEVALLING OF BARING. + + +Bevalling of baring noemt men de gebeurtenis, waarbij de baarmoeder +haren inhoud, en wel in ’t bijzonder aan het einde der zwangerschap, +uitdrijft. Dat geschiedt door samentrekkingen van haren wand, welke, +zooals wij weten, in hoofdzaak uit een weefsel van spieren is +opgebouwd. Die samentrekkingen, met pijnen gepaard, waarom zij den naam +van weeën dragen, volgen niet onmiddellijk op elkander, doch zijn door +korte of langere tijdsruimten gescheiden, in welke de spieren als ’t +ware uitrusten. Elke samentrekking begint met geringe pijn. Beide +bereiken, in sterkte toenemende, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk +minder te worden en op te houden. De samentrekkingen kan men, door de +op den buik gelegde hand, tastend waarnemen. Elke spier die zich +samentrekt wordt vaster en duidelijker te voelen. Zoo wordt ook de zich +samentrekkende baarmoeder vast en hard op aanvoelen, terwijl elke +betasting van haren inhoud, zooals dat in de zwangerschap en in de +rusttijden tusschen de samentrekkingen kan geschieden, onmogelijk is. + +Regelmatige afwisseling van samentrekkingen en rusttijden is een +gunstig verschijnsel. De gemiddelde duur eener wee is ½–1 minuut, in +het begin der baring gewoonlijk iets korter; de duur der rusttijden +schommelt tusschen 5, 10 en 15 minuten. Tegen het einde der baring +duren de weeën gewoonlijk langer en volgen elkander in ’t algemeen niet +zoo snel op. Kleine en groote verschillen kunnen evenwel met betrekking +tot beide worden waargenomen. + +Reeds gedurende de tweede helft der zwangerschap trekt de baarmoeder +zich nu en dan samen. Die samentrekkingen worden echter niet of slechts +nu en dan, vooral door gevoelige zwangeren, gevoeld. In de laatste +maand treden zij vaker op. Men noemt ze valsche pijnen, ook voorweeën, +omdat zij het begin van de baring nog niet aangeven. Zij worden meestal +in den buik waargenomen, als lichte en meer trekkende pijnen, welke ’s +nachts niet zelden verdwijnen; zij treden onregelmatig op en gelijken +op de pijnen, welke men als kramp voelt bij winden of diarrhee. Niet +zelden is de gevoeligheid te wijten aan slechte ontlasting, waarom het +dan ook, vooral in dien tijd, noodig is voor voldoenden stoelgang zorg +te dragen. Bij twijfel omtrent den aard dier pijnen is het voorzichtig +den geneesheer te waarschuwen. + +De ware of echte baringsweeën zijn in regelmatige tusschenpoozen +terugkeerende samentrekkingen, waarbij de pijnen niet alleen of +hoofdzakelijk in den buik, doch ook in de lendenstreek en zelfs in de +dijen uitstralende, gevoeld worden. Dit laatste is evenwel geen +algemeen geldende regel, zoodat wij het best doen met te zeggen, dat +die weeën als echte, het begin der baring aankondigende, zijn op te +vatten, waarbij de pijnen, zij het ook alleen in den buik, met +regelmatige tusschenpoozen opkomen, allengs heviger worden en sneller +op elkander volgen. + +Die samentrekkingen nu hebben allereerst tot gevolg, dat de opening der +baarmoeder langzamerhand wijder en wijder wordt. Een teeken dat, zooals +men het noemt, de baarmoeder zich opent, is in vele gevallen het +volgende. Door den druk der weeën gevoelt de vrouw aandrang tot +urine-loozing. Wanneer zij aan die behoefte voldaan heeft en de +geloosde urine beziet, bemerkt zij daarin een klein of grooter rood +streepje. Dat is bloed, hetwelk bij het openen der baarmoeder te +voorschijn en tot in de schaamspleet kwam, waaruit het door de urine +werd weggespoeld. Wanneer de vrouw niet urineert, doch met een doek of +watten de schaamspleet uitveegt, neemt zij wat bloederig gekleurd +slijmachtig vocht waar. Men zegt dan: „De vrouw teekent” of ook wel: +„Er is ontsluiting”. Den tijd gedurende welke de opening in grootte +toeneemt, noemt men het ontsluitingstijdperk. + +Daar de zich samentrekkende baarmoeder haren inhoud vaster omsluit, +wordt die inhoud steeds meer naar en in de opening gedreven. Gewoonlijk +komt het daarbij tot braken. In den beginne geschiedt de verwijding of +ontsluiting met medewerking van den druk, waaronder het vruchtwater +staat, dat in den eivlieszak is opgesloten. Het onderste gedeelte van +dien eivlieszak legt zich bij iedere samentrekking tegen den rand van +de opening aan en wordt, naarmate die opening in grootte toeneemt, +daardoor heen gedrukt, zóó lang tot er een oogenblik komt, dat dit +gedeelte van dien zak den druk van het vruchtwater niet kan weerstaan +en op het hoogtepunt der wee scheurt. Dikwijls voelt de vrouw dat +bersten. Dadelijk daarop bespeurt zij, dat er eene hoeveelheid vocht, +het vruchtwater, al of niet met bloed gemengd, door de geslachtsdeelen +naar buiten vloeit. Men zegt dan, dat „het water gebroken is.” + +Gedurende dien tijd namen de weeën in kracht en pijnlijkheid toe. Na +het breken der vliezen treedt gewoonlijk een tijdperk van wat langere +rust, soms ¼—½ uur, in en geeft het wegloopen van het vruchtwater der +vrouw een gevoel van verlichting en ontspanning. Dan begint de +weeënwerkzaamheid opnieuw, de pijnen komen wederom opzetten, doch niet +zoo onaangenaam snijdend en knijpend als te voren. Soms echter worden +de weeën onmiddellijk in aansluiting aan het breken van het water +sterker, langer aanhoudende en sneller terugkeerende. Door die weeën +wordt nu het hoofd van het kind in de baarmoederopening geperst. +Wanneer de vrouw de pijnen nog niet in lenden en dijen gevoeld mocht +hebben, is dat nu zeker wel het geval en van dat oogenblik verdwijnen +die niet meer. Dan kan men aannemen, dat het hoofd in de scheede is +gekomen. Iedere opvolgende wee brengt dat deel van het kind iets verder +in de scheede, naar de uitwendige opening toe. Daarbij krijgt de vrouw +een gevoel alsof alle spieren van buik en lenden zich samentrekken, zij +voelt heftige drukking in de scheede, met behoefte om zich, door +inspanning van de buikspieren, door persen, daarvan te bevrijden. +Somtijds wordt zij daarbij geplaagd door pijnlijke krampen in kuiten en +dijen. Bij iedere nieuwe wee trilt zij, houdt den adem in, zoekt steun +voor handen en voeten, perst onwillekeurig met alle macht naar beneden, +waarbij de weeënpijn dragelijker wordt, het gelaat wordt rood en +opgezet, zij begint te zweeten, wil schreeuwen als om daardoor te +ontkomen aan den machtigen drang, doch wordt onwillekeurig tot +verwerking der weeën gedrongen, d.i. den adem in te houden, den +buikwand saâm te trekken en naar beneden te persen, waarbij +langzamerhand de wil komt om hetzelfde te doen, daar zij begint te +bespeuren, dat daardoor het kind wordt voortbewogen. Als de wee voorbij +is, haalt zij diep adem en verlangt te drinken, daar de mond droog is. +Daar komt de pijn opnieuw opzetten, drukking en drang nemen toe, het is +alsof er ontlasting komen moet en er in de schaamspleet iets te voelen +komt, dat naar buiten wil. Dan verschijnt inderdaad een gedeelte van +het hoofd in die opening. Telkens schijnt het terug te willen. De +veerkracht der weefsels dringt het werkelijk gedurende de weeën-pauze +terug, maar de opvolgende wee doet ras het verlorene herwinnen en +brengt het hoofd verder voorwaarts, de weefsels worden tot scheurens +toe gespannen, de aarsopening wordt opengerekt, hevig drukkende pijnen +dwingen haar steeds tot persen, het geheele lichaam schudt, het gevoel +van pijn en angst bereikt zijn hoogsten graad, ’t is of alles wil +breken, alles uit elkaar zal spatten, alles één opening wordt waardoor +de druk zich ontlast, alles wat haar benauwt haar ontschiet en.... het +hoofd is geboren. Daarmede is letterlijk en overdrachtelijk de +hoofdzaak geschied. Zij haalt ruimer adem, het ergste is achter den +rug. Na een kortstondige rust nog één wee. Nog éénmaal voelt zij den +onweerstaanbaren drang, zij perst en daar is ’t of alles, in een +onnoemlijk gevoel van verlichting, haar ontvloeit. Haar kind is geboren +en begroet het levenslicht met een kreet, welke de moeder in zalige +verrukking brengt. Het uitdrijvingstijdperk, zooals men dit tweede +gedeelte der baring, na het breken der vliezen, noemt, is voorbij. + +De navelstreng wordt door den geneesheer op twee plaatsen, op eenigen +afstand van elkander, met een bandje afgebonden, dan daartusschen +doorgeknipt, hij heft het kind omhoog en vertoont het aan de moeder. +Alle pijn is verdwenen, alle smart vergeten. Vermoeid, doch gelukkig en +dankbaar, ligt zij daar, genietende de rust welke zoo onverwacht haar +deel werd. Nu, warm toegedekt, ligt zij rustig op den rug. Wel voelt +zij een min of meer brandende pijn aan de uitwendige geslachtsdeelen, +die te wijten is aan de rekking van den scheedeingang, welke heeft +plaats gevonden, en aan onvermijdelijke scheurtjes, doch dat deert haar +niet. Het zwaarste is geleden. + +De buik is saâmgevallen, de buikwand slap en geplooid. Daardoorheen is +de samengetrokken verkleinde baarmoeder als een min of meer harden +ronden bal, ter grootte van een hoofd, te voelen. Door die +samentrekking komt de bloeding, welke gedurende den doortocht van het +kind kan zijn opgetreden, tot staan. + +Bijna altijd overvalt der pas verloste vrouw nu een huiveren en beven, +als terugslag op den arbeid dien zij verricht heeft. Daarom moet zij +rustig liggende, goed en warm toegedekt, zich overgeven aan de +ingetreden kalmte. + +Na 10—15 minuten van korte doch weldadige rust voelt zij weder pijnen +in den onderbuik, dikwijls gepaard gaande met geringe bloedvloeiing. +Dat zijn de nageboorteweeën, samentrekkingen van de baarmoeder, +waardoor de nageboorte, moederkoek en eivliezen, van den baarmoederwand +wordt losgemaakt. Zoo pijnlijk als de voorgaande zijn deze weeën niet, +ook volgen zij elkander niet zoo snel op. Eindelijk wordt de +nageboorte, vergezeld van vloeibaar en gestold bloed, onder een gevoel +van dringen, uitgestooten. Meestal echter weet de geneesheer dien tijd +te bekorten. Hij heeft reeds eenige malen, door den buikwand heen, de +baarmoeder betast om zich te vergewissen van den regelmatigen en +ongestoorden gang van dit gedeelte der baring en neemt, na verloop van +een half uur of langer, een gunstig oogenblik waar om, door een +krachtigen druk op de saâmgetrokken baarmoeder, de uitdrijving der +nageboorte te doen plaats hebben. + +Nu is inderdaad de „verlossing” afgeloopen en maakt de geneesheer zich +gereed de moeder van bloed, vruchtwater en allerlei, waarmede zij +bevuild werd, te reinigen. Daarna wordt ook het bed gereinigd of de +kraamvrouw in een ander, schoon bed overgebracht. Tevens bekijkt de +geneesheer de schaamspleet, om te zien of misschien, bij het rekken +gedurende den doortocht van het kind, eene scheuring van het weefsel is +ontstaan. Is dat het geval, en vaak is dat niet te verhoeden, dan hecht +hij de ontstane wonde, opdat de opening weder als voorheen gesloten +worde. Is alles afgeloopen, dan legt men de kraamvrouw een verband voor +de uitwendige geslachtsdeelen, om het nog uitvloeiende bloed op te +vangen, omwikkelt haar den buik, tot steun, met een sluitlaken en geeft +haar over aan de zoo noodige rust. + +Aldus, in korte trekken, de gebeurtenis welke men bevalling noemt. +Hierbij zijn eenige opmerkingen nuttig en noodig. + +Reeds gedurende de zwangerschap zal de geneesheer zich door onderzoek +overtuigd hebben van de ligging van het kind en van den inwendigen bouw +der vrouw, met de bedoeling zich van te voren eene voorstelling te +maken van de wijze waarop de bevalling zal geschieden. Dat onderzoek +heeft zoowel plaats door uitwendig onderzoek, d.w.z. door betasting van +den inhoud van den buik en van den inhoud der baarmoeder, door den +buikwand heen, als door inwendig onderzoek, d.i. door het invoeren van +den vinger in de geslachtsdeelen. Dergelijk onderzoek wordt later +herhaald, zoowel om uit te maken of de baring begonnen is, als om, in +den aanvang der baring, zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van +alles, wat hij weten moet, om moeder en kind zijne goede zorgen te +kunnen wijden. + +Niet altijd volgen de gebeurtenissen gedurende de baring in dezelfde +volgorde elkander op of hebben zij op dezelfde wijze, in dezelfde mate, +in dezelfde regelmaat plaats. Meermalen wordt de zwangere vrouw verrast +door afvloeien van vruchtwater vóór zij nog eenige pijn gevoeld heeft, +nog vóór zij eenig teeken waarnam, waaruit zij kan opmaken, dat de +baring beginnen zal. Zij zal dan goed doen te bed te gaan of te blijven +liggen, en den geneesheer te laten komen, die dan een onderzoek instelt +en haar raad zal geven, hoe zij zich te gedragen heeft. + +Gedurende het ontsluitingstijdperk kan ook het breken van de vochtblaas +vroeger of later geschieden. Meestal is men van meening, dat de baring, +na vroeg breken van de vochtblaas, moeilijker en langduriger zijn zal, +en hoort men spreken van „drogen arbeid”. Dit schrikbeeld behoeft +evenwel geen enkele zwangere of barende te kwellen. Nooit toch vloeit +al het vruchtwater weg en de ervaring heeft geleerd, dat—in het +algemeen genomen—de duur der baring daardoor niet verlengd, vaak zelfs +verkort wordt. Het laat breken der vliezen kan omgekeerd den duur der +baring verlengen, waarom dan ook de geneesheer dikwijls zelf de blaas +opent, om den duur te bekorten. Of na het afvloeien van het vruchtwater +de vrouw het bed moet houden, dan wel nog in de kamer mag rondgaan, +late men aan zijne beslissing over. + +Het is volstrekt niet ongewoon te vernemen, dat de vrouw is +„ingescheurd” ten gevolge van minder goede zorg van den geneesheer. +Hieromtrent dient opgemerkt, dat het hem, zelfs bij de uiterste +inspanning, niet alleen niet altijd, maar zelfs in zeer vele gevallen +in het geheel niet gelukken zal het scheuren der weefsels te voorkomen. +Allerlei invloeden spelen hierbij eene rol. Zoo zal een groot hoofd van +het kind niet zonder scheuren door een nauwe schaamspleet kunnen +geboren worden en zal de geneesheer zelfs genoodzaakt kunnen zijn, om +erger te voorkomen, de opening door eene insnijding te vergrooten; zoo +zal eene vrouw, die op ouderen leeftijd voor ’t eerst baart, grootere +kans op inscheuring hebben, omdat bij haar de weefsels niet zoo +gemakkelijk en niet zoo volledig meer rekken als bij jonge +eerstbarenden; zoo zal een hoofd, dat niet de gunstigste houding bij +het doortreden door de opening heeft, allicht de rekbaarheid op te +groote proef stellen, waaraan deze niet vermag te voldoen en zoo zal de +vrouw, die gedurende de geboorte van het hoofd zich plotseling aan de +steunende hand van den verloskundige onttrekt en met alle kracht en +snelheid het hoofd door de opening perst, eene inscheuring krijgen, +welke bij meerdere kalmte ware te voorkomen geweest, om van andere +mogelijkheden niet te reppen. Ook de geneesheer stelt er prijs op zulke +onaangename verrassingen te ontgaan en doet dus alle mogelijke moeite +die te voorkomen. + +In het algemeen zij de vrouw indachtig, dat de bevalling, hoewel met +pijn gepaard, eene noodzakelijkheid is, waaraan zij niet ontgaan kan. +Zij late zich dus niet door vrees beheerschen, doch neme zich voor, ook +dien arbeid met wilskracht en moed te verrichten. De belooning toch is +groot, het einde brengt wat zij zoo lang verwacht heeft. Onstuimig +woelen, gebrek aan geduld en kalmte, aan bedaardheid en +zelfbeheersching werken nadeelig; kalmte en berusting zullen haar +velerlei onaangenaamheden besparen. De weeën zijn dan regelmatiger, de +duur van de baring daardoor korter en de voldoening te grooter. Laat de +gedachte, dat de geneesheer noodig is bij deze heuglijke gebeurtenis, +haar niet doen vreezen voor allerlei gevaren. De natuurkrachten leiden +in bijna alle gevallen tot een goed einde. Alles is over ’t algemeen +van nature voor die gebeurtenis zoo goed ingericht, dat—naar de +ervaring leert—95 van de 100 gevallen, geheel zonder hulp, gelukkig +afloopen. + +De tegenwoordigheid van den verloskundige zij haar integendeel tot +troost. Hij is daar om elke afwijking, welke zich zou kunnen voordoen, +te herstellen. Waar hij kalm is, behoeft zij niet te vreezen, zij +vertrouwe op hem. Zijne kalmte mag haar niet voorkomen als zou hij +gebrek aan menschelijk gevoel hebben. Hij overziet den toestand en weet +waaraan hij zich te houden heeft, wat goed voor haar is. Zijne kalmte +spruit voort uit het besef, dat alles goed zal gaan en zijn handelen is +dat van den man, die weet wat er geschiedt. Daarom is hij niet +hardvochtig, als hij niet voldoet aan alle wenschen van de barende of +van hare omgeving. Integendeel, menige baring zou slecht afloopen, +indien hij zich niet wist te beheerschen en weerstand te bieden aan +begrijpelijke, doch ondoordachte verlangens en beden. Wie hem vertrouwt +zal zelve de noodige kalmte behouden en te beter het einde bereiken. + +De duur der baring is zeer verschillend. In het algemeen wordt +aangenomen, dat eene eerste baring 20–22 uren, volgende baringen +omstreeks 15 uren duren. Toch eindigt de eerste baring in de helft der +gevallen tusschen het 10e–18e uur, terwijl volgende baringen binnen 9 +uren afloopen. Volgens gemaakte berekeningen zou het voorbereidings- of +ontsluitingstijdperk bij de eerste baring 12–20 uren, bij volgende 6–12 +uren, het uitdrijvingstijdperk bij de eerste baring 1½–7½ uren, bij +volgenden ¼–1½ uur duren, en zou de nageboorte 2–2½ uur na de geboorte +van het kind worden uitgedreven, indien, zooals boven gezegd, de +geneesheer daaraan niet eerder een einde maakte. Velerlei +omstandigheden kunnen op den duur van invloed zijn, zonder dat men +daarom van afwijkingen behoeft te spreken. + +Wanneer de vliezige zak, waarin het kind besloten is, sterk is, zal hij +minder gemakkelijk scheuren, en daardoor den voortgang der baring +belemmeren. De geneesheer kan dan den duur verkorten door den zak te +openen. + +Niet steeds volgt op het breken der vliezen een lange rustpooze. Vooral +bij volgende bevallingen komt het niet zelden voor, dat dadelijk na het +breken der vliezen en het afloopen van vruchtwater, ja, tegelijkertijd, +dus met dezelfde wee, het kind geboren wordt. + +De duur der baring kan verder langer zijn door onrustigheid en angst +der barende, alsook door het voortdurend te bed liggen gedurende het +voorbereidings- of ontsluitingstijdperk. Dat weten vrouwen, die reeds +meermalen baarden, dan ook wel. Zij blijven zoolang mogelijk op de +been, gedurende eene wee steun zoekende waar zij dien toevallig vinden, +om na afloop daarvan weder rond te gaan. + +De spieren van de baarmoeder zijn niet altijd even krachtig. Zij +verrichten dan slechts korten tijd den noodigen arbeid, om daarna een +langeren tijd van rust te nemen voor zij dien weder opvatten. +Anderszins komt het voor, dat er eene wanverhouding bestaat tusschen +grootte van het kind en ruimte van den weg, waardoor het moet worden +voortbewogen, of dat geringe rekbaarheid dier deelen de uiterste +inspanning van den kant der baarmoeder vergt, zoodat haar kracht eerder +uitgeput raakt, waarop dan eveneens een langer tijdperk van rust volgt. +Somtijds is die krachtsinspanning van de baarmoeder, vooral bij +wanverhouding, zoo groot, dat de weeën bijzonder snel op elkander +volgen, als ’t ware onafgebroken bezig zijn, zonder dat het gevolg +noemenswaard is. Dan vooral, eveneens in andere gevallen waarin +stoornissen in het verloop der baring zich mochten voordoen, vertrouwe +de barende op den geneesheer, op zijn kennen en kunnen en op de +wonderbare krachten der natuur. De geneesheer weet, door ervaring +geleerd, den rechten weg te kiezen en, als het noodig blijkt, zal hij, +op het juiste oogenblik, zijn kunst aanwenden om te helpen. Moed, +geduld en vertrouwen zijn de eigenschappen, welke de barende van noode +heeft. + +Dat eene goede zwangerschap ook eene gelukkige baring laat verwachten, +en omgekeerd, is een geloof, dat, algemeen verbreid, op geen goede +gronden rust. Men geloove ook niet aan den invloed van allerlei +middelen, welke gezegd worden de baring gemakkelijk te maken. Dat geldt +eveneens voor de bewering, dat het veelvuldig nemen van warme baden, +tegen het einde der zwangerschap, een bijzonder gunstigen invloed zou +uitoefenen. + +Opmerkelijk is het, dat in 55 % der gevallen de geboorte tusschen 8 uur +’s avonds en 8 uur ’s morgens plaats heeft, meestal tusschen 12 en 3 +uur ’s nachts, het zeldzaamst tusschen 9 en 12 uur ’s avonds. Het begin +valt meestal tusschen 9 en 12 ’s avonds, het zeldzaamst tusschen 12 en +3 uur ’s middags. + +Oudtijds was men van meening, en ook nu is zij niet geheel verdwenen, +dat de weeën het gevolg waren van de pogingen welke het kind aanwendt +om uit de baarmoeder te komen. Daarbij zou, zoo meende men, het kind de +voeten tegen den baarmoederbodem steunen en zich met de armen een weg +banen. De weeënpauze zou dan de uiting zijn van het uitrusten van het +kind. Van daar dat men nog wel eens hoort, wanneer een kind dood +geboren wordt, dat de baring zoo lang geduurd heeft, omdat het kind +zichzelf den weg niet banen kon en de moeder het dus moest uitpersen. +Dat is geheel onjuist. De langdurige baring kan de oorzaak geweest +zijn, dat het kind stierf. Het kind doet niets, de samentrekkingen van +de baarmoeder, waarbij zich later het persen der barende, het gebruik +van de buikpers, zooals men dat noemt, voegt, is de oorzaak dat het +kind wordt voortbewogen. Dat is nu begrijpelijk voor haar, die kennis +nam van hetgeen gezegd werd omtrent den bouw der baarmoeder en de +werkzaamheid van haren spierwand. + +Wanneer na het breken van de vliezen een groot gedeelte daarvan zich +over het hoofd van het kind legt, wordt dat deel hooger op van het +andere deel afgescheurd en zal het, na de geboorte, het hoofd bedekken. +Men zegt dan, dat het kind met den helm geboren wordt. + +Somtijds komt het voor, dat in de laatste weken van de zwangerschap, al +of niet gepaard met of voorafgegaan door pijnen, bloeding uit de +geslachtsdeelen optreedt, welke bloeding zeer belangrijk zijn kan. Het +is dan noodig den geneesheer zonder verwijl daarvan in kennis te +stellen, opdat hij daarvan niet onkundig blijve. Middelerwijl houde de +vrouw de grootste rust in bed. + +Het gebeurt niet zelden dat de navelstreng een of meermalen, als een +lus, om den hals van het kind gevonden wordt. Men noemt dat +omstrengeling. De geneesheer houdt ook daarop zijne aandacht gevestigd, +om noodlottige gevolgen voor het kind zoo mogelijk te voorkomen. + +Bijzondere vrees wordt veelal gekoesterd voor het zoogenaamde +vastgegroeid zijn van de moederkoek of nageboorte. Eigenlijk moet men +zeggen, dat er eene afwijking bestaat in dien zin, dat de vasthechting +aan den baarmoederwand zoo stevig is, dat de samentrekkingen van de +baarmoeder niet in staat zijn haar op te heffen. Al is deze afwijking +allerminst van belang ontbloot, onjuist is het te meenen, dat zij zoo +vaak voorkomt als wel eens beweerd wordt. Zij komt integendeel +betrekkelijk zeldzaam voor. De meening dat de moederkoek, of het kind, +zooals ook wel eens beweerd wordt, aan het hart is vastgegroeid, is +bijna te dwaas om er hier over te spreken. De beschrijving van de +onderlinge ligging van baarmoeder, darmen, maag en hart, zooals wij die +in den aanvang in ’t kort gegeven hebben, zal iedere vrouw, die dat +gelezen heeft, wel doen inzien, dat eene dergelijke vergroeiing tot de +onmogelijkheden behoort. + +De meeste barenden hebben gaarne, dat men haar met de vlakke hand in de +lenden of iets lager steun geeft. Dat zal het gemakkelijkste gebeuren +wanneer zij op de zijde ligt, eene ligging welke hier te lande de meest +gebruikelijke is. + +Gedurende de baring is de eetlust verminderd. Men trachte dus niet de +barende tegen haren wil iets op te dringen. Veelal wordt het genotene +uitgebraakt, wat haar zeker eenige onaangename oogenblikken bezorgt. +Drinken is haar daarentegen zeer welkom en daaraan mag met gerustheid +worden tegemoet gekomen. De angst, dat frisch koud water zoogenaamde +krampweeën zou opwekken, is onjuist. Men vermijde evenwel alcoholica. +Hierbij moet er op gewezen worden, dat de barende vaak geen aandrang +tot urine-loozing voelt of, omgekeerd, herhaaldelijk dien drang +ondervindt, terwijl slechts geringe hoeveelheden urine te voorschijn +komen. In beide gevallen kan het gebeuren, dat de urine-blaas overvuld +raakt. Daarop dient in het bijzonder gelet te worden, omdat de +overvulde blaas de werkzaamheid der weeën vermindert, zelfs geheel kan +doen ophouden, waarbij dan aanhoudend pijnen in den onderbuik en +afwijkende ligging van het kinderhoofd, ten opzichte van het +baringskanaal, kunnen ontstaan. Het is dus van belang, met het oog op +den regelmatigen gang der weeën, er op te letten, dat de urine-loozing +gedurende de baring geregeld plaats vindt. + +De gevoeligheid voor de weeënpijnen en de uiting, welke daaraan door de +barenden gegeven wordt, is zeer verschillend. Flinke vrouwen, zelfs +eerstbarenden, laten somtijds geen enkelen kreet hooren, anderen geven +op de allerkrachtigste wijze uiting aan hare gevoelens van pijn en +onbehagen. Al is het te begrijpen, dat hevige pijn onwillekeurig +aanleiding geeft tot eene kernachtige uiting van smartgevoel, zoo is +het ook in deze van belang, dat de barende zich zooveel mogelijk +beheerscht. + +Ondanks alle voorzorgen komt het voor, dat het kind schijndood of ook +wel dood geboren wordt. Somtijds sterft het reeds gedurende de +zwangerschap. De oorzaken voor dit laatste zijn meestal gelegen in +ziekten van vader of moeder, of ook in ziekten van het ei of ziekten en +misvormingen der vrucht, ofschoon misvormde vruchten dikwijls levend +geboren worden, doch gelukkig niet lang in leven blijven. De oorzaken, +dat een normaal kind gedurende de baring sterft, kunnen vele en +verschillende zijn. Bij de eerste baring loopt het kind, bij goede +ligging, meer gevaar dan bij latere baringen. Vooral is dit het geval +bij vrouwen, die na het 30ste jaar voor het eerst baren. In het +algemeen komt het percent-cijfer ten nadeele van de jongens, door de, +in verhouding, grooteren omvang van den schedel. In hooge mate van +belang is de ligging van het kind bij de geboorte en de kunsthulp welke +alsdan moet worden aangewend. In dit verband gedacht, loopt het kind +dat dwars in de baarmoeder gelegen is het meeste gevaar, daarop volgt +de ligging met de stuit of de beenen vooruit, vervolgens die met het +aangezicht vooruit en ten slotte die met het achterhoofd vooruit, op +andere wijze dan in normale houding. Niet zelden komt het leven van het +kind in gevaar door omstrengeling van den hals, veel zeldzamer door +buitengewone kortheid van de navelstreng. + +Van schijndood geboren kinderen moeten helaas ook nog een aantal het +leven laten. Schijndood komt het meest voor na eene moeilijke +bevalling. De kleur van het kind kan dan zijn donker blauw of wit. De +ledematen zijn slap, de ademhaling ontbreekt. + +Het schijnt ons hier de geschiktste plaats te trachten aan te geven, +hoe men te handelen heeft, wanneer het kind geboren wordt, zonder dat +geneeskundige hulp aanwezig is. Wanneer dan het kind geboren is, legt +men de moeder, als zij op zijde lag, op den rug en het kind tusschen de +beenen, zoo, dat het de ruimte heeft en neus en mond onbedekt zijn. +Mocht het gelaat door een gedeelte der eivliezen bedekt zijn, het kind +dus „met den helm geboren zijn”, zóó, dat het vlies de openingen van +mond en neus afsluit, dan vatte men het vlies, het best met een drogen +doek, omdat het zeer glibberig is en zich niet gemakkelijk laat +vasthouden, en verwijdere het. Het kind kan dan ademhalen en +schreeuwen. Zoo kan het blijven liggen tot de geneesheer komt. Tevens +lette men op de baarmoeder; deze moet zich, na de geboorte van het +kind, flink samen trekken. Men kan zich daarvan overtuigen, door de +hand op den onderbuik der vrouw te leggen. Trekt de baarmoeder zich +goed te zamen, dan voelt men daar een min of meer harden bol. Trekt zij +zich onvoldoende samen, dan bestaat er meestal bloeding en voelt men +niets of slechts zeer onbepaald een weekachtig gezwel. Door flink +wrijven van dat gezwel zal het zich samentrekken en de bloeding tot +staan komen. Voortdurend wrijven voorkomt het slapper worden, er moet +dus voortdurend gewreven worden. + +Indien het kind schijndood mocht zijn, dus de bovengenoemde verkleuring +vertoont, niet schreeuwt en niet ademhaalt, dan wordt allereerst de +navelstreng doorgeknipt. Dit geschiedt zoo, dat op twee plaatsen, op +eenigen afstand van elkander, een stukje veterband flink om de streng +wordt gesnoerd en geknoopt. Daarna knipt men de streng, met een schoone +schaar, tusschen de beide plaatsen door. Het kind kan dan worden +opgenomen. + +Bij lichtblauwe verkleuring van huid en zichtbare slijmvliezen, zijn +gewoonlijk de spieren van armen en beenen niet geheel slap, doch maakt +het kind geene bewegingen, en is de hartslag te zien en te voelen. +Brengt men het kind, na het met een om den wijsvinger gelegd zacht +doekje de mondholte van slijm gereinigd te hebben, in een warm bad (± +36° C, ± 29° R,) daarin het hoofd met de hand ondersteunende, opdat het +niet onder water zakke, dan zal het veelal na eenigen tijd beginnen +adem te halen en te schreeuwen. Wanneer de kleur blauwviolet is, alle +spieren slap zijn, zoodat ook het hoofd heen en weer bengelt, de +hartslag niet te zien is en slechts flauwtjes te voelen, daarbij +langzaam en onregelmatig, dan zal het langer duren voor het kind +bijkomt. Nadat het dan eenigen tijd in het warme bad gelegen heeft, kan +men de huid prikkelen, b.v. door het een paar flinke klappen op de +billen te geven, nadat die eerst afgedroogd zijn en, bij jongens, de +balzak naar voren, tusschen de dijen, is weggeborgen. Daarna wordt het +weder in het warme bad gebracht. Het kan noodig zijn dit eenige malen +te herhalen, voordat men de ademhaling, eerst oppervlakkig, +langzamerhand dieper wordende, ziet tot stand komen, de blauwe +verkleuring in rozerood ziet overgaan, de oogen ziet opengaan en +eindelijk het kind hoort schreeuwen. Mocht het niet reageeren op de +klappen op de billen, dan neme men het uit het warme bad en dompele +het, voor een oogenblik, tot den hals toe in een emmer koud water en +brenge het vervolgens dadelijk weder in het warme bad. Zoo afwisselend +handelende, zal het kind ten slotte zijn onbehagen over dergelijke +behandeling door geschreeuw en allerlei bewegingen van armen en vooral +van de beenen kenbaar maken. Dan wordt het afgedroogd en in het warme +bed gelegd. + +Veel moeilijker zal het zijn een schijndood kind, dat wit en slap is, +in het leven terug te roepen. Allereerst beginne men dan, als boven +vermeld, met het reinigen van den mond en het brengen in een warm bad, +om, als de huid behoorlijk warm geworden is, het kind voor een +oogenblik in koud water te dompelen, en dadelijk daarop weder in het +warme bad. Doch meestal is dat niet voldoende en zal het noodig zijn de +kunstmatige ademhaling toe te passen. Daarvoor is kennis van de wijze +waarop dat dient te geschieden en bijzondere handigheid noodig, zoodat +gewoonlijk alleen de geneesheer in de mogelijkheid is te trachten +alsnog de bijna uitgedoofde levensvonk aan te blazen. + +Om dergelijke tegenspoeden zooveel mogelijk te ontgaan, geven wij den +raad, steeds den geneesheer te ontbieden, zoodra de vrouw meent, dat de +baring begint. Hij kan zich dan bijtijds van den toestand op de hoogte +stellen en zijne maatregelen nemen, opdat hij op het juiste oogenblik +tegenwoordig zij. Dan kan veel onaangenaams voorkomen worden, +onaangenaams zoowel voor moeder en kind als voor den geneesheer. + + + + + + + + +HET KRAAMBED. + + +Na de baring wordt de kraamvrouw in den regel overvallen door huiveren +en beven. Dat is geen teeken van koude of kou-vatten, doch veeleer op +te vatten als een terugslag op den dikwijls zwaren arbeid, welken zij +verricht heeft en waaraan eensklaps een einde kwam. Spoedig, in de +eerste uren van rust, maakt dat plaats voor zweeten, dat, gedurende den +slaap het sterkst, eenige dagen aanhoudt, doch sterk wisselt, naar +gelang van kleeding en bedekking, van de buiten-temperatuur, toevoer +van vloeistoffen, gemoedsbewegingen, als anderszins. Wanneer zij zelve +nu gereinigd en de buik door een buikverband, waarvan verschillende +modellen in gebruik zijn, ingesloten is, mag de kraamvrouw zich +eindelijk overgeven aan de rust, welke zij, naar lichaam en geest, +zoozeer behoeft. Het verlangen naar rust is dan overheerschend, en al +leidt die behoefte naar rust niet altijd tot slaap, het kalm liggen in +eene rustige kraamkamer, waar een oogenblik te voren nog alles in volle +beweging was, is haar reeds een weldaad. Nu en dan wordt zij nog wel +gekweld door pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën +genoemd, doch meestal is die pijn gelukkig niet zoo hevig, dat zij +daardoor ten slotte den slaap niet zou kunnen vatten. Vooral zij die +meermalen baarden hebben er last van, alsook zij, bij wie de baring een +snel verloop had. Dan vooral kunnen de naweeën eenige dagen aanhouden, +meestal twee of drie dagen, zelden langer dan tot den vijfden dag, en +gedurende het zuigen van het kind in sterkte toenemen. Vaak zijn die +naweeën de uiting van pogingen, welke de baarmoeder aanwendt, om zich +van bloedstolsels te ontlasten. Andere vrouwen bespeuren er alleen iets +van zoo lang het kind aan de borst ligt. Vroeger legde de baker, met +het oog op die pijnen, een met brandewijn natgemaakten doek op den +onderbuik, aldus onbewust een middel gebruikende, dat in onzen tijd, in +den vorm van alcohol-verbanden, wel eens wordt aangewend bij +prikkelingstoestanden van het buikvlies. Somtijds is de pijn in den +onderbuik te wijten aan sterke overvulling van de blaas door urine. Het +middel daartegen ligt voor de hand. + +Onder den invloed dezer naweeën wordt de baarmoeder allengs kleiner. +Bij zoogende vrouwen geschiedt de terugkeer tot de grootte, zooals die +bij de niet zwangere vrouw is, in den regel sneller. Die verkleining +geschiedt minstens tot de zesde week, het snelst en het duidelijkst +merkbaar, bij onderzoek, binnen de eerste veertien dagen. Daarbij neemt +de lengte vlugger af dan de breedte. De grootste verkleining heeft +plaats gedurende de eerste drie dagen. + +Afgezien van individueele verschillen, met betrekking tot de snelheid +der verkleining, hebben het verloop van de baring, haar aantal (het +orgaan blijft in verhouding tot het aantal der voorafgegane baringen in +al zijne afmetingen iets vergroot) en, naar men meent opgemerkt te +hebben, ook de ouderdom der kraamvrouw invloed daarop. Langer duurt de +verkleining na buitengewone uitzetting van de baarmoeder, b.v. na +overmatige hoeveelheid vruchtwater en na tweelingzwangerschap. De +scheede blijft steeds wijder dan voor dien tijd. Na drie of vier weken +heeft zij een groot deel van de vroegere veerkracht terug gekregen, +doch de voorste scheedewand blijft, vooral na herhaalde baringen, +dikwijls eenigszins gedaald. + +Gedurende de eerste dagen van het kraambed, het sterkst den dag na de +bevalling, gevoelt de kraamvrouw ook spierpijnen, vooral in armen en +beenen, als gevolg van den voor haar over ’t algemeen ongewonen +spierarbeid bij de baring. + +De eetlust is gewoonlijk verminderd, de dorst meestal vermeerderd. Zoo +ondervindt zij dus nog eenigen tijd, de een meer de ander minder, de +nawerking van de inspanning gedurende eene gebeurtenis, welke met recht +„verlossing” mag genoemd worden. Doch ook hierbij doen zich belangrijke +verschillen voor. De eene vrouw gevoelt zich door eene gemakkelijke +bevalling afgemat en zwaar beproefd, de andere ziet er, zelfs na veel +sterkeren baringsarbeid, uitstekend uit en gevoelt zich reeds na eenige +uren alsof er niets gebeurd was. Dat hangt af van velerlei +omstandigheden en persoonlijke eigenaardigheden, evenals de +gemoedstoestand na de baring. Zoo zal de eene vrouw, na afloop, kalm en +rustig genieten van het geluk haar deelachtig geworden, de andere, vol +van dat geluk, daaraan door druk gepraat en bemoeienis met alles om +haar heen uiting geven. Voor beiden is het nuttig en noodig in de +kraamkamer zoo spoedig mogelijk alles tot rust te brengen. + +De kraamvrouw moet gedurende eenige dagen rust in bed genieten. Zij +behoeft daarbij niet voortdurend op den rug te liggen. Die rust is ook +van belang voor genezing van wonden, welke, van nature, bij de baring +ontstaan. Wij wezen er reeds op, dat de kraamvrouw als eene gewonde te +beschouwen is. Die wonden bevinden zich voornamelijk in de inwendige +geslachtsdeelen. De binnenvlakte van de baarmoeder vormt één +wondvlakte. Eivliezen en moederkoek toch waren min of meer vast met den +baarmoederwand verbonden. Nadat zij door de nageboorteweeën losgemaakt +en uitgedreven waren, bleef eene wondvlakte over. Wel is waar is die +vlakte, nadat alles verwijderd is, door de samentrekking van de +baarmoederspieren veel kleiner geworden, doch voorloopig is zij nog +groot genoeg. Buitendien zijn in den baarmoedermond scheuren ontstaan, +tengevolge van den doortocht van het kind, vertoonen scheede, +scheedeingang en vaak ook de bilnaad, kleinere en grootere +verwondingen, tengevolge der rekking. + +Vooral de wondvlakte in de baarmoeder scheidt vocht af, dat naar buiten +vloeit en den naam van kraamzuivering draagt. De hoeveelheid is +verschillend. Na sterk bloedverlies, gedurende en na de baring, is de +afscheiding gewoonlijk sterker; sterk zweeten, diarrhee en het intreden +der zogafscheiding doen haar tijdelijk verminderen. De duur is twee tot +zes, zeldzamer acht weken, meestal echter houdt zij na de vierde week +op. In de eerste dagen, gewoonlijk tot den vierden dag, dikwijls +langer, verschijnt er bloed. Daarna wordt de afscheiding wateriger, +ongeveer als vleeschnat, totdat van den zesden of tienden dag af een +roomachtig of melkachtig etterig, dikwijls meer slijmig glazig, vocht +te voorschijn komt. Vaak echter duurt de bloedige afscheiding zelfs +drie weken of langer. Wanneer de bloedige afscheiding vroeger is +opgehouden, komt het, bij het eerste opstaan, gewoonlijk weer tot +bloedige bijmenging. De afscheiding kenmerkt zich, te beginnen na +eenige dagen, door een eigenaardig zoetig flauwen geur. + +Om dat vocht op te vangen wordt voor de uitwendige geslachtsdeelen een +verband gelegd. Meestal bestaat dat verband uit een laag verbandwatten, +al of niet omgeven door hydrophiel gaas, zooals de maandverbanden zijn +ingericht, vastgehouden door een stop- of banddoek. + +Het wondvocht vloeit over de wonden, doch deert die niet. Gedurende de +eerste dagen toch bestaat het uit bloed; later, wanneer het veranderd +is en schadelijke stoffen als ook bacteriën bevat, zijn de wonden van +nature zoodanig tegen de inwerking daarvan beschut, dat daaruit geen +gevaar ontstaat. Daarom is ook kunstmatige reiniging der inwendige +geslachtsdeelen niet alleen onnoodig, doch zelfs niet aan te bevelen, +omdat het inbrengen van de daartoe noodige instrumenten, b.v. de canule +van den irrigator, waarmede eene uitspoeling zou moeten verricht +worden, allicht de wonden, welke bezig zijn te genezen, zou openen, +zoodat er nieuwe wonden ontstaan, die van de natuurlijke beschuttende +bedekking ontdaan, kunnen geïnfecteerd worden. De geneesheer gaat dan +ook niet anders dan in hooge noodzakelijkheid tot zoo iets over. + +De uitwendige geslachtsdeelen behooren evenwel van tijd tot tijd +gereinigd te worden en zal de verpleegster daarvoor hebben zorg te +dragen, steeds omzichtig en met eene ontsmettingsvloeistof of met +volkomen zuiver water, omzichtig, om wonden, welke daar aanwezig zijn, +voor hernieuwd opengaan te vrijwaren. + +Kleine en groote inscheuringen en ontvellingen komen daar voor, en +iedere wond kan door intredend vuil verontreinigd worden. De +smetstoffen, welke ergens binnendringen, kunnen niet alleen daar ter +plaatse ontsteking verwekken, maar ook in andere deelen van het +lichaam, van de ingangsplaats verwijderd. Het best geschiedt de +reiniging door afspoelen van bovenaf, terwijl de kraamvrouw op het +ondersteek ligt, hetzij door schenken uit een kan, door eene canule met +eene centrale opening of door het uitknijpen van een flinke natte dot +verbandwatten. Eene zelfde reiniging behoort te geschieden na +urineloozing en ontlasting. Tevens wordt dan het vuile verband door een +schoon vervangen en alles wat vuil en onrein is, zoowel verband als +beddegoed en dergelijke, uit de kamer verwijderd. + +De aard van de kraamzuivering, een wondvocht dat velerlei +schadelijkheden bevat, maakt het noodig zorg te dragen, dat het steeds +verre gehouden wordt van andere wonden, omdat daarin gemakkelijk +ontsteking optreden kan. Daarom moet ieder, die met zulk vocht in +aanraking geweest is, de handen niet alleen zorgvuldig wasschen maar +ook ontsmetten, vooral dus de verpleegster die de navelwonde van het +kind heeft te behandelen en zijne oogen verzorgt, want ook daarin +geraakt, kan het vocht onheil brengen. + +Het is dan ook aan te raden het kind te verzorgen, te baden en te +kleeden, vóór de moeder geholpen wordt. Daarom ook moet elke moeder, +die haar kind de borst zal geven, zorg dragen dat hare handen rein +zijn, omdat er anders gevaar bestaat, dat wondvocht, waarmede zij +onwillekeurig en zonder het te bespeuren in aanraking gekomen is, in +wondjes van den tepel—zooals die wel eens voorkomen—geraakt, waarvan +ontsteking der borst het gevolg kan zijn. + +Ook in het kraambed is reinheid dus een hoofdvereischte. Waar de +uiterste reinheid betracht wordt, is het gevaar voor ziekelijke +afwijkingen in het kraambed zoo goed als niet aanwezig. + +Het buikverband of het sluitlaken, dat, na de baring, een handbreed +boven den navel en van onder zoover dat het voor een deel over de dijen +reikt, wordt aangelegd, dient wel in hoofdzaak om den slappen buikwand +steun te geven. De vraag of het in staat is om den buikwand de vroegere +vastheid en veerkracht terug te geven of niet, is eene, die op zeer +verschillende wijze beantwoord wordt. Sommigen verwachten daarvan in +dit opzicht te veel, anderen te weinig, maar zeker is het onjuist als +eene vrouw, die na de bevalling een slappen buikwand mocht behouden, +daaraan de gedachte verbindt, dat dit euvel zou te wijten zijn aan de +verpleegster, als zou deze, gedurende het kraambed, het verband niet +zorgvuldig genoeg hebben aangelegd. De toestand van den buikwand is aan +vele wisselingen onderhevig. Bij vrouwen die herhaaldelijk baarden kan +hij stevig en bij vrouwen, die nooit baarden, slap en uitgerekt zijn. +Zelfs buikbreuk kan voorkomen, zonder dat ooit eene baring voorafging. + +Gewoonlijk zijn de verrichtingen van urine-blaas en darmen in de eerste +dagen verminderd, en komt de noodzakelijkheid tot ontlediging niet tot +bewustzijn. Beide organen kunnen daardoor gemakkelijk overvuld raken. +Wat de urine-loozing betreft is het aan te raden, als er binnen 12 uren +na de bevalling geen aandrang bestaat, te trachten de blaas te +ontledigen. Overvulling komt vooral dikwijls voor na de eerste baring +en na moeilijke bevallingen. De urine-loozing geschiedt dan gewoonlijk +op het ondersteek, welke, vooraf verwarmd, door de verpleegster onder +de kraamvrouw geschoven wordt. Niet altijd komt de urine dadelijk te +voorschijn. Dikwijls is hieraan te gemoet te komen, door de kraamvrouw +alleen te laten, wat warm water in het ondersteek te gieten of haar een +warmen doek op den onderbuik, op de blaasstreek, te leggen. + +Niet alleen geeft de overvulde blaas een pijnlijk spannend gevoel in +den buik, doch zij kan ook oorzaak zijn van meerder bloedverlies, omdat +de samentrekkingen van de baarmoeder, die de wondvlakte verkleinen en +de bloedvaten sluiten moeten, door eene overvulde blaas niet voldoende +sterk zijn. Het is dan ook wenschelijk, dat de kraamvrouw, al heeft zij +geen aandrang, op geregelde tijden b.v. om de 6 uren urineert. Bestaat +er binnen dien tijd aandrang, dan zal zij natuurlijk aan die behoefte +voldoen. + +Doorgaans bestaat er geen aanleiding op dezelfde wijze te handelen met +betrekking tot de ontlediging der darmen. Behalve dat vóór de baring +reeds voor goede ontlasting gezorgd werd, geeft de voeding, +gedeeltelijk omdat de eetlust geringer is, gedeeltelijk omdat licht +verteerbaar voedsel gebruikt wordt, in de eerste dagen van het kraambed +geen overvulling van den darm. Men wacht dan gewoonlijk tot den morgen +van den derden dag, voor men daarvan werk maakt. Eenvoudige middelen +worden dan in de eerste plaats ingegeven, zooals wonderolie, +rhamnusbastafkooksel, bitterwater en dergelijke, of wel een lavement +gezet, hetzij van water, zeepwater, water met glycerine of glycerine +alleen, door middel van een glycerinespuitje. Bij groote haemorrhoïden +(aambeien), neiging tot uitzakking van den endeldarm of uitgebreide +verwonding in de scheede of aan den bilnaad worden lavementen liever +nagelaten. + +Bij de voeding, welke in de eerste dagen het best bestaat uit licht +verteerbare kost, doch daarom nog geen schraal dieet, vermijde men meer +dan ooit onregelmatigheid en overdaad. Vooral de laatste waarschuwing +is noodig, omdat somtijds de eetlust zeer sterk is, maar ook, omdat +vele vrouwen van meening zijn, dat het gebruik van veel voedsel de +zogafscheiding verhoogt. Juist het tegendeel kan daarvan het gevolg +zijn. + +Als drank is aan te bevelen frisch koud water, melk, chocolade. Ook +thee, koffie, licht bier en wijn, mits in geringe hoeveelheid, behoeven +niet vermeden te worden. + +Voor een deel is de trage werking der darmen te wijten aan de rustige +ligging der kraamvrouw in bed. Algemeen wordt, ten minste in ons land, +de duur van die bedrust vastgesteld op negen dagen. Waarom juist negen +dagen is onbekend. Omtrent den tijdsduur en de houding der kraamvrouw +in het bed onthouden wij ons van het geven van voorschriften, omdat het +ons voorkomt, dat die, in ieder geval afzonderlijk, door den geneesheer +moeten worden gegeven. Hij alleen kan de omstandigheden beoordeelen, +welke van invloed zijn en kunnen zijn. Voor een groot deel is de +gezondheidstoestand der kraamvrouw, welke o.a. uitdrukking vindt in de +verhouding der lichaams-temperatuur, van groot belang, maar er komen +zoovele andere factoren in aanmerking, dat een algemeene regel niet te +geven is. + +In de kraamkamer behoort orde en rust te heerschen. De verpleegster +heeft zorg te dragen, dat vuile verbanden en alles wat onzuiver is zoo +spoedig mogelijk uit de kamer verwijderd wordt, dat niets blijft +slingeren, kortom dat het noodzakelijke op tijd geschiedt en de +kraamkamer zoo behaaglijk mogelijk voor de kraamvrouw is. + +Omtrent het toelaten van bezoek zal de geneesheer zijne voorschriften +hebben te geven. Naar onze meening kan een kalm bezoek eene aangename +afleiding geven. Vaak echter wordt daartegen gezondigd en wanneer de +kraamvrouw den moed mist, dengeen die haar bezoekt, te kennen te geven +dat zij vermoeid wordt, zal zij daarvan allicht nadeelige gevolgen +ondervinden. Ware belangstelling uit zich niet in urenlang druk +gepraat. Een enkel woord, een handdruk, een even-binnen-wippen om een +bloempje of iets anders te geven, is meer waard dan allerlei +beuzelpraat. De kraamvrouw is zeer gevoelig voor indrukken, elke +gemoedsbeweging kan nadeelig zijn. Daarmede zal hare omgeving dus +vooral rekening hebben te houden en alles hebben te vermijden, wat +aanleiding kan geven tot boos-worden, schrik, verdriet, zelfs ook +aangename verrassingen, welke sterken indruk maken. + + + + + + + + +HET KIND. + + +Het voldragen kind is gemiddeld 50 cM. lang en heeft een gewicht, dat +schommelt tusschen 3000 en 3600 grammen. Een lager gewicht beteekent +volstrekt niet altijd, dat het kind te vroeg geboren of zwak is, +terwijl een hooger gewicht geen bewijs is van krachtige ontwikkeling. + +Men heeft opgemerkt, dat beiden, onder meer, onder den invloed staan +van den ouderdom der moeder en van het aantal der baringen. Volgens de +statistiek neemt het gewicht toe met den ouderdom der moeder tot het +29e jaar, de lengte tot het 44e jaar, en valt de gunstigste +ontwikkeling van het kind in zwangerschappen gedurende den middelbaren +leeftijd der vrouw. Gewicht en lengte nemen toe met het aantal der +baringen, zoodat gemeenlijk elk voldragen kind het voorgaande in beide +richtingen overtreft, waarbij korte tusschenruimten, tusschen de +opvolgende baringen, een ongunstigen invloed uitoefenen. De eerste +kinderen van vrouwen, bij wie de eerste menstruatie laat optrad, zijn +lichter dan die van andere vrouwen, vooral van haar, die vroegtijdig +den geslachtsrijpen leeftijd bereikten. Bij wisseling van het geslacht +der kinderen eener zelfde moeder is, bij opvolgende zwangerschappen, de +gewichtstoename der meisjes geringer dan die der jongens. + +Wat het geslacht der kinderen betreft, kan men zeggen, dat de vrouw +meer jongens dan meisjes ter wereld brengt. Op 100 meisjes komen +ongeveer 103,6–105,2–108,3 jongens voor. Daarbij meent men te hebben +kunnen vaststellen, dat het getal der jongens grooter wordt hoe jonger +de vader, hoe ouder de moeder is, of in het algemeen, dat de oudste der +echtelieden de meeste kansen heeft het andere geslacht te doen +ontstaan. + +Het pasgeboren voldragen kind vertoont ronde vormen aan gelaat, romp en +ledematen, het schreeuwt met luide stem, beweegt armen en beenen flink +en ontledigt, vaak onmiddellijk na de geboorte, urine en ontlasting, +welke laatste bestaat uit eene groenzwarte, soms bruinachtige, taaie, +sterk klevende, dikke brijachtige stof, zonder reuk, kindspek of +meconium genoemd. Het opent de oogen, dikwijls niest het, waardoor +slijm en vruchtwater, in neus- en keelholte aanwezig, worden +uitgedreven. Daar dit niet altijd volledig geschiedt, gaat de +ademhaling wel eens gepaard met een min of meer reutelend geruisch. Bij +dikke kinderen, met sterk ontwikkelde vetlaag, zijn de oogleden vaak +wat gezwollen, zoodat zij de oogen niet gemakkelijk kunnen openen. De +moeder behoeft niet bezorgd te zijn, als zulk een kind dan ook in den +beginne de oogen slechts bij tusschenpoozen opent. Die zwelling +verdwijnt spoedig. Ook handen en voeten zijn in de eerste dagen na de +geboorte, vooral bij eenigszins te vroeg geboren kinderen, wel eens +gezwollen en blijven in den regel wat langer blauwrood gekleurd dan de +overige deelen van het lichaam. Deze zwelling verdwijnt eveneens +spoedig. + +De omvang van den schedel is gemiddeld 34 cM., die van de borst, over +de tepels gemeten, ± 31 cM. De schedelbeenderen zijn tamelijk hard en +nog niet onbeweeglijk met elkander verbonden, maar door naden +gescheiden, terwijl daar waar drie of vier schedelbeenderen te zamen +komen, grootere, door een vlies gesloten, ruimten bestaan, welke den +naam van fontanellen dragen. De zoogenaamde groote fontanel, waardoor +het kloppen van de slagaderen der hersenen zoowel te zien als te voelen +is, heeft den vorm van een ruit en ligt boven het midden van het +voorhoofd. Langzamerhand sluiten die fontanellen zich, de groote +fontanel het laatst, omstreeks de 14e levensmaand, somtijds iets +vroeger. + +De huid is rozerood en glad, alleen aan de schouders en bovenarmen +bedekt met wolharen. Het hoofdhaar is meestal donker, gemiddeld 2–4 cM. +lang, soms korter, soms langer. De nagels reiken aan de handen tot aan +den top der vingers of steken iets daarboven uit, aan de voeten tot aan +den top der teenen. De kleur der oogen, d.w.z. van het regenboogvlies, +is min of meer donker staalblauw, zoodat de vraag al spoedig door de +moeder gedaan: „Welke kleur van oogen heeft het?” gewoonlijk niet naar +wensch kan beantwoord worden. Eerst langzamerhand komt het tot de +verschillen, welke wij bij volwassenen waarnemen. + +Meestal vertoont het pasgeboren kind een eigenaardig vervormden +schedel, veroorzaakt door het zoogenaamde geboortegezwel, dat te +grooter is en het hoofd te langer doet schijnen, naarmate de baring en +vooral het uitdrijvingstijdperk langer geduurd heeft. De huid in de +streek van het voor- of achterhoofd is dan sterk gezwollen en +deegachtig op aanvoelen. Na een paar dagen verdwijnt die eigenaardige +vervorming van zelf, waarom het volkomen onnoodig is, door allerlei +knijpingen te trachten het hoofd een goeden vorm te geven. Somtijds is +er ophooping van bloed of bloederig vocht onder de huid, ter plaatse +van het geboortegezwel. Dan duurt het langer, zelfs wel vier tot zes +weken, voor het hoofd de normale gedaante heeft aangenomen. De neus is +dikwijls plat, maar ook dat herstelt zich spoedig. + +De huid is bedekt met eene verschillend groote hoeveelheid vettig, +kaasachtig smeer, het zoogenaamde huidsmeer, het sterkst op den rug en +in de buigvlakten van armen en beenen. Bij meisjes vindt men zelfs een +dikke laag in de plooien der geslachtsdeelen. Het bestaat uit een +mengsel van huidvet en huidschilfers. + +Het pasgeboren kind is niet in staat het hoofd rechtop te houden. Als +men het kind rechtop houdt, valt het hoofd naar voren of naar achteren, +naar links of naar rechts, zoodat men het met de hand moet steunen, als +het kind wordt opgenomen. + +Te vroeg geboren kinderen zijn kleiner, lichter en magerder. De huid is +rooder, dunner, en overal van wolharen voorzien. De hoeveelheid +huidsmeer is veel geringer, op bovenlip en neus zijn talrijke fijne +puntjes, als uiting van verstopte talkklieren, waar te nemen. De +schedelbeenderen zijn buigzaam, dikwijls gemakkelijk in te drukken, de +nagels minder lang dan bij het voldragen kind en weeker. Het kind +schreeuwt niet krachtig, de stem is meer piepend. + +De eerste zorg voor het kind bestaat in reiniging. Ten einde het +gemakkelijker te bevrijden van het huidsmeer, wordt het over het +geheele lichaam ingesmeerd met olie of een ander vet, b.v. door middel +van een in olie gedrenkte prop ontvette watten, en daarna goed +schuimend ingezeept met een neutrale, beter nog overvette zeep, door +middel van ontvette watten of een zachte spons. Vervolgens brengt men +het kind in een lauwwarm bad van 35° C. (28° R.). Men vatte het kind +met de linkerhand zoo aan, dat deze onder den linkerschouder komt en +nek en hoofd op pols en onderarm komen te liggen. Gezicht en ooren +moeten buiten het water blijven. Met de andere hand wordt dan het kind +zorgvuldig gewasschen. De temperatuur van het water moet door een +thermometer worden bepaald, vooral niet door de hand. Als badkuip kan +men allerlei groot vaatwerk gebruiken. Eenvoudig, doelmatig en goedkoop +is een groote zinken teil, waarin men een groot stuk schoon molton +legt, dat gedeeltelijk over den rand heen hangt. Na 3–5 minuten goed +afwasschen, waarbij alle zeep wordt afgespoeld, neemt men het kind uit +het bad, wikkelt het in een verwarmden grooten badhanddoek, legt het op +een matrasje op tafel en droogt het zacht, doch goed af. Het matrasje +beschut men door een daarover gelegd stuk hospitaaldoek. Het aangezicht +behoort men afzonderlijk te wasschen, liefst buiten het bad, met schoon +lauwwarm water; de oogen te reinigen met watten, gedrenkt met 3%’s +boorzuur-oplossing of met uitgekookt water, voor ieder oog een +afzonderlijk wattepropje, in de richting van den binnenhoek van het +oog, dus naar den neus toe. De mond behoeft niet gereinigd te worden. +Evenmin is het noodig de neusgaten met, tot een rolletje gedraaide, +watten te reinigen, terwijl het slechts zelden of nooit noodig is op +die wijze de ooren inwendig schoon te maken. + +Nadat het kind aldus gereinigd en behoorlijk afgedroogd is, wordt het +gepoederd, waarbij vooral gelet moet worden op alle plaatsen waar twee +huidvlakten elkander aanraken, zooals de oksels, hals- en liesplooien, +omgeving van de geslachtsdeelen en van de aarsopening. De eenvoudigste +en zindelijkste wijze van poederen is die door middel van een bus, +zooals de peperbus is ingericht. Elke kwast, ook al is die nog zoo +mooi, kan gevaarlijk worden, doordat hij, steeds weder gebruikt +wordende, tot besmetting aanleiding geven kan. Als strooipoeder +gebruike men talkpoeder, gesteriliseerde witte pijpaarde (bolus alba), +of vasenolpoeder, liever dan gemalen rijst of andere plantaardige +poeders, en ongeparfumeerd. + +De kleeding moet aan de volgende eischen voldoen. Zij moet het lichaam +gelijkmatig bedekken, de warmte van het lichaam zooveel mogelijk op +gelijke hoogte houden, licht en zacht zijn, de bewegingen van het kind +zoo min mogelijk belemmeren en dus nergens knellen of te nauw +aansluiten. Eene uit drie lagen bestaande kleeding, waarvan de onderste +laag uit eene niet te dunne, losjes gebreide, gehaakte of geweven, +stof, de bovenste uit wat meer gesloten stof bestaat, voldoet aan deze +eischen. Bovendien moet men haar zoo kiezen, dat zij gemakkelijk kan +gewasschen worden en het aan- en uitkleeden in den kortst mogelijken +tijd geschieden kan, zonder dat het kind er eenigen last van +ondervindt. [1] + +Men begint met het aanleggen van het navelverband, dat dient om de rest +van de navelstreng, goed verzorgd, te beschutten. Vooral hierbij, nu en +gedurende den tijd vóór de rest afgevallen en de wond genezen is, moet +men de grootst mogelijke reinheid en zorgvuldigheid in acht nemen. Het +overgebleven gedeelte wordt met een stukje steriel hydrophiel gaas of +met een laagje steriele verbandwatten omwikkeld, het geheel naar links +en boven op den buik van het kind gelegd en vastgehouden door een +navelband. Ook hierbij is eenvoud het ware. Het eenvoudigste verband +verkrijgt men door een katoenen tricot-windsel, van ± 7 cM. breedte, +zonder het te sterk aan te trekken, een paar malen om het buikje te +wikkelen, het af te knippen en het einde met een veiligheidsspeld, in +overlangsche richting, vast te steken. Zulk een verband sluit overal +goed aan, verschuift niet gemakkelijk en kan gewasschen worden, of, +beter nog, omdat de kosten zeer gering zijn, weggeworpen worden, zoodra +het door een nieuw vervangen is. + +Zelden komt het tot bloeding uit de rest van de navelstreng. Mocht dat +gebeuren, dan moet er nogmaals een bandje om de navelstreng, tusschen +de eerste onderbinding en de huid, gebonden worden. Zulk een bandje +moet, opdat het inderdaad rein en zuiver zij, eerst uitgekookt worden. +Voor men tot het onderbinden overgaat, moet men zorgvuldig de handen +wasschen. Tevens vertelle men den dokter, wat er geschied is. + +Vervolgens wordt het kind verder aangekleed. Wanneer het kind gekleed +is, wordt het in het vooraf, door middel van een warmwaterkruik, +verwarmde bedje gelegd, tot aan de kin toegedekt en aan zich zelf +overgelaten. Het bedje moet zoo geplaatst zijn, dat het kind beschut is +tegen licht, tocht en sterke geruischen. Het hoofdeinde wordt daarvoor +meestal omgeven door een behang. In den zomer vooral is het aan te +raden het geheele bedje te omgeven met muskietengaas, waarvan de +onderste uiteinden niet los neerhangen, daar muskieten dan de +gelegenheid hebben van onderop langs de plooien naar binnen te komen. +Het gaas moet daarom rondom in het bedje ingestopt worden of over een +band, welke om het ledikant gespannen is, zoodat van binnendringen der +muskieten geen sprake meer zijn kan. + +Te vroeg geboren kinderen hebben te slechter kans om te blijven leven, +naarmate zij vroeger geboren zijn en vereischen daarom meerdere zorgen. +Een van de hoofdzaken waarop gelet dient te worden, is die, dat +afkoeling van het lichaam zooveel mogelijk vermeden wordt, een tweede, +dat de voeding met zorg geregeld wordt. Ter bereiking van het eerste +wordt het kind in watten gelegd en door warmwaterkruiken omgeven, en +het bedje geplaatst in eene kamer, waarin de temperatuur zoo +gelijkmatig mogelijk, op 30° C. (28° R.) gehouden wordt. Dikwijls +worden zulke kinderen ook in een broedstoof of couveuse gebracht. +Omtrent den gunstigen invloed daarvan zijn de meeningen verdeeld. De +geneesheer zal hierin, evenals in de vraag omtrent de voeding, van raad +dienen. Voor deze kinderen is de moederborst van nog grooter belang, +dan voor den voldragen zuigeling. + +Het kind, dat na de geboorte warm in het bedje ligt, valt in een vasten +rustigen slaap, waaruit het na eenige uren ontwaakt en dan de behoefte +aan voedsel door schreien kenbaar maakt. Dan kan de moeder haar kind +aan de borst leggen. Eenige reden om daarmede een of twee dagen te +wachten, bestaat er niet, en zeker zal het kind er meer aan hebben dan +aan suikerwater, venkelwater of diergelijke middeltjes. + +Na de voeding weder in het bedje gelegd, slaapt het kind in, om door +dezelfde behoefte gewekt te worden. Urine-loozing en ontlasting vinden +in den slaap, of onmiddellijk na het ontwaken, plaats. Zoo gaat het de +eerste dagen door. + +Gedurende den eersten dag is de ontlasting van dezelfde soort als +dadelijk na de geboorte. Met den 4en of 5en dag maakt zij plaats voor +de normale zuigelingenontlasting. Bij kinderen, die aan de moederborst +gevoed worden, is de ontlasting dik brijachtig, als een zalf, goudgeel +van kleur, welke echter bij lang staan verandert. Kinderen die om een +of andere gewichtige reden de moederborst moeten ontberen en met de +flesch gevoed worden, b.v. met koemelk, hebben eene ontlasting, in +grootere hoeveelheid, welke veel stijver en drooger is, brokkelig, +grijsachtig geel van kleur, op leem gelijkend en zwaarder. + +In den aanvang komt de ontlasting vaak 3–6 maal per dag, later 1 of 2 +maal in de 24 uren. + +De geloosde urine is in de eerste dagen wel is waar troebel, later +helder, doch van dat verschil bemerkt men in de luiers niet veel. +Opvallend daarentegen is eene roodachtig gele verkleuring van de luier, +welke te wijten is aan eene poederachtige stof, urine-zuur, die in den +eersten tijd in vrij groote hoeveelheid met de urine wordt +uitgescheiden. Het verschijnsel is van geen beteekenis en behoeft dus +geen ongerustheid te verwekken. + +Zoo ongemerkt geraakten wij in onze beschrijving reeds van den dag der +geboorte verwijderd. Wat wij nu laten volgen is dan ook eene bespreking +van allerlei, wat geleidelijk verdwijnt, opkomt of verandert, en +waarbij in dit korte overzicht moeilijk met uren of dagen rekening kan +gehouden worden. + +Volgens Preyer [2], wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en +opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het +pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling +van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan +het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de +geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en +krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen +valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste +uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin, +dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog, +de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in +de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige +dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend +lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen +worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne, +na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt +schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige +dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de +lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering +b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af +is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat +het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt. +Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs +in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn +hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus +niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren +kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren +willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den +blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren +doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren +houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag +heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint +het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te +bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig +gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen. +Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook +het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het +vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke +beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet. + +Pasgeboren kinderen houden de oogen meer gesloten dan open. Wanneer zij +de oogen openen, geschiedt dat ongelijkmatig. Het eene oog b.v. gaat +open, terwijl het andere gesloten blijft. Dat afwisselende openen en +sluiten duurt tot ongeveer den 11en dag, daarna wordt het zeldzamer, +maar het blijft zelfs gedurende de eerste maand zoo, dat, als beide +oogen opengehouden worden, zij niet even wijd open staan. Bij snelle +nadering met de hand, met den vinger, met het hoofd of met eene +brandende kaars schrikt het kind nog niet, het knipt ook niet met de +oogleden. In de eerste weken ontbreekt die snelle ooglidslag, bij snel +naderen van eenig voorwerp naar het gezicht. + +De bewegingen van het oog zelf vertoonen bij pasgeboren kinderen geen +samenwerking en zijn in de eerste dagen onregelmatig. In de eerste zes +dagen heeft de beweging der oogen naar links en rechts nog niet +volkomen gelijktijdig plaats. Zeer vaak beweegt het eene oog zich +onafhankelijk van het andere en draait het hoofd zich in eene richting +tegenovergesteld aan die, waarin de oogen zich bewegen. De oogspieren +trekken zich namelijk, evenals alle andere spieren van het lichaam, ook +die van het gelaat, bij den jongen zuigeling nog doelloos samen. Daarom +worden onregelmatige en onderling ongelijke oogbewegingen waargenomen, +zonder dat van zien of zelfs van lichtgewaarwording, bij neergeslagen +bovenste oogleden, sprake zijn kan, bewegingen welke allerlei +bewegingen in het gelaat, grimassen, voorhoofdfronsen en bewegingen der +lippen begeleiden, terwijl het kind rustig ligt en niet schreit. +Slapende zuigelingen bewegen, zonder te ontwaken, dikwijls de +gelaatsspieren, vooral de lippen en de oogleden. Vaak slaapt het kind +met half geopende oogen in en ziet men dan eveneens doellooze +bewegingen van het oog. + +Opmerkelijk is het, hoe de oogen zich dikwijls in eene houding plaatsen +als bij iemand die sterk scheel kijkt, of zooals men dat waarneemt bij +het richten van den blik naar de punt van den neus. Dat is in het begin +van de derde week niet zoo sterk en zoo menigvuldig het geval meer als +in de eerste week, doch het kan zelfs na de tiende week nog lang worden +opgemerkt, als het kind wakker ligt. In den slaap blijven onregelmatige +bewegingen van oogen en oogleden, evenals het half openen der oogen, +nog langer voortbestaan. Naarmate de macht om voorwerpen te fixeeren +toeneemt, neemt dit verschijnsel af. Iets dergelijks neemt men later +waar als het kind loopen leert. Ook dan verminderen allengs de +onregelmatige doellooze bewegingen der beenen. + +Men kan ook opmerken hoe soms het eene oog zich langzaam naar rechts, +het andere zich tegelijkertijd naar links, of het rechteroog naar boven +rechts, het andere zich naar boven links beweegt, alsmede dat de oogen +niet op gelijke hoogte staan, b.v. het rechteroog naar links en iets +naar beneden, het linkeroog naar links en iets naar boven; zoo ook +geheel eenzijdige bewegingen, b.v. zoo dat het eene oog den waarnemer +schijnt te fixeeren en het andere zich zijwaarts beweegt. Dit laatste +is waar te nemen als men bij het slapende kind de oogleden oplicht, +maar ook, gedurende de eerste dagen, als het kind wakker is. + +Dadelijk na de geboorte kan het kind waarschijnlijk niets ruiken, maar +na eenige uren, vaak reeds in het eerste uur, kunnen normale kinderen +aangename en onaangename geuren onderscheiden. De gewaarwordingen geven +hun een gevoel van welbehagen of afkeer, dat met den dag in sterkte +toeneemt. Zoo willen kinderen, die enkele weken oud zijn, b.v. de borst +eener min niet nemen als hare huid onaangenaam riekt en schreeuwen zij +reeds wanneer zij bij de borst gebracht worden. De met melk of brij +gevulde lepel ruiken zij in donker reeds vroeg en de tegenzin van vele +zuigelingen in de eerste week om koemelk te nemen, als zij vrouwenmelk +gehad hebben, moet meer op den reuk dan op den smaak betrekking hebben, +omdat zij soms, zonder te proeven, de melk reeds weigeren. + +Toch treedt ook een zeker onderscheidingsvermogen voor de +smaakgewaarwording dadelijk na de geboorte in werking. Sterk van +elkander afwijkende smaakprikkels, zooals zout, zoet, zuur en bitter, +worden onderscheiden. + +Het hooren is bij het pasgeboren kind zoo onvolkomen, dat men elken +pasgeborene doof noemen moet. Dadelijk na de geboorte is het middenoor +nog gevuld met eene eigenaardige gelei-achtige stof of met vocht, +waarschijnlijk vruchtwater, dat na eenige uren van ademen en slikken +langzaam wegvloeit. Dan is het middenoor met lucht gevuld en kan het +gehoororgaan werken. Daar komt bij, dat de uitwendige gehoorgang zeer +nauw is en de wanden nog tegen elkander liggen. + +Voor het einde van de eerste week reageert het voldragen normale kind +op sterke geluidprikkels, bemerkbaar aan het trekken met de oogleden, +voorhoofdfronsen, ineenkrimpen, trekken van armen en bovenlichaam, +terwijl slapende kinderen wakker worden en schreeuwen. Hardhoorigheid +blijft evenwel nog eenigen tijd bestaan. + +In den beginne hoort de normaal geboren mensch dus niets, dan slechts +iets onduidelijk, vervolgens veel onduidelijk en eerst langzamerhand in +de veelheid van het onduidelijk gehoorde iets afzonderlijks duidelijk, +ten slotte veel duidelijk, waarbij sterke hooge tonen eerder +onderscheiden worden dan lagere. + +Iedere moeder gebruikt vele duizenden woorden, welke zij haar kind +toespreekt, toefluistert, toezingt, zonder dat het er ook maar een +enkel van hoort, en vele duizenden woorden zegt zij hem, eer hij er één +verstaat. Maar, als zij het niet deed, zou het kind veel later en +moeilijker spreken leeren. + +Het is bekend, dat pasgeboren kinderen voor pijnverwekkende prikkels +minder gevoelig zijn dan volwassenen. Voor een speldeprik b.v. zijn zij +zoo goed als ongevoelig. Daarom mag men nog niet beweren, dat zij +ongevoelig zijn, want rustige kinderen maken bewegingen en beginnen te +schreeuwen, als men ze in de huid knijpt of b.v. op de dij slaat. De +uitingen van pijn, en de duur daarvan, zijn evenwel niet zoo sterk en +houden niet zoo lang aan als bij oudere kinderen. Die prikkel wordt dus +wel degelijk pijnlijk ondervonden. Het verschil is hierdoor te +verklaren, dat door het knijpen of door den slag vele, door het +speldeprikje weinig zenuwuiteinden in de huid getroffen worden. De +gevoeligheid neemt, reeds gedurende de eerste week, met den dag toe. + +Verschil in gevoeligheid bij aanraking van verschillende lichaamsdeelen +is evenzeer voorhanden als bij den volwassene. Bij het aanraken van de +punt van de tong maakt het kind zuigbewegingen, welke in +braakbewegingen overgaan, wanneer het achterste gedeelte van de tong en +de keel worden aangeraakt. De lippen zijn dadelijk na de geboorte zeer +gevoelig. Strijkt men met den vinger langs de lippen, dan maakt het +kind, van den zesden dag af, zuigbewegingen, ten minste wanneer het +wakker en hongerig is. Wordt het slijmvlies van den neus geprikkeld, +dan fronsen de kinderen het voorhoofd, niezen en bewegen de oogleden; +bij sterken prikkel bewegen zij het hoofd en brengen de hand aan het +gelaat. Wordt de punt van den neus aangeraakt, dan knijpen zij de oogen +toe. Dat gebeurt eveneens als men tegen het oog blaast of het met den +vinger aanraakt, terwijl daarentegen in de eerste dagen het kind in het +bad de oogen openhoudt, ook als het lauwwarme water het hoornvlies +bevochtigt. Legt men een vinger in de hand, dan wordt die omvat; wordt +de voetzool aangeraakt, dan spreiden de teenen zich uit; bij kloppen +tegen de voetzool buigt de voet zich tegen het onderbeen en wordt het +been in knie- en heupgewricht gebogen; bij sterken prikkel gebeurt dat +ook met het andere been. + +Dadelijk na de geboorte wordt het kind onaangenaam aangedaan doordat +het, in al zijn natte naaktheid, aan de lucht, waarvan de temperatuur +lager is dan die in de baarmoeder, wordt blootgesteld. In het warme bad +gebracht, krijgt het weder het eerste aangename gevoel en is dan ook +dadelijk rustig, nadat het van te voren flink schreeuwde. De +gevoeligheid voor koude en warmte is dus reeds groot. Dat blijkt ook +uit de wijze, waarop het kind, als het schijndood geboren is, door het +dompelen in koud water, zoodra de ademhaling begonnen is, van kreunen +tot schreeuwen overgaat. Dat schreeuwen moet waarschijnlijk als eene +uiting van pijn worden opgevat. Het is ook bekend, hoe zeer jonge +zuigelingen onrustig worden en schreeuwen, wanneer ze hier of daar met +koud water in aanraking komen. Vooral het droge hoofd is gevoelig +daarvoor, zooals blijkt bij den doop, waardoor menig kind onrustig +wordt. Die gevoeligheid voor plaatselijke warmteonttrekking blijft +langen tijd, gedurende de eerste levensjaren, bestaan. De groote +gevoeligheid voor onderscheid tusschen koude en warmte, ook bij +volkomen gezonde kinderen, blijkt uit hunne wijze van doen, bij +pogingen om het dagelijksche bad kouder te maken. Daling van de warmte +van het badwater, met een deel van een graad, beneden die welke het +kind aangenaam is, kan het tot luid schreeuwen brengen. + +Ook de gevoeligheid van het slijmvlies van den mond, van de tong en van +de lippen, is bij vele zuigelingen, in de eerste dagen, zeer groot. +Wanneer b.v. de zuigflesch slechts weinige graden warmer dan +bloedwarmte is, weigert het kind de flesch onder heftig schreien. +Hetzelfde gebeurt, als de warmte iets minder is dan die van de melk uit +de moederborst. De kinderen leeren echter gemakkelijk water en melk op +kamer-temperatuur gebruiken, wanneer zij niets anders krijgen om hunnen +honger te stillen. + +De wijze waarop het kind zich gedraagt, wordt bepaald door gevoelens +van genoegen of welbehagen en verdriet. Behagen is meestal verbonden +aan verzadiging, verdriet aan honger. Het gevoel van welbehagen wordt, +in de eerste maand, van den eersten dag af, veroorzaakt door het +stillen van den honger met het telkens terugkeerende genot van het +zuigen en van den zoeten smaak der moedermelk, door het warme bad, door +matig helder licht en door het ontkleeden. De bevrijding van doeken en +windsels heeft levendige bewegingen ten gevolge, vooral afwisselend +strekken en buigen der beenen. Van den eersten dag af uit zich het +genoegen reeds door het open houden der oogen, waarop spoedig +verhelderde glans der oogen volgt. + +Ook de stem is anders, naarmate het kind zich aangenaam gevoelt of +niet. + +In het eerste halfjaar zijn de gevoelens van onbehagen menigvuldiger +dan later. Zelfs bij de zorgvuldigste verpleging, luchtverversching, +regeling van temperatuur der lucht en van het bad, contrôle op moeder- +of andere melk en surrogaten daarvoor, en in de vriendelijkste +omgeving, is het geen enkel kind beschoren geheel gezond te blijven, +zonder één dag van verdriet door honger- en dorstgevoel, ongemakkelijke +ligging, houding of plaatsing, door koude, gevoel van nattigheid, sterk +riekende lucht of vaste inwikkeling. + +Onaangename gevoelens worden door schreien en, reeds in den eersten +tijd, door mimiek uitgedrukt, vooral door den vorm van den mond. + +Reeds op den tienden dag, als het verzadigde kind is ingeslapen, neemt +men om den mond eene lachende, vergenoegde uitdrukking waar. + +Eigenaardig is het schreien. Doordringend en aanhoudend bij pijn, +kermen of jammeren bij ongemakkelijke ligging, onafgebroken en zeer +luid in een koud bed, door veelvuldige tusschenpoozen afgebroken bij +honger, plotseling tot onverwachte sterkte aangroeiende en dadelijk +weder afnemende als het kind iets begeert en het niet krijgt. + +Een tweede teeken van onaangenaam gevoel is het toeknijpen der oogen; +een derde het afwenden van het hoofd, zonder schreien, reeds in de +eerste maand. Vooral van gewicht is het neêrtrekken van de mondhoeken, +dat zelfs in den slaap voorkomt en bij onwelzijn voortdurend aanwezig +is. Daaraan alleen reeds kan men zien of de stemming van het kind eene +vroolijke of eene droevige is. Dit teeken is evenwel niet zoo vroeg +waar te nemen als de andere. + +Spoedig na de geboorte doet zich reeds honger en dorst gevoelen. Duurt +het honger- en dorstgevoel lang, dan schreit het kind en wordt +onrustig. In de eerste dagen verdwijnt de onrust telkens tijdelijk, +wanneer het kind iets in den mond gestoken wordt waarop het zuigen kan, +doch reeds na de eerste week laten vele zuigelingen zich op die wijze +niet foppen. Gedurende de eerste dagen zuigt het hongerige kind op zijn +eigen vingers, doch begint spoedig weder te schreien. Dat schreien is +anders dan bij pijn. Het wordt niet zoo lang onafgebroken voortgezet. +Zeer kleine hongerige kinderen schreien met lange en korte +tusschenpoozen. De stem heeft een helderen klank en is niet zoo hoog, +als bij het schreeuwen van pijn. De oogen worden meestal toegeknepen, +de tong wordt in den mond teruggetrokken en is breed. Een zeker teeken +van honger en sterke begeerte naar voedsel is het opensperren der oogen +bij het naderen van de borst. + +Bij jonge kinderen treedt vooral in den eersten tijd vermoeienis op +door schreien en zuigen. Laat men ze hongerig schreeuwen, dan slapen +zij spoedig in, ook zonder voedsel te hebben gekregen. Ook het zuigen +aan een weinig melkbevattende borst is vermoeiend. Vaak wordt het dan +door langere tusschenpoozen afgebroken en herhaaldelijk slaapt het kind +in, ook al is het hongerig. Wanneer het verzadigd is, zuigt het niet +meer en wanneer het moe is, doet het dit onregelmatig en zonder kracht. + +Het brengen van eigen handen in den mond heeft bij de zuigelingen nog +niets met grijpen te maken. Bij het doelloos bewegen van de handen, +komen die ook wel in het gelaat en in den mond. Dat is te verklaren uit +de houding, welke de armen bij het ongeboren kind hadden, eene houding +die zij nog lang bewaren. Zij brengen dus de handen aan het gelaat, +zooals zij dit vóór de geboorte gedaan hebben. Ook houden zij de beenen +als gedurende het verblijf in de baarmoeder, namelijk de knieën +opgetrokken, de voeten eenigszins naar binnen gekeerd, de voetzolen +naar elkander gericht. Daar ook de beenen, en voornamelijk de +onderbeenen, eene kromming naar binnen vertoonen, kan het den schijn +verwekken, alsof het kind misvormd is. De beschreven houding verdwijnt +langzamerhand, doch de kromming der onderbeenen blijft langer bestaan. +Elk kind heeft dus in den beginne kromme beenen. Het maken van +zuigbewegingen, wanneer de handen de lippen aanraken, is aangeboren en +niet tot bedoelde bewegingen te rekenen. Hoe doelloos dat bewegen +geschiedt, blijkt wel uit de krabwonden, die zij zich in het gelaat en +zelfs in de oogen toebrengen, waarvoor het dikwijls noodig is de nagels +te knippen, de handen in te pakken, de armen vast te binden of met +stijve kokers te omgeven, om de kinderen te beletten zich zelf +verwonding toe te brengen. + +Opvallend is in den eersten tijd het geeuwen met wijd opengesperden +mond. Dit wordt door sommigen opgevat als eene versterkte en diepe +inademing, welke de ademhalingswerktuigen langzamerhand tot regelmatige +werkzaamheid heeft te brengen. + +Veelvuldig wordt ook kokhalsen waargenomen. Kinderen van een tot vijf +dagen oud steken dan, bij opengesperden mond, de tong naar voren. De +gewone oorzaak schijnt te zijn, dat er slijm aanwezig is of wel, dat +zij zichzelf met den vinger het gehemelte of den tongwortel aanraken. +Dit laatste geeft ook wel aanleiding tot braken, ofschoon braken +meestal het gevolg is van eene overvulde maag. + +Het hikken, dat, vooral na het drinken soms wel gedurende tien minuten +en langer, in de eerste drie maanden nog al eens voorkomt, heeft niets +te beteekenen. Het verdwijnt somtijds gemakkelijk door een of een paar +theelepels lauwwarm suikerwater op de tong te brengen. + +Nu en dan wordt bij overigens volmaakt gezonde meisjes op den vijfden +of zesden dag, ook wel iets later, eene meestal geringe +bloedafscheiding uit de geslachtsdeelen waargenomen. Aan de +schaamlippen kleeft dan bloederig slijm of men vindt er kleine +bloedstolsels. Worden de schaamlippen uit elkander gehouden, dan kan +men zien, dat het bloed uit de scheede is te voorschijn gekomen. Bij +ietwat sterker bloeding komt die afscheiding ook in de luiers. Dit +duurt gewoonlijk slechts een paar dagen, soms een week. Voor den +gezondheidstoestand van het kind heeft dit niets te beteekenen. + +Ook vindt men vaak, meestal onmiddellijk of in de eerste dagen na de +geboorte, bij meisjes een zuchtige zwelling van de schaamlippen, bij +jongens van balzak en lid, welke allengs vanzelf verdwijnt en niet de +minste beteekenis heeft. + +Bij 80% der pasgeborenen treedt geelzucht op, welke kenbaar is aan eene +gele verkleuring van de huid, vooral bij kinderen van eerstbarenden, na +geboorte met de billen vooruit en na lange, moeilijke baringen. Het +vaakst optredende op den tweeden dag, minder dikwijls op den derden, +begint die verkleuring in het gelaat en op de borst. In sterk sprekende +gevallen wordt ook het oogwit geel gekleurd. Bij kunstverlichting is de +verkleuring niet waar te nemen. De duur wisselt van 4 tot 14 dagen. +Soms zijn de kinderen wat mat en slaperig, drinken slecht en nemen, al +is het welbevinden ongestoord, gedurende dien tijd minder toe. Men +drage zorg voor behoorlijk warm houden, vooral bij te vroeg geboren +kinderen, zonder te broeien. Men moet echter, indien de geelzucht van +dag tot dag erger wordt, zoodat de kleur van de huid zelfs groengeel +wordt, den dokter waarschuwen. + +De borstklieren scheiden bij pasgeborenen een melkachtig vocht af, +heksenmelk genoemd. Bij beide geslachten zwellen daardoor van den 2en +of 4en dag af, de borsten op, welke zwelling op den 8en tot 12en dag +haar hoogtepunt bereikt, om van de tweede week af langzamerhand te +verdwijnen. Het kan evenwel nog langer duren, daar de vorming van melk +tot in de vierde week, in zeldzame gevallen tot in de vierde maand, +aanhoudt. Het is volkomen onnoodig, zelfs schadelijk, te trachten +daaraan door drukken, knijpen of wrijven een einde te maken. Men heeft +ze eenvoudig met een laagje steriele watten te bedekken en met rust te +laten. Het is mogelijk, dat in de borst ontsteking optreedt. Zij wordt +dan steeds grooter, pijnlijk bij druk; de huid wordt rood en zuchtig +gezwollen. Bij de eerste verschijnselen van ontsteking bedekke men dan +de borst met een compres, b.v. van hydrophiel gaas of een dun laagje +ontvette watten, in lauwwarm water, voor de helft verdund Goulardwater +of 50%’s alcohol, gedoopt en uitgeknepen, waarover een stukje +guttapercha-papier of Billroth-batist en daarover eene laag droge +watten, alles vastgehouden door een verband. Men verzuime niet den +dokter van deze verschijnselen in kennis te stellen, daar het tot +ettering komen kan. Het kind heeft daarbij soms hooge koorts, is +onrustig, verliest den eetlust. Vaak komt het tot braken en diarrhee. + +In de meeste gevallen begint op den 6en of 7en dag de opperhuid af te +schilferen, soms in kleinere of grootere lapjes, hetgeen eenige dagen +aanhoudt. De oorzaak is te zoeken in het uitdrogen van de tot de +geboorte steeds vochtige huid en in de prikkeling en wrijving der +kleederen. Ook treedt eene dergelijke afschilvering van het slijmvlies +der lippen op. + +Het gedeelte van de navelstreng dat aan het kind verbonden bleef, +blijft nog eenige uren blauwachtig wit van kleur, wordt slapper en +platter, verdroogt allengs en wordt tot eene platte harde streng, welke +ten slotte, bij een of andere gelegenheid, gewoonlijk bij het baden, +loslaat, door het verscheuren van de laatste dunne verbinding met den +navel. Dat loslaten geschiedt omstreeks den 5en tot 8en dag, somtijds +nog later. Er blijft een kleine wond aan den navel over, welke tegen +besmetting of infectie moet gevrijwaard worden, omdat daaruit voor het +kind de schromelijkste gevolgen kunnen voortspruiten. Daarom is +zorgvuldige, uiterst reine behandeling, zoowel van de rest van de +navelstreng als van de overblijvende wonde van groot belang. Het baden +van het kind behoeft niet te worden nagelaten. Men drage zorg voor +reinheid van eigen handen en van alles wat, als verband, op den navel +gebracht wordt. Het verband, dat om de rest van de navelstreng +gewikkeld is, laat bij het baden van zelf los. De rest moet daarna +zorgvuldig afgedroogd en een nieuw, zuiver verband aangelegd worden. + +Nadat de rest afgevallen is geneest de overblijvende navelwond onder +een verband, uit steriele watten of steriel gaas bestaande, vrij +spoedig. Dit verband moet, als het b.v. door urine nat geworden is, +vernieuwd worden. Ter beschutting van de wond kan men haar eerst met +wat vaseline bedekken of er een antiseptisch poeder, als dermatol-, +xeroform-, airol- of salicyl-strooipoeder (1 dl. salicylzuur, 5 dl. +talkpoeder) op strooien. + +Mocht het eens gebeuren, dat er eene bloeding uit de navelwond komt, +hetzij dat men ongelukkigerwijze aan de nog niet geheel losgeraakte +rest van de navelstreng heeft getrokken of wel door eenige andere +oorzaak, dan kan men de bloeding tot staan brengen door eene laag +zuivere verbandwatten of eene schoone zakdoek, opgevouwen, op de +bloedende wond te leggen en stevig met de hand daarop te drukken, of +door, over de bedekkende watten of zakdoek heen, stevig een verband, +b.v. een tricot-windsel, als drukverband, om den buik te wikkelen. Laat +inmiddels den geneesheer roepen. + +Eerst puilt de navel, vooral als de huid de navelstreng voor een +gedeelte bekleedde, nog wat uit (huidnavel), maar spoedig daalt hij +onder het oppervlak van de huid en vormt een kuiltje, met ietwat +vochtigen bodem, dat door eene smalle bovenste en breede onderste +huidplooi bedekt wordt. Weldra is de wond genezen en alles droog. +Somtijds blijft er wat bloederige, zelfs op etter gelijkende, +afscheiding bestaan, zoodat het verband aan de wond blijft kleven of +althans bevlekt wordt. Dan is er, als men de huidplooien uit elkander +trekt, een steeds vochtig, vleezig propje in de diepte waar te nemen. +Dat propje is ongevoelig en bloedt somtijds bij onzachte aanraking. + +De geneesheer, daarop opmerkzaam gemaakt, zal er spoedig een einde aan +weten te maken, zoodat de litteekenvorming weldra volkomen wordt. Van +meer belang is het, wanneer de rand van de wond, daar waar zij aan de +huid van den buik grenst, sterke roodheid vertoont, ettering aanwezig +is, de navel wankleurig wordt, rood, gezwollen en gevoelig is en eene +sterke afscheiding geeft. Dan vooral is het noodig oogenblikkelijk den +geneesheer te ontbieden, omdat dit alles op ontsteking wijst, waardoor +het leven van het kind in groot gevaar kan komen. + +Na de genezing wordt het navelverband veelal nog eenigen tijd, minstens +4 à 5 weken, aangelegd. Waar dikwijls de band, met de bedoeling om een +navelbreuk te voorkomen, sterk wordt aangetrokken, achten wij het +noodig daartegen te waarschuwen, omdat juist sterke druk op den +onderbuik de oorzaak kan worden van het ontstaan van navelbreuk. Zulk +een breuk ontstaat gewoonlijk niet dadelijk, meestal tusschen de tweede +en vierde maand. Hij doet zich voor als eene weeke verhevenheid of +dikte, welke, als het kind bij het schreeuwen of bij moeilijke +ontlasting perst, grooter en meer gespannen, bij het ophouden met +persen kleiner wordt of geheel verdwijnt. Dit laatste geschiedt ook als +men er met den vinger op drukt, waarbij men, als de breuk tamelijk +groot is, een eigenaardig gevoel waarneemt. + +Een navelbreuk ontstaat doordat een gedeelte van de ingewanden van den +buik, meestal een gedeelte van den darm, door eene, met huid bedekte, +opening van den buikwand heendringt en de huid uitstulpt. + +In vele families schijnt neiging of aanleg tot het ontstaan van +breuken, ook navelbreuken, voor te komen. Men schenke in den beginne +vooral aandacht aan den zoogenaamden huidnavel. Een doelmatig +hechtpleisterverband, het eerst door den geneesheer aan te leggen, dat +gedurende een veertiental dagen kan blijven liggen, zal er vele +genezen. Zulk een verband, waarvoor men leucoplast, blancoplast of +sanoplast ter breedte van 2 of 3½ cM. gebruikt, wordt als volgt +aangelegd. Men vouwt de huid van den buikwand in de streek van den +navel, zoodat er eene overlangs loopende plooi ontstaat. De randen van +die plooi worden tot elkander gebracht, zoodat de navel niet meer te +zien is. Dan legt men dwars over die plooi, op de plaats waar de navel +is schuil gegaan, om den buik heen, een strook pleister, ongeveer 12 +c.M. lang, en drukke die eenigen tijd aan, om haar door de warmte goed +te doen vastkleven. Bij gebruik maken van eene breede strook pleister +is één strook voldoende; bij smallere legt men twee of drie strooken +dakpansgewijze over elkander. De uiteinden van elke strook komen op den +rug van het kind te liggen. Zulk een verband kan, als het kind +dagelijks gebaad wordt, wel een week blijven liggen. Daarna wordt het +vernieuwd. Mocht, na het afnemen van het pleisterverband, blijken dat +de huid te rood geworden of stuk gegaan is, dan wachte men met het +aanleggen van een nieuw verband, tot zij genezen is. De genezing wordt +bespoedigd door bepoederen en inwrijven van de huid, b.v. met +alsol-strooipoeder. + +Ook liesbreuken komen nog al eens voor. Deze, hetzij eenzijdig of +dubbelzijdig, neemt men het best of alleen waar, als het kind bij +schreeuwen of bij moeilijken stoelgang perst, en wel als eene dikte in +de streek van de lies. Bij eenzijdige breuk is verschil in dikte met de +andere zijde gemakkelijk te zien. De geneesheer zal daarvoor een band +aanleggen, waaronder de genezing plaats vindt. Bij het dragen van alle +mogelijke banden moet men de uiterste zindelijkheid en reinheid +betrachten, omdat de huid van het kind zeer gevoelig is en gemakkelijk +stuk gaat. Indien de band goed aansluit en langen tijd gedragen wordt, +geneest de breuk in de meerderheid der gevallen. Vaak wordt bij jongens +eene zwelling van het zakje waargenomen, welke te wijten is aan vocht, +dat zich daarin heeft opgehoopt. Men noemt het een waterbreuk. Van +beteekenis is dit niet. Zulk een breuk geneest na eenige weken of +maanden van zelf. + +Een ander verschijnsel, dat bij jongens nog al eens voorkomt, is +vernauwing of samenkleven van de voorhuid, dat is het gedeelte van de +huid van het geslachtsdeel, door welks opening de urine te voorschijn +komt. Wanneer dit aanleiding geeft tot pijnlijke of bemoeilijkte +urine-loozing, is gewoonlijk eene kleine behandeling door den +geneesheer voldoende om dat bezwaar op te heffen. + +Van niet te onderschatten beteekenis is verder de zorg voor de oogen +van het kind. Reeds dadelijk na de geboorte moeten, zooals reeds gezegd +werd, de oogen met zuiver gekookt water of 3%’s boorzuuroplossing +gereinigd worden van het vuil, waarmede zij gedurende de baring in +aanraking gekomen zijn. Doch daarmede is niet alles gedaan. Dikwijls +komt het voor, dat bij de baring eene smetstof in de oogen geraakt, +vooral bij moeders welke aan witten vloed lijden, en voornamelijk +wanneer die berust op druipergif (gonorrhoe), welke binnen eenige dagen +eene zoodanige ontsteking van de oogen ten gevolge heeft, dat het kind +gevaar loopt onherroepelijk blind te worden. + +Vele geneesheeren hebben daarom de gewoonte, en wij kunnen dien +maatregel slechts toejuichen, bij iederen pasgeborene de oogen in te +druppelen met eene zwakke oplossing van helschen steen, welke, zooals +eene uitgebreide ervaring geleerd heeft, zoo goed als zeker den +verderfelijken invloed van het gif te niet doet. Mocht dat niet gebeurd +zijn en dergelijk gif in de oogen zijn binnengedrongen, dan treedt +meestal op den derden dag, soms op den vierden of vijfden dag, de +ontsteking op. De oogleden zwellen, worden rood, kleven aan elkander +vast en eene dunwaterige gele vloeistof, spoedig vervangen door eene +hevige ettering, treedt te voorschijn. Is reeds dat een groot gevaar, +nog grooter wordt het, wanneer men meent die ontsteking een „kou” of +„tocht” op het oog te mogen noemen, omdat dan allicht verzuimd wordt op +tijd de hulp van den geneesheer of van een oogarts in te roepen. Binnen +enkele dagen kan het zoover gekomen zijn, dat het kind tengevolge van +de ontsteking blind is, en, zoo dat niet het geval mocht zijn, het +dikwijls toch het grootste gedeelte van het gezichtsvermogen heeft +ingeboet. Oogontsteking kan ook op andere wijze ontstaan, b.v. door het +binnendringen van kraamzuivering of andere stoffen, hetwelk niet zulke +vèrstrekkende gevolgen heeft. Welke ten slotte de oorzaak zijn moge, +men gaat den zekersten weg, door zonder verwijl den geneesheer van de +minste afwijking in kennis te stellen. + +In het algemeen verdient het, naar mijne meening, aanbeveling het kind +van de geboorte af dagelijks te baden. Vele geneesheeren willen dat +eerst toestaan na genezing der navelwonde, uit vrees dat van daar uit +eene besmetting, door het badwater, zou plaats vinden. Ofschoon ik in +eene langdurige praktijk nooit iets dergelijks heb waargenomen, bestaat +er geen reden om daarover te twisten. In het eerste halfjaar houde men +de temperatuur van het badwater op 35° C. (28° R.), daarna kan men de +temperatuur iets lager nemen, doch nimmer late men zich verleiden, met +de bedoeling het kind te harden, het water—en dan niet voor het einde +van het tweede levensjaar—kouder dan 32,5°–30° C. (26°–24° R.) te +nemen. + +Na urine-loozing of stoelgang moet het kind steeds behoorlijk met +lauwwarm water, of water waar de koude af is, liefst met watten, +gereinigd en daarna bepoederd worden. Wanneer de billen om de +aarsopening en de huidplooien neiging tot smetten of stukgaan +vertoonen, scharrele men niet te veel met water. Men wassche dan +eenvoudig af en bepoedere. Waar de roodheid in wondzijn is overgegaan, +kan het zelfs aanbeveling verdienen, die plaatsen met olijfolie +(slaolie), met watten, te reinigen, daarna met watten af te drogen en +vervolgens te bepoederen. Als een uitstekend poeder daarvoor heb ik +alsol-strooipoeder leeren waardeeren. Ook wordt wel insmeeren met +zinkzalf, zalf of pasta van Lassar, vaseline of lanoline aangeraden. +Bij het gebruik van vaseline, vooral de gele, denke men eraan, dat +daarbij de ontlasting in de luier eene groene verkleuring kan aannemen. +Roodheid en opengaan van de huid, trots alle reinheid, met of zonder +het optreden van blaasjes, aan billen en dijen is vaak te wijten aan +dunne, diarrhee-achtige ontlasting of aan voortdurende inwerking van +urine. Dan heeft men na te gaan of er eene voedingsstoornis bestaat en +zorg te dragen, dat het kind niet lang in natte luiers liggen blijft. + +Op het hoofd vormt zich somtijds, meestal op de plaats der groote +fontanel en hare omgeving, een aanslag van huidsmeer en schubbetjes, +gewoonlijk „berg” genoemd. De opvatting dat men dit niet verwijderen +mag is onjuist. Ter behandeling smeert men het ’s avonds met eenig vet +of olie in, omgeeft men het hoofd met een doek en wascht men de plek ’s +morgens met warm zeepwater af. Zoonoodig wordt dit herhaald. Mocht deze +behandeling niet baten, dan wijst dat op eene aandoening van de huid, +welke hare oorzaak in het gestel van het kind kan hebben. Men moet +alsdan den geneesheer raadplegen. + + + + + + + + +EENIGE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET ZOOGEN EN DE VOEDING VAN EEN +ZUIGELING. + + +Iedere echte moeder moet haar kind zoogen. Het beste en goedkoopste +voedsel voor het kind is de moedermelk. Iedere moeder, die haar kind +liefheeft, zal dus dat kind de beste voeding geven, tenzij daaraan niet +kan voldaan worden door gebrek aan dat voedsel of wegens andere +oorzaken, b.v. gelegen in eigen gezondheid of in den toestand der +borsten. + +Goede borsten zijn eenigszins hangend, langwerpig, niet te groot en +niet te klein, met goed gevormde tepels, welke ongeveer 2 cM. boven de +oppervlakte van de borst uitsteken. + +Het zog, dat gedurende de eerste drie tot vijf dagen ontledigd wordt, +is waterig en met veel biest (colostrum) vermengd. Daarna komt eerst +het ware zog. Het zuigen van het kind aan den tepel is een prikkel, +waardoor de melkafscheiding bevorderd wordt. Tusschen den tweeden en +vierden dag vullen de klierkwabjes der borsten zich, waardoor deze +grooter en zwaarder, gespannen en pijnlijk worden. Die zwelling kan +zich tot in de oksels, waar zich zelfs klierkwabjes kunnen bevinden, +uitstrekken. De tepel wordt daarbij eenigszins ingetrokken. Het kind +kan den tepel moeilijker vatten en de melk niet zoo gemakkelijk +uitzuigen, hoewel een krachtig kind het er toch goed afbrengt en, door +flinke ontlediging, het spanningsgevoel althans eenige oogenblikken +doet verminderen. Die spanning neemt tot den vierden dag toe, om dan +binnen één tot drie dagen af te nemen, terwijl tevens de borsten +slapper worden. Bij niet zoogende vrouwen is dit alles gewoonlijk +sterker en duurt het slapper worden iets langer. Indien de spanning en +pijnlijkheid zeer sterk zijn, zoodat b.v. elke beweging, vooral van de +armen, pijn veroorzaakt, dan is, behalve het opbinden der borsten, wat +in ieder geval reeds verlichting geeft, het vochtig warm inpakken een +heerlijk middel, vooral als tegelijkertijd het nemen van voedsel en het +drinken wat beperkt en ruime ontlasting, b.v. door bitterwater, +bevorderd wordt. Mechanische ontlediging der borsten, door uitpersen, +uitzuigen met de zogpomp, of massage is zeer pijnlijk en brengt zeer +weinig verlichting. + +In de eerste dagen veroorzaakt het zuigen van het kind vaak pijn aan de +tepels, ook al zijn die niet „open” of ontstoken. Bij het zuigen van +het kind ontstaan wel eens blaasjes op, kleine bloeduitstortingen of +scheurtjes in den tepel. Dan is het zoogen bijzonder pijnlijk. Velerlei +middelen worden aanbevolen om die gewonde plekjes te genezen. Zoo b.v. +het penseelen van den tepel met benzoëtinctuur, met eene 6%–10%’s +oplossing van helschen steen in gedestilleerd water. Ook wordt de tepel +wel bedekt met een lapje gedrenkt met perubalsem, met eene oplossing +van tannine (looizuur) in glycerine (5%–10%), waarbij men te bedenken +heeft, dat zij vlekken in het ondergoed maken, zoodat het aanbeveling +verdient er een stukje Billroth-batist of guttaperchapapier overheen te +leggen; met eene 6%–8%’s oplossing van boorzuur in glycerine; met een +mengsel van gelijke deelen brandewijn en glycerine. Als tepelzalf wordt +o.a. ook aanbevolen een mengsel van gelijke deelen glycerine, +benzoëtinctuur en olijfolie, b.v. 15 grammen van ieder. + +Het zal dan noodig zijn den tepel, voor het kind aan de borst gelegd +wordt, met lauwwarm water af te wasschen, terwijl hetzelfde ook +gebeuren moet nadat het kind gezogen heeft. Deze middelen helpen +gewoonlijk niet snel, omdat de tepels telkens weder aan denzelfden +schadelijken invloed, d.i. het zuigen van het kind, worden +blootgesteld. Wanneer, vooral bij uitgebreide wondjes, het zoogen zeer +pijnlijk is, kan men trachten de pijn te verminderen, door het kind +door een tepelhoedje te laten zuigen. Somtijds is de pijn echter zoo +hevig, dat reeds de gedachte aan het naderende uur van zoogen de +kraamvrouw geheel in de war brengt, uit angst voor de door te stane +pijnen. Dan kan het noodig en nuttig zijn het kind zoolang de borst te +onthouden en op andere wijze te voeden, totdat de wonden genezen zijn. +Men behoeft niet bevreesd te zijn, dat het kind daarna den tepel niet +meer zal willen vatten. Met eenig geduld en eenige moeite gelukt dat +wel weder. Evenmin behoeft men beangst te zijn, dat de borst na zulk +een tijdperk van rust geen zog meer zal leveren. Het zuigen van het +kind brengt, vooral als de borst voldoende zog opleverde, al spoedig +hare werkzaamheid weder aan den gang, zoodat voldoende hoeveelheid +voedsel geleverd wordt. [3] + +Uit wonde tepels zuigt het kind bloed af, dat uitgebraakt of, in de +luiers, zwart gekleurd, teruggevonden wordt. + +De wonde tepel is wel de hoofdoorzaak voor het ontstaan der zoo +gevreesde zweer in de borst. Gemakkelijk toch kunnen onreine stoffen, +zooals de kraamzuivering, welke onwillekeurig aan de handen der moeder +of der verpleegster geraakt zijn, in die wondjes gebracht worden en tot +infectie en ontsteking aanleiding geven. Dit wetende, begrijpt men dat +de grootste reinheid moet worden in acht genomen, omdat daardoor het +gevaar zoo goed als uitgesloten is. + +De meening, dat iedere zoogende vrouw omstreeks den derden dag +zogkoorts zou krijgen of zou moeten krijgen, is gelukkig onjuist. Wel +is waar gevoelt zij zich niet prettig gedurende de dagen dat de +gespannen borsten pijnlijk zijn en iedere beweging haar hindert, doch +dat is geen gevolg van of oorzaak voor temperatuurs-verhooging. Veeleer +kan men zeggen, dat bij de kraamvrouw, die omstreeks dien tijd koorts +heeft, de oorzaak ergens anders te zoeken is, voornamelijk in eene +lichte infectie van wondjes in of aan de geslachtsdeelen of door +verhinderde of verminderde uitscheiding der kraamzuivering. + +Zoodra de spanning en pijnlijkheid van de borsten voorbij zijn, zal het +kind gemakkelijker zuigen en de borst flink leeg drinken. Dat geheel +ledigen van de borst is van belang voor regelmatige vorming van melk in +voldoende hoeveelheid. Dan komt regelmatige vulling der borsten tot +stand en vaak kan de moeder, tegen den tijd dat het kind zich voor de +voeding zal aanmelden, een eigenaardig gevoel waarnemen, alsof de borst +zich met vocht vult, wat ook werkelijk het geval is, zelfs zoo, dat de +melk uit den tepel begint te loopen. Men noemt dat het toeschieten van +het zog. + +Voor het kind aangelegd wordt, reinige men den tepel. Dat moet ook +gebeuren als het kind gevoed is. Men kan dit doen met verbandwatten en +zuiver gekookt water. Daarna de borsten met een zachten doek te +bedekken of in een lijfje op te bergen en daarbij, ook de minste, +drukking zooveel mogelijk te vermijden. Als het kind verzadigd is, +veegt men het de lippen af en legt men het in een warm bedje, om rustig +te slapen. De mond behoeft volgens sommige geneesheeren na het zuigen +niet gereinigd te worden, volgens andere juist wel, omdat het in den +mond achterblijvende zog aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan +van spruw. Spruw is eene in het mondslijmvlies groeiende schimmelplant, +welke zich als witte vlekken voordoet, die betrekkelijk moeilijk te +verwijderen zijn. Die witte plekjes mogen niet verwisseld worden met +melkstolsels, die, op het slijmvlies van de mondholte liggende, juist +gemakkelijk te verwijderen zijn. Volgens de aanhangers der +mondreiniging zou men daardoor de onreinheid, welke tot ontwikkeling +van spruw leiden kan, ontgaan. Volgens de tegenstanders zou juist de +mondreiniging, door mogelijke beleediging van het slijmvlies, het +ontstaan van spruw vergemakkelijken. Ik schaar mij aan de zijde van +hen, die het reinigen van den mond niet alleen overbodig, maar zelfs +schadelijk achten. + +De melk van jonge vrouwen is over ’t algemeen vetrijker en de +afscheiding rijkelijker. De borsten van vrouwen tusschen 20 en 30 +jaren, die reeds twee- of driemaal gebaard hebben, leveren meestal meer +dan die van jongere of oudere, die vaker baarden. Dat zijn +omstandigheden gebonden aan de lichamelijke gesteldheid der vrouw. +Daarnaast zijn vele andere toevallige aanwezig, zoodat in ’t algemeen +nooit van te voren kan gezegd worden, welke moeder haar kind zal kunnen +voeden, hoe lang en hoe goed zij dat zal kunnen doen. Eerst ongeveer 14 +dagen na de bevalling zal men kunnen beoordeelen, of de moeder +werkelijk haar kind zal kunnen zoogen. + +De voeding der kraamvrouw, eten en drinken beiden, kan van den aanvang +af over ’t algemeen de gewone zijn, zoodat men haar, die zich +verstandig voedt, niet dit en dat en nog meer behoeft te verbieden, +zooals nog al te dikwijls geschiedt. Allerminst behoeft zij op een pap- +en melkdieet gezet te worden, welke kost, ook al omdat zij het +darmkanaal te weinig prikkelt, voor een groot deel schuldig is aan de +verstopping, waaraan menige zoogende vrouw lijdt. Zij mag in den +vruchtentijd gerust genieten van aardbeziën en dergelijke, van salade, +augurken, komkommers, enz., waarbij zij echter moet opletten, welke +voedings- of genotmiddelen op haar kind misschien eenigen ongunstigen +invloed uitoefenen. Zoo herinneren wij ons, om een enkel voorbeeld te +noemen, eene moeder, die alle vruchten gebruiken kon, zonder dat haar +kind daarvan ook maar eenige onaangenaamheid ondervond, doch de gewone +gele pruim veroorzaakte bij haar kind regelmatig dunne ontlasting. +Daarvan onthield zij zich dan ook, doch wanneer het kind eens +moeilijkheid met de ontlasting had, aan verstopping leed, gebruikte zij +deze vrucht met uitstekend gevolg voor de goede ontlasting van haar +kleine. Zoo is het ook hier weder duidelijk, dat men geen algemeene +regels geven kan en mag, ook niet voor zoogende vrouwen. Wel mag men +aannemen, dat het gebruik van alcohol nadeelig is, al moet dadelijk +worden toegegeven, dat een enkel glas wijn of bier geen schade doet. +Dat theegebruik het zog zou opdrogen, koffie de zogafscheiding zou +aanzetten, behoort, als zoovele andere dingen, tot het rijk der +fabelen. De beste drank voor de zoogende moeder is melk. Zij houde +evenwel in het oog, dat ook van de zoogenoemde versterkende middelen, +waartoe gewoonlijk in de eerste plaats melk en eieren gerekend worden, +te veel gebruikt worden kan. + +Bij te rijkelijke voeding met dierlijke stoffen kan, wanneer die tot +sterke vetafzetting leiden, de zogafscheiding verminderen en zelfs +geheel ophouden. In het algemeen kan gezegd worden, dat de gemengde +voeding de beste is, omdat eiwitrijk voedsel het eiwit- en vetgehalte +van de melk vermeerdert, het suiker- en zoutgehalte vermindert, terwijl +plantenkost in omgekeerden zin werkt, en dat bij de gewone gemengde +voeding, als het noodig blijkt, eene hoeveelheid van 1–1½ liter melk en +1 à 2 eieren per dag voldoende is. + +Wanneer de zoogende vrouw dan zorg draagt voor beweging, ook in de +frissche buitenlucht, en voor goede ontlasting, eenmaal in de 24 uren, +zal zij in de meeste gevallen voldoende voedsel voor haar kind hebben. +Mocht de ontlasting niet behoorlijk zijn, dan trachte zij daaraan +tegemoet te komen door het gebruik van karnemelk, grof brood, versche +en gekookte vruchten, waarbij ook hazelnoten en andere noten, of door +het zetten van een lavement. In ’t algemeen zorge zij voor eene gewone, +gezonde en geregelde levenswijze. + + + +Wij gaan nu wat nader in op de voeding. + +Wanneer de pasgeborene, na den eersten slaap, door schreien van zijn +bestaan blijk geeft, is de tijd gekomen om hem den eersten maaltijd aan +de moederborst te geven. Dit zal bij haar, die voor het eerst moeder +geworden is, niet altijd gemakkelijk gaan. Sommige kinderen vatten +dadelijk den tepel, andere moeten als ’t ware eenigermate daartoe +opgevoed worden. Indien het niet dadelijk gelukt, moet de moeder niet +wanhopen. + +Zij beginne met die borst te geven, welke den besten tepel heeft. Hoe +zal zij dat doen? Zoolang zij nog te bed ligt, gaat zij halverwege op +eene zijde, b.v. de rechterzijde, met een kussen als steun in den rug, +liggen, en plaatst het kind zoo naast zich, dat het door den rechter +arm gesteund wordt. Dan vat zij de borst zoo, dat de tepel tusschen de +toppen van den gestrekten wijs- en middelvinger van de linkerhand komt +te liggen. Met die vingers drukt zij zacht, doch stevig, de omgeving +van den tepel en van den tepelhof, zoodat deze meer te voorschijn +treedt, en brengt dan den tepel in den mond van het kind. Het kan, bij +slappe borst, ook zoo geschieden, dat zij de borst zoodanig tusschen +den duim aan de eene zijde en de overige vingers aan de andere zijde +van den tepel vat, dat deze, met den tepelhof, goed naar voren komt. Op +die wijze kan het kind gemakkelijk door den neus ademhalen. + +Het kost wel eens eenige moeite om het kind den tepel goed in den mond +te brengen. Vaak draait het kind, zelfs als het honger heeft, telkens +het hoofd heen en weer, zoodat er eenige handigheid toe behoort, het +kind aan het zuigen te brengen, doch met geduld en zachten drang gelukt +het ten slotte. Dikwerf is ook hierbij alle begin moeilijk, zoodat èn +moeder èn kind spoedig vermoeid raken. Dan eindige men met de poging, +om na eenigen tijd opnieuw te beginnen. Allengs krijgt de moeder de +noodige handigheid wel. Daarentegen pakken vele kinderen de borst +dadelijk en zuigen flink, alsof zij nooit anders gedaan hadden. + +Zoodra de moeder in bed mag opzitten, is het beter dat zij, met een +steun in den rug, het kind dwars voor zich op den schoot neemt, het +hoofd gesteund door den arm aan de zijde van de borst welke den +zuigeling zal gegeven worden, en hem nu, in voorovergebogen houding, +den tepel in den mond brengt. Een kussentje onder de elleboog van den +steunenden arm maakt het moeder en kind gemakkelijker. Kan de moeder +het bed reeds verlaten, dan neme zij dezelfde houding aan op een stoel, +liefst een lage, met armleuning, waarop de elleboog rusten kan, en +steune zij het been aan denzelfden kant van de te geven borst, op een +voetenbankje, waardoor de houding minder vermoeiend is. + +Men late nu het kind naar hartelust zuigen. De tijd, gedurende welken +een kind zuigt, is verschillend. Krachtig zuigende kinderen drinken uit +eene goede zoggevende borst betrekkelijk snel de noodige hoeveelheid, +zoodat zij vaak in vijf tot tien minuten tijds reeds genoeg hebben. +Andere kinderen doen er langer over. In het algemeen is echter een +tijdsduur van twintig tot dertig minuten voldoende. Ook dan zal men +kunnen waarnemen, dat het kind gedurende de eerste vijf tot tien +minuten flink zuigt en telkens na iedere zuigbeweging slikt, daarna +echter minder snel zuigt en eerst na eenige zuigbewegingen slikt en ten +slotte òf verzadigd den tepel loslaat òf rustig aan de borst blijft +liggen. Het in slaap vallen aan de borst bewijst niet dat er voldoende +zog is. Dat gebeurt b.v. bij zwakke kinderen, uit vermoeienis. + +Dikwijls begint het kind, als de moeder het van de borst wil nemen, +weder te zuigen, of althans eenige zuigbewegingen te maken, alsof het +te kennen wil geven, dat het nog niet genoeg gedronken heeft. Dit is +meestal slechts eene poging om bij moedertje, bij wie het zoo aangenaam +warm liggen is, te blijven. De moeder mag daaraan niet toegeven, omdat +zij gevaar loopt, dat het kind den tepel als fopspeen gaat gebruiken. + +Een kind dat omstreeks twintig minuten aan de borst gezogen heeft, zal +gewoonlijk genoeg voedsel tot zich genomen hebben en behoort dan +voorzichtig in zijn bedje gelegd te worden. + +Den tepel reinige men, na het zuigen, op dezelfde wijze als voor het +aanleggen. + +Eene vraag, welke in verschillende tijden en door verschillende +geneesheeren verschillend beantwoord werd en wordt, is deze: hoe vaak +men het kind de borst zal geven, d.w.z. hoeveel maaltijden het kind in +het etmaal krijgen moet. + +Naar mijne meening ligt het voor de hand, om niet onmiddellijk met een +vasten regel te beginnen, doch het kind dan voedsel te geven, als het +door geschrei kenbaar maakt, dat het honger heeft. In de eerste dagen +na de geboorte kan dat betrekkelijk veelvuldig voorkomen, omdat de +borst nog weinig zog afscheidt, en toch behoeft het niet veelvuldig te +zijn, omdat het kind nog weinig voedsel noodig heeft. Het komt er nu +vooral op aan, dat de moeder haren jonggeborene bestudeert, opdat zij +allengs wete of het geschrei eene uiting is van honger, dan wel van +onbehagen of iets anders. In den beginne zal het kind misschien +dikwijls voedsel verlangen en moet het dan ook, mijns inziens, aan de +borst gelegd worden. Naarmate de borst meer zog levert, worden de +hoeveelheden, die het goed zuigende kind tot zich neemt, grooter en zal +het langer duren, voor het zich weder aanmeldt. De goede gang is wel +deze, dat het voldoend gevoede kind na den maaltijd inslaapt en niet +ontwaakt, voor de behoefte aan voedsel zich opnieuw doet gevoelen. Hoe +grooter de hoeveelheid voedsel, die het tot zich nam, geweest is, hoe +langer de slaap duren zal. Uit dien slaap ontwaakt, zal het kind met +flinken honger gretig de borst nemen, de borst goed leeg drinken en +opnieuw een gerusten slaap genieten. + +Op die wijze zal ieder kind, in den aanvang allicht wat onregelmatig, +vrij spoedig eene betrekkelijke regelmaat in zijne behoefte aan voedsel +openbaren, welke het best voldoet aan de eischen door en voor zijne +ontwikkeling gesteld. Sommige kinderen bereiken reeds zeer spoedig eene +groote regelmatigheid. + +De ervaring leert, dat de meeste kinderen tusschen de maaltijden eene +tijdsruimte nemen, welke schommelt tusschen drie en vier uren, soms +zelfs grooter, en dat het aantal maaltijden, in de vier en twintig uren +genomen, schommelt tusschen acht, in den aanvang, en vier, vijf of zes, +later. Er zijn er echter, die van den beginne af niet vaker dan vier- +of vijfmaal zich aanmelden. Daarin vertoont ieder kind een zekere +eigenaardigheid of individualiteit, en het is, naar mijne overtuiging, +van het grootste belang voor zijne gezondheid, hiermede rekening te +houden. [4] + +Eerst indien na eenigen tijd, die nu eens kort, dan vrij lang is, de +betrekkelijke regelmaat door de moeder is waargenomen, kan zij er, zoo +noodig, toe overgaan om, rekening houdende met de regelmaat door het +kind aangegeven, deze in overeenstemming te brengen met de orde en +regelmaat, welke in hare huishouding noodig is. + +In aansluiting hiermede moet de vraag besproken worden, of een +zuigeling in den nacht al dan niet gevoed moet worden. Ook daaromtrent +bestaat verschil van opvatting. De mijne is deze, dat een kind, dat in +den nacht honger heeft, wèl gevoed moet worden. Hoe aangenaam het voor +de moeder en de huisgenooten ook zijn moge, dat de zuigeling den +geheelen nacht slaapt, zoo leert toch de ervaring, dat het slechts eene +hooge uitzondering is, dat dit van den beginne af het geval is. In het +meerendeel der gevallen wordt ook de gezonde zuigeling ’s nachts +wakker, omdat hij behoefte heeft aan voedsel, en het niet voldoen aan +dezen natuurlijken drang leidt geregeld tot verstoring van de rust der +moeder, die misschien den raad gekregen heeft het kind maar te laten +schreeuwen, omdat het vroeg leeren moet den geheelen nacht te slapen. + +Waarom moeten jonge ouders den pasgeborene maar erbarmelijk laten +schreeuwen, zelfs als zij daarvan ontdaan raken? Het is mij vaak genoeg +voorgekomen, dat—op gezag der verpleegster, steunende op hetgeen haar +onderwezen scheen te zijn geworden—de jonge ouders dit voorschrift in +toepassing hadden gebracht, met het gevolg, dat ’s morgens het kind, +afgemat door het schreeuwen, sliep; dat de jonge moeder, inderdaad +geheel ontdaan, geen oogenblik geslapen had, want welke moeder, die +reeds maanden lang geleefd heeft in blijde verwachting van „het groote +oogenblik, waarop het kleine menschje voor het eerst in den arm en aan +de borst zijner moeder gelegd wordt”, zou niet ontdaan raken, als zij +dat kleine menschje geen voedsel mag geven, ofschoon moeder natuur +werkelijk wel weet wat zij doet, als zij het kind door geschrei om +voedsel laat vragen?; dat de vader besloot—„als dat zóó moet doorgaan” +zegt hij—den nacht zoover mogelijk van de kraamkamer verwijderd door te +brengen, omdat hij overdag zijnen arbeid moet verrichten; dat de +verpleegster ook al geen rust had gehad, omdat zij in den nacht telkens +de verzekering moest geven, dat het kind maar dadelijk moest leeren, +dat het ouderlijk gezag gehandhaafd moet worden. + +En welk voordeel was daaraan verbonden? [5] + +Het voordeel, aan eene dergelijke regeling of zoogenaamde opvoeding +verbonden, is mij nooit gebleken. Indien het kind in den nacht gevoed +wordt, d.w.z. zijn buik vol krijgt, zal het weder gerust gaan slapen en +de moeder eveneens. Die rust zal beiden meer goed doen dan de onrust +welke, vaak nachten achtereen, moeder, kind en huisgenooten zenuwachtig +maakt. En is het niet dwaas, aan den eenen kant voor te schrijven het +kind te vrijwaren voor onnoodige prikkeling van zijn nog niet ten volle +ontwikkeld zenuwstelsel, door het te behoeden voor sterk inwerkende +geluiden en andere schadelijke invloeden, en aan den anderen kant dat +zenuwstelsel overmatig te prikkelen, door het ten prooi te laten aan +urenlang durende huilbuien? Volgens mij moet het kind dus ook in den +nacht gevoed worden. + +Naarmate het kind ouder wordt, zullen ook de tijdsruimten tusschen +zijne maaltijden vrijwel gelijk van duur worden. Voor de tijdsruimte +tusschen den laatsten avond- en den eersten morgenmaaltijd geldt, dat +het kind dikwijls al heel spoedig den geheelen nacht doorslaapt. Zoo +wordt op natuurlijker wijze aan het verlangen, ’s nachts niet te +voeden, voldaan, dan door een stelsel van dwang, dat vaak genoeg niet +tot het beoogde doel leidt en den zuigeling zenuwachtig maakt. + +Als het bij uitzondering al te lang mocht duren, voor het kind den +nacht blijft doorslapen, zal de moeder er vanzelve toe besluiten om +daarin den gewenschten regel te brengen. Zij bedenke evenwel, dat het +kind onrustig zijn kan, omdat de luier nat is. Het kind kan dan weder +inslapen, maar het kan ook gebeuren, dat het onrustig blijft en het zal +eerst dan weder rustig worden en den slaap voortzetten, als het +verdroogd is. Hieruit blijkt, dat het niet in alle gevallen, niet +altijd, noodig is, het kind, als het schreit, de borst te geven. Werd +dat in den beginne wel gedaan, dan moet de moeder het nu nalaten, doch +het kind verdrogen en weder in zijn bedje leggen. Misschien zal het +niet dadelijk den slaap vatten, omdat het—gewoon geworden aan het +voeden—weder begint te schreien, doch nu geldt het niet aan dat +verlangen te voldoen. Het kind zal zich vermoedelijk niet dadelijk in +de nieuwe regeling schikken, doch indien volgehouden wordt, begrijpt +het ten slotte wel, dat het zijn zin niet krijgt en dan is het pleit +voor de moeder gewonnen. + +Voor iederen maaltijd moet het kind verdroogd worden. Men zal dikwijls +bespeuren, dat het kind gedurende het zuigen de luier weder nat maakt, +maar dan behoeft men de luier niet te verwisselen als het kind, na de +borst genomen te hebben, slaapt. Dan zou het weder wakker kunnen worden +en allicht niet gemakkelijk den slaap weder vatten. Men make alleen +eene uitzondering wanneer het kind gesmette billen heeft; de natte +luier zou dan den toestand verergeren, niet omdat de urine van een +gezond kind scherp is, zooals de moeders vaak meenen, en die scherpe +urine de billen stuk maakt, maar omdat de urine scherp wordt, als men +het kind lang in de natte luier laat liggen. + +In de eerste dagen na de geboorte kan het aanbeveling verdienen het +kind bij iederen maaltijd beide borsten te geven, omdat er nog geen +voldoende hoeveelheid zog wordt afgescheiden. Als die hoeveelheid +toeneemt, zal het kind allengs uit één borst genoeg zog drinken. Men +geve dan om beurten de rechter en de linker borst. Mocht de hoeveelheid +zog, uit één borst verkregen, ook de volgende dagen nog ontoereikend +blijven, dan zal het altijd beter zijn beide borsten na elkander te +geven, dan één borst en daarna, als bijvoeding, een fleschje. Waarom +toch zou men kunstvoedsel geven, als het kind, door beide borsten leeg +te drinken, het natuurlijke voedsel in voldoende hoeveelheid krijgen +kan? + +Somtijds geeft de borst veel meer zog, dan het kind verorberen kan. Dat +kan reeds in den aanvang het geval zijn, zoolang de zuigeling nog zeer +weinig drinkt, doch dat komt vanzelf terecht, als het kind meer gaat +drinken. Maakt de borst meer zog dan het kind nemen kan, dan zal er zog +in de borst achterblijven. De borst is dan na het zuigen nog of spoedig +daarna weder gespannen; er zijn duidelijk harde plekken in de borst te +voelen; zij is pijnlijk, vooral bij betasting; er is geen koorts. Men +spreekt dan van zogstuwing. In de meeste gevallen is het voldoende de +borst goed op te binden, in een warm-waterverband, om dit ongemak te +doen verdwijnen. Daarbij is het goed de voeding van de kraamvrouw, maar +vooral het drinken, tijdelijk te beperken en de ontlasting te +bevorderen, b.v. door toediening van bitterwater, ’s morgens een glas +op de nuchtere maag. Er wordt wel eens aangeraden om de met olie +ingevette borst voorzichtig te masseeren, doch daarbij moet op het +woord „voorzichtig” zeer sterk de nadruk gelegd worden, omdat het mij +voorkomt, dat met massage het gevaar voor ontstaan van eene „zweerende +borst” stijgt. + +Zogstuwing kan ook bij niet te overvloedige vorming van zog optreden, +indien het kind niet met voldoende kracht zuigt. Ja, in de meeste +gevallen is daarin de oorzaak gelegen, b.v. in de eerste dagen, als het +kind nog slaperig is, wat vooral bij geelzucht, maar ook bij te vroeg +geboren en zieke kinderen voorkomt. Indien een kind slecht zuigt, kan +het dus noodig zijn het door den geneesheer te laten onderzoeken. + +Wordt de zogstuwing niet opgeheven, dan gaat de zogafscheiding +achteruit. Men moet dus de zogstuwing trachten te voorkomen, wat +gebeuren kan door, als het kind de borst niet leeg zuigt, haar met de +zogpomp te ledigen of door een ander, gezond, kind te laten ledig +zuigen. Dit laatste stuit begrijpelijkerwijze nog wel eens op bezwaren. + +Ook kan men ertoe besluiten om het kind, als het te lang mocht slapen +en de moeder last krijgt van te sterk gespannen borsten, wakker te +maken en aan te leggen, doch gewoonlijk zal dat niet noodig zijn, +omdat—gelijk gezegd—het kind zich na 3½ of 4 uur aanmeldt. + +Als de borst weinig zog levert, kan het eveneens noodig zijn om haar, +door zuigen, tot vorming van meer zog aan te zetten, en wel door het +kind iets vroeger dan den genoemden tijd op te nemen en tot zuigen te +verleiden, maar ook dit wordt gewoonlijk door de natuur zelve reeds +gedaan, daar het kind uit eene weinig zog leverende borst ook te weinig +voedsel krijgt, om zoo lang te slapen. Indien de door mij gegeven raad, +in den beginne aan het kind over te laten het oogenblik voor zijnen +maaltijd te bepalen, gevolgd wordt, zal het slechts uiterst zelden +noodig blijken tot dergelijke maatregelen over te gaan. + +Zeer zeker acht ook ik het noodig, om het kind aan regelmaat in het +nemen zijner maaltijden aan de borst te gewennen, doch naar mijne +overtuiging begint men daarmede gewoonlijk te vroeg en met toepassing +van eenen maar al te vaak eenzijdig gestelden regel, en ligt hierin een +der oorzaken voor het optreden van stoornissen in voeding en +spijsvertering. + +Het lijkt mij niet aan te bevelen om een kind, dat rustig en vast +slaapt, wakker te maken omdat het voorgeschreven tijdstip voor zijn +maaltijd is aangebroken. Als het waar is, dat voor het kind de slaap +een nog grooter physiologische, d.w.z. voor het gunstig verloop der +levensverrichtingen noodzakelijke, behoefte is dan voor den volwassene, +dan is het ook waar, dat het verstoren van dien slaap eene stoornis in +den gang der physiologische verrichtingen beteekent. Buitendien is het +een bekend feit, dat een kind dat nog gerust slaapt, dus blijkbaar nog +geen behoefte aan voedsel heeft, als het uit de wieg genomen en aan de +borst gelegd wordt, òf niet zuigen wil òf slechts met behulp van +allerlei hem onaangename middelen, zooals het bestrijken van zijn +gelaat met een spons met koud water, heen en weder drukken van het +gelaat over den tepel, tikken tegen de wangen, ertoe gebracht kan +worden betrekkelijk slecht te zuigen, omdat de eetlust ontbreekt. Het +gevolg moet wel zijn, dat het te weinig neemt en dus binnen den +voorgeschreven tijd om zijn maaltijd komt, waaraan dan, volgens het +voorschrift, niet mag worden toegegeven, omdat het wachten moet „tot +het zijn tijd is”. Ligt het niet voor de hand, dat op die wijze het +kind in de war gebracht wordt? En omgekeerd. Het kind zal binnen den +voorgeschreven tijd wakker worden en om eten vragen. Het voorschrift +luidt, dat het maar huilen moet gedurende de spanne tijds, welke hem +nog rest tot zijn tijd gekomen is. En is die tijd aangebroken, dan +zuigt het kind, in de war gebracht door het vergeefsche schreien, +minder gretig, vult wederom zijn buikje onvoldoende, met hetzelfde +gevolg: al weder te vroeg komen voor zijn, volgens voorschrift, +vastgestelden maaltijd. [6] + +Ofschoon niet zoo menigvuldig als men beweert, kan het toch gebeuren—en +dat is meestal het geval bij haar die voor het eerst moeder geworden +is—dat de borsten in den beginne te weinig zog vormen. In de eerste +dagen blijven de borsten dan tamelijk slap en week en zijn er met +moeite eenige druppels zog uit te drukken. Dan moet de moeder niet +dadelijk besluiten, om het kind voor goed van de borst te nemen, doch +volhouden, omdat gewoonlijk na eenige dagen, vaak plotseling, +verbetering optreedt. Dit kan wel zes of acht dagen duren. Gedurende +zoo langen tijd kan het kind niet zonder voedsel blijven. Dan geve men +het, nadat het eerst aan de borst gezogen heeft, een fleschje, waarin +een mengsel van één deel melk en twee deelen water, b.v. 30–50 gram, +zoo dikwijls dat noodig blijken mocht. Beginnen de borsten zog te +leveren, dan geve men het kind liever beide borsten, namelijk eerst de +eene en dadelijk daarna de andere, om bij den volgenden maaltijd met de +laatst gegeven borst te beginnen voordat men de tweede geeft, en zoo +vervolgens, dan dat men één borst en daarna een fleschje, als +bijvoeding, geeft. + +Of de hoeveelheid zog volstrekt onvoldoende is, zal gewoonlijk niet +binnen de eerste twee weken zijn vast te stellen. Mocht het ’t geval +zijn, dan zal het noodig blijken bij de borstvoeding één of meer +fleschjes, als bijvoeding, te geven. (Zie: Gemengde voeding). + +Het komt echter veeltijds, meer dan men over ’t algemeen denkt, nog wel +terecht, d.w.z. dat het blijkt, dat de twijfel te vroeg was opgekomen. +Te geringe afscheiding van zog is immers dikwijls te wijten aan niet +voldoende prikkeling of aan onvoldoende ontlediging van de borst, door +slecht zuigen van het kind. + +Bij onvoldoende vorming van zog voelen de borsten slap aan; zij zijn +ook onmiddellijk voor het zuigen niet flink gespannen en na het zuigen +is er geen straaltje zog uit te drukken. Dit laatste geldt echter niet +in alle gevallen. + +Zoolang een kind bij borstvoeding alle teekenen van gezondheid +vertoont, moet het aan de borst blijven. Het vindt daar alles wat het +noodig heeft. + +Hoe kan een moeder weten of haar kind gezond is en aan de borst gedijt? + +In het algemeen kan men het volgende opmerken. De houding van den +gezonden zuigeling, als hij in zijn bedje ligt, is, vooral gedurende +den slaap, eene zeer kenmerkende. Hij ligt op den rug of op zijde, +houdt de armen, in het elleboogsgewricht gebogen, omhoog, de handjes +ter weerszijden van het hoofd; de beenen zijn tegen den buik +opgetrokken. Hij slaapt, vooral gedurende de eerste maanden van zijn +leven, dadelijk na den maaltijd in. De slaap is rustig en diep, zoodat +die nauwelijks door sterke, van buiten af werkende, prikkels gestoord +wordt. De oogleden zijn meestal vast gesloten. Het kind slaapt, vooral +in den eersten tijd van zijn leven, bijna voortdurend, behalve +gedurende den maaltijd. Somtijds schreit hij wel eens, zonder dat men +daarvoor een oorzaak kan vinden. Men spreekt dan van zijn gewone +huiluurtje. Intusschen kan de oorzaak daarvan wel eens gelegen zijn in +de omstandigheid, dat het kind door huisgenooten of anderen, die het +„dotje” wel eens even in handen willen hebben of er mede willen spelen, +met te veel belangstelling vervolgd wordt. Het gevolg is dan +gewoonlijk, dat het kind op den duur wil beziggehouden worden of in +handen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is aan zijn rust en zijne +gezondheid. Naarmate het kind ouder wordt, zal het nu en dan wakker +liggen en langzamerhand meer aandacht aan zijne omgeving wijden. Dan +zal de moeder zich ook meer met haar kleine mogen bezighouden, waarbij +zij telkens weder bedenken moet, dat ook in dat opzicht alle overdaad +schaadt. Als moeder en kind om zoo te zeggen samen opgroeien, ontstaat +vanzelve de ware harmonie, welke voor het kind het voordeeligst is. + +De gezonde zuigeling heeft eene mooie frissche huidkleur, lichtrood, +vooral in het gelaat, licht rose aan het oor, bij doorschijnend licht, +en aan de voetzolen, of gemarmerd. In den slaap is de kleur gewoonlijk +bleeker. De huid is glad, gaaf, een weinig vochtig en aangenaam warm +als het kind niet te lang bloot ligt. Zij kan niet gemakkelijk in eene +plooi, die onmiddellijk weder verdwijnt, opgelicht worden. + +De gezonde zuigeling zweet, tenzij hij overdreven warm gekleed of in +het bedje te warm gedekt is of op andere wijze te warm gehouden wordt, +niet, behalve bij hevig schreien. + +De slijmvliezen zijn bleeker van kleur dan bij volwassenen, de tong +fletsrood en vochtig. + +De spieren (het vleesch) maken bij betasting den indruk van vast en +stevig en tevens veerkrachtig te zijn. + +De buik is slank en ligt vrijwel in hetzelfde vlak als de borstkas of +iets hooger, de grens tusschen deze beiden is niet duidelijk, de +flanken zijn niet uitgezet. De buikwand is min of meer gespannen en +moeilijk in te drukken. + +De ademhaling is over ’t algemeen oppervlakkig, nauwelijks te hooren en +ook in rustigen slaap van gezonde kinderen, ten minste gedurende de +eerste weken, niet steeds gelijkmatig, daar diepe ademhalingen met +oppervlakkige afwisselen en elkander niet steeds regelmatig opvolgen. +De ademhalingsbewegingen van de borstkas zijn, in vergelijking met die +van den buik, gering. Het aantal ademhalingen is grooter dan op lateren +leeftijd en bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 35 in de minuut. Men +telt die het gemakkelijkst als het kind slaapt. + +Dit laatste geldt ook voor het tellen van het aantal polsslagen, dat +ongeveer 120 in de minuut bedraagt. + +De temperatuur, ’s morgens en ’s avonds in den endeldarm opgenomen, +schommelt om 37° Celsius en is zelden hooger dan 37°.2. Zij wisselt +echter gemakkelijk onder verschillende omstandigheden. + +Het gezonde kind neemt met graagte, zelfs met gulzigheid, de borst. + +Gewoonlijk wordt de ontlasting van den gezonden zuigeling, welke van +den vierden of vijfden dag als de „normale” beschouwd wordt, beschreven +als eene vrij dikke zalfachtige of brijachtige, goudgeel of oranjegeel +gekleurde stof, gelijkmatig, niet kleverig week, welke in den beginne +drie- tot zesmaal, met toenemenden leeftijd afnemend tot één- of +tweemaal, in de vier en twintig uur geloosd wordt. Zij wordt, aan de +lucht blootgesteld, betrekkelijk spoedig groen van kleur. Kenmerkend is +eene min of meer zoet-zuurachtige, niet onaangename geur. Bij +regelmatige spijsvertering komt de ontlasting vrij geregeld en tamelijk +snel te voorschijn. + +In de laatste jaren wordt er, in verschillende geschriften, op gewezen, +dat de „normale” ontlasting ook bij gezonde, goed gedijende, +borstkinderen volstrekt niet zoo algemeen wordt waargenomen; dat zij +vaak niet gelijkmatig is, doch in de geelachtige stof talrijke witte +vlokjes of brokjes en, in de eerste weken bijna regelmatig, taaie +slijmstolseltjes bevat; dat zij ook, in de eerste twee of vier weken, +dunner en waterachtiger is met stukjes, zelfs geelachtig groen, +slijmachtig met weinig vaste stof; dat zij, aan de lucht blootgesteld, +snel grasgroen van kleur wordt, en dat zulke ontlasting somtijds na +iederen maaltijd geloosd wordt, zonder dat er eenige stoornis bestaat +of is aan te toonen, zoodat men niet zou vermoeden, dat zij van een +borstkind afkomstig is. Deze ontlasting gaat gewoonlijk vanzelf over in +de meer normale. + +Zulke luiers ziet men o.a. bij kinderen van „zenuwachtige” ouders. Men +denke dan niet dadelijk dat het zog niet deugt. Het vetgehalte van het +zog kan b.v. hierbij eene groote rol spelen. Melk welke weinig vet +bevat, geeft dunnere ontlasting dan die, welke veel vet bevat. Ook kan +zulke ontlasting tijdelijk optreden bij sommige stoornissen van de +zijde der moeder, b.v. eenige dagen voor en gedurende de menstruatie of +wanneer zij koorts heeft. Indien dit niet te lang duurt, is het +gewoonlijk niet noodig daartegen maatregelen te nemen. + +De belangrijkheid van de luiers wordt inderdaad vaak sterk overdreven. +Ofschoon ik, indien de zuigeling volgens mijne bovengenoemde opvatting +gevoed werd, bijna zonder uitzondering de als „normaal” beschreven +ontlasting heb waargenomen, is het niet te ontkennen, dat sommige +kinderen gedurende hunnen geheelen zuigelingentijd niet die „normale” +ontlasting te zien geven. Ik heb kinderen gekend, die uitstekend +groeiden—en nu reeds volwassen zijn—en als zuigeling nooit eene „goede” +luier vertoonden. Men moet dus niet al te groote waarde hechten aan +eenigszins afwijkende tint der luiers of aan van het „normale” +afwijkende samenstelling der ontlasting, doch vóór alles zijn oordeel +afhankelijk stellen van den algemeenen toestand van het kind en van +zijn geheele wijze van doen. Als het kind behoorlijk groeit, niet al te +onrustig is en er goed uitziet, behoeft men zich over eene groenachtige +licht-slijmerige ontlasting niet dadelijk te verontrusten. + +Ook het omgekeerde komt bij den zuigeling vaak voor, namelijk dat de +ontlasting langer dan vier en twintig uren wegblijft. Zij is dan taai +en iets donkerder van kleur, soms grijsgrauw en droog. Eerst als die +verstopping twee of drie dagen aanhoudt, kan het noodig zijn daaraan te +gemoet te komen, door het kind een lavementje, b.v. van lauwwarme +olijfolie of van lauw water, of een zeeppilletje te zetten. De met die +verstopping vaak gepaard gaande buikpijn wordt door een vochtigwarmen +omslag, een Priessnitz-verband, om den buik—een heerlijk rustgevend +middel—gemakkelijk bestreden. + +Men kan dus, heel in ’t algemeen, zeggen, dat bij uitsluitende voeding +aan de borst aantal en voorkomen van de ontlasting, zoolang het kind +goed gedijt, tamelijk onverschillig is. + +De urine wordt in de eerste dagen in geringe hoeveelheid geloosd; +daarna neemt zij belangrijk toe. De urine van het gezonde kind is licht +van kleur, helder en stinkt niet. Daar de urine-loozing dikwijls plaats +vindt, van tien- tot vijftien malen daags, moet men het kind ook +dikwijls verdrogen. Dat is het beste middel om het smetten en het +ontstaan van open billen te voorkomen en het kind rustig te houden. De +meeste kinderen schreien als zij nat zijn. Het reinigen behoort te +geschieden met een spons, of zuivere verbandwatten, en lauwwarm water. +Daarna wordt bettend afgedroogd, en gepoederd. Hoeveel malen het +verdrogen noodig zijn zal, is niet aan te geven. + +Het is onnoodig een gezond, goed gedijend, kind dagelijks of wekelijks +te wegen. Zooals wij zagen, is in den regel wel te zien of het kind +gedijt. Zoolang de zuigeling eene frissche kleur heeft, het gelaat en +vooral dijen en billen goed gevuld zijn en eene goede ronding +vertoonen, het vleesch bij betasting gespannen aanvoelt, de huid vrij +van vlekken of smetten, de slaap ongestoord, de eetlust goed, de +spijsvertering in orde is, zoolang hij rustig en tevreden bij het +drinken is en, als hij wakker ligt, in eene tevreden stemming verkeert, +beweeglijk is, levendige heldere oogen heeft, kortom geen +verschijnselen van eenigerlei onrust of ziekte vertoont, kan men +tevreden zijn. + +Intusschen is het toch, met het oog op mogelijke afwijkingen, gewenscht +omtrent het lichaamsgewicht en het toenemen daarvan eenige +bijzonderheden mede te deelen. + +In het meerendeel der gevallen, laat ons maar zeggen bijna zonder +uitzondering, neemt het lichaamsgewicht gedurende de eerste drie of +vier dagen, somtijds zelfs tot den achtsten dag, na de geboorte af. Dat +verlies kan 200 tot 300 grammen, ook nog wel meer, bedragen; bij dikke +kinderen vaak meer dan bij magere. Daarna neemt het gewicht weder toe +en als dan eenmaal het oorspronkelijke gewicht bereikt is, hetgeen niet +altijd op den tienden dag, doch ook nog wel later, b.v. na veertien tot +twintig dagen, bij enkele kinderen nog later, het geval kan zijn, volgt +een dagelijks toenemen. + +Tot en met de vierde maand nemen borstkinderen meer in gewicht toe, dan +kunstmatig gevoede, daarna gaan zij vrijwel gelijk op, totdat na de +achtste maand vaak de borstkinderen achterstaan bij de kunstmatig +gevoede. Meestal wordt de zuigeling tegenwoordig wekelijks gewogen, en +dan gaat de jonge moeder, aan de hand van een boekje, na, of haar kind +voldoende in gewicht is toegenomen. Zij vergelijkt daartoe het door +haar verkregen cijfer met een cijfer in het boekje, met het gevolg, dat +de verstandige moeder niet op een verschil van eenige grammen let; dat +de al te bezorgde moeder ongerust wordt zoodra het gewicht van haar +kleine beneden het gewicht, in het boekje aangegeven, blijft en daaruit +besluit, dat haar kind niet goed groeit; maar ook ongerust is, als het +er boven uit gaat, omdat zij meent dat het te veel toeneemt. Dit +laatste bezorgt haar, gelukkig, niet zoo vaak en zoo groote angst. Om +haar eenigermate gerust te stellen, geeft ik hier eenige cijfers, +zooals ik die in verschillende boekjes vond. (Zie bladz. 151). + +Men ziet hieruit, dat men zich niet te veel aan de cijfers moet +vastklemmen. Het komt mij voor, dat ik aan de vermoedelijk opkomende +vraag: „Waaraan moet ik mij nu eigenlijk houden?” het best tegemoet +kom, door het volgende. + +Uit de hiernaast staande cijfers van 15 schrijvers het gemiddelde +berekend, kom ik, voor de + + + 1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e maand, + tot 195 187 175 144 124 108 99 97 95 75 73 71 gr. + + +ongeveer, welke een kind, aan de borst gevoed, per week toeneemt. + +Mij dunkt dat de moeder gerust kan zijn, indien het gewicht, door haar +bij het wegen der kleine gevonden, om deze cijfers schommelt. + +Er blijkt wel uit, dat het gewicht gedurende de eerste maanden van het +leven sterker toeneemt dan later. Hierbij dient opgemerkt dat ook bij +gezonde kinderen, zonder dat bepaald stoornissen zijn aan te toonen, +belangrijke verschillen kunnen voorkomen, en dat toch ten slotte het +gewicht aan het einde van het eerste levensjaar ongeveer voor allen +gelijk is. Het gewicht van den zuigeling is dan ook niet het eenige, +waarmede men rekening heeft te houden bij de beoordeeling van de +ontwikkeling en de gezondheid van het kind. Sommige kinderen nemen snel +in gewicht toe, doch zien er bleek uit, hebben een slappe huid, weinig +uitdrukking in de oogen en blijven slap; andere nemen langzamer in +gewicht toe, doch gedijen overigens goed en hebben eene uitstekende +gezondheid. + +De getallen zijn door mij berekend in grammen per week. + +Volgens de aangehaalde schrijvers zou het gezonde kind gemiddeld per +week aan gewicht toenemen: + +========================================================================================================================= + in de | 1e | 2e | 3e | 4e | 5e | 6e | 7e | 8e | 9e | 10e | 11e | 12e | maand. +---------------------+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+--------------------------- +Biedert (1914) | 217 | 224 | 175 | 175 | 133 | 119 | 119 | 98 | 119 | 49 | 91 | 91 | gr. (Corn. de Lange). +Kouwer (1911) | 187 | 187 | 187 | 187 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 62 | 62 | 62 | ,, +Bouchaud | 175 | 161 | 154 | 140 | 126 | 119 | 105 | 91 | 84 | 70 | 56 | 56 | ,, } +Fleischmann | 245 | 214 | 196 | 154 | 126 | 91 | 84 | 70 | 70 | 63 | 56 | 42 | ,, } (Lassablière 1913). +Peterson | 245 | 203 | 175 | 112 | 105 | 77 | 70 | 84 | 84 | 98 | 56 | 63 | ,, } +Variot | 161 | 161 | 161 | 161 | 161 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | ,, } +Auvard (1917) | 175 | 175 | 175 | 140 | 140 | 140 | 105 | 105 | 105 | 70 | 70 | 70 | ,, +Donnadieu (1916) | 175 | 161 | 161 | 161 | 140 | 140 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | ,, +Nobécourt (1914) | 175 | 175 | 175 | 168 | 140 | 126 | 112 | 91 | 84 | 70 | 70 | 56 | ,, +Engel en Baum (1913) | 203 | 196 | 182 | 168 | 140 | 119 | 105 | 105 | 98 | 49 | 105 | 105 | ,, +Camerer en Fehr | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (Langstein-Meyer 1914). +Czerny | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (E. Gorter 1914). +Tugendreich (1914) | 175 | 175 | 175 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 84 | 84 | 84 | ,, +Meyer-Rüegg (1915) | 175 | 190 | 170 | 160 | 130 | 110 | 100 | 125 | 145 | 100 | 99 | 99 | ,, +Bendix (1916) | 210 | 210 | 210 | 126 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | 56 | 56 | ,, +========================================================================================================================= + + +Het beste bewijs van goed gedijen is een regelmatig toenemen van het +lichaamsgewicht, ook al gaat het in den beginne langzaam. Toch mag men, +in ’t algemeen, met een, zij het dan ook regelmatig, toenemen in +gewicht van 100 grammen per week, gedurende de eerste maanden, niet +heelemaal tevreden zijn. + +Om ongeveer te berekenen of het gewicht overeenkomt met het normale +gewicht, dat is het gewicht dat men als normaal voor den zuigeling op +een bepaalden tijd, zeg in eene bepaalde maand, aanneemt, +vermenigvuldige men het ranggetal van de levensmaand in het eerste +halfjaar met 600, in het tweede halfjaar met 500 en telle het gewicht, +bij de geboorte waargenomen, daarbij op. + +In de 6e levensmaand zal dus een kind, dat bij de geboorte 3000 grammen +woog, ongeveer moeten wegen 6 × 600 + 3000 = 6600 grammen; aan het +einde van het eerste levensjaar 12 × 500 + 3000 = 9000 grammen. Dit +komt overeen met het ervaringsfeit, dat na het eerste halfjaar het +gewicht bij de geboorte gevonden verdubbeld is, aan het einde van het +eerste jaar driemaal zooveel bedraagt. + +Om het juiste gewicht te verkrijgen, moet men het kind steeds in +dezelfde omstandigheden en op hetzelfde tijdstip van den dag wegen. + +Ook voor de hoeveelheid zog, welke een zuigeling geacht wordt noodig te +hebben voor groei en ontwikkeling, heeft men getracht cijfers te geven, +welke dan de hoeveelheid aangeven, waarboven hij niet gaan en waaronder +hij, in het algemeen, niet blijven mag. + +De hoeveelheid zog, welke bij iederen maaltijd genomen wordt, kan +belangrijk verschillen. Zij hangt o.a. af van de hoeveelheid zog door +de borst geleverd, van den toestand der tepels, van de kracht waarmede +het kind zuigt en van zijne behoefte aan voedsel. + +In de laatste jaren wordt van vele zijden beweerd, dat elke moeder, die +dat wil, haar kind kan zoogen. Ongetwijfeld ware het te wenschen, dat +deze bewering juist was en zeker is het, dat veel meer moeders, indien +zij slechts wilden, althans geruimen tijd hare kinderen het natuurlijke +voedsel zouden kunnen geven, doch de ervaring leert, dat ook in dit +opzicht de natuur niet volmaakt is. Dat is jammer genoeg, maar men mag +de feiten niet wegdoezelen terwille van welke theorie ook. Ieder +geneesheer zal kunnen verhalen van moeders, die met de grootste +opoffering tevergeefs trachtten haar kind het natuurlijke +voedingsmiddel te geven. Blijkt aan den eenen kant, dat somtijds met te +weinig volharding de borstvoeding beproefd wordt, aan den anderen kant +is het buiten kijf, dat in vele gevallen de poging te lang wordt +voortgezet. Dit neemt evenwel niet weg, dat iedere moeder beginnen moet +met die poging en haar alleen noodgedwongen zal mogen opgeven. Ook als +het kind slechts eenige weken of maanden de moedermelk, zij het ten +deele, kan verkrijgen, zal het daarvan niet te miskennen voordeelen +genieten. + +In het algemeen kan men zeggen, dat de zuigeling eene bepaalde +hoeveelheid voedsel en dus bij borstvoeding eene bepaalde hoeveelheid +zog voor zijne ontwikkeling noodig heeft. Hoe groot die hoeveelheid +zijn moet, hangt voornamelijk af van de gesteldheid van het kind, en +daarom zal men ook slechts zeer in het algemeen cijfers kunnen +aangeven, welke niet meer dan eene betrekkelijke waarde hebben. + +De hoeveelheid per maaltijd genomen heeft geen waarde, omdat die, +zooals reeds gezegd, belangrijk verschillen kan. Daarom is het beter de +hoeveelheid te becijferen, welke voor een tijdvak van 24 uren als +gemiddelde kan gesteld worden. Die hoeveelheid heeft men berekend, door +een groot aantal borstkinderen telkens voor en na den maaltijd te wegen +en de getallen, op die wijze in 24 uren verkregen, bij elkander te +tellen. Bij die wegingen is alweder gebleken, dat er vrij belangrijke +verschillen bestaan, doch het groote aantal berekeningen heeft geleid +tot het vinden van eenige gemiddelden, waaraan men ten minste eenig +houvast heeft. + +Ik laat hier een paar opgaven volgen van hoeveelheden per maaltijd en +in 24 uren gedronken door kinderen uit mijne praktijk, waarin de +verschillen duidelijk uitkomen. + + + +H. L. jongen, 27 Augustus 1914 geboren op het einde van de 8e +zwangerschapsmaand. + +27 en 28 Augustus nam het kind niets of zeer weinig. + + + Per maaltijd. | In 24 uren. + | +29 Augustus 15, 10, 15, 15 gr. | 55 gr. +30 ,, 15, 15, 15, 10, 15, 30, 35, 20 ,, | 155 ,, +31 ,, 35, 20, 20, 20, 20, 30, 15 ,, | 160 ,, + 1 Sept. 25, 40, 25, 20, 30, 50, 60 ,, | 250 ,, + 2 ,, 50, 45, 30, 40, 40, 65, 70 ,, | 340 ,, + 3 ,, 60, 50, 50, 50, 50, 60, 60 ,, | 380 ,, + 4 ,, 70, 60, 35, 70, 50, 80, 60 ,, | 425 ,, + 5 ,, 75, 70, 60, 30, 60, 50 ,, | 345 ,, + 6 ,, 60, 80, 60, 80, 80, 75 ,, | 435 ,, + 7 ,, 70, 70, 70, 65, 90, 70 ,, | 435 ,, + 8 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 65 ,, | 455 ,, + 9 ,, 60, 80, 65, 40, 100, 70 ,, | 415 ,, +10 ,, 70, 70, 90, 60, 90, 80 ,, | 460 ,, +11 ,, 80, 80, 90, 70, 70, 70 ,, | 460 ,, +12 ,, 40, 40, 60, 40, 40 ,, | 220 } maag- +13 ,, 60, 60, 40, 50, 45 ,, | 255 } stoornis +14 ,, 40, 50, 60, 30, 60 ,, | 240 } bij de +15 ,, 60, 60, 50, 60, 60 ,, | 290 } moeder. +16 ,, 30, 35, 90, 60, 60, 50 ,, | 325 ,, +17 ,, 90, 60, 65, 80, 90 ,, | 385 ,, +18 ,, 90, 80, 70, 70, 85, 90 ,, | 485 ,, +19 ,, 100, 80, 75, 70, 75, 90 ,, | 490 ,, +20 ,, 85, 110, 55, 90, 85, 95 ,, | 520 ,, +21 ,, 90, 80, 75, 100, 95, 95 ,, | 535 ,, +22 ,, 100, 105, 110, 50, 95, 70 ,, | 530 ,, +23 ,, 120, 85, 85, 70, 75 ,, | 435 ,, +24 ,, 125, 105, 70, 50, 65, 60 ,, | 475 ,, +25 ,, 70, 100, 70, 55, 55, 60 ,, | 410 ,, +26 ,, 70, 90, 90, 70, 80, 65, 75 ,, | 540 ,, +27 ,, 65, 90, 65, 65, 70, 90 ,, | 455 ,, +28 ,, 80, 70, 75, 70, 75, 70, 75 ,, | 515 ,, +29 ,, 95, 80, 80, 65, 75, 85 ,, | 480 ,, +30 ,, 110, 80, 90, 80, 95, 80 ,, | 535 ,, + + + +Meisje, H. G., 13 Maart 1915 geboren op het einde van de 8e +zwangerschapsmaand. + +Het kind begon eerst op 18 Maart te zuigen. Voor dien tijd kreeg het +zog, uit de borst gekolfd, met een lepeltje. + + + Per maaltijd. | In 24 uren. + | +18 Maart 25, 25, 20, 35, 40 gr. | 145 gr. +19 ,, 25, 35, 40, 15, 45, 10, 20 ,, | 190 ,, +20 ,, 30, 35, 25, 25, 40, 40, 40 ,, | 235 ,, +21 ,, 50, 30, 50, 40, 50, 55 ,, | 275 ,, +22 ,, 60, 50, 40, 35, 40, 55 ,, | 280 ,, +23 ,, 60, 45, 55, 55, 55, 50 ,, | 320 ,, +24 ,, 55, 40, 65, 55, 40 ,, | 255 ,, +25 ,, 60, 65, 60, 55, 55 ,, | 295 ,, +26 ,, 40, 30, 35, 55, 30, 75 ,, | 265 ,, +27 ,, 60, 45, 60, 55, 20, 50 ,, | 290 ,, +28 ,, 65, 60, 70, 50, 60 ,, | 305 ,, +29 ,, 85, 65, 70, 60, 65, 75 ,, | 420 ,, +30 ,, 55, 65, 70, 70, 70 ,, | 330 ,, +31 ,, 80, 50, 60, 95, 75 ,, | 360 ,, + 1 April 70, 60, 70, 50, 70, 85 ,, | 405 ,, + + +Meisje, S. E. K., geboren 16 Augustus 1915. + + + Per maaltijd. | In 24 uren. + | +18 Augustus 25, 25, 25 gr. | 75 gr. +19 ,, 60, 60, 50, 45 ,, | 215 ,, +20 ,, 55, 60, 50, 95, 80, 100 ,, | 440 ,, +21 ,, 60, 120, 70, 95, 90 ,, | 435 ,, +22 ,, 105, 90, 105, 100, 110 ,, | 510 ,, +23 ,, 105, 110, 75, 120 ,, | 400 ,, +24 ,, 130, 100, 100, 110, 120 ,, | 560 ,, +25 ,, 120, 140, 90, 100, 90 ,, | 540 ,, +26 ,, 120, 120, 120, 80, 90 ,, | 530 ,, +27 ,, 120, 110, 110, 110, 110 ,, | 560 ,, +28 ,, 115, 125, 130, 95, 90 ,, | 555 ,, +29 ,, 120, 130, 105, 95, 90 ,, | 540 ,, +30 ,, 120, 120, 160, 110 ,, | 510 ,, +31 ,, 115, 170, 150, 85 ,, | 520 ,, + 1 Sept. 120, 120, 105, 130 ,, | 475 ,, + 2 ,, 150, 100, 110, 130, 110 ,, | 600 ,, + 3 ,, 130, 115, 120, 145, 30 ,, | 540 ,, + 4 ,, 135, 110, 90, 120, 125, 70 ,, | 650 ,, + 5 ,, 140, 130, 110, 120 ,, | 500 ,, + 6 ,, 125, 120, 120, 85, 115 ,, | 565 ,, + 7 ,, 125, 125, 125, 140, 50 ,, | 565 ,, + 8 ,, 130, 100, 150, 120 ,, | 500 ,, + 9 ,, 160, 155, 100, 90, 40 ,, | 545 ,, +10 ,, 105, 70, 110, 70, 85 ,, | 440 ,, +11 ,, 150, 135, 150 ,, | 435 ,, +12 ,, 140, 125, 130, 110 ,, | 505 ,, +13 ,, 125, 115, 105, 140 ,, | 485 ,, +14 ,, 145, 115, 145, ? ,, | 405+? ,, +15 ,, 140, 115, 130, 165 ,, | 550 ,, +16 ,, 150, 110, 145, 150 ,, | 555 ,, +17 ,, 120, 180, 110, 165 ,, | 575 ,, +18 ,, 130, 130, 150, 130 ,, | 540 ,, +19 ,, 120, 135, 130, 140 ,, | 525 ,, +20 ,, 140, 140, 160, 170 ,, | 610 ,, +21 ,, 110, 130, 130, 120, 120 ,, | 600 ,, +22 ,, 120, 110, 70, 140 ,, | 440 ,, +23 ,, 105, 185, 140, 80, 130 ,, | 640 ,, +24 ,, 125, 130, 110, 160 ,, | 525 ,, +25 ,, 140, 170, 130, 90, 120 ,, | 650 ,, +26 ,, 160, 165, 125, 140 ,, | 590 ,, +27 ,, 145, 130, 140, 70 ,, | 485 ,, +28 ,, 160, 90, 100, 170, 130 ,, | 650 ,, +29 ,, 140, 100, 165, 125, 130 ,, | 660 ,, +30 ,, 130, 170, 100, 150 ,, | 550 ,, + + +Meisje, M. A., geboren 7 October 1914, + + + Per maaltijd. | In 24 uren. + | + 9 Oct. 20, 30 gr. | 50 gr. +10 ,, 30, 60, 50, 55, 60 ,, | 255 ,, +11 ,, 60, 50, 50, 55, 70, 60 ,, | 345 ,, +12 ,, 80, 60, 100, 95 ,, | 335 ,, +13 ,, 100, 110, 70, 80, 95 ,, | 455 ,, +14 ,, 90, 90, 40, 90, 60, 80 ,, | 450 ,, +15 ,, 100, 80, 80, 90, 80 ,, | 430 ,, +16 ,, 115, 90, 70, 100, 120 ,, | 495 ,, +17 ,, 110, 120, 105, 100 ,, | 435 ,, +18 ,, 110, 120, 90, 90, 80, 105 ,, | 595 ,, +19 ,, 160, 90, 120, 70, 80 ,, | 520 ,, +20 ,, 60, 120, 120, 100, 130, 110 ,, | 640 ,, +21 ,, 110, 130, 100, 75, 110, 80 ,, | 605 ,, +22 ,, 150, 140, 110, 130, 100 ,, | 630 ,, +23 ,, 110, 120, 120, 180, 80 ,, | 610 ,, +24 ,, 130, 120, 150, 130, 100 ,, | 630 ,, +25 ,, 140, 120, 115, 80, 100, 100 ,, | 655 ,, +26 ,, 140, 130, 90, 140, 130, 110 ,, | 740 ,, + + +Het noemen van cijfers komt mij dan ook niet gewenscht voor, omdat de +moeder daaraan allicht te veel waarde hecht, maar met een enkel woord +kan wel worden aangegeven, op welke eenvoudige wijze men ongeveer kan +nagaan, hoe groot de hoeveelheid gemiddeld zijn moet. + +Neemt men voor de hoeveelheid aan het einde van de 8ste week als +grondgetal 800 grammen aan, dan trekke men van dit getal voor iedere +voorafgaande week 50 grammen af en telle voor iedere volgende maand 50 +grammen daarbij op, b.v. + + + in de 4e week 600 gr. + ,, ,, 5e ,, 650 ,, + ,, ,, 6e ,, 700 ,, + ,, ,, 7e ,, 750 ,, + ,, ,, 8e ,, 800 ,, + ,, ,, 12e ,, 850 ,, + ,, ,, 16e ,, 900 ,, + ,, ,, 20e ,, 950 ,, + ,, ,, 24e ,, 1000 ,, + + +Volgens eene andere berekening verkrijgt men het gemiddelde, door in +het eerste kwartaal het lichaamsgewicht van den zuigeling, in +kilogrammen, te vermenigvuldigen met 150, in het tweede kwartaal met +140, in het derde kwartaal met 125. + +Volgens eene derde berekening drinkt een gezonde pasgeborene op den 3en +dag gemiddeld 100 grammen, den 6en dag 300–350 gr., den 10den dag +400–450 gr. en later ongeveer ⅙ van zijn lichaamsgewicht. + +Men bedenke hierbij steeds, welke beteekenis aan een „het gemiddelde” +aangevend cijfer te hechten is. Geen enkel kind zal zich daaraan +houden, maar het cijfer geeft, in het algemeen, de hoeveelheid aan +waarmede men tevreden zijn kan. + +Wij komen nu vanzelf tot de vraag of een zuigeling, bij de voeding aan +de borst, te veel of te weinig voedsel krijgen kan. + +Beide gevallen zijn mogelijk, hoewel men toch wel zeggen kan, dat, +onder normale omstandigheden, dus wanneer er geen wanverhouding bestaat +tusschen de borst en de kracht waarmede het kind zuigt, van een te +veel, van overvoeding, niet licht sprake zijn zal. De ervaring heeft +mij geleerd, dat, indien men, zooals ik hierboven aangaf, in den +beginne het kind vrijlaat in het kiezen van zijn maaltijd, voor +overvoeding geen vrees behoeft te bestaan. + +Dat een kind, als het na een behoorlijken tijd van slapen zijn maaltijd +genomen heeft, wel eens wat teruggeeft van het genomene, is nog geen +bewijs, dat het te veel gedronken heeft. Er zijn kinderen die men +„luchtslikkers” noemt, en dat luchtslikken kan vooral voorkomen bij +kinderen, die gulzig drinken. Als zij dan hunnen maaltijd genoten +hebben, komt de luchtbel, die zich in de maag gevormd heeft, wel eens +voor den dag, waarbij dan tevens eene hoeveelheid zog te voorschijn +komt. Die luchtbel kan de oorzaak zijn, dat een kind, na genoten +maaltijd, hoewel voldoende gevoed, onrustig is en niet inslaapt. Daarom +is het aan te raden zulke kinderen gedurende het voeden, of daarna, een +oogenblikje rechtop te houden, opdat de luchtbel ontwijken kan. + +Intusschen mag ik niet verzwijgen, dat door verschillende schrijvers +een ziektebeeld van overvoeding aan de borst geteekend wordt, al zeggen +ook velen, dat, althans praktisch, eene overvoeding van het borstkind +niet voorkomt. + +Vermoedelijk is dan, volgens sommigen, de overvoeding minder te wijten +aan het te veel gebruiken gedurende de maaltijden, dan wel aan het te +vaak aanleggen van het kind. Dit zal in gewone omstandigheden niet +veelvuldig voorkomen, maar het kan gebeuren als de moeder, telkens +wanneer het kind mocht huilen of onrustig is en daarbij voortdurend de +vingers in den mond steekt en daarop zuigt, zich verbeeldt dat het +honger heeft, zonder na te gaan of er misschien een andere reden voor +die onrust bestaan kan. Oorzaken van onrust toch zijn er vele in het +leven van den zuigeling, als: het liggen in een natte luier, +ongemakkelijke houding, welke hijzelf niet veranderen kan, te nauw +sluitende kleeding, te warm gedekt zijn of te koud liggen, +insectenbeten, blaasjes in den mond, verstopte neus, gesmet zijn aan de +billen of in plooien van de huid, een scheurtje in de aarsopening enz. + +Behalve in het te vaak aanleggen kan, naar men zegt, de oorzaak van +overvoeding ook gelegen zijn in eene te overvloedige afscheiding van +zog, vooral „lekkende borst”, waarbij voortdurend zog uit de borst +druppelt. Dit komt, althans in belangrijken graad, niet zoo heel +dikwijls voor. Om het nat worden der kleederen tegen te gaan, kan men +de borsten bedekken met eene of andere stof, welke gemakkelijk vocht +opslorpt, b.v. zachte doeken, de borsten bedekken met een zogglas, +waarin eene opening door welke de tepel heen steekt, zoodat het zog +wordt opgevangen, en de borsten opbinden. Tegen de „lekkende borst” is +geen afdoend middel bekend. + +In den beginne, aldus het geschetste ziektebeeld, spuwt het kind in den +regel na den maaltijd eene kleine of grootere hoeveelheid zog (let op +de luchtslikkers), hetgeen, als het niet te lang duurt, niet hindert, +omdat juist daardoor het kind zich van het te veel genomene ontdoet. +Daarbij komt dan, dat het kind niet zoo kalm slaapt, spoedig wakker +wordt, aan de borst gelegd wel zuigt en somtijds daarna rustig wordt, +doch niet voor langen tijd. Dat onrustig zijn gaat dan vaak over in +schreeuw- of gilbuien, soms onder het zuigen, terwijl de buik opgezet +is en het kind hoorbaar winden loost, om daarna voor enkele +oogenblikken rustiger te zijn. + +Indien er dadelijk na den maaltijd gestremde melk of, na eenigen tijd, +eene waterheldere, zuur riekende, witte stukjes en slijm bevattende, +vloeistof te voorschijn komt, moet men eene stoornis in de +spijsvertering vermoeden. + +De ontlasting komt, soms vaker, dun en schuimend, met geruisch voor den +dag; de omgeving van de aarsopening en de billen worden rood, de reuk +is sterk zuur. Er kan echter ook verstopping bestaan, waarbij de +ontlasting nog normaal gekleurd is en de gewone vastheid heeft, doch na +eenigen tijd eene groene kleur of gele kleur met groenen rand vertoont, +waarin kleine witte stukjes en slijmdraden te zien zijn. + +De eetlust wordt minder, het gezicht bleeker, de huid slapper; het +lichaamsgewicht blijft, na aanvankelijk soms sterk te zijn toegenomen, +op dezelfde hoogte staan, vermindert of schommelt—bij dagelijks wegen +na te gaan—in dezen zin, dat plotseling toenemen in gewicht afwisselt +met plotseling dalen. + +Een kind kan ook te weinig voedsel krijgen. De verschijnselen hiervan, +welke in het ziektebeeld beschreven zijn, vertoonen zoovele punten van +overeenkomst met die van overvoeding, dat het vooral voor een +niet-geneeskundige de grootste moeite oplevert, om uit te maken +waarmede men te maken heeft. Sommige kinderen lijden aan slapeloosheid, +zijn onrustig, schreeuwen spoedig na den maaltijd, drinken telkens als +men hen aan de borst legt; de meeste doen juist het tegenovergestelde, +zijn bijzonder rustig, zelfs slaperig. De ontlasting kan weinig stof +bevatten, bruin tot groen van kleur, slijmig en taai zijn en om de twee +of drie dagen komen, doch meestal is zij dun, in den beginne nog +lichtgeel, vaak slechts als eene groene vlek in de luier, of nog geel +met groene vlekken, al of niet met slijm gemengd. Indien deze +ontlasting werkelijk als een verschijnsel van ondervoeding optreedt, +wordt zij na toediening van meer voedsel onmiddellijk of al heel +spoedig beter. De urine-loozing is verminderd, zoodat de luiers niet +flink nat zijn. + +Ook hierbij worden de billen en de omgeving van de aarsopening rood en +smetten, treden puistjes op, wordt de huid bleeker en, bij vermagering, +te ruim. Dit laatste wijst er reeds op, dat ook met betrekking tot het +lichaamsgewicht iets valt op te merken en wel, dat het toenemen +onvoldoende blijkt of dat het tot stilstand komt en, bij belangrijke +ondervoeding, overgaat in het tegenovergestelde, dus afneemt. Vaak kan +men, vóór het wegen, opmerken, dat het kind reeds in den aanvang van +het zuigen vele zuigbewegingen maakt voor het slikt. + +Hoe onvolledig ook, bespeurt men uit deze schildering, dat niet +gemakkelijk uit de verschijnselen is op te maken waarmede men te doen +heeft. Het voornaamste punt, waarop men te letten heeft, is wel het +lichaamsgewicht en het bepalen van de hoeveelheid van het in 24 uren +door den zuigeling genomen voedsel, waarbij vergelijking met de boven +als gemiddeld aangegeven benoodigde hoeveelheid zog haar nut heeft. + +De moeder zij, ingeval er vermoeden van ondervoeding bestaat, +voorzichtig met het vermeerderen van de hoeveelheid voedsel, hetgeen +geschieden kan door het vermeerderen van het aantal maaltijden, als dat +te klein mocht blijken, of door het geven van bijvoeding naast de +borst. (Zie: Gemengde voeding). + +Dat een zuigeling te weinig voedsel krijgt kan verschillende oorzaken +hebben, welke bij de moeder en bij het kind te zoeken zijn. + +Bij de moeder kan het voorkomen, dat het kind, door slechte +ontwikkeling van de tepels, vooral platte, ingetrokken of holle tepels, +de borst niet goed vatten kan. In de meeste gevallen zal het, zij het +met meerdere volharding, zoonoodig met gebruik maken van een +tepelhoedje, toch gelukken. Dit hulpmiddel moet ook beproefd worden bij +scheurtjes, spleetjes of afschilveringen van de huid van den tepel, +indien het onmiddellijk zuigen daaraan te pijnlijk is. Het komt wel +voor, dat het kind uit die wondjes bloed zuigt en met de melk inslikt. +Is dat vrij veel, dan kan het dit bloed uitbraken, waarover de moeder +zich niet ongerust behoeft te maken. Indien het niet uitgebraakt wordt, +maakt het de ontlasting donker. Vele middelen worden aangegeven om die +wondjes, die een enkele maal eene belangrijke uitbreiding kunnen +verkrijgen, te genezen. Gelukt dit niet, dan kan het, waar ook het +zoogen met een tepelhoedje nog te pijnlijk is, noodig blijken het kind +eenige dagen van de borst te nemen, gedurende welken tijd dan meermalen +daags het zog met een zogpomp of door melken uit de borst moet genomen +en aan het kind gegeven worden. De genezing kan zelfs tien tot veertien +dagen vereischen, doch gewoonlijk kan men het kind reeds vroeger, als +de tepel minder gevoelig geworden is, weder aanleggen. In hoogst enkele +gevallen moet somtijds het zoogen opgegeven worden. + +Dit laatste kan ook het geval zijn bij de zeer zeldzaam voorkomende +overgevoeligheid van den tepel, een toestand, waarbij aan de tepels +geen enkele afwijking is waar te nemen en toch het zoogen voor de +moeder een ware marteling is, door de pijnlijkheid, met uitstraling +naar de zijkanten van de borst en naar den rug. Ook hierbij beproeve +zij eerst het tepelhoedje, waarbij de maaltijd gewoonlijk langer duurt, +voordat zij het zoogen opgeeft. + +Verder komt het voor, dat de borst niet gemakkelijk melk geeft. Een +flink ontwikkeld kind vooral zal op den duur die moeilijkheid wel +overwinnen. Men kan trachten de borst williger te maken, door haar te +melken. Eene al te volle borst wordt door het uitspuiten van de eerste +melk-porties gemakkelijker te vatten. + +Dat de borst inderdaad te weinig zog afscheidt, komt veel minder voor +dan nog maar al te vaak gedacht wordt. Daarom moet de moeder de poging +tot borstvoeding niet te spoedig opgeven, en, voor zij tot het geven +van bijvoeding overgaat, trachten door het prikkelen van de borst, door +melken, hetgeen zijzelve gemakkelijk leeren kan, of door uitpompen, +deze tot meerdere afscheiding te brengen. Ook voorzichtige massage kan +hierbij helpen. Het kan evenwel niet ontkend worden, dat somtijds, en +merkwaardigerwijze komt dat na de eerste bevalling nog al eens voor, de +zogafscheiding al spoedig onvoldoende is. Het toedienen van een of +ander middel aan de moeder, het moge lactagol, somatose, malztropon of +anders heeten, heeft geen nut. Waar zulk een middel wel eens schijnt te +helpen, is dat te wijten aan suggestieven invloed, welke de moeder tot +meer volharding bracht. Tot nog toe is er geen enkel voedings- of +geneesmiddel gevonden, dat inderdaad de borst tot meerdere +zogafscheiding aanzet. Van belang is veel rust en goede voeding van de +moeder, welke volstrekt niet alleen of in hoofdzaak uit de zoo +hooggeroemde pap moet bestaan. + +Van te voren, namelijk gedurende de zwangerschap, is nimmer te +beslissen of de aanstaande moeder al dan niet haar kind zal kunnen +zoogen. + +Meestal zal men niet voor het einde van de tweede week kunnen bepalen, +of de afscheiding van zog beneden de als normaal aan te nemen +hoeveelheid blijft, waarvoor men een minimum van 150 grammen per etmaal +in de eerste week of het dubbele in de tweede week stellen kan. Indien +evenwel verschijnselen van ondervoeding optreden, het kind niet +voldoende in gewicht toeneemt en de pogingen om de hoeveelheid zog te +vermeerderen, b.v. ook nog door het kind wat vaker en aan beide borsten +aan te leggen, mislukken, zal men tot bijvoeding moeten overgaan. + +Mocht het gebeuren dat, door welke oorzaak dan ook, een der borsten +niet genoeg of in het geheel geen zog levert, dan neemt dikwijls de +werkzaamheid van de andere borst zoodanig toe, dat zij alleen de +noodige hoeveelheid voortbrengt. + +Bij het kind kan de oorzaak gelegen zijn in misvorming van den mond en +van het verhemelte, zooals wolfsmond, hazelip, gespleten verhemelte. +Gewoonlijk zal alleen de wolfsmond of dubbele hazelip en eene wijde +spleet in het verhemelte het zuigen beletten, terwijl het kind bij +eenzijdige hazelip het zuigen wel leert. Ook pijnlijkheid in den mond, +b.v. door spruw, kan het kind in het zuigen belemmeren, alsmede +verkoudheid, waardoor het ademhalen door den neus bemoeilijkt of +vrijwel onmogelijk is. Ten slotte zijn er somtijds kinderen, zelfs van +normaal gewicht, die te slap zijn om met voldoende kracht te zuigen. +Dat de tongriem het zuigen belet, en daarom moet ingeknipt worden, is +zoo zelden het geval, dat men practisch wel zeggen kan, dat dit niet +voorkomt. Zoolang het kind òf niet zuigen kan òf onder de genoemde +omstandigheden te weinig voedsel krijgt, geve men het uitgemelkt of +uitgepompt zog, met een lepeltje of uit een fleschje. + +Uit het voorafgaande blijkt, dat men, voordat men aanneemt dat het kind +ondervoed wordt, nauwkeurig rekening heeft te houden met verschillende +mogelijkheden. + + + +Wij komen nu nog even terug op den invloed welke, naar men zegt, op de +vorming van het zog, met betrekking tot hoeveelheid en hoedanigheid, +wordt uitgeoefend door verschillende gebeurtenissen of door ziekten van +de moeder. + +Het verschijnen van de menstruatie gedurende het zoogen is geen reden +om het kind van de borst te nemen. Somtijds wordt gedurende de +menstruatie wat minder zog afgescheiden of is dit het geval een of twee +dagen van te voren, terwijl het zog weder toeneemt kort voor het einde +daarvan, doch steeds duurt het slechts korten tijd. Meestal heeft dit +geen invloed op het kind; somtijds is het wat lastig en vertoont lichte +stoornis in de spijsvertering, terwijl het gewicht in die dagen niet +toeneemt. + +Bij vrouwen in het eerste kraambed is het weder intreden van de +menstruatie in de derde week een niet zelden waar te nemen +verschijnsel. Volgens Bendix treedt zij bij de helft der vrouwen na 3–8 +weken op; volgens Remy hebben 43% der zoogende vrouwen de menstruatie, +waaronder 26% de menstruatie onregelmatig. Er schijnt een vierwekelijks +en een zeswekelijks type voor te komen, zoowel bij zoogende als bij +niet zoogende moeders. De eerste menstruatie kan verwacht worden op den +42en of 28en, 21en of 14en, 10en of 11en dag, soms reeds op den 7en dag +van het kraambed (Schatz). + +Wij vinden vermeld, dat het eerste loslaten van een eitje uit den +eierstok, naar de menstruatie te oordeelen, ongeveer in een termijn van +3–7 weken plaats vindt. Bij uitzondering gebeurt dat vroeger, zoodat +bevruchting reeds weder in de eerste drie weken kan optreden, en, +bovenvermelde mededeeling van Schatz in aanmerking nemende, zou dat +reeds op den zevenden dag van het kraambed kunnen gebeuren. Vrij +algemeen verbreid is echter de meening, dat eene zoogende vrouw niet +zwanger worden kan. Hoe onjuist die meening is, blijkt, behalve uit het +bovenstaande, nog uit de beteekenis van de woorden „blind zwanger +worden” of „blind opgezet worden”, waarmede wordt te kennen gegeven, +dat de vrouw gedurende het zoogen zwanger werd. Dat „blind” heeft dan +betrekking op het feit, dat zulk eene vrouw gedurende het zoogen de +menstruatie niet zag intreden. Menige vrouw die het zoogen, met de +bedoeling om eene nieuwe zwangerschap te voorkomen, veel te lang +voortzette, heeft dan ook ondervonden hoe onjuist die meening is. + +Bevruchting blijft aanvankelijk zonder invloed op het zoogen, doch met +voortschrijdende zwangerschap wordt de zogafscheiding minder en houdt +allengs op. Vele moeders hebben, zonder eenige schade voor het zoogende +kind, voor haarzelve of voor de vrucht die zij herbergt, tot in de +tweede helft der zwangerschap kunnen zoogen. In ieder afzonderlijk +geval heeft men dus eene beslissing te nemen in verband met den +toestand der moeder. In het algemeen neemt allengs de hoeveelheid zog +af, zoodat het tijdperk om het kind te spenen vanzelf ingeleid wordt. + +Dat gemoedsbewegingen van invloed zijn is in het algemeen niet te +loochenen, al is het zeker, dat de schadelijke inwerking dikwijls +achterwege blijft en de vrees, welke men er algemeen voor koestert, +zeer sterk overdreven is. Opwinding, schrik, angst, zorg en verdriet, +smartelijk sterk op den geest inwerkende gebeurtenissen kunnen wel +degelijk, wanneer zij hevig zijn, zij het dan ook tijdelijk, stoornis +brengen in de zogafscheiding, hetzij dat de hoeveelheid zog vermindert, +hetzij dat bij overvulde borst, ondanks krachtig zuigen van het kind, +niets of slechts zeer weinig te voorschijn komt. Het kind krijgt dan +natuurlijk niet genoeg, zal lastig zijn en misschien zelfs eene +leelijke luier afdoen, maar de daaraan verbonden meening, dat het kind +„het” van de moeder „afgezogen” heeft, is onjuist. Op den duur zal de +borstvoeding er niet onder lijden. + +Het oordeel of ziekte van de moeder, hetzij chronisch of acuut, tot het +besluit zal leiden om niet te zoogen, behoort geheel en al tot het +terrein van den geneesheer. + + + +Het ligt voor de hand, dat wij nu gaan bespreken hoelang de moeder het +kind uitsluitend aan de borst zal trachten groot te brengen, met andere +woorden, wanneer het gespeend moet worden. Dit zal ons dan vanzelf +leiden tot de bespreking van andere dan natuurlijke voeding. + +Een voor alle gevallen passend antwoord op die vraag is niet te geven. +In het algemeen kan men wel een tijdperk van zogvorming aannemen, doch +in het bijzonder hangt veel af van omstandigheden en van de +individualiteit der moeder, zelfs na opeenvolgende baringen. + +Men kan zeggen, dat de afscheiding van zog in de eerste zes tot acht +weken na de baring toeneemt, om dan verschillend langen tijd, ongeveer +gedurende zes tot acht maanden, stand te houden en daarna af te nemen. +Van nature zou het verschijnen van de eerste tanden erop wijzen, dat de +zuigeling niet meer uitsluitend vloeibaar voedsel behoeft te ontvangen, +doch het komt maar al te vaak voor, dat ook moeders, van de groote +waarde der borstvoeding overtuigd, daarmede voortgaande, reeds voor +dien tijd de hoeveelheid melk zien verminderen, het kind weinig in +gewicht zien toenemen en dus wel genoodzaakt zijn daarbij ander voedsel +toe te dienen. Te lang voortgezette voeding aan de borst blijft niet +zonder nadeeligen invloed op het kind, omdat niet alleen de hoeveelheid +onvoldoende wordt, maar ook de samenstelling van het zog verandert, in +dien zin, dat het onvoldoende voedingsstoffen bevat. De verschijnselen, +welke het kind gaat vertoonen, zijn samen te vatten onder het algemeene +beeld van bleekheid en slapte. Het kind begint om zoo te zeggen te +verwelken, terwijl niet zoo zelden teekenen van beginnende Engelsche +ziekte zich voordoen. + +Vaak kan het noodig zijn om omstreeks de zevende maand, somtijds reeds +vroeger, tot bijvoeden over te gaan. Dan is het de vraag, welk voedsel +men geven en op welke wijze men den overgang van het natuurlijke +voedsel tot het andere tot stand brengen zal. Afgezien van de gevallen +waarin men genoodzaakt is dit plotseling te doen, moet die overgang +geleidelijk geschieden. Dat gebeurt dan door het toepassen van wat men +gemengde voeding (allaitement mixte) noemt, d.w.z. dat men gedeeltelijk +de borst, gedeeltelijk de flesch geeft. + +Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk door òf na iederen maaltijd +aan de borst een fleschje te geven, òf door eenmaal of meermalen daags +een borstmaaltijd door een fleschmaaltijd te vervangen. Mijns inziens +is de eerste manier aan te bevelen, omdat men zoodoende de borst aan +den gang houdt, den overgang dus geleidelijker kan doen plaats vinden, +en omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de zuigeling, +bespeurende dat het zuigen aan de flesch gemakkelijker gaat dan aan de +borst, minder of geen lust gevoelt aan de borst te drinken. Intusschen +is het niet altijd mogelijk om deze manier te volgen, waarbij dan +spoedig blijkt, dat de borst steeds minder zog afscheidt, zoodat het +kind binnen zeer korten tijd alleen op de flesch is aangewezen. + +Voor wij verder gaan is het noodzakelijk erop te wijzen, dat men zoo +mogelijk moet vermijden tot het spenen over te gaan in het warme +jaargetijde. Kinderen die in het warme jaargetijde gespeend worden, ook +al geschiedt dit geleidelijk, loopen het grootste gevaar ernstige +stoornissen in de spijsvertering te verkrijgen. + +Van belang is het, om na te gaan welk voedsel men geven moet, in welke +hoeveelheid, van welke samenstelling en hoe dit moet bereid worden. + +Bovenaan staat het vervangen van de moedermelk door koemelk. Zonder in +te gaan op het vraagstuk op welke wijze er, met het oog op de +gezondheid niet alleen van den zuigeling maar van allen die melk +gebruiken, voor gezorgd behoort te worden, dat de koemelk zoo wordt +afgeleverd, dat zij geen schadelijke bestanddeelen bevat en van goede +samenstelling is, moet erop gewezen worden, dat de moeder, die haar +kind dit voedingsmiddel zal toedienen, daaraan de grootst mogelijke +reinheid en zorg moet besteden. Een zuigeling slikt desnoods alles wat +men hem geeft, indien het hem smaakt, maar reageert uiterst sterk op +alle minderwaardig voedsel. + +Het is algemeen gebruikelijk de koemelk zoodanig te wijzigen, dat zij +tot voedsel van den jeugdigen zuigeling kan dienen. Daarom wordt zij +verdund en worden er stoffen aan toegevoegd, welke, in aansluiting aan +de ervaring, nuttig zijn gebleken voor het doel waarvoor zij moeten +dienen. Een algemeenen regel voor verdunning en toevoeging is +natuurlijk niet te geven, omdat dit afhankelijk is van den leeftijd, en +van den toestand waarin de zuigeling verkeert. Daarom blijft elke +voeding met tegennatuurlijk voedsel eene, welke in ieder bijzonder +geval tastenderwijze moet worden toegepast, dat wil zeggen, dat men +steeds moet probeeren. Dit betreft niet alleen de samenstelling, doch +ook de wijze van toediening, vooral met betrekking tot het aantal +maaltijden, de hoeveelheid en den graad van warmte. + +Laat ons beginnen met het moeilijkste geval, namelijk dat de zuigeling +van den aanvang af tegennatuurlijk voedsel gebruiken moet. Dan is er +sprake van: het kind moet aan de flesch. Goed, maar welk voedsel zal +men het kind geven? Hoe moet het voedsel bereid worden? Welke +voorzorgen heeft men te nemen, opdat het kind groeie en geen nadeel +ondervinde? + +Het eenvoudigste is, het kind koemelk te geven, met water verdund en +suiker daaraan toegevoegd. + +Het voedsel kan men in het algemeen op tweeërlei wijze bereiden en wel: +alles in eens gereed maken voor het gebruik in 24 uren of voor elke +flesch afzonderlijk. + +Het eerste is het gemakkelijkst. Men kan dan als volgt te werk gaan. +Men maakt van te voren op, hoeveel voedsel de zuigeling vermoedelijk in +24 uren gebruiken zal. Daartoe is het noodig eenige cijfers te kennen +en dat zijn die, welke de gemiddelde hoeveelheden, door een aan de +borst gevoed kind gebruikt, aangeven. De gemiddelde hoeveelheden, +waaraan, zooals uit de boven uit mijne praktijk gegeven getallen +blijkt, zich niet alle kinderen zullen houden, omdat ook de +hoeveelheden, door flesschenkinderen gebruikt, belangrijke verschillen +vertoonen. + +Van de regels, welke worden aangegeven, komen mij de opgaven van een +onzer Nederlandsche kinderartsen, Dr. E. Gorter, het meest geschikt +voor. Volgens die opgaven heeft een zuigeling op den 1sten dag niets, +op den 3en dag 100 grammen, op den 6en dag 300–350 grammen, op den +10den dag 400–450 grammen, op den 14den dag 150 maal het aantal +kilogrammen lichaamsgewicht aan grammen noodig. Aangezien ook de +verhoudingen, door dienzelfden geneesheer aangegeven, mij—als +algemeenen regel—geschikt voorkomen, geef ik die hier weder, met de +opmerking, dat het blijken zal, alweder in verband met den algemeenen +toestand van iederen zuigeling, dat afwijkingen nu en dan zullen +voorkomen. Ik leg dus den nadruk op de woorden „als algemeenen regel”. + +Hij geeft dan aan, dat men het kind voor de eerste 14 dagen een mengsel +zal geven van 1 deel koemelk en 2 deelen water, dat 8% suiker bevat, +dus b.v. op den 10den dag: 150 gr. koemelk, 300 gr. water en 24 gr. +suiker (⅓ melk), en dat men daarbij nauwlettend heeft na te gaan, of +het kind in alle opzichten gezond is. + +Te beginnen met den leeftijd van 14 dagen, of 3 weken, wordt dan +overgegaan tot een mengsel van 1 deel koemelk en 1 deel water, dat 8% +suiker bevat (½ melk). + +Om nu te weten hoeveel grammen men van dit mengsel per dag ongeveer +geven zal, kan men van de gegevens op bl. 156 gebruik maken, b.v. door +het lichaamsgewicht (in kilogrammen) te vermenigvuldigen met 150. Als +voorbeeld gelde, dat een pasgeborene, die op den 6en dag 3 K.G. weegt, +300 gr. voedsel krijgt, waarvoor noodig is: 100 gr. melk, 200 gr. water +en 16 gr. suiker; een kind van 3 weken, wegende 3,5 K.G., krijgt 500 +gr. voedsel, dus: 250 gr. melk, 250 gr. water en 20 gr. suiker, terwijl +men, als het kind met deze hoeveelheid, zonder ziek te zijn, niet +groeit, opklimt tot 300 gr. melk, 300 gr. water en 24 gr. suiker. + +Zoodra het kind 4–6 weken oud is, zal meestal de voeding met 2 deelen +koemelk en 1 deel water met 10% suiker (⅔ melk) worden geregeld, bij +welk mengsel het kind kan blijven tot het 4–6 maanden oud is. De +hoeveelheid, die hiervan wordt gegeven, wordt weer berekend door het +aantal kilogrammen, die het kind weegt, met 150 te vermenigvuldigen +zoolang het jonger dan 3 maanden is, en met 140 als het ouder is. Van +dit mengsel kan men ongeveer evenveel geven als de hoeveelheid +moedermelk. + +Vanaf de 4e of 6e maand ongeveer kan men, volgens Dr. Gorter, eene +kleine hoeveelheid meel aan het mengsel toevoegen, te beginnen met 5 +gr., dan al spoedig 10 gr. per dag. Dit meel vervange dan eene gelijke +hoeveelheid suiker. Voorbeeld: Een kind van 5 maanden, weegt 6,5 K.G., +krijgt 6,5 × 140 gr. = 910 gr. en wel 600 gr. melk, 300 gr. water, 20 +gr. suiker en 10 gr. meel. [7] + +Hij merkt terecht op, dat ook met op andere wijze samengesteld voedsel +gunstig gevolg kan verkregen worden, doch dat dit mengsel het voordeel +heeft van zeer eenvoudig te zijn. + +Men heeft dus niets anders te doen, dan de voor 24 uren benoodigde +hoeveelheid melk en water te meten, de suiker af te wegen en dit alles +bij elkander gevoegd in een pan gedurende b.v. 5 minuten goed te laten +koken. Door het koken verdampt gedurende dien tijd eene hoeveelheid +water, welke door toevoeging van gekookt water tot de oorspronkelijke +hoeveelheid moet aangevuld worden. De pan wordt met een deksel +gesloten, vervolgens snel afgekoeld, het best in stroomend water, en +dan op eene koele plaats bewaard, om telkens als eene flesch zal +gegeven worden, de hoeveelheid, voor een maaltijd bepaald, daarin over +te gieten. + +Voor men het kind de flesch geeft moet die gewarmd worden. Dit doet men +het best, door haar in warm water te zetten. De graad van warmte voor +het voedsel, dat zich in de flesch bevindt, kan men beoordeelen door de +flesch, nadat die eenigen tijd in het warme water gestaan heeft, af te +drogen, te schudden en dan tegen het ooglid van het gesloten oog te +houden. Indien men de vraag, of de flesch warm of koud aanvoelt, +slechts aarzelend kan beantwoorden, kan men rekenen dat het voedsel de +goede temperatuur heeft. Eene andere manier is deze, dat men een weinig +van het voedsel in een lepel giet en dat proeft, waarbij men tevens kan +nagaan of de smaak goed, het voedsel niet bedorven is, hetgeen in den +zomer gemakkelijk geschiedt. Daarom is het aan te bevelen, vooral in +den zomer, het mengsel tweemaal per dag, telkens dus de helft van de +benoodigde hoeveelheid, te bereiden. + +De tweede bereidingswijze is omslachtiger, ofschoon beter. Zij bestaat +hierin, dat men dadelijk de voor 24 uren gereedgemaakte hoeveelheid +voedsel over het aantal flesschen, door het kind te gebruiken, verdeelt +(in alle flesschen dezelfde hoeveelheid) en deze flesschen, van eene +kaoutchouk-sluiting voorzien, in een pan met water, waarvan het +oppervlak op gelijke hoogte of iets hooger dan dat van de melk in de +flesschen staat, plaatst, om daarin te koken, waarna de fleschjes, uit +de pan genomen, afgekoeld en op eene koele plaats bewaard worden. In +den handel zijn daarvoor de toestellen, naar Prof. Soxhlet genoemd, te +verkrijgen. + +In plaats van water, als verdunningsvloeistof, wordt ook wel een +afkooksel van rijst of gort gebruikt, terwijl door vele geneesheeren +van den aanvang af ook meel wordt toegediend. Deze afkooksels moeten, +vooral in den zomer, met het oog op zuur worden, minstens tweemaal per +dag bereid worden. (Zie voor recepten: Aanhangsel). + +In plaats van rauwe melk gebruikt men somtijds gepasteuriseerde melk, +doch aangezien deze niet zeker vrij van bacteriën is, zou men haar +eveneens moeten koken, waardoor zij te veel verandert om nog als +geschikt voedingsmiddel te mogen gelden. Met goed gevolg, door vele +geneesheeren aanbevolen, wordt ook gebruik gemaakt van de zoogenaamde +bussenmelk of gecondenseerde melk. + +De eenvoudigste flesch is de beste. Zij moet gemakkelijk te reinigen +zijn. In den handel komen er voor met eene reeks boven elkander +geplaatste streepjes, met de bedoeling daarmede de hoeveelheden af te +meten, doch welke het nadeel hebben, dat zij in het glas ingedeukt zijn +en dus moeilijk schoon te maken, terwijl de afstanden niet gelijk zijn. + +Na het gebruik moet men de flesch dadelijk met koud water uitspoelen en +met, liefst gekookt, water gevuld en met een dotje schoone +verbandwatten afgesloten, wegzetten. Er is slechts één goed model +speen, in den vorm van een handschoenvinger, van zwart of rood +kaoutchouk. Men moet haar, met het oog op reiniging, gemakkelijk kunnen +omstulpen. Met eene gloeiende naald, welke snel ingestoken en +uitgehaald wordt, maakt men er eene opening in, waardoor het vocht +slechts druppelsgewijs kan uitloopen. Elke nieuwe speen moet men, voor +het gebruik, uitkoken; later is het voldoende haar, van buiten en van +binnen, onmiddellijk na het gebruik, in stroomend water te reinigen en +in een bakje met zuiver, gekookt, water te bewaren. + +Bij het voeden met de flesch moet men zeer voorzichtig zijn, omdat +juist hierbij gemakkelijk stoornissen in de spijsvertering optreden. +Daarom lette men op sommige dingen, welke wel eens als kleinigheden +beschouwd worden. + +Men mag de flesch niet bij het kind nederleggen, het den speen in den +mond stoppen en dan aan het kind zelf overlaten, hoe het zich redden +wil. De moeder, of wie het kind de flesch geeft, moet die in handen +houden en het kind, terwijl het op den schoot of in het bedje ligt, +voeden; daarbij geduldig zijn en opletten, dat het kind niet te +schielijk drinkt. Daarom mag de opening in de speen niet te groot zijn. + +Is de opening te groot, dan drinkt het kind de flesch te spoedig leeg. +Men kan trachten daaraan te gemoet te komen, door binnen in de speen, +tegen de daarin gemaakte opening aan, een stukje schoon hydrophiel gaas +of een propje schoone verbandwatten te leggen, zoodat het vocht niet +zoo snel uit de opening vloeien kan. Het spreekt vanzelf, dat men dit +stop-middeltje, bij het reinigen, moet wegwerpen. + +Indien het kind niet naar behooren zuigt, kan de oorzaak daarin gelegen +zijn, dat het voedsel te warm of, wat minder vaak voorkomt, te koud is. +Aangezien het kind ook voor het leegdrinken van de flesch een +twintigtal minuten noodig zal hebben, is het goed om de flesch, +teneinde het afkoelen te voorkomen, met een zakje van wol of van eene +andere, de warmte slecht geleidende, stof te omhullen. + +Vooral bij deze wijze van voeding kan het kind te veel voedsel krijgen, +overvoed worden. Het kan echter ook te weinig krijgen, zoowel doordat +te weinig per maaltijd gegeven wordt, als doordat, bij voldoende +hoeveelheid, de voedingswaarde, tengevolge van te sterke verdunning, te +gering is. Er behoort dan ook bij de voeding met de flesch eene groote +mate van oplettendheid betracht te worden. Wanneer de moeder inderdaad +die oplettendheid betracht en nauwkeurig acht geeft op den toestand van +den zuigeling, in verband met een regelmatig verloop van het gewicht en +in verband met eene behoorlijke ontlasting, kan zij, naar mijne +overtuiging, ook hierbij, met inachtneming van het bij de borstvoeding +besprokene, de regeling van het aantal maaltijden en de hoeveelheden, +per maaltijd te gebruiken, in den beginne aan het kind overlaten. Zij +bedenke daarbij, dat van een te sterk verdund mengsel grootere +hoeveelheden noodig zijn om aan de behoefte van het kind te voldoen, en +geve dus liever te weinig dan te veel. Bij mijne eigene kinderen, +waarvan er twee van den aanvang af met koemelk moesten gevoed worden, +handelde ik als volgt. Er werd begonnen met 1 deel melk en 2 deel +water, waarbij melksuiker gevoegd was. In iedere flesch werd zooveel +van het mengsel geschonken, dat er, als het kind gedronken had, altijd +iets in de flesch overbleef. Indien de ontlasting daarbij goed was, +zoowel wat aantal als vastheid en kleur betrof, werd zoolang bij deze +samenstelling gebleven, tot de ontlasting veranderde. Werd de +ontlasting dunner, dan werd een kleine hoeveelheid melk meer gegeven. +Aangezien de verhouding steeds op 100 gram berekend werd, beantwoordde +aan eene grootere hoeveelheid melk eene kleinere hoeveelheid +melksuikeroplossing. Bijvoorbeeld: Voor 100 gram mengsel werden genomen +34 gram melk en 66 gram melksuikeroplossing. Was de ontlasting daarbij +normaal, dan bleef het bij die verhouding, totdat de ontlasting iets +dunner en vaker geloosd werd. Dan werden 36 gram melk en 64 gram +melksuikeroplossing genomen. Werd daarbij de ontlasting weder normaal, +dan bleef het daarbij; kwam de ontlasting nog niet naar wensch, dan +werden genomen 38 gram melk en 62 gram melksuikeroplossing. Was evenwel +de ontlasting te stijf, dan gebeurde het omgekeerde en werden genomen +32 gram melk en 68 gram melksuikeroplossing. Op die wijze werd, al naar +het noodig bleek, tastenderwijze het voedsel met kleine schommelingen +gewijzigd, zoodat gemakkelijk en zonder gevaar kon worden beproefd, wat +op een bepaald tijdstip noodig was. Daarbij werd het merkwaardige feit +genomen, dat het eene kind eenige maanden vroeger volle melk verdragen +kon dan het andere, een bewijs hoe groote verschillen zelfs bij +kinderen van dezelfde ouders kunnen voorkomen. + +Dat ook bij de tegennatuurlijke voeding, onder bijzondere +nauwlettendheid, aan het kind de regeling kan worden overgelaten, moge +blijken uit nevenstaande kromme van tweelingen, welke aldus werden +groot gebracht. Op de titelplaat ziet men de tweelingen in het bedje en +daarvoor, op den grond zittende, een zusje, dat dezelfde vrijheid aan +de borst genoten had; op de plaat tegenover bl. 176 de tweelingen, acht +maanden oud. Bij geen van drieën werd eenige stoornis waargenomen. +Foto’s [8] en kromme (curve) werden mij, met toestemming der moeder, +welwillend verstrekt door de verpleegster, die moeder en kinderen, mij +overigens geheel onbekend, verpleegde. + +Het is niet zonder aarzeling, dat ik deze mijne opvatting over de +tegennatuurlijke voeding neerschrijf, omdat, zooals reeds gezegd, aan +de tegennatuurlijke voeding meer gevaren verbonden zijn dan aan de +borstvoeding, en mijne opvatting, voorloopig althans, geheel afwijkt +van hetgeen tegenwoordig geleerd wordt. Ik beveel haar dan ook niet +onvoorwaardelijk aan, doch geef den raad, om in ieder bijzonder geval +de hulp van den geneesheer over de wijze van voeding in te roepen, +terwijl moeders, die in afgezonderd gelegen streken, zooals in onze +koloniën nog al eens voorkomt, wonen, waar slechts met groote moeite en +kosten het oordeel van een geneesheer kan worden ingewonnen, verstandig +doen door zich zooveel mogelijk te houden aan het beginsel, neergelegd +in het bovenvermelde omtrent samenstelling en hoeveelheid van het +voedsel en omtrent het aantal der maaltijden. Waar men zoo gelukkig is +den geneesheer steeds te kunnen raadplegen is mijn papieren geneesheer +overbodig. + +Ondervoeding behoeft men bij de fleschvoeding niet zoozeer te duchten, +omdat daarin betrekkelijk minder gevaar schuilt voor den zuigeling dan +in overvoeding. Die overvoeding is dan meestal te wijten aan de +omstandigheid, dat de moeder te veel en te vaak voedsel geeft, telkens +als het kind huilt of onrustig is en de hand in den mond stopt na het +drinken. Gewoonlijk bespeurt men dit het eerst aan de luiers, waarin +eene dunne groene en slijmerige of dunne gele, witte stukjes +bevattende, ontlasting voorkomt, welke vijf- tot zesmaal per dag +geloosd wordt. Het kind spuwt, geeft „boertjes” op, loost winden, +slaapt minder, de buik is opgezet; het wordt mager, gaat er slechter +uitzien, bleek met ingevallen oogen, welke toestand toenemend erger +wordt. Somtijds treden deze verschijnselen plotseling op. Het beste is +om, totdat de geneesheer verschijnt, dadelijk een streng dieet toe te +passen, b.v. het kind slechts gekookt water of zeer slappe thee te +drinken te geven. Bij het toedienen van thee wordt de ontlasting +donkerder van kleur. + +Minder moeilijk is het, als de zuigeling te eeniger tijd te weinig +voedsel uit de borst krijgt en het noodig blijkt het tekort op andere +wijze aan te vullen. Dat zal dan geschieden door de zoogenoemde +gemengde voeding. De meening dat het geven van tweeërlei voedsel niet +goed zou zijn, is volkomen onjuist. Wat de zuigeling nog van de +moedermelk krijgen kan, al is het nog zoo weinig, komt hem ten goede en +het zal betrekkelijk slechts zelden voorkomen, dat de overgang van +natuurlijke tot tegennatuurlijke voeding plotseling noodig blijkt. + +Een geleidelijke overgang is van te meer belang, naarmate het kind +jonger is. Van den leeftijd zal ook afhangen, wat men als bijvoeding +geven zal. Ook hierbij staat het toedienen van koemelk, in verdunningen +welke samengaan met den leeftijd van het kind, bovenaan en zal het +noodig zijn steeds tastenderwijze te werk te gaan, alles in verband met +den toestand van het kind. + +In plaats van verdunde koemelk wordt bij ondervoeding aan de borst, dus +bij te weinig zogafscheiding, vaak uit karnemelk, met meel en suiker, +bereid voedsel, als bijvoeding gegeven, om na eenigen tijd over te gaan +tot de voeding met koemelk. (Bereiding zie aanhangsel). + +In verband met de cijfers, vroeger genoemd omtrent hoeveelheid voedsel +en samenstelling, wijs ik er hier nog eens op, dat de hoeveelheden, +waarbij kinderen goed gedijen, zeer verschillend zijn en dat, wat de +samenstelling betreft, geen regel te geven is, welke zonder +uitzondering als de eenig juiste is aan te merken. Zoo is het ook te +verklaren dat er, ondanks eene vrijwel algemeen aangenomen wijze van +voedselbereiding en toediening, nog velerlei verschillende opvattingen +bij geneesheeren zijn op te merken, welke mijns inziens voor een deel +daaraan zijn toe te schrijven, dat zij allen weten, dat ondanks alle +regels het gestel der kinderen ten slotte den doorslag geeft, zoodat in +ieder geval weder moet geïndividualiseerd, d.w.z. geprobeerd, worden. +Dit maakt het dan ook zoo moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om +aan te geven hoe „het kind” moet gevoed worden. Van daar ook dat er +zoovele fabriekmatig bereide voedingsmiddelen voor zuigelingen, de een +met meer de ander met minder ophef, in den handel worden aangeprezen en +aangewend, waaruit wel het duidelijkst blijkt, dat eene „kunstmatige +moedermelk” tot nog toe niet gevonden is. Bij het eene kind gelukt de +voeding met dit, bij de andere met dat voedsel, vaak eerst nadat +verschillend lang geprobeerd is. Zij kunnen in den regel ontbeerd +worden, indien de moeder zich houdt aan het voorschrift, dat zij in de +allereerste plaats haar kind moet leeren kennen, in alle opzichten eene +strenge reinheid heeft te betrachten en zich heeft te onthouden van het +overnemen van voedingsmiddelen of voedingswijzen, waarbij kinderen van +vriendinnen of kennissen, dus andere kinderen, al of niet schijnbaar, +beter heeten te groeien dan het hare. In dit opzicht hebben plaatsen, +waar vele moeders verkeeren om hare kinderen van de buitenlucht te doen +genieten, zooals parken, vaak een ongunstigen invloed, omdat daar +gemakkelijk kennis wordt gemaakt en het uitzicht der kinderen +aanleiding geeft tot gesprekken omtrent de wijze van voeding, welke +vooral jonge moeders wel eens aanleiding geven om de tot nu toe bij +haar kind gevolgde wijze te veranderen. Iedere moeder doet verstandig +zich te houden aan den raad, welken zij van den geneesheer, dien zij +eenmaal haar vertrouwen schonk, ontving en al of niet vermeende +afwijkingen met hem te bespreken, omdat alleen de huisarts de +verantwoording dragen kan van zijne eigene opvattingen, welke hij door +eigene ervaring als de juiste meent te moeten doen gelden. Ik meen dan +ook te kunnen volstaan, met hetgeen ik hier in vage trekken heb +trachten aan te geven en mij eveneens te moeten onthouden van +beschouwingen, omtrent voeding en opvoeding, voor lateren dan den +zuigelingenleeftijd. + +Slechts heel in ’t kort wijs ik er nog op, dat, afgezien van +individueele verhoudingen, zoowel bij moeder als kind, langzamerhand de +zuigeling, op dikwerf ver uit elkander liggende tijdstippen, bij +tegennatuurlijke voeding tot het gebruik van onverdunde koemelk gekomen +is en dan ook weder geleidelijk ander voedsel zal dienen te ontvangen. +Dit laatste begint van nature recht te verkrijgen, als de tanden te +voorschijn komen, want dan begint het kind van zelf neiging te +vertoonen daarvan gebruik te maken. Tegelijkertijd neemt de afscheiding +van speeksel belangrijk toe, waardoor het kind in staat wordt gesteld +voedsel van vasteren aard te verwerken. + +Het is dan ook omstreeks dien tijd, dat de natuur aangeeft dat tot +spenen kan worden overgegaan, welke overgang, zooals reeds vroeger werd +aangegeven, slechts geleidelijk mag plaats vinden. Gewoonlijk zal dit +omstreeks de zevende of achtste maand het geval zijn, somtijds vroeger. +Men begint dan met een maaltijd aan de borst te vervangen door ander +voedsel, vervolgens twee, drie maaltijden, in langer of korter +tijdsverloop, dus steeds geleidelijk, om zoonoodig, b.v. bij het +optreden van ernstige stoornissen, tot het geven van de borst te kunnen +terugkeeren. Dan geve men verdunde melk, waarvan de samenstelling weder +verband heeft te houden met den leeftijd van het kind. Behalve met +water, kan men de melk ook verdunnen met slappe bouillon en +langzamerhand overgaan tot andere spijs, als pap of brij, met melk als +hoofdbestanddeel, al of niet met bouillon bereid, uit griesmeel, +havermeel, een of ander kindermeel, sago, tapioca, brood of beschuit en +daarna tot vaster kost. De duur van het spenen kan zeer verschillend +uitvallen, van 2 tot 3 tot 4 weken en langer. Ook hiervoor is geen +algemeene regel te geven. + + + + + + + + +ALLERLEI OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET KIND. + + +Onder dezen titel zullen wij, in alphabetische volgorde, nog enkele +zaken bespreken, welke ouders moeten kennen, al zal hier en daar wel +iets genoemd worden, wat elders reeds werd aangestipt. + +Vooraf gaan echter eenige algemeene opmerkingen. + +De moeder moet leeren haar kind waar te nemen. Het spreekt van zelf, +dat iedere moeder op haar kind let, maar het is voor haar niet +gemakkelijk, om zich omtrent de beteekenis van allerlei verschijnselen +een oordeel te vormen. Daarom kan de kennisneming van hetgeen hier +volgt haar allicht van eenig nut zijn. + +Algemeene gezondheidsmaatregelen zijn van groot gewicht met betrekking +tot den toestand van en in de woningen, vochtigheid, onvoldoende +verlichting, te weinig of te veel warmte, onreinheid op woning, +kleeding, lichaam, voedselbereiding, zuivere lucht enz. + +De verpleging van het kind is eveneens van belang. Bij den zuigeling +dient de huid niet alleen om het binnendringen van vreemde stoffen in +het organisme te beletten, maar zij regelt ook de warmte van het +lichaam. De groote oppervlakte van het lichaam van den zuigeling, in +verhouding grooter dan bij den volwassene, maakt dat afkoeling of +verhitting van de omgevende lucht sneller verlaging of verhooging van +zijne lichaamswarmte ten gevolge heeft, terwijl aan den anderen kant de +lichaamswarmte bij koortsende ziekten bijzonder snel en tot belangrijke +hoogte toeneemt. + +Behalve goede huidverpleging heeft dus ook de kleeding hare beteekenis. +Ik kan niet nalaten erop te wijzen, hoe reeds de voeten onzer kleintjes +van den beginne af misvormd worden door ze sokjes aan te trekken, die, +omdat zij zakvormig in een punt uitloopen, reeds dadelijk de teentjes +tot elkander brengen, wat nog toeneemt als later de schoentjes, vooral +als die keurig spits zijn, worden gedragen. Het ware nog niet zoo dwaas +om het voorbeeld der Japanneezen te volgen, die voor den grooten teen +eene afzonderlijke ruimte laten, zooals dat voor den duim in de wanten +gebeurt. Ook het vasthouden van de sokjes met een kouseband onder de +knie is verkeerd. + +Het kind kan men het best waarnemen als het ontkleed is. Dan kan men +allereerst den toestand, waarin de huid zich bevindt, beoordeelen. In +den beginne zijn alle zuigelingen min of meer rood van kleur, met in de +meeste gevallen eenige vlekkige roodheid boven den neuswortel en op de +bovenste oogleden, en blauwachtig roode tint van boven- en onderlip en +kin. Allengs wordt de huid wat bleeker van tint, doch blijft mooi en +frisch; de zooeven genoemde vlekjes verdwijnen later. + +Bij het zieke kind, of bij een kind dat ziek wordt, valt het al spoedig +op, dat de huid bleeker wordt of zelfs een vaalgrijze tint aanneemt, +welke bij erger worden van de ziekte overgaat in eene blauwachtige tint +in het gelaat, met name aan het voorhoofd en de slapen, en bij +plotseling optredende aandoeningen ook om de lippen en den neus. + +De slijmvliezen blijven ook in ziekte gewoonlijk nog lang rood +gekleurd; alleen de tong wordt sterker rood, vooral aan de punt, en bij +toenemen van het ziekte-proces droog, vooral bij koorts, en beslagen. +Ook de lippen worden dan droog en krijgen kloven. In den mond lette men +op spruw. + +Bij vermagering, welke het eerst valt waar te nemen aan de binnenvlakte +van de dijen, daarna aan beenen en armen, wordt de hals dun, de kin +spits, gaat de spanning van de huid verloren, wordt het gezichtje +kleiner. + +Verder zijn op de huid huiduitslagen te zien, welke niet altijd aan +slechte verzorging te wijten zijn; ook abnormale bleekheid b.v. bij +bloedarmoede, overmatige dikte met slapte en witheid, zooals bij +kinderen, die te lang aan de borst gevoed worden. + +De oogen, oorspronkelijk helder en glanzend, worden dof, het wit der +oogen vaak roodachtig met kleine adertjes doorloopen. Bij ontsteking +van het bindvlies der oogleden vindt men afscheiding van eene dunne +gele of dikkere etterige vloeistof, welke de oogleden doet aaneenkleven +en in de ooghaartjes, als moeilijk te verwijderen stukjes, blijft vast +zitten. Vroeger wees ik reeds op de acute ontsteking bij pasgeborenen, +met het daaraan verbonden gevaar van blindworden bij niet tijdig +toegepaste behandeling. Ik heb ontsteking van het bindvlies der +oogleden zien optreden door het staren van den zuigeling in de vlam van +een gasgloeilicht, waaronder de tafel stond waarop de zuigeling werd +verkleed. + +De groote fontanel kan ook den weg wijzen bij het beoordeelen van +zieken. Bij kinderen die aan diarrhee lijden en dus veel vocht +verliezen zinkt de fontanel in, terwijl zij bij vochtophooping in den +schedel, zooals bij ontwikkeling van waterhoofd en bij ontsteking van +het hersenvlies wordt aangegeven, gewelfd wordt. Men houde, waar ik +hier over waterhoofd spreek, in het oog, dat het hoofd van den +zuigeling opvallend groot is in verhouding tot de lengte van het +lichaam, en het gelaat opvallend klein in verhouding tot den schedel, +door de geringe ontwikkeling der kaken. + +Aan de ooren valt bij ziekte, behalve dat zij opvallend wit worden, +gewoonlijk niets bijzonders op te merken. Wel is het nuttig te weten, +dat indien het kind bij het wasschen van het hoofdje teeken van pijn +geeft, men aan de mogelijkheid van beginnende ontsteking van het +hersenvlies of van het middenoor moet denken. + +Bemoeilijkte ademhaling, met open mond, snurken, snuffen door den neus, +kan wijzen op eene aangeboren ziekte, op vergroote amandelen, +ontsteking van luchtpijpstakken of longen, kramp van de stemspleet. +Zuigelingen zijn zeer vatbaar voor ontsteking der +ademhalingswerktuigen, vooral ook bij influenza, zoodat volwassen +personen, die verkouden zijn, moeten oppassen dat zij hunne aandoening +niet op het jonge kind overbrengen, daar het van hun „verkoudheid” eene +longontsteking kan krijgen. Daarom handelt eene moeder, die verkouden +is, verstandig door, als zij een kind aan de borst voedt, vooral +gedurende het zoogen, een doek voor mond en neus te houden en het kind +niet te kussen. + +De buik kan opgezet of ingetrokken zijn. Bij opgezetten buik lette men +op al of niet duidelijk waar te nemen bloedvaten, of op darmbewegingen, +welke door den buikwand te zien zijn. Verder lette men op breuken, niet +alleen van den navel, maar ook in de liesplooien (darmbreuk) en bij +jongens in den balzak (darmbreuk, waterbreuk), op bloeding of ettering +uit den navel. + +Aan beenen en armen, namelijk aan de polsen en enkels, kunnen +verdikkingen ontstaan, vaste zwellingen bij Engelsche ziekte, +indrukbare, waar gedurende eenigen tijd de indruk der vingers blijft +bestaan, bij andere ziekten. + +Ook lette men op verstopping en diarrhee, op de geur der ontlasting, op +pijn bij het urineeren, op uitzakking van den endeldarm. + +De lichaamswarmte (temperatuur) stijgt of daalt, waarop reeds boven +gewezen werd, gemakkelijk en spoedig boven of beneden het normale. De +temperatuur wordt gemeten met een thermometer, het liefst een +zoogenaamden maximaal-thermometer, welke, met vaseline of olie ingevet, +bij het op de zijde liggende kind voorzichtig in den endeldarm wordt +gestoken en daar 5 minuten (den thermometer vasthouden) blijft liggen. +De pols is gewoonlijk moeilijk te voelen, zoodat men dit kan nalaten. + +Zweeten doet een gezond kind, tenzij het te warm ligt, niet; sterk +zweeten vooral moet doen denken aan ziekte. + +Indien een kind niet volmaakt gezond is, wordt het knorrig, verdrietig +en onrustig, of gelijkmoedig, opvallend rustig en ernstig; beweegt +zich, als het uitgekleed is, niet spartelend, doch blijft stil liggen, +met slappe ledematen en dus niet in de vroeger beschreven houding met +opgetrokken armen en beenen, of ook ligt het juist niet stil, doch +maakt, ook in zijn bedje, heftige, schokkende, stootende, bewegingen +met armen en beenen en met het hoofd. De spieren (het vleesch) zijn +niet zoo gespannen, of juist hard en te sterk gespannen. + +De slaap is meestal niet diep, de kinderen zijn onrustig, worden +telkens wakker; de eetlust vermindert. + +Braken. Indien het, kort na den maaltijd, teruggeven van eene geringe +hoeveelheid genoten melk verandert in braken van vocht, met slijm en +stukjes, na langer tijdsverloop, waarbij dan, als uiting van gestoorde +spijsvertering, nog komen veranderde ontlasting, vooral diarrhee, +winden, buikpijn enz., zal men den geneesheer moeten raadplegen. De +oorzaak kan gelegen zijn in ziekte van het kind, in onverstandige wijze +van voeden, in onreinheid bij het bereiden van voedsel, in onreinheid +van flesschen en spenen, in bedorven voedsel. Daarbij zijn de kinderen +onrustig en huilen of schreeuwen. Om alvast iets te doen, in afwachting +van de komst van den geneesheer, geve men slechts gekookt water of zeer +slappe thee te drinken. + +Een hoogst enkele keer komt het voor, dat een zuigeling bloed braakt, +al of niet gepaard met afgang van bloed uit den darm. De oorzaak +daarvan ligt nog gedeeltelijk in het duister. Men moet zich dan in de +allereerste plaats ervan trachten te vergewissen, of dat bloed, vooral +indien alleen bloed gebraakt wordt, misschien te voorschijn komt na +eene bloeding uit den neus, uit het slijmvlies van den mond, of na +inslikken van bloed uit scheuren van den tepel. In deze gevallen is de +hoeveelheid gewoonlijk gering. In het hier bedoelde, zeer zelden +voorkomende, geval komt het bloed gewoonlijk zonder voorafgaande +verschijnselen, somtijds na eenigen tijd van onrust gepaard met braken +van genoten melk en met vloeibare ontlasting, veelal in de vier eerste +dagen na de geboorte, zelden later. Meestal komt het bloed het eerst of +alleen uit den darm, al of niet met ontlasting, in den aanvang in +kleine hoeveelheid, vloeibaar of met bloedstolsels, lichtrood, +donkerrood tot zwartachtig gekleurd. In een deel der gevallen gaat dit +samen met braken van bloed. Zeldzamer wordt alleen eene roode of +bruinachtige vloeistof, soms met stolseltjes, gebraakt, of ziet men +kleine streepjes bloed in het uitgeworpen voedsel. Het kan bij één keer +blijven, enkele uren, doch ook eenige dagen aanhouden. Indien het zich +herhaalt, treden verschijnselen van sterk bloedverlies op; de +temperatuur van het lichaam daalt, de ledematen, te beginnen met handen +en voeten, en de neus worden koud, het gelaat krijgt een wasbleeke +kleur, de ademhaling wordt oppervlakkig, de pols is nauwelijks te +voelen. Men moet onverwijld de hulp van den geneesheer inroepen, daar +de toestand voor den zuigeling zeer bedenkelijk worden kan. + +Dit braken is niet te verwarren met het spuwen van ingeslikt +vruchtwater, dat, vaak vermengd met de ontlasting zooals die door alle +zuigelingen in de eerste dagen geloosd wordt en den naam van kindspek +draagt, kort na de geboorte wordt uitgeworpen. + +Breuken. Behalve de vroeger genoemde breuken komt bij jongens somtijds +een waterbreuk voor, dat is eene ophooping van vocht in een bepaald +gedeelte van den balzak, waardoor deze min of meer vergroot is. In de +meeste gevallen verdwijnt dit vocht van zelf, zoodat eene behandeling +onnoodig is. + +Engelsche ziekte (Rachitis) is een ziekte, welke gewoonlijk nog in het +eerste levensjaar en dan meestal eerst na de derde maand, bij vele +kinderen eerst in het tweede halfjaar, begint, in den regel met +algemeene verschijnselen, welke wijzen op stoornis in de voeding en op +algemeene zwakte. De kinderen worden onrustig, verdrietig, slecht +geluimd, schreien veel en slapen niet meer zoo goed als te voren; zij +worden bleeker en slapper, lijden aan verstopping, later aan diarrhee; +de urine heeft vaak eene doordringend scherpe reuk. Nadat deze +algemeene verschijnselen twee of drie weken geduurd hebben, treden +andere op. Een van de eerste is sterk zweeten, vooral aan het hoofd, +zoodat ’s morgens vaak het hoofdkussen doornat is. De kinderen hebben +pijn in de ledematen, voornamelijk bij aanraking, dus als zij worden +opgenomen of aangevat, en bewegen armen en beenen liever niet. Terwijl +zij op den rug liggen, bewegen zij het hoofd, ook in den slaap, heen en +weder, wrijven met het achterhoofd op het kussen, waardoor daar ter +plaatse het haar verdwijnt, doch worden rustig als men hen voorzichtig +op zijde legt. Zijn zij ouder dan een half jaar, dan zoeken zij van +zelf die ligging op de zijde. Als zij gedragen worden, wordt het hoofd +hun al gauw te zwaar en leggen zij zich met wang en voorhoofd tegen het +gezicht of den schouder van hen die ze dragen. Op de plaatsen waar men +ze aanpakt komen spoedig roode vlekken te voorschijn. + +Somtijds breekt de ziekte onverwacht uit, met plotseling optreden van +diarrhee, verhooging van de lichaams-temperatuur, snelle pols, pijnen +in de gewrichten en aanvallen van krampen. + +Daarna vertoonen zich veranderingen in de beenderen, welke vooral zijn +waar te nemen aan de uiteinden van de zoogenaamde lange beenderen, dat +zijn die van armen en beenen, en aan de ribben. De polsen en enkels +worden dik, de huid maakt daar diepe plooien; aan de voorzijde van de +borstkas ontstaan plaatselijke verdikkingen van de ribben, ter +weerszijden van het borstbeen, in overlangs loopende rijen, als de +zoogenaamde rachitische rozenkrans. Het hoofd wordt groot en verkrijgt, +door afplatting van den achterhoofdschedel, breed en hoog en in het +midden vlak worden van het voorhoofd, een vierkanten vorm, waartegen de +kleinheid van het gezicht, doordien de beenderen van het gelaat in +groei ten achterblijven bij die van den schedel, opvallend afsteekt. De +fontanellen blijven langen tijd open; de groote fontanel sluit zich +eerst aan het einde van het tweede levensjaar of nog later. De kinderen +leeren laat loopen, terwijl zij die reeds loopen konden, dikwijls als +een van de vroeg voorkomende verschijnselen, den lust daartoe +verliezen. Het krom worden van de beenen is algemeen bekend. + +De tanden breken later door, in onregelmatige volgorde en met lange +tusschenpoozen. De snijtanden blijven klein, met hoekige kauwvlakten en +vertoonen soms halvemaanvormige bochten; de tanden zijn week en broos +en kunnen tot den kaakrand afbrokkelen, zij worden wankleurig, het +email vertoont overlangs en dwars loopende spleten en ronde deukjes. De +willekeurige spieren zijn slap. + +Kinderen met rachitis lijden vaak aan stuipen. + +Huidziekten. De huid van den zuigeling is zeer dun, teeder en gevoelig, +en antwoordt zeer gemakkelijk op prikkels, hetzij die van buiten af dan +wel van binnen uit werken. + +Daarom treden gemakkelijk plaatselijke veranderingen op, b.v. door +inwerking van vochten, zooals melk welke uit den mond loopt, urine en +ontlasting, wanneer de reiniging te wenschen laat. Doch ook al te +veelvuldig reinigen en vegen van de huid kan, door telkens opnieuw +verwijderen van het door de talkklieren geleverde vet, de huid +overgevoelig maken voor schadelijke invloeden van buiten. De kinderen +brengen zichzelf vaak door krabben wonden in het gelaat toe, waar +schadelijke stoffen kunnen binnendringen, zoodat het dikwijls reeds +vroeg noodig is de nageltjes te knippen. + +Vervolgens kunnen prikkels, van den darm uitgaande, verschijnselen van +huidaandoening teweeg brengen, terwijl eindelijk ook de erfelijkheid +eene rol speelt, zoodat de kinderen vaak aan dezelfde aandoeningen +lijden als de ouders vroeger deden. + +Smetten of wondzijn van de huid. Het kenmerkende hiervan is het +voorkomen van licht- of donkergekleurde, roode, vochtige, uiterst +pijnlijke plekken, waaromheen en waarin somtijds blaasjes met troebelen +inhoud liggen, welke plekken zich bij slechte verzorging gemakkelijk +uitbreiden en de kinderen geducht kunnen hinderen. Men vindt deze +plekken vooral op plaatsen welke voortdurend aan vocht zijn +blootgesteld, b.v. aan den hals, waar de kleederen door spuwen of uit +den mond vloeiende melk nat worden; aan de billen, aan de achtervlakte +der dijen en in de liesplooien, door het lange liggen in luiers, nat +door urine of door zure diarrhoeïsche ontlasting, bij +voedingsstoornissen, alsmede aan de hielen en in alle plooien van de +huid, vooral bij vette kinderen en bij kinderen die zweeten. + +Het voorkomen en genezen heeft zich dus te richten op zorgvuldige +verpleging en op zorg bij de voeding. De plaatselijke behandeling +bestaat in het reinigen met olie en (of) poederen, waarbij +alsol-strooipoeder en bolus alba uitstekende diensten bewijzen. + +Urticaria of netelroosuitslag kenmerkt zich door het optreden van +kleine of groote, eenigszins boven de omgeving uitstekende, helrood +gekleurde, of lichte, in het midden dikwijls witachtige, vlekken, +zooals die worden waargenomen na aanraking met brandnetels, vaak met +een klein vochtbevattend blaasje in het midden. Zij jeuken, vooral in +de warmte, en worden gewoonlijk door het kind opengeschuurd of +opengekrabt, waarna zij, onder vorming van een korst, genezen. + +Ook hierbij heeft men te letten op stoornissen in de spijsvertering. +Zij komen eveneens voor na insectenbeten. Ter behandeling kan men de +plekken wasschen met azijnwater of citroenwater, met een schijfje +citroen er overheen strijken; laten drogen en daarna poederen. Dikwijls +helpt het bestrijken met een stukje naphtholzeep, in water gedoopt, +zoodat eene laag schuim op de huid komt, welke men laat indrogen. + +Dauwworm is een vorm van eczeem, welke somtijds reeds vroeg optreedt. + +Deze uitslag begint, dikwijls reeds in de eerste weken na de geboorte, +meestal aan de wangen, en kan zich over het voorhoofd, over het gelaat +en het behaarde hoofd, in ernstige gevallen ook in de plooien van den +hals, in oksel- en knieholten en zelfs over het geheele lichaam +uitbreiden. De aangetaste plekken, waar de huid rood wordt en zwelt, en +waar kleine min of meer roodgekleurde verhevenheden ontstaan, welke +zich tot blaasjes ontwikkelen en na opening, door krabben of schuren, +een weinig vocht ontlasten, veranderen spoedig, door ineenvloeien en +uitbreiding in de omgeving, in vochtige vlakten, waarop zich korsten +vormen, welke de vochtige, vaak etterende, vlakken bedekken en waar +tusschendoor een troebel of etterig vocht heen siepert. Blijft de +aandoening beperkt, dan kunnen de kinderen er goed uitzien, doch bij +groote uitbreiding gaat zij gepaard met stoornis van het algemeen +welbevinden. Somtijds wijst de aandoening op geërfde neiging tot +huidaandoening, welke dan vaak het eerst in verband met de voeding +optreedt. Kinderen wier gestel neiging tot eczeem-vorming vertoont, +lijden ook gemakkelijk aan katarrhen van de slijmvliezen van neus, keel +en luchtpijpstakken, aan roode oogen, klierzwellingen in hals en nek, +aan stoornis in de spijsvertering, gebrek aan eetlust, beslagen tong, +loozen van winden, slijmige ontlasting; zij hebben meestal een +prikkelbaar zenuwstelsel en zijn bijzonder vatbaar voor kinderziekten. + +De aandoening kan van zelf tot genezing komen, vooral bij verandering +van voedsel, zooals b.v. bij den overgang van melk tot gemengden kost, +doch is gemeenlijk van langen duur en biedt vaak hardnekkig weerstand +aan de door den geneesheer toegepaste behandeling. + +Wijnvlekken. Somtijds wordt een kind geboren met min of meer blauwrood +gekleurde vlekken, welke overal op het lichaam kunnen voorkomen, doch +zeer dikwijls worden aangetroffen in den nek en aan het voorhoofd, aan +de grens van het haar. Zij kunnen vanzelf, dus zonder behandeling, +verdwijnen. Dit is niet het geval met de evens rood gekleurde + +Vaatgezwelletjes, welke, bij de geboorte somtijds heel klein, allengs +grooter worden en zich in alle richtingen, dus zoowel in de breedte als +in de diepte, uitbreiden en zich boven de omgevende huid verheffen. +Daarom is het aan te bevelen die zoo vroeg mogelijk te laten +behandelen. Uitbranden, of vaccineeren op die plek, kan misschien bij +geringe grootte een gunstig gevolg opleveren, de grootere vereischen +operatieve behandeling. + +Berg noemt men een zich op de behaarde hoofdhuid vormend mengsel van +huidvet, huidschilfers en vuil. De meening dat het, soms in vrij dikke +laag op de plaats van de groote fontanel gelegen, niet mag verwijderd +worden, met het oog op de gevoeligheid der hersenen, is volkomen +onjuist. De behandeling bestaat in weekmaken, door de plek des avonds +met olie in te smeeren, het hoofd met een doek te omwikkelen, en ’s +morgens met zeepwater te wasschen, tot alles verdwenen is. Bij herhaald +optreden, ondanks deze behandeling, bestaat vermoeden op ziekelijken +aanleg voor huidaandoeningen. + +Lengtegroei. De lengte van het kind neemt in den aanvang vrij langzaam, +daarna snel, tegen het einde van het eerste levensjaar weder langzamer +toe. Ziekte heeft daarop bijna geen invloed. De gezond ontwikkelde +jongen heeft bij de geboorte gemiddeld eene lengte van 50 cM. en groeit +in het eerste jaar ongeveer 20 cM.; voor het meisje gelden de cijfers +49 en 18–19 cM. Voor eene beoordeeling van den groei van het lichaam +hebben de verhoudingen van lengte, omvang van borst en schedel meer +waarde, dan de lengte alleen. De omvang van de borst, gemeten ter +hoogte van de tepels, bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 31–35 cM., +de omvang van den schedel gemiddeld 33–35 cM. Bij goed ontwikkelde +pasgeboren kinderen overtreft de omvang van de borst de halve lengte +met ongeveer 6–10 cM. Een hooger cijfer (11–12 cM.) wijst op krachtige, +een lager cijfer (5 cM.) op zwakke ontwikkeling. De omvang van den +schedel en van de borst zijn bij de geboorte ongeveer gelijk. Bij +normale ontwikkeling nemen beide gedurende eenigen tijd in dezelfde +mate toe (in 3½ maand 2,5 cM.). Indien de omvang van de borst in +mindere mate toeneemt, zou dit op rachitis wijzen (Bendix). + +Ontlasting. Verstopping komt zoowel bij aan de borst gevoede als bij +met de flesch gevoede kinderen voor; somtijds aangeboren. Zij is bij +borstkinderen van weinig belang. Het kan gebeuren, dat er slechts om de +twee of drie dagen ontlasting komt en dan òf heel weinig òf veel, en +dan vaak in den vorm van droge harde ballen, welke onder sterke +inspanning van het kind worden uitgedrukt. Daarbij ondervindt het kind +wel eens pijn en kunnen er scheurtjes in de aarsopening ontstaan, welke +bloeden, zoodat zich bloed aan de oppervlakte dier ballen bevindt. Het +kind heeft dan angst voor het ontlasten en tracht de ontlasting binnen +te houden, waardoor de verstopping toeneemt. Behalve pijnlijkheid bij +de ontlasting hebben de kinderen vaak een gevoel van jeuken en branden +aan de aarsopening. Vooral bij fleschkinderen komen die harde ballen, +geel, lichtgeel of grijsachtig gekleurd, voor, welke men gemakkelijk +uit de luier kan schudden. + +Men onthoude zich zooveel mogelijk van inwendig toe te dienen middelen. +Zoonoodig geve men een enkele keer wat wonderolie, b.v. een +theelepeltje vol. Beter is het een zoogenaamd zeeppilletje aan te +wenden, gemaakt door een stukje zeep ter dikte van een potlood en ter +lengte van 3 of 4 centimeter te snijden, of door wat geschaafde zeep +tot een balletje te kneden, en dat door de aarsopening in den endeldarm +te brengen. Indien dit niet helpt, zette men, b.v. door middel van een +gummi-ballon, een lavementje, waarvoor men eenvoudig lauwwarm water, of +lauwwarm water en olijfolie (van elk een eetlepel), of lauwwarme +olijfolie (twee eetlepels) of glycerine (een eetlepel glycerine en een +eetlepel water), of koud water gebruiken kan. Men legge daarvoor het +kind op de linkerzijde, met de knieën naar den buik opgetrokken, zoodat +de aarsopening goed te zien komt, brenge dan het aanzetstuk (de canule) +van het spuitje, goed met vaseline of olijfolie vetgemaakt, voorzichtig +door de aarsopening in den endeldarm en spuite den inhoud van het +spuitje vrij krachtig naar binnen. Bij fleschkinderen kan men meestal +verbetering brengen door de samenstelling van het voedsel te +veranderen, b.v. door minder melk te geven, door de melk te verdunnen +met gortwater, door in plaats van gewone suiker melksuiker toe te +voegen. Bij oudere kinderen kan men door toedienen van soep, groenten, +ooft enz. trachten aan het euvel tegemoet te komen. + +Diarrhee. Bij diarrhee komt de ontlasting te dun en te vaak, van 8 tot +wel 20 malen of meer per etmaal. De ontlasting komt dan, dikwerf +voorafgegaan door koliek-pijnen, met meer of minder sterk geluid te +voorschijn, kan zuur of rottend rieken, schuimend zijn en bloed +bevatten. De buik kan opgezet zijn of juist ingezonken. Vaak hoort men +voorafgaand rommelen in den buik. Bestaat er maag-katarrh, dan is de +tong beslagen. De kinderen zijn onrustig, schreeuwen zoowel omdat zij +pijn in den buik hebben als omdat de streek om de aarsopening en de +billen gesmet en open is. De eetlust wordt minder, het lichaamsgewicht +neemt niet toe of neemt zelfs af, de kinderen zien bleek en worden +slap, de hoeveelheid urine wordt minder. In ernstige gevallen bespeurt +men invallen en koud worden van het gelaat, vooral koud worden van +neus, armen en beenen; de kleur van het gelaat wordt vaak blauwachtig. +Het kind ligt stil en verdraait de oogen, wordt plotseling onrustig, +schreeuwt of gilt, beweegt de armen en beenen stootend, om dan weder, +vermoeid, rustig te worden. Het toenemen van de hoeveelheid urine is +een gunstig teeken. + +De oorzaak kan zeer verschillend zijn. Bij fleschvoeding is zij vaak te +vinden in onverstandig voeden, slechte reiniging van spenen en +flesschen, bedorven voedsel. Men denke echter ook aan ziekte van het +kind, als b.v. verkoudheid, infectie en zooveel meer, zoodat steeds de +hulp van den geneesheer moet worden ingeroepen. + +Om te beginnen kan men alvast iets doen, en wel het kind op dieet +zetten, het namelijk niet anders dan gekookt water of slappe thee +geven. + +De roode billen wassche men met olie af en poedere daarna. Luiers, en +alles wat met de diarrhee-ontlasting bevuild is, laat men in sodawater +weeken en uitkoken, om ze daarna te wasschen. + +Een gewoon verschijnsel is het optreden van dunnere ontlasting, +gedurende eenige dagen, als de ontlasting van de eerste dagen na de +geboorte (kindspek) tot de melkontlasting over gaat. + +Zoowel verstopping als diarrhee gaan wel eens gepaard met pijnlijke +uitzakking van een gedeelte van den endeldarm uit de aarsopening. + +Spruw noemt men eene in den mond optredende aandoening, teweeggebracht +door een schimmelplantje en kenbaar aan op de tong en op het +verhemelte, in de plooien der wangen, op tandvleesch en lippen +voorkomende witte of geelwitte vlekjes van verschillende grootte en +vrij belangrijke dikte, alsof vlokken van geronnen melk in den mond +zijn achtergebleven, waarvan zij gemakkelijk te onderscheiden zijn, +doordat men ze niet kan wegwisschen. Vaak staat de ontwikkeling in +verband met stoornissen in de voeding en kunnen zij verdwijnen, als die +worden opgeheven. Ook kan het aanwenden van dotjes of fopspenen de +ontwikkeling in de hand werken. Zij veroorzaken den zuigeling pijn, +waardoor het zuigen niet alleen bemoeilijkt, doch zelfs verhinderd +wordt. Als behandeling noodig blijkt, kan men de mondholte, maar vooral +die plekken, door middel van een penseel bestrijken met borax-glycerine +(Borax 2,5 gr. glycerine 10 gr.) b.v. 4 maal per dag, of de plekken +flink wegwrijven met een rein lapje, gedrenkt met brandewijn. De +hierdoor ontstane wondjes genezen spoedig. + +Stuipen noemt men aanvallen van spierkrampen. De kramp-aanval begint +met trekkingen in de spieren van het gelaat, waarbij het kind het +voorhoofd fronst, de wenkbrauwen samen-, de mondhoeken naar beneden +trekt, de kaken vast op elkander klemt, de oogleden opent en sluit, de +oogen verdraait of in een bepaalden stand plaatst, schokkende +bewegingen met het hoofd maakt, welke trekkingen overgaan op de spieren +van den romp en van de ledematen, waarbij de ademhaling onregelmatig +wordt, tijdelijk tot stilstand komt (men spreekt van „wegblijven” of +„achter adem komen”), kortom alle spieren en spiergroepen ten slotte de +krampen vertoonen, terwijl het gelaat eene bleeke kleur, daarna een +blauwe tint aanneemt, bewusteloosheid intreedt, urine en ontlasting +onwillekeurig geloosd worden. + +Men heeft gedurende den aanval zorg te dragen, dat het kind zich niet +bezeeren en, indien het tanden heeft, door een opgerolden doek of een +houtje tusschen de tanden te steken, zich niet op de tong bijten kan. +Terwijl men den geneesheer laat ontbieden make men de kleederen los en +legge men koude compressen op het hoofd, welke telkens verwisseld +worden, of wikkele men het inmiddels uitgekleede kind in een koud nat +laken en zette men een lavement van zeepwater. Inmiddels worde een +lauwwarm bad gereed gemaakt, waarin men het kind eene overgieting met +koud water geeft. + +Een afzonderlijke vorm is kramp van de stemspleet, waarbij het +ademhalen, lang gerekt, met groote moeite en gierend geluid geschiedt, +het kind, door gebrekkigen toevoer van lucht, blauw wordt en in het +grootste gevaar verkeert. + +De aanvallen verschillen in lengte van duur en in aantal; in ernstige +gevallen treden zij meermalen daags kort na elkander op. Na den afloop +van een stuip valt het kind dikwijls in een diepen slaap, met +rochelende ademhaling. + +Stuipen kunnen voorkomen bij kinderen met prikkelbaar zenuwstelsel, bij +aandoening van de hersenen, bij plotseling optreden van stoornissen in +de spijsvertering, bij het begin van acute infectie-zieken als de +koorts intreedt, bij kinkhoest of andere ziekten en staan niet zelden +in verband met Engelsche ziekte. + +Inzinking. Bij kinderen, die zwaar ziek zijn, treedt somtijds ineens +eene verandering in het uiterlijk op, welke men collaps noemt en +misschien het best wordt aangeduid met het woord „inzinking.” De huid +neemt dan plotseling een vaalgrijze kleur aan, terwijl het kind +onrustig wordt, de oogen verdraait, angstig kijkt, het gelaat blauw, de +punt van den neus en de ledematen koud worden, de buik opzet. + +Men geve het kind een kortdurend warm bad met koude overgieting en +brenge het daarna in zijn bedje, met warme kruik aan de voeten. Pas op +voor verbranding der voeten. + +Tanden krijgen. Het tijdstip waarop de eerste tand verschijnt en +vervolgens de andere doorbreken is wel is waar aan individueele +schommelingen onderhevig, doch men kan toch wel eenigermate aangeven, +wanneer en in welke volgorde zij gemeenlijk te voorschijn komen. +Bijgaande tand-formule geeft door letters aan, welke volgorde in het +meerendeel der gevallen bij gezonde kinderen wordt waargenomen. + + + g e f c b | b c f e g = bovenkaak + -----------------------+-------------------------------------- + g e f c a | a d f e g = onderkaak + ------ ----------------- ------ + kiezen hoek- snijtanden hoek- kiezen + tanden tanden + + +De eerste snijtanden (a. a.) breken tusschen de 7e en 8e of 9e, +somtijds reeds in de 4e, 5e of 6e maand door; de tweede groep (b. b. c. +c.) ongeveer 4 tot 8 weken later, de volgende groep (d. d.) tusschen de +10e en 12e maand. Dan volgen de voorste kiezen (e. e. e. e.) tusschen +de 12e en 15e maand, of later, tot de 18e maand; daarop de hoek- of +oogtanden (f. f. f. f.) omstreeks de helft van het 2e levensjaar en ten +slotte de achterste kiezen (g. g. g. g.) tegen het einde van het 2e of +het begin van het 3e jaar. + +Aan het einde van het eerste levensjaar zijn dus alle acht snijtanden +en aan het einde van het tweede of aan het begin van het 3e jaar alle +twintig melk- of wisseltanden te voorschijn gekomen. Deze tanden zijn +kleiner dan de blijvende tanden, de kauwvlakten zijn in verhouding +kleiner, zij staan meer rechtop en zijn blauwachtig wit van kleur. + +Afwijkingen in tijd en volgorde van het doorbreken komen vaak voor, ook +bij kinderen die gezond en goed ontwikkeld zijn. Die afwijkingen zijn +dus onverschillig als de kinderen goed gedijen. Alleen groote +onregelmatigheden zijn van belang, als mogelijk verschijnsel van +Engelsche ziekte. + +Bij het gezonde kind bespeurt men vaak niets van het tanden krijgen; +hoogstens zijn zij wat onrustig en huilerig. Soms kondigt het +doorbreken der tanden zich aan door zeer sterke afscheiding van +speeksel, kwijlen de kinderen sterk. Het tandvleesch is rood, gezwollen +en pijnlijk, op de wangen vertoont zich eene omschreven roode plek, al +of niet met blaasjes of puistjes bezet. Een of twee dagen van te voren +is het kind licht koortsig, zonder eenige andere afwijking, doch ook +wel met lichte stoornis in de spijsvertering, weekere vaker komende +ontlasting, lichte katarrh van neus en keel, geringe zwelling van +klieren aan den hals. Het kind gevoelt zich niet behaaglijk, is +onrustig en prikkelbaar, steekt telkens de vingers in den mond, heeft +minder eetlust en slaapt minder goed. De gevoeligheid en +prikkelbaarheid van het kind is dus verhoogd en tengevolge daarvan +kunnen dan ook schadelijkheden, welke op andere tijden geene uitwerking +hebben, hem ziek maken. Ook treden in enkele gevallen verschijnselen +van den kant der hersenen op, in den vorm van spiertrekkingen in het +gelaat en aanvallen van kramp, maar het is zeer verkeerd om alle +mogelijke ziekten, welke in dien tijd toch evengoed als op andere +tijden kunnen optreden, zooals b.v. huiduitslag, hoesten, diarrhee, +stuipen enz., als meer of minder onschuldige gevolgen of verschijnselen +van het tanden krijgen te beschouwen. Men moet dus niet te spoedig +zeggen: „O, dat is niets, dat komt van de tanden.” + +Vaak neemt het kind gedurende dien tijd niet of weinig in gewicht toe +of neemt het gewicht zelfs af. Aangenaam is het voor hem op iets hards +te bijten, waarvoor hem een beenen ring, of iets anders dat hard is, +mits daarbij groote reinheid betracht wordt, kan gegeven worden. Zulk +een voorwerp mag niet te klein zijn, om het gevaar van inslikken te +ontgaan. + +Nog wijs ik erop, dat de met het tanden krijgen van nature gepaard +gaande vermeerderde afscheiding der speekselklieren eene aanwijzing is, +dat men van dat oogenblik af ook andere spijs, dan uitsluitend melk, +kan toestaan. + +Uitzakken van den endeldarm. Als gedurende de ontlasting het slijmvlies +van de aarsopening of een gedeelte van het slijmvlies van den endeldarm +naar buiten komt, spreekt men van uitzakken van den endeldarm. Men ziet +dan de aarsopening omgeven door een blauwachtig-rood gekleurden dikken +ring, welke gespannen aanvoelt, of het hoogrood of blauwrood gekleurde +slijmvlies van den endeldarm een paar centimeters buiten de opening +uitpuilen. Behalve pijn en aandrang tot persen gevoelt het kind zich +goed. Deze afwijking komt minder bij zuigelingen, dan wel bij kinderen +in het tweede of derde levensjaar voor. + +De behandeling bestaat in het terugbrengen van de gezwollen deelen, +nadat de ontlasting is geschied. Daartoe legt men het kind op zijde of +plaatst men het in knie-elleboogligging, en brengt men het uitgeperste +gedeelte, met den met olie of vet besmeerden of met een in olie +gedrenkt lapje omwikkelden vinger, voorzichtig zoo diep naar binnen, +dat alles verdwijnt. + +De oorzaak kan gelegen zijn in verslapping van den endeldarm welke door +persen erger wordt, in verstopping of diarrhee, waar vaak drang tot +persen bij komt, in algemeene zwakte. Ook ziet men deze afwijking wel +eens in aansluiting aan vernauwing van de voorhuid bij jongens, en bij +kinkhoest. + +Bij oudere kinderen, die van een potje gebruik maken, kan het +voordeelig zijn het potje zoo hoog te plaatsen, dat het kind de voeten +niet steunen kan, zoodat de buikpers minder sterk werkt. Ook kan men +ze, op den rug op een ondersteek liggend, de beenen in de hoogte +heffen, opdat zij die niet kunnen steunen. In een warm zitbad komt de +ontlasting gemakkelijker en met minder pijn. + +Vaccineeren. De bedoeling van het vaccineeren of inenten is, het kind +te vrijwaren voor besmetting met het gif der pokken. Inderdaad verwekt +de inenting eene ziekte, doch van weinig belang, welke ziekte niet +besmettelijk is en den mensch in een toestand van onvatbaarheid voor +echte pokken brengt. Aangezien deze onvatbaarheid van betrekkelijk +korten duur is, ongeveer tien jaren, is het noodig de vaccinatie nu en +dan opnieuw te verrichten. + +Het proces verloopt als volgt. Nadat de inenting verricht is, genezen +de gemaakte wondjes in de eerste dagen gewoonlijk zonder eenig +verschijnsel. Daarna treedt om het genezen wondje een rooden hof op en +vormt zich eene kleine verhevenheid, een puistje, dat op den vijfden +dag in een blaasje overgaat, welk blaasje, in grootte toenemend, in het +midden een deukje draagt. Oorspronkelijk met witachtigen glans wordt +het blaasje tusschen den zevenden en negenden dag geel, de inhoud +etterig en de omgeving min of meer gezwollen, met helroode +ontstekingskleur, op aanvoelen warm. De ontwikkeling van deze pokpuist +bereikt haar hoogtepunt tusschen den negenden en elfden dag. Dan +verdikt zich de etter en droogt in, waarna zich, tusschen elfden en +achttienden dag ongeveer, terwijl zwelling en roodheid der omgeving +minder worden, een korst vormt, welke na eenige dagen afvalt, met +achterlaten van eene roodachtige plek, welke allengs verbleekt, zoodat +omstreeks het einde van de vierde week alles voorbij is. Liggen de +puisten dicht bij elkander, dan loopen zij ineen en is de zwelling +belangrijker. + +Om de puisten tegen letsel, ook door krabben, daar de zwelling met jeuk +gepaard gaat, en tegen infectie te beschutten, bedekt men ze b.v. met +een lapje steriel gaas, met boorvaseline bestreken, vastgehouden door +een of ander verband. Om krabben en schuren te verhinderen kan men de +beweging der armen tijdelijk belemmeren, door de mouwtjes met +veiligheidsspelden aan de borstkleeding vast te maken, of op andere +wijze. + +Behalve deze plaatselijke kunnen zich ook algemeene verschijnselen +voordoen. Sommige kinderen blijven er vrij onverschillig onder, andere +worden gedurende eenige dagen lusteloos of kribbig, hebben minder +eetlust, nog andere krijgen een uitslag over het geheele lichaam, in +den vorm van kleine roode vlekjes en puistjes. + +Alleen gezonde kinderen mogen ingeënt worden. In het algemeen kan men +zeggen, dat het de voorkeur verdient de kinderen zoo vroeg mogelijk in +te enten, omdat zij dan minder gevoelig zijn. Meestal gebeurt het niet +voor de zesde levensmaand, waarop men evenwel in tijden van epidemieën, +welke echter na het invoeren der vaccinatie zelden en nooit meer in +groote uitgebreidheid worden waargenomen, natuurlijk eene uitzondering +maken zal. Het jaargetijde waarin men vaccineert is onverschillig. + +Vernauwing van de voorhuid. Bij pasgeboren jongens is de eikel +gewoonlijk samengekleefd met de voorhuid, eene tijdelijke verbinding, +welke na korten of langeren tijd van zelf wordt opgeheven, zoodat +behandeling onnoodig is. De voorhuid is altijd zoo nauw, dat het niet +gelukt die over een groot gedeelte van den eikel terug te schuiven. Ook +dit wordt op den duur anders. Intusschen kan het gebeuren, dat er +tusschen eikel en voorhuid eene lichte ontsteking optreedt, ten gevolge +van ontleding van de vettige stof, welke door daar ter plaatse +aanwezige kliertjes wordt afgescheiden. Dit kan aanleiding geven tot +dikwijls en pijnlijk urineeren, vooral als de opening van de voorhuid +bijzonder nauw is, waarbij de zuigeling onrustig wordt, eene hoog-roode +gelaatskleur krijgt en heftig schreit, terwijl de urine met een dunne +straal te voorschijn komt en de voorhuid, als de urine tusschen eikel +en voorhuid dringt, als een ballon wordt uitgezet. Dan is eene operatie +noodig. + +Bij eenvoudige lichte ontsteking zonder meer is het voldoende de +voorhuid stomp los te maken en alles te reinigen. + +Zindelijk maken van zuigelingen. In den laatsten tijd wordt aangegeven, +dat men den zuigeling reeds heel vroeg kan leeren zijne behoeften op +het potje te doen. Van den tweeden dag af laat men, volgens het +voorschrift, het kind het potje even voelen, door het languit op den +schoot te leggen, de beentjes met de linkerhand in de hoogte te houden +en met de rechterhand het potje onder de billetjes te plaatsen. In de +eerste dagen zonder eenig gevolg, zou het kind, bekend geworden met de +aanraking van het koude potje, reeds in de tweede week de bedoeling +daarvan vatten en zijne behoefte daarin doen. Dit geldt zoowel voor de +urine als voor de ontlasting. Indien dit op geregelde tijden gebeurt, +zou het kind al spoedig zelf de regelmaat vrijwel inachtnemen en in de +vierde week de luier niet meer bevuilen. In den beginne kost het veel +tijd, doch dat wordt spoedig anders. Geduld en tijd kunnen zonder +twijfel ook hierbij veel doen bereiken en de daaraan besteede moeite +loonen. In ieder geval bewijst het, dat de moeders zeker vroeger met +het zindelijk maken kunnen beginnen, dan tot nu toe de gewoonte was. +Het beste oogenblik zal wel dat vóór de voeding zijn. + +Zitten, staan en loopen. Terwijl het kind met 5 of 6 weken, als het op +den buik ligt, het hoofd flink vermag op te heffen, begint het dit in +de 3e maand ook reeds in andere houding te doen en kan het in de 4e +maand het hoofd reeds ophouden. Van de 6e maand af met steun, kan het +in de 8e maand zonder steun zitten. Voor de 6e maand kan het het hoofd +reeds in alle richtingen bewegen, zich op de zijde of op den buik +draaien. Zoolang het hoofd bij het opnemen nog heen en weder schommelt, +moet het kind nog in liggende houding verblijven, doch als het zich +gaat oprichten, waarbij men het wel eens helpen mag, en het hoofd +vermag op te houden, mag men het, als het de kracht daartoe bezit, op +den arm dragen. Reeds na een paar weken sluit het de vingers om een +voorwerp, dat men hem in de hand geeft, begint dit al spoedig vast te +houden en grijpt omstreeks de 6e maand naar elk voorwerp, dat men hem +voorhoudt. In de 9e maand begint het pogingen aan te wenden om, hier en +daar in zijn bedje steun zoekende, zich op te richten en te gaan staan, +hetgeen hem al spoedig gelukt. Indien het kind dit van zelf doet, laat +men hem begaan, zonder vrees te koesteren dat hij daardoor kromme +beenen zal krijgen, maar wel moet men zich onthouden hem te willen +oefenen, door hem op de beenen te zetten. Men late alles aan hemzelf +over. Tegen het einde van het eerste levensjaar begint het kind, +terwijl het een houvast zoekt aan stoel of andere vaststaande +voorwerpen, reeds te loopen, alras eenige schreden, zonder dien steun +en aan de hand gehouden, te doen, om gewoonlijk zeer vlug alleen te +loopen. Als het kind valt, zal het beginnen te huilen. Men doet dan +verstandig hem niet met lieve woordjes en aanhalingen tot bedaren te +brengen, doch er niet op te letten of te trachten hem af te leiden door +zijne aandacht op iets anders te vestigen. + + + +Voor den gezonden zuigeling is het een genot om slechts weinig gekleed, +liever nog geheel naakt, te liggen spartelen. Men kan hem dit genot +gemakkelijk verschaffen, door hem in een, niet beneden 15,5° C. (60° +F.), verwarmd vertrek gedurende vijf tot tien minuten op een kussen of +een matrasje te leggen. Hij oefent daarbij zijne spieren, neemt tevens +een luchtbad en ook de moeder geniet ervan. + +In den zomer kan men hem, bij goed weder, reeds in de tweede week in de +buitenlucht brengen, op heel mooie dagen zelfs vroeger. In den beginne +is het goed hem te dragen, doch dan mag hij niet te warm gekleed zijn. +Weldra mag hij in eene goed-veerende wagen uitgaan. In het warme +jaargetijde kan hij ook in den tuin of op de veranda, in wieg of wagen, +buiten liggen, tegen zonlicht en tocht beschut. In den winter mag hij +ook wel buiten gereden worden, in de middaguren, als de zon het hoogst +staat, doch niet zoo vroegtijdig als in den zomer, en zeker niet als +het winderig of nat weer is. + +Het is de vraag of het niet beter is om den jongen zuigeling, in den +laten herfst, in den winter of in de eerste voorjaarsmaanden geboren, +in een verwarmd goed gelucht vertrek te houden, dan hem aan de dikwijls +snel wisselende weersveranderingen, welke in dien tijd aan ons klimaat +eigen zijn, bloot te stellen. Vele geneesheeren achten dit +verkieselijk. + + + + + + + + +HET EEN EN ANDER OMTRENT BIJGELOOF, VOLKSGEWOONTEN, ENZ. BIJ +ZWANGERSCHAP, BARING EN IN HET KRAAMBED. + + +In het eerste gedeelte was er sprake van het belang voor de aanstaande +moeder om ten minste eenigermate te weten, hoe ongeveer de verhouding +is van de deelen van haar lichaam, waarin zoowel de bevruchting +geschiedt als waarin het bevruchte eitje zich ontwikkelt. Er werd op +gewezen, dat het kind gelegen is in een spierachtigen zak, de +baarmoeder, waarboven de darmen en de maag, eveneens een zakvormig +orgaan, zich bevinden, en dat die allen door het middenrif gescheiden +zijn van de borstholte, waar binnen het hart en de longen liggen. + +Dikwijls hoorde ik de opmerking, dat het braken gedurende de +zwangerschap zou te wijten zijn aan het feit, dat de hoofdharen van het +kind de maag kriebelden. Zelfs met het weinige, dat ik omtrent de +ligging der organen in de buikholte mededeelde, zal iedereen kunnen +begrijpen, dat die verklaring allerbespottelijkst is. Eene andere +opmerking, welke vaak gehoord wordt, is deze, dat de moederkoek aan het +hart vastgegroeid was. Eene enkele overweging van de natuurlijke +ligging der genoemde deelen in het lichaam der zwangere vrouw, doet de +dwaasheid van zulk eene opmerking in het oog springen. + +Dergelijke beweringen en opvattingen worden telkens weder met grooten +ernst en zekere voorliefde geuit. Het nu volgende, indertijd geschreven +met de bedoeling om te trachten den oorsprong van enkele daarvan te +ontdekken, heb ik gemeend in dit boek te moeten opnemen, in de hoop +daarmede, zoo het kan, een einde te maken aan verhalen en verdichtsels, +welke menige zwangere vrouw in niet geringe mate angst en vrees kunnen +aanjagen. + + + +Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang +geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden +was, mij zeide: „Aan al dat ouderwetsche doe ik niet meê, maar m’n +haren kammen, dat durf ik niet. En omdat ’t zoo viezig wordt en er +zoo’n onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine +op. Maar vies is ’t wel, m’n haarspelden roesten er in.” + +Al dat ouderwetsche! Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de +kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het bevuilde lijfgoed +tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan +nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet +ver verwijderde tijden en gewoonten. + +Mijne patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen +dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloedstorting. Anderen +verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou +slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons vaderland? + +Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet +gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den +buik slaan. + +Tot welke toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk +leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel- en stadsverloskundige +te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. „Eene vrouw die ik in +bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost”, +zegt hij, „bezocht ik den 8sten dag daarna.” De patiënte woonde op 2 +uren afstands van zijne woonplaats. „Zij was in dien tusschentijd onder +behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eenen Med. Doctor, die +haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de +walgelijkste stank te gemoet, en vond ik haar in den deerniswaardigsten +toestand; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de +verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien +tijd ontlaste urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken +koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit +verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen +ongehoorden toestand en dat zij een nietig klein vrouwtje was, is alles +zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en +voorspoedig gekraamd en leeft nog”. Tot zoover zijn verhaal. + +Onwillekeurig vraagt men zich af, of er eenige reden bestond voor de +vrees, dat reiniging der kraamvrouw schade zou kunnen berokkenen en of +die reden uit het volk zelf, dan wel uit de geneeskundige wetenschap +kan ontsproten zijn. + +Het is buiten twijfel, dat veel, wat wij uit den mond der leeken +hooren, een overblijfsel is van hetgeen vroeger in de geneeskundige +wetenschap gangbaar was en dikwerf langen tijd den geneesheeren tot +grondslag van hun weten en handelen diende. Is het wonder, dat, waar +zij zoo lang vasthielden aan oude leerstellingen, de leek daarvan nu +nog geen afstand heeft gedaan; dat bij de leeken van dergelijke +beschouwingen nog velerlei is blijven voortleven, waar de wetenschap +haren dienaren ander en beter inzicht gaf? + +Het schijnt mij toe, dat wij, ter verklaring der vrees voor reiniging, +dat zog in het hoofd of in den buik zou slaan, moeten teruggaan tot de +tijden van Hippocrates (geboren 460 j. v. Chr. op het eiland Kos). Wat +hij, zijne scholieren en navolgers, hebben gedacht en geleeraard, +vinden wij neergelegd in de geneeskundige geschriften welke den naam +van Corpus Hippocraticum dragen. Kortheidshalve wordt gewoonlijk, bij +de aanhaling van die geschriften, alleen van Hippocrates gesproken, +omdat hij de voornaamste was, „onze leermeester” zooals 400 j. n. Chr. +Oribasius hem noemde. Zijne leer is door alle tijden heen van grooten +invloed op de geneeskunde geweest. + +Voor Hippocrates dan was de kraamzuivering van het grootste gewicht. +Stoornissen in de uitscheiding dier vloeistof werden in nauw verband +gebracht met ziekten in het kraambed. De kraamzuivering werd +voorafgegaan door de uitscheiding eener vloeistof, welke hij ichor +noemde. De daarover handelende plaats wordt als volgt vertaald: „Na de +geboorte van kind en nageboorte, vloeit eene bloederig-waterige +vloeistof weg, welke van het hoofd en van het overige gedeelte van het +lichaam komt en uitgescheiden wordt door het geweld, den arbeid en de +hitte (gedurende de baring), en welke als inleiding van de +kraamzuivering te beschouwen is.” + +Waarom de kraamzuivering zich vertoont, wordt aldus verklaard. „De +kraamzuivering treedt op, omdat bij de zwangerschap van een meisje +gedurende de eerste 42 dagen, bij die van een jongen gedurende de +eerste 30 dagen, slechts zeer weinig bloed tot voeding van het kind +naar beneden gaat—omdat anders het jonge vruchtbeginsel zou verstikken. +Na dien tijd evenwel vloeit, tegelijk met vermeerderde pneuma-opname +[9], tot aan de geboorte eene grootere hoeveelheid bloed toe. De +reiniging moet dus in de kraamzuivering teruggegeven worden, en naar +buiten afvloeien, naar de orde der dagen” + +Dit is, zoo gezien, vrij onverstaanbaar. Maar als men weet, dat een der +Grieksche benamingen van kraamzuivering ook gebruikt wordt voor de +menstruatie, dan ligt het voor de hand, dat waar van de leer der +levensverschijnselen in het kraambed, en de afwijkingen daarvan, sprake +is, met dien naam bedoeld is het menstruatie-bloed, dat in den eersten +tijd der zwangerschap niet door het kind gebruikt werd, zoodat de +kraamzuivering daarvoor in de plaats treedt. + +In dezen gedachtengang ligt ook de grondslag voor de opvatting, dat de +duur der kraamzuivering na de geboorte van een jongen 30 dagen, na de +geboorte van een meisje 42 dagen duurt, d.i. naar de orde of naar den +regel der dagen. + +Om dit alles te begrijpen is het noodig na te gaan, hoe Hippocrates +zich de vorming der vrucht voorstelde. Het voortplantings-product van +de vrouw is voor hem niet het ei, omdat zoowel het ei als de eierstok +hem onbekend waren, maar, evenals bij den man, het zaad. De bevruchting +bestaat in het samenkomen van het zaad van man en vrouw. Dat zaad wordt +uit het geheele lichaam, uit vaste en weeke deelen en uit alle +vloeistoffen—n.l. de vier Hippocratische vloeistoffen: bloed, gal, +water en slijm—afgescheiden, grootendeels uit het hoofd, van waar het, +langs de ooren naar het ruggemerg geleid wordt. + +Is het zaad van man en vrouw in de baarmoeder gekomen, dan wordt het +door de lichaamsbewegingen der vrouw vermengd en door de warmte tot +elkander gebracht en verdikt. Daarna neemt het pneuma op, omdat het op +eene warme plaats ligt, door de ademhaling der vrouw. Het pneuma baant +zich, nadat het verdikte zaad er mede gevuld is, een weg naar buiten. +Dadelijk neemt het zaad weder nieuw, koud pneuma van de moeder in zich +op, door de scheur waardoor het vroegere ontsnapt is. Op die wijze +wordt het vruchtbeginsel gevoed. + +Het van pneuma doordrongen zaad omgeeft zich met een vlies, +waardoorheen zich, tot in het midden van het vruchtbeginsel, een weg +voor het pneuma vormt, langs welken weg het in- en uittreden kan. Deze +weg is blijkbaar de navel. + +Maar door het vlies treedt ook bloed naar binnen. + +Dit bloed is het menstruatie-bloed, dat, na de bevruchting, niet meer +naar buiten afgescheiden wordt, maar, langzamerhand uit het geheele +lichaam in de baarmoeder komende, het vlies omgeeft, en, tegelijk met +het pneuma, door het vlies ingezogen wordt. + +Bij de aldus plaatsgrijpende voeding, door pneuma en bloed, komt +geleidelijk, onder vorming van de stoffen waaruit het vruchtbeginsel +bestaat, door het pneuma de scheiding der weefsels tot stand. Na de +splitsing, in ledematen en organen, is dan een kind ontstaan. + +De duur van dit ontstaan, gerekend van het vastworden van het +zaadmengsel af, is bij meisjes hoogstens 42 dagen, bij jongens +hoogstens 30 dagen. + +De oorzaak van de latere splitsing bij meisjes is te zoeken in haar +ontstaan uit zwakker en vochtiger zaad. + +Bij het toenemen van de hoeveelheid bloed in de baarmoeder neemt ook +het aantal vliezen toe, welke dun zijn, met elkander door banden +samenhangen en, evenals het eerste vlies, van de navelstreng af +uitgespannen zijn. In deze vliezen, vooral in het meest naar buiten +gelegene, ontstaan holten, in welke het moederlijke bloed, dat het +ademende vleesch voeden moet, binnen dringt. Nu heet dat alles chorion, +waarmede hoogstwaarschijnlijk de nageboorte bedoeld wordt. + + + +Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de +stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven +uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als +wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het +vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging +zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten +af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn. De +gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer +vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en +dranken in de darmen, en komen door de aderen in de verschillende +stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaam worden overgebracht. +Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het +slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met +de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij +het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en +pisweg. Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of +is de nieuwe vloeistof in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft +dat kwade gevolgen. + +Het achterblijven van de kraamzuivering heeft dus, daar de uitscheiding +voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte +gevolgen. + +Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden +genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den +baarmoedermond. + +Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a. teweeggebracht +wordt door koude, dan komen wij reeds eenigermate tot eene verklaring +van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals +die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en +het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie. + +Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of +buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leert omtrent den +oorsprong van het zog. + +Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar +weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van +de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van +zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de +borsten eene geheel lijdelijke rol. + +Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij, +beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op. Die melk komt +daarin door druk van de zwangere baarmoeder. Door dien druk wordt het +meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in +het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt +door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen, +voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van +gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze +opzwellen. + +De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar +bereiden die niet. + +Dit kan ook gebeuren bij niet-zwangeren. + +Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet-zwangere +vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar +het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het +menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd. Die opvatting wordt +gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de +Yajur-Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan +de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de +borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele +deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt. + +Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij +sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de +geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang +van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij +de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip +van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door +oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten, +gemakkelijk ingang vond. + +Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke +opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen +sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden +zakken van de melk. + +In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere +opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard +worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet +aan de moederborst wilde leggen, vóór dat de kraamvrouw gewaterd had, +omdat—zooals zij zeide—het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates +rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is +een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de +melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging +daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit +geval de urine, mogelijk moest geacht worden. + +Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de jongeren, +zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er +menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar +beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst +mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan +opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge +het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek +aan kennis van eigen lichaam en de verrichtingen daarvan, dat wij ook +nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met +vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken +in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd +schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij +20ste-eeuwers trotsch zijn. + +Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte +gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is +in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der +moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig +weenen? + +De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds +eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land +en daarbuiten nog ten huidigen dage zouden kunnen neergeschreven +worden. Zoo zegt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer +afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de +zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is +uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband +zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van +vet gedurende de zwangerschap. + +En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het +kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het +grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg. + +Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur-Veda wordt reeds gezegd, +dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder +letsel kreeg, dezelfde werking vertoont. + +Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en +haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken +of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of +wortelen schraapt, of iets kookt, dat spat, wist de baker mij dadelijk +te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een +harer kinderen had waargenomen. Maar ongeloovig schudde zij het hoofd, +toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het +kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat +het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de +zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na +de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der +patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór „de +negen dagen” de nagels te knippen, omdat .... eene vloeiing of storting +daarvan het gevolg kon zijn. + +Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige +belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken. Ik bedoel het +verzien der zwangeren. Welke de invloed zijn kan van voortdurende +prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet +met een enkel woord uit te maken. Evenmin kan men steeds een afdoend +antwoord geven op vragen, die ons, naar aanleiding van—naar het +heet—met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden. + +Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de +zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog. +Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het „Houwelijck” +van Jacob Cats. + + + „Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten, + Dat niemant door het huys misschien en kome setten + Yet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt + Dat ons het ooge terght, en soo de sinnen steelt. + Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken, + Of met een snellen schrick ons in de leden trecken, + En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept, + En van de reyne trou de soete vruchten raept. + Wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen + Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen: + En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont + Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont. + ’T is bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken, + Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken: + Hoe onverwachte schrick tot aen de vrucht belent, + En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent. + Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten + Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten; + Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest, + Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest. + De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren + Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren, + Om even als het schaep zou paren metten ram, + De plecken van het hout te drucken in het lam. + Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen, + Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen: + Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt, + Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt. + Hier door ist wel gebeurt dat yemand van de Moren + Vont in voor-leden tijt een witte vrucht geboren; + Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer + Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer. + Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden, + Wiens man haer niet en weeck in onbeschofte leden, + Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant, + Een peerel van de stad, en wonder in het lant. + Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen, + En namen in den arm, of met den vinger wezen, + Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret, + En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet: + Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden, + En sagh de schoone verw, onseker van de reden; + Dies gincker over-al een spreucke door de stadt, + Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt. + Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen + Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen. + Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet + Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset. + Hij vont een ledekant behangen met gordijnen, + Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen: + Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan, + En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen. + Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen, + Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen. + De meyt die loopter om soo veerdigh als se kan, + En brenghtet in de sael, en geeftet aen den man. + Die gaettet metter daet omtrent de beelden setten, + Die maent een ieder aen hier op te willen letten: + En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck, + En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck. + Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen, + Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen: + En hoe een diep gepeys, door onbekende macht, + Het ingenomen beelt kan prenten in de dracht. + Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen, + De vrou heeft metter daet haer eere we’er gekregen: + En waer doen eenigh paer te samen wert geset, + Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt.” + + +Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling gedaan omtrent het +verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een +jongen, die over het geheele lichaam behaard was, welke buitengewone +haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder +inwerkenden prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen +knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand +tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam. +’s Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel +koelen, doch het dier, al even weinig op een dracht slagen belust als +de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man +duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van +een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had. + +Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal +mededeelen, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in +de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die +beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn +langzamerhand als gemeen goed overgegaan in het denken der volken, en +waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende +wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of geheel +verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken +telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel +gebleven. + +Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de +overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren +zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit +oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de +Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig-Veda (± 1500 +jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur-Veda, welke van lateren datum +is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school +van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere +geneeskunde. + +Zeer zorgvuldig zijn b.v. in de Yajur-Veda de voorschriften over de +gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde +beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet +alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot +het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde) +vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke +eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding, +overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt +daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der +zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en +Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader Cats +in dichtvorm neergeschreven zagen. + +Wel is waar wordt in de Yajur-Veda niet gesproken over het verzien der +zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de +waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat +onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke, +wanstaltige voorwerpen aan te raken. Volgens Fassbender wordt hierover +door de Hippocratische geneesheeren niet gesproken. + +Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den +behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote +hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen +voortzetten. + +Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook +met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen +bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en +bijgeloof grenzen of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof +als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal +schijnt het vreemde meer eene meening, eenmaal uit ervaring opgedaan, +bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten +voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd. Zeker is het, +dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat +samenhangt met ’s menschen intrede in de wereld; meeningen, welke +moeten dienen om het geheimzinnige en onbekende te verklaren, terwijl +het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel, +als ’t kan, nog geheimzinniger maken. + +Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is +iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de +natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed, +welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is +dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat +bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden +veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels +als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende +vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede +geesten, die zich het lot dier bedreigde vrouwen aantrekken. + +Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede +geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn +onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij +medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren. +Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in +dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht. +Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te +zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog. + +Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te +roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen +of met medewerking van heiligen. + +De toevlucht tot die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap +en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der +zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting +der godheid. + +Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zooals die b.v. +bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van +Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als +zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here (Juno) en +Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia, de Juno der baring, is +Lucina de licht- en vooral levenbrengende godin der Romeinen. Haar ter +eere werd op den 1sten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders +zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om +een talrijk kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen. +In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal, +waarin een kind ligt; of wel zij houdt die hand uitgestrekt, als ’t +ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene +schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende. +Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de +andere hand. + +De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling. Dat herinnert +ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den +Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den +Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in +woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel +van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in de handen, +waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten +bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in het +geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en +de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken. + +In Jordan’s Edda komt een lied voor, Oddrun’s klacht (Oddrûnargrâtr) +geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun +voldoet aan dat verzoek. + + + „Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee + Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun + Wirksame Weisen, gewaltige Weisen + Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.” + + +Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoordt: + + + „Führwahr nicht die weil du dessen würdig + Neigt’ ich mich nieder, aus Not dir zu helfen; + Nur mein Gelübde hab’ ich geleistet, + Das ich anderwärts aussprach; allerorten + Beistand zu bieten (gebärenden Frauen), + Als hier das Erbe die Edlinge teilten.” + + +Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage +aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche +sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto +kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals +hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor +de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de +Hera der geboorte (de Romeinsche Juno). + +De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging +eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om +eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs +offerden de vrouwen haren gordel aan Artemis, alsook de eerste +kleedingstukken harer kinderen. + +Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij +gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt +en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De +beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar +op godsdienstig gebied inneemt, waardoor de grens, welke tusschen +geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt. + +In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in +enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de +zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze +geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan ’s nachts door oudere +vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap +te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te +naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij ’s morgens in een daarvoor +opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water, +bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men +het afbeeldsel van een man, op de andere dat eener vrouw gemaakt, de +personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van +Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te +Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden +dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men +verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon +als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een +smal, zonder naad geweven kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt +de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De +buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten +vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna +hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert. +Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens +neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de +zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even +spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de vrouw naar +huis gebracht en volgen feestelijkheden. + +Dit gebeurt bij de eerste zwangerschap. In de volgende maanden worden +dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot +het kind ter wereld gekomen is. + +Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke +waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt door de afbeelding op de +kokosnoten, is dus overal te vinden. Daaraan hechtten ook de vrouwen in +Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van +door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus, +Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd. + +Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten +levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de +revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog +droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest wel zijn stempel drukken op +het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om +eene wereldomwenteling te maken. + +Maar genoeg hiervan. + +Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht +wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge +moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene +godsdienstige handeling denken. Voelt eene vrouw op de Seranglao- en +Gorang-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den +priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen +wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er +driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koran te bidden, welke +luidt: „In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige +God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem +gelijk.” + +Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en +het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde +moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan +den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen +hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om +zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen +dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den +draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen +Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in +wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der +baarmoeder, hangen. + +Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de Japansche vrouwen om, +kort voor de baring, een stukje papier in te slikken, waarop de +schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene +gemakkelijke bevalling te verkrijgen. + +Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de +zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel +afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te +maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere +vrouwen in den Johannisnacht, bij het Baalsfeest of het Balderfeest, +met hetzelfde doel door een vuur liepen. + +Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der +teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in +de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin +van het kraambed). Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in +den omtrek van Szeged, b.v. in Szőregh, gedurende zeven dagen. + +De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de +richting van de maan, en zegt: + + + „Heilige moeder Gods, + Sta mij bij in den nood; + Bescherm de vrucht mijns lichaams, + Opdat zij groeie als de maan.” + + +Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het +gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte +leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls +het gelaat besmeren. + +Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle +volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en +sympathetische middelen. + +Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen +aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet +zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij ’s avonds, als het +regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den +Walao-lati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt +opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd +der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig +haar zou krijgen, dat ruw en kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal +het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten +tijd leven. + +Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis +verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze +geesten de vrucht niet kwellen. + +In Rusland is het geloof aan den „boozen blik” zeer verbreid. Maar +vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het +booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet. + +Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting. +Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten- +of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën, +korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en +slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz. + +Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet +storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en +ligging van het kind? + +Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door +zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten +worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken. Daarom mogen op vele +plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of +matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de +navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen +(omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te +lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals +legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats +te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling. +Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in +de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet +spint of haspelt? + +In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een +gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de +navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou +daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den +halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van +het kind bestaat. + +In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de +moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzelfde zal +geschieden, als zij op een watervat gaat zitten. Welk verschil bestaat +er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de +openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat, +door een bamboe of in een flesch mag zien, en de Servische vrouw, die +niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het +kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn? + +In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends +ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden +adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende +bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan +haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover +en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de +nabijheid eener druppende dakgoot watert. + +In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen, +wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vallende +ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het +kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot +superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan. + +Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in +gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige +optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood +kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet +sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm. +Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf +werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken, +geen linnen bleeken, geen hout hakken. + +Bekend is het, dat, ook in ons land, de meening heerscht, dat eene +vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf +bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz., zou +optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het +kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt. + +Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw +staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook +wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is. +Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel, +als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt. + +Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de +Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten, +omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten, +waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel +schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de +nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de +moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met +den buik tegen kachel of fornuis te leunen. + +Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij +gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit, +en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de kinderen òf +zouden ontbreken òf wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw +de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze +verbranden, anders zal het kind zachte beenderen krijgen. + +Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de +vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een +probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten +Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en +voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de +ooren te leggen. „Raad uit hoogen stand!” voegt hij hieraan toe. +Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd, +dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid +geplaagd werden en met recht „vuil” genoemd kunnen worden. + +De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v. in Indië +met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten +is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli’s Max Havelaar vinden +wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien, +vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende +oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. „Hij legde zijn vinger +in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den +pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh’s +moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje.” + +Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van Java, staat niet +zoo ver af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van +teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde +(Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen +in de Edda) tot Siegfried: + + + „Um Wunden warten und heilen zu wissen + Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen. + In die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner + Ruten Rinde lerne sie ritsen”, + + +wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht? + +De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur-Veda +bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden, +omdat anders de kinderen met lichaamsgebreken zouden geboren worden. +Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de +ontwikkeling van het kind, twee harten in zich draagt. In een leerboek +over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden +der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in +de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of +Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn +begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou +ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche +uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht +onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer +prikkelbaar is. + +Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde) +berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de +spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel. Daardoor treedt zoowel +weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei +vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst +uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene +ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch +ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt +voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven. Maar hiermede zouden +wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze +bedoeling niet is. + +In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den +lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam +te bijten. De schrijver voegt daarbij: „Het is een zeer gemeyne saecke, +dat sommige lust hebben om t’ eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen +garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de +vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder +aen ’t lichaam krijget.” + +Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare +zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan +dagelijks handen vol gebruikte. Joh. van Beverwijck (1664), zou het +haar ten strengste verboden hebben. Immers zegt hij in zijne Wercken +der Genees-konste: „Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere +vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in ’t sevende +boeck van de Historye der Dieren op ’t vijfde Capittel, als de selvige +te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren.” + +Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders. +Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter +wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt +men ook eene onbewuste aanwending van de Prochownick’sche dieet-kuur. +Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk +ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of +gebruiken slechts ongezouten magere spijzen. + + + +Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht het kind, +waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog +allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg +van waarnemingen te zijn. + +Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken, +dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangeren, die +vlekken in ’t gelaat hebben, een meisje, die eene goede gelaatskleur +behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere +kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich +eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat +in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen +of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van +een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een +meisje juist andersom. + +Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was +o.a. de volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren +uitgegoten. Stolt het zog, dan zal een jongen geboren worden, als het +wegvloeit een meisje. + +Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens +zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes +(menigvuldiger) in de linkerzijde. + +Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen +rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de +geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de +pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op +het geslacht van het kind. Uitgaande van de vooronderstelling, dat de +rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het +geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje +wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk +afsnoeren of in de hoogte houden. + +In het algemeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intreden +der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan +de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het +tegenovergestelde geval van meisjes. + +Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen +verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op +de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op +linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische +opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene +streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de andere +juist de linkerzijde-ligging genomen. + +Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de +jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontstaan +zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de +eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus (± 300 j. v. +Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als +vrouwelijke testikels. + +In een boekje getiteld Siphra en Pua of onderwijzing in de vroedkunde +enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in +Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar +1753 lezen wij: „Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur, +en roode vlakken in het aangezigt heeft, en ’er dus ontstoken uitziet, +vroolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij +van een’ zoon bezwangerd is; daarentegen als zij ’er bleek uitziet, +vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger +gaat.” + +In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: „De Vrouwen die +een Sone dragen, zijn veel dunder, ende aen de rechter kaecke wel +geverwet, ende niet soo bleeck.” Nog wordt daar gemeld: „Als nu een +Vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder +beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge. De +rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel +van dese verandert eer dan van de slincker borst.” + +Dit is ontleend aan Hippocrates. Volgens hem is de borst aan de zijde +waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en +helderder. + +„De vrouwe krijget oock veel eer melck, ende als men dat in een +glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t’ samen gelijck een +rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh +Peerlken. Als men sulcken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe, +vallet terstont te gronde; als men sout daerbij doet soo en schey dat +hem niet.” + +Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet +ik niet, maar als wij lezen van eene vrouw, die van een jongen zwanger +is: „Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel” en „Maer +sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget, +altijdts in ’t gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil +opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter +slincker handt,” dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde +teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der +ongeboren vrucht. Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande, +wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht het +kind heeft. Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij +het opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met de +linkerhand een meisje. + +In 1833 werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een +puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van +een meisje voorspelt. + +Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie +alweer Hippocrates), is ook de meening, dat de dracht van een jongen +veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen. + +In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de +vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in +een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop +van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de +naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van +een jongen wordt geloofd als de punt, aan de geboorte van een meisje +als het oog van de naald roestig is. Daar heerscht ook dezelfde meening +omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat +zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje +wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den +bijslaap luid gelachen heeft. Volbracht zij dien echtelijken plicht +zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want „ernst is het sieraad +van den man”. Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het +onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meisje, +en de schrijver van het Boeck van de Vroet-wijfs is het met hem eens: +„Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van de beenen en de +gemachte.” + + + +Niet alleen in ouden, maar ook in den nieuweren tijd hebben de +geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken, +waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijke verklaring zou +vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat +daaromtrent geschreven is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren +kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk +geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy, +mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij +volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker +op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert. +Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier +uitstrekken. + +De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de +gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed +uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en +gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op +aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel +eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden. + +Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij +wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht, +zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou. + +De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische +invloeden, in zijn boek: „Die Geburtslehre von Seiten der Wissenschaft +und Kunst dargestellt” (1847), bl. 155: „Dat kosmetische verhoudingen +op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen, is zeker, maar weinig +bekend is het specieele. Intusschen kan toch het volgende gezegd +worden: + +1) In ’t algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende maan, meer +meisjes bij volle en afnemende maan geconcipieerd, en + +2) de meeste concepties vallen in het einde van de lente en het begin +van den zomer, minder aan het einde van den zomer en in het begin van +den herfst.” + +Hoe trouwens volksgeloof en wetenschappelijke opvattingen samengaan, +blijkt uit menige mededeeling. Als voorbeeld noem ik alleen het +volgende. Dr. Mattei zegt, in de Clinique Obstétricale, Gazette +Obstétr. 5 Mai 1874, dat eene met kinderen rijk gezegende vrouw hem +mededeelde, dat zij, telkens als zij van een jongen zwanger ging, veel +braakte, wat nooit gebeurde als zij zwanger was van een meisje. +Toevallig is in enkele streken van Hongarije de volksmeening juist +tegenovergesteld. + +En om hiermede te eindigen: De fransche onderzoeker Dupuy deelde in de +Séances de la Société de Biologie de Paris, Octr. 1888 en Févr. 1889, +het volgende mede: „Om het geslacht van de toekomstige kinderen te +bepalen, moet men allereerst het geslacht van het eerste kind weten. Is +dit een zoon en geeft men aan de tusschenruimte tusschen twee +menstruaties, waarin de conceptie van het eerste kind plaats greep, het +getal 1, dan zal het eerstvolgende kind hetzelfde geslacht hebben, als +het in een even maand, dus in de 12e, 14e, 16e maand daarna +geconcipieerd werd, en omgekeerd een meisje, als het in een oneven +maand, dus 13e, 15e, 17e maand daarna ontvangen werd. Indien dus een +man, die een zoon heeft, eene dochter hebben wil, moet hij de +maand-perioden tellen, die verloopen zijn sedert de bevalling zijner +vrouw, en moet daarna de vrouw in een oneven maand bevrucht worden. Wil +hij weder eene dochter hebben, dan moet zij in een even maand bevrucht +worden enz. Alleen tweelingen met twee moederkoeken, en de gevallen, +waarin het kind van een anderen vader afstamt, maken eene +uitzondering.” + +De diagnose op tweelingzwangerschap werd bij de oude Indiërs gemaakt, +als het lichaam in het midden diep is en op een ovaal watervat gelijkt. +In Siphra en Pua lezen wij: „Wanneer het lichaam van eene bezwangerde +vrouw in het midden plat-achtig, maar op de zijde verheven, en in het +geheel zeer opgezet is, en een donkere streep over hetzelfde +nederwaards gaat, zoo wil men hier uit besluiten, dat ’er tweelingen +zijn. Doch deze kenteekens zijn bedriegelijk, en men kan ’r zich in ’t +geheel niet op verlaten.” + + + +Met de baring is het al niet anders dan met de zwangerschap. Ook hier +zocht men hulp bij goden en godinnen, vreesde men de inwerking van +booze geesten en trachtte men die voor zich te winnen, of wel ze door +verschrikkingen te verjagen. Tevens werden—en ’t gebeurt nog—middelen +inwendig en uitwendig toegediend, zoowel reeds gedurende de +zwangerschap als tijdens de baring, om de krachten der vrouw te +schragen en pijnen weg te nemen, sympathetische middelen aangewend, met +de bedoeling om de baring gemakkelijker te doen plaats hebben, kortom +van allerlei gedaan, om de vrouw in haar lijden te gemoet te komen. + +Als middelaars tusschen goden en godinnen vinden wij priesters en +priesteressen. Somtijds moet een oprechte biecht van alle zonden, welke +betrekking hebben op de baring, afgelegd worden, zoowel door de vrouw +als door den man. Helpt dan de godheid niet, d.w.z. eindigt de baring +noodlottig, dan was de biecht onvolledig en onoprecht. In Zwaben roept +de barende de heilige Margaretha met den draak aan. Men neemt daar een +band of een zakdoek, bindt die der barende om de heupen, onder het +noemen der drie Godsnamen, en laat haar, onder aanroepen der heilige +Margaretha, persen. + +In hoog aanzien staat de „Gewisse und wahrhafte Länge unseres lieben +Herrn Jesu Christi”, welke men der barende om borst en hoofd legt. Dit +is een gebed, op een 150 c.M. lange papierstrook gedrukt, welke—zooals +men zegt—de ware lengte aangeeft van onzen Heer Jezus Christus, zooals +hij op aarde en aan het heilige kruis geweest is. [10] Ook legt men nog +andere gewijde zaken onder het hoofdkussen, laat de vrouw +Johannis-water (dat op 27 December gewijd is) drinken, of plakt haar +heilige beelden op het lichaam, geeft haar een gebedenboek in de hand, +enz. Bij Inlandsche en Chineesche vrouwen zag ik op Java wel kruisen, +met een witte kalksoort op handen en voeten geteekend. + +Met booze geesten en andere vijandelijke wezens wordt anders +omgesprongen. Wel is waar worden ook gebeden en offers opgedragen, doch +werkzamer acht men tooverspreuken en amuletten. Somtijds wordt het huis +gesloten om hun den toegang onmogelijk te maken, of wel worden zij +geweerd door een gespannen touw of door een krijtstreep. Geschreeuw, +gehuil en schieten dient tot afschrikking. Dit baantje wordt aan den +echtgenoot en zijne vrienden opgedragen. + +Als vrij algemeen in zwang zijnde middelen, om eene gemakkelijke en +voorspoedige bevalling te erlangen, somde ten Houte de Lange op: het +gebruik (’s avonds) van een paar koppen sterk aftreksel van roomsche +kamillen met steranijs, van een paar vijgen op de nuchtere maag +gedurende de laatste zes weken, eene aderlating op de helft van de +dracht, een glaasje kraam-anijs bij het begin der pijnen, een kop +sterke koffie met brandewijn, een paar lepels Genua-olie met suiker, +drie, vier koppen thee met veel saffraan. Ook nu hoort men nog +dergelijke middelen aanbevelen. + +Bij tragen arbeid meent men, dat de verbeterende veranderingen juist +invallen met de klok van 3, 6, 9 of 12 uur. + +De roos van Jericho kwam ook al bij de baring te pas. Het drinken van +wijn of water, waarin zij gelegd was, om af te trekken en zich te +ontsluiten, had bij de barende hetzelfde gevolg. Indien zij zich +namelijk spoedig ontsloot, volgde ook snel ontsluiting bij de barende. +Ten Houte de Lange zegt: „Dit is mij eens voorgekomen bij eene Friesche +turfschippersvrouw, die mij bij langdurigen arbeid vroeg of ik „die +roos van Jericho” niet had om er gebruik van te maken, en bij eene +boerin. Geen van beiden wist mij echter te zeggen, hoe die roos er uit +zag, of waar die te bekomen was.” Ik was gelukkiger. Vroeger bezat ik +zulk een roos van Jericho, maar.... aangewend heb ik haar nooit. In de +Palz kent men het geloof aan deze roos, daar „Weinachtsrose” geheeten, +eveneens. Zij verdrijft daar, in water gedoopt en aan de vrouw gegeven +om er aan te ruiken, de pijnen. + +Het toedienen van brandewijn is zeer sterk verbreid. Op de Kanarische +eilanden ontvangt de vrouw, zoodra de baring begonnen is, een glas vol. +Volgens Mac Gregor nemen de vroedvrouwen en vriendinnen daarvan tevens +haar deel. Ook in Hongarije wordt meestal brandewijn toegediend, en +dikwijls drinken de vrouwen zoolang, tot zij dronken zijn. +Waarschijnlijk staan alcoholische dranken in zoo’n goed blaadje, omdat +zij bedwelmend of opwekkend, z.g.n. versterkend, werken. + +Wij weten allen hoe moederkoorn, als vlaagpoeders, werd aangewend. Men +vindt ook van allerlei aftreksels gewag gemaakt, als peperdranken, +kaneelwater, theeën van verschillende wortels en kruiden. + +In Amerika is de medicijn bij de inboorlingen een afkooksel van den +staart eener ratelslang, dat aan de barende gegeven wordt, omdat men +gelooft dat het kind, wanneer dit het vreeselijke geluid van de slang +hoort, zich haast om naar buiten te komen. In Griekenland wordt de +baring bevorderd, door het gebruik van 2 onsen amandel-olie en het doen +van eene aderlating aan de ader van den grooten teen, welke moederader +genoemd wordt. In Denemarken heet Basilicum „Herba parturientium (kruid +der barenden)”. Behalve dit worden ook lavendel, witte leliën, +barnsteenolie en de gedroogde lever van alen gegeven. In Engeland, +evenals bij ons, gedroogde vijgen. Dit laatste middel wordt hier te +lande ook aangeraden om het vastgroeien van de nageboorte te voorkomen. +Een middel in 1816 in Duitschland nog in gebruik, was het drinken van +een kop urine van den man. Niet veel smakelijker lijkt mij het in +Zwaben gebruikelijke middeltje, duivenmest in melk gekookt. Het heet +daar, dat ook vrouwenmelk, indien slechts buiten haar weten aan de +barende toegediend, de bevalling gemakkelijker maakt. + +Middelen welke den mensch misselijk en draaierig maken of braken +verwekken, spelen bij zeer vele volken eene groote rol. De bij het +braken tot stand komende samentrekkingen van middenrif en buikspieren +zouden de uitdrijving bevorderen. Daartoe werden ook niesmiddelen +aangewend. In Nederlandsch Indië laat de doekoen, volgens v. d. Burg, +de oudste bij de geboorte aanwezige vrouw hare voeten in koud water +wasschen en geeft zij dit of nog andere vieze vloeistoffen, b.v. urine, +aan de barende te drinken. In het „Boeck van de Vroet-wijfs” lezen wij: +„Ende soo haest als deselfde (d.i. de vroedvrouw) siet, dat hem ’t Kint +in de geboorte wil verachteren ende schorten (al is ’t dattet +natuerlijck, ende metten hoofdeken hem vertoont) deur de nauwigheydt +ende engte van ’t Voor-lijf oft Lidt van de geboorte, soo mach ’t +Vroetwijf haer blasen in de Neusgaten een Niespoeyer, of Peper, ende de +Vrouwe doen den aessem inhouden en niesende maken, daer deur dat den +aessem met sijn gewelt geoorsaeckt nederwaerts te trecken, dewelcke +geweldigh sterck drijvet, ende den arbeyt of geboorte voordert.” + +Uitwendige middelen werden aangewend in den vorm van berookingen, +inwrijvingen met zalven enz. Warme baden en inwrijvingen met warme olie +behooren tot de oudste hulpmiddelen bij de baring. + +Bijzondere middelen zijn wel de volgende. In Boven-Egypte steekt men +bij weeënzwakte een klein stukje opium in het geslachtskanaal der +vrouw. In Engeland legde men vroeger fijngestooten laurierbladen, met +olie gemengd, op den navel der barende of stak men haar een stukje +knoflook in de aarsopening. + +Gunstigen invloed zou de barende ook ondervinden, door het drinken van +water uit den Willebrordusput, en het leggen van een daarmede +natgemaakte doek tegen de schaamdeelen. Hetzelfde bewerkt het teeken +des kruises over den buik der zwangere gemaakt. + +Uit dit alles blijkt alweder, hoe het bijgeloof aan vele dingen +krachten toeschrijft, welke zij niet bezitten. Doch wat te denken van +een bijgeloof als nog voor omstreeks 5 eeuwen onder geneesheeren +bestond? In Zwitserland werd de eerste lijkopening (sectio cadaveris) +in 1671, de tweede in 1676, door Dr. Muralt, in Zürich gedaan. Hij liet +de huid van het lijk, welke afgepraepareerd was, looien, omdat hij +bijzondere geneeskracht toeschreef aan het bedekken van aangedane +deelen met menschenvel, nadat het eerst bij wassende maan met zalf +ingewreven was. Voornamelijk hielp het echter bij zware bevalling, als +het als gordel gedragen werd. + +Hier hebben wij den overgang tot sympathetische middelen. Zooeven +noemde ik reeds omtrent sympathie het een en ander, toen ik sprak van +het verbod van knoopen, weven, enz. Niets mag bij de baring gesloten +wezen, anders opent de baarmoeder zich niet. Daarom mag ook de barende +de handen niet vouwen; zij moet den gordel—als zij dien +draagt—afleggen. Alle sloten en deksels, soms ook alle deuren, enz. +moeten geopend worden. Dr. G. F. Most schrijft 1844 in „De +sympathetische middelen en geneeswijzen”: „De voor eenige jaren alhier +(’s-Hertogenbosch) gestorven vroedmeester Dr. D...... plag, volgens de +methode der oude vroedvrouwen, wanneer eene barende zijne hulp inriep, +terstond bij zijn intreden in de kamer, te vragen, of wel alle koffers, +kisten, kasten, enz. in het huis openstonden; was dit niet het geval, +dan moest het oogenblikkelijk geschieden.” Most zelf zegt, dat hij dit +middel, om psychisch af te leiden en om contractiones uteri, waarmede +hij wel kramp van de baarmoederspier zal bedoelen, te doen verdwijnen, +dikwijls met goed gevolg heeft aangewend. + +Dit middel is No. 85 van de recepten, welke bij zware verlossingen +werden aangegeven. No. 83 en 84 luiden aldus. No. 83: „Neemt twee +schijven van witten leliewortel en geef dezelve aan de barende te eten; +dit drijft de vrucht benevens de nageboorte ongeschonden af.” N°. 84: +„Neemt 2 hoendereyeren, laat dezelve op de gewone wijze koken en geeft +de vrouw eenige lepels van het water waarin de eyeren gekookt zijn, in; +dit drijft de vrucht af, zelfs al ware de vrouw reeds in acht dagen in +barensnood geweest, en het kind gestorven of reeds tot verrotting +overgegaan.” + +Hij voegt daaraan het volgende toe. „De eyeren zijn reeds geboorte, en +deelen derhalve aan het water waarin zij gekookt zijn, en daardoor van +hunne kracht tot verdere ontwikkeling beroofd worden, deze vis et +efficacitas mede om zelfs de levende of doode vrucht des menschen uit +te drijven. Het spreekt van zelf, dat dergelijke onschuldige middelen, +als het eyerwater, slechts in ligte gevallen, waar door geene +mechanische hinderpalen de geboorte vertraagd wordt, mogen worden +aangewend; ofschoon dezelve dan ook slechts psychisch door het vaste +geloof aan dezelve krampstillend werken; in zware gevallen echter mag +men zich volstrekt niet op dezelve verlaten, maar zoo spoedig mogelijk +een goeden vroedmeester tot hulp roepen.” + +Gelukkig dat hij dit laatste er bijgevoegd heeft. + +Tot deze groep van middelen behoort ook het doen eten, door een dier of +mensch, uit den schoot der vrouw, opdat het kind even gemakkelijk te +voorschijn kome, als het voedsel van daar wordt weggenomen. Eveneens is +hiertoe te rekenen het medeklagen van vrouwen en andere middelen, die +op den geest werken, zooals muziek, gezang, het verschrikken der vrouw, +en nog vele andere. + +Met de bedoeling onmiddellijk invloed op het kind uit te oefenen, laat +men b.v. geldstukken klinken, om het kind te lokken, of iets of iemand +dansen, opdat het kind eveneens beginne te dansen en uit het +moederlijke lichaam danst. Somtijds moet ook de vader dicht bij den +schoot der barende komen en dan vlug wegloopen, dan zal het kind +trachten hem te volgen. Als lokmiddel voor het kind dient ook het +aankleeden van een pop, met de kleederen van den echtgenoot. + +Hieruit blijkt, dat de meening heerscht, en zeker is dit eene welke nog +dikwijls wordt uitgesproken, dat het kind, zoo niet geheel, dan toch +voor een groot gedeelte, medewerkt om geboren te worden. Wij kunnen dan +ook herhaaldelijk opmerken, dat een langdurige en moeilijke arbeid, +wanneer daarbij een dood kind ter wereld komt, als zeer natuurlijk +beschouwd wordt, omdat „het doode kind niet kon medewerken”. + +Ook deze meening grondt zich op de leer van Hippocrates. Deze leer +bestaat in de opvatting, dat het op tijd intreden der geboorte zijn +oorzaak vindt in gebrek aan Voedsel voor het kind, omdat het +moederlijke organisme niet meer aan de behoefte van het kind voldoen +kan. + +De uittreding van het kind is dus actief. Wanneer de baring op til is, +begint het kind te bewegen, met handen en voeten te trappelen en een +der inwendige vliezen te verbreken. Daarop scheuren de andere, welke +zwakker zijn; het kind is van zijne boeien ontslagen en treedt in +heftige beweging naar buiten. Geen macht houdt het meer vast, als de +vliezen bezwijken; ook de baarmoeder kan het niet meer tegenhouden. + +Voor de school van Hippocrates was dus de spierkracht van het kind +alles, of liever bijna alles, wat natuurlijk moeilijkheden gaf bij de +verklaring van het uitdrijven van doode vruchten en miskraam. Toch werd +ook aan de werkzaamheid van de baarmoeder gedacht. Men trachtte toch, +bij staking der baring, de pijnen in de baarmoeder, dus de +weeënwerkzaamheid, aan te zetten, hetzij door het bestrijken van den +baarmoedermond met eene zalf, hetzij door het toedienen van bepaalde +spijzen en dranken. Ook de buikpers was niet onbekend en de kracht +daarvan trachtte men door niesmiddelen te versterken. Duidelijker en +met bewustheid heeft Galenus zoowel de werkzaamheid der baarmoeder als +de buikpers beschreven. Hij zegt, dat, als de baarmoedermond geheel +ontsloten is, de barende moet opgewekt worden het kind uit te drukken. + +De pijnen bij de baring worden toegeschreven aan de drukking, welke het +kind op de moederlijke deelen uitoefent, en aan de rekking, die deze +laatste ondergaan, doordien het kind zich door eigen kracht een weg +baant. + + + +Vinden wij dus eene verklaring van de zooeven genoemde tegenwoordige +leekenopvatting, dat het kind zelf den arbeid verricht, in de oude +geneeskundige opvatting, hetzelfde geldt omtrent eene andere meening, +betrekking hebbende op de levensvatbaarheid der kinderen in zevende of +achtste maand geboren. Doch daarover straks. + + + +Algemeen is nog het denkbeeld verbreid, dat de moederkoek tot stoel +dient voor het kind. Mij ten minste kwam het menigmaal voor, niet dat +het als waar verteld werd, maar dat mij—en wel door ontwikkelde +personen—gevraagd werd, òf het waar is. Daarbij neemt men dan aan, dat +het kind op de moederkoek zit, de armen over de borst gekruisd en de +handen onder de kin, om het hoofd te steunen. Hiermede hangt dan samen +de meening, dat op een bepaald tijdstip van de zwangerschap het kind +zich omdraait of buitelt (de Culbute), zoodat het hoofd naar beneden +komt te liggen. Het zakken van den baarmoederbodem wordt dan als bewijs +genomen, dat de buiteling heeft plaats gevonden. + +Hiermede komen wij van zelf tot de straks even aangeroerde meening, dat +een zevenmaandsch kind veel beter in leven blijft dan een achtmaandsch, +omdat de zevenmaandsche dracht natuurlijker is dan de achtmaandsche. + +De ligging van het kind, volgens Hippocrates, geeft ook hier weder +licht. Zijne opvatting was, dat alle kinderen zich, in overeenstemming +met den groei der planten, met het hoofd naar boven ontwikkelen. In de +ligging met het bekkenuiteinde vóór worden de kinderen eerst bevestigd +door de vliezen, welke van den navel uitgaan, totdat zij in de 7e maand +deze bevestigingsmiddelen verbreken en de vliezen rondom verscheuren. +Daarop verandert het kind van plaats, d.w.z. komt het met het hoofd +naar beneden te liggen. Dit omdraaien van het nu van zijn +bevestigingsmiddelen bevrijde kind, wordt toegeschreven aan de werking +der zwaartekracht. De boven den navel van het kind gelegen deelen zijn +de zwaarste en de hoofdligging komt tot stand, doordien de werking van +de zwaartekracht op het hoofd overweegt. + +„Ofschoon onjuist”, zegt Fassbender, „bleef deze leer van de +ombuiteling of zelfkeering van het kind gedurende een tweeduizend tal +jaren in de verloskunde van alle kultuurvolkeren bestaan.” + +Dat deze keering juist in de 7e maand werd geacht tot stand te komen, +hangt eensdeels samen met het heilige getal zeven, dat op alle +gebeurtenissen in het leven grooten invloed had, anderdeels met +waarnemingen, dat bij de, voor dien tijd optredende, vroeggeboorten +veelal de stuit vóórkomt. Maar ook met de waarneembare veranderingen +aan den buik der zwangeren in den laatsten tijd harer dracht en de +daarmede voor haar gepaard gaande verschijnselen. + +Wanneer, zoo is de leer, het kind in de 7e maand, na de verscheuring +der banden, van ligging veranderd is, ontstaan bij de moeder, door +trekken aan de navelstreng en door de spanning der vliezen, pijnen; +alle zwangeren krijgen, ten gevolge daarvan, korten tijd koorts en +eenige gaan met het kind te gronde. Is die tijd voorbij, dan verdwijnt +de ontsteking, zoodat het lijf week wordt en de zwelling zich naar de +laagte verplaatst. Van dien tijd af dragen de vrouwen met minder last, +omdat het ’t kind gelukt is, zich in eene voor de geboorte gunstiger +ligging te keeren. + +De 7e maand brengt het kind in het begin der volledige vorming. De +zevenmaandelijksche vrucht zou, naar de tijdrekening welke Hippocrates +volgde, in de orde der rekening vallen, en dus in het leven blijven. + +Johan van Beverwijck bespreekt deze meening in de volgende +bewoordingen: + +„Een kint van acht maanden en blijft niet te lijf, segt Hippocrates, +omdat het twee stooten korts op malkanderen niet en kan verdragen. Want +dewijl het kind op de sevende maent gearbeyt heeft om uyt te komen, en +daerover vermoeyt is, so kan het den arbeyt, daer terstont wederom op +volgende, niet wederstaen: maer om zulx wel te kennen uitstaen, soo was +van nooden, dat het de achtste maent noch beslooten bleve, om +middelertijdt sijn krachten te verhalen. + +Het schijnt (oock) datter naeulicx een bondige reden bij te brengen is, +waerom een kint op de achtste maent niet volkomen en voldragen zou +zijn, en wel geboren sijnde niet op en soude komen, en over-sulcx voor +onwettig ofte een misdracht zoude gerekent worden. Want hetgene dat men +seyt, van de beweginge op de sevende maent, heeft grootelicx sijn +bedencken, of het vastgaet, dat alle kinderen nootsakelick op de +sevende maent haer roeren om uyt te komen. Want alhoewel de kinderen op +de sevende maent, haer eerste volkomenheyt krijgen, soo en zijnse +nochtans allegader niet soo volkomen, dat ze poogen geboren te worden.” + +Verder: „Het en gaet niet seker, dat de bevruchte vrouwe stercker +beweginge voelen op de sevende maent, als op de andere. En indien het +kint aan die beweginge so seer verswackt op de sevende maent, dat het +in geen geheele maent sijn krachten verscheppen, en daarom op de +achtste maent gekomen zijnde niet te lijf en kan blijven, veel minder +soude het ’t leven konnen behouden, als het in de eygen maent geboren +werdt. Daer-neffens en komt met de ervarentheyt niet wel overeen, dat +de vrouwe meest op de achtste maent qualicker te pas zijn, als op de +sevende, ofte negende. Schijnt derhalven datter uyt de nature van de +vrucht en van de moeder naeulicx bondige redenen konnen gegeven werden, +om te betoonen, dat een kint van acht maenden niet en zoude kunnen in +’t leven blijven.” + + + +Dat aan de navelstreng te zien is, hoeveel kinderen eene vrouw nog +baren zal, werd mij kort geleden nog verteld. Dat zou worden aangegeven +door de knoopen, d.w.z. de valsche. Evenzoo zouden vele draaiingen in +de streng een teeken zijn, dat het kind vele wederwaardigheden in het +leven te wachten heeft. + + + +Het begraven van de nageboorte is vrij algemeen in zwang. Menige baker +wenscht dat nog te doen, en liefst zeer diep, opdat geen dier die +opgrave en ete. De bedoeling scheen (schijnt?) op zeedorpen te zijn, om +daardoor te voorkomen dat het kind, later zeevarende, door haaien zal +opgevreten worden. Andere bakers en vrouwen weder stelden er prijs op, +dat de nageboorte in de aschpot gestopt werd. Oudtijds geschiedde dat +in de kolk onder de asch. Daarboven moest dan gedurende 9 dagen en +nachten gestookt worden en de asch mocht niet geroerd worden. Niemand, +maar vooral de vader niet, mocht aan dat vuur zijn pijp opsteken, daar +onrust en stuipen van het kind het gevolg daarvan zouden zijn (ten +Houte de Lange). + +Bij eenige Indianenstammen in Amerika wordt de nageboorte eveneens +begraven en wel op eene geheime plek. Hetzelfde doen de negers der +Loangokusten. In Oldenburg worden daarbij spreuken opgezegd. + +Op Java wordt de navelstreng afgebeten, omdat men gelooft dat het kind +onkwetsbaar wordt. Ook wordt zij afgesneden met een bamboe-mes op een +stukje koenit (curcuma). De nageboorte wordt, met het stukje curcuma en +het bamboe-mes, in een dop van kokos met deksel (Batah Booloe genaamd) +geborgen, met het Javaansche of Arabische alphabet op een stuk papier +geschreven, opdat het kind, tot rijpe jaren gekomen, kundigheden +verkrijge. De dop wordt begraven of in een aarden pot in huis +opgehangen. Daarbij of daaronder wordt licht gebrand, tot de rest van +de navelstreng is afgevallen. Het kind is, vóór het afvallen van de +navelstreng, onderhevig aan allerlei plagen van booze geesten, en de +brandende lamp dient om hunnen kwaden invloed op het kind te voorkomen. + +In Noorwegen wordt de nageboorte, door de jonge kraamvrouw zelf, met +een mes doorstoken en dan door de vroedvrouw verbrand. Gebeurt dat +niet, dan ontstaat daaruit de booze geest Utbor, die zich klein en +groot, ook zichtbaar en onzichtbaar maken kan, die vreeselijk schreeuwt +en het erop voorzien heeft zijne moeder het leven te benemen. Zijne +moeder. Moet men hier denken aan eene beschouwing als die der +inboorlingen in onze Indische bezittingen, die de nageboorte soedarah +noemen, d.w.z. (de) broeder van het kind? + +Eene eigenaardige betrekking tusschen nageboorte en boomen bestaat bij +vele volken. In Mecklenburg b.v. wordt zij begraven bij de wortels van +een jongen boom, dan groeit het kind met den boom. Dikwijls wordt eerst +de nageboorte gewasschen en daarna, met asch gemengd, onder een +bepaalde boomsoort begraven. In andere streken wordt zij, in een korfje +gepakt, aan een boomtak opgehangen. Bij de Laoten in Siam wordt zij +steeds begraven aan den voet van de trap, die tot de huisdeur leidt. + +Hier en daar gaat dat alles met bijzondere feestelijkheden en +offeranden gepaard. + +In het water vindt de nageboorte ook haar plaats. In Kartoem (Afrika) +b.v. wordt zij, in een pot gepakt, in den Nijl geworpen en ieder +voorbijganger moet haar een steen nagooien. Blijft de nageboorte +drijven, dan is dat bij enkele volksstammen een bewijs, dat de vrouw in +den echt ontrouw geweest is. Volgens v. d. Burg—en ik zelf heb het +menigmaal gezien—legt men in Ned.-Indië de nageboorte op een klein +bamboevlot, dat, met bloemen en vruchten getooid en door kaarsen +verlicht, de rivier afdrijft. Het is een offer aan de kaaimannen, welke +de zielen der voorvaders herbergen. In de buurt van Jena wordt zij in +stroomend water geworpen. + +Ook dient de nageboorte als toovermiddel en als geneesmiddel. De +Javaansche vrouwen gelooven, dat zij, inwendig gebruikt, vruchtbaarheid +geeft. In Orenburg (Rusland) wordt zij begraven. Wenschen de ouders een +kind van ander geslacht, dan graaft de vroedvrouw haar op en keert haar +om. Hetzelfde geschiedt om betoovering te bezweren. + +In Stiermarken geldt van oudsher het bloed van de versche moederkoek en +van de navelstreng als middel tegen moedervlekken, het poeder van de +gedroogde en fijn gestampte moederkoek als middel bij epilepsie en St. +Vitus-dans. Voor eenige jaren, schrijft Engelmann, heeft in Saksen eene +vrouw, onder het schavot van een misdadiger, in ’t geheim eene versche +moederkoek verorberd, om daardoor van epilepsie genezen te worden. + +Eene groote moederkoek wijst in vele streken van Duitschland erop, dat +de kraamvrouw veel zog zal hebben, eene kleine op het tegendeel + + + +Ook de eivliezen moeten genoemd worden. Wanneer zij niet scheuren en +het kind in de vliezen geboren wordt, of, als zij wel scheuren, maar +het kind toch in de vliezen gehuld te voorschijn komt, spreekt men van: +„het kind is met den helm geboren”. Dit geldt in ’t algemeen in Europa +als een gelukkig teeken voor den pasgeborene. Hij zou aan den bezitter +de gave van vooruitzien verschaffen, en vooral daarom voor veel geld +aan zeevarenden te slijten zijn. In vreemde handen geraakt, zou hij aan +het kind, dat er mede geboren wordt, ongeluk bezorgen. Van daar dat hij +door de ouders moet begraven of verbrand worden. Doch ook het bewaren +is nuttig. Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een +gedeelte van de Zuidkust van Ceram zegt men, dat het kind met den helm +(Sarong of Karpoes) geboren, ouder geworden, helder ziende wordt; dat +het dingen ziet, welke voor het gezicht van anderen verborgen zijn, als +kwade geesten, duivels, enz. + +In vele streken wordt die helm als amulet voortdurend om den hals +gedragen en stilletjes bij het kind gelegd, als dat gedoopt wordt, +waardoor hij dan meêgedoopt wordt. Omdat de werkzame kracht ook op +anderen overgedragen wordt, gebeurt het niet zelden, dat vroedvrouwen +den helm stelen en aan hare eigene kinderen geven. Dit laatste komt +voor rekening van ten Houte de Lange. + +Zelfs werd er vroeger, vooral in Engeland, handel in gedreven. In 1779 +betaalde men er 20 guinea’s voor, in 1848 nog maar 6. Vooral voor +advocaten was zoo’n ding veel waard, daar hij hen tot redenaars maakte. + +Bij de zuidelijke Slaven is hij voor de meisjes, die er mede geboren +zijn, een middel om den jongeling, dien zij liefhebben, tot waanzins +toe verliefd op haar te maken. Het is daarvoor slechts noodig hem op +een bloot gedeelte van het lichaam met het gedroogde „Glückshemdchen” +aan te raken. + +Behalve hetgeen ik reeds besproken heb omtrent eenige opvattingen, +welke met betrekking tot het kraambed heerschen, bestaan er nog vele +andere. Ik zou echter te uitvoerig worden met ook die alle op te +noemen. In ’t kort dus nog het volgende. + +Dat op den negenden dag het lichaam der kraamvrouw zich sluit, is eene +ook nu nog veel verbreide meening. Men verbindt aan dien negenden dag +vele gevaren, zoodat zelfs de vrouw, die vóór den negenden dag het bed +verliet, dien dag daarin doorbrengt. Het getal negen zagen wij in den +beginne reeds van invloed. Ook het getal 3 schijnt niet van belang +ontbloot. Immers deelt de vroedmeester ten Houte de Lange mede, dat in +zijn tijd de kraamvrouw gedurende den 3en en 9en dag de handen goed +onder het dek moest houden, omdat zij anders een zweerend uitslag +daarop krijgen zou. + +Of hier en daar nog dezelfde vrees voor lavementen bestaat, weet ik +niet. In ouden tijd meende men, als de kraamvrouw „op een lavement +gezet moest worden”, dat de toestand zoo gevaarlijk was, dat wel eerst +het testament gemaakt mocht worden. + +Het toedienen van den witten drank (amandeldrank) wordt verschillend +opgevat. In Alkmaar b.v. noemde men dien drank de „witte doodendrank +der kraamvrouwen”. Ten Houte de Lange verhaalt, dat, toen hij dien +drank eens voor eene boerin had laten gereed maken, hij dien op den +derden dag nog onaangeroerd had gevonden en hem verweten werd, dien +gevaarlijken drank te hebben voorgeschreven. De kraamvrouw had zich aan +het gebruik niet gewaagd. In Amsterdam was, ten minste vele jaren +geleden, menige kraamvrouw niet tevreden, als zij geen „witte drank” +gekregen had. „Die versterkte”. + +Bij benauwdheid der kraamvrouw een smal gevouwen doek om den buik aan +te halen, maar vooral met een knoop in de linkerzijde vast te maken, +belette de „moer” het opstijgen. De angst daarvoor spruit voort uit de +Hippocratische leer, welke aan het ronddolen der baarmoeder door het +lichaam allerlei ziekten toeschreef, o.a. vallende ziekte en hysterie. + +Tegen kraambeenen werd de „gulden pleister” aangewend, d.w.z. een pap +uit eigen faecaliën. Om zogklonters te voorkomen en het zog op te +drogen werd, als zeker werkend middel, aanbevolen het door doodzweet +vochtige hemdje van het gestorven kind op de borsten te leggen. + +Mag men het den onontwikkelden kwalijk nemen, dat zij dergelijke +middelen toepassen, als wij weten dat de „seer vermaerde Jacob Ruffen” +onder de middelen tegen het opstijgen van de baarmoeder aangeeft, een +drank bereid uit paardendrek (te weten van paarden die met enkel haver +gevoerd worden) gekookt in sterken wijn, welke warm moet gedronken +worden? + + + +Hiermede versegel ick dese mijn verhandelingh: In de welcke soo ick u +luyder verwachtingh bedrogen heb, of niet ten vollen vernoeght; wilt +nochtans daerom mijn dienst-vaerdigheyt, U luy op-geoffert, niet +smadelijck verwerpen. + + + + + + + + +AANHANGSEL I. + + +Mijne opvatting omtrent de voeding van den zuigeling, om aan hem, +althans in den beginne, over te laten wanneer hij zijn voedsel zal +nemen en hoeveel, is in strijd met het tegenwoordig in Nederland vrij +algemeen toegepaste stelsel, om de kinderen op bepaald aangegeven +tijdstippen te voeden. Hetzelfde geldt voor het voeden in den nacht. + +Tot mijne opvatting ben ik gekomen aan de hand van het feit, dat ik, na +afscheid te hebben genomen van moeder en kind als de tijd, gedurende +welken de verloskundige gewoonlijk voor beiden zorgt, verstreken was, +menigmaal bespeurde, dat zoovele van die kinderen na eenigen tijd aan +voedingsstoornissen lijdende waren, ondanks het nauwgezet opvolgen der +voorschriften, om het kind op door den geneesheer bepaalde tijdstippen +op te nemen en te voeden. Door ernstig nadenken kwam ik tot de slotsom, +dat de zuigeling te veel verstelseld wordt. + +In de jaren 1915 en 1916 heb ik, in het Medisch Weekblad, getracht aan +te toonen, waarom ik het gewenscht acht den zuigeling meer vrijheid te +gunnen, dan hem gemeenlijk wordt toegestaan. Toen heb ik met instemming +de woorden aangehaald van Prof. W. Preyer (‘Die Seele des Kindes’, 7te +Auflage 1908): „Die Kunst, das kleine Kind werden zu lassen, ist viel +schwerer als die, es vorzeitig zu dressiren” en „Zuerst Natur ohne +Dressur, dann Kultur” en ik doe dat nu opnieuw. + +De ondervinding heeft mij geleerd, dat ik niet voorzichtig genoeg zijn +kan met het mededeelen van eene opvatting, welke afwijkt van de voor +het oogenblik algemeen geldende. De omstandigheid, dat eene van de +algemeen geldende leer afwijkende opvatting verkondigd wordt, schijnt +er steeds onmiddellijk toe te moeten leiden zulk eene opvatting als +volstrekt verkeerd, en dus uit den booze, te brandmerken, en tot verzet +aanleiding te geven. + +Daarom heb ik de vrijheid genomen in dit boek eenige aanhalingen, +betreffende de voedingswijzen van zuigelingen, van verschillende +schrijvers op te nemen, waaruit duidelijk blijkt, dat men niet zoo vast +staat met het algemeen aangenomen stelsel als gewoonlijk gedacht wordt. + + + + +NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS. + +Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in +het eerste levensjaar’. 1905. + +Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de +24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6 +à 7 maal per etmaal.” + +„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende +borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.... hebben +ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van +den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind +goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker. +Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje +laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit +langer dan ruim 4 uren duren.... ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4 +uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen +bij nacht af te wennen. + +Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7 +maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in +de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens +4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de +borst en spoedig in het geheel niet meer.” + +Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde +wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls +volkomen onberekenbaar.” + +Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de +voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de +kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan +de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote +quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij +den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een +voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij +dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van +bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens +een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate +individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode +of tabel.” + +„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit +uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor +een maaltijd zou verzuimen. + +Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer +goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal +adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft +geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt +en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een +hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.” + +Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige +voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de +theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het +onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder, +die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want +wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen +treurig mislukken.” + +Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt +voor het kind en niet het kind voor de methoden.” + + +Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van +Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind”’. 1914. + +Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen +gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 +uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie +nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich +in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal +ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend +bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat +zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer +moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht, +om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten +leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het +kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.” + +Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de +eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de +laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen +twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna +zelfs 4 uur te laten duren” .... „is het duidelijk, dat men de +tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind +hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren, +dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel +is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den +laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en +niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen +te drinken.” + +Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft +het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de +moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind, +welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens +leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich, +zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6 +maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook +kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen, +prachtig zijn gedijd.” + + +Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914. + +In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet +einen Fortschritt .... Die Erkenntnis von den groszen individuellen +Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften +Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des +Säuglings zu verdringen.” + +Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen. +Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten +leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze +beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet +langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd. +Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als +het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker +wordt om te drinken. + +Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om +van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat +het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .... Het is +evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te +maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere +bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten, +wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .... Hoewel nu in de +praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe +aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden, +dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7 +maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5 +maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer +flink aan.” + + +Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en +Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912. + +Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij: +„Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie +bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het +kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.” + + +Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten +en v. Kindergeneeskunde.’ 1914. + +Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling +heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.” + +Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed, +onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel +volgens het eigen inzicht van de moeder.” + +Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien, +dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze +officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik +overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn +kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen +niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur +behoort te worden gevoed .... maar wat in het algemeen het beste is, +weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet +weet.” + + +Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912. + +Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige +tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3 +uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .... In de eerste +dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het +schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk +van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het +kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim +2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan +moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert. +Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee +theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt +telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd +dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s +nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt. + + +Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913. + +Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het +natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig +voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich +hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de +frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind +voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het +kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet, +overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts +alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind +meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat +in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.” + + +Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en +Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914. + +Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de +zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en +onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk +gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen; +voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk +moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan +zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte +van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.” + + +Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste +levensjaar.’ Tweede druk. 1917. + +Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en +dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en +dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het +(niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind +droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk +ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden: +als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren +opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus: +hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer +’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus +hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de +voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang +zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het +kind.” + +Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de +reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze +voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af +de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s +avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het +wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig +achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand: +hoogstens 5 × per 24 uur.” + +Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen, +zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in +alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet +moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en +eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor +den, voor elk kind vast te stellen leefregel. + +Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het +kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het +kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten. + +Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil +door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet +gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe; +behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm +rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze +dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding +regeert. + +Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te +houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften. + +Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het +schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in +alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf +niet de slaaf van den zuigeling te worden. + +Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten +te vinden.” + + +Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en +Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915. + +Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de +persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht +genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en +tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature +ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal +steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen, +dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens +weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles +na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten +opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de +voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor +voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele +zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat +wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om +allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij +verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische +ontwikkeling behoeft.” + +Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’ +met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er +op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang +aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift: +Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat +en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te +spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te +sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner +slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne +Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für +Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald, +en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t +Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den +vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende +moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling +eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.” + +Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om +vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen, +omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.” +Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen +natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t +boekje” verwachten zou.” + +Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de +hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele +voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene +zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij +de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den +zuigeling te gaan boven de leer.” + + +Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915. + +„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is +nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij +niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder +ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst +kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het +menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan +voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar +heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend +kind te getroosten. + +Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote +individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of +niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat, +ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen +geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van +uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de +schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den +grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den +angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der +Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden +opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding, +voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in +weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed +worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele +verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist +voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met +allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken +aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle +ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang +is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v. +goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van +niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de +voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan, +in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat +zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel +op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.” + +.... „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van +aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij +de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout +van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.... Eene ‘betrekkelijke’ +regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den +beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in +overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later +de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne +verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te +bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks +met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds +spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in +aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne +eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot +zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene +kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote +verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn +buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt, +eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat +zich met meer of minder regelmaat herhaalt”. + +.... Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe +gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten) +gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen +prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op +verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder +in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest +in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk +zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef +dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de +gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?” + + +G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920. + +Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee +maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten. + +Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het +dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid +opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de +aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in +geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst +reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat +er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering +aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is +gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal +verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van +haar weg te nemen. + +Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname +verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan +bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die +behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien. + +Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het +geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken +zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de +eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder +onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des +nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van +groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende +de nachturen haar noodige rust krijgt. + +Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de +voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en +7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds +tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind +de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst +tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden +gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en +11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor +de nachtrust overblijft. + +De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet +uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang, +dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt +zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste +voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het +kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden. + + + In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven + regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen + hebben, gewekt en gezoogd worden. + + +Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te +nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het +wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het +spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel +ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt. + +Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten +maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan +schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en +verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind +schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn +tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch +blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare +wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en +zuigeling.” + + + + +FRANSCHE SCHRIJVERS. + +Dr. P. Lassablière. ‘Hygiène du premier âge’. 1913. + +Bl. 109. „Dès les premiers jours, il convient d’habituer l’enfant à une +grande régularité dans ses repas. Ni ses cris ni les supplications de +l’entourage ne doivent faire fléchir cette règle absolue. + +Le premier mois, l’enfant devra être mis au sein, à partir de cinq +heures du matin, toutes les deux heures et demie; il recevra ainsi neuf +tétées en vingt-quatre heures. Le deuxième mois, on supprimera une +tétée. À partir du sixième mois, il prendra sept tétées en vingt-quatre +heures, une tétée toutes les trois heures. Il faut, le plus tôt +possible, éviter à la mère la tétée de la nuit qui est pour elle +l’interruption d’un repos bien gagné et souvent une fatigue; l’intérêt +de l’enfant commande ce repos d’ou dépend la bonne qualité. Le nombre +et l’intervalle des tétées peuvent être modifiés cependant, par le +médecin suivant le cas. + +La durée des tétées dépend de l’appétit de l’enfant et de la valeur de +la mère comme nourrice. En moyen, les tétées doivent être d’un quart +d’heure. Il y a intérêt à laisser reposer un peu l’enfant au milieu +d’une tétée. Si l’enfant est glouton, on suspendra la tétée au bout de +trois à cinq minutes. + +La quantité de lait que doit prendre un enfant dépend également de sa +vigueur physique et de la richesse nutritive du lait maternel; il n’y a +donc pas de règle absolue pour fixer la quantité exacte de lait que +doit absorber un enfant.” + +Bl. 194. „Allaitement artificiel. Le tableau suivant donne les +quantités de lait par biberon et par vingt-quatre heures. Là, plus +qu’ailleurs, il n’y a pas de règle absolue. C’est au médecin +d’apprécier.” + + +P. Nobécourt. ‘Conférences pratiques sur l’alimentation des +nourrissons.’ 2e Edition. 1914. + +Bl. 33. „Allaitement naturel. Si on ouvre les ouvrages qui traitent de +l’allaitement, on est frappé par les divergences qui existent entre les +auteurs sur le nombre des tétées et sur les quantités de lait qu’il +convient d’autoriser. Elles se rencontrent non seulement dans des +livres d’époques différentes, mais encore dans ceux qui sont +contemporains. Comme, sans aucun doute, chaque auteur préconise les +règles, qui, dans sa pratique, lui ont donné de bons résultats pour +l’élevage des nourrissons, on serait tenté d’en conclure à l’absence de +toute règle véritable. Ce serait évidemment exagéré. Il existe des +données générales qui doivent guider le médecin; mais ces données n’ont +rien d’absolu et nous verrons, chemin faisant, les tempéraments qu’il +convient de leur apporter.” + +Bl. 41. „Il ne faut donc pas s’attacher à fixer avec une trop grande +minutie la ration alimentaire d’un nourisson au sein; on aurait ainsi +bien des déconvenues. Il faut dire que l’enfant doit ingérer +approximativement telle quantité de lait; mais, prenant la ration +théorique comme base, procéder par tâtonnement, comme le conseillait +Budin, en tenant compte des fonctions digestives, de la croissance et +de l’état général. Il faut se garder toutefois d’être trop timoré; si +le bébé digère bien et se développe régulièrement, il faut le laisser +téter suivant son appétit, se bornant à le modérer, s’il est trop +vorace, à le stimuler, s’il prend trop peu. La quantité de lait qu’il +prendra sera pour lui, en général, la ration optima.” + +Bl. 47. „Quand le bébé est normal et se développe régulièrement, il +importe moins de se préoccuper de la ration que de fixer le nombre et +les intervalles des tétées.” + +Bl. 82. „Comme l’a exposé fort justement le Pr. Maurel, il n’y a pas de +rations normales, mais des rations conventionnelles moyennes, +appropriées à des sujets donnés dans des conditions convenues; la +ration est „toujours personnelle, de plus, même pour une personne, elle +ne correspond qu’à une période de temps divisée et quelquefois très +courte.” Quand on parle de rations trop fortes ou de laits trop riches, +il faut tenir compte des modalités particulières à chaque enfant. Tous +n’ont pas la même capacité digestive ni la même activité nutritive, +même à conditions égales d’âge, de taille ou de poids. „Chaque +organisme, écrit M. A. Lesage, à sa personnalité, son coefficient de +fixation. Chaque nourrisson tire un parti différent d’un même aliment. +Vouloir identifier tous les enfants est une utopie.” + +Bl. 139. „Technique de l’allaitement artificiel. L’allaitement +artificiel ne peut en effet réussir que s’il reste sous le contrôle +répété du médecin; comme je vous l’ai dit et comme nous allons le voir +encore, les quantités de lait nécessaires aux enfants ne sont pas +adéquates à les âges, elles doivent varier suivant les indications par +l’examen clinique.” + +Bl. 141. „La tétée doit durer une dizaine de minutes.” + +Bl. 145. „La radioscopie ayant montré à M.M. Leven et Barret que le +lait de vache quitte l’estomac, en général, aussi rapidement que le +lait de femme, on peut donner autant de biberons que de tétées dans +l’allaitement naturel, et aux mêmes intervalles, c’est-à-dire: + + + De la naissance à 3 mois 8 biberons espacés de 2h. 30. + ,, 3 à 6 mois 7 ,, ,, ,, 3,, + ,, 6 à 9 ,, 6 ,, ,, ,, 3,, + + +... il n’y a d’ailleurs pas de règle absolue: M. Marfan conseille 7 +biberons jusqu’è cinq mois, 6 ensuite; M. Variot 9 biberons jusqu’à un +mois, 7 biberons jusqu’à quatre mois, 5 biberons ensuite.” + +Bl. 148. „En présence des faits dissemblables que je viens de vous +exposer, la conclusion déjà posée à propos de l’allaitement naturel +s’impose: il n’y a pas de règle absolue pour l’alimentation +artificielle des nourrissons. Chaque nourrisson a son individualité +physiologique et demande une ration qui lui est particulière. Il faut +procéder par tâtonnements”. + + +Dr. J. Andérodias. ‘La pratique des maladies des enfants.’ 1909. I. par +A. B. Marfan, J. Andérodias et René Cruchet. + +Bl. 244. „Pendant le période qui procède la montée de lait, il n’est +pas utile de mettre très souvent l’enfant au sein. La seconde tétée +aura lieu trois ou quatre heures après la première, et, jusqu’au +troisième jour, on laissera cet intervalle entre les tétées. Lorsque la +montée du lait s’effectue, les seins deviennent durs, tendus, et le +mamelon diminue de longueur. Dans ces conditions, il ne faut pas +laisser un intervalle aussi considérable entre les tétées; les seins +seront donc vidés plus souvent, afin que l’enfant n’ait pas de trop +grandes difficultés pour prendre le mamelon. On le mettra donc au sein +toutes les deux heures d’une façon très régulière. Cet intervalle doit +être considéré comme physiologique pendant le premier mois, car la +digestion dure un peu moins que ce laps de temps.... A partir du +deuxième mois, il sera bon d’espacer les tétées toutes les deux heures +et demie, de façon à laisser reposer la mère un peu plus longtemps. +Enfin, vers le quatrième mois, l’enfant ne prendra plus que toutes les +trois heures.” + +Bl. 245. „Dans les premiers temps, certains enfants sont très paresseux +et mettent longtemps pour téter, plus d’une demi-heure quelquefois. +Dans ces conditions, il est très difficile de leur donner toutes les +deux heures: on espacera les tétées toutes les deux heures et demie ou +trois heures.” + +Bl. 246. „Si on a affaire à un enfant bien portant, qui augmente d’une +façon régulière, et si la mère a suffisamment de lait, on peut se +dispenser de la réveiller. Si au contraire le nourrisson est petit, +tète mal et si la mère est médiocre nourrice, il faut réveiller +l’enfant trop dormeur.... Si, en effect, l’enfant dort trop pendant le +jour et n’a pas ses tétées réglementaires, la nuit il aura faim, +restera éveillé, criera, et l’on verra cette anomalie d’un enfant qui +dort une partie de la journée, ne tétant que quatre ou cinq fois, et +reste toute la nuit suspendu au sein.” + +„Nous venons de dire que le nourrisson ne doit pas téter toute la nuit. +Mais est-il nécessaire de le faire téter à intervalles réguliers? Si +l’enfant ne se réveille pas, il est tout à fait inutile de lui donner +le sein, surtout quand il est vigoureux et bien portant. On l’habitue +ainsi a être sevré la nuit. Lorsque, au contraire, l’enfant se réveille +et crie, si on a affaire à un enfant chétif et qui se développe mal, on +lui donne une fois la nuit, à peu prés à intervalle égal entre la +dernière tétée du soir et la première du matin. Cette tétée de la nuit +sera continuée seulement pendant un mois ou deux. Si l’enfant se +réveille et crie plusieurs fois dans la même nuit, on n’hésitera pas, +s’il est suffisamment nourri, à le laisser crier.” + + +Dr. J. Donnadieu. ‘Pour lire en attendant Bébé’, 8ième édition. 1916. + +Bl. 31. „De très bonne heure, dès la fin de la première semaine, vous +réglerez rigoureusement l’heure des repas de l’enfant; vous le mettrez +au sein toutes les deux heures le jour. Pendant le premier mois +seulement vous lui donnerez deux tétées par nuit, dès le second mois, +une seule. + +Si vous ne suivez pas courageusement cette règle, votre enfant sera +difficile à élever, il passera ses jours et surtout ses nuits à pleurer +et à téter, vous privant ainsi de tout repos, et compromettant +directement votre santé et indirectement la sienne.” + +Bl. 32/33. „C’est surtout la nuit que vous apprécierez le repos que +vous laissera votre enfant en dehors de l’unique tétée que vous lui +donnerez jusqu’à l’âge de quatre mois. + +.... Des le cinquième mois, l’enfant ne tétera plus la nuit.” + +Bl. 34. „Quand l’enfant aura près de trois mois, pendant le jour, +éloignez le moment des tétées; un repas toutes les deux heures et demie +d’abord, puis toutes les trois heures, sera suffisant, d’autant plus +qu’à cet âge, son estomac s’étant développé, il prendra chaque fois une +plus grande quantité de lait qui demandera un temps plus long pour la +digestion.” + +Bl. 35. „On rencontre quelquefois des mamans qui vous disent: „Docteur, +il m’est impossible de faire téter mon enfant toutes les deux heures, +car il fait des sommeils ininterrompus de quatre et cinq heures.” On +est tenté d’ajouter: qui dort dîne. Le proverbe est ici en défaut, et +pour ces enfants paresseux, dormeurs, je réclame plus énergiquement +encore la régularité des repas, toutes les deux heures d’abord, toutes +les trois heures ensuite. + +.... Quand l’heure du repas a sonné, levez votre petit endormi, +secouez-le un peu pour l’éveiller, mettez-le au sein, qu’il tète et se +rendorme après, il n’a pas autre chose à faire, téter et dormir. + +En résumé, un tout jeune enfant doit téter une disaine de fois dans les +24 heures, puis, à mesure qu’il grandit, on diminue le nombre des +tétées ou des biberons, en les espaçant, de façon que, vers la fin du +huitième mois, il ne tète plus que six fois. + +Un enfant vigoureux doit faire son repas en dix ou douze minutes.” + +Bl. 38. „Donnerez-vous les deux seins à chaque tétée? Oui, car il est +inutile de laisser distendre un sein en le laissant se remplir de lait +pendant quatre heures, il vaut mieux les vider tous les deux à moitié à +chaque tétée.” + +Bl. 66. „Allaitement au biberon. 1er jour: nombre des tétées 10; 4me +jour, 10; 2me semaine 10; 3me et 4me semaine 9; 2me mois, 9; 3me mois +8; 4me mois 8; 6me mois 7; 9me mois 6.” + + +Prof. Dr. A. Pinard. ‘La Puériculture du premier âge’. 1916. + +Bl. 68. „Le nombre des tétées doit être de six à huit dans les 24 +heures. Elles doivent être espacées de la façon suivante: toutes les +deux ou trois heures pendant la journée avec un repos, pour la maman et +le bébé, de six à huit heures pendant la nuit.” + +Bl. 69. „La durée de chaque tétée doit être d’un quart d’heure environ. +D’une façon générale, on ne doit pas interrompre le sommeil d’un +nouveau-né bien portant pour le faire téter. Si le sommeil a duré plus +de trois heures dans la journée, on rapprochera ensuite les tétées. + +Rien n’est plus variable que la quantité de lait prise au sein de sa +maman par chaque bébé.” + + +Prof. Dr. A. Auvard. ‘Le nouveau-né’ 7ième édition. 1917. + +Bl. 196. „Allaitement naturel. A partir du quatrième jour, régler +autant que possible les tétées de la façon suivante: + + + Premier Semestre: + Trois premiers mois { Le jour, une tétée toutes + { les deux heures. + { + { La nuit (c’est-à-dire + { environ de 8 heures du + { soir à 8 heures du matin), + { une tétée toutes les + { quatre heures. + + Trois mois suivants { Le jour, une tétée toutes + { les trois heures. + { + { La nuit une tétée toutes + { les six heures. + + Second Semestre: Le jour, une tétée toutes + les trois heures; + remplacer deux tétées par + une soupe chaque fois. + (Par exemple, 8 heures + matin: tétée.—11 heures: + soupe.—2 heures soir: + tétée.—5 heures: soupe.—8 + heures: tétée. + + La nuit, une seule, tétée, + qu’on peut même arriver à + supprimer. + + Troisième Semestre: Le jour, une tétée toutes + les trois heures; en + remplacer deux à trois par + les aliments, qui seront + indiqués ultérieurement. + + Supprimer la tétée de la + nuit.” + + +Bl. 200. „Les rations. (Je rappelle que ces chiffres ne représentent +que des moyennes approximatives, qui varient avec chaque mère, avec +chaque enfant, et aussi avec une série de circonstances laissées à +l’appréciation du médecin).” + +Bl. 245. „Allaitement artificiel. On donnera une tétée toutes les deux +heures (de 8 à 10 tétées par 24 heures).” + +„On peut arriver, après deux ou trois mois, à supprimer la tétée de +nuit.” + + +Mme. Le Dr. Cl. Mulon. ‘Manuel élémentaire de puériculture’. Préface du +Pr. Marfan. 1920. + +Bl. 57. „il faut qu’il soit baigné chaque jour, qu’il ait des repas +très réguliers.” + +Bl. 59. „Un enfant bien dressé doit dormir et laisser dormir ses +parents entre 9 heures du soir et 6 heures du matin. Il prend cette +habitude en quelques jours si on ne cède pas à ses cris. Il est plus +long de dresser un bébé de quelques mois qu’un nouveau-né; on y +parvient cependant avec la persévérance. On peut y parvenir plus vite +en donnant un biberon d’eau bouillie pour calmer les cris et +déshabituer l’estomac de secréter des sucs digestifs la nuit.” + +Bl. 80. „Il faut régler les enfants dès le début de la vie, pour +l’alimentation comme pour le sommeil. L’éducation ne saurait commencer +trop tôt. Quand un bébé vient de naître, après l’avoir nettoyé et +habillé, on le met à dormir dans son lit.... (De moeder gaat ook +slapen). + +....Donc, la mère et l’enfant reposent, nous allons les laisser ainsi 3 +à 5 heures, non pas 24 heures comme on disait autrefois.” + +Bl. 81. „Ensuite, nous allons mettre l’enfant au sein toutes les 2 +heures pendant quelques minutes pour faciliter la montée laiteuse, qui +se fera ainsi en 48 à 60 heures environ. Nous devons l’aider. L’enfant +prendra très peu de choses; il n’a pas besoin d’un long repas, mais +ainsi nous éviterons à la mère la tension douloureuse des seins qui +accompagne la montée laiteuse mal surveillée. + +Dès le 3e jour, l’enfant ne tétera plus que toutes les deux heures ½. +Mais, je vous en prie, apprenez-lui de suite à ne pas téter la nuit. On +peut très bien le dresser ainsi d’emblée, quoiqu’en pensent les mères. +Et il n’ en meurt pas. Ce sont des idées un peu nouvelles, mais elles +sont fondées sur l’expérience de beaucoup de maîtres, sur la mienne +aussi. Quoi’qu’elle ne soit pas séculaire, je suis tout à fait sûre, +qu’on arrive à élever des enfants ainsi et que la maman se porte mieux, +ceci est vrai surtout pour la femme qui travaille. Combien de +malheureuses ouvrières qui, ayant besogné toute la journée, passent +encore leurs nuits à allaiter, parce que leur enfant crie, alors qu’un +enfant bien dressé peut ne pas boire du tout entre 10 heures du soir et +6 heures du matin”. + +Bl. 82. „En passant, je vous signale un petit moyen pour déshabituer un +enfant mal dressé de téter la nuit. La mère vous dît: Je ne peux pas +l’empêcher de crier la nuit. Eh bien, il suffira de remplacer cette +tétée nocturne par un biberon d’eau bouillie. + +Ainsi l’enfant se déshabituera de secréter du suc gastrique à cette +heure anormale et il ne demandera plus à téter la nuit. + +Quelquefois cependant, quand l’enfant est petit, un ch’tiot, comme on +dit dans le Morvan, il faut le laisser téter la nuit une à trois fois, +pendant quelques semaines, parce qu’il n’a pas la force de téter, il ne +prend pas assez, et la secrétion lactée se tarirait.” + + + + +DUITSCHE SCHRIJVERS. + +Dr. Julius Lang. ‘Aertzlicher Rathgeber für Frauen.’ 1892. + +Bl. 46.... so soll es vom ersten Tage an als feststehendes Gesetz +gelten, dass das Darreichen der Brust nur in Zwischenräumen von +mindestens drei Stunden zu geschehen hat.... was aber nur für den Tag +gilt. Zur Nacht muss das Anlegen auf ein zweimaliges eingeschränkt +werden; später genügt wohl auch ein einmaliges Darreichen der Brust und +allmählich ist danach zu streben, dass der Säugling die ganze Nacht +ohne Nahrung zubringt und höchstens werde ihm etwas Wasser gereicht.” + + +Prof. F. Ahlfeld. ‘Lehrbuch der Geburtshilfe.’ 1903. + +Bl. 207. „Tagsüber tut man gut, alle 2 bis 3 Stunden das Kind +anzulegen; nachts lässt man es so lange schlafen, wie es schläft. Indem +man tagsüber pünktlich genau die Stunden einhält, das Kind zu dem +Zwecke selbst weckt, die Nacht aber, auch wenn das Kind schreien +sollte, es erst eine Zeit schreien lässt und erst es einmal trocken +legt, ehe man ihm die Brust bietet, gelangt das Kind durch Gewohnung +bald dahin, tagsüber sich pünktlich zum Trinken zu melden, nachts aber +immer länger zu schlafen, schliesslich durchzuschlafen.” + + +Dr. Engel. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der Kinderheilkunde.’ +1910. I. + +Bl. 170. „Eine gesunde, normale Frau kann ihr Kind ohne jede Anweisung +nähren. Nahrungsbedarf und Milchproduktion stellen sich aufeinander +ein; das Kind selbst bestimmt durch die Dauer des Schlafes die +Trinkpause.” + + +Dr. W. Camerer. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der +Kinderheilkunde.’ 1910. I. + +Bl. 204. „Ueber 7 mal in 24 Stunden oder, wie es noch vielfach Sitte +ist, zweistündlich die Brust zu geben, ist auch bei mangelnder +Milchsekretion und schwächlichen Kindern unzweckmäszig, schon aus dem +Grunde, weil man hierzu häufig ihren Schlaf unterbrechen müszte. Am +zweckmäszigsten ist, 5–6 mal in 24 Stunden anzulegen.” + +Bl. 206. „Wenn es auch zu widerraten ist, ein Kind zum Zweck der +Nahrungsaufnahme aus dem Schlaf zu wecken, so empfiehlt es sich doch +sehr, schon von Anfang an die festgesetzten Zeiten möglichst ein zu +halten, und es ist erstaunlich, wieviel man schon in den ersten +Lebenswochen durch Erziehung erreichen kann. Das Kind soll so gewöhnt +werden, dasz es in der 1. Woche tagsüber etwa alle dreiundeinhalb +Stunden angelegt wird, während man bei Nacht eine fünf- bis +achtstündige Pause einschaltet.” + +Bl. 211. „Unter normalen Verhältnissen ändert sich die Technik der +Ernährung in den nächsten Monaten sehr wenig und gestaltet sich einfach +genug, da man dem gesunden Säugling Freiheit in der Nahrungszufuhr die +meist mit überraschender Regelmäszigkeit erfolgt, lassen kann.” + +Bl. 213. „Die Zahl der täglichen Mahlzeiten beträgt im ersten +Vierteljahre 5–6, gelegentlich 7, später 5–6, so dasz anfangs 3½ später +3½–4 stündige Pausen bei Tag mit entsprechenden Nachtpausen zwischen +den einzelnen Mahlzeiten stattfinden.” + + +Dr. G. Walcher. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und +Gynaekologie.’ 1910. II. + +Bl. 349. „Zweckmässigerweise wird das Kind 5–6 mal täglich angelegt, +nachts soll die Brust und der Magen des Kindes ruhen.” „Beim Stillen +selbst soll immer nur eine Brust gereicht werden, diese aber ist +volkommen leer trinken zu lassen.” + + +Dr. Karl Basch. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und +Gynaekologie’. 1912. IV. + +Bl. 326. Hij spreekt van „etwa 3 bis 4 Stunden, welche Zeit die +natürliche Trinkpause entspricht.” + + +Prof. L. Langstein und Dr. L. F. Meyer. ‘Säuglingsernährung und +Säuglingsstoffwechsel.’ 1914. + +Bl. 94. „Vielfach ist es noch üblich, die Säuglinge alle 2 Stunden +anzulegen.... Als Regel gilt die Verordnung von 5 Mahlzeiten (beim +neugeborenen Kind sind eventuell 6 zu gestatten) in vierstündigen +Pausen; eine längere Nachtruhe ist notwendig. Die Zeiten sind z.B. +6–10–2–6–10 Uhr. Nur sollen diese nicht pedantisch eingehalten und das +Kind soll nicht aus tiefem Schlaf zur Mahlzeit geweckt werden. Man darf +sehr wohl das eine oder andere Mal die Zeiten überschreiten, nur darf +das nicht zur Regel werden. Zudem regelt sich das Nahrungsbedürfnis +bald so, dass das Kind von selbst zur angesetzten Stunde erwacht.” + +Bl. 148. „In den Lehrbüchern findet sich gewöhnlich die Angabe, die +Mutter möge in vierstündigen Pausen fünfmal anlegen und in ihrer +Energie nicht erlahmen. Hinter diesem lapidaren Satz liegt jedoch ein +Berg von Schwierigkeiten.” + + +Prof. Dr. A. Keller en Dr. W. Birk. ‘Leidraad bij de kinderverpleging, +enz.,’ vertaald door Christina Nijman, 1912, met een inleidend woord +van Dr. Cornelia de Lange. + +Bl. 36. „In de eerste dagen en weken bepaalt het kind, door den duur +van den spontanen slaap, de tusschenpoozen van zijn maaltijden; in de +zesde of zevende week probeeren de ouders meestal, het kind er toe te +brengen, dat het ’s nachts doorslaapt zonder voedsel te krijgen. +Overdag worden de voedings-tusschenpoozen verkort, en de voeding ’s +nachts vervalt. In den regel laat het kind zich dan de eerste nachten +nog hooren, daar het gewend is aan de nachtvoeding; het wil de borst +hebben en is onrustig.” + +Bl. 37. „Wij achten b.v. voor het gezonde kind 5 maaltijden per dag +voldoende; een grooter aantal is schadelijk, maar met het oog op het +lichamelijk welzijn en het verloop van het spijsverteringsproces is het +vrijwel hetzelfde, of deze maaltijden alleen over dag, van ’s morgens +tot ’s avonds 9 uur, of wel over de geheele 24 uur verdeeld worden. Men +zou in sommige gevallen aan het kind zelf de termijnsbepaling kunnen +overlaten en het nu eens 3 uur, den volgenden keer 6 uur achtereen +laten doorslapen, mits het aantal van 5 maaltijden niet overschreden +wordt. Dit doen wij echter niet, maar streven naar een zekere +regelmaat, die trouwens meestal ook reeds geëischt wordt voor den +goeden gang der huishoudelijke aangelegenheden en waardoor het kind +tevens aan orde wordt gewend. Natuurlijk mag deze opvoeding tot orde +niet in strijd zijn met de belangen der lichamelijke gezondheid.” + + +Dr. S. Engel en Dr. M. Baum. ‘De zorg voor den zuigeling’, bewerkt door +Jeannette Stärcke-Polenaar, kinderarts, met een inleidend woord van Dr. +J. de Bruin. 1913. + +Bl. 43. „In den regel slaapt het kind al den tijd tusschen de +maaltijden. De meeste gezonde kinderen verlangen daarvoor uit zichzelf +een lange rustpoos; vooral in de eerste maanden van het leven slapen de +kinderen tusschen de maaltijden zeer vast. Daardoor verlangen gezonde +borstkinderen meestal van zelf slechts 5 of 6 maaltijden per dag, +tenzij men ze opzettelijk dwingt aan meer maaltijden te wennen; er zijn +zelfs kinderen die maar 4 keer per dag de borst willen hebben. + +Men zou dus een kind moeten aanleggen wanneer het wakker wordt, en +blijkbaar voedsel verlangt. Wanneer evenwel onverhoopt het kind niet +zelf zijn maaltijden regelt, maar dikwijls en op ongeregelde tijden +voedsel verlangt, moet men hem aan vaste tijden wennen, en hem 5 of 6 +maal daags de borst geven, in afstanden van 3 tot 4 uur. (Noot van de +vertaalster: „Hier te lande geeft men meestal nog 6 of 7 maaltijden per +etmaal. Zelden of nooit zagen wij daarvan nadeel). + +’s Nachts moet in elk geval een pauze van 6 à 8 uur gemaakt worden.” + +Bl. 51. „Van zeer veel gewicht is het, hoelang men wacht tusschen de +maaltijden. Zooals reeds vroeger werd aangetoond, is het in het belang, +zoowel van de moeder als van het kind, dat men altijd regelmatige +pauzen maakt. Komt het kind daar niet vanzelf toe, dan moet men het +daaraan wennen.” + +Bl. 150. „Verder is er nog een belangrijke vraag, om de hoeveel tijd +men een kind moet voeden. Borstkinderen bepalen vaak zelf het tijdstip +voor de voeding, doordat zij, vooral in de eerste weken of maanden, +zoolang slapen, tot zij weder behoefte aan voedsel hebben. Eerder +slapen zij wat langer en slaan zij daardoor een maaltijd over, dan dat +zij een maaltijd te veel nemen. Later echter, wanneer zij langer wakker +blijven, kan men de voeding niet meer regelen naar het slapen en wakker +worden van het kind. Dan moet men dus het kind gewennen aan een +bepaalden regelmaat in de voeding. Bij fleschvoeding blijkt dit reeds +eerder noodig te zijn.” + + +Dr. M. von Pfaundler. ‘Physiologie des Neugeborenen.’ Handbuch der +Geburtshilfe herausgegeben von A. Döderlein. 1915. + +Bl. 638. „Wenn man gehalten wäre, für alle Kinder ein und dasselbe +System der Brusternährung zur Anwendung zu bringen, so würde man wohl +besser fahren mit 5–6 als mit 8–10 Mahlzeiten pro 24 Stunden. +Glücklicherweise besteht aber kein Zwang zu einer solchen starren +Regel—vielmehr—wie noch gezeigt werden soll und der Verf. seit 1899 +immer wieder aufs Nachdrücklichste vertritt—aller Grund sich für den +gut beobachteten Einzelfall von jedem Schema freizumachen.” + +Bl. 640. „Das zweckmäszige Vorgehen ist hiernach genügend vorgezeigt: +Man wird bis zum 3. oder 4. Lebenstag auf etwa 5–6 Mahlzeiten pro Tag +hinaufgehen und versuchen bei dieser Anzahl zu verharren. Zeigt sich +aber (worauf man besonders bei Erstlaktierenden gefaszt sein musz), +dasz die Tagestrinkmenge unter dem Bedarf, die Sekretion bei so langen +Pausen eine ungenügende bleibt oder stellen sich klinische Zeichen der +Unterernährung ein, so wird man unbedenklich die Zahl der Mahlzeiten +auf 7–8 erhöhen; kurz gesagt, man wird das Kind nicht nach der Regel, +sondern die Regel nach dem Kinde richten, man wird auch hier in einem +gewissen Rahmen individualisieren und auf die ‘Stimme der Natur’ +hören.” + +„Hinsichtlich der Einteilung der Mahlzeiten ist auf eine tunlichst +lange Nachtpause von etwa 8 Stunden zu achten und im übrigen die +Einhaltung annähernd gleicher Intervalle zu erstreben. Hier werden oft +einander direkt widersprechende oder unerfüllbare Vorschriften +erlassen. Wenn es z.B. heiszt, man solle das Kind füttern um 6 Uhr, um +10 Uhr vormittags, um 2 Uhr, 6 Uhr und 10 Uhr nachmittags, oder zu +andern festen Zeiten, das Kind dürfe aber nicht aus dem Schlafe geweckt +werden behufs Fütterung, so wird manche folgsame Mutter tagtäglich vor +qualvolle Dilemmen gesetzt”. + +Bl. 614. „Wie viel Nahrung braucht das Neugeborene? Die Beantwortung +der Frage starrt vor Schwierigkeiten.” + + +Dr. G. Tugendreich. ‘Vorträge über Ernährung und Pflege des Kindes.’ +1914. + +Bl. 45. „Obwohl es zweckmäszig ist, das Kind an Regelmäszigkeit der +Mahlzeiten zu gewöhnnen, so darf man bei der Brustnährung—im Gegensatze +zur Flaschenernährung—doch auch einmal von der Zeiteinteilung +abweichen, z.B. wenn unser Kind zur Trinkzeit im tiefem Schlafe liegt.” + + +Prof. Dr. B. Bendix. ‘Lehrbuch der Kinderheilkunde für Aerzte und +Studierende.’ 1916. + +Bl. 42. „Das Brustkind verfügt bei jeder einzelnen Mahlzeit, abhängig +von den jeweiligen Durst und Hunger, frei nach seinem Belieben. Es +weichen daher die Mengen der Einzelmahlzeiten auch desselben Tages sehr +voneinander ab, so dasz z.B. eine Mahlzeit 250–300 g. und die andere +nur 75–100 g. betragen kann...... Unter normalen Bedingungen wird das +gesunde Kind vor einem „Zuviel” durch die allmähliche Ermüdung infolge +des Sauggeschäft, durch die Magenkapazität und die Erschöpfung der +Brustdrüse geschutzt.” + +Bl. 43. „Es ist nicht nötig, den Säugling zur bestimmten Stunde aus dem +Schlafe zu wecken, um ihn zu stillen, sondern man wartet, bis er sich +„meldet”. Auch bei nur 3–4 maligem Trinken innerhalb 24 Stunden holt er +sich das für seinen Bedarf notwendige Milchquantum aus der Brust +heraus. Sehr häufig stellt sich im Verlaufe einiger Wochen das Kind von +selbst auf die 4- oder 3stündige Pause ein.” + +Bl. 45. „Die natürliche Ernährung mit ihren normalen Verhältnissen +soll, insbesondere was Nahrungsmengen und Nahrungsbedarf anbetrifft, +als Wegweiser für die Vorschriften bei der künstlichen Ernährung +dienen. Man soll sich aber jederzeit bewuszt sein, dasz der einzelne +Säugling eine Individualiteit für sich ist, die je nach der ihr von der +Natur verliehenen Leistungsfähigkeit ihrer Zellen und deren Funktion +sparsamer oder mit gröszerem Kraftverbrauch wirtschaftet. Mithin dürfen +die bei der natürlichen Ernährung gewonnenen Zahlen ein wertvolles +Schema für die künstliche Ernährung abgeben. Falsch ist es, sich in +jedem Falle schablonenmäszig an sie zu binden.” + +Bl. 52. „Die Trinkmengen und die Zahl der Mahlzeiten werden bei der +unnatürlichen Ernährung nach den bei der natürlichen gewonnenen +Erfahrungen eingerichtet. Aber ebensowenig wie sich ein starres Schema +für die dem einzelnen Kinde notwendigen Milchquanten aufstellen läszt, +ebenso unmöglich ist es, genau zu präzisieren, mit welcher Lebenswoche +eine Steigerung der Konzentration vorzunehmen ist. Als Regel darf der +Satz gelten: man bleibt solange bei dem vorgeschriebenen Masz der +Nahrung und Grad der Konzentration, als Allgemeinbefinden und Stuhl des +Kindes gut sind, und sein Gewicht ungestört ansteigt, auch wenn Menge +und Konzentration unter der gewöhnlichen Norm stehen. + +.... Es kann nicht oft und ausdrücklich genug hervorgehoben werden, +dasz es eine Schablone für die Ernährung des Säuglings nicht gibt, +weder bezüglich der Menge der Milch noch des Grades der Verdünning. Es +heiszt hier wie in vielen Dingen individualisieren, nicht +schematisieren.” + + + + +ENGELSCHE (AMERIKAANSCHE) SCHRIJVERS. + +G. F. Still. ‘Common Disorders and Diseases of Childhood.’ 1909. + +Bl. 23. „There must be regularity in the feeding and, as a general +rule, I am strongly in favour of waking an infant for its feeds at the +proper time. If this is done from the beginning, the infant usually +very soon gets into the habit of waking just as the feed is due, and +goes off to sleep again quite easily after it. An infant should be fed +every two hours during the first two months, except at night, when the +intervals may be three hours: during the next month it should be fed +every two and a half hours by day, and three hours by night, and from +the end of the third month onwards it should be fed every three hours +by day and may miss one feed at night, until the age of six months, +when it may miss two feeds at night.” + + +Prof. Dr. George Peaslee Shears (New York). ‘Obstetrics normal and +operative.’ 1916. + +Bl. 205. „The French seek to avoid maceration of the epithelium (nml. +van den tepel) by allowing the child to nurse but once in three hours. +My experience has led me to believe that many children cannot obtain +sufficient nourishment in this way, and I prefer (after the +establishment of the milk secretion), to adhere to the two or two and +one-half hour interval, giving both mother and child a rest between +midnight and morning.” + +Bl. 207. „The child may be put to the breast (nml. na de bevalling) +after eight or ten hours, and after that every four hours for two or +three days, or until the milk secretion becomes established. One +interval at night may be extended to six or even eight hours in order +to give the mother a good period of restful sleep.” + + +‘Midwifery by ten teachers’ under the direction of Comyns Berkeley. +1917. + +Bl. 566. „During the first two days the secretion of the breasts is but +small in quantity, and the child must not be put to the breast more +often than every six hours.... With the establishment of full +lactation, which generally occurs on the third or fourth day, the +infant must have its regular hours of feeding. It may be stated as +generally convenient if the infant has its first feed at 7 a.m., +followed at 9.30 a.m. by its morning bath. After the bath the child has +its second feed, and after this feed and the fatigue of the bath, the +child may be allowed to rest for three hours. It is then fed regularly +every three hours, being awakened if necessary, until about 10.30 +p.m..... After the first week the baby will be having its full feeds, +and will generally sleep till 7 a.m., with only one feed in the night. +In this way the infant will have seven feeds during the twenty-four +hours, and the mother and nurse will have a good night’s rest.” + + + +Wie heeft gelijk? + +Ik eindig met de opmerking, welke Jacobi in 1900 op een congres van +Amerikaansche geneeskundigen maakte, bij eene discussie over de beste +methode voor de voeding van zuigelingen: + +„He had come with the idea, that he would learn how infants should be +fed, but he finds that he was mistaken, for every speaker has given a +different method. For his part, he thinks that, above all, the +physician should mix milk with.... brains. It is astonishing how handy +brains are in the practise of medicine. Every man told us how he feeds +babies, and every one thinks his way is right, but a lot of babies +think it is wrong,” + +en ik voeg er bij: + +„Time has come, that the babies tell us what they think to be the +best.” + + + + + + + + +AANHANGSEL II. + +ENKELE RECEPTEN. + + +Rijstwater, gortwater, wordt bereid van 1 eetlepel rijst of gort, die +men met 1 liter water 15 minuten laat koken. Daarna laat men even +bezinken en giet het rijstwater of gortwater af. (Gorter.) + +Voor gort-, rijst- of haverafkooksel neemt men ongeveer 1 theekopje per +liter, gekookt tot lobbig aftreksel en daarna door een fijn zeefje of +gaas gezeefd, aangevuld met rietsuiker of melksuiker. (Scheltema). + +Gortwater of rijstwater. 1 eetlepel gort of rijst met één liter water +gedurende 15 minuten te koken, daarna door een doekje te filtreeren en +zoo noodig met gekookt water aan te vullen tot ½ liter. Tevens voegt +men een weinig zout toe, zóó dat de smaak niet meer onaangenaam flauw +is. + + + Gortwater en rijstwater bederven zeer spoedig, zoodat zij elken + dag, op warme zomerdagen tweemaal daags, versch moeten worden + bereid. Omdat de bereiding tijdroovend is en omdat gevaar voor + bederven bestaat, gebruike men ze alleen, indien met water verdunde + melk niet goed verdragen wordt. (Oosterbaan). + + +Op ½ liter water komt 1 eetlepel rijst of 1½ eetlepel haverdegort, +welke men 10–12 minuten laat koken, daarna door een doekje of zeefje +filtreert en waaraan men dan weer evenveel water toevoegt als verkookt +is en zooveel zout dat de smaak niet onaangenaam flauw is. Men kan ook +de rijst of de gort opzetten met 1 liter water en dit laten verkoken +tot op ½ liter. + +Haverdegort wordt vóór het koken met koud water afgewasschen en rijst +moet eerst „geblancheerd” worden. Deze laatste bewerking bestaat +hierin, dat men het water, waarmede de rijst op het vuur is gezet, +afgiet, zoodra het begint te koken. De aldus geblancheerde rijst wordt +dan opnieuw met schoon water opgezet en dit tweede afkooksel gebruike +men ter verdunning van de koemelk. (de Lange). + +Havergort. 60 gram havergort wordt in warm water afgewasschen, dan met +1 liter koud water opgezet en een uur lang boven een matig vuur +gekookt; dan doet men er 3 gram zout bij en giet alles door een fijne +zeef. Wat daaruit druppelt, is havergortwater. Wanneer een dunnere +substantie is voorgeschreven, wordt het afkooksel weer met gekookt +water tot 1 liter aangevuld. + +Havervlokken. Wordt het afkooksel bereid uit havervlokken, dan neemt +men 60 gram havervlokken op 1 liter water en kookt dit slechts 20 +minuten lang. (Keller en Birk). + +Meelwater. 20 gram tarwebloem of havermeel wordt met 1\2 liter water +koud aangemengd; een andere 1\2 liter water wordt opgezet en aan de +kook gebracht; men doet er 3 gram zout bij en zoodra het water kookt, +wordt de eerste helft erbij gedaan. Voor oudere kinderen neme men 40 +gram meel en 1 liter water. (Keller en Birk). + + +Karnemelkvoedsel wordt bereid door 1 liter karnemelk onder gestadig +roeren op zacht vuur met 1 kleine lepel rijstebloem (15 gram) en 1–2 +eetlepels suiker (30–60 gram) 10 minuten te laten doorkoken, waarna men +er weer zooveel gekookt water aan toevoegt, dat er 1 liter over is. +Voor zieke kinderen of pasgeborenen neemt men vaak een +maltose-praeparaat (30–45 gram per liter). + +Karnemelk is ook in bussen gecondenseerd en ingedampt te krijgen, men +vindt de gebruiksaanwijzing op de bus vermeld. (Gorter). + +15–20 gram (1½ gewoon gevulde lepel) rijstmeel, die vooraf met water +[11] flink gaar gekookt is tot een dikke pap, wordt gemengd met 1 liter +karnemelk en met 45 à 60 gram (3 opgehoopte lepels) witte suiker en het +geheel nogmaals flink gekookt. + +Rijstmeel geeft, vooral met de karnemelk die van melk, en niet van room +is gekarnd, een meer egaal, minder vlokkig praeparaat dan andere +meelsoorten. Wanneer rijstmeel niet in een winkel of bij een bakker is +te verkrijgen, kan het door fijnstampen van prima rijst gemakkelijk +worden bereid. + +Op 1 liter karnemelk komt 15 gram tarwemeel; al roerende worden zij +samen aan de kook gebracht, en als zij koken, laat men ze nog 10 +minuten lang doorkoken, steeds roerende. Vervolgens voegt men 30 gram +witte suiker toe. De pan moet goed geëmailleerd zijn; het roeren +geschiede liefst met een houten lepel, het koken moet plaats hebben op +een „fel vuurtje”, zooals de technische term der huismoeders luidt. +(Chr. Nijman). + + +Gecondenseerde melk, bussemelk, Zwitsersche melk. Met of zonder +suikertoevoeging ingedampt. Wordt volgens voorschrift op de bus met +water verdund. (Gorter). + + +Voor bijvoeding wordt gebruikt pap, bereid van verschillende +meelsoorten, als rijst, rijstemeel, tarwemeel, havermeel, gerstemeel, +griesmeel, gort, grutjes, maizena, arrowroot, tapioca, sago, beschuit, +brood, met water, melk en water, bouillon. Arrowroot, maizena, tapioca, +sago hebben een gering gehalte aan eiwit. Pap van havermeel is erg +slijmerig. + +Verder worden gegeven soep van gries of rijst, met bouillon of tevens +met fijngemaakte groenten, moes van spinazie, wortelen enz. Ook zeer +fijn verdeelde groenten, met weinig water opgezet, waarvan men al het +vocht laat verkoken. In aanmerking komen spinazie, worteltjes, +doperwtjes, bloemkool, gestoofde sla, andijvie. Ook aardappelpurée. + +Van vruchten komen, naast vruchtensappen en vruchtenmoes, in +aanmerking: appelen, peren, bananen, sinaasappelen, kersen, frambozen, +druiven (zonder pit of schil). + +Alles hangt af van den zuigeling. + +Zooals reeds onder ‘Allerlei’ werd opgemerkt, is de met het tanden +krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde speekselafscheiding der +speekselklieren eene aanwijzing, dat men van dat oogenblik ook andere +spijs dan uitsluitend melk kan toestaan. Mijne bedoeling met die +opmerking is, dat niet te lang mag worden voortgegaan met allerlei +papjes, doch dat met het tandenkrijgen ook aan het kind langzamerhand +vaster voedsel mag gegeven worden. Een beenen ring mag men gerust +vervangen door een korstje brood, om op die wijze reeds het kind te +gewennen aan het gebruiken van vaster voedsel. + + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Ik verwijs voor eene, naar het mij voorkomt, praktische kleeding, +zoowel voor zuigelingen als voor oudere kinderen, naar de boekjes, +uitgegeven door de vereeniging: „Vakschool voor verbetering van +vrouwen- en kinderkleeding” te Amsterdam. I. Zuigelingenkleeding. II. +Kruipleeftijd. III. Kleeding voor meisjes van 2–6 jaar. IV. Kleeding +voor jongens van 2–6 jaar. V. Kleeding voor meisjes van 6–12 jaar. VI. +Kleeding voor meisjes van 12–17 jaar, door M. A. Faddegon en J. L. +Redeke-Hoek. + +[2] W. Preyer, Die Seele des Kindes. 7te Auflage, 1908. + +[3] Het is mij niet lang geleden gelukt eene borst, nadat het kind vier +weken lang, wegens zware ziekte van de moeder, kunstmatig gevoed was, +wederom door het zuigen van het kind tot voldoende zogafscheiding te +brengen, zoodat de intusschen herstelde moeder haar kind geheel aan de +borst kon voeden. + +[4] Het vermelden van deze persoonlijke opvatting is niet geheel van +gevaar ontbloot, en dat gevaar betreft zoowel den zuigeling als +mijzelf. Voor den zuigeling schuilt het gevaar hierin, dat de nog +onervaren moeder, telkens wanneer het kind schreit, vermoedt dat het +honger heeft en het dus aan de borst legt, waaraan het dan eenige malen +zuigt, doch niet met die lust en die kracht, welke inderdaad berust op +de natuurlijke behoefte aan voedsel, om vervolgens slechts met den +tepel te spelen en weder met schreien te beginnen, zoodra zijne moeder +hem in de wieg wil leggen. De moeder moet zich er voor hoeden, op die +wijze van haar kind een dwingeland te maken, die haar alle rust beneemt +en zichzelf schade berokkent. + +Voor mij schuilt het gevaar hierin, dat men, door onnadenkend volgen +van mijne opvatting, het kind tot een lastig kind maakt en ten prooi +geeft aan stoornissen in de spijsvertering, en mij daarvan de schuld +geeft. Voor onnadenkend opvolgen van eene, in eene langdurige praktijk +verkregen, overtuiging, kan ik echter geene verantwoordelijkheid +aanvaarden. Ik heb, bij het schrijven van dit werkje, erop gerekend, +dat iedere moeder haar best zal doen zoo spoedig mogelijk de +eigenaardigheden van haar kind te leeren kennen en daarbij trachten wil +verstandig te handelen. Zooals gezegd, zal de oplettende moeder al +spoedig zekere regelmaat ontdekken en daarmede rekening moeten houden. + +[5] Dr. C. N. van de Poll. Over het voeden van zuigelingen. Medisch +weekblad, 1915. + +[6] Zie aanhangsel. + +[7] Dr. E. Gorter. De voeding van gezonde en zieke zuigelingen, 2e +druk. Hij raadt gewone suiker aan. 1 eetlepel suiker weegt 30 gram, 1 +paplepel 15 gram, 1 theelepel 5 gram (opgehoopt); voor een afgestreken +lepel rekene men de helft. + +Voor het meel neme men zuivere rijst- of tarwebloem. 1 eetlepel meel +weegt 20 gram, 1 paplepel 10 gram, 1 theelepel 3–4 gram (opgehoopt). + +[8] Foto’s door de firma D. J. Boom, Hengelo (O.). + +[9] Pneuma = lucht, welke, in gezonden toestand, alles wat niet vast +is, dus alle holten, vult. + +[10] In Amstelodamum, December 1919, schrijft J. W. F.: „In zijn Uit ’t +leven van een leurder (1915, 30) vertelt Jos. Goudswaard over „de +heilige lengte van Christus”, een strook papier van 1,65 Meter lang, +waarop gedrukt staan litanieën en gebeden, dat zijn eigenaar, zijn +drager behoedt voor alle kwalen; die vrouwen zonder smart doet baren en +de huizen waarin ze zich bevindt veilig maakt tegen kwade geesten, +uitgedrukt in deze woorden: „De zegen des Allerhoogsten van God den +Vader, God den zoon en God den H. Geest, gebenedijde dit huis, en al +wat daar binnen en buiten is; menschen en vee, alle eten, spijs en +drank en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en +gezegend.” + +[11] Het is aan te bevelen om meel, dat met melk of eene andere +eiwithoudende grondzelfstandigheid zal worden gekookt, vooraf met water +gaar te koken. Meel, rijst, griesmeel enz. die met melk tot een pap +zullen dienen, worden in het Groningsche Ziekenhuis vooraf met weinig +water gaar gekookt tot een dikke waterpap. Moet hiermede iets anders, +b.v. melk of karnemelk worden verdund, dan wordt daarvoor later in +evenredigheid een kleinere hoeveelheid water gebruikt. (Scheltema). + + + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75911 *** |
