summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/75911-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '75911-0.txt')
-rw-r--r--75911-0.txt9578
1 files changed, 9578 insertions, 0 deletions
diff --git a/75911-0.txt b/75911-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..404b5d6
--- /dev/null
+++ b/75911-0.txt
@@ -0,0 +1,9578 @@
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75911 ***
+
+
+
+
+
+ MOEDER EN KIND
+ ZWANGERSCHAP BEVALLING EN
+ VERZORGING VAN ZUIGELINGEN
+
+ VIERDE VEEL VERMEERDERDE DRUK
+ VAN „DE AANSTAANDE MOEDER”
+
+
+ DOOR
+ DR. C. N. VAN DE POLL
+ VERLOSKUNDIGE EN VROUWENARTS TE AMSTERDAM
+
+
+ AMSTERDAM
+ SCHELTEMA & HOLKEMA’S BOEKHANDEL
+ K. GROESBEEK EN PAUL NIJHOFF
+
+
+
+
+
+
+
+
+ AAN MARIANNE ELISABETH UIT DANKBAARHEID
+ VOOR LIEFDE EN TOEWIJDING, ALS VROUW EN MOEDER.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+VOOR DEN EERSTEN DRUK.
+
+Het kind, als product van het mannelijke en het vrouwelijke, is, zooals
+onze schoone moedertaal zoo juist uitdrukt, onzijdig, d.w.z. dat noch
+het mannelijke noch het vrouwelijke in den aanvang op den voorgrond
+treedt, al moge de bouw van het lichaam in velerlei opzicht reeds
+aanwijzen, waartoe het komen zal.
+
+Het kind is, pasgeboren, tot zekere hoogte nog maar natuurlijk, niet
+geestelijk, ontwikkeld, al brengt het den geest mede als mogelijkheid
+tot ontwikkeling daarvan. Het pasgeboren kind is dus mensch in aanleg
+en zal zich tot mensch te ontwikkelen hebben, door ontwikkeling van den
+geest tot begrip.
+
+Zoo verhoudt het pasgeboren kind zich als een menschelijk dier, dat
+slechts gedeeltelijk voor zichzelf zorgen kan en hulp behoeft van haar,
+die het ter wereld bracht. Ofschoon hieruit volgt, dat moeder en vader
+hebben acht te geven ook op de ontwikkeling van den geest van hun kind,
+en vooral in dàt opzicht eene groote en grootsche taak haar wacht, die
+moeder worden zal, heeft zij, om te beginnen, te bedenken, dat het
+kind, waarvan zij de moeder zijn zal, ontsproten uit haar lichaam,
+allereerst den aard zal hebben van haar natuurlijk leven, zoodat—in ’t
+algemeen gesproken—alleen de gezonde moeder een gezond kind kan ter
+wereld brengen, de gezonde moeder de meeste waarborgen geeft voor een
+gezond nageslacht.
+
+Reeds vóór de vrouw moeder wordt heeft zij dus zorgen en is, met het
+oog daarop, eenige kennis van de wijze waarop in haar binnenste het
+kind wordt aangelegd en van de plaats waar de vrucht zich tot kind
+ontwikkelt, niet overbodig te achten, opdat zij kunne begrijpen, waarom
+zij, mede ter wille van haar kind, voor zichzelve heeft zorg te dragen.
+
+
+
+De plichten van den aanstaanden vader zijn evenmin gering. Het kind,
+ontsproten uit vereeniging van man en vrouw, is, natuurlijk en
+geestelijk, herhaling en voortzetting van het voorafgegane of
+voorafgaande geslacht en zal dus vertoonen, wat men onder erfelijkheid
+verstaat. Beide factoren zijn in het product begrepen, en is dus te
+begrijpen, dat het kind van man en vrouw niet afwijkt van, doch gelijkt
+op beiden, zoodat ook de vader, vóór hij zich zoo zal kunnen noemen,
+heeft te bedenken hoe, en heeft zorg te dragen dat hij, met recht, zal
+zijn een goed vader, natuurlijk en geestelijk. De voorafgegane
+opmerking dient dus uitgebreid te worden tot: slechts gezonde ouders
+kunnen waarborgen geven voor een gezond nageslacht.
+
+Dit geschrift wil trachten de aanstaande moeder eenigermate in te
+lichten en raad te geven met betrekking tot velerlei uit den tijd
+waarin, en omtrent datgene waarvoor, zij in „blijde verwachting” leeft.
+
+
+
+VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
+
+Toen de uitgevers mij verzochten voor een tweeden druk van „De
+aanstaande moeder” te willen zorg dragen, voldeed ik daaraan met
+genoegen. Ik heb daarbij rekening gehouden met een ander verzoek,
+uitgegaan van talrijke vrouwen, om haar, als de gelegenheid zich
+voordeed, iets meer omtrent den zuigeling te vertellen. Dit laatste was
+niet gemakkelijk, doch ik heb mijn best gedaan. In hoeverre ik geslaagd
+ben, mogen zij, die mij tot nu toe van hare waardeering zoo ruimschoots
+blijk gaven, beoordeelen.
+
+
+
+VOOR DEN DERDEN DRUK.
+
+Met vreugde vernam ik van de uitgevers, dat de tweede druk reeds binnen
+twee jaren was uitverkocht. Voor dezen derden druk heb ik een uitvoerig
+register vervaardigd, dat, naar ik verwacht, de bruikbaarheid van het
+boek zal verhoogen.
+
+
+ Dr. C. N. van de Poll.
+
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD
+
+
+ Bladz.
+Bevruchting 1
+Zwangerschap en enkele zwangerschapsverschijnselen 13
+Andere zwangerschapsverschijnselen, onaangenaamhedenen kwalen 23
+Leefregelen voor de zwangerschap 36
+Meervoudige zwangerschap 55
+Miskraam 59
+De kraamkamer en de benoodigdheden voor de bevalling 64
+Voorbereiding voor de bevalling 70
+De bevalling of baring 76
+Het kraambed 93
+Het kind 102
+Eenige opmerkingen met betrekking tot het zoogen en de voeding
+ van een zuigeling 128
+Allerlei opmerkingen met betrekking tot het kind 180
+Het een en ander omtrent bijgeloof, volksgewoonten, enz. bij
+ zwangerschap, baring en in het kraambed 203
+Aanhangsel I 251
+Aanhangsel II (Enkele recepten) 279
+Register 283
+
+
+
+AFBEELDINGEN. Tegenover bladz.
+
+Tweelingen bijna 4 maanden oud, meisje (zittend) 2¾ jaar oud
+ Tegenover den titel.
+Voorstelling van de inwendige geslachtsorganen der vrouw,
+ van de voorzijde gezien 16
+Zwangerschapsstrepen en donkergekleurde lijn bij eene zwangere
+ vrouw 32
+Ligging van het kind in den buik der zwangere vrouw aan het einde
+ der zwangerschap 48
+Ligging van tweelingen in den buik der zwangere vrouw aan het
+ einde der zwangerschap 64
+Tweelingen 8 maanden oud 176
+
+
+
+
+
+
+
+
+BEVRUCHTING.
+
+
+Het kind ontstaat ten gevolge eener vereeniging van man en vrouw, uit
+samensmelting van het mannelijke en het vrouwelijke, van ei-cel en
+zaad-cel, tengevolge van bevruchting. Want bevruchting is
+samensmelting, éénworden van ei-cel en zaad-cel. Ei-cellen of eieren en
+zaad-cellen of zaaddiertjes noemt men geslachts-cellen.
+
+Om eenigermate tot begrip te brengen wat daaronder te verstaan is, gaan
+wij in gedachte een oogenblik terug tot de eenvoudigste dieren die
+bekend zijn, tot die welke slechts bestaan uit een, alleen door het
+mikroskoop zichtbaar, klompje eiwit, waarin nog een kleiner klompje,
+dat men „kern” noemt, is waar te nemen. Dat eiwitklompje, met
+ingesloten kern, noemt men een cel en een diertje, dat slechts uit één
+cel bestaat, een één-cellig dier.
+
+De vermenigvuldiging van zulk een diertje, zijn voortplanting,
+geschiedt aldus, dat de kern en het eiwit, dat er omheen ligt, zich
+deelen, zoodat er twee zulke klompjes eiwit ontstaan, ieder van een
+kern voorzien.
+
+Elke nieuw ontstane cel deelt zich, op dezelfde wijze, weder in twee
+cellen, zoodat, door voortgezette deeling, een groot aantal cellen, een
+groot aantal één-cellige diertjes ontstaat. Dat gaat evenwel niet
+eindeloos zoo door. Er komt een einde aan die vermenigvuldiging door
+deeling en de diersoort zou te gronde gaan, indien er niet, na eenigen
+tijd, iets anders gebeurde, waardoor een cel weder het vermogen krijgt,
+om zich, door voortgezette deeling, te vermenigvuldigen. Dat andere
+noemt men bevruchting.
+
+Door het mikroskoop het leven van die één-cellige diertjes gadeslaande,
+kan men waarnemen hoe er een oogenblik komt, waarop twee zulke diertjes
+elkander naderen, zóó dicht, dat zij elkander aanraken en ten slotte
+samensmelten, zich vereenigen tot één eiwitklompje met één kern, tot
+één cel. Als dat geschied is, heeft bevruchting plaats gevonden en
+begint de deeling van het dier, nu moederdier te noemen, opnieuw, in
+twee, vier, acht, enz. deelen, die, als dochter-cellen, als op zichzelf
+levende één-cellige dieren, de soort in stand houden, tot na eenigen
+tijd opnieuw de behoefte aan vereeniging, aan bevruchting, optreedt.
+
+Als zulk een cel, dus als een eiwitklompje met een kern, heeft men zich
+het ei, waaruit de hoogere dieren, ook de mensch, zich ontwikkelen,
+voor te stellen. En evenals de één-cellige diertjes ontstaan door
+deeling van de ééne, de moeder-cel, ontstaat de mensch door deeling van
+de ei-cel. Daarbij valt evenwel het volgende op te merken.
+
+De dochter-cellen, door de deeling ontstaan, leiden bij de één-cellige
+dieren een afzonderlijk leven. Bij de hoogere dieren en bij den mensch
+is dat niet het geval. Het lichaam van den mensch bestaat uit een
+ontelbaar aantal cellen, die, oorspronkelijk door deeling der ei-cel
+ontstaan, met elkander vereenigd blijven en te zamen het menschelijke
+lichaam vormen.
+
+Daarom rekent men het menschelijke lichaam tot de veel-cellige
+organismen.
+
+Men zou nu kunnen meenen, dat uit de vereeniging van twee cellen,
+onverschillig welke, van een veel-cellig organisme, evenals bij de
+één-cellige dieren, één nieuwe cel zou kunnen ontstaan, waaruit een
+nieuwe reeks van cellen, een nieuw individu, zich kan ontwikkelen. Dat
+gebeurt echter niet. Wel is waar zijn er organismen, bestaande uit
+koloniën van cellen, waarvan, na een bepaalden levensduur, alle cellen
+geslachts-cellen worden, doch waar de ontwikkeling van een organisme
+tot hoogeren graad gekomen is, houdt dat op. In hooger ontwikkelde
+organismen, zooals de hooger ontwikkelde planten en dieren, scheidt de
+ontelbare hoeveelheid cellen van het lichaam zich in twee groepen,
+namelijk in cellen die tot den bouw van weefsels en organen van plant
+of dier dienen, en in cellen die tot bevruchting bestemd zijn, tot
+geslachts-cellen. Dat is dan ook de reden, waarom, met de vereeniging
+van twee geslachts-cellen, met de bevruchting dus, het hooger
+ontwikkelde dier niet als zoodanig verdwijnt, doch behouden blijft; het
+zondert alleen de geslachts-cellen af om zich te vermenigvuldigen, tot
+het eindelijk, door verbruik van zijne lichaams-cellen of door een
+andere oorzaak, ten onder gaat.
+
+Zooals nu bij de één-cellige dieren eene samensmelting van twee cellen
+noodig is om een nieuw, volledig individu te voorschijn te brengen, zoo
+moeten ook de geslachts-cellen van den mensch samensmelten om het
+ontstaan van een nieuw individu, dat uit bij de deeling ontstane cellen
+wordt opgebouwd, mogelijk te maken. Die samensmelting heeft op ongeveer
+dezelfde wijze plaats als wij voor de één-cellige diertjes beschreven.
+
+De vrouwelijke geslachts-cellen, de eieren, ontwikkelen zich, door
+cel-deeling, in grooten getale, in de eierstokken, de mannelijke
+geslachts-cellen, ook door cel-deeling, in nog grooteren getale,
+eveneens in daartoe aangelegde organen.
+
+De eierstokken der vrouw liggen in het onderste gedeelte der buikholte.
+De ei-cellen, welke zich daarin ontwikkelen, kunnen zich niet uit
+zichzelf bewegen, zoodat van een samenkomen met de mannelijke
+geslachts-cellen al heel weinig zou terecht komen, indien niet aan deze
+laatsten eene beweegkracht was toebedeeld, waardoor in dat gemis
+voorzien wordt. Deze hebben eigen beweging, waardoor zij, in het
+lichaam der vrouw gebracht, zich met groote snelheid voortbewegende,
+door daartoe aanwezige kanalen, het ei te gemoet gaan, om, bij de
+ontmoeting, er mede saam te smelten. Op dien langen weg, lang in
+verhouding tot de kleinheid der zoogenaamde zaad-cellen, zal er menige
+cel niet tot het doel geraken, doch daarin wordt voorzien door het
+groote aantal dat tegelijkertijd in het vrouwelijke lichaam gebracht
+wordt. Daardoor is het mogelijk, dat ten slotte toch één dier cellen
+het ei ontmoet en tot de noodzakelijke samensmelting overgaat. Eén dier
+cellen, omdat met duidelijkheid is aangetoond, dat slechts één zaad-cel
+in het ei binnendringt, waarna aan het ei oogenblikkelijk zulk eene
+verandering plaats grijpt, dat het binnendringen van andere zaad-cellen
+belet wordt.
+
+Nadat de zaad-cel het ei is binnengedrongen en de samensmelting
+zoodanig heeft plaats gevonden, dat beiden tot één cel met één kern
+vereenigd zijn, is de bevruchting afgeloopen, is het ei bevrucht
+geworden. Van stonde aan begint het bevruchte ei zich te deelen in een
+steeds grooter wordend aantal cellen, die, vereenigd blijvende, ten
+slotte, na allerlei groepeeringen en veranderingen, een nieuw individu,
+de vrucht of het kind, vormen. Van het oogenblik der samensmelting af
+begint dus de aanleg van het kind, en, daar beide cellen levende cellen
+waren, kan men van de eerste deeling af spreken van eene levende
+vrucht, zij het ook dat die vrucht, als vrucht in aanleg, nog in geen
+enkel opzicht gelijkt op die, welke bij de geboorte als eene
+menschelijke vrucht te voorschijn komt.
+
+Voor de ontwikkeling van de bevruchte ei-cel tot ontwikkelde vrucht is
+tijd noodig en die tijd is de tijd der zwangerschap. Voortdurend heeft
+in dien tijd nieuwvorming van cellen plaats, die, door rangschikking
+volgens vaste wetten, het lichaam, met al zijne weefsels en organen,
+opbouwen.
+
+Die nieuwvorming, die rangschikking, dat opbouwen uit teedere cellen
+heeft plaats in een gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat, geborgen
+in de buikholte, in zijn binnenste de zich ontwikkelende vrucht
+herbergt, tot den tijd dat zij, tot volkomen ontwikkeling gekomen,
+buiten het moederlijke lichaam een betrekkelijk onafhankelijk leven kan
+beginnen.
+
+Dat gedeelte van het vrouwelijke lichaam, dat orgaan, noemt men de
+baarmoeder, die, door eene kleine opening, welke zoowel ingangs- als
+uitgangsopening is, door middel van de scheede met de lichaamsopening
+in de uitwendige geslachtsdeelen der vrouw in verbinding staat. Langs
+dien weg, door scheede en ingangsopening der baarmoeder, den
+baarmoedermond, bewegen zich de zaad-cellen in de richting der
+buikholte, om het te bevruchten ei te ontmoeten. Langs dien weg ook
+wordt de ontwikkelde vrucht uitgedreven, om voor het eerst het licht
+der wereld te aanschouwen.
+
+Het is duidelijk dat de cellen, welke zich uit de bevruchte ei-cel
+ontwikkelen, dit slechts kunnen doen wanneer daarvoor voldoende
+voedingsstoffen aanwezig zijn. Die voedingsstoffen vindt het ei niet in
+zichzelf, daartoe is het te klein. Het is immers nauwelijks met het
+bloote oog waar te nemen. De noodige voedingsstoffen nu vindt het
+eveneens in de baarmoeder.
+
+Alvorens te bespreken hoe dat geschiedt, behooren wij na te gaan hoe
+het eitje in de baarmoeder komt, waarbij tegelijkertijd kan worden
+medegedeeld, waar en wanneer de bevruchting plaats vindt.
+
+Zooals wij reeds zeiden, worden de eieren in de eierstokken gevormd.
+Deze—er zijn er twee—liggen in de onmiddellijke nabijheid van de
+baarmoeder, in het onderste gedeelte der buikholte. Van het bovenste
+gedeelte der baarmoeder gaat, beiderzijds, een zeer nauwe buis uit, die
+tot vlak aan den eierstok nadert en daar eene kleine trechtervormige
+opening heeft, welke, door eenige franjevormige strookjes omkranst, het
+ei, dat uit den eierstok losraakt, opneemt. Ofschoon het ei geen eigen
+beweging heeft, bereikt het toch door een dier buizen of kanalen de
+holte der baarmoeder, en wel doordien er eene strooming bestaat in een
+laagje vocht, dat de binnenvlakte der buizen, der eileiders, bedekt.
+Die vloeistofstrooming is gericht naar de baarmoederholte en zij
+beweegt het kleine eitje naar de baarmoeder, waar het tot verdere
+ontwikkeling zal komen. Ergens op dien weg van eierstok tot
+baarmoederholte ontmoeten ei en zaad-cel elkander, welke laatste zich
+tot zóó ver, door de baarmoeder heen, heeft voortbewogen. Op dien weg
+heeft dus de bevruchting plaats.
+
+Ter beantwoording van de vraag, wanneer de bevruchting geschiedt,
+hebben wij na te gaan hoe en wanneer een eitje uit den eierstok
+losraakt.
+
+Het is bekend, dat het gewoonlijk niet eerder tot bevruchting en
+zwangerschap komt, voor het meisje zekeren leeftijd en zekeren graad
+van ontwikkeling bereikt heeft, voor zij geslachtsrijp is. Die
+ontwikkeling maakt zich, behalve door eenige opvallende veranderingen
+in den lichaamsbouw, vooral kenbaar door het optreden der maandstonden
+(onwelzijn, regels, menstruatie, periode), hetgeen dan ook als
+uiterlijk kenteeken van bereikte ontwikkeling wordt opgevat, waaraan,
+onzichtbaar, het rijpworden en het uitstooten der eieren uit den
+eierstok beantwoordt.
+
+Aan het losraken van het ei gaat eene zwelling van den eierstok vooraf,
+maar vooral van dat gedeelte waar een eitje, gereed tot uitstooting,
+gelegen is. Bij toenemende spanning, ten gevolge dier zwelling,
+ontstaat daar ter plaatse een scheurtje aan de oppervlakte van den
+eierstok, en het eitje wordt, met eene geringe hoeveelheid vocht,
+uitgestooten en vindt zijn weg, door vloeistofstrooming, naar den
+eileider. Dan is de gelegenheid tot bevruchting gegeven en deze zal
+geschieden, wanneer levende zaad-cellen van den man aanwezig zijn. Dat
+zal menigmaal het geval zijn, omdat, na gemeenschap tusschen man en
+vrouw, de zaad-cellen, door baarmoeder en eileiders heen, zich reeds in
+de richting van den eierstok bewogen hebben en gewoonlijk lang genoeg
+in leven blijven om de uitstooting van een eitje, als die nog niet
+mocht hebben plaats gevonden, af te wachten.
+
+Is het tijdsverschil tusschen de gemeenschap en de uitstooting van het
+eitje al te groot, dan zullen de zaad-cellen kunnen sterven of aan
+levenskracht hebben ingeboet, en zal het eitje onbevrucht blijven. Zoo
+niet, dan zal de bevruchting weldra zijn tot stand gekomen.
+
+Reeds tegen den tijd dat een eitje uit den eierstok zal worden
+gestooten is het slijmvlies, dat de binnenvlakte van de baarmoeder
+bekleedt, gezwollen en bloedrijker geworden, als maakte het zich gereed
+het bevruchte eitje in ontvangst te nemen. Heeft bevruchting plaats
+gevonden, dan nemen zwelling en bloedrijkdom toe; is bevruchting echter
+uitgebleven, dan gaat het eitje te gronde en zwelling en bloedrijkheid
+van het slijmvlies verdwijnen, doordat daaruit bloeding optreedt en het
+bloed zich naar buiten ontlast. De menstruatie treedt in. De
+menstruatie kan dus worden opgevat als een teeken, dat een eitje,
+hetwelk te voren uit den eierstok ontsnapt is, niet is bevrucht
+geworden, waaruit volgt, dat bevruchting voor den tijd, waarop de
+menstruatie verwacht wordt, plaats grijpt.
+
+Als van zelf dringt zich hierbij de vraag aan ons op, wanneer het den
+geschiktsten tijd is voor de gemeenschap tusschen man en vrouw, om de
+kans te hebben dat een eitje bevrucht wordt. Om die vraag te
+beantwoorden moeten wij nog mededeelen, dat er niet alleen in de
+eileiders een vochtlaagje aanwezig is, dat, door eene bijzondere
+inrichting, eene strooming heeft naar de baarmoederholte toe, doch dat
+hetzelfde het geval is in de baarmoeder, met dien verstande, dat de
+strooming in de baarmoeder gericht is naar de opening, welke, in het
+onderste gedeelte van dat orgaan aanwezig, zich in de scheede bevindt.
+Wanneer wij nu bedenken dat die strooming aan de zaad-cellen, die zich
+juist in tegenovergestelde richting moeten bewegen, moeilijkheden in
+den weg legt, dat zij—om het zoo te noemen—tegen den stroom op moeten
+gaan, dan ligt het voor de hand om aan te nemen, dat, na het ophouden
+der menstruatie, waarbij het slijmvlies der baarmoeder geleden heeft,
+die vloeistofstrooming niet zoo sterk is, als dat later het geval zal
+zijn, wanneer het slijmvlies weder hersteld is, en dus de belemmering
+voor de voortbeweging der zaad-cellen tegen den stroom op het geringst
+is. Dat aannemende zal de gemeenschap tusschen man en vrouw voor het
+beoogde doel de meeste kans op welslagen hebben, eenige dagen nadat de
+menstruatie is afgeloopen. En al is er dan ook geen eitje aanwezig dat
+bevrucht kan worden, de zaad-cellen hebben genoegzaam langen
+levensduur, om den tijd af te wachten tot er een eitje uit den eierstok
+losraakt. Daar is aangetoond, dat de zaad-cellen wel twee weken lang in
+het lichaam der vrouw kunnen blijven leven, zou dus de geschiktste tijd
+ongeveer een zevental dagen na het ophouden der menstruatie beginnen.
+
+Men kent de oorzaken voor het ontstaan van het geslacht nog niet,
+waaruit volgt, dat men ook niet in staat is daarop eenigen invloed uit
+te oefenen. Alles wat daaromtrent wel eens gezegd of geschreven en, met
+het oog op het verlangen naar een jongen of een meisje, te doen of te
+laten aangeraden wordt, heeft derhalve niet de minste beteekenis. Ook
+gedurende de zwangerschap is niet met zekerheid uit te maken, welk
+geslacht het kind, waarvan de vrouw zwanger is, heeft. Eenig vermoeden
+kan wel opkomen naar aanleiding van de meer of minder snelle
+opeenvolging van de hartkloppingen der vrucht.
+
+Is het bevruchte eitje in de baarmoeder aangekomen, dan vindt het daar
+een zacht, gezwollen, bloedrijk slijmvlies, dat uiterst geschikt is om
+het in ontvangst te nemen. Dat geschiedt dan ook. Het vindt er, als een
+zaadje in vruchtbare aarde, een geschikten bodem ter ontwikkeling, en,
+doordien zich weldra bloedvaatjes aan zijne oppervlakte vormen, welke
+in gemeenschap treden met die van het slijmvlies der baarmoeder, dus
+met de moederlijke bloedvaten, kan het eitje daaruit de voedingsstoffen
+verkrijgen welke het noodig heeft, terwijl het tevens beschut is door
+zijne ligging in een orgaan, dat van de buitenwereld gescheiden is. In
+de baarmoeder dus, gelegen in het voedselverschaffende binnenbekleedsel
+van het moederlijke orgaan, zal het eitje zich zoo lang en zoo ver
+ontwikkelen, tot het, tot volkomen vrucht gerijpt, dien voedingsbodem
+kan ontberen en wordt uitgedreven. Zoo is het moederlijke orgaan in
+zekeren zin te vergelijken met den vruchtbaren akker, waarin het zaad
+zich ontwikkelt tot een gewas.
+
+Niet overbodig schijnt het mij toe, te trachten begrijpelijk te
+schetsen, waar de inwendige geslachtsdeelen der vrouw in haar lichaam
+gelegen zijn.
+
+Denkt men zich de vrouw op den rug liggend, dan kan men bij de normaal
+ontwikkelde vrouw de groote schaamlippen zien, tegen elkander gelegen,
+als twee met gewone huid bekleedde en van haren voorziene kussens,
+welke naar boven samenkomen en overgaan in den, eveneens behaarden,
+Venusheuvel, en naar onderen, naar de aarsopening vlakker wordende, in
+de omgeving en in den bilnaad overgaan. Tusschen deze beide
+schaamlippen loopt, in overlangsche richting, de schaamspleet, welke
+naar onderen toe door den bilnaad van de aarsopening gescheiden is.
+Door de beide schaamlippen van elkander te trekken opent zich de
+schaamspleet en worden twee, gewoonlijk rose-rood gekleurde, gladde
+plooien, de kleine schaamlippen, zichtbaar. Worden ook deze
+uiteengehouden, dan worden, dieper inliggend, twee openingen zichtbaar.
+De onderste daarvan is de, van het maagdevlies voorziene, ingang der
+scheede; de bovenste, in eene verdikking verscholen als een
+halvemaanvormig spleetje, is de uitgangsopening van den urine-weg. Het
+maagdevlies sluit, min of meer volkomen, de opening der scheede af,
+doch bezit toch altijd eene opening, somtijds twee of in enkele
+gevallen meer, waardoor het menstruatie-bloed kan wegvloeien. Het is
+deze als een vliezig tusschenschotje zich voordoende afsluiting, welke
+bij de eerste geslachtsgemeenschap gewoonlijk scheurt en waaraan Cats
+de regelen wijdde: „Een die haar maechdom vindt, die is haar maechdom
+kwijt.”
+
+De scheedeingang geeft toegang tot de scheede, een buisvormig kanaal,
+ter lengte van ongeveer 8 à 10 c.M., welks wanden tegen elkander
+liggen. Dat kanaal eindigt in de diepte als een blinde zak en omgeeft
+daar het onderste gedeelte der baarmoeder, dat door den ingebrachten
+vinger te voelen is als een in de scheede uitpuilend, dik en tamelijk
+breed bultje, met een deukje of groefje juist in het midden. Dat deukje
+of groefje is de opening, welke toegang geeft tot de holte der
+baarmoeder.
+
+De baarmoeder, welke een zoo belangrijke rol speelt in het leven der
+vrucht, heeft den vorm van een in de richting van voren naar achteren
+eenigszins saamgedrukte peer, waarin, als holte, zich een kanaal
+bevindt, dat in de lengte van het orgaan loopend, in het bovengedeelte
+daarvan eenigermate naar links en rechts wijder wordt, zoodat de
+doorsnede van de holte op een gelijkbeenigen driehoek gelijkt, waarvan
+de tophoek naar de scheede gericht is. In elk der beide andere hoeken,
+dus het verst van de ingangsopening verwijderd, is eveneens eene
+opening aanwezig, welke openingen toegang verleenen tot de eileiders.
+Het orgaan is voorzien van een dikken stevigen wand, welke geheel uit
+spierweefsel bestaat, en dus op te vatten als een gespierden zak, met
+eene zeer kleine holte, ter lengte van ongeveer 7 c.M.
+
+De eileiders gaan van terzijde uit, naar links en rechts, en reiken tot
+aan de eierstokken.
+
+De plaats waar de baarmoeder gelegen is, kan men zich ongeveer aldus
+voorstellen. Wanneer men, bij de staande vrouw, van uit het midden van
+den Venusheuvel zich eene rechte lijn getrokken denkt midden door het
+lichaam, eenigszins oploopend naar de lendenstreek, dan zal die lijn
+den bodem van de baarmoeder juist raken of misschien er doorheen gaan.
+Zij ligt dus diep in de buikholte, in het gedeelte dat men aanduidt met
+den naam van bekkenholte, terwijl zij met eene kromming naar voren op
+de urine-blaas rust, en boven haar de overige ingewanden van den buik,
+de darmen en—het hoogst gelegen—de maag, zich bevinden. Denkt men zich
+de maag gelegen boven den navel, in de streek van den hart- of
+maagkuil, onder het onderste gedeelte van het borstbeen, dan is het van
+belang te vermelden, dat boven de maag, dwars door het lichaam heen,
+bij wijze van een koepeldak, een scherm, het middenrif genaamd, zich
+uitspant, dat de buikholte scheidt van de boven het scherm gelegen
+borstholte, waarin de longen en het hart geborgen zijn. Bovendien is
+het van belang te weten, dat de maag eveneens is op te vatten als een
+zakvormig orgaan, dus als een hol orgaan met een wand. Later, in een
+hoofdstuk gewijd aan verkeerde opvattingen omtrent gebeurlijkheden
+gedurende de zwangerschap, zal blijken hoe groote waarde er aan gehecht
+moet worden, dat iedere vrouw zich, althans eenigermate, eene
+voorstelling kan maken van de ligging der genoemde organen in eigen
+lichaam.
+
+De streek van het lichaam waar de inwendige geslachtsdeelen gelegen
+zijn, is omgeven door een beenigen ring, welke bedekt wordt door de
+huid, een laag vet en spieren. De ring wordt gevormd door verschillende
+beenderen. Aan de achterzijde vindt men het heiligbeen en het
+stuitbeen. Daaraan sluiten zich beiderzijds de heupbeenderen aan, welke
+naar voren toe overgaan in de al smaller wordende schaambeenderen, die
+juist in het midden, aan de voorzijde, bedekt door den Venusheuvel, tot
+vereeniging komen. Te zamen vormen zij, zooals gezegd, een ring, welke
+men den bekkengordel of het bekken noemt.
+
+Boven het heiligbeen bevindt zich de beenige ruggestreng, ter zijde en
+iets naar achteren zijn, in het heupbeen, door middel van een gewricht,
+het heupgewricht, de dijbeenderen ingeplant. Het bekken, boven wijder
+dan beneden, rust bij het zitten op de zitbeenderen. Aan de buitenzijde
+wordt het omgeven door spieren, vetweefsel en huid. Vooral aan de
+achtervlakte zijn de spieren, die de billen vormen en zich voortzetten
+op de dijen, sterk ontwikkeld. In het bekken liggen de
+geslachts-organen, rustende op lagen van spieren en vetweefsel, door
+zachte doch stevige weefsellagen met de binnenvlakte van den beenigen
+ring verbonden. Door dat harde bekken, in- en uitwendig met zachte
+weefsels bekleed, zal het kind, als de zwangerschap haar einde bereikt
+heeft, door de kracht der weeën worden heengedreven, om het levenslicht
+te aanschouwen. Hoe dat geschiedt kunnen wij hier niet beschrijven,
+omdat wij daarvoor te veel in bijzonderheden zouden moeten treden,
+welke eene uitgebreide studie vereischen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZWANGERSCHAP EN ENKELE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN.
+
+
+Met spanning wordt de geboorte van het kind tegemoet gezien en
+uitgerekend, wanneer die heuglijke gebeurtenis plaats zal vinden. De
+berekening gaat gewoonlijk uit van een tijdstip, dat bekend kan zijn.
+Dat tijdstip is de begindag van de laatste menstruatie. Wanneer bij
+dien datum zeven dagen worden opgeteld en van den aldus verkregen datum
+drie maanden worden teruggeteld, verkrijgt men den vermoedelijken datum
+der geboorte. Gesteld dat de begindag van de laatste menstruatie 3
+October was, dan verkrijgt men door optelling 10 October en door
+terugtelling 10 Juli. De bevalling kan dus omstreeks den 10en Juli,
+volgende op dien Octobermaand, tegemoet gezien worden.
+
+De duur der zwangerschap bedraagt vrijwel 280 dagen, dat is 10 maal 4
+weken, dus 40 weken. De verloskundigen spreken dan ook van een
+zwangerschapsduur van 10 maanden, waarbij elke maand op 4 weken
+gerekend wordt. In het gewone spraakgebruik stelt men dien duur op 9
+kalendermaanden, hetgeen ongeveer op hetzelfde neer komt. Afwijkingen
+van den duur der zwangerschap zijn evenwel, zonder dat men aan iets
+buitengewoons te denken heeft, niet zeldzaam. Lichamelijke gesteldheid
+en bouw schijnen daarop invloed te hebben. Zoo wordt tenminste beweerd,
+dat de duur bij krachtige vrouwen 278,6 dagen zou bedragen tegenover
+276,8 bij zwakkere, alsook dat veel rust gedurende de zwangerschap den
+duur zou verlengen. Hierdoor zou misschien verklaard kunnen worden, dat
+de duur bij gehuwde vrouwen berekend wordt op 282,4 dagen en bij
+ongehuwden op 278,2 dagen. Daarop zullen wij niet verder ingaan, doch
+alleen vermelden, dat vergissingen, tot 3 weken toe, nauwelijks te
+vermijden zijn. De berekening zou eenige meerdere zekerheid verkrijgen,
+wanneer men weten kon, wanneer de bevruchting tot stand komt, doch uit
+het vroeger gemelde omtrent de bevruchting blijkt duidelijk, dat zelfs
+wanneer slechts eenmaal geslachtelijke gemeenschap heeft plaats
+gevonden, de berekening geen zuivere wezen kan. Inderdaad zijn
+dergelijke berekeningen, gegrond op den datum waarop eenmaal
+gemeenschap had plaats gehad, gemaakt geworden en kwam men op een duur
+van 268,2–269,9 dagen. Intusschen kan men uit al dergelijke
+berekeningen geen ander dan een gemiddeld cijfer trekken, dat voor elke
+vrouw afzonderlijk niet de minste beteekenis heeft. Wanneer wij dan nog
+vermelden, dat men als kortsten duur der zwangerschap vermeld vindt 236
+dagen en als langsten duur 334 dagen, dan meenen wij goed te doen, met
+vast te houden aan de in den aanvang vermelde wijze van berekening.
+
+Het blijkt dus van belang, dat iedere vrouw aanteekening houde van den
+begindag der menstruaties. De meeste kans op eene goede berekening zal
+zij hebben, wier menstruaties steeds met geregelde tusschenpoozen op
+elkander volgen. Is reeds daarom het houden van aanteekening van
+gewicht, nog meer is dat het geval, wanneer wij weten, dat—in het
+algemeen genomen—onregelmatigheid der tusschenpoozen, alsook in den
+duur der bloedige uitscheiding en in de hoeveelheid daarvan, eene
+afwijking beteekent, welke niet altijd van de geslachtsorganen behoeft
+uit te gaan, en waartoe het wenschelijk is, dat de vrouw zich tot den
+geneesheer wendt.
+
+Wanneer wij nu overgaan tot bespreking van verschijnselen, welke zich
+gedurende de zwangerschap veelal voordoen of kunnen voordoen, bedenke
+de aanstaande moeder, dat zij in de vermelding daarvan geen redenen tot
+bezorgdheid of angst mag vinden. De meeste toch, vooral die welke
+betrekking hebben op veranderingen in den vorm van het lichaam en op
+verrichtingen van sommige organen, zijn natuurlijk, terwijl andere,
+hoewel onaangenaam, meestal van korten duur en betrekkelijk zoo gering
+zijn, dat zij met eenige wilskracht en met de verwachting op een
+gelukkig einde wel te dragen zijn. En zelfs wanneer zij een zekere
+grens overschrijden, bedenke men, dat de geneesheer gereed is de
+klachten aan te hooren en de onaangenaamheden zooveel mogelijk weg te
+nemen of te verminderen. Liever dan in een onvruchtbaar nadenken of
+tobben daarover te verzinken, liever dan raad in te winnen bij
+familieleden of vriendinnen, die, van hoe goede bedoeling ook,
+uiteraard niet bekend zijn met wat daaraan ten grondslag ligt, wende
+men zich dus tot den geneesheer, die, door studie en ervaring, gerekend
+mag worden de aangewezen raadsman te zijn.
+
+Het uitblijven der menstruatie bij eene vrouw op geslachtsrijpen
+leeftijd kan dus beschouwd worden als een teeken, dat een eitje
+bevrucht geworden, dat zwangerschap ingetreden is. Mocht zij
+desniettemin twijfelen, dan raadplege zij den geneesheer. Twijfel kan
+ontstaan wanneer de menstruatie is uitgebleven en na eenigen tijd weder
+bloed te voorschijn komt. Gebeurt dit omstreeks den tijd dat de
+menstruatie, indien geen zwangerschap bestond, had moeten komen, dan
+wordt veelal die bloeding als eene menstruatie gedurende de
+zwangerschap opgevat en niet altijd ten onrechte. Het komt inderdaad
+voor, dat na ingetreden zwangerschap nog één of een paar malen, door
+regelmatige tusschenpoozen gescheiden, bloeding optreedt, doch dan zal
+eene opmerkzame vrouw kunnen bespeuren, dat de duur der bloeding
+meestal korter, de hoeveelheid bloed geringer is, kleur en
+samenstelling afwijken van het tijdens eene gewone menstruatie
+afgescheidene. Men doet dan, met het oog op de berekening voor de
+bevalling, het best die bloeding, welke geheel den aard en het karakter
+van de gewone menstruatie droeg, te beschouwen als de laatste
+menstruatie.
+
+Het kan echter ook voorkomen, dat, nadat de menstruatie éénmaal is
+uitgebleven, eene bloeding optreedt, welke zich niet houdt aan de
+gewone tusschenpooze, doch binnen dien tijd te voorschijn komt. Dat
+wordt dan gewoonlijk opgevat als de menstruatie, welke te laat komt.
+Dit kan het geval zijn, doch evenzeer kan die bloeding, bij de vrouw
+die werkelijk zwanger is, op eene afwijking wijzen en is het in
+dergelijke gevallen een dringende eisch, den geneesheer te raadplegen.
+
+Twijfel kan ook ontstaan wanneer de vrouw haar kind zoogt en zij
+zoogenaamd blind zwanger of blind opgezet wordt. Ook dan wende zij zich
+tot den geneesheer.
+
+Gewoonlijk paren zich aan het verschijnsel van uitblijven der
+menstruatie andere, welke de waarschijnlijkheid der zwangerschap doen
+toenemen. Die verschijnselen, uitingen van wijzigingen in het
+levens-proces, gaan uit van de veranderingen welke in de baarmoeder
+plaats grijpen, tengevolge van de daarin zich ontwikkelende vrucht en
+oefenen in mindere of meerdere mate invloed uit op den algemeenen
+toestand der vrouw en op sommige verrichtingen. In den aanvang gering,
+worden zij sterker, verdwijnen somtijds of wel treden andere op,
+naarmate de zwangerschap voortschrijdt. Die verschijnselen noemt men,
+voorzooverre zij in het begin der zwangerschap optreden en gebruikt
+worden om de waarschijnlijkheid van het bestaan daarvan te
+ondersteunen, onzekere zwangerschapsteekenen. Zij hebben veel geringere
+waarde dan het uitblijven der menstruatie, ofschoon er vele vrouwen
+zijn, die, uit ervaring gedurende vroegere zwangerschap opgedaan,
+daaraan terecht waarde hechten. Daartoe kan men rekenen gevoelens van
+moeheid, slaperigheid, onbehaaglijkheid, duizeligheid, wegraken,
+veranderde gemoedsstemming, veranderenden eetlust, verandering in de
+spijsvertering, herhaalden drang tot urineloozing, onwillekeurig
+afloopen van urine, verstopping of diarrhee, het ontstaan van aambeien
+(haemorrhoïden), opgezet zijn van den buik, benauwdheid, slapeloosheid,
+hartkloppingen, snelle wisseling van gelaatskleur, sterke afscheiding
+uit de geslachtsdeelen (zoogenaamde witte vloed), braken, hoofdpijn,
+tandpijn, zwelling van de halsstreek, sterkere speekselafscheiding, het
+zwellen van oppervlakkig gelegen bloedvaten (aderen) aan en zuchtige
+zwelling van de beenen, enz. Deze verschijnselen treden niet altijd op,
+noch komen zij tegelijkertijd of in denzelfden tijd der zwangerschap
+voor, doch steeds geven zij min of meer onaangename gevoelens en
+gewaarwordingen. Voor een deel worden die verschijnselen in een
+afzonderlijk gedeelte van dit boek besproken.
+
+Tot de meest opvallende verschijnselen, reeds vroeg in de zwangerschap,
+behoort het braken. Meestal geschiedt dat in den ochtend, op de
+nuchtere maag, waarbij niets of slechts eene waterachtige vloeistof te
+voorschijn komt. Dit is het zoogenaamde looze braken. Vaak houdt het op
+als de vrouw iets nuttigt, doch niet altijd. Ook na het ontbijt en
+gedurende het overige gedeelte van den dag, onregelmatig, of regelmatig
+soms na elken maaltijd, kan het optreden, doch gewoonlijk wordt kort
+daarna weder met smaak gegeten, zoodat de voeding er niet onder lijdt.
+De tong is daarbij niet beslagen.
+
+Het komt vooral in de eerste zwangerschap voor, minder dikwijls in
+volgende zwangerschappen en eindigt meestal als de eerste drie maanden
+voorbij zijn.
+
+Vrij spoedig beginnen de borsten te zwellen, niet opeens doch
+langzamerhand, hetgeen gepaard gaat met zekere gevoeligheid, met een
+gevoel van spanning, prikkelen, steken en trekken in de borsten.
+Naarmate de zwangerschap vordert nemen grootte en zwaarte der borsten
+toe. Daarbij komen belangrijke verschillen voor, afhankelijk van de
+hoeveelheid vet, welke de borstklier, waarin het zog gevormd wordt,
+omgeeft.
+
+De meisjesborst, halfkogelvormig, vast en gespannen, verandert vooral
+in de tweede helft der zwangerschap in die mate, dat zij meer en meer
+gevuld wordt en eenigszins hangend worden kan, waarbij zij vrijwel den
+oorspronkelijken vorm, met naar voren gerichten tepel, behoudt. Dat zal
+dus over het algemeen het geval zijn in de eerste zwangerschap. Bij
+vrouwen die reeds gebaard hebben, is de borst hangend, met lager en
+meer zijdelings naar buiten gelegen tepel, terwijl zij aan de plaats
+van aanhechting week en los aanvoelt. Soms zijn er knobbelachtige,
+eenigszins hardere deelen in te voelen. Dat zijn de afzonderlijke
+kwabjes, waaruit de klier bestaat en waarin het zog gevormd wordt. Bij
+andere vrouwen weder is de borst over het geheel vaster op aanvoelen.
+Ligt men zulk eene hangende borst op, dan bespeurt men daaronder vaak
+een plooi van de huid, alsook een roode of open streep of vlakte, als
+gevolg van druk of wrijving der huid.
+
+De huid van de borst is teeder en dun, zoodat, vooral in de tweede
+helft der zwangerschap, uitgezette bloedvaten (aderen) als blauwachtig
+gekleurde strepen daardoorheen schemeren.
+
+De gekleurde hof om den tepel wordt donkerder van kleur, bij blondines
+van roserood tot geelachtig bruin, bij brunettes donkerbruin tot bij
+het zwarte af. In dien hof, tepelhof genoemd, worden, langs den
+buitenrand kringsgewijs geplaatste, kleine verhevenheden duidelijker
+zicht- en voelbaar, welke somtijds eenig vocht afzonderen. De huid van
+den tepelhof verkrijgt vele plooitjes.
+
+In het begin van de zwangerschap is dikwijls, soms van de tweede week
+af, door voorzichtig drukken van de met volle hand gevatte borst, uit
+den tepel eenig waterhelder vocht te voorschijn te brengen, dat in
+lateren tijd troebel is, met geelachtig gekleurde strepen er in. Voor
+haar die dit in den beginne als een teeken van zwangerschap meenen te
+mogen opvatten verdient opgemerkt te worden, dat het alleen van waarde
+mag geacht worden bij vrouwen, die nog niet zwanger waren. Datzelfde
+geldt trouwens ook voor de verkleuring van den tepelhof en het grooter
+worden van de kleine verhevenheden daarin, terwijl omgekeerd die
+verschijnselen langen tijd kunnen ontbreken bij ingetreden
+zwangerschap, vooral bij slecht gevoede vrouwen met kleine slappe
+borsten. Het gebeurt ook wel, dat tegen het einde der zwangerschap van
+zelf wat zog uit de borsten loopt. Dat dit kans zou opleveren voor
+later, in het kraambed, optreden van ontsteking (zweer) in de borst, is
+volkomen onjuist en mag dus geen reden tot ongerustheid zijn. Ook is
+daaruit niets met zekerheid af te leiden omtrent de al of niet
+mogelijkheid om het kind te zoogen.
+
+De huid van het geheele lichaam neemt veelal eene vaal gele kleur aan,
+een tint van onreinheid; zomersproeten en moedervlekken worden
+donkerder. Bovendien verschijnen geelachtig of bruinachtig gekleurde
+vlekken in het gelaat, vooral op het voorhoofd, de oogleden, den rug
+van den neus, op bovenlip en kin, te zamen het zoogenaamde
+zwangerschapsmasker vormende; verder op borst en armen. Ook hierbij
+komen individueele verschillen voor, zoodat het verschijnsel bij
+vrouwen met lichte huidtint en lichte haarkleur, als ook bij haar die
+de huid goed verplegen, zoomede in den winter, veel minder duidelijk
+is. Meestal verdwijnt die verkleuring in het kraambed spoedig, om
+evenwel dikwijls in eene volgende zwangerschap opnieuw te verschijnen.
+
+Eene zelfde verkleuring wordt waargenomen langs eene lijn, welke van
+den behaarden Venusheuvel naar den navel loopt. Buiten zwangerschap
+bestaat die verkleuring ook wel bij brunettes, doch dan neemt zij in de
+zwangerschap sterk toe. Daarom is het voor de zwangerschap kenmerkend,
+dat ook de navel door een donkergekleurden hof omgeven wordt en
+daarboven de bruingetinte lijn zich voortzet. Vooral bij vrouwen met
+bloedarmoede kan zij duidelijk zijn. Donkerder kleur wordt verder
+waargenomen aan de uitwendige geslachtsdeelen, voornamelijk aan de
+groote schaamlippen en aan den bilnaad.
+
+Betrekkelijk vroeg neemt de omvang der heupen toe, als gevolg van
+vermeerderde vetafzetting. In den beginne is er van omvangstoename van
+den buik geen sprake. Gewoonlijk wordt die eerst duidelijk als de
+baarmoeder reeds vrij groot is, omstreeks het einde der vierde maand.
+Naarmate de vrucht zich verder ontwikkelt, wordt die toename grooter en
+de buikwand gerekt, waarbij op sommige plaatsen de neiging bestaat tot
+sterke verdunning, vooral daar, waar de bovengenoemde donkergekleurde
+lijn onder den navel loopt. Daar liggen, ter weerszijden van die lijn,
+in den buikwand, overlangsloopende spieren, welke uiteenwijken, hetgeen
+bij menige vrouw, na de baring, zich uit als een zoogenaamde buikbreuk.
+
+Bij vrouwen die voor het eerst zwanger zijn, en soms ook bij haar die
+meermalen baarden, is de buikwand flink gespannen, waardoor de
+uitzetting van den buik, zelfs bij vergevorderde zwangerschap, niet
+overmatig groot is. Zij die meermalen baarden, vertoonen echter
+gewoonlijk een slappen buikwand, die gemakkelijk voor de groeiende
+baarmoeder uitwijkt en zich het sterkst vertoont bij en als hangbuik.
+Tusschen deze twee uitersten worden alle graden van uitzetting
+waargenomen, voornamelijk naar voren toe, tengevolge van sterk
+uiteenwijken der zooeven aangeduide overlangs loopende spieren. Ook
+bestaat er groot verschil in dikte van den buikwand.
+
+Wanneer de zwangerschap tot het einde der achtste maand gevorderd is,
+staat de bodem van de baarmoeder, dat is haar bovengrens, het hoogst en
+is de spanning het sterkst. Vooral zij die voor de eerste maal zwanger
+zijn, en een stevigen buikwand hebben, bespeuren dan die spanning, in
+het bovengedeelte van den buik, als eene onaangename, vaak gepaard
+gaande met pijnen. In de laatste maand neemt de spanning daar ter
+plaatse merkbaar af, daar de baarmoederbodem, het hoogst gelegen
+gedeelte dus, met het geheele orgaan en zijn inhoud, daalt. Dan voelt
+de vrouw zich verlicht en sluiten de kleederen daar gemakkelijker dan
+te voren.
+
+Met toenemenden omvang van den buik treden ook aan de navelgroeve
+veranderingen op. Allengs wordt die groeve minder diep, bij zeer vette
+buikbekleedselen vaak in den beginne juist dieper. Aan het einde van de
+zwangerschap wordt de navelstreek gewoonlijk vlak en de huid van den
+navel dun, zoodat deze kan uitpuilen en een navelbreuk ontstaan.
+
+Wanneer de buikwand zeer dun is, kunnen krachtige bewegingen van het
+kind niet alleen gemakkelijk gevoeld, doch dikwijls ook duidelijk
+gezien worden.
+
+Bij het uitzetten van den buik neemt de voor de eerste maal zwangere
+vrouw soms niet zonder eenigen schrik waar, hoe er strepen, kleine en
+groote, in de huid te voorschijn komen, niet alleen in den buikwand en
+aldaar kringsgewijs om den navel gerangschikt of, boven de lies en naar
+de zijden toe, in dezelfde richting als de liesplooi loopend, doch ook
+op de voorvlakte van de dijen en op de billen. Ook op de borsten, in
+eene richting van den tepel naar den omtrek loopend, worden zij
+duidelijk waarneembaar. Bij sommige vrouwen vertoonen zij zich in groot
+aantal, bij anderen slechts spaarzaam, nu eens vroeg, dan laat in de
+zwangerschap. Soms ontbreken zij geheel en al. Pas ontstaan hebben zij
+meestal eene roodachtige, blauwachtige of naar het violette zweemende
+kleur. Zij verdwijnen niet meer, doch de kleur verandert later in als
+atlas-glanzend wit, terwijl zij in de dwarse richting geplooid worden
+en een geribd aanzien verkrijgen. Haar ontstaan hebben zij te danken
+aan rekkingen in het weefsel van de dieper gelegen lagen der huid. Men
+noemt ze zwangerschapsstrepen of -striemen, ofschoon zij niet
+kenmerkend zijn voor zwangerschap. Overal waar sterke uitzetting van
+den buik plaats vindt, b.v. ook bij groote gezwellen, komen zij voor;
+eveneens bij snelle vetafzetting in de huid, ook bij mannen.
+
+Vet- en zweetklieren vertoonen verhoogde werking, vooral aan de
+uitwendige geslachtsdeelen, in den zomer en bij donkerharige vrouwen,
+gepaard met een onaangenamen geur naar kaas. Ook vetpuistjes en
+roodachtige kleine puistjes die sterk jeuken, alsmede buitengewone
+ontwikkeling van haren, worden dikwerf waargenomen.
+
+Hiermede komen wij onwillekeurig tot verschijnselen, welke in minder of
+meerder mate onaangenaam zijn, ja zelfs den naam van kwalen kunnen
+dragen. Omdat de grens niet altijd scherp te trekken is, behandelen wij
+dat alles te zamen in het volgende gedeelte.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ANDERE ZWANGERSCHAPSVERSCHIJNSELEN, ONAANGENAAMHEDEN EN KWALEN.
+
+
+Aan de beenen treedt vaak uitzetting der bloedvaten (aderen) op, welke
+bij de eene vrouw van weinig beteekenis, bij anderen zeer belangrijk
+zijn kan. De bloedvaten zijn over korten of langen afstand vrij
+gelijkmatig uitgezet, in eigenaardig geslingerden loop, of wel zij
+vertoonen, bij hoogen graad van uitzetting, knobbelige verhevenheden,
+zakvormige uitpuilingen, van allerlei vorm en uitgebreidheid,
+blauwachtig zwart van kleur. Dikwerf beperkt tot omschreven plaatsen,
+op een of beide beenen, kunnen zij ook voorkomen aan de uitwendige
+geslachtsdeelen, zelfs in de huid van den onderbuik, zeldzamer in de
+lendenstreek of billen. Zij dragen den naam van aderspatten en treden
+gewoonlijk niet voor de vijfde maand op. Gedurende het kraambed kunnen
+zij geheel verdwijnen, ofschoon dat gewoonlijk niet het geval is en zij
+in geringen graad blijven bestaan, om, met het getal der
+zwangerschappen, in aantal en grootte toe te nemen. Dan worden zij
+reeds vroeg in de zwangerschap duidelijk, zelfs zoo vroeg, dat sommige
+vrouwen beweren aan het uitzetten van de aderen allereerst te bemerken,
+dat zij weder zwanger zijn. Het verschijnsel kan vergezeld gaan van
+zwelling der deelen, van jeuk, pijn en ontstekingachtige roodheid.
+Wanneer pijn, die aan ontsteking doet denken, en roodheid mochten
+optreden, houde de vrouw het bed en zende om den geneesheer. Men neme
+zich in acht voor stooten dier plekken en voor krabben, hoe
+verleidelijk dat bij hevigen jeuk ook zijn moge, omdat bij het opengaan
+van zulk een bloedvat belangrijke bloeding optreden kan. Dit zal
+gemakkelijk gebeuren bij zeer oppervlakkig gelegen, sterk uitpuilende
+knobbels met dunnen wand. Mocht onverhoopt zoo iets geschieden, dan is
+het noodzakelijk onverwijld den geneesheer te ontbieden. Onderwijl kan
+men de bloeding beheerschen door een flinke dot zuivere verbandwatten,
+eene reine hand- of zakdoek, stevig en voortdurend op de bloedende plek
+te drukken. Wanneer alleen de huid daar ter plaatse gewond wordt,
+vertoont de wond weinig neiging tot genezing. Doch zonder deze
+verschrikkingen, welke betrekkelijk weinig voorkomen, kunnen de
+aderspatten onaangename gevoelens genoeg geven en het gaan, door gevoel
+van zwaarte en moeheid, bemoeilijken.
+
+Daartegen helpt liggen, of zitten met de beenen in de hoogte, het
+omwikkelen met een windsel, hetzij van katoen, tricot-weefsel of
+elastiek, het dragen van elastieken kousen, zonder naad. De zwangere
+vermijde langen tijd achtereen te staan. Men zorge voor beweging,
+regelmatige, ruime ontlasting en vermijde het dragen van kousebanden om
+het been. Gunstigen invloed kan het dragen van een goeden buikband
+hebben. In vele gevallen zag ik belangrijke vermindering der gevoelens
+van zwaarte en moeheid, en ten gevolge daarvan gemakkelijker worden der
+bewegingen in het gaan, door het gebruik van groote hoeveelheden melk.
+
+Minder onaangename gevoelens veroorzaakt zuchtige zwelling der beenen,
+wanneer zij zich beperkt tot de voeten en de streek om de enkels. Bij
+geringe ontwikkeling bemerkt de vrouw het bestaan daarvan gemakkelijk
+door de indrukken van de figuren der kousen en, wanneer ook het
+onderbeen mededoet, door een kringsgewijze verdikking daar waar de
+schoen ophoudt. ’s Avonds het sterkst, verdwijnt de zwelling ’s nachts
+bij horizontale ligging in bed.
+
+Ook deze zwelling wordt sterk bevorderd door het dragen van
+kousebanden, vooral elastieken.
+
+Niet altijd blijft de zwelling beperkt tot het onderste gedeelte der
+beenen. Zij kan zich uitstrekken over het geheele been, over de
+uitwendige geslachtsdeelen en het onderste gedeelte van den buik, zelfs
+worden waargenomen aan de handen en het gelaat. Is het in het algemeen
+gewenscht den geneesheer van zulke zwellingen in kennis te stellen,
+dringend noodzakelijk is het zijn raad in te winnen bij uitgebreide en
+sterke zwellingen. Ook tegen de zwelling der beenen kan het noodig en
+nuttig zijn een goeden buikband te dragen.
+
+Oprispen, vergezeld van scherpen of bitteren smaak, soms van een zuur
+vocht in den mond, zooals dat in meer dan de helft der gevallen
+gewoonlijk in de laatste maanden der zwangerschap voorkomt, berust
+dikwijls op ondoelmatige voeding, vooral door het gebruik van
+meelspijzen. In de eerste maanden kan het zich evenwel ook voordoen.
+Behalve oplettendheid in de keuze van voedsel, vermijding van
+overmatige voeding en goede zorg voor ontlasting, kan men trachten,
+door het gebruik van zuiveringszout of magnesia, met of zonder
+citroensap, telkens een halve eierlepel, of van spuitwater, het lastige
+euvel te bezweren.
+
+Hiermede gepaard, doch ook zonder dat, bestaat vaak tegenzin tegen
+bepaalde spijzen, allereerst tegen vleesch, minder tegen meelspijzen,
+koffie en bier, nog minder tegen groenten, aardappelen en melk.
+Daartegenover staat somtijds een vermeerderde lust tot het gebruik van
+sommige spijzen, vooral met betrekking tot zure spijzen, zuur, haring
+en ooft, minder vaak tot zoet, vaak tot alcoholische dranken en zelfs
+tot stoffen die geen voedingsmiddelen zijn, zooals: krijt, kalk, zout,
+enz., enz. Opmerkelijk is het ook, dat soms lievelingsspijzen worden
+afgeweerd, terwijl juist die spijzen en dranken worden begeerd, waarvan
+de vrouw in gewone omstandigheden een afkeer heeft. De zoogenaamde
+lusten der zwangere vrouwen behoeft men niet, op grond van allerlei
+verhalen, tegen te gaan, tenzij zij zich uitstrekken tot stoffen die
+geen voedingsmiddelen zijn of tenzij de behoorlijke maat overschreden
+wordt.
+
+In enkele gevallen komt het tot versterkte speekselafscheiding. Dat
+verschijnsel begint dan, afgezien van het in enkele gevallen optreden
+gedurende de eerste weken, in de derde of vierde maand, is zeer lastig
+en verschillend lang van duur. Meestal eindigt het met het voelen der
+eerste bewegingen van het kind, zelden duurt het tot het einde der
+zwangerschap.
+
+In onze streken minder veelvuldig voorkomend is de zoogenaamde
+zwangerschapskrop, bestaande in eene belangrijke vergrooting van eene
+klier, aan de voorzijde van den hals gelegen. Toch kunnen ook onze
+vrouwen wel eens eene zwelling aldaar waarnemen, meestal van de zesde
+maand af, in de eerste zwangerschap dikwijls later. Van groot belang is
+deze zwelling, althans hier te lande, waar de krop niet als inheemsch
+te beschouwen is, niet. Zij verdwijnt gedurende het kraambed, waarbij
+het al of niet zoogen geen invloed uitoefent.
+
+Een veelvuldig voorkomend verschijnsel, nu eens vroeg dan weder later
+optredende, is herhaalde drang tot urineeren, bij weinig gevulde blaas.
+Meestal is die drang overdag sterker dan ’s nachts. Somtijds is het
+moeilijk, zelfs onmogelijk, de urine op te houden, zoodat die
+onwillekeurig afloopt. Dat komt vooral voor bij herhaalde zwangerschap,
+in de latere maanden der zwangerschap en in het koude jaargetijde, het
+meest bij hoesten, lachen, bukken, het op- en afgaan van trappen en bij
+sterke bewegingen. Men trachte daaraan te gemoet te komen door minder
+drinken, vooral van koffie, thee en bier en door het gebruik van tot
+urineeren aanzettende spijzen, zooals asperges, peterselie en
+prikkelende stoffen in ’t algemeen, te vermijden. Een goed zittend
+buikverband kan ook hierbij, vooral in de latere maanden der
+zwangerschap, verlichting aanbrengen.
+
+Herhaalde drang tot urineeren vindt ook zijn oorzaak in de
+omstandigheid dat de hoeveelheid urine, door zwangeren te loozen,
+grooter is dan bij niet zwangeren, hetgeen zich tegen het midden der
+zwangerschap pleegt voor te doen. Na de baring neemt dan de hoeveelheid
+weder af.
+
+Over het braken, als een onzeker teeken van ingetreden zwangerschap,
+spraken wij reeds met een enkel woord. Somtijds kan het zeer belangrijk
+worden, zelfs zoodanig, dat de vrouwen niets meer kunnen binnenhouden
+van hetgeen zij genuttigd hebben en reeds braken bij de minste
+bewegingen die zij maken. Dit overmatig braken is een ernstig
+verschijnsel, de voeding lijdt er sterk onder, de krachten der vrouw
+raken, somtijds zeer spoedig, uitgeput. Vooral vrouwen die aan een of
+anderen vorm van zoogenaamde bloedarmoede lijden hebben er neiging toe.
+Dat zijn zij, die ook bij de menstruatie lijden aan duizelingen,
+onmachten, misselijkheid, slechte spijsvertering, maagkrampen en braken
+bij volle of ledige maag. Maagziekten kunnen de oorzaak zijn, doch ook
+ondoelmatige levenswijze en voeding, darmstoornissen, verkeerde ligging
+van de baarmoeder, losse nier en overprikkelde geestestoestand.
+Gewoonlijk begint het in de derde maand, zelden eerst in de laatste
+vier maanden.
+
+In den beginne slechts na den maaltijd, terwijl in den tusschentijd
+misselijkheid, speekselvloed of droogte in den mond met kwellenden
+dorst, duizeligheid en maagpijnen bestaan, met tegenzin in voedsel,
+prikkelbaarheid of lusteloosheid en neerslachtigheid, neemt het
+zoodanig toe, dat ook zonder voedselopname het braken optreedt,
+vergezeld van andere verschijnselen, welke de vrouw inderdaad ziek doen
+zijn. Met het oog hierop is het dus aan te raden, wanneer de gewone
+misselijkheid en het looze braken sterker worden, den geneesheer te
+raadplegen. Tegen de gewone misselijkheid en het braken in den vroegen
+morgen is het dikwijls voldoende, dat de vrouw, vóór zij opstaat, een
+gemakkelijk verteerbaar ontbijt gebruikt, en, wanneer het ook overdag
+mocht plaats vinden, zich minder aan de gewone maaltijden houdt, doch
+met korte tusschenpoozen geringe hoeveelheden van smakelijke en
+gemakkelijk verteerbare spijzen tot zich neemt. Somtijds is het noodig
+daarna eenigen tijd te rusten. Steeds trachte zij zich zooveel mogelijk
+tegen dit onaangename en hinderlijke verschijnsel te verzetten, waarbij
+afleiding, buitenshuis of door huiselijken arbeid, van grooten invloed
+zijn kan. Zij bedenke, dat het gewoonlijk niet langer dan de eerste
+drie maanden aanhoudt. Beweging in de frissche lucht, vermijding van
+alle spijzen welke oprispen of tegenzin verwekken, geregelde ontlasting
+en het drinken van koud, ook koolzuurhoudend, water is van gunstigen
+invloed.
+
+Meer dan een vierde deel der zwangere vrouwen lijdt aan verstopping
+(constipatie), waarvan hoofdpijnen en congesties, doch ook
+haemorrhoïden en, bij harde ontlasting, scheurtjes in het slijmvlies
+aan de opening, waardoor de ontlasting te voorschijn komt, het gevolg
+zijn. Zelden bestaat diarrhee, welke dan meestal met verstopping
+afwisselt. Voor een deel hiermede samenhangend is opzetting van den
+buik, door sterke gasophooping in de darmen, hetgeen aanleiding tot
+benauwdheid en krampen in de beenen geven kan. Benauwdheid en
+bemoeilijkte ademhaling worden veelal waargenomen bij eerstzwangeren.
+Hoofdpijnen worden, vooral in den laatsten tijd der zwangerschap, ook
+door andere oorzaken teweeg gebracht. Wanneer zij gepaard gaan met
+zwelling der beenen, maar vooral met zwelling der handen en van het
+gelaat, somtijds ook met stoornissen in het zien, is het noodzakelijk
+den geneesheer daarvan mededeeling te doen. De opmerkzame vrouw zal
+tevens kunnen waarnemen, dat dan dikwijls de hoeveelheid urine welke
+zij loost geringer is dan vroeger en die urine, donkerder van kleur,
+vaak een branderig gevoel bij het loozen opwekt. Die „branderigheid”
+wordt vooral duidelijk wanneer er sterke afscheiding uit de
+geslachtsdeelen, zoogenaamde witte vloed, bestaat. Niet zelden is die
+afscheiding zoo sterk, dat het ondergoed onophoudelijk vochtig of nat
+is en zoowel de dijen, als de plooien tusschen de schaamlippen en
+tusschen deze en de dijen, open zijn, waardoor het gaan pijnlijk is.
+
+Behalve de vroeger genoemde verkleuringen van sommige gedeelten der
+huid, worden nog andere verschijnselen op de huid waargenomen. Vooral
+bij haar die in de eerste maanden veel braken, treedt vaak een uitslag
+op, gelijkende op die welke ontstaat bij het aanraken van brandnetels.
+Zij wordt dan ook netelroos genoemd en kenmerkt zich door het optreden
+van kleine en groote, min of meer platte, verhevenheden, lichter van
+kleur dan de omgevende huid, die sterk jeuken en lang bestaan blijven
+of, wanneer zij verdwijnen, spoedig weder keeren. Behalve regeling van
+de ontlasting brengt bepoedering, vooral na afwassching met azijnwater,
+verlichting.
+
+Niet zelden vertoonen zich, vooral op borst en rug, schouders en
+onderste deelen van den hals, in de okselholte en in de buigvlakte der
+gewrichten, licht- tot donkerbruin getinte vlekken, in vorm en
+uitgebreidheid zeer verschillend, waarop bij nauwkeurige beschouwing
+schilfertjes zijn waar te nemen. Verwijdert men die door krabben, dan
+komt de onveranderde huid te voorschijn. Van belang zijn zij niet. Het
+eenige verschijnsel is jeuk. Daar zij vooral te voorschijn komen op
+plaatsen, welke weinig gewasschen worden, is de behandeling als van
+zelf aangewezen. Zij bestaat in het betrachten van reinheid. Wanneer
+men ze ’s avonds met wat groene zeep insmeert en ’s morgens met
+lauwwarm zeepwater afwrijft, verdwijnen zij spoedig. Overigens veel
+baden en verschoonen.
+
+In het algemeen kan men zeggen, dat de zwangerschap eene zekere
+voorbeschiktheid geeft tot huidziekten, zooals ook de menstruatie dat
+doet, en dat de zwangerschap een ongunstigen invloed heeft op
+chronische huidziekten.
+
+Aan de uitwendige geslachtsdeelen, vooral op de vochtige plaatsen
+tusschen de groote en kleine schaamlippen, tusschen deze laatsten en
+den ingang der scheede, maar ook op de schaamlippen en aan den bilnaad,
+komt het vaak tot het optreden van uitwasjes, als waren ’t wratjes,
+alleenstaande of tot groepjes en groepen vereenigd, ook zonder dat er
+gesproken kan worden van onreinheid of van witten vloed. Behandeling is
+gewoonlijk niet noodig, tenzij de uitwasjes heel groot of zeer pijnlijk
+mochten worden. Na afloop van het kraambed verdwijnen zij.
+
+Wij spraken reeds een paar malen van witten vloed. Dat is niet te
+vermijden, omdat bijna iedere vrouw kan opmerken, hoe, gedurende de
+zwangerschap, bestaande afscheiding sterker wordt, of bemerkbaar wordt
+bij haar, die tot nu toe daarvan niets of nagenoeg niets bespeurde. Het
+is dus tot op zekere hoogte een gewoon verschijnsel. Is die afscheiding
+al te sterk, dan moet daartegen iets gedaan worden. Ook hierbij is
+reinheid een eerste vereischte. Die bestaat in vaak afwasschen der
+geslachtsdeelen met warm water en zeep, nooit met een spons, doch het
+best met zuivere verbandwatten of met een zuiveren zachten doek, welke
+dan evenwel niet weder gebruikt mag worden dan nadat hij zorgvuldig
+gereinigd is. Het gebruik van watten is te verkiezen, omdat die worden
+weggeworpen. Ook de open vlakten aan de dijen en in de omgeving der
+geslachtsdeelen moeten op dezelfde wijze gereinigd, goed afgedroogd en
+daarna gepoederd of wel met eene zalf, b.v. zinkzalf, bedekt worden.
+Een uitstekend poeder bleek mij alsol-strooipoeder te zijn.
+
+Daarmede kan men bij minder sterke afscheiding volstaan. Is de
+afscheiding overvloedig, daarbij etterig of bijtend, dan kunnen
+voorzichtig scheedeuitspoelingen gedaan worden, het best met zuiver
+lauwwarm water (het water moet men laten koken en daarna laten
+afkoelen), waarin een paar theelepeltjes soda, een eetlepel zout, een
+eetlepel boorzuur of aluin (alles per liter vocht) opgelost worden. Men
+make voor de uitspoeling gebruik van een glazen irrigator, met lange
+slang en glazen aanzetstuk (canule), met meer dan één opening, en
+spoele uit in liggende houding, n.l. liggende op een zoogenaamd
+ondersteek (slofmodel), waarin het spoelvocht wordt opgevangen. Om
+verontreiniging van het bed te voorkomen, bedekke men het met een stuk
+guttapercha-zeil, waarop een stuk molton, een handdoek of iets
+dergelijks. Daarbij komt dan het ondersteek te staan. De irrigator moet
+steeds zuiver worden gehouden, de canule, na gebruik, van de slang
+genomen, met zeep afgewasschen, met zuiver water doorgespoeld en daarna
+bewaard worden in eene antiseptische (desinfecteerende of
+bederf-werende) vloeistof, b.v. in een glas met lysoform (1 %), lysol
+(1 %) of iets dergelijks. Bij het gebruik worde de irrigator
+opgehangen, niet hooger dan één meter, en de canule niet in de scheede
+gebracht voor men wat van de vloeistof door slang en canule heeft laten
+loopen, opdat die geheel met vocht gevuld zijn en dus geen lucht
+bevatten. De canule behoeft niet ver te worden ingebracht, ongeveer ter
+lengte van een vinger. Zij wordt weder uit de scheede getrokken voordat
+de irrigator geheel is leeggeloopen. Het verdient echter aanbeveling
+den geneesheer te raadplegen en dringend noodig is dat bij hardnekkige
+gevallen.
+
+Het zenuwstelsel der zwangere vrouw is betrekkelijk gemakkelijk uit
+evenwicht te brengen, is prikkelbaarder dan buiten zwangerschap. Ten
+deele berusten daarop enkele reeds genoemde verschijnselen, zooals b.v.
+het braken in den aanvang, duizeligheid, wegraken of flauwten. De
+gemoedsstemming is vaak veranderd, waaraan bij herhaalde zwangerschap
+zorg wegens toenemende familie, bij eerstzwangeren vooral angst voor de
+bevalling, voor afwijkingen en allerlei gebeurlijkheden, schuld zijn
+kan, niet zelden als gevolg van verhalen, waarmede onverstandige
+familieleden en kennissen meestal blijk meenen te moeten geven van
+bezorgdheid, hetgeen gewoonlijk op niets anders berust, dan op een
+pogen om met eigen, gewaande, kennis te geuren. Die bezorgdheid is in
+de meeste gevallen eene kwelling, vooral voor de jonge vrouw die voor
+het eerst moeder zal worden. Zij is maar al te geneigd het oor te
+leenen aan allerlei raadgevingen en beschouwingen, meestal
+voortgesproten uit verhalen van oudere vrouwen, die geacht worden het
+toch wel te zullen weten, doch die gewoonlijk hare zoogenaamde kennis
+ook alweer van hooren zeggen hebben. Wanneer telkens nu de een, dan de
+ander met dergelijke verhalen of raadgevingen voor den dag komt, blijft
+er allicht iets van hangen. Het zijn voor een niet gering gedeelte
+zulke mededeelingen, welke ons noopten een hoofdstuk hierbij te voegen,
+waarin sprake is van bijgeloof, gewoonten als anderszins, bij
+zwangerschap, baring en kraambed. Daarvoor verwijzen wij naar dat
+gedeelte.
+
+Het is, dit bedenkende, dan ook niet zonder reden, dat de veranderde
+gemoedsstemming bij zwangeren, in een overgroot gedeelte, zich uit in
+toestanden van neerslachtigheid bij anders rustige of vroolijke
+vrouwen, welke stemming begunstigd wordt door de onaangename gevoelens
+en gewaarwordingen, welke de zwangerschap zoo nu en dan vergezellen,
+doch die meestal verbeteren nadat de eerste bewegingen van het kind
+gevoeld worden. Dan wordt gewoonlijk de stemming kalmer, daar de jonge
+vrouw het zich ontwikkelende wezen van nu af als het hare beschouwt en
+zij zich gemeenzaam maakt met de gedachte, hoe heerlijk het zijn zal,
+wanneer zij haar kind in de armen sluiten kan.
+
+Tot die onaangename gevoelens welke, ten minste voor een deel, op
+prikkelbaarheid van het zenuwstelsel berusten, behooren pijnen, vooral
+aangezichtspijnen, waarvoor onverstandige vrouwen zich wel eens gezonde
+tanden laten trekken; ook hartkloppingen, slapeloosheid en jeuk over
+het geheele lichaam, meestal zonder dat er op de huid eenige
+verandering is waar te nemen. Moeheidsgevoel, duizeligheid en onmacht
+(flauwten) komen veelvuldig bij zwakke vrouwen, in den laatsten tijd
+der zwangerschap, voor en worden dikwijls veroorzaakt door het verblijf
+in slechte lucht en onbeweeglijk zitten in lokalen, waar vele menschen
+bijeen zijn, zooals in kerken en schouwburgen, doch ook door langdurig
+zitten aan tafel, bij diners, enz. Wanneer zij duizeligheid of flauwte
+voelen aankomen, is het verstandig horizontaal te gaan liggen, het
+hoofd lager dan het overige lichaam. De natuur zelve wijst dat aan,
+zooals blijkt uit het woord „flauwvallen”. Welnu, het is zeker
+verstandiger te gaan liggen voordat men flauw zal „vallen”, waarbij men
+toch ook komt te liggen, doch op onaangenamer wijze. Tegen
+hartkloppingen kan het drinken van koud water, het leggen van koude
+compressen op de hartstreek helpen. De algemeene jeuk kan men trachten
+te bestrijden door dagelijksche afwasschingen met zeep in een warm bad
+of door warme baden met wat azijn, ook door koele afwasschingen, in het
+algemeen dus door reinheid. Daarbij zorge men voor goede ontlasting,
+dieet, kleede men zich niet te warm en dekke men zich in bed niet te
+warm.
+
+In de laatste maanden treden in vele gevallen kuitkrampen op, meestal
+dubbelzijdig, in enkele gevallen of rechts of links, alsmede een
+eigenaardig gevoel, dat men mierenkruipen noemt, vooral in de beenen.
+
+Van belang acht ik het, hier te waarschuwen tegen de meening, dat het
+zenuwstelsel, en vooral de werkzaamheid der hersenen, van zoo grooten
+invloed op de gebeurtenissen in de zwangerschap zou zijn als veelal
+wordt aangenomen.
+
+Terloops spraken wij van het laten trekken van gezonde tanden, wegens
+aangezichtspijnen. Dat neemt niet weg, dat pijnen, uitgaande van de
+tanden, evengoed kunnen voorkomen als bij niet-zwangeren. Meestal heeft
+men te doen met een verschijnsel van carieuse tanden (zgn. wolf), welke
+door de zwangerschap regelmatig verergerd wordt. Het zal dus noodig
+zijn, waar tandpijn bestaat, het gebit te laten nazien. De tanden
+moeten zorgvuldig verpleegd worden, tandsteen door den tandarts
+verwijderd, aangestoken tanden of kiezen (wolf of caries) behandeld,
+gevuld, zoonoodig getrokken worden. De vrees welke daarvoor gewoonlijk
+bestaat is overbodig en eene dergelijke behandeling zou alleen dan
+achterwege moeten blijven, wanneer te groote prikkelbaarheid bestaat.
+Bestaat deze niet, dan kunnen die kunstbewerkingen, zonder nadeeligen
+invloed, gerust verricht worden.
+
+Somtijds is de pijn niet afhankelijk van slechte tanden of kiezen, doch
+van eene aandoening van het tandvleesch, welke, gewoonlijk eerst in de
+vierde maand ontstaande, in verschillend sterken graad de geheele
+zwangerschap door kan blijven bestaan. Zij begint met roodheid, zoo,
+dat vlak tegen den tand aan een rood gekleurd half maantje te zien is;
+later komt daarbij zwelling, het sterkst bij de snijtanden, welke
+zwelling zich tusschen de tanden uitbreidt, waardoor die losraken. Het
+tandvleesch bloedt gemakkelijk bij reiniging, kauwen en aanraking, doch
+ook wel zonder dergelijke oorzaak. Soms worden licht gekleurde plekken,
+iets boven het tandvleesch uitstekende en door een rooden hof omgeven,
+waargenomen, meestal op de binnenvlakte van de lippen, de wangen en de
+tong.
+
+In de meeste gevallen is de aandoening niet belangrijk, vooral niet bij
+vrouwen die den mond reinhouden. Mondreiniging door het borstelen der
+tanden met een zachten borstel, spoelen van den mond met een licht
+samentrekkend of ontsmettend mondwater en het doen genezen van zieke
+tanden is dus een voorbehoedmiddel.
+
+Vooral in de laatste maanden klagen zwangere vrouwen vaak over pijn in
+de streek der ribbogen, welke meestal veroorzaakt wordt door sterke
+rekking der spieren van den buik, door uitzetting van den buik of door
+hangbuik. Daartegen vermag een goede buikband, welke steun geeft en den
+buik draagt, heel veel. Ook ondervinden zij pijnen in de beenen, rug,
+lendenen en stuit, waardoor het gaan bemoeilijkt wordt. Daar dit alles
+samenhangt met den toestand is behandeling niet mogelijk, en trooste
+men zich met de gedachte, dat vaak met het zakken van den buik
+dergelijke pijnen minder worden, of dat weldra de tijd nadert, dat, met
+de geboorte van het kind, ook deze onaangenaamheden een einde nemen.
+
+Het lichaamsgewicht neemt gedurende de laatste drie maanden toe.
+Wanneer dat niet het geval is of zelfs het gewicht afneemt, bestaan
+stoornissen, welke trouwens gewoonlijk al eerder aanleiding gegeven
+hebben tot het raadplegen van den geneesheer.
+
+Aan het einde van dit gedeelte verzoeken wij haar, die dit alles
+gelezen hebben, toch vooral te bedenken, dat wat geschreven staat een
+reeks van verschijnselen en onaangenaamheden vormt, welke niet altijd,
+niet steeds tegelijkertijd, niet steeds in den hoogsten graad aanwezig
+zijn en dat de vrouw, die ook gedurende de zwangerschap op hare
+gezondheid let, zonder angst en vrees, doch in blijde stemming, met het
+moedergeluk voor oogen, aan eigen lijf geen kennis zal maken met veel
+wat, ter wille der volledigheid, werd aangestipt.
+
+
+
+
+
+
+
+
+LEEFREGELEN VOOR DE ZWANGERSCHAP.
+
+
+Zooals wij opmerkten zijn allerlei veranderingen in het levensproces
+der vrouw, met de beschreven verschijnselen en onaangenaamheden, het
+gevolg van veranderingen in en aan de geslachts-organen.
+
+Naarmate het ei groeit en in omvang toeneemt, wordt ook de ruimte,
+waarin het zich ontwikkelt, grooter. De aanvankelijke peervorm van de
+baarmoeder maakt plaats voor een rondere, die overgaat in den vorm van
+een ballon, welke steeds grooter en grooter wordt, zoodat het kind
+daarin de noodige ruimte vindt. Langzamerhand wordt die toename in
+grootte zichtbaar door uitzetting van den buik, terwijl de van buiten
+onderzoekende hand de vergrooting van de baarmoeder tastend
+onderscheiden kan.
+
+Omstreeks het einde van de vierde maand is de bovengrens van de
+baarmoeder, de baarmoederbodem, ongeveer een handbreed boven den
+Venusheuvel te voelen. Van dien tijd af is een gestadig rijzen met de
+hand na te gaan. Zoo staat de bodem in het midden der zwangerschap even
+hooger dan het midden van den afstand tusschen Venusheuvel en navel.
+Gewoonlijk zal de aanstaande moeder dan voor het eerst de bewegingen
+van het kind, het „leven” kunnen waarnemen. Vrouwen die reeds vroeger
+zwanger waren kennen dit teeken en voelen het dan ook dikwijls aan het
+einde van de vierde maand, vaak nog eerder. Daaruit blijkt, dat aan het
+leven voelen geen al te groote waarde mag toegekend worden voor de
+berekening van het tijdstip der bevalling. Ook is het voelen der
+kindsbewegingen afhankelijk van de gevoeligheid der vrouw, van den
+toestand der buikwanden, van ligging en levendigheid van het kind. In
+den aanvang slechts zwak, worden de bewegingen sterker naarmate het
+kind grooter en krachtiger wordt, zelfs zoo, dat in de laatste maanden
+niet alleen de moeder ze voelt, doch zij door de opgelegde hand en, bij
+dunnen buikwand, ook door het oog zijn waar te nemen. Somtijds maakt de
+vrouw zich beangst, omdat zij, vooral in de laatste maand, gedurende
+eenige dagen het leven niet voelt. Dat is echter geen ongewoon
+verschijnsel en behoeft zij zich dus niet bezorgd te maken dat het kind
+niet meer leeft, tenzij het al te lang duurt. Dan kan inderdaad het
+vermoeden, als zou het kind gestorven zijn, gewettigd zijn, doch zal
+zij ook andere verschijnselen, zooals kleiner worden van den buik,
+slapper worden der borsten, kunnen waarnemen.
+
+In andere oogenblikken kunnen de bewegingen onafgebroken en zoo sterk
+gevoeld worden, dat het verschijnsel inderdaad hinderlijk is. Dat is
+dikwijls afhankelijk van sterke gemoedsbewegingen der vrouw.
+
+Het rijzen van de baarmoeder gaat geleidelijk voort tot het einde van
+de achtste maand. Dan staat de bovengrens ter hoogte van den maagkuil.
+Daarna begint eene daling, nu eens vroeger, dan weder later,
+afhankelijk van verschillende oorzaken. Met die daling wordt de
+spanning in het bovengedeelte van den buik geringer, voelt de vrouw
+zich verlicht van de tot nu toe toegenomen beklemming. Eerstzwangeren
+kunnen daaruit de berekening maken, dat ongeveer 3 à 4 weken daarna de
+bevalling zal plaats vinden. Doch ook hieraan hechte men niet te veel
+gewicht. De daling is voornamelijk het gevolg van eene verplaatsing van
+het kind naar de bekkenholte toe, waarin het hoofd met een kleiner of
+grooter gedeelte wordt opgenomen. Een andere reden is het uitrekken van
+den buikwand, waardoor het mogelijk is dat de baarmoeder meer naar
+voren overhelt. Aan de verminderde hoogte beantwoordt dan een grooter
+worden van den buikomvang. De eenige ondersteuning van de zwangere
+baarmoeder wordt, in staande houding, gegeven door den voorsten
+buikwand en zij valt zoover naar voren als de rekbaarheid van den
+buikwand toelaat. Als bij herhaalde zwangerschap de daling wordt
+waargenomen, is zij hoofdzakelijk aan de laatste oorzaak toe te
+schrijven, aangezien alsdan het kinderhoofd gewoonlijk eerst hij het
+begin van of zelfs eerst gedurende de baring in de bekkenholte wordt
+geperst. Hieruit volgt reeds de belangrijke invloed van den buikwand op
+de ligging van het kind.
+
+Bij eerstzwangeren is de omvang van den buik aan het einde van de
+laatste maand, gemeten wanneer de vrouw plat op den rug ligt, ongeveer
+91 c.M., gemeten in staande houding ongeveer 98 c.M. Veel waarde is aan
+die cijfers niet te hechten, tenzij de omvang veel grooter mocht
+blijken.
+
+Die toename in omvang van buik en baarmoeder is niet alleen toe te
+schrijven aan den groei van het kind.
+
+Het maakt, vooral in de laatste maanden, den indruk alsof de gedaante
+van den buik veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van een eenigszins
+in de lengte uitgerekten bol. In dien bolvormigen zak, de baarmoeder,
+is het kind gelegen in de eivliezen of den vruchtzak, een dunne,
+gladde, doorschijnende, overal gesloten blaas, welke gevuld is met een
+vocht, dat zich gedurende den groei van het kind daarin ophoopt en den
+naam van vruchtwater draagt. Daarin ligt het kind met gebogen rug en
+nek, het hoofd met de kin op de borst, de bovenarmen tegen het lichaam,
+de onderarmen naar elkander gericht voor de borst, de beenen
+opgetrokken met de knieën op de borst, zoodat het gemakkelijk plaats
+vindt in de bolvormige holte van de baarmoeder. De overblijvende ruimte
+wordt door het vruchtwater ingenomen. Meestal ligt het kind, tenminste
+in de laatste maanden van de zwangerschap, met het hoofd naar beneden
+gericht, somtijds met den stuit, zeldzamer met het aangezicht of het
+voorhoofd het laagst, of geheel dwars in de baarmoederholte.
+
+De eivliezen bekleeden de binnenvlakte van de baarmoeder, ongeveer als
+de voering van een gevoerden zak, losjes, doch op een enkele plaats
+zijn zij vaster verbonden. Daar ligt de moederkoek, welke, als een
+sponsachtig geweven, vleezige platte koek, met eene oppervlakte ter
+grootte van omstreeks twee handen en een dikte van een paar
+centimeters, innig verbonden is met den baarmoederwand, ongeveer op de
+plaats waar het eitje zich, na de intrede in de baarmoeder, als het
+ware ingeplant had.
+
+Zooals wij weten ontwikkelden zich, spoedig nadat het eitje in de
+baarmoeder was opgenomen, aan zijne oppervlakte bloedvaatjes, welke in
+verbinding traden met de moederlijke bloedvaten in den wand der
+baarmoeder, waardoor het mogelijk was dat het eitje gevoed werd. Die
+verbinding breidde zich, gelijken tred houdende met de ontwikkeling van
+het eitje, over eene grootere oppervlakte uit en nam geleidelijk in
+dikte toe. Die dikkere verbinding, niet alleen uit bloedvaten
+bestaande, doch tevens uit een weefsel, gevormd door het optreden van
+cellen, welke met elkander in samenhang bleven en zoowel de aanhechting
+steviger maakten als de bloedvaten tot steun en onderlaag dienden, is
+de moederkoek.
+
+Naarmate zich het kind in het eitje aanlegde, werd daarin ook het
+vruchtwater gevormd, dat, daar het ei zich langzamerhand in een blaasje
+veranderde, waarin het kind ruimte kreeg ter ontwikkeling, dat blaasje
+vulde. Met toenemende ontwikkeling van eiholte en kind puilt het ei in
+de holte van de baarmoeder, welke door haren groei meer ruimte
+aanbiedt, uit, zoodat de dunner wordende wand van het eitje, later de
+eivliezen genoemd, ten slotte overal de binnenvlakte van de
+baarmoederholte aanraakt en er losjes mede vergroeit, terwijl de
+verbinding ter plaatse waar de moederkoek ligt veel inniger is.
+
+Met die uitpuiling gaat toeneming in omvang en binnenruimte van het ei
+gepaard, waarin het kind dus ruimte vindt en zich meer en meer van de
+plaats verwijdert waar de moederkoek ligt. Doch met die moederkoek
+blijft het kind verbonden, ter wille van de voeding, welke het
+verkrijgt uit de bloedvaten der moeder. Die verbinding bestaat ten
+slotte uit eene ongeveer ½ meter lange, dunne, licht gedraaide streng,
+de navelstreng genoemd, welke van de moederkoek uitloopende zich bij
+het kind iets beneden het midden tusschen hoofd en voeten inplant. Door
+die streng heen loopen drie bloedvaten, welke eenerzijds, door
+bemiddeling van de moederkoek, in verbinding staan met den bloedsomloop
+der moeder, anderzijds met den bloedsomloop van het kind. Langs dien
+weg ontvangt het kind van de moeder alles wat het noodig heeft. En wat
+heeft het kind noodig? Allereerst voedsel, ter ontwikkeling. Doch ook
+zuurstof, een gasvormig bestanddeel van de lucht, dat voor het leven
+van den mensch even onontbeerlijk is. De geboren mensch verkrijgt dat
+bestanddeel uit de lucht door de ademhaling. De zuurstof wordt door de
+longen uit de lucht in het bloed opgenomen en door het lichaam
+gebruikt. Een ander gas, ontstaan bij de processen welke zich in het
+menschelijke lichaam afspelen, doch dat schadelijk is als het in het
+lichaam zou blijven, wordt bij de ademhaling, door de longen, uit het
+lichaam verwijderd. Dat moet dus ook bij den ongeboren mensch
+geschieden. Ook het kind moet de zuurstof, welke het noodig heeft,
+ontvangen en het andere, schadelijke, gas, het koolzuurgas, kunnen
+verwijderen. Doch daar het kind in eene holte ligt, welke geen
+gemeenschap met de buitenlucht heeft en daarenboven met vocht gevuld
+is, waarin het onmogelijk is adem te halen, wordt in de gaswisseling op
+andere wijze voorzien. Dat gebeurt door middel van de bloedvaten, welke
+door de navelstreng loopen. Door een van de drie bloedvaten vloeit het
+bloed van de moederkoek naar het kind toe en brengt het de noodige
+voedingsstoffen en de zuurstof in opgelosten toestand, door de twee
+andere bloedvaten vloeit het bloed van het kind naar de moederkoek toe,
+met zich voerende de stoffen welke het kind niet gebruiken kan, dus ook
+het schadelijke koolzuurgas, ten einde die daar af te geven aan het
+moederlijke bloed. Door middel van den bloedsomloop in de moederkoek en
+hare verbinding met het kind langs de navelstreng, voorziet dus de
+moeder, door eigen ademhaling en spijsvertering, haar kind van alles
+wat het noodig heeft en bevrijdt zij het van schadelijke en onbruikbare
+stoffen. De moederkoek blijkt dus een zeer belangrijk orgaan, als de
+eenige onmiddellijke verbinding tusschen moeder en kind, waarin alle
+wisselwerking tusschen beiden plaats grijpt.
+
+Moederkoek en eivliezen vormen te zamen de nageboorte, welke eenigen
+tijd na de geboorte van het kind, wanneer het die hulp van de moeder
+niet meer behoeft, wordt uitgedreven.
+
+Dit alles bedenkende, namelijk den groei van een tot ontwikkeling
+komend levend wezen in het lichaam der aanstaande moeder, waar binnen
+het ruimte vergt, met terzijde schuiving van wat de toeneming in omvang
+van zijn schuilplaats zou kunnen belemmeren, van een organisme dat zijn
+voedsel ontvangt uit de bloedsbestanddeelen der vrouw, dat, in grootte
+toenemende, in dien groei het moederlijk lichaam op vele en velerlei
+wijzen betrekt, is het te begrijpen, dat onaangename verschijnselen
+zich bij de aanstaande moeder kunnen voordoen.
+
+Wij weten echter uit ervaring dat, van nature alles geleidelijk
+geschiedende, de gezonde vrouw over het algemeen die onaangenaamheden
+slechts in betrekkelijk geringe mate ondervindt en zij kan nu
+eenigermate begrijpen, hoe zij, door zorg voor eigen welzijn, ook en
+vooral gedurende dezen belangrijken tijd, veel tot den gunstigen
+toestand van haar zelve en van haar kind kan bijdragen.
+
+Eenige algemeene en bijzondere beschouwingen in die richting willen wij
+hier geven.
+
+Heel in ’t algemeen kan men zeggen, dat alles wat de gezondheid bewaart
+of der gezondheid bevorderlijk is, ook van toepassing is op de zwangere
+vrouw. Zij heeft te begrijpen, dat zoowel het zwanger worden als het
+zwanger zijn en het baren, natuurlijk is, dat van nature—dus
+natuurlijk—alles geschiedt zooals het geschiedt en zelfs afwijkingen
+natuurlijke afwijkingen zijn. Dat sluit evenwel niet in zich, dat men
+afwijkingen als zoodanig maar moet laten doorwerken of bestaan.
+Integendeel, het is even natuurlijk dat de mensch, die de natuur tracht
+te beheerschen, ook hier dat doel najaagt en tracht afwijkingen te niet
+te doen of te verkleinen. Zoo begrepen is elk geneesheer
+natuurgeneesheer, een woord dat gewoonlijk niet op hem wordt toegepast.
+Het moet begrepen worden, ook door de zwangere vrouw, dat men in
+oogenblikken van onbehaaglijke gevoelens, hoe en wanneer zich die ook
+voordoen, of men slechts van onaangename gevoelens dan wel van ziekte
+spreekt, zich met vertrouwen alleen kan en mag wenden tot die menschen,
+die, door studie en ervaring in de praktijk, meer en beter weten wat er
+in het menschelijke lichaam gebeurt dan alle anderen, die—zonder
+dat—beweren beter op de hoogte te zijn. Deze waarschuwing is te meer
+noodig, en kan niet dikwijls genoeg herhaald worden, omdat iedere vrouw
+die kinderen gebaard heeft, maar ook zij die dat niet gedaan heeft,
+doch bij dergelijke gebeurtenissen tegenwoordig geweest is, meent de
+aanstaande moeder, vooral in de eerste zwangerschap, van raad te moeten
+dienen, een euvel dat nog steeds bestaande en waartoe, wij ontkennen
+het niet, aanleiding bestaat, omdat het voortspruit uit den
+onwillekeurigen drang om anderen te helpen, in niet geringe mate
+nadeelig op de zwangere vrouw kan inwerken. Het feit dat gewoonlijk
+geen enkele dier raadgeefsters ook maar de geringste kennis heeft van
+den bouw van het menschelijke lichaam, van de verrichtingen der
+organen, van de invloeden, zoowel die van buitenaf als die van binnen
+uit op bouw en verrichtingen inwerken kunnen, moest de denkende vrouw
+reeds van te voren doen begrijpen, dat zij van die zijde geen juiste
+inlichtingen bekomen kan.
+
+In het algemeen behoeft de mensch, om gezond te blijven, afwisseling
+tusschen arbeid en rust, heeft hij zorg te dragen voor zijn lichaam,
+d.w.z. voor behoorlijke samenwerking van alle organen, die, hoewel
+ontleedkundig te scheiden, toch—en vooral in hunne werkingen—verband
+houden. Geen lichaam kan gezond heeten, waar een of meer organen
+afwijkingen vertoonen. Wie begrijpt dat het levende lichaam voortdurend
+slijt en voortdurend zich herstelt, begrijpt ook, dat de mensch heeft
+zorg te dragen, dat slijtage en herstel zoo regelmatig mogelijk plaats
+hebbe, omdat elke onregelmatigheid daarin zich voordoet als ziekte.
+Niet ten onrechte spreekt men van ziekte en herstel, al wordt niet
+bedacht, dat men met het woord ziekte zich eenzijdig beperkt tot het
+noemen van verschijnselen, die eene tijdelijke versterking of
+opeenhooping aan het licht brengen van de verschillen, welke altijd
+geldig, in den regelmatigen gang van het levensproces niet tot
+bewustzijn komen.
+
+Het lichaam heeft behoefte aan arbeid, frissche lucht, voeding,
+reinheid, uitscheiding van afgewerkte stoffen, in regelmatigen gang en
+afwisseling, en de mensch, die gezond wil zijn, behoort daarop te
+letten, met inachtneming van de verschillen welke elk individu, in
+verhouding tot anderen, openbaart. Hieruit volgt, dat regelen, daarvoor
+aan te geven, niet anders kunnen zijn dan algemeene regelen.
+
+Hetzelfde geldt voor de zwangere vrouw. Zij zorge dus voor regelmatige
+beweging in de frissche buitenlucht. In de steden zoeke zij daarvoor de
+plaatsen op, waar zij die frissche lucht zooveel mogelijk kan genieten.
+Reeds daardoor kan zij gunstigen invloed uitoefenen op gemoedsstemming,
+op slaap, op goede werking van zenuwstelsel, bloedsomloop en
+spijsverteringsorganen. Het weder mag daarop in zooverre van invloed
+zijn, dat zij zorg drage voor eene kleeding, waarbij rekening gehouden
+is met de weersgesteldheid. Kan zij zich moeilijk bewegen of wordt zij
+spoedig moe, dan is het rijden in de frissche buitenlucht toch altijd
+beter dan een voortdurend verblijf binnenshuis. Ook binnenshuis zorge
+zij dat frissche lucht en zonnelicht onbeperkt kunnen binnentreden, de
+eerste ook des nachts. Als van zelf sluit zich daarbij de raad aan, om
+alle ruimten te vermijden, waarin, door aanwezigheid van veel menschen,
+de lucht te warm en bedorven wordt, te meer omdat zwangere vrouwen
+gemakkelijk aan duizeligheid of onmacht ten prooi zijn. Zelfs sterke
+behoefte aan rust, zooals dat nog al eens voorkomt in de eerste en
+laatste maanden der zwangerschap, vooral wanneer de slaap te wenschen
+overlaat of allerlei ongemakken bestaan, mag niet leiden tot
+verwaarloozing van beweging in de reine frissche buitenlucht. Er blijft
+nog genoeg tijd over om rust te nemen. Voortdurend rusten wordt geacht
+nadeelig te werken o.a. in dien zin, dat het gewicht van het kind
+toeneemt en het tijdstip der bevalling wordt verschoven.
+
+Is arbeid goed, te inspannende arbeid en bewegingen, welke het lichaam
+aan sterk schokken kunnen blootstellen, zooals springen, dansen, sport,
+ook paardrijden en het rijden in wagens over hobbelige wegen, zijn te
+vermijden, evenals het tillen en dragen van zware lasten, het langdurig
+arbeiden met de naaimachine en dergelijke. Het wielrijden als zoodanig
+zou geen bezwaar zijn, indien, afgezien van eenige begrijpelijke
+moeilijkheid bij toenemenden omvang van den buik, het gevaar niet
+bestond van vallen, zoo niet door eigen toedoen dan toch door toedoen
+van anderen. Hetzelfde geldt voor het schaatsenrijden. Automobielrijden
+kan geen kwaad, doch niet te lang achtereen en niet te snel, wegens
+gevaar van stooten en snelle schokken.
+
+Het reizen behoeft niet te worden nagelaten, als de ontwikkeling van de
+zwangerschap en die van vorige zwangerschappen regelmatig geweest is.
+Als dat laatste niet het geval was, mag de reis slechts indien
+onvermijdelijk ondernomen worden. Men hoort gewoonlijk beweren, dat
+door het reizen miskraam, d.i. afbreken der zwangerschap in de eerste
+maanden, kan voorkomen. Die bewering wordt niet geheel ten onrechte
+geuit, doch men bedenke daarbij, dat door de reis de miskraam, bij
+daartoe bestaanden aanleg, vroeger tot stand komt dan het geval zou
+geweest zijn, als de reis niet ondernomen was. Wij bedoelen hiermede te
+zeggen, dat een gezond ei, in eene gezonde baarmoeder, niet of hoogst
+zelden door een reis, vermoeienis, schok of gemoedsbeweging zal worden
+uitgestooten, in het algemeen dus de reis en de andere invloeden de
+uitstooting van een ziek ei verhaast hebben. Korte reizen kunnen zelfs
+weldadig werken, doordien zij lichaam en geest verfrisschen, de
+gemoedsstemming verbeteren. Lange reizen zijn evenwel te vermijden,
+alsmede het reizen in den tijd dat de menstruatie had moeten intreden,
+en vooral omstreeks het einde van de derde maand en tegen het einde der
+zwangerschap. Kan een lange reis niet vermeden worden, dan is het
+gewenscht daarin langere of kortere tijden van rust op te nemen. De
+beste tijd voor reizen is dan tusschen de vierde en achtste maand.
+Wordt eene vrouw op de huwelijksreis zwanger, dan vermijde zij alle
+inspannende toeren te voet en het bestijgen van bergen, en verblijve
+zij zoo lang mogelijk rustig op dezelfde kalme plaats.
+
+Ook de geslachtsgemeenschap behoeft niet te worden nagelaten, doch
+behoort die met mate en omzichtigheid te geschieden. Voorzichtigheid is
+vooral aan te raden gedurende den tijd dat de menstruatie had moeten
+intreden. Men vermijde haar wanneer de vrouw er tegenzin in heeft of de
+onaangenaamheden der zwangerschap er door versterkt worden. Anderszins
+moet, wanneer de vrouw vermeerderden lust daartoe vertoont, door den
+echtgenoot daaraan worden tegemoet gekomen, terwijl de man zijne
+lusten, waar dat der vrouw hinderlijk is, moet weten in te binden.
+
+Door zelfbeheersching kan hij in dit en andere opzichten veel bijdragen
+tot den goeden toestand der vrouw gedurende hare zwangerschap. Dan toch
+is hare gemoedsstemming, zooals wij reeds opmerkten, dikwerf zeer
+wisselend, is zij vaak prikkelbaar, zoodat alle gebeurtenissen sterker
+op haar inwerken. Dan heeft de man de schoone taak, door geduld en
+liefdevolle toewijding, door het aanbrengen van afleiding en
+afwisseling, door vermijding van driftige toespraak of prikkelende
+handelingen, tot steun te zijn; door behoedzame mededeeling zoowel van
+zeer aangename als van treurige tijding het zijne bij te dragen tot een
+zoo rustig mogelijk voorbijgaan van dien voor vrouw en kind zoo
+belangrijken tijd. Vooral zal dat noodig zijn bij de vrouw van zwakken
+wil. Wanneer er aanleg toe bestaat, kan de zwangerschap ontijdig worden
+afgebroken door angst, hevigen schrik en groote vreugde. De vrouw met
+sterken wil, met sterk verlangen naar het moederschap, zal de
+onaangenaamheden der zwangerschap gewilliger en gemakkelijker dragen en
+te boven komen. In de zwangerschap, als in alle ernstige gebeurtenissen
+des levens, blijkt vooral van hoe grooten invloed de opvoeding, ook in
+geestelijk opzicht, is.
+
+Een rustige slaap werkt gunstig en weldadig op het zenuwleven. Hij
+wordt, behalve door het bovengenoemde, bevorderd door vermijding van
+langdurige avondgezelschappen tot laat in den nacht en van het uitgaan,
+waarbij de zenuwen geprikkeld worden. In het algemeen geldt, dat, wie
+’s nachts goed geslapen heeft, overdag niet behoeft te rusten. De
+slaapkamer zij ruim, hoog, goed gelucht, zonnig, gemakkelijk te
+reinigen en, voor wie ’t behoeft, ’s winters matig verwarmd, het bed
+niet te zacht, de bedekking niet te zwaar en te warm.
+
+Van groot belang is reinheid van het geheele lichaam en reinheid op
+lijf- en beddegoed. Het gebruik van lauwwarme baden, (33°–36° C.,
+27°–29° R.) in den winter, ’s zomers wat kouder, gedurende de geheele
+zwangerschap is aan te bevelen. Men moet zich goed met zeep afwasschen,
+zich goed afdrogen en na het bad schoon goed aantrekken. De meening,
+dat zulke baden een bijzonder gunstigen invloed op het verloop der
+baring zouden uitoefenen mist, als daarmede een rechtstreekschen
+invloed bedoeld wordt, allen grond. Bij prikkelbaarheid van het
+zenuwstelsel en slechten slaap kan een dergelijk bad, dagelijks
+genomen, gunstig werken, doch men raadplege daaromtrent den geneesheer.
+In het algemeen geldt de regel, dat men niet minder, doch ook niet meer
+moet baden, dan men voor de zwangerschap gewoon was. Voetbaden, water
+van 33°–41° C., (27°–33° R.), kunnen genomen worden, doch beter is het,
+als de vrouw het zelf niet doen kan, de voeten door eene hulp te laten
+wasschen. Zee- of koude rivierbaden behoeven door haar, die er aan
+gewend zijn, niet altijd te worden nagelaten, tenzij de temperatuur van
+het water beneden 19° C. (15° R.) daalt. Ook mag het bad niet lang
+duren. Vooral bij zeebaden lette men er op, dat de golfslag niet te
+sterk mag zijn en beperke men den tijd tot eenige minuten. Ook zwemmen
+kan worden toegestaan, waarbij men evenwel te bedenken heeft, vooral
+bij het zwemmen in diep water, dat de zwangere vrouw gemakkelijk
+onderhevig is aan duizeligheid en flauwten.
+
+De geslachtsdeelen moeten dagelijks, een of tweemalen, met schoon
+lauwwarm water en zeep gereinigd en daarna goed afgedroogd worden. Te
+lange haren daar ter plaatse knippe men af. Nooit wassche men met een
+spons, doch met de hand of met zuivere ontvette verbandwatten, ook kan
+men een zachten doek gebruiken die dan telkens, het best door uitkoken,
+gezuiverd moet worden. Bij neiging tot opengaan van de huid aan de
+binnenvlakten der dijen en in de omgeving der geslachtsdeelen, in de
+plooi van den buik boven den Venusheuvel en onder de borsten, bepoedere
+men deze deelen na reiniging en zorgvuldig afdrogen, met een of ander
+strooipoeder, b.v. talkpoeder, witte pijpaarde of alsol-strooipoeder.
+
+Als scheedespoelingen noodig zijn, verrichte men die als op bl. 30 is
+aangegeven. Bij sterke afscheiding (witten vloed) verdient het
+aanbeveling, nadat de geslachtsdeelen voor het naar bed gaan gereinigd
+zijn, een propje verbandwatten in de schaamspleet te leggen, waarin,
+gedurende den nacht, het uit de scheede komende vocht wordt opgevangen.
+
+Ook lauwwarme zitbaden gedurende 5 à 10 minuten, niet langer, zijn
+aangenaam en reinigend en bevorderen vaak gemakkelijke ontlastingen; de
+temperatuur van het water ongeveer 40° C., (32° R.). Men houde een
+ketel met heet water naast zich gereed, om nu en dan wat heet water bij
+te gieten, teneinde het water op temperatuur te houden en te sterke
+afkoeling te voorkomen. De geschiktste tijd daarvoor is onmiddellijk
+voor het naar bed gaan.
+
+Deze reinigingen kunnen vaak veel bijdragen tot het bestrijden van jeuk
+aan de uitwendige geslachtsdeelen.
+
+De voeding zij zooveel mogelijk de gewone, met inachtneming van de
+gevoeligheid der spijsverterings-organen; de hoeveelheid voedsel in ’t
+algemeen noch te klein noch te groot. Meestal is in het begin van de
+zwangerschap de eetlust verminderd, na de vierde maand dikwijls
+vermeerderd. Men trede daartegen niet op met de opmerking, dat, wat het
+eerste verschijnsel betreft, de zwangere vrouw voor twee moet eten; wat
+het tweede betreft, dat hongeren en vasten den buikomvang zouden
+verminderen, het kind klein zou blijven en de baring dus gemakkelijker
+gaan zou. Als vermindering van den eetlust gepaard gaat met stoornissen
+in de spijsvertering heeft men daarop bij de voeding te letten. In ’t
+algemeen is matigheid in het stillen van honger en dorst te betrachten,
+dus geen maagoverlading. De laatste maaltijd worde, met het oog op een
+gerusten slaap, niet later dan twee of drie uren voor het naar bed gaan
+genomen. Doch ook hierbij hangt veel af van gewoonte, vele vrouwen
+slapen juist geruster als zij kort van te voren iets nuttigen.
+
+De beste drank is frisch, koud water. Geringe bijvoeging van wijn
+alsook licht bier zal geen nadeel brengen, doch alle dranken, welke
+veel alcohol bevatten, zooals dessert-wijnen, likeuren, zwaar bier,
+zijn af te keuren. Zij werken zenuwprikkelend en slaapstorend.
+
+Met kracht moet worden opgetreden tegen het aanprijzen van zoogenaamde
+versterkende middelen, voornamelijk tegen het gebruik van groote
+hoeveelheden melk. Wanneer het noodig is, zal de geneesheer ook hier
+den weg wijzen. Vóór alles dient gezorgd, dat alle voedsel behoorlijk
+gekauwd wordt, waartoe een goed gebit een hoofdvereischte is. Daarmede
+wordt het voedsel niet alleen behoorlijk verkleind en met speeksel
+vermengd, doch wordt het ook geschikter voor verwerking in de
+spijsverteringsorganen, zoodat het lichaam er het grootst mogelijke nut
+van trekt. Bovendien zal zij die daarop let—en dit geldt ook buiten de
+zwangerschap—niet alleen minder last hebben van stoornissen, als
+zuuroprispen, abnormale gisting en rotting in de ingewanden, met de
+gevolgen daarvan, als opgezetten buik door gasophooping in de darmen,
+hoofdpijnen en allerlei andere onaangenaamheden, maar inderdaad in vele
+opzichten haar weerstandsvermogen tegen ziekten verhoogen. Behalve goed
+kauwen van het voedsel, is eenzijdigheid in de voeding te vermijden.
+
+Wie lust heeft gedurende den maaltijd te drinken, behoeft dat niet na
+te laten, uit vrees daardoor de spijsvertering te storen. Ook hier
+geldt het voorschrift van maathouden, en wie maat houdt stoort de
+spijsvertering daardoor niet, kan haar integendeel bevorderen.
+
+Het zij hier nog eens aangestipt, dat dit alles, in het algemeen, geldt
+voor de gezonden. Wie ziek is, wende zich tot den geneesheer en volge
+diens voorschrift, ook waar het betreft het gebruik van spijzen en
+dranken.
+
+In ieder geval hoede men zich voor het gebruik van sterk gekruide,
+gepeperde en gezouten spijzen, ook voor die welke opblazen of
+verstoppend werken. Het gebruik van zoogenaamde genotmiddelen beperke
+men tot een minimum. Van belang is deze opmerking vooral voor het
+dikwerf zoo geliefde kopje koffie, dat—als het werkelijk goed is—de
+spijsvertering benadeelt en het optreden van hoofdpijnen, duizeligheid,
+hartklopping, slapeloosheid kan bevorderen.
+
+Zoo is ook het gebruik van zoetigheden af te keuren. De tegenwoordig
+aangeprezen smakelijke chocolades en suikerwerken, in zoodanigen vorm
+en verpakking, dat ze gemakkelijk en gaarne als geschenk gegeven en
+aanvaard worden, hebben het groote nadeel, dat daarmede al te veel
+zoetigheid in het lichaam gebracht wordt. Veel beter is het gebruik van
+vruchten, waarmede men menig dokters-recept buiten de deur houdt.
+
+Van groot gewicht is eene voldoende en regelmatige uitscheiding van
+afgewerkte stoffen. In dat opzicht wordt het allermeest geleden aan
+slechte ontlasting. Door dagelijks voldoende ontlasting worden velerlei
+bezwaren verminderd of opgeheven.
+
+In de allereerste plaats is de gewoonte, om steeds op een bepaald uur
+van den dag daarvoor zorg te dragen, aan te bevelen; in de tweede
+plaats het vermijden van een euvel, waaraan zoo goed als alle vrouwen
+mank gaan. Dat is, dat zij zich daartoe niet den behoorlijken tijd
+gunnen.
+
+Tot de eenvoudige middelen om ontlasting te bevorderen, behooren,
+behalve het nemen van beweging, het gebruiken van een glas frisch water
+op de nuchtere maag, soms ook ’s avonds, ook van een glas suikerwater,
+eenige vijgen op de nuchtere maag, vruchten, zoowel gestoofd als
+versch, vooral druiven, karnemelkspap met stroop, het drinken van
+koolzuurhoudende wateren met vruchten-limonade, karnemelk, enz. Bij
+verstopping vermijde men rooden wijn en cacao. Moet men tot eenig
+geneesmiddel overgaan, dan kan men afwisselend inwendige middelen en
+lavementen te baat nemen. Van de inwendige middelen die welke zacht
+werken, zooals magnesia, rhabarber, groene poeder, tamarinde, cascara
+in tabletjes of vloeibaar (bitter), vijgenstroop, nu en dan een glas
+bitterwater of wat wonderolie, doch niet te lang achtereen. Lavementen
+van ½–1 liter lauwwarm of koud water, al of niet met bijvoeging van
+1–1½ lepel wonderolie of glycerine, ook van zeepwater of van zoutwater
+(9 gram zout op 1 liter water), somtijds ook enkel glycerine, met een
+zoogenaamd glycerinespuitje in te brengen. Wanneer dergelijke,
+meerendeels eenvoudige, middelen niet helpen, vrage men liever den
+geneesheer om raad, dan gebruik te maken van allerlei in de dagbladen
+aangeprezen middelen, waarvan het gebruik niet altijd zoo onschuldig is
+als de aanprijzingen zouden doen denken. Men vergete bij dergelijke met
+veel ophef aangeraden middelen nooit, dat zij ten doel hebben de beurs
+van het publiek te ontlasten en die van den verkooper te vullen.
+
+Bij vele vrouwen wisselt verstopping af met diarrhee. Wanneer deze
+laatste van korten duur is, is het niet steeds noodig daartegen eenig
+middel aan te wenden; toch doet men in ieder geval het verstandigst den
+geneesheer te raadplegen.
+
+Goede en gemakkelijke ontlasting is ook een van de beste middelen om
+aambeien (haemorrhoïden) en scheurtjes in de aarsopening, welke beide
+veel pijn kunnen veroorzaken, te voorkomen. Die scheurtjes zijn veelal
+te wijten aan het dóórpersen van harde ontlasting en vereischen meestal
+een bijzondere behandeling ter genezing.
+
+In het einde der zwangerschap geeft ophooping van de ontlastingsstoffen
+vaak weeënachtige pijnen, zoogenaamde valsche pijnen of valsche weeën.
+Ook daartegen is dus goede ontlasting een voorbehoedmiddel. Daar uit al
+het voorgaande reeds genoegzaam blijkt, van hoe groot belang geregelde
+en voldoende stoelgang gedurende de zwangerschap is, meenen wij met het
+genoemde te kunnen volstaan.
+
+Wat de kleeding betreft houden wij ons eveneens aan enkele algemeene
+opmerkingen, zonder partij te kiezen voor een of andere richting. Men
+drage zorg dat voeten en onderlijf steeds warm gehouden worden,
+pantalons gesloten zijn. Zwangere vrouwen zijn gevoeliger voor de
+invloeden van het weder, voor koude, tocht en vochtigheid. Daarmede
+moet bij de keuze der kleeding worden rekening gehouden, zonder dat van
+verweekelijking sprake is. Veel hangt echter van gewoonte af. De
+kleeding zij ruim, geenerlei druk mag daardoor op onderlijf of borsten
+worden uitgeoefend. Het corset, mits voor de draagster vervaardigd,
+behoeft niet te worden afgelegd, doch vermijde men elke snoering.
+Naarmate de zwangerschap vordert is het dragen van een oud corset, dat
+gemakkelijk medegeeft of een voor de zwangerschap vervaardigd corset
+aan te bevelen voor haar, die toch een steun wil hebben, waaraan zij
+gewoon geraakt is. Wie het corset aflegt, kan lijfjes of borstophouders
+dragen. Het dragen van kousebanden is, om vroeger reeds genoemde
+redenen, beslist af te keuren. Een buikband of buikgordel, welke
+gemakkelijk rekt en toch goed draagt, kan vele ongemakken der
+zwangerschap, zooals pijnen in den buik en in de lendenstreek,
+urine-drang, moeilijk gaan in het einde der zwangerschap, vooral bij
+zwangeren met sterk uitgezetten of hangbuik, doen verdwijnen of
+verminderen, en kan reeds van de 5e of 6e maand af gedragen worden.
+
+Niet alleen de houding van de vrouw wordt daardoor verbeterd, maar ook
+de ligging van het kind in de baarmoeder, ten opzichte van het bekken,
+ondervindt daarvan een gunstigen invloed.
+
+De schoenen mogen niet nauw zijn, en niet voorzien van hooge hakken.
+
+Gelukkig neemt tegenwoordig het verlangen der moeders, om zooveel en
+zoolang mogelijk haar kind te zoogen, weder toe. Daarom wordt ook, nog
+meer dan geruimen tijd het geval geweest is, meer de aandacht gevestigd
+op de behandeling der borsten.
+
+Vooreerst drage de zwangere vrouw zorg, dat de borsten op geenerlei
+wijze gedrukt worden, tweedens zorge zij voor reinheid, waarbij alle
+overmaat van wasschingen of afwrijvingen moet vermeden worden.
+Gewoonlijk wordt aangeraden de tepels, om ze te harden, zooals ’t heet,
+dagelijks te wasschen met brandewijn, rum, verdunden cognac, rooden
+wijn, enz., enz., in ’t algemeen met een verdunden alcohol. Als het
+noodig mocht zijn, behoeft men daarmede niet reeds in den aanvang der
+zwangerschap te beginnen en kan men zich daarmede in de laatste maanden
+bezighouden. Het komt mij voor, dat wasschen met frisch en zuiver water
+evenveel, of evenweinig, het ontstaan van wondjes of kloven in de
+tepels gedurende het zoogen voorkomen zal, als alle andere tot dat doel
+aanbevolen middelen. Heeft men zulke middelen aangewend en komen er
+geen wondjes of kloven in de tepels, dan heet de behandeling van nut te
+zijn geweest, ontstaan zij wèl dan heet het dat de behandeling niet
+goed of niet lang of niet flink genoeg is toegepast geworden, treden
+zij zonder voorafgegane behandeling op, dan kan men het verwijt hooren,
+dat de tepels niet behandeld waren zooals was aangeraden, komen ze in
+dat geval niet, dan.... wordt er niet over gesproken. Wanneer er
+korsten op de tepels aanwezig zijn, doet men goed die week te maken
+door de tepels in te smeren met zuivere olijfolie, slaolie, vaseline of
+eenig ander vet, en, na verweeking, den tepel af te wasschen met water
+en zeep. Het dagelijksch wasschen van de geheele borst, met lauw warm
+of koel water, heet voor hare ontwikkeling bevorderlijk te zijn.
+
+De pogingen om zoogenaamde vlakke of holle tepels, door het dagelijksch
+uittrekken of door het dragen van ringen en dergelijke werktuigjes, te
+verbeteren, heeft nooit het gewenschte gevolg, omdat de oorzaak gelegen
+is in slechte ontwikkeling van den tepel. Men kwelt daarmede zich zelf
+en loopt gevaar van infectie.
+
+
+
+
+
+
+
+
+MEERVOUDIGE ZWANGERSCHAP.
+
+
+Bij het bespreken van de bevruchting vermeldden wij, hoe eene zaad-cel
+met een eitje te zamen komende, daarmede versmelt tot één
+ontwikkelingskiem, waaruit een kind zich ontwikkelen kan. De vrouw zal
+dan één kind baren. Het is echter bekend, dat eene vrouw niet alleen
+aan tweelingen, doch zelfs aan drielingen het leven schenken kan. De
+hoogst enkele mededeelingen, waarin van een nog grooter aantal gewag
+gemaakt wordt, zullen wij niet in beschouwing nemen.
+
+Onwillekeurig vraagt men zich af, hoe dat komt. Ontstaan uit één
+bevrucht ei b.v. twee kinderen of komen zij voort uit twee bevruchte
+eieren? Het antwoord op die vraag luidt, dat beide mogelijkheden
+voorkomen, waarbij wij op bijzonderheden niet ingaan.
+
+Het ligt voor de hand, dat, wanneer de vrouw zwanger is van meer dan
+één kind, die kinderen niet alleen meer ruimte vergen, maar die
+meerdere ruimte zich zal kenbaar maken door snellere toeneming van den
+omvang van den buik. Dat is vooral waar te nemen van de 5e maand af,
+zoodat ongewoon groote omvang van het onderlijf moet doen denken aan de
+mogelijkheid, dat, laat ons maar zeggen, tweelingen aanwezig zijn. De
+buik ontwikkelt zich daarbij opvallend in de hoogte en in de breedte.
+De baarmoeder bereikt in de achtste maand reeds de hoogte, welke anders
+aan het einde der zwangerschap wordt waargenomen. Omstreeks dien tijd,
+dikwerf ook vroeger, begint dan ook het vermoeden op meervoudige
+zwangerschap op te komen en wordt dat den geneesheer kenbaar gemaakt
+met de vraag, of hij daaromtrent eenige zekerheid kan geven. In het
+algemeen kan, ter geruststelling, wel gezegd worden, dat, wanneer de
+omvang van den buik aan het einde van de zwangerschap niet meer dan 100
+c.M. bedraagt, aan tweelingen niet te denken valt.
+
+De ongemakken gedurende de zwangerschap zijn meestal grooter. Braken,
+bemoeilijking van urine-loozing en ontlasting zijn sterker, aderspatten
+treden vroeger op, zoo ook de lastige zwelling der beenen, welke zich
+eerder uitbreidt over de uitwendige geslachtsdeelen en den buik, zelfs
+over armen, handen en het gelaat. De ademhaling is bemoeilijkt, de
+beweging eveneens.
+
+Dikwijls treedt de baring voor het berekende einde der zwangerschap in,
+gemiddeld in drie vierden der gevallen. De kinderen zijn over ’t
+algemeen minder ontwikkeld in dien zin, dat het gemiddelde gewicht,
+zelfs als de zwangerschap haar einde bereikt, beneden dat van het kind
+bij enkelvoudige zwangerschap blijft, terwijl de lengte van het kind
+geen afwijking behoeft te vertoonen. Dit geldt voor tweelingen. Bij
+drielingen betreft de mindere ontwikkeling zoowel lengte als gewicht,
+waarbij nog komt, dat de zwangerschap, in de helft of meer dan de helft
+der gevallen, het normale einde niet bereikt. Daarom zijn de
+levenskansen bij drielingskinderen geringer.
+
+Betrekkelijk zelden hebben tweelingskinderen hetzelfde gewicht, terwijl
+bij verschillend geslacht de jongen zwaarder is.
+
+Volgens berekening, uit een groot aantal geboorten opgemaakt, komt op
+80–89 geboorten een tweeling, op 7500–7900 geboorten een drieling voor.
+
+De neiging tot tweelingsgeboorten is erfelijk. Volgens sommige
+schrijvers schijnt die erfelijkheid bijna uitsluitend bij tweeëiige
+tweelingen voor te komen en hebben erfelijke tweelingen menigvuldig
+verschillend geslacht, omdat zij van twee eieren afkomstig zijn. Ook
+meent men te hebben opgemerkt, dat, voor het verwekken van tweelingen,
+de vruchtbaarheid en de ouderdom der ouders in aanmerking komen. De
+gemiddelde ouderdom is voor den vader 37,5, voor de moeder 33,5 jaar.
+Terwijl bij éénlingsgeboorten de vruchtbaarheid tot het 25e jaar
+toeneemt om dan te dalen, is voor de tweelingsgeboorten de verhouding
+juist omgekeerd, waaruit te verklaren is, dat tweelingmoeders vaak
+meerbarenden zijn van hoogeren ouderdom. De eigenlijke
+tweelingsvruchtbaarheid valt tusschen het 30e en 40e jaar.
+
+Het geslacht der tweelingen zou van den betrekkelijken ouderdom der
+ouders zóó afhangen, dat, als de vader ouder is dan de moeder,
+gelijkslachtige mannelijke, in het omgekeerde geval vrouwelijke, bij
+ongeveer gelijken leeftijd ongelijkslachtige tweelingen ontstaan.
+
+Drielingen worden het vaakst geboren uit meerbarenden, vooral in de
+zesde zwangerschap en latere; eerstbarenden die drielingen ter wereld
+brengen, zijn meestal oudere vrouwen.
+
+Gewoonlijk zal de geneesheer wel met eenige mate van zekerheid kunnen
+uitmaken of de vrouw van tweelingen zwanger gaat, en vrage zij, die
+daar vrees voor koestert, hem liever daarnaar een onderzoek te doen,
+dan zich aan vaak onnutte angst en bekommering over te geven.
+
+
+
+Behalve door aanwezigheid van meer dan één kind, kan de omvang van den
+buik grooter zijn, dan gewoonlijk beantwoordt aan het tijdstip van de
+zwangerschap, door eene overmatige hoeveelheid vruchtwater. De sterke
+uitzetting van den buik gaat dan gepaard met pijn in den buik, in de
+lendenstreek en in de liezen, met bemoeilijkte ademhaling en trage
+ontlasting. De buikwand vertoont een matten glans, gewoonlijk wordt
+urine in geringere hoeveelheid geloosd, braakt de vrouw dikwijls en
+zijn de beenen en de buikwand zuchtig gezwollen. Juist bij
+tweelingzwangerschap kan zich dit voordoen.
+
+Algemeen gesproken kan de oorzaak voor eene overmatige hoeveelheid
+vruchtwater gelegen zijn in het ei en bij de zwangere vrouw,
+voornamelijk in hart- of nierziekten der laatste.
+
+Wat in dergelijke gevallen te laten of te doen valt, zal de geneesheer
+te beoordeelen hebben.
+
+
+
+
+
+
+
+
+MISKRAAM.
+
+
+Wanneer de zwangerschap voor het einde van de zevende maand wordt
+afgebroken, spreekt men van miskraam. Zij komt vooral veelvuldig voor
+in de eerste en in het begin van de tweede maand.
+
+Gewoonlijk gaat het in zoo vroegen tijd der zwangerschap als volgt.
+Nadat de menstruatie niet op den verwachten tijd is ingetreden, neemt
+de vrouw aan, dat zij zwanger is. Dan komt het eenigen tijd later tot
+bloeding, meestal sterker dan gewoonlijk, met wat bloedstolsels
+vermengd, vergezeld van wat lendenpijn en .... zij meent zich vergist
+te hebben en dat de „opgestopte” menstruatie te voorschijn is gekomen.
+De vrouw, die tegen eene zwangerschap opzag, is gerust gesteld en
+dankbaar dat zij „niet zwanger was”; zij, die in blijde verwachting
+verkeerde omdat het eindelijk zoover gekomen was, meent dat zij ten
+onrechte geloofde zwanger te zijn en is bedrukt. Geen van beiden
+evenwel heeft gelijk, beiden waren zwanger, bij beiden is het bevruchte
+eitje onbemerkt met de bloeding uitgestooten, beiden hadden een
+miskraam.
+
+Afgezien van deze gevallen komt miskraam wel het meest voor in de
+tweede en derde maand, het menigvuldigst in de derde maand. Een groot
+aantal valt samen met den tijd, waarop de menstruatie had moeten
+verschijnen, indien geen zwangerschap bestaan had. Vrouwen, die
+gedurende het zoogen niet menstrueerden en in dat tijdsverloop zwanger
+werden, vatten gewoonlijk het eerste teeken van de dreigende miskraam,
+de bloeding, op als de eerste menstruatie welke weder verschijnt.
+
+Het hoofdverschijnsel is, zooals uit het voorgaande blijkt, bloeding,
+meer of minder sterk, aanhoudend, al of niet in hoeveelheid toenemende,
+of ook afwisselende met zeer geringe, alleen vlekken gevende bloeding,
+zelfs eenigen tijd geheel ophoudende. Ten slotte komt dan, ten minste
+in de tweede en in het begin van de derde maand, het ei gewoonlijk in
+zijn geheel, vergezeld van krampachtige pijnen in den onderbuik en
+pijnen in de lenden, te voorschijn. In de latere maanden wordt
+gewoonlijk de vrucht, die reeds betrekkelijk groot is, onder bloeding
+en pijnen, die het karakter van weeën dragen, uitgestooten. Dan treedt,
+wat de pijnen betreft, een korter of langer tijdperk van rust in, doch
+de bloeding houdt aan en weldra wordt de rest van het ei, als
+nageboorte, uitgedreven. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd was,
+gelijkt de miskraam dus reeds meer op de baring, waarbij het verschil
+voornamelijk bestaat in de grootte van vrucht en nageboorte.
+
+Van belang is vooral de bloeding. Zij kan zeer hevig zijn, waarom het
+in ieder geval aan te raden is den geneesheer te ontbieden. Dat zal te
+meer noodig zijn, wanneer de miskraam niet zoo geleidelijk gaat als
+zooeven beschreven werd. Stoornissen toch worden juist hierbij vaak
+waargenomen, voornamelijk wat de nageboorte, hoe klein die ook wezen
+moge, betreft. Niet zelden wordt zij niet, òf niet spoedig genoeg, òf
+niet geheel en al uitgedreven. Dan houdt de bloeding aan en kunnen de
+in de baarmoeder gelegen overblijfselen van het ei, in rotting
+overgaande, tot infectie aanleiding geven, met al de gevaren daaraan
+verbonden. Tijdige behandeling door den geneesheer kan die gevaren
+voorkomen.
+
+Na elke miskraam is bedrust, als na eene gewone bevalling, noodig.
+
+De oorzaken voor het optreden van miskraam zijn velerlei. Wij zullen
+die niet alle opnoemen. Behalve ziekelijke aandoening van de vrucht en
+hare omhulsels, kan men in ’t algemeen zeggen, dat acute ziekten, welke
+met belangrijke en langdurige temperatuurs-verhooging, dus koorts,
+gepaard gaan, veelal de zwangerschap afbreken. Onder de chronische
+ziekten zijn het wel voor het meerendeel hart- en nierziekten,
+vergevorderde tuberculose en syphilis, welke daartoe leiden, en, onder
+de plaatselijke ziekten, de infectie met druipergif en de aandoeningen,
+welke tegenwoordig alom bekend zijn onder den naam van
+blinde-darmontsteking.
+
+Een groot aantal miskramen is verder te wijten aan ziekte van het
+slijmvlies der baarmoeder. Het is vooral deze oorzaak, welke veelal
+miskend wordt, wanneer men miskraam ziet optreden na invloeden, welke
+van buiten af op het lichaam der zwangere vrouw hebben ingewerkt,
+zooals belangrijke lichamelijke vermoeienis en inspanning, vallen,
+stooten, enz., waarover reeds vroeger het een en ander gezegd werd.
+Ofschoon niet ontkend mag worden, dat daarin wel eens de oorzaak
+gelegen is, moeten zij toch meestal opgevat worden als de laatste
+aanleiding, waardoor een miskraam, die anders wat later zou zijn
+opgetreden, verhaast werd. Dezelfde beschouwing kan worden toegepast op
+zoogenoemde psychische invloeden, werkingen van het zenuwstelsel,
+voornamelijk van de hersenen, uitgaande zooals angst, wanhoop, schrik,
+overspanning, enz. Als oorzaak mag ook gelden veelvuldige en al te
+hartstochtelijk uitgeoefende geslachtsgemeenschap, b.v. kort nadat het
+huwelijk gesloten werd.
+
+De middelen ter voorkoming zijn eigenlijk reeds uit deze algemeene
+opsomming van oorzaken af te leiden. In het algemeen bestaan zij in het
+volgen van de leefregelen voor de zwangerschap aangegeven. Meer in ’t
+bijzonder kan van het pogen om een miskraam te voorkomen eigenlijk
+alleen gesproken worden in gevallen, waarin zwangerschap al een- of
+meermaal op die wijze afgebroken werd. Behalve dat vooral dan de
+leefregelen streng moeten gevolgd worden, vermijde de vrouw alle
+overdaad, iederen overmatigen prikkel, overspanning, vermoeienis,
+reizen en rijden, onthoude zij zich van het gebruik maken van koude
+baden of warme zitbaden, van geslachtelijke gemeenschap, drage zij zorg
+voor doelmatige kleeding, vooral in den winter, voor warme voeten,
+lette zij zorgvuldig op de voeding en op gemakkelijke, geregelde
+ontlasting en vrage zij den geneesheer om raad in alles, ook al moge
+het haar soms minder gewichtig toeschijnen. Of het al dan niet noodig
+is rust te houden, hoe lang, op welke tijdstippen van den dag of van de
+zwangerschap, zal hij te beoordeelen hebben.
+
+Ten slotte geven wij dezen raad. Wat ook met de bloeding moge te
+voorschijn gekomen zijn, alles moet bewaard en den geneesheer getoond
+worden, omdat hij daaruit steeds een oordeel kan vellen omtrent hetgeen
+er vóór zijn komst gebeurd is. Maar al te vaak moet deze, op zijn vraag
+om te mogen zien wat er voor den dag gekomen is, vernemen: „Het is
+weggeworpen”, met welk antwoord hem, in de meeste gevallen, een
+uitstekend middel ter beoordeeling van den toestand en van het al of
+niet noodzakelijke eener ingrijping onthouden wordt. Menige
+onaangenaamheid zal der vrouw bespaard worden, wanneer zij deze
+raadgeving ter harte neemt.
+
+De vrucht is bij een miskraam steeds verloren. Zelfs indien zij levend
+uitgedreven wordt, heeft zij geen levensvatbaarheid, afgezien misschien
+van eene hoogst enkele uitzondering, bij vergevorderde ontwikkeling,
+welke voor eene algemeene beschouwing geen waarde heeft.
+
+Anders wordt het, wanneer de zwangerschap na de zevende maand wordt
+afgebroken. Dan spreekt men van vroeggeboorte en levensvatbaarheid der
+vrucht. Naarmate de zwangerschap verder gevorderd is, gelijkt de
+vroegtijdige baring meer op de baring aan het einde der zwangerschap.
+Dat een te vroeg geboren kind meer zorg vereischt dan een voldragen, is
+zonder meer duidelijk.
+
+
+
+Een verschijnsel dat allicht eenige angst verwekt, is het volgende.
+Vooral na de zesde maand, doch soms ook wel in de eerste weken der
+zwangerschap, kan het gebeuren, dat plotseling eene betrekkelijke
+groote hoeveelheid geel- of rose-gekleurd vocht uit de geslachtsdeelen
+te voorschijn komt, dat zich nog wel eens op dezelfde wijze herhaalt of
+eenigen tijd, als druppelsgewijs vochtverlies, blijft aanhouden,
+terwijl de zwangere zich dan eenigszins onlekker gevoelt. In het
+algemeen heeft het niets te beteekenen, doch daar het toch niet
+onmogelijk is, dat de zwangerschap daarna een einde neemt, is het van
+belang den geneesheer daarvan in kennis te stellen, te meer omdat er
+eene vergissing in het spel kan zijn en blijken kan, dat het
+weggeloopen vocht slechts urine was.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE KRAAMKAMER EN DE BENOODIGDHEDEN VOOR DE BEVALLING.
+
+
+De eischen, welke aan de kraamkamer gesteld moeten worden, zullen in
+vele opzichten ongeveer dezelfde zijn als die, welke voor iedere
+slaapkamer gelden en waaraan, helaas, in vele gevallen nog te weinig de
+aandacht geschonken wordt. Onbegrijpelijk mag het genoemd worden, dat
+in vele woningen nog steeds eene ruime, op straat uitziende, kamer
+wordt ingericht tot salon of zoogenaamde „goeie kamer”, waarin de
+bewoners hoogst zelden vertoeven en waar allerlei „mooie” meubels
+worden neergezet, terwijl voor slaapkamer, waarin zij zooal niet den
+langsten tijd, dan toch een groot deel, van hun leven doorbrengen, een
+klein vertrek, dat vaak uitziet op eene donkere binnenplaats, in
+gebruik genomen wordt. Juist het omgekeerde behoort het geval te zijn.
+Beter geen mooie kamer en eene goede slaapkamer, dan een salon als
+bergplaats van allerlei moois en eene bedompte slaapgelegenheid. De
+ruimste en droogste kamer, met uitzicht op het Zuiden of het
+Zuid-Oosten, waarin de zonnestralen kunnen binnendringen, moet tot
+slaapkamer worden ingericht. Licht en frissche lucht bevorderen de
+gezondheid en behooren tot de beste hulpmiddelen om haar te herstellen;
+duisternis en bedorven lucht benadeelen haar, werken schadelijk op het
+zenuwstelsel. Waar zon en frissche lucht binnenkomen, is de geneesheer
+minder noodig.
+
+Dit alles geldt vooral voor de kraamkamer, waarin moeder en kind ook
+overdag verblijven moeten.
+
+De kamer behoort frisch te zijn. De frischheid wordt bevorderd door
+luchtverversching, welke behoort te geschieden zonder tocht te
+veroorzaken. Warme, vooral vochtige, lichaamsdeelen worden door tocht
+te sterk afgekoeld, wat het lichaam ziek kan maken. Het best zorgt men
+voor luchtverversching door openingen boven in de ramen, die naar
+believen kunnen gesloten worden. Waar dat niet mogelijk is, worde het
+raam opgeschoven en de open ruimte afgesloten met een hor van
+muskietengaas, waardoor insekten worden geweerd. Op die wijze kan ook
+des nachts geventileerd worden. Vooral in groote steden is de lucht ’s
+nachts zuiverder dan overdag. In den winter heeft men dan zorg te
+dragen voor verwarming van de kamer door middel van een open haard of
+een kachel, waardoor de ventilatie nog bevorderd wordt. De meerdere
+kosten voor verwarming mogen geen gewicht in de schaal leggen waar het
+de gezondheid geldt. Wanneer het bed te dicht bij de ramen mocht staan,
+of men om andere reden vreest dat de frissche lucht van buiten
+hinderlijk of gevaarlijk zou kunnen zijn, opene men het raam of de
+ramen in een aangrenzend vertrek, dat met de slaapkamer in ruime
+gemeenschap staat, desnoods den doorgang gedeeltelijk afsluitende met
+een tochtscherm. Petroleumkachels en gaskachels, zonder afvoer naar
+buiten, zijn uit den booze. Zelfs de beste, de zoogenaamde reukelooze,
+bederven de lucht in hooge mate. De temperatuur in de kamer schommele
+hoogstens tusschen 17° en 19° C. (13°–15° R., ± 62°–65° Fahrenheit),
+doch zij zoo gelijkmatig mogelijk. Voor kinderen, vooral dus daar waar
+een pasgeborene verblijf houdt, mag de temperatuur iets hooger zijn.
+
+Ook reinheid is een zaak van groot gewicht. Tapijten, zware
+overgordijnen, portières, stoelen met stoffen bekleeding en franjes,
+allerhande versieringen, welke stof houden, mogen geen plaats vinden in
+de kamer, omdat met het stof allerlei ziektekiemen in het lichaam
+kunnen binnendringen. Dus ook geen overtollige vloerkleedjes. De beste
+vloerbedekking is linoleum. Het reinigen daarvan behoort zoo te
+geschieden, dat het eerst wordt afgenomen met een vochtigen doek, opdat
+het stof niet in de lucht verspreid worde, en daarna gedweild.
+Stofdoeken, kussens, enz., worden buiten de kamer, niet door het
+geopende venster, uitgeklopt. Als behangselpapier zij
+gezondheidspapier, dat met water kan worden gereinigd, aanbevolen.
+
+Ook rustig en aangenaam moet de kraamkamer zijn. Men gebruike haar dus
+niet als ontvang- of huiskamer. Klepperende ramen kunnen worden
+vastgezet met houten wiggetjes; scharnieren en sloten van deuren zullen
+niet knarsen en piepen, wanneer zij zorgvuldig gesmeerd worden.
+
+Zoo zijn er velerlei kleinigheden, welke rust geven en het verblijf
+aangenaam maken voor haar, die geruimen tijd het slaapvertrek gebruiken
+moet als verblijfplaats. Tot die kleinigheden behoort ook de keuze van
+het behang. Geen onrustige patronen daarin, geen schrille kleuren. Het
+turen daarop werkt op den duur onaangenaam. Daarentegen zullen platen
+aan den wand, muurborden en dergelijke eene aangename breking geven.
+Herhaaldelijk viel het mij op, dat juist uurwerken in de
+slaap-kraamkamer niet loopen of den tijd al heel zonderling aanwijzen.
+Men bedenke dat ook de kraamvrouw gaarne wil weten hoe laat het is.
+
+De meubileering zij voldoende en eenvoudig. Liefst twee ledikanten, een
+waschtafel met dubbel waschstel, nachttafeltjes, eenige stoelen, een
+tafel met zeil bedekt, waaroverheen een schoon servet. Verkiezelijk is
+ook een zoogenoemde gemakstoel of stilletje en een eet-, lees- of
+bedtafeltje.
+
+Het ledikant moet zoo geplaatst worden, dat het gemakkelijk van twee
+kanten toegankelijk is, met het hoofdeinde naar den muur, en wel een
+zijmuur, gekeerd, midden in de kamer en niet te dicht bij de kachel. Te
+hooge ledikanten vindt men niet veel, te lage tegenwoordig des te meer.
+Het beste ledikant is een van ijzer, waarin een spiraalveeren
+onderstel, gedekt met een matras met paardenhaar gevuld, dus niet te
+zacht. Veeren bedden zijn te warm, terwijl de kraamvrouw er te diep
+inzakt. Als bedekking gebruike men een laken en wollen dekens, geen
+gewatteerde, die te zwaar zijn, en de verdamping van het zweet
+beletten.
+
+Voor de bevalling dient het bed in orde gemaakt te worden. Op het
+onderlaken komt een onderlaag van molton te liggen, daarop een stuk
+hospitaaldoek, aan beide zijden van gummi voorzien, minstens een
+vierkante meter groot, en daarop, dwars over het bed, een zoogenaamd
+steeklaken, d.i. een laken overlangs en overdwars dubbel gevouwen, met
+veiligheidsspelden aan de matras vastgestoken om het verschuiven te
+beletten. Aanbeveling verdient het een soort matrasje, eveneens
+ongeveer een vierkante meter groot, van houtwolwatten en gaas
+vervaardigd en niet te dik, waarin allerlei vocht, dat bij de baring te
+voorschijn komt, wordt opgevangen en dat, na afloop, wordt weggeworpen,
+op het steeklaken te leggen.
+
+Daar vaak reeds eenigen tijd voor het berekende einde van de
+zwangerschap, zonder eenige voorafgaande pijn, het water breekt, d.w.z.
+de blaas, waarin het kind zich bevindt, scheurt en het vruchtwater zich
+naar buiten ontlast, is het een verstandige voorzorgsmaatregel, om, ten
+einde het bed voor onverwacht nat worden te behoeden, reeds eenige
+weken voor den tijd het hospitaaldoek, b.v. onder het onderlaken, op de
+matras te leggen.
+
+Zoolang het hospitaaldoek nog ongebruikt blijft, beware men het
+opgerold op een ronden stok, niet gevouwen. In de vouwen toch breekt
+het gummi-bekleedsel, laat daar schilfertjes los en verleent het
+doorgang aan alle vocht, zoodat later blijkt dat de onderliggende laag
+allerminst beschermd was.
+
+Met deze opmerkingen hebben wij reeds een begin gemaakt met de
+vermelding van datgene, wat voor de bevalling noodig is. Wij sluiten
+hierbij een lijst aan van al het andere dat daartoe verder behoort:
+
+
+ GROOTE EN KLEINE VEILIGHEIDSSPELDEN.
+ OUD LINNEN OF MOLTON VOOR ONDERLAGEN.
+ STOP- OF BANDDOEKEN, of kussentjes van watten, in hydrophiel gaas,
+ vervaardigd, om de afscheiding na de bevalling, de zoogenaamde
+ kraamzuivering, op te vangen.
+ SLUITLAKENS, zacht en zoo hoog, dat zij van de ribboog tot over de
+ heupen reiken. Verschillende modellen worden daarvoor aangegeven.
+ EEN ONDERSTEEK VAN EMAIL OF AARDEWERK, zoogenaamd slof-model.
+ WARMWATER-KRUIKEN.
+ VERBANDWATTEN, ZEEP.
+ TWEE FLINKE HANDENBORSTELS. Deze moeten van te voren worden
+ uitgekookt en bewaard worden in een glazen wijdmondsstopflesch
+ gevuld met eene desinfectie-vloeistof, of in een schoonen doek.
+ EEN OF ANDER DESINFECTIE-MIDDEL. Het aangenaamste lijkt mij
+ Lysoform.
+ EEN BAD-THERMOMETER.
+ EEN MAXIMAAL KOORTS-THERMOMETER.
+ EEN GLAZEN HEVELBAK OF IRRIGATOR, met 1½ meter goede slang en twee
+ glazen canules, één voor scheedeuitspoeling en één voor het zetten
+ van lavementen.
+ VETERBAND, niet te breed, rein.
+ FLINKE HOEVEELHEDEN HEET EN KOUD WATER.
+
+
+Voor het Kind:
+
+
+ EEN BADKUIP. Daarvoor kan ook een groote zinken teil dienst doen.
+ EEN TAFEL, waarop het kind geholpen wordt.
+ EEN BEDJE, waarin een matras van paardenhaar of zeegras, een
+ hoofdkussen gemaakt van paardenhaar, zeegras of varen, niet te
+ groot, niet te dik, niet te zacht; lakentjes en één of twee wollen
+ dekentjes.
+ MOLTON ONDERLAGEN, 30–40 cM2. lang en breed.
+ HOSPITAALDOEK, 50 cM. groot.
+ NAVELBANDEN. Het beste lijkt mij een tricot-windsel ter breedte van
+ 8–10 cM.
+ LUIERS, het best uit badhanddoekengoed. Zij moeten van te voren
+ gewasschen zijn.
+ ZUIVERE OLIJFOLIE, SLAOLIE, VASELINE of eenig ander zuiver vet.
+ TALKPOEDER, witte pijpaarde, vasenol-strooipoeder of
+ alsol-strooipoeder.
+ EEN POEDERBUS.
+ OVERVETTE ZEEP.
+ ZACHTE, KLEINE, GOED UITGEKLOPTE SPONZEN.
+ WARMWATER-KRUIKEN.
+ EENIGE KOMMETJES VAN AARDEWERK.
+ VERKIEZELIJK IS OOK EEN KINDERWEEGSCHAAL.
+ KLEEDEREN.
+
+
+Omtrent de kleederen zou velerlei kunnen worden opgemerkt. Ik laat dat
+echter achterwege. Het „pak”, zooals dat oudtijds voor den pasgeborene
+gebruikt werd, is gelukkig in onbruik geraakt, daar men heeft ingezien,
+dat lichte, zachte, warme en losse bekleeding, welke gemakkelijk kan
+worden aan- en uitgetrokken en het kind zooveel mogelijk vrijheid laat
+voor beweging van armen en beenen, de doelmatigste is.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORBEREIDING VOOR DE BEVALLING.
+
+
+Een zaak van het hoogste belang is reinheid. Daarop kan niet genoeg
+nadruk gelegd worden. Reinheid is een van de grondslagen waarop de
+verloskunde van den tegenwoordigen tijd rust, waaraan zij de groote
+triomfen dankt, welke zij behaald heeft op een van de
+verschrikkelijkste ziekten, die duizenden moeders ten grave sleepte, de
+kraamvrouwenkoorts.
+
+Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat tallooze vrouwen, zoowel
+gedurende de baring als daarna, vrij regelmatig koorts kregen, dikwijls
+in die mate, dat het kraambed tevens het sterfbed werd van haar, die,
+jong en levenslustig, in blijde hoop het tijdstip hadden zien naderen,
+waarop zij moeder zouden worden. Talrijk waren de mogelijkheden welke
+bedacht en overwogen werden, allerlei maatregelen werden, doch steeds
+zonder gevolg, toegepast, totdat omstreeks het midden der voorgaande
+eeuw een geneesheer te Pest, Ignaz Phil. Semmelweis, de eerste schrede
+deed op den weg, die nu door alle geneesheeren tot heil der barenden
+bewandeld wordt. Toen hij, gedurende den tijd dat hij assistent was in
+eene kraaminrichting te Weenen, zoovele vrouwen aan kraamvrouwenkoorts
+zag sterven en, na eenigen tijd afwezig te zijn geweest, vernam dat een
+zijner leermeesters, bij het doen van eene lijkopening, gewond en
+besmet was geworden met lijkengif, waaraan deze onder dezelfde
+verschijnselen overleed als die welke Semmelweis bij de kraamvrouwen
+had waargenomen, rees bij hem de gedachte, dat de oorzaak der
+kraamvrouwenkoorts in hoofdzaak moest gezocht worden in infectie of
+besmetting der barende, door stoffen, welke van buiten af in de wonden,
+die noodzakelijkerwijze gedurende de baring ontstaan, binnendringen.
+Hij overwoog, dat zij, die de barende hulp verleenen, daarbij eene
+groote rol konden spelen. Zij toch, geneesheeren als andere
+hulpverleenenden, vooral in ziekenhuizen en kraaminrichtingen, kwamen
+in aanraking met vuile wonden, etterende lichaamsdeelen en lijken, en
+konden gemakkelijk de schadelijke stoffen aan handen en kleederen met
+zich voeren. Wanneer, zoo dacht hij, de oorzaak, zij het ook slechts
+ten deele, daarin te zoeken is, zal verbetering moeten zijn waar te
+nemen, wanneer die personen, door het aanwenden van ontsmettende
+middelen, de mogelijkheid tot het overbrengen dier stoffen op de
+barenden tot de kleinste afmeting terugbrengen. En deze gedachte, door
+hem toegepast, bleek juist te zijn; er werd verbetering waargenomen.
+Men meene evenwel niet, dat zijne belangrijke ontdekking
+oogenblikkelijk ingang vond. Ook nu leert de geschiedenis weder dat het
+nieuwe, het vreemde, moeite heeft zich een plaats te veroveren. Slechts
+enkele zijner ambtgenooten begrepen, dat er waarheid school in zijne
+waarnemingen, welke hij in 1849 voor ’t eerst publiek maakte. Zelfs 15
+jaren later was de toestand nog weinig verbeterd. In Augustus 1865
+stierf de man, dien nu allen als weldoener der barenden eeren, in het
+krankzinnigengesticht te Weenen, aan bloedvergiftiging, zonder dat hij
+heeft mogen beleven, dat de wetenschappelijke mannen van zijn tijd,
+uitgezonderd een enkele, zijne belangrijke ontdekking aanvaardden.
+Langzamerhand echter kwam men tot het besef dat Semmelweis de waarheid
+op het spoor was, en de laatste tientallen van jaren hebben, dank zij
+den ijverigen arbeid van vele wetenschappelijke mannen, het bewijs
+gebracht, dat zijne ontdekking duizenden moeders het leven heeft gered.
+Door hunnen arbeid werd het steeds duidelijker, dat niet alleen de zoo
+gevreesde kraamvrouwenkoorts, maar nog vele andere ziekten veroorzaakt
+worden door infectie, dat de kraamvrouwenkoorts te beschouwen is als
+een wondkoorts, de kraamvrouw als eene gewonde. En nu aanvaardt ieder
+geneesheer datgene, waarvoor de ontdekker jarenlang, onder groote
+miskenning, heeft gestreden. Zoo ergens dan is het hier van pas een
+woord van dankbare hulde te brengen aan de nagedachtenis van den man,
+wiens naam met eerbied dient genoemd te worden door alle moeders.
+
+Kleine levende wezens, zoo klein dat zij slechts met behulp van het
+mikroskoop zijn waar te nemen, bleken de vijanden te zijn, die, overal
+aanwezig, steeds den mensch belagen. Bacteriën noemt men ze met een
+algemeenen naam, en hun schadelijken invloed oefenen zij uit, zoodra
+zij, in het lichaam binnengedrongen, daar een geschikten bodem vinden
+voor ontwikkeling en vermenigvuldiging. Zij scheiden daarbij stoffen
+af, die, in de weefsels van het lichaam overgaande, niet alleen
+plaatselijk allerlei veranderingen kunnen teweegbrengen, maar ook het
+geheele lichaam zoo ziek maken, dat het leven er mede gemoeid is.
+
+Toen men eenmaal zoo ver gekomen was, zocht men, zooals voor de hand
+ligt, naar middelen ter bestrijding. Het zou ons te ver voeren, hier
+ook maar in ’t kort mede te deelen, hoe ver men daarmede tegenwoordig
+reeds gevorderd is. Het zij genoeg te vermelden, dat eensdeels
+duidelijk bleek, dat zorg voor een gezond lichaam een belangrijk
+hulpmiddel in den strijd tegen de werking dezer kleine organismen is,
+dat anderdeels reinheid en ontsmetting in staat zijn den vijand met
+goed gevolg te bestrijden.
+
+Onmiddellijk, om te beginnen dus, zorg voor een gezond lichaam. Overal
+zijn bacteriën aanwezig, ook in ons lichaam. Gelukkig echter bezit het
+lichaam middelen om zich te verdedigen, zoodat de vijand onophoudelijk
+onschadelijk gemaakt wordt of zoodanig verzwakt, dat hij geen vat op
+ons heeft. En het ligt in de rede, dat het gezonde lichaam de beste
+weerkracht kan ontwikkelen.
+
+Zoodra echter van buitenaf die organismen in het lichaam binnendringen,
+wordt de strijd moeilijker en hangt het van velerlei omstandigheden af,
+wie den strijd wint. Elke verwonding vormt een zwakke plek, van elke
+verwonding kan de van buiten gekomen vijand den strijd beginnen. Daarom
+is het noodig ons zooveel mogelijk te beschutten tegen het indringen
+van bacteriën in ons lichaam.
+
+Hoe beschutten wij ons dan het best daartegen? Door reinheid! Door
+reinheid op woning, kleeding, voedsel en lichaam. En waar reinheid in
+de gewone dagelijksche beteekenis ons niet voldoende lijkt, verscherpen
+wij haar door ontsmetting, door het gebruik maken van ontsmettende of
+desinfecteerende middelen, welke worden aangewend om de bacteriën te
+dooden of, zoo dat niet mogelijk zijn mocht, ze zoodanig te verzwakken,
+dat hun schadelijke invloed zoo gering mogelijk wordt.
+
+Passen wij deze beschouwing toe op de baring, dan blijkt hoe de
+kraamkamer zoo rein mogelijk moet zijn, hoe alles wat stof herbergt en
+stof kan afgeven, zooveel mogelijk moet geweerd worden. Wij begrijpen
+dan den eisch van den verloskundige, dat alles wat de barende aan en om
+zich hebben zal, dat alles wat gedurende de baring gebruikt zal worden,
+rein zij. Allereerst de barende zelf. Vóór de baring reinige zij zich,
+in een bad als ’t kan, en anders door wassching van het geheele lichaam
+met warm water, waarin men een stukje soda ter grootte van een noot kan
+oplossen, en zeep. Vooral de geslachtsdeelen moeten op die wijze
+gereinigd, lange haren daar ter plaatse kort geknipt worden, omdat deze
+allerlei vocht, vuil en bloed vasthouden. Zij trekke daarna schoone
+kleederen aan. Het best worden die, om verontreiniging gedurende de
+baring tegen te gaan, van onderen op tot het middel omgevouwen en
+vastgespeld, en het onderlijf bedekt met een schoonen witten onderrok,
+welke gemakkelijk, als hij bevuild is, door een andere kan vervangen
+worden. Ook is het aan te bevelen kort voor de baring, maar ook als die
+begonnen is, den darm door een glycerine-lavement te ontledigen, om
+zooveel mogelijk verontreiniging te voorkomen. Na de ontlasting moet de
+vrouw weder met warm water en zeep gereinigd worden. Voor de reiniging
+gebruike men nooit een spons, doch verbandwatten. De spons toch is niet
+behoorlijk meer te reinigen en blijft allerlei vuil vasthouden, terwijl
+vuile watten worden weggeworpen. Het hoofdhaar worde gekamd en
+gevlochten.
+
+Het bed worde bedekt met schoon linnen. Geen beslapen lakens dus,
+zooals nog dikwijls worden gebruikt. Beslapen lakens zijn vuile lakens.
+Het hospitaaldoek moet, voor het gebruikt wordt, met warm water en zeep
+goed afgewasschen en met een schoonen doek afgedroogd worden.
+
+De watten, welke door den verloskundige en de verpleegster gebruikt
+zullen worden, verdeele men in twee helften. De eene helft kan weder in
+de verpakking worden weggeborgen, de andere helft wordt, in strooken
+verdeeld, bewaard in een schoongemaakte glazen wijdmondsstopflesch of
+in een schoonen handdoek en voor het gebruik gereed gehouden.
+Gewoonlijk bezorgt de verpleegster al deze dingen.
+
+De handenborstels, uitgekookt en bewaard in een glazen
+wijdmondsstopflesch, gevuld met een ontsmettingsvloeistof, of in een
+schoonen handdoek, worden gereed gehouden.
+
+De waschkommen moeten schoon zijn, zooals alles wat aan kommen of
+kommetjes zal gebruikt worden, dus ook het ondersteek.
+
+Steeds moet eene voldoende hoeveelheid heet en koud water aanwezig
+zijn.
+
+Zoodra de verloskundige geroepen is, zorge men voor heet water. Ook hij
+toch, evenals de verpleegster die hem ter zijde zal staan en menige
+handreiking te doen heeft, zal zich behoorlijk reinigen voor hij tot
+een onderzoek of eenige andere handeling overgaat. Immers geldt vooral
+voor die beiden het voorschrift van nauwkeurige reiniging en
+ontsmetting. Op en in de huid, vooral van de hand, zijn vele bacteriën
+aanwezig en die moeten, door langen tijd borstelen der handen met heet
+water en zeep en daarna met eene ontsmettingsvloeistof, verwijderd of
+onschadelijk gemaakt worden.
+
+Zóó is het den verloskundige mogelijk geworden de gevaren te
+bestrijden, welke de barende bedreigen; zóó heeft de verloskunde,
+afgezien van hare ontwikkeling in andere richting, de triomfen kunnen
+vieren, waartoe Semmelweis haar eens den weg wees.
+
+Nu kan men begrijpen, waarom de verloskundige steeds moet aandringen op
+reinheid, altijd en overal, maar vooral vóór, gedurende en ook na de
+baring.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DE BEVALLING OF BARING.
+
+
+Bevalling of baring noemt men de gebeurtenis, waarbij de baarmoeder
+haren inhoud, en wel in ’t bijzonder aan het einde der zwangerschap,
+uitdrijft. Dat geschiedt door samentrekkingen van haren wand, welke,
+zooals wij weten, in hoofdzaak uit een weefsel van spieren is
+opgebouwd. Die samentrekkingen, met pijnen gepaard, waarom zij den naam
+van weeën dragen, volgen niet onmiddellijk op elkander, doch zijn door
+korte of langere tijdsruimten gescheiden, in welke de spieren als ’t
+ware uitrusten. Elke samentrekking begint met geringe pijn. Beide
+bereiken, in sterkte toenemende, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk
+minder te worden en op te houden. De samentrekkingen kan men, door de
+op den buik gelegde hand, tastend waarnemen. Elke spier die zich
+samentrekt wordt vaster en duidelijker te voelen. Zoo wordt ook de zich
+samentrekkende baarmoeder vast en hard op aanvoelen, terwijl elke
+betasting van haren inhoud, zooals dat in de zwangerschap en in de
+rusttijden tusschen de samentrekkingen kan geschieden, onmogelijk is.
+
+Regelmatige afwisseling van samentrekkingen en rusttijden is een
+gunstig verschijnsel. De gemiddelde duur eener wee is ½–1 minuut, in
+het begin der baring gewoonlijk iets korter; de duur der rusttijden
+schommelt tusschen 5, 10 en 15 minuten. Tegen het einde der baring
+duren de weeën gewoonlijk langer en volgen elkander in ’t algemeen niet
+zoo snel op. Kleine en groote verschillen kunnen evenwel met betrekking
+tot beide worden waargenomen.
+
+Reeds gedurende de tweede helft der zwangerschap trekt de baarmoeder
+zich nu en dan samen. Die samentrekkingen worden echter niet of slechts
+nu en dan, vooral door gevoelige zwangeren, gevoeld. In de laatste
+maand treden zij vaker op. Men noemt ze valsche pijnen, ook voorweeën,
+omdat zij het begin van de baring nog niet aangeven. Zij worden meestal
+in den buik waargenomen, als lichte en meer trekkende pijnen, welke ’s
+nachts niet zelden verdwijnen; zij treden onregelmatig op en gelijken
+op de pijnen, welke men als kramp voelt bij winden of diarrhee. Niet
+zelden is de gevoeligheid te wijten aan slechte ontlasting, waarom het
+dan ook, vooral in dien tijd, noodig is voor voldoenden stoelgang zorg
+te dragen. Bij twijfel omtrent den aard dier pijnen is het voorzichtig
+den geneesheer te waarschuwen.
+
+De ware of echte baringsweeën zijn in regelmatige tusschenpoozen
+terugkeerende samentrekkingen, waarbij de pijnen niet alleen of
+hoofdzakelijk in den buik, doch ook in de lendenstreek en zelfs in de
+dijen uitstralende, gevoeld worden. Dit laatste is evenwel geen
+algemeen geldende regel, zoodat wij het best doen met te zeggen, dat
+die weeën als echte, het begin der baring aankondigende, zijn op te
+vatten, waarbij de pijnen, zij het ook alleen in den buik, met
+regelmatige tusschenpoozen opkomen, allengs heviger worden en sneller
+op elkander volgen.
+
+Die samentrekkingen nu hebben allereerst tot gevolg, dat de opening der
+baarmoeder langzamerhand wijder en wijder wordt. Een teeken dat, zooals
+men het noemt, de baarmoeder zich opent, is in vele gevallen het
+volgende. Door den druk der weeën gevoelt de vrouw aandrang tot
+urine-loozing. Wanneer zij aan die behoefte voldaan heeft en de
+geloosde urine beziet, bemerkt zij daarin een klein of grooter rood
+streepje. Dat is bloed, hetwelk bij het openen der baarmoeder te
+voorschijn en tot in de schaamspleet kwam, waaruit het door de urine
+werd weggespoeld. Wanneer de vrouw niet urineert, doch met een doek of
+watten de schaamspleet uitveegt, neemt zij wat bloederig gekleurd
+slijmachtig vocht waar. Men zegt dan: „De vrouw teekent” of ook wel:
+„Er is ontsluiting”. Den tijd gedurende welke de opening in grootte
+toeneemt, noemt men het ontsluitingstijdperk.
+
+Daar de zich samentrekkende baarmoeder haren inhoud vaster omsluit,
+wordt die inhoud steeds meer naar en in de opening gedreven. Gewoonlijk
+komt het daarbij tot braken. In den beginne geschiedt de verwijding of
+ontsluiting met medewerking van den druk, waaronder het vruchtwater
+staat, dat in den eivlieszak is opgesloten. Het onderste gedeelte van
+dien eivlieszak legt zich bij iedere samentrekking tegen den rand van
+de opening aan en wordt, naarmate die opening in grootte toeneemt,
+daardoor heen gedrukt, zóó lang tot er een oogenblik komt, dat dit
+gedeelte van dien zak den druk van het vruchtwater niet kan weerstaan
+en op het hoogtepunt der wee scheurt. Dikwijls voelt de vrouw dat
+bersten. Dadelijk daarop bespeurt zij, dat er eene hoeveelheid vocht,
+het vruchtwater, al of niet met bloed gemengd, door de geslachtsdeelen
+naar buiten vloeit. Men zegt dan, dat „het water gebroken is.”
+
+Gedurende dien tijd namen de weeën in kracht en pijnlijkheid toe. Na
+het breken der vliezen treedt gewoonlijk een tijdperk van wat langere
+rust, soms ¼—½ uur, in en geeft het wegloopen van het vruchtwater der
+vrouw een gevoel van verlichting en ontspanning. Dan begint de
+weeënwerkzaamheid opnieuw, de pijnen komen wederom opzetten, doch niet
+zoo onaangenaam snijdend en knijpend als te voren. Soms echter worden
+de weeën onmiddellijk in aansluiting aan het breken van het water
+sterker, langer aanhoudende en sneller terugkeerende. Door die weeën
+wordt nu het hoofd van het kind in de baarmoederopening geperst.
+Wanneer de vrouw de pijnen nog niet in lenden en dijen gevoeld mocht
+hebben, is dat nu zeker wel het geval en van dat oogenblik verdwijnen
+die niet meer. Dan kan men aannemen, dat het hoofd in de scheede is
+gekomen. Iedere opvolgende wee brengt dat deel van het kind iets verder
+in de scheede, naar de uitwendige opening toe. Daarbij krijgt de vrouw
+een gevoel alsof alle spieren van buik en lenden zich samentrekken, zij
+voelt heftige drukking in de scheede, met behoefte om zich, door
+inspanning van de buikspieren, door persen, daarvan te bevrijden.
+Somtijds wordt zij daarbij geplaagd door pijnlijke krampen in kuiten en
+dijen. Bij iedere nieuwe wee trilt zij, houdt den adem in, zoekt steun
+voor handen en voeten, perst onwillekeurig met alle macht naar beneden,
+waarbij de weeënpijn dragelijker wordt, het gelaat wordt rood en
+opgezet, zij begint te zweeten, wil schreeuwen als om daardoor te
+ontkomen aan den machtigen drang, doch wordt onwillekeurig tot
+verwerking der weeën gedrongen, d.i. den adem in te houden, den
+buikwand saâm te trekken en naar beneden te persen, waarbij
+langzamerhand de wil komt om hetzelfde te doen, daar zij begint te
+bespeuren, dat daardoor het kind wordt voortbewogen. Als de wee voorbij
+is, haalt zij diep adem en verlangt te drinken, daar de mond droog is.
+Daar komt de pijn opnieuw opzetten, drukking en drang nemen toe, het is
+alsof er ontlasting komen moet en er in de schaamspleet iets te voelen
+komt, dat naar buiten wil. Dan verschijnt inderdaad een gedeelte van
+het hoofd in die opening. Telkens schijnt het terug te willen. De
+veerkracht der weefsels dringt het werkelijk gedurende de weeën-pauze
+terug, maar de opvolgende wee doet ras het verlorene herwinnen en
+brengt het hoofd verder voorwaarts, de weefsels worden tot scheurens
+toe gespannen, de aarsopening wordt opengerekt, hevig drukkende pijnen
+dwingen haar steeds tot persen, het geheele lichaam schudt, het gevoel
+van pijn en angst bereikt zijn hoogsten graad, ’t is of alles wil
+breken, alles uit elkaar zal spatten, alles één opening wordt waardoor
+de druk zich ontlast, alles wat haar benauwt haar ontschiet en.... het
+hoofd is geboren. Daarmede is letterlijk en overdrachtelijk de
+hoofdzaak geschied. Zij haalt ruimer adem, het ergste is achter den
+rug. Na een kortstondige rust nog één wee. Nog éénmaal voelt zij den
+onweerstaanbaren drang, zij perst en daar is ’t of alles, in een
+onnoemlijk gevoel van verlichting, haar ontvloeit. Haar kind is geboren
+en begroet het levenslicht met een kreet, welke de moeder in zalige
+verrukking brengt. Het uitdrijvingstijdperk, zooals men dit tweede
+gedeelte der baring, na het breken der vliezen, noemt, is voorbij.
+
+De navelstreng wordt door den geneesheer op twee plaatsen, op eenigen
+afstand van elkander, met een bandje afgebonden, dan daartusschen
+doorgeknipt, hij heft het kind omhoog en vertoont het aan de moeder.
+Alle pijn is verdwenen, alle smart vergeten. Vermoeid, doch gelukkig en
+dankbaar, ligt zij daar, genietende de rust welke zoo onverwacht haar
+deel werd. Nu, warm toegedekt, ligt zij rustig op den rug. Wel voelt
+zij een min of meer brandende pijn aan de uitwendige geslachtsdeelen,
+die te wijten is aan de rekking van den scheedeingang, welke heeft
+plaats gevonden, en aan onvermijdelijke scheurtjes, doch dat deert haar
+niet. Het zwaarste is geleden.
+
+De buik is saâmgevallen, de buikwand slap en geplooid. Daardoorheen is
+de samengetrokken verkleinde baarmoeder als een min of meer harden
+ronden bal, ter grootte van een hoofd, te voelen. Door die
+samentrekking komt de bloeding, welke gedurende den doortocht van het
+kind kan zijn opgetreden, tot staan.
+
+Bijna altijd overvalt der pas verloste vrouw nu een huiveren en beven,
+als terugslag op den arbeid dien zij verricht heeft. Daarom moet zij
+rustig liggende, goed en warm toegedekt, zich overgeven aan de
+ingetreden kalmte.
+
+Na 10—15 minuten van korte doch weldadige rust voelt zij weder pijnen
+in den onderbuik, dikwijls gepaard gaande met geringe bloedvloeiing.
+Dat zijn de nageboorteweeën, samentrekkingen van de baarmoeder,
+waardoor de nageboorte, moederkoek en eivliezen, van den baarmoederwand
+wordt losgemaakt. Zoo pijnlijk als de voorgaande zijn deze weeën niet,
+ook volgen zij elkander niet zoo snel op. Eindelijk wordt de
+nageboorte, vergezeld van vloeibaar en gestold bloed, onder een gevoel
+van dringen, uitgestooten. Meestal echter weet de geneesheer dien tijd
+te bekorten. Hij heeft reeds eenige malen, door den buikwand heen, de
+baarmoeder betast om zich te vergewissen van den regelmatigen en
+ongestoorden gang van dit gedeelte der baring en neemt, na verloop van
+een half uur of langer, een gunstig oogenblik waar om, door een
+krachtigen druk op de saâmgetrokken baarmoeder, de uitdrijving der
+nageboorte te doen plaats hebben.
+
+Nu is inderdaad de „verlossing” afgeloopen en maakt de geneesheer zich
+gereed de moeder van bloed, vruchtwater en allerlei, waarmede zij
+bevuild werd, te reinigen. Daarna wordt ook het bed gereinigd of de
+kraamvrouw in een ander, schoon bed overgebracht. Tevens bekijkt de
+geneesheer de schaamspleet, om te zien of misschien, bij het rekken
+gedurende den doortocht van het kind, eene scheuring van het weefsel is
+ontstaan. Is dat het geval, en vaak is dat niet te verhoeden, dan hecht
+hij de ontstane wonde, opdat de opening weder als voorheen gesloten
+worde. Is alles afgeloopen, dan legt men de kraamvrouw een verband voor
+de uitwendige geslachtsdeelen, om het nog uitvloeiende bloed op te
+vangen, omwikkelt haar den buik, tot steun, met een sluitlaken en geeft
+haar over aan de zoo noodige rust.
+
+Aldus, in korte trekken, de gebeurtenis welke men bevalling noemt.
+Hierbij zijn eenige opmerkingen nuttig en noodig.
+
+Reeds gedurende de zwangerschap zal de geneesheer zich door onderzoek
+overtuigd hebben van de ligging van het kind en van den inwendigen bouw
+der vrouw, met de bedoeling zich van te voren eene voorstelling te
+maken van de wijze waarop de bevalling zal geschieden. Dat onderzoek
+heeft zoowel plaats door uitwendig onderzoek, d.w.z. door betasting van
+den inhoud van den buik en van den inhoud der baarmoeder, door den
+buikwand heen, als door inwendig onderzoek, d.i. door het invoeren van
+den vinger in de geslachtsdeelen. Dergelijk onderzoek wordt later
+herhaald, zoowel om uit te maken of de baring begonnen is, als om, in
+den aanvang der baring, zich nauwkeurig op de hoogte te stellen van
+alles, wat hij weten moet, om moeder en kind zijne goede zorgen te
+kunnen wijden.
+
+Niet altijd volgen de gebeurtenissen gedurende de baring in dezelfde
+volgorde elkander op of hebben zij op dezelfde wijze, in dezelfde mate,
+in dezelfde regelmaat plaats. Meermalen wordt de zwangere vrouw verrast
+door afvloeien van vruchtwater vóór zij nog eenige pijn gevoeld heeft,
+nog vóór zij eenig teeken waarnam, waaruit zij kan opmaken, dat de
+baring beginnen zal. Zij zal dan goed doen te bed te gaan of te blijven
+liggen, en den geneesheer te laten komen, die dan een onderzoek instelt
+en haar raad zal geven, hoe zij zich te gedragen heeft.
+
+Gedurende het ontsluitingstijdperk kan ook het breken van de vochtblaas
+vroeger of later geschieden. Meestal is men van meening, dat de baring,
+na vroeg breken van de vochtblaas, moeilijker en langduriger zijn zal,
+en hoort men spreken van „drogen arbeid”. Dit schrikbeeld behoeft
+evenwel geen enkele zwangere of barende te kwellen. Nooit toch vloeit
+al het vruchtwater weg en de ervaring heeft geleerd, dat—in het
+algemeen genomen—de duur der baring daardoor niet verlengd, vaak zelfs
+verkort wordt. Het laat breken der vliezen kan omgekeerd den duur der
+baring verlengen, waarom dan ook de geneesheer dikwijls zelf de blaas
+opent, om den duur te bekorten. Of na het afvloeien van het vruchtwater
+de vrouw het bed moet houden, dan wel nog in de kamer mag rondgaan,
+late men aan zijne beslissing over.
+
+Het is volstrekt niet ongewoon te vernemen, dat de vrouw is
+„ingescheurd” ten gevolge van minder goede zorg van den geneesheer.
+Hieromtrent dient opgemerkt, dat het hem, zelfs bij de uiterste
+inspanning, niet alleen niet altijd, maar zelfs in zeer vele gevallen
+in het geheel niet gelukken zal het scheuren der weefsels te voorkomen.
+Allerlei invloeden spelen hierbij eene rol. Zoo zal een groot hoofd van
+het kind niet zonder scheuren door een nauwe schaamspleet kunnen
+geboren worden en zal de geneesheer zelfs genoodzaakt kunnen zijn, om
+erger te voorkomen, de opening door eene insnijding te vergrooten; zoo
+zal eene vrouw, die op ouderen leeftijd voor ’t eerst baart, grootere
+kans op inscheuring hebben, omdat bij haar de weefsels niet zoo
+gemakkelijk en niet zoo volledig meer rekken als bij jonge
+eerstbarenden; zoo zal een hoofd, dat niet de gunstigste houding bij
+het doortreden door de opening heeft, allicht de rekbaarheid op te
+groote proef stellen, waaraan deze niet vermag te voldoen en zoo zal de
+vrouw, die gedurende de geboorte van het hoofd zich plotseling aan de
+steunende hand van den verloskundige onttrekt en met alle kracht en
+snelheid het hoofd door de opening perst, eene inscheuring krijgen,
+welke bij meerdere kalmte ware te voorkomen geweest, om van andere
+mogelijkheden niet te reppen. Ook de geneesheer stelt er prijs op zulke
+onaangename verrassingen te ontgaan en doet dus alle mogelijke moeite
+die te voorkomen.
+
+In het algemeen zij de vrouw indachtig, dat de bevalling, hoewel met
+pijn gepaard, eene noodzakelijkheid is, waaraan zij niet ontgaan kan.
+Zij late zich dus niet door vrees beheerschen, doch neme zich voor, ook
+dien arbeid met wilskracht en moed te verrichten. De belooning toch is
+groot, het einde brengt wat zij zoo lang verwacht heeft. Onstuimig
+woelen, gebrek aan geduld en kalmte, aan bedaardheid en
+zelfbeheersching werken nadeelig; kalmte en berusting zullen haar
+velerlei onaangenaamheden besparen. De weeën zijn dan regelmatiger, de
+duur van de baring daardoor korter en de voldoening te grooter. Laat de
+gedachte, dat de geneesheer noodig is bij deze heuglijke gebeurtenis,
+haar niet doen vreezen voor allerlei gevaren. De natuurkrachten leiden
+in bijna alle gevallen tot een goed einde. Alles is over ’t algemeen
+van nature voor die gebeurtenis zoo goed ingericht, dat—naar de
+ervaring leert—95 van de 100 gevallen, geheel zonder hulp, gelukkig
+afloopen.
+
+De tegenwoordigheid van den verloskundige zij haar integendeel tot
+troost. Hij is daar om elke afwijking, welke zich zou kunnen voordoen,
+te herstellen. Waar hij kalm is, behoeft zij niet te vreezen, zij
+vertrouwe op hem. Zijne kalmte mag haar niet voorkomen als zou hij
+gebrek aan menschelijk gevoel hebben. Hij overziet den toestand en weet
+waaraan hij zich te houden heeft, wat goed voor haar is. Zijne kalmte
+spruit voort uit het besef, dat alles goed zal gaan en zijn handelen is
+dat van den man, die weet wat er geschiedt. Daarom is hij niet
+hardvochtig, als hij niet voldoet aan alle wenschen van de barende of
+van hare omgeving. Integendeel, menige baring zou slecht afloopen,
+indien hij zich niet wist te beheerschen en weerstand te bieden aan
+begrijpelijke, doch ondoordachte verlangens en beden. Wie hem vertrouwt
+zal zelve de noodige kalmte behouden en te beter het einde bereiken.
+
+De duur der baring is zeer verschillend. In het algemeen wordt
+aangenomen, dat eene eerste baring 20–22 uren, volgende baringen
+omstreeks 15 uren duren. Toch eindigt de eerste baring in de helft der
+gevallen tusschen het 10e–18e uur, terwijl volgende baringen binnen 9
+uren afloopen. Volgens gemaakte berekeningen zou het voorbereidings- of
+ontsluitingstijdperk bij de eerste baring 12–20 uren, bij volgende 6–12
+uren, het uitdrijvingstijdperk bij de eerste baring 1½–7½ uren, bij
+volgenden ¼–1½ uur duren, en zou de nageboorte 2–2½ uur na de geboorte
+van het kind worden uitgedreven, indien, zooals boven gezegd, de
+geneesheer daaraan niet eerder een einde maakte. Velerlei
+omstandigheden kunnen op den duur van invloed zijn, zonder dat men
+daarom van afwijkingen behoeft te spreken.
+
+Wanneer de vliezige zak, waarin het kind besloten is, sterk is, zal hij
+minder gemakkelijk scheuren, en daardoor den voortgang der baring
+belemmeren. De geneesheer kan dan den duur verkorten door den zak te
+openen.
+
+Niet steeds volgt op het breken der vliezen een lange rustpooze. Vooral
+bij volgende bevallingen komt het niet zelden voor, dat dadelijk na het
+breken der vliezen en het afloopen van vruchtwater, ja, tegelijkertijd,
+dus met dezelfde wee, het kind geboren wordt.
+
+De duur der baring kan verder langer zijn door onrustigheid en angst
+der barende, alsook door het voortdurend te bed liggen gedurende het
+voorbereidings- of ontsluitingstijdperk. Dat weten vrouwen, die reeds
+meermalen baarden, dan ook wel. Zij blijven zoolang mogelijk op de
+been, gedurende eene wee steun zoekende waar zij dien toevallig vinden,
+om na afloop daarvan weder rond te gaan.
+
+De spieren van de baarmoeder zijn niet altijd even krachtig. Zij
+verrichten dan slechts korten tijd den noodigen arbeid, om daarna een
+langeren tijd van rust te nemen voor zij dien weder opvatten.
+Anderszins komt het voor, dat er eene wanverhouding bestaat tusschen
+grootte van het kind en ruimte van den weg, waardoor het moet worden
+voortbewogen, of dat geringe rekbaarheid dier deelen de uiterste
+inspanning van den kant der baarmoeder vergt, zoodat haar kracht eerder
+uitgeput raakt, waarop dan eveneens een langer tijdperk van rust volgt.
+Somtijds is die krachtsinspanning van de baarmoeder, vooral bij
+wanverhouding, zoo groot, dat de weeën bijzonder snel op elkander
+volgen, als ’t ware onafgebroken bezig zijn, zonder dat het gevolg
+noemenswaard is. Dan vooral, eveneens in andere gevallen waarin
+stoornissen in het verloop der baring zich mochten voordoen, vertrouwe
+de barende op den geneesheer, op zijn kennen en kunnen en op de
+wonderbare krachten der natuur. De geneesheer weet, door ervaring
+geleerd, den rechten weg te kiezen en, als het noodig blijkt, zal hij,
+op het juiste oogenblik, zijn kunst aanwenden om te helpen. Moed,
+geduld en vertrouwen zijn de eigenschappen, welke de barende van noode
+heeft.
+
+Dat eene goede zwangerschap ook eene gelukkige baring laat verwachten,
+en omgekeerd, is een geloof, dat, algemeen verbreid, op geen goede
+gronden rust. Men geloove ook niet aan den invloed van allerlei
+middelen, welke gezegd worden de baring gemakkelijk te maken. Dat geldt
+eveneens voor de bewering, dat het veelvuldig nemen van warme baden,
+tegen het einde der zwangerschap, een bijzonder gunstigen invloed zou
+uitoefenen.
+
+Opmerkelijk is het, dat in 55 % der gevallen de geboorte tusschen 8 uur
+’s avonds en 8 uur ’s morgens plaats heeft, meestal tusschen 12 en 3
+uur ’s nachts, het zeldzaamst tusschen 9 en 12 uur ’s avonds. Het begin
+valt meestal tusschen 9 en 12 ’s avonds, het zeldzaamst tusschen 12 en
+3 uur ’s middags.
+
+Oudtijds was men van meening, en ook nu is zij niet geheel verdwenen,
+dat de weeën het gevolg waren van de pogingen welke het kind aanwendt
+om uit de baarmoeder te komen. Daarbij zou, zoo meende men, het kind de
+voeten tegen den baarmoederbodem steunen en zich met de armen een weg
+banen. De weeënpauze zou dan de uiting zijn van het uitrusten van het
+kind. Van daar dat men nog wel eens hoort, wanneer een kind dood
+geboren wordt, dat de baring zoo lang geduurd heeft, omdat het kind
+zichzelf den weg niet banen kon en de moeder het dus moest uitpersen.
+Dat is geheel onjuist. De langdurige baring kan de oorzaak geweest
+zijn, dat het kind stierf. Het kind doet niets, de samentrekkingen van
+de baarmoeder, waarbij zich later het persen der barende, het gebruik
+van de buikpers, zooals men dat noemt, voegt, is de oorzaak dat het
+kind wordt voortbewogen. Dat is nu begrijpelijk voor haar, die kennis
+nam van hetgeen gezegd werd omtrent den bouw der baarmoeder en de
+werkzaamheid van haren spierwand.
+
+Wanneer na het breken van de vliezen een groot gedeelte daarvan zich
+over het hoofd van het kind legt, wordt dat deel hooger op van het
+andere deel afgescheurd en zal het, na de geboorte, het hoofd bedekken.
+Men zegt dan, dat het kind met den helm geboren wordt.
+
+Somtijds komt het voor, dat in de laatste weken van de zwangerschap, al
+of niet gepaard met of voorafgegaan door pijnen, bloeding uit de
+geslachtsdeelen optreedt, welke bloeding zeer belangrijk zijn kan. Het
+is dan noodig den geneesheer zonder verwijl daarvan in kennis te
+stellen, opdat hij daarvan niet onkundig blijve. Middelerwijl houde de
+vrouw de grootste rust in bed.
+
+Het gebeurt niet zelden dat de navelstreng een of meermalen, als een
+lus, om den hals van het kind gevonden wordt. Men noemt dat
+omstrengeling. De geneesheer houdt ook daarop zijne aandacht gevestigd,
+om noodlottige gevolgen voor het kind zoo mogelijk te voorkomen.
+
+Bijzondere vrees wordt veelal gekoesterd voor het zoogenaamde
+vastgegroeid zijn van de moederkoek of nageboorte. Eigenlijk moet men
+zeggen, dat er eene afwijking bestaat in dien zin, dat de vasthechting
+aan den baarmoederwand zoo stevig is, dat de samentrekkingen van de
+baarmoeder niet in staat zijn haar op te heffen. Al is deze afwijking
+allerminst van belang ontbloot, onjuist is het te meenen, dat zij zoo
+vaak voorkomt als wel eens beweerd wordt. Zij komt integendeel
+betrekkelijk zeldzaam voor. De meening dat de moederkoek, of het kind,
+zooals ook wel eens beweerd wordt, aan het hart is vastgegroeid, is
+bijna te dwaas om er hier over te spreken. De beschrijving van de
+onderlinge ligging van baarmoeder, darmen, maag en hart, zooals wij die
+in den aanvang in ’t kort gegeven hebben, zal iedere vrouw, die dat
+gelezen heeft, wel doen inzien, dat eene dergelijke vergroeiing tot de
+onmogelijkheden behoort.
+
+De meeste barenden hebben gaarne, dat men haar met de vlakke hand in de
+lenden of iets lager steun geeft. Dat zal het gemakkelijkste gebeuren
+wanneer zij op de zijde ligt, eene ligging welke hier te lande de meest
+gebruikelijke is.
+
+Gedurende de baring is de eetlust verminderd. Men trachte dus niet de
+barende tegen haren wil iets op te dringen. Veelal wordt het genotene
+uitgebraakt, wat haar zeker eenige onaangename oogenblikken bezorgt.
+Drinken is haar daarentegen zeer welkom en daaraan mag met gerustheid
+worden tegemoet gekomen. De angst, dat frisch koud water zoogenaamde
+krampweeën zou opwekken, is onjuist. Men vermijde evenwel alcoholica.
+Hierbij moet er op gewezen worden, dat de barende vaak geen aandrang
+tot urine-loozing voelt of, omgekeerd, herhaaldelijk dien drang
+ondervindt, terwijl slechts geringe hoeveelheden urine te voorschijn
+komen. In beide gevallen kan het gebeuren, dat de urine-blaas overvuld
+raakt. Daarop dient in het bijzonder gelet te worden, omdat de
+overvulde blaas de werkzaamheid der weeën vermindert, zelfs geheel kan
+doen ophouden, waarbij dan aanhoudend pijnen in den onderbuik en
+afwijkende ligging van het kinderhoofd, ten opzichte van het
+baringskanaal, kunnen ontstaan. Het is dus van belang, met het oog op
+den regelmatigen gang der weeën, er op te letten, dat de urine-loozing
+gedurende de baring geregeld plaats vindt.
+
+De gevoeligheid voor de weeënpijnen en de uiting, welke daaraan door de
+barenden gegeven wordt, is zeer verschillend. Flinke vrouwen, zelfs
+eerstbarenden, laten somtijds geen enkelen kreet hooren, anderen geven
+op de allerkrachtigste wijze uiting aan hare gevoelens van pijn en
+onbehagen. Al is het te begrijpen, dat hevige pijn onwillekeurig
+aanleiding geeft tot eene kernachtige uiting van smartgevoel, zoo is
+het ook in deze van belang, dat de barende zich zooveel mogelijk
+beheerscht.
+
+Ondanks alle voorzorgen komt het voor, dat het kind schijndood of ook
+wel dood geboren wordt. Somtijds sterft het reeds gedurende de
+zwangerschap. De oorzaken voor dit laatste zijn meestal gelegen in
+ziekten van vader of moeder, of ook in ziekten van het ei of ziekten en
+misvormingen der vrucht, ofschoon misvormde vruchten dikwijls levend
+geboren worden, doch gelukkig niet lang in leven blijven. De oorzaken,
+dat een normaal kind gedurende de baring sterft, kunnen vele en
+verschillende zijn. Bij de eerste baring loopt het kind, bij goede
+ligging, meer gevaar dan bij latere baringen. Vooral is dit het geval
+bij vrouwen, die na het 30ste jaar voor het eerst baren. In het
+algemeen komt het percent-cijfer ten nadeele van de jongens, door de,
+in verhouding, grooteren omvang van den schedel. In hooge mate van
+belang is de ligging van het kind bij de geboorte en de kunsthulp welke
+alsdan moet worden aangewend. In dit verband gedacht, loopt het kind
+dat dwars in de baarmoeder gelegen is het meeste gevaar, daarop volgt
+de ligging met de stuit of de beenen vooruit, vervolgens die met het
+aangezicht vooruit en ten slotte die met het achterhoofd vooruit, op
+andere wijze dan in normale houding. Niet zelden komt het leven van het
+kind in gevaar door omstrengeling van den hals, veel zeldzamer door
+buitengewone kortheid van de navelstreng.
+
+Van schijndood geboren kinderen moeten helaas ook nog een aantal het
+leven laten. Schijndood komt het meest voor na eene moeilijke
+bevalling. De kleur van het kind kan dan zijn donker blauw of wit. De
+ledematen zijn slap, de ademhaling ontbreekt.
+
+Het schijnt ons hier de geschiktste plaats te trachten aan te geven,
+hoe men te handelen heeft, wanneer het kind geboren wordt, zonder dat
+geneeskundige hulp aanwezig is. Wanneer dan het kind geboren is, legt
+men de moeder, als zij op zijde lag, op den rug en het kind tusschen de
+beenen, zoo, dat het de ruimte heeft en neus en mond onbedekt zijn.
+Mocht het gelaat door een gedeelte der eivliezen bedekt zijn, het kind
+dus „met den helm geboren zijn”, zóó, dat het vlies de openingen van
+mond en neus afsluit, dan vatte men het vlies, het best met een drogen
+doek, omdat het zeer glibberig is en zich niet gemakkelijk laat
+vasthouden, en verwijdere het. Het kind kan dan ademhalen en
+schreeuwen. Zoo kan het blijven liggen tot de geneesheer komt. Tevens
+lette men op de baarmoeder; deze moet zich, na de geboorte van het
+kind, flink samen trekken. Men kan zich daarvan overtuigen, door de
+hand op den onderbuik der vrouw te leggen. Trekt de baarmoeder zich
+goed te zamen, dan voelt men daar een min of meer harden bol. Trekt zij
+zich onvoldoende samen, dan bestaat er meestal bloeding en voelt men
+niets of slechts zeer onbepaald een weekachtig gezwel. Door flink
+wrijven van dat gezwel zal het zich samentrekken en de bloeding tot
+staan komen. Voortdurend wrijven voorkomt het slapper worden, er moet
+dus voortdurend gewreven worden.
+
+Indien het kind schijndood mocht zijn, dus de bovengenoemde verkleuring
+vertoont, niet schreeuwt en niet ademhaalt, dan wordt allereerst de
+navelstreng doorgeknipt. Dit geschiedt zoo, dat op twee plaatsen, op
+eenigen afstand van elkander, een stukje veterband flink om de streng
+wordt gesnoerd en geknoopt. Daarna knipt men de streng, met een schoone
+schaar, tusschen de beide plaatsen door. Het kind kan dan worden
+opgenomen.
+
+Bij lichtblauwe verkleuring van huid en zichtbare slijmvliezen, zijn
+gewoonlijk de spieren van armen en beenen niet geheel slap, doch maakt
+het kind geene bewegingen, en is de hartslag te zien en te voelen.
+Brengt men het kind, na het met een om den wijsvinger gelegd zacht
+doekje de mondholte van slijm gereinigd te hebben, in een warm bad (±
+36° C, ± 29° R,) daarin het hoofd met de hand ondersteunende, opdat het
+niet onder water zakke, dan zal het veelal na eenigen tijd beginnen
+adem te halen en te schreeuwen. Wanneer de kleur blauwviolet is, alle
+spieren slap zijn, zoodat ook het hoofd heen en weer bengelt, de
+hartslag niet te zien is en slechts flauwtjes te voelen, daarbij
+langzaam en onregelmatig, dan zal het langer duren voor het kind
+bijkomt. Nadat het dan eenigen tijd in het warme bad gelegen heeft, kan
+men de huid prikkelen, b.v. door het een paar flinke klappen op de
+billen te geven, nadat die eerst afgedroogd zijn en, bij jongens, de
+balzak naar voren, tusschen de dijen, is weggeborgen. Daarna wordt het
+weder in het warme bad gebracht. Het kan noodig zijn dit eenige malen
+te herhalen, voordat men de ademhaling, eerst oppervlakkig,
+langzamerhand dieper wordende, ziet tot stand komen, de blauwe
+verkleuring in rozerood ziet overgaan, de oogen ziet opengaan en
+eindelijk het kind hoort schreeuwen. Mocht het niet reageeren op de
+klappen op de billen, dan neme men het uit het warme bad en dompele
+het, voor een oogenblik, tot den hals toe in een emmer koud water en
+brenge het vervolgens dadelijk weder in het warme bad. Zoo afwisselend
+handelende, zal het kind ten slotte zijn onbehagen over dergelijke
+behandeling door geschreeuw en allerlei bewegingen van armen en vooral
+van de beenen kenbaar maken. Dan wordt het afgedroogd en in het warme
+bed gelegd.
+
+Veel moeilijker zal het zijn een schijndood kind, dat wit en slap is,
+in het leven terug te roepen. Allereerst beginne men dan, als boven
+vermeld, met het reinigen van den mond en het brengen in een warm bad,
+om, als de huid behoorlijk warm geworden is, het kind voor een
+oogenblik in koud water te dompelen, en dadelijk daarop weder in het
+warme bad. Doch meestal is dat niet voldoende en zal het noodig zijn de
+kunstmatige ademhaling toe te passen. Daarvoor is kennis van de wijze
+waarop dat dient te geschieden en bijzondere handigheid noodig, zoodat
+gewoonlijk alleen de geneesheer in de mogelijkheid is te trachten
+alsnog de bijna uitgedoofde levensvonk aan te blazen.
+
+Om dergelijke tegenspoeden zooveel mogelijk te ontgaan, geven wij den
+raad, steeds den geneesheer te ontbieden, zoodra de vrouw meent, dat de
+baring begint. Hij kan zich dan bijtijds van den toestand op de hoogte
+stellen en zijne maatregelen nemen, opdat hij op het juiste oogenblik
+tegenwoordig zij. Dan kan veel onaangenaams voorkomen worden,
+onaangenaams zoowel voor moeder en kind als voor den geneesheer.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET KRAAMBED.
+
+
+Na de baring wordt de kraamvrouw in den regel overvallen door huiveren
+en beven. Dat is geen teeken van koude of kou-vatten, doch veeleer op
+te vatten als een terugslag op den dikwijls zwaren arbeid, welken zij
+verricht heeft en waaraan eensklaps een einde kwam. Spoedig, in de
+eerste uren van rust, maakt dat plaats voor zweeten, dat, gedurende den
+slaap het sterkst, eenige dagen aanhoudt, doch sterk wisselt, naar
+gelang van kleeding en bedekking, van de buiten-temperatuur, toevoer
+van vloeistoffen, gemoedsbewegingen, als anderszins. Wanneer zij zelve
+nu gereinigd en de buik door een buikverband, waarvan verschillende
+modellen in gebruik zijn, ingesloten is, mag de kraamvrouw zich
+eindelijk overgeven aan de rust, welke zij, naar lichaam en geest,
+zoozeer behoeft. Het verlangen naar rust is dan overheerschend, en al
+leidt die behoefte naar rust niet altijd tot slaap, het kalm liggen in
+eene rustige kraamkamer, waar een oogenblik te voren nog alles in volle
+beweging was, is haar reeds een weldaad. Nu en dan wordt zij nog wel
+gekweld door pijnlijke samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën
+genoemd, doch meestal is die pijn gelukkig niet zoo hevig, dat zij
+daardoor ten slotte den slaap niet zou kunnen vatten. Vooral zij die
+meermalen baarden hebben er last van, alsook zij, bij wie de baring een
+snel verloop had. Dan vooral kunnen de naweeën eenige dagen aanhouden,
+meestal twee of drie dagen, zelden langer dan tot den vijfden dag, en
+gedurende het zuigen van het kind in sterkte toenemen. Vaak zijn die
+naweeën de uiting van pogingen, welke de baarmoeder aanwendt, om zich
+van bloedstolsels te ontlasten. Andere vrouwen bespeuren er alleen iets
+van zoo lang het kind aan de borst ligt. Vroeger legde de baker, met
+het oog op die pijnen, een met brandewijn natgemaakten doek op den
+onderbuik, aldus onbewust een middel gebruikende, dat in onzen tijd, in
+den vorm van alcohol-verbanden, wel eens wordt aangewend bij
+prikkelingstoestanden van het buikvlies. Somtijds is de pijn in den
+onderbuik te wijten aan sterke overvulling van de blaas door urine. Het
+middel daartegen ligt voor de hand.
+
+Onder den invloed dezer naweeën wordt de baarmoeder allengs kleiner.
+Bij zoogende vrouwen geschiedt de terugkeer tot de grootte, zooals die
+bij de niet zwangere vrouw is, in den regel sneller. Die verkleining
+geschiedt minstens tot de zesde week, het snelst en het duidelijkst
+merkbaar, bij onderzoek, binnen de eerste veertien dagen. Daarbij neemt
+de lengte vlugger af dan de breedte. De grootste verkleining heeft
+plaats gedurende de eerste drie dagen.
+
+Afgezien van individueele verschillen, met betrekking tot de snelheid
+der verkleining, hebben het verloop van de baring, haar aantal (het
+orgaan blijft in verhouding tot het aantal der voorafgegane baringen in
+al zijne afmetingen iets vergroot) en, naar men meent opgemerkt te
+hebben, ook de ouderdom der kraamvrouw invloed daarop. Langer duurt de
+verkleining na buitengewone uitzetting van de baarmoeder, b.v. na
+overmatige hoeveelheid vruchtwater en na tweelingzwangerschap. De
+scheede blijft steeds wijder dan voor dien tijd. Na drie of vier weken
+heeft zij een groot deel van de vroegere veerkracht terug gekregen,
+doch de voorste scheedewand blijft, vooral na herhaalde baringen,
+dikwijls eenigszins gedaald.
+
+Gedurende de eerste dagen van het kraambed, het sterkst den dag na de
+bevalling, gevoelt de kraamvrouw ook spierpijnen, vooral in armen en
+beenen, als gevolg van den voor haar over ’t algemeen ongewonen
+spierarbeid bij de baring.
+
+De eetlust is gewoonlijk verminderd, de dorst meestal vermeerderd. Zoo
+ondervindt zij dus nog eenigen tijd, de een meer de ander minder, de
+nawerking van de inspanning gedurende eene gebeurtenis, welke met recht
+„verlossing” mag genoemd worden. Doch ook hierbij doen zich belangrijke
+verschillen voor. De eene vrouw gevoelt zich door eene gemakkelijke
+bevalling afgemat en zwaar beproefd, de andere ziet er, zelfs na veel
+sterkeren baringsarbeid, uitstekend uit en gevoelt zich reeds na eenige
+uren alsof er niets gebeurd was. Dat hangt af van velerlei
+omstandigheden en persoonlijke eigenaardigheden, evenals de
+gemoedstoestand na de baring. Zoo zal de eene vrouw, na afloop, kalm en
+rustig genieten van het geluk haar deelachtig geworden, de andere, vol
+van dat geluk, daaraan door druk gepraat en bemoeienis met alles om
+haar heen uiting geven. Voor beiden is het nuttig en noodig in de
+kraamkamer zoo spoedig mogelijk alles tot rust te brengen.
+
+De kraamvrouw moet gedurende eenige dagen rust in bed genieten. Zij
+behoeft daarbij niet voortdurend op den rug te liggen. Die rust is ook
+van belang voor genezing van wonden, welke, van nature, bij de baring
+ontstaan. Wij wezen er reeds op, dat de kraamvrouw als eene gewonde te
+beschouwen is. Die wonden bevinden zich voornamelijk in de inwendige
+geslachtsdeelen. De binnenvlakte van de baarmoeder vormt één
+wondvlakte. Eivliezen en moederkoek toch waren min of meer vast met den
+baarmoederwand verbonden. Nadat zij door de nageboorteweeën losgemaakt
+en uitgedreven waren, bleef eene wondvlakte over. Wel is waar is die
+vlakte, nadat alles verwijderd is, door de samentrekking van de
+baarmoederspieren veel kleiner geworden, doch voorloopig is zij nog
+groot genoeg. Buitendien zijn in den baarmoedermond scheuren ontstaan,
+tengevolge van den doortocht van het kind, vertoonen scheede,
+scheedeingang en vaak ook de bilnaad, kleinere en grootere
+verwondingen, tengevolge der rekking.
+
+Vooral de wondvlakte in de baarmoeder scheidt vocht af, dat naar buiten
+vloeit en den naam van kraamzuivering draagt. De hoeveelheid is
+verschillend. Na sterk bloedverlies, gedurende en na de baring, is de
+afscheiding gewoonlijk sterker; sterk zweeten, diarrhee en het intreden
+der zogafscheiding doen haar tijdelijk verminderen. De duur is twee tot
+zes, zeldzamer acht weken, meestal echter houdt zij na de vierde week
+op. In de eerste dagen, gewoonlijk tot den vierden dag, dikwijls
+langer, verschijnt er bloed. Daarna wordt de afscheiding wateriger,
+ongeveer als vleeschnat, totdat van den zesden of tienden dag af een
+roomachtig of melkachtig etterig, dikwijls meer slijmig glazig, vocht
+te voorschijn komt. Vaak echter duurt de bloedige afscheiding zelfs
+drie weken of langer. Wanneer de bloedige afscheiding vroeger is
+opgehouden, komt het, bij het eerste opstaan, gewoonlijk weer tot
+bloedige bijmenging. De afscheiding kenmerkt zich, te beginnen na
+eenige dagen, door een eigenaardig zoetig flauwen geur.
+
+Om dat vocht op te vangen wordt voor de uitwendige geslachtsdeelen een
+verband gelegd. Meestal bestaat dat verband uit een laag verbandwatten,
+al of niet omgeven door hydrophiel gaas, zooals de maandverbanden zijn
+ingericht, vastgehouden door een stop- of banddoek.
+
+Het wondvocht vloeit over de wonden, doch deert die niet. Gedurende de
+eerste dagen toch bestaat het uit bloed; later, wanneer het veranderd
+is en schadelijke stoffen als ook bacteriën bevat, zijn de wonden van
+nature zoodanig tegen de inwerking daarvan beschut, dat daaruit geen
+gevaar ontstaat. Daarom is ook kunstmatige reiniging der inwendige
+geslachtsdeelen niet alleen onnoodig, doch zelfs niet aan te bevelen,
+omdat het inbrengen van de daartoe noodige instrumenten, b.v. de canule
+van den irrigator, waarmede eene uitspoeling zou moeten verricht
+worden, allicht de wonden, welke bezig zijn te genezen, zou openen,
+zoodat er nieuwe wonden ontstaan, die van de natuurlijke beschuttende
+bedekking ontdaan, kunnen geïnfecteerd worden. De geneesheer gaat dan
+ook niet anders dan in hooge noodzakelijkheid tot zoo iets over.
+
+De uitwendige geslachtsdeelen behooren evenwel van tijd tot tijd
+gereinigd te worden en zal de verpleegster daarvoor hebben zorg te
+dragen, steeds omzichtig en met eene ontsmettingsvloeistof of met
+volkomen zuiver water, omzichtig, om wonden, welke daar aanwezig zijn,
+voor hernieuwd opengaan te vrijwaren.
+
+Kleine en groote inscheuringen en ontvellingen komen daar voor, en
+iedere wond kan door intredend vuil verontreinigd worden. De
+smetstoffen, welke ergens binnendringen, kunnen niet alleen daar ter
+plaatse ontsteking verwekken, maar ook in andere deelen van het
+lichaam, van de ingangsplaats verwijderd. Het best geschiedt de
+reiniging door afspoelen van bovenaf, terwijl de kraamvrouw op het
+ondersteek ligt, hetzij door schenken uit een kan, door eene canule met
+eene centrale opening of door het uitknijpen van een flinke natte dot
+verbandwatten. Eene zelfde reiniging behoort te geschieden na
+urineloozing en ontlasting. Tevens wordt dan het vuile verband door een
+schoon vervangen en alles wat vuil en onrein is, zoowel verband als
+beddegoed en dergelijke, uit de kamer verwijderd.
+
+De aard van de kraamzuivering, een wondvocht dat velerlei
+schadelijkheden bevat, maakt het noodig zorg te dragen, dat het steeds
+verre gehouden wordt van andere wonden, omdat daarin gemakkelijk
+ontsteking optreden kan. Daarom moet ieder, die met zulk vocht in
+aanraking geweest is, de handen niet alleen zorgvuldig wasschen maar
+ook ontsmetten, vooral dus de verpleegster die de navelwonde van het
+kind heeft te behandelen en zijne oogen verzorgt, want ook daarin
+geraakt, kan het vocht onheil brengen.
+
+Het is dan ook aan te raden het kind te verzorgen, te baden en te
+kleeden, vóór de moeder geholpen wordt. Daarom ook moet elke moeder,
+die haar kind de borst zal geven, zorg dragen dat hare handen rein
+zijn, omdat er anders gevaar bestaat, dat wondvocht, waarmede zij
+onwillekeurig en zonder het te bespeuren in aanraking gekomen is, in
+wondjes van den tepel—zooals die wel eens voorkomen—geraakt, waarvan
+ontsteking der borst het gevolg kan zijn.
+
+Ook in het kraambed is reinheid dus een hoofdvereischte. Waar de
+uiterste reinheid betracht wordt, is het gevaar voor ziekelijke
+afwijkingen in het kraambed zoo goed als niet aanwezig.
+
+Het buikverband of het sluitlaken, dat, na de baring, een handbreed
+boven den navel en van onder zoover dat het voor een deel over de dijen
+reikt, wordt aangelegd, dient wel in hoofdzaak om den slappen buikwand
+steun te geven. De vraag of het in staat is om den buikwand de vroegere
+vastheid en veerkracht terug te geven of niet, is eene, die op zeer
+verschillende wijze beantwoord wordt. Sommigen verwachten daarvan in
+dit opzicht te veel, anderen te weinig, maar zeker is het onjuist als
+eene vrouw, die na de bevalling een slappen buikwand mocht behouden,
+daaraan de gedachte verbindt, dat dit euvel zou te wijten zijn aan de
+verpleegster, als zou deze, gedurende het kraambed, het verband niet
+zorgvuldig genoeg hebben aangelegd. De toestand van den buikwand is aan
+vele wisselingen onderhevig. Bij vrouwen die herhaaldelijk baarden kan
+hij stevig en bij vrouwen, die nooit baarden, slap en uitgerekt zijn.
+Zelfs buikbreuk kan voorkomen, zonder dat ooit eene baring voorafging.
+
+Gewoonlijk zijn de verrichtingen van urine-blaas en darmen in de eerste
+dagen verminderd, en komt de noodzakelijkheid tot ontlediging niet tot
+bewustzijn. Beide organen kunnen daardoor gemakkelijk overvuld raken.
+Wat de urine-loozing betreft is het aan te raden, als er binnen 12 uren
+na de bevalling geen aandrang bestaat, te trachten de blaas te
+ontledigen. Overvulling komt vooral dikwijls voor na de eerste baring
+en na moeilijke bevallingen. De urine-loozing geschiedt dan gewoonlijk
+op het ondersteek, welke, vooraf verwarmd, door de verpleegster onder
+de kraamvrouw geschoven wordt. Niet altijd komt de urine dadelijk te
+voorschijn. Dikwijls is hieraan te gemoet te komen, door de kraamvrouw
+alleen te laten, wat warm water in het ondersteek te gieten of haar een
+warmen doek op den onderbuik, op de blaasstreek, te leggen.
+
+Niet alleen geeft de overvulde blaas een pijnlijk spannend gevoel in
+den buik, doch zij kan ook oorzaak zijn van meerder bloedverlies, omdat
+de samentrekkingen van de baarmoeder, die de wondvlakte verkleinen en
+de bloedvaten sluiten moeten, door eene overvulde blaas niet voldoende
+sterk zijn. Het is dan ook wenschelijk, dat de kraamvrouw, al heeft zij
+geen aandrang, op geregelde tijden b.v. om de 6 uren urineert. Bestaat
+er binnen dien tijd aandrang, dan zal zij natuurlijk aan die behoefte
+voldoen.
+
+Doorgaans bestaat er geen aanleiding op dezelfde wijze te handelen met
+betrekking tot de ontlediging der darmen. Behalve dat vóór de baring
+reeds voor goede ontlasting gezorgd werd, geeft de voeding,
+gedeeltelijk omdat de eetlust geringer is, gedeeltelijk omdat licht
+verteerbaar voedsel gebruikt wordt, in de eerste dagen van het kraambed
+geen overvulling van den darm. Men wacht dan gewoonlijk tot den morgen
+van den derden dag, voor men daarvan werk maakt. Eenvoudige middelen
+worden dan in de eerste plaats ingegeven, zooals wonderolie,
+rhamnusbastafkooksel, bitterwater en dergelijke, of wel een lavement
+gezet, hetzij van water, zeepwater, water met glycerine of glycerine
+alleen, door middel van een glycerinespuitje. Bij groote haemorrhoïden
+(aambeien), neiging tot uitzakking van den endeldarm of uitgebreide
+verwonding in de scheede of aan den bilnaad worden lavementen liever
+nagelaten.
+
+Bij de voeding, welke in de eerste dagen het best bestaat uit licht
+verteerbare kost, doch daarom nog geen schraal dieet, vermijde men meer
+dan ooit onregelmatigheid en overdaad. Vooral de laatste waarschuwing
+is noodig, omdat somtijds de eetlust zeer sterk is, maar ook, omdat
+vele vrouwen van meening zijn, dat het gebruik van veel voedsel de
+zogafscheiding verhoogt. Juist het tegendeel kan daarvan het gevolg
+zijn.
+
+Als drank is aan te bevelen frisch koud water, melk, chocolade. Ook
+thee, koffie, licht bier en wijn, mits in geringe hoeveelheid, behoeven
+niet vermeden te worden.
+
+Voor een deel is de trage werking der darmen te wijten aan de rustige
+ligging der kraamvrouw in bed. Algemeen wordt, ten minste in ons land,
+de duur van die bedrust vastgesteld op negen dagen. Waarom juist negen
+dagen is onbekend. Omtrent den tijdsduur en de houding der kraamvrouw
+in het bed onthouden wij ons van het geven van voorschriften, omdat het
+ons voorkomt, dat die, in ieder geval afzonderlijk, door den geneesheer
+moeten worden gegeven. Hij alleen kan de omstandigheden beoordeelen,
+welke van invloed zijn en kunnen zijn. Voor een groot deel is de
+gezondheidstoestand der kraamvrouw, welke o.a. uitdrukking vindt in de
+verhouding der lichaams-temperatuur, van groot belang, maar er komen
+zoovele andere factoren in aanmerking, dat een algemeene regel niet te
+geven is.
+
+In de kraamkamer behoort orde en rust te heerschen. De verpleegster
+heeft zorg te dragen, dat vuile verbanden en alles wat onzuiver is zoo
+spoedig mogelijk uit de kamer verwijderd wordt, dat niets blijft
+slingeren, kortom dat het noodzakelijke op tijd geschiedt en de
+kraamkamer zoo behaaglijk mogelijk voor de kraamvrouw is.
+
+Omtrent het toelaten van bezoek zal de geneesheer zijne voorschriften
+hebben te geven. Naar onze meening kan een kalm bezoek eene aangename
+afleiding geven. Vaak echter wordt daartegen gezondigd en wanneer de
+kraamvrouw den moed mist, dengeen die haar bezoekt, te kennen te geven
+dat zij vermoeid wordt, zal zij daarvan allicht nadeelige gevolgen
+ondervinden. Ware belangstelling uit zich niet in urenlang druk
+gepraat. Een enkel woord, een handdruk, een even-binnen-wippen om een
+bloempje of iets anders te geven, is meer waard dan allerlei
+beuzelpraat. De kraamvrouw is zeer gevoelig voor indrukken, elke
+gemoedsbeweging kan nadeelig zijn. Daarmede zal hare omgeving dus
+vooral rekening hebben te houden en alles hebben te vermijden, wat
+aanleiding kan geven tot boos-worden, schrik, verdriet, zelfs ook
+aangename verrassingen, welke sterken indruk maken.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET KIND.
+
+
+Het voldragen kind is gemiddeld 50 cM. lang en heeft een gewicht, dat
+schommelt tusschen 3000 en 3600 grammen. Een lager gewicht beteekent
+volstrekt niet altijd, dat het kind te vroeg geboren of zwak is,
+terwijl een hooger gewicht geen bewijs is van krachtige ontwikkeling.
+
+Men heeft opgemerkt, dat beiden, onder meer, onder den invloed staan
+van den ouderdom der moeder en van het aantal der baringen. Volgens de
+statistiek neemt het gewicht toe met den ouderdom der moeder tot het
+29e jaar, de lengte tot het 44e jaar, en valt de gunstigste
+ontwikkeling van het kind in zwangerschappen gedurende den middelbaren
+leeftijd der vrouw. Gewicht en lengte nemen toe met het aantal der
+baringen, zoodat gemeenlijk elk voldragen kind het voorgaande in beide
+richtingen overtreft, waarbij korte tusschenruimten, tusschen de
+opvolgende baringen, een ongunstigen invloed uitoefenen. De eerste
+kinderen van vrouwen, bij wie de eerste menstruatie laat optrad, zijn
+lichter dan die van andere vrouwen, vooral van haar, die vroegtijdig
+den geslachtsrijpen leeftijd bereikten. Bij wisseling van het geslacht
+der kinderen eener zelfde moeder is, bij opvolgende zwangerschappen, de
+gewichtstoename der meisjes geringer dan die der jongens.
+
+Wat het geslacht der kinderen betreft, kan men zeggen, dat de vrouw
+meer jongens dan meisjes ter wereld brengt. Op 100 meisjes komen
+ongeveer 103,6–105,2–108,3 jongens voor. Daarbij meent men te hebben
+kunnen vaststellen, dat het getal der jongens grooter wordt hoe jonger
+de vader, hoe ouder de moeder is, of in het algemeen, dat de oudste der
+echtelieden de meeste kansen heeft het andere geslacht te doen
+ontstaan.
+
+Het pasgeboren voldragen kind vertoont ronde vormen aan gelaat, romp en
+ledematen, het schreeuwt met luide stem, beweegt armen en beenen flink
+en ontledigt, vaak onmiddellijk na de geboorte, urine en ontlasting,
+welke laatste bestaat uit eene groenzwarte, soms bruinachtige, taaie,
+sterk klevende, dikke brijachtige stof, zonder reuk, kindspek of
+meconium genoemd. Het opent de oogen, dikwijls niest het, waardoor
+slijm en vruchtwater, in neus- en keelholte aanwezig, worden
+uitgedreven. Daar dit niet altijd volledig geschiedt, gaat de
+ademhaling wel eens gepaard met een min of meer reutelend geruisch. Bij
+dikke kinderen, met sterk ontwikkelde vetlaag, zijn de oogleden vaak
+wat gezwollen, zoodat zij de oogen niet gemakkelijk kunnen openen. De
+moeder behoeft niet bezorgd te zijn, als zulk een kind dan ook in den
+beginne de oogen slechts bij tusschenpoozen opent. Die zwelling
+verdwijnt spoedig. Ook handen en voeten zijn in de eerste dagen na de
+geboorte, vooral bij eenigszins te vroeg geboren kinderen, wel eens
+gezwollen en blijven in den regel wat langer blauwrood gekleurd dan de
+overige deelen van het lichaam. Deze zwelling verdwijnt eveneens
+spoedig.
+
+De omvang van den schedel is gemiddeld 34 cM., die van de borst, over
+de tepels gemeten, ± 31 cM. De schedelbeenderen zijn tamelijk hard en
+nog niet onbeweeglijk met elkander verbonden, maar door naden
+gescheiden, terwijl daar waar drie of vier schedelbeenderen te zamen
+komen, grootere, door een vlies gesloten, ruimten bestaan, welke den
+naam van fontanellen dragen. De zoogenaamde groote fontanel, waardoor
+het kloppen van de slagaderen der hersenen zoowel te zien als te voelen
+is, heeft den vorm van een ruit en ligt boven het midden van het
+voorhoofd. Langzamerhand sluiten die fontanellen zich, de groote
+fontanel het laatst, omstreeks de 14e levensmaand, somtijds iets
+vroeger.
+
+De huid is rozerood en glad, alleen aan de schouders en bovenarmen
+bedekt met wolharen. Het hoofdhaar is meestal donker, gemiddeld 2–4 cM.
+lang, soms korter, soms langer. De nagels reiken aan de handen tot aan
+den top der vingers of steken iets daarboven uit, aan de voeten tot aan
+den top der teenen. De kleur der oogen, d.w.z. van het regenboogvlies,
+is min of meer donker staalblauw, zoodat de vraag al spoedig door de
+moeder gedaan: „Welke kleur van oogen heeft het?” gewoonlijk niet naar
+wensch kan beantwoord worden. Eerst langzamerhand komt het tot de
+verschillen, welke wij bij volwassenen waarnemen.
+
+Meestal vertoont het pasgeboren kind een eigenaardig vervormden
+schedel, veroorzaakt door het zoogenaamde geboortegezwel, dat te
+grooter is en het hoofd te langer doet schijnen, naarmate de baring en
+vooral het uitdrijvingstijdperk langer geduurd heeft. De huid in de
+streek van het voor- of achterhoofd is dan sterk gezwollen en
+deegachtig op aanvoelen. Na een paar dagen verdwijnt die eigenaardige
+vervorming van zelf, waarom het volkomen onnoodig is, door allerlei
+knijpingen te trachten het hoofd een goeden vorm te geven. Somtijds is
+er ophooping van bloed of bloederig vocht onder de huid, ter plaatse
+van het geboortegezwel. Dan duurt het langer, zelfs wel vier tot zes
+weken, voor het hoofd de normale gedaante heeft aangenomen. De neus is
+dikwijls plat, maar ook dat herstelt zich spoedig.
+
+De huid is bedekt met eene verschillend groote hoeveelheid vettig,
+kaasachtig smeer, het zoogenaamde huidsmeer, het sterkst op den rug en
+in de buigvlakten van armen en beenen. Bij meisjes vindt men zelfs een
+dikke laag in de plooien der geslachtsdeelen. Het bestaat uit een
+mengsel van huidvet en huidschilfers.
+
+Het pasgeboren kind is niet in staat het hoofd rechtop te houden. Als
+men het kind rechtop houdt, valt het hoofd naar voren of naar achteren,
+naar links of naar rechts, zoodat men het met de hand moet steunen, als
+het kind wordt opgenomen.
+
+Te vroeg geboren kinderen zijn kleiner, lichter en magerder. De huid is
+rooder, dunner, en overal van wolharen voorzien. De hoeveelheid
+huidsmeer is veel geringer, op bovenlip en neus zijn talrijke fijne
+puntjes, als uiting van verstopte talkklieren, waar te nemen. De
+schedelbeenderen zijn buigzaam, dikwijls gemakkelijk in te drukken, de
+nagels minder lang dan bij het voldragen kind en weeker. Het kind
+schreeuwt niet krachtig, de stem is meer piepend.
+
+De eerste zorg voor het kind bestaat in reiniging. Ten einde het
+gemakkelijker te bevrijden van het huidsmeer, wordt het over het
+geheele lichaam ingesmeerd met olie of een ander vet, b.v. door middel
+van een in olie gedrenkte prop ontvette watten, en daarna goed
+schuimend ingezeept met een neutrale, beter nog overvette zeep, door
+middel van ontvette watten of een zachte spons. Vervolgens brengt men
+het kind in een lauwwarm bad van 35° C. (28° R.). Men vatte het kind
+met de linkerhand zoo aan, dat deze onder den linkerschouder komt en
+nek en hoofd op pols en onderarm komen te liggen. Gezicht en ooren
+moeten buiten het water blijven. Met de andere hand wordt dan het kind
+zorgvuldig gewasschen. De temperatuur van het water moet door een
+thermometer worden bepaald, vooral niet door de hand. Als badkuip kan
+men allerlei groot vaatwerk gebruiken. Eenvoudig, doelmatig en goedkoop
+is een groote zinken teil, waarin men een groot stuk schoon molton
+legt, dat gedeeltelijk over den rand heen hangt. Na 3–5 minuten goed
+afwasschen, waarbij alle zeep wordt afgespoeld, neemt men het kind uit
+het bad, wikkelt het in een verwarmden grooten badhanddoek, legt het op
+een matrasje op tafel en droogt het zacht, doch goed af. Het matrasje
+beschut men door een daarover gelegd stuk hospitaaldoek. Het aangezicht
+behoort men afzonderlijk te wasschen, liefst buiten het bad, met schoon
+lauwwarm water; de oogen te reinigen met watten, gedrenkt met 3%’s
+boorzuur-oplossing of met uitgekookt water, voor ieder oog een
+afzonderlijk wattepropje, in de richting van den binnenhoek van het
+oog, dus naar den neus toe. De mond behoeft niet gereinigd te worden.
+Evenmin is het noodig de neusgaten met, tot een rolletje gedraaide,
+watten te reinigen, terwijl het slechts zelden of nooit noodig is op
+die wijze de ooren inwendig schoon te maken.
+
+Nadat het kind aldus gereinigd en behoorlijk afgedroogd is, wordt het
+gepoederd, waarbij vooral gelet moet worden op alle plaatsen waar twee
+huidvlakten elkander aanraken, zooals de oksels, hals- en liesplooien,
+omgeving van de geslachtsdeelen en van de aarsopening. De eenvoudigste
+en zindelijkste wijze van poederen is die door middel van een bus,
+zooals de peperbus is ingericht. Elke kwast, ook al is die nog zoo
+mooi, kan gevaarlijk worden, doordat hij, steeds weder gebruikt
+wordende, tot besmetting aanleiding geven kan. Als strooipoeder
+gebruike men talkpoeder, gesteriliseerde witte pijpaarde (bolus alba),
+of vasenolpoeder, liever dan gemalen rijst of andere plantaardige
+poeders, en ongeparfumeerd.
+
+De kleeding moet aan de volgende eischen voldoen. Zij moet het lichaam
+gelijkmatig bedekken, de warmte van het lichaam zooveel mogelijk op
+gelijke hoogte houden, licht en zacht zijn, de bewegingen van het kind
+zoo min mogelijk belemmeren en dus nergens knellen of te nauw
+aansluiten. Eene uit drie lagen bestaande kleeding, waarvan de onderste
+laag uit eene niet te dunne, losjes gebreide, gehaakte of geweven,
+stof, de bovenste uit wat meer gesloten stof bestaat, voldoet aan deze
+eischen. Bovendien moet men haar zoo kiezen, dat zij gemakkelijk kan
+gewasschen worden en het aan- en uitkleeden in den kortst mogelijken
+tijd geschieden kan, zonder dat het kind er eenigen last van
+ondervindt. [1]
+
+Men begint met het aanleggen van het navelverband, dat dient om de rest
+van de navelstreng, goed verzorgd, te beschutten. Vooral hierbij, nu en
+gedurende den tijd vóór de rest afgevallen en de wond genezen is, moet
+men de grootst mogelijke reinheid en zorgvuldigheid in acht nemen. Het
+overgebleven gedeelte wordt met een stukje steriel hydrophiel gaas of
+met een laagje steriele verbandwatten omwikkeld, het geheel naar links
+en boven op den buik van het kind gelegd en vastgehouden door een
+navelband. Ook hierbij is eenvoud het ware. Het eenvoudigste verband
+verkrijgt men door een katoenen tricot-windsel, van ± 7 cM. breedte,
+zonder het te sterk aan te trekken, een paar malen om het buikje te
+wikkelen, het af te knippen en het einde met een veiligheidsspeld, in
+overlangsche richting, vast te steken. Zulk een verband sluit overal
+goed aan, verschuift niet gemakkelijk en kan gewasschen worden, of,
+beter nog, omdat de kosten zeer gering zijn, weggeworpen worden, zoodra
+het door een nieuw vervangen is.
+
+Zelden komt het tot bloeding uit de rest van de navelstreng. Mocht dat
+gebeuren, dan moet er nogmaals een bandje om de navelstreng, tusschen
+de eerste onderbinding en de huid, gebonden worden. Zulk een bandje
+moet, opdat het inderdaad rein en zuiver zij, eerst uitgekookt worden.
+Voor men tot het onderbinden overgaat, moet men zorgvuldig de handen
+wasschen. Tevens vertelle men den dokter, wat er geschied is.
+
+Vervolgens wordt het kind verder aangekleed. Wanneer het kind gekleed
+is, wordt het in het vooraf, door middel van een warmwaterkruik,
+verwarmde bedje gelegd, tot aan de kin toegedekt en aan zich zelf
+overgelaten. Het bedje moet zoo geplaatst zijn, dat het kind beschut is
+tegen licht, tocht en sterke geruischen. Het hoofdeinde wordt daarvoor
+meestal omgeven door een behang. In den zomer vooral is het aan te
+raden het geheele bedje te omgeven met muskietengaas, waarvan de
+onderste uiteinden niet los neerhangen, daar muskieten dan de
+gelegenheid hebben van onderop langs de plooien naar binnen te komen.
+Het gaas moet daarom rondom in het bedje ingestopt worden of over een
+band, welke om het ledikant gespannen is, zoodat van binnendringen der
+muskieten geen sprake meer zijn kan.
+
+Te vroeg geboren kinderen hebben te slechter kans om te blijven leven,
+naarmate zij vroeger geboren zijn en vereischen daarom meerdere zorgen.
+Een van de hoofdzaken waarop gelet dient te worden, is die, dat
+afkoeling van het lichaam zooveel mogelijk vermeden wordt, een tweede,
+dat de voeding met zorg geregeld wordt. Ter bereiking van het eerste
+wordt het kind in watten gelegd en door warmwaterkruiken omgeven, en
+het bedje geplaatst in eene kamer, waarin de temperatuur zoo
+gelijkmatig mogelijk, op 30° C. (28° R.) gehouden wordt. Dikwijls
+worden zulke kinderen ook in een broedstoof of couveuse gebracht.
+Omtrent den gunstigen invloed daarvan zijn de meeningen verdeeld. De
+geneesheer zal hierin, evenals in de vraag omtrent de voeding, van raad
+dienen. Voor deze kinderen is de moederborst van nog grooter belang,
+dan voor den voldragen zuigeling.
+
+Het kind, dat na de geboorte warm in het bedje ligt, valt in een vasten
+rustigen slaap, waaruit het na eenige uren ontwaakt en dan de behoefte
+aan voedsel door schreien kenbaar maakt. Dan kan de moeder haar kind
+aan de borst leggen. Eenige reden om daarmede een of twee dagen te
+wachten, bestaat er niet, en zeker zal het kind er meer aan hebben dan
+aan suikerwater, venkelwater of diergelijke middeltjes.
+
+Na de voeding weder in het bedje gelegd, slaapt het kind in, om door
+dezelfde behoefte gewekt te worden. Urine-loozing en ontlasting vinden
+in den slaap, of onmiddellijk na het ontwaken, plaats. Zoo gaat het de
+eerste dagen door.
+
+Gedurende den eersten dag is de ontlasting van dezelfde soort als
+dadelijk na de geboorte. Met den 4en of 5en dag maakt zij plaats voor
+de normale zuigelingenontlasting. Bij kinderen, die aan de moederborst
+gevoed worden, is de ontlasting dik brijachtig, als een zalf, goudgeel
+van kleur, welke echter bij lang staan verandert. Kinderen die om een
+of andere gewichtige reden de moederborst moeten ontberen en met de
+flesch gevoed worden, b.v. met koemelk, hebben eene ontlasting, in
+grootere hoeveelheid, welke veel stijver en drooger is, brokkelig,
+grijsachtig geel van kleur, op leem gelijkend en zwaarder.
+
+In den aanvang komt de ontlasting vaak 3–6 maal per dag, later 1 of 2
+maal in de 24 uren.
+
+De geloosde urine is in de eerste dagen wel is waar troebel, later
+helder, doch van dat verschil bemerkt men in de luiers niet veel.
+Opvallend daarentegen is eene roodachtig gele verkleuring van de luier,
+welke te wijten is aan eene poederachtige stof, urine-zuur, die in den
+eersten tijd in vrij groote hoeveelheid met de urine wordt
+uitgescheiden. Het verschijnsel is van geen beteekenis en behoeft dus
+geen ongerustheid te verwekken.
+
+Zoo ongemerkt geraakten wij in onze beschrijving reeds van den dag der
+geboorte verwijderd. Wat wij nu laten volgen is dan ook eene bespreking
+van allerlei, wat geleidelijk verdwijnt, opkomt of verandert, en
+waarbij in dit korte overzicht moeilijk met uren of dagen rekening kan
+gehouden worden.
+
+Volgens Preyer [2], wien wij een aantal zorgvuldige onderzoekingen en
+opmerkingen danken met betrekking tot verschijnselen, die zich bij het
+pasgeboren kind, den zuigeling en ook gedurende de verdere ontwikkeling
+van het kind voordoen, en aan wien wij het nu volgende ontleenden, kan
+het kind onmiddellijk of weinige minuten, hoogstens uren, na de
+geboorte licht en donker onderscheiden. Het sluit de oogen snel en
+krampachtig wanneer het lichtschijnsel op het gelaat en in de oogen
+valt, waarbij kan opgemerkt worden, dat de pupil-reactie in de eerste
+uren na de geboorte reeds tot stand komt. Die reactie bestaat daarin,
+dat, bij invallen van het lichtschijnsel, het zwarte plekje in het oog,
+de zoogenaamde pupil, kleiner, bij verwijdering van het licht, dus in
+de duisternis, grooter wordt. Slapende zuigelingen worden, na eenige
+dagen levens, onaangenaam aangedaan door op het gelaat vallend
+lichtschijnsel, zooals blijkt uit het vast toeknijpen der oogen; velen
+worden zelfs onrustig of ontwaken. De lichtschuwheid is in den beginne,
+na het ontwaken en na oponthoud in donker, groot, doch spoedig wordt
+schemerlicht gezocht en werkt dus in geen geval onaangenaam. Na eenige
+dagen doet gewoon daglicht of een lichtend voorwerp aangenaam aan, de
+lichtschuwheid vermindert. Het bewegen van het hoofd in de schemering
+b.v. naar het venster of naar het licht toe, dat van den zesden dag af
+is waar te nemen, geschiedt dus niet omdat het kind ziet, maar omdat
+het door het lichtschijnsel eene aangename gewaarwording ondervindt.
+Hetzelfde doet het kind bij het naderen van de warme moederborst. Zelfs
+in donker zal de zuigeling iets onaangenaams gevoelen als men zijn
+hoofdje daarvan afwendt. De hoofdbeweging, naar het licht toe, is dus
+niet op te vatten als eene willekeurige richting van den blik. Fixeeren
+kan het pasgeboren kind niet, omdat het niet in staat is de oogspieren
+willekeurig te bewegen. Als men meent waar te nemen, dat het kind den
+blik b.v. naar de vlam eener kaars gericht houdt, is dat geen fixeeren
+doch staren, want de richting van zijn blik verandert niet, het staren
+houdt niet op, als men de kaarsvlam verwijdert. Voor den tienden dag
+heeft men geen eigenlijke fixatie-bewegingen waargenomen. Daarna begint
+het kind het hoofd van het eene verlichte voorwerp naar het andere te
+bewegen; van den 23en dag, meestal nog later, begint het, bij rustig
+gehouden hoofd, een langzaam bewogen voorwerp met de oogen te volgen.
+Dan kan men van zien spreken, maar nog niet van fixeeren, al drukt ook
+het gelaat reeds eenige intelligentie uit. Nog later volgt dan het
+vermogen om voorwerpen met het oog te volgen. Zien, in de eigenlijke
+beteekenis van het woord, kan het kind in de eerste weken dus niet.
+
+Pasgeboren kinderen houden de oogen meer gesloten dan open. Wanneer zij
+de oogen openen, geschiedt dat ongelijkmatig. Het eene oog b.v. gaat
+open, terwijl het andere gesloten blijft. Dat afwisselende openen en
+sluiten duurt tot ongeveer den 11en dag, daarna wordt het zeldzamer,
+maar het blijft zelfs gedurende de eerste maand zoo, dat, als beide
+oogen opengehouden worden, zij niet even wijd open staan. Bij snelle
+nadering met de hand, met den vinger, met het hoofd of met eene
+brandende kaars schrikt het kind nog niet, het knipt ook niet met de
+oogleden. In de eerste weken ontbreekt die snelle ooglidslag, bij snel
+naderen van eenig voorwerp naar het gezicht.
+
+De bewegingen van het oog zelf vertoonen bij pasgeboren kinderen geen
+samenwerking en zijn in de eerste dagen onregelmatig. In de eerste zes
+dagen heeft de beweging der oogen naar links en rechts nog niet
+volkomen gelijktijdig plaats. Zeer vaak beweegt het eene oog zich
+onafhankelijk van het andere en draait het hoofd zich in eene richting
+tegenovergesteld aan die, waarin de oogen zich bewegen. De oogspieren
+trekken zich namelijk, evenals alle andere spieren van het lichaam, ook
+die van het gelaat, bij den jongen zuigeling nog doelloos samen. Daarom
+worden onregelmatige en onderling ongelijke oogbewegingen waargenomen,
+zonder dat van zien of zelfs van lichtgewaarwording, bij neergeslagen
+bovenste oogleden, sprake zijn kan, bewegingen welke allerlei
+bewegingen in het gelaat, grimassen, voorhoofdfronsen en bewegingen der
+lippen begeleiden, terwijl het kind rustig ligt en niet schreit.
+Slapende zuigelingen bewegen, zonder te ontwaken, dikwijls de
+gelaatsspieren, vooral de lippen en de oogleden. Vaak slaapt het kind
+met half geopende oogen in en ziet men dan eveneens doellooze
+bewegingen van het oog.
+
+Opmerkelijk is het, hoe de oogen zich dikwijls in eene houding plaatsen
+als bij iemand die sterk scheel kijkt, of zooals men dat waarneemt bij
+het richten van den blik naar de punt van den neus. Dat is in het begin
+van de derde week niet zoo sterk en zoo menigvuldig het geval meer als
+in de eerste week, doch het kan zelfs na de tiende week nog lang worden
+opgemerkt, als het kind wakker ligt. In den slaap blijven onregelmatige
+bewegingen van oogen en oogleden, evenals het half openen der oogen,
+nog langer voortbestaan. Naarmate de macht om voorwerpen te fixeeren
+toeneemt, neemt dit verschijnsel af. Iets dergelijks neemt men later
+waar als het kind loopen leert. Ook dan verminderen allengs de
+onregelmatige doellooze bewegingen der beenen.
+
+Men kan ook opmerken hoe soms het eene oog zich langzaam naar rechts,
+het andere zich tegelijkertijd naar links, of het rechteroog naar boven
+rechts, het andere zich naar boven links beweegt, alsmede dat de oogen
+niet op gelijke hoogte staan, b.v. het rechteroog naar links en iets
+naar beneden, het linkeroog naar links en iets naar boven; zoo ook
+geheel eenzijdige bewegingen, b.v. zoo dat het eene oog den waarnemer
+schijnt te fixeeren en het andere zich zijwaarts beweegt. Dit laatste
+is waar te nemen als men bij het slapende kind de oogleden oplicht,
+maar ook, gedurende de eerste dagen, als het kind wakker is.
+
+Dadelijk na de geboorte kan het kind waarschijnlijk niets ruiken, maar
+na eenige uren, vaak reeds in het eerste uur, kunnen normale kinderen
+aangename en onaangename geuren onderscheiden. De gewaarwordingen geven
+hun een gevoel van welbehagen of afkeer, dat met den dag in sterkte
+toeneemt. Zoo willen kinderen, die enkele weken oud zijn, b.v. de borst
+eener min niet nemen als hare huid onaangenaam riekt en schreeuwen zij
+reeds wanneer zij bij de borst gebracht worden. De met melk of brij
+gevulde lepel ruiken zij in donker reeds vroeg en de tegenzin van vele
+zuigelingen in de eerste week om koemelk te nemen, als zij vrouwenmelk
+gehad hebben, moet meer op den reuk dan op den smaak betrekking hebben,
+omdat zij soms, zonder te proeven, de melk reeds weigeren.
+
+Toch treedt ook een zeker onderscheidingsvermogen voor de
+smaakgewaarwording dadelijk na de geboorte in werking. Sterk van
+elkander afwijkende smaakprikkels, zooals zout, zoet, zuur en bitter,
+worden onderscheiden.
+
+Het hooren is bij het pasgeboren kind zoo onvolkomen, dat men elken
+pasgeborene doof noemen moet. Dadelijk na de geboorte is het middenoor
+nog gevuld met eene eigenaardige gelei-achtige stof of met vocht,
+waarschijnlijk vruchtwater, dat na eenige uren van ademen en slikken
+langzaam wegvloeit. Dan is het middenoor met lucht gevuld en kan het
+gehoororgaan werken. Daar komt bij, dat de uitwendige gehoorgang zeer
+nauw is en de wanden nog tegen elkander liggen.
+
+Voor het einde van de eerste week reageert het voldragen normale kind
+op sterke geluidprikkels, bemerkbaar aan het trekken met de oogleden,
+voorhoofdfronsen, ineenkrimpen, trekken van armen en bovenlichaam,
+terwijl slapende kinderen wakker worden en schreeuwen. Hardhoorigheid
+blijft evenwel nog eenigen tijd bestaan.
+
+In den beginne hoort de normaal geboren mensch dus niets, dan slechts
+iets onduidelijk, vervolgens veel onduidelijk en eerst langzamerhand in
+de veelheid van het onduidelijk gehoorde iets afzonderlijks duidelijk,
+ten slotte veel duidelijk, waarbij sterke hooge tonen eerder
+onderscheiden worden dan lagere.
+
+Iedere moeder gebruikt vele duizenden woorden, welke zij haar kind
+toespreekt, toefluistert, toezingt, zonder dat het er ook maar een
+enkel van hoort, en vele duizenden woorden zegt zij hem, eer hij er één
+verstaat. Maar, als zij het niet deed, zou het kind veel later en
+moeilijker spreken leeren.
+
+Het is bekend, dat pasgeboren kinderen voor pijnverwekkende prikkels
+minder gevoelig zijn dan volwassenen. Voor een speldeprik b.v. zijn zij
+zoo goed als ongevoelig. Daarom mag men nog niet beweren, dat zij
+ongevoelig zijn, want rustige kinderen maken bewegingen en beginnen te
+schreeuwen, als men ze in de huid knijpt of b.v. op de dij slaat. De
+uitingen van pijn, en de duur daarvan, zijn evenwel niet zoo sterk en
+houden niet zoo lang aan als bij oudere kinderen. Die prikkel wordt dus
+wel degelijk pijnlijk ondervonden. Het verschil is hierdoor te
+verklaren, dat door het knijpen of door den slag vele, door het
+speldeprikje weinig zenuwuiteinden in de huid getroffen worden. De
+gevoeligheid neemt, reeds gedurende de eerste week, met den dag toe.
+
+Verschil in gevoeligheid bij aanraking van verschillende lichaamsdeelen
+is evenzeer voorhanden als bij den volwassene. Bij het aanraken van de
+punt van de tong maakt het kind zuigbewegingen, welke in
+braakbewegingen overgaan, wanneer het achterste gedeelte van de tong en
+de keel worden aangeraakt. De lippen zijn dadelijk na de geboorte zeer
+gevoelig. Strijkt men met den vinger langs de lippen, dan maakt het
+kind, van den zesden dag af, zuigbewegingen, ten minste wanneer het
+wakker en hongerig is. Wordt het slijmvlies van den neus geprikkeld,
+dan fronsen de kinderen het voorhoofd, niezen en bewegen de oogleden;
+bij sterken prikkel bewegen zij het hoofd en brengen de hand aan het
+gelaat. Wordt de punt van den neus aangeraakt, dan knijpen zij de oogen
+toe. Dat gebeurt eveneens als men tegen het oog blaast of het met den
+vinger aanraakt, terwijl daarentegen in de eerste dagen het kind in het
+bad de oogen openhoudt, ook als het lauwwarme water het hoornvlies
+bevochtigt. Legt men een vinger in de hand, dan wordt die omvat; wordt
+de voetzool aangeraakt, dan spreiden de teenen zich uit; bij kloppen
+tegen de voetzool buigt de voet zich tegen het onderbeen en wordt het
+been in knie- en heupgewricht gebogen; bij sterken prikkel gebeurt dat
+ook met het andere been.
+
+Dadelijk na de geboorte wordt het kind onaangenaam aangedaan doordat
+het, in al zijn natte naaktheid, aan de lucht, waarvan de temperatuur
+lager is dan die in de baarmoeder, wordt blootgesteld. In het warme bad
+gebracht, krijgt het weder het eerste aangename gevoel en is dan ook
+dadelijk rustig, nadat het van te voren flink schreeuwde. De
+gevoeligheid voor koude en warmte is dus reeds groot. Dat blijkt ook
+uit de wijze, waarop het kind, als het schijndood geboren is, door het
+dompelen in koud water, zoodra de ademhaling begonnen is, van kreunen
+tot schreeuwen overgaat. Dat schreeuwen moet waarschijnlijk als eene
+uiting van pijn worden opgevat. Het is ook bekend, hoe zeer jonge
+zuigelingen onrustig worden en schreeuwen, wanneer ze hier of daar met
+koud water in aanraking komen. Vooral het droge hoofd is gevoelig
+daarvoor, zooals blijkt bij den doop, waardoor menig kind onrustig
+wordt. Die gevoeligheid voor plaatselijke warmteonttrekking blijft
+langen tijd, gedurende de eerste levensjaren, bestaan. De groote
+gevoeligheid voor onderscheid tusschen koude en warmte, ook bij
+volkomen gezonde kinderen, blijkt uit hunne wijze van doen, bij
+pogingen om het dagelijksche bad kouder te maken. Daling van de warmte
+van het badwater, met een deel van een graad, beneden die welke het
+kind aangenaam is, kan het tot luid schreeuwen brengen.
+
+Ook de gevoeligheid van het slijmvlies van den mond, van de tong en van
+de lippen, is bij vele zuigelingen, in de eerste dagen, zeer groot.
+Wanneer b.v. de zuigflesch slechts weinige graden warmer dan
+bloedwarmte is, weigert het kind de flesch onder heftig schreien.
+Hetzelfde gebeurt, als de warmte iets minder is dan die van de melk uit
+de moederborst. De kinderen leeren echter gemakkelijk water en melk op
+kamer-temperatuur gebruiken, wanneer zij niets anders krijgen om hunnen
+honger te stillen.
+
+De wijze waarop het kind zich gedraagt, wordt bepaald door gevoelens
+van genoegen of welbehagen en verdriet. Behagen is meestal verbonden
+aan verzadiging, verdriet aan honger. Het gevoel van welbehagen wordt,
+in de eerste maand, van den eersten dag af, veroorzaakt door het
+stillen van den honger met het telkens terugkeerende genot van het
+zuigen en van den zoeten smaak der moedermelk, door het warme bad, door
+matig helder licht en door het ontkleeden. De bevrijding van doeken en
+windsels heeft levendige bewegingen ten gevolge, vooral afwisselend
+strekken en buigen der beenen. Van den eersten dag af uit zich het
+genoegen reeds door het open houden der oogen, waarop spoedig
+verhelderde glans der oogen volgt.
+
+Ook de stem is anders, naarmate het kind zich aangenaam gevoelt of
+niet.
+
+In het eerste halfjaar zijn de gevoelens van onbehagen menigvuldiger
+dan later. Zelfs bij de zorgvuldigste verpleging, luchtverversching,
+regeling van temperatuur der lucht en van het bad, contrôle op moeder-
+of andere melk en surrogaten daarvoor, en in de vriendelijkste
+omgeving, is het geen enkel kind beschoren geheel gezond te blijven,
+zonder één dag van verdriet door honger- en dorstgevoel, ongemakkelijke
+ligging, houding of plaatsing, door koude, gevoel van nattigheid, sterk
+riekende lucht of vaste inwikkeling.
+
+Onaangename gevoelens worden door schreien en, reeds in den eersten
+tijd, door mimiek uitgedrukt, vooral door den vorm van den mond.
+
+Reeds op den tienden dag, als het verzadigde kind is ingeslapen, neemt
+men om den mond eene lachende, vergenoegde uitdrukking waar.
+
+Eigenaardig is het schreien. Doordringend en aanhoudend bij pijn,
+kermen of jammeren bij ongemakkelijke ligging, onafgebroken en zeer
+luid in een koud bed, door veelvuldige tusschenpoozen afgebroken bij
+honger, plotseling tot onverwachte sterkte aangroeiende en dadelijk
+weder afnemende als het kind iets begeert en het niet krijgt.
+
+Een tweede teeken van onaangenaam gevoel is het toeknijpen der oogen;
+een derde het afwenden van het hoofd, zonder schreien, reeds in de
+eerste maand. Vooral van gewicht is het neêrtrekken van de mondhoeken,
+dat zelfs in den slaap voorkomt en bij onwelzijn voortdurend aanwezig
+is. Daaraan alleen reeds kan men zien of de stemming van het kind eene
+vroolijke of eene droevige is. Dit teeken is evenwel niet zoo vroeg
+waar te nemen als de andere.
+
+Spoedig na de geboorte doet zich reeds honger en dorst gevoelen. Duurt
+het honger- en dorstgevoel lang, dan schreit het kind en wordt
+onrustig. In de eerste dagen verdwijnt de onrust telkens tijdelijk,
+wanneer het kind iets in den mond gestoken wordt waarop het zuigen kan,
+doch reeds na de eerste week laten vele zuigelingen zich op die wijze
+niet foppen. Gedurende de eerste dagen zuigt het hongerige kind op zijn
+eigen vingers, doch begint spoedig weder te schreien. Dat schreien is
+anders dan bij pijn. Het wordt niet zoo lang onafgebroken voortgezet.
+Zeer kleine hongerige kinderen schreien met lange en korte
+tusschenpoozen. De stem heeft een helderen klank en is niet zoo hoog,
+als bij het schreeuwen van pijn. De oogen worden meestal toegeknepen,
+de tong wordt in den mond teruggetrokken en is breed. Een zeker teeken
+van honger en sterke begeerte naar voedsel is het opensperren der oogen
+bij het naderen van de borst.
+
+Bij jonge kinderen treedt vooral in den eersten tijd vermoeienis op
+door schreien en zuigen. Laat men ze hongerig schreeuwen, dan slapen
+zij spoedig in, ook zonder voedsel te hebben gekregen. Ook het zuigen
+aan een weinig melkbevattende borst is vermoeiend. Vaak wordt het dan
+door langere tusschenpoozen afgebroken en herhaaldelijk slaapt het kind
+in, ook al is het hongerig. Wanneer het verzadigd is, zuigt het niet
+meer en wanneer het moe is, doet het dit onregelmatig en zonder kracht.
+
+Het brengen van eigen handen in den mond heeft bij de zuigelingen nog
+niets met grijpen te maken. Bij het doelloos bewegen van de handen,
+komen die ook wel in het gelaat en in den mond. Dat is te verklaren uit
+de houding, welke de armen bij het ongeboren kind hadden, eene houding
+die zij nog lang bewaren. Zij brengen dus de handen aan het gelaat,
+zooals zij dit vóór de geboorte gedaan hebben. Ook houden zij de beenen
+als gedurende het verblijf in de baarmoeder, namelijk de knieën
+opgetrokken, de voeten eenigszins naar binnen gekeerd, de voetzolen
+naar elkander gericht. Daar ook de beenen, en voornamelijk de
+onderbeenen, eene kromming naar binnen vertoonen, kan het den schijn
+verwekken, alsof het kind misvormd is. De beschreven houding verdwijnt
+langzamerhand, doch de kromming der onderbeenen blijft langer bestaan.
+Elk kind heeft dus in den beginne kromme beenen. Het maken van
+zuigbewegingen, wanneer de handen de lippen aanraken, is aangeboren en
+niet tot bedoelde bewegingen te rekenen. Hoe doelloos dat bewegen
+geschiedt, blijkt wel uit de krabwonden, die zij zich in het gelaat en
+zelfs in de oogen toebrengen, waarvoor het dikwijls noodig is de nagels
+te knippen, de handen in te pakken, de armen vast te binden of met
+stijve kokers te omgeven, om de kinderen te beletten zich zelf
+verwonding toe te brengen.
+
+Opvallend is in den eersten tijd het geeuwen met wijd opengesperden
+mond. Dit wordt door sommigen opgevat als eene versterkte en diepe
+inademing, welke de ademhalingswerktuigen langzamerhand tot regelmatige
+werkzaamheid heeft te brengen.
+
+Veelvuldig wordt ook kokhalsen waargenomen. Kinderen van een tot vijf
+dagen oud steken dan, bij opengesperden mond, de tong naar voren. De
+gewone oorzaak schijnt te zijn, dat er slijm aanwezig is of wel, dat
+zij zichzelf met den vinger het gehemelte of den tongwortel aanraken.
+Dit laatste geeft ook wel aanleiding tot braken, ofschoon braken
+meestal het gevolg is van eene overvulde maag.
+
+Het hikken, dat, vooral na het drinken soms wel gedurende tien minuten
+en langer, in de eerste drie maanden nog al eens voorkomt, heeft niets
+te beteekenen. Het verdwijnt somtijds gemakkelijk door een of een paar
+theelepels lauwwarm suikerwater op de tong te brengen.
+
+Nu en dan wordt bij overigens volmaakt gezonde meisjes op den vijfden
+of zesden dag, ook wel iets later, eene meestal geringe
+bloedafscheiding uit de geslachtsdeelen waargenomen. Aan de
+schaamlippen kleeft dan bloederig slijm of men vindt er kleine
+bloedstolsels. Worden de schaamlippen uit elkander gehouden, dan kan
+men zien, dat het bloed uit de scheede is te voorschijn gekomen. Bij
+ietwat sterker bloeding komt die afscheiding ook in de luiers. Dit
+duurt gewoonlijk slechts een paar dagen, soms een week. Voor den
+gezondheidstoestand van het kind heeft dit niets te beteekenen.
+
+Ook vindt men vaak, meestal onmiddellijk of in de eerste dagen na de
+geboorte, bij meisjes een zuchtige zwelling van de schaamlippen, bij
+jongens van balzak en lid, welke allengs vanzelf verdwijnt en niet de
+minste beteekenis heeft.
+
+Bij 80% der pasgeborenen treedt geelzucht op, welke kenbaar is aan eene
+gele verkleuring van de huid, vooral bij kinderen van eerstbarenden, na
+geboorte met de billen vooruit en na lange, moeilijke baringen. Het
+vaakst optredende op den tweeden dag, minder dikwijls op den derden,
+begint die verkleuring in het gelaat en op de borst. In sterk sprekende
+gevallen wordt ook het oogwit geel gekleurd. Bij kunstverlichting is de
+verkleuring niet waar te nemen. De duur wisselt van 4 tot 14 dagen.
+Soms zijn de kinderen wat mat en slaperig, drinken slecht en nemen, al
+is het welbevinden ongestoord, gedurende dien tijd minder toe. Men
+drage zorg voor behoorlijk warm houden, vooral bij te vroeg geboren
+kinderen, zonder te broeien. Men moet echter, indien de geelzucht van
+dag tot dag erger wordt, zoodat de kleur van de huid zelfs groengeel
+wordt, den dokter waarschuwen.
+
+De borstklieren scheiden bij pasgeborenen een melkachtig vocht af,
+heksenmelk genoemd. Bij beide geslachten zwellen daardoor van den 2en
+of 4en dag af, de borsten op, welke zwelling op den 8en tot 12en dag
+haar hoogtepunt bereikt, om van de tweede week af langzamerhand te
+verdwijnen. Het kan evenwel nog langer duren, daar de vorming van melk
+tot in de vierde week, in zeldzame gevallen tot in de vierde maand,
+aanhoudt. Het is volkomen onnoodig, zelfs schadelijk, te trachten
+daaraan door drukken, knijpen of wrijven een einde te maken. Men heeft
+ze eenvoudig met een laagje steriele watten te bedekken en met rust te
+laten. Het is mogelijk, dat in de borst ontsteking optreedt. Zij wordt
+dan steeds grooter, pijnlijk bij druk; de huid wordt rood en zuchtig
+gezwollen. Bij de eerste verschijnselen van ontsteking bedekke men dan
+de borst met een compres, b.v. van hydrophiel gaas of een dun laagje
+ontvette watten, in lauwwarm water, voor de helft verdund Goulardwater
+of 50%’s alcohol, gedoopt en uitgeknepen, waarover een stukje
+guttapercha-papier of Billroth-batist en daarover eene laag droge
+watten, alles vastgehouden door een verband. Men verzuime niet den
+dokter van deze verschijnselen in kennis te stellen, daar het tot
+ettering komen kan. Het kind heeft daarbij soms hooge koorts, is
+onrustig, verliest den eetlust. Vaak komt het tot braken en diarrhee.
+
+In de meeste gevallen begint op den 6en of 7en dag de opperhuid af te
+schilferen, soms in kleinere of grootere lapjes, hetgeen eenige dagen
+aanhoudt. De oorzaak is te zoeken in het uitdrogen van de tot de
+geboorte steeds vochtige huid en in de prikkeling en wrijving der
+kleederen. Ook treedt eene dergelijke afschilvering van het slijmvlies
+der lippen op.
+
+Het gedeelte van de navelstreng dat aan het kind verbonden bleef,
+blijft nog eenige uren blauwachtig wit van kleur, wordt slapper en
+platter, verdroogt allengs en wordt tot eene platte harde streng, welke
+ten slotte, bij een of andere gelegenheid, gewoonlijk bij het baden,
+loslaat, door het verscheuren van de laatste dunne verbinding met den
+navel. Dat loslaten geschiedt omstreeks den 5en tot 8en dag, somtijds
+nog later. Er blijft een kleine wond aan den navel over, welke tegen
+besmetting of infectie moet gevrijwaard worden, omdat daaruit voor het
+kind de schromelijkste gevolgen kunnen voortspruiten. Daarom is
+zorgvuldige, uiterst reine behandeling, zoowel van de rest van de
+navelstreng als van de overblijvende wonde van groot belang. Het baden
+van het kind behoeft niet te worden nagelaten. Men drage zorg voor
+reinheid van eigen handen en van alles wat, als verband, op den navel
+gebracht wordt. Het verband, dat om de rest van de navelstreng
+gewikkeld is, laat bij het baden van zelf los. De rest moet daarna
+zorgvuldig afgedroogd en een nieuw, zuiver verband aangelegd worden.
+
+Nadat de rest afgevallen is geneest de overblijvende navelwond onder
+een verband, uit steriele watten of steriel gaas bestaande, vrij
+spoedig. Dit verband moet, als het b.v. door urine nat geworden is,
+vernieuwd worden. Ter beschutting van de wond kan men haar eerst met
+wat vaseline bedekken of er een antiseptisch poeder, als dermatol-,
+xeroform-, airol- of salicyl-strooipoeder (1 dl. salicylzuur, 5 dl.
+talkpoeder) op strooien.
+
+Mocht het eens gebeuren, dat er eene bloeding uit de navelwond komt,
+hetzij dat men ongelukkigerwijze aan de nog niet geheel losgeraakte
+rest van de navelstreng heeft getrokken of wel door eenige andere
+oorzaak, dan kan men de bloeding tot staan brengen door eene laag
+zuivere verbandwatten of eene schoone zakdoek, opgevouwen, op de
+bloedende wond te leggen en stevig met de hand daarop te drukken, of
+door, over de bedekkende watten of zakdoek heen, stevig een verband,
+b.v. een tricot-windsel, als drukverband, om den buik te wikkelen. Laat
+inmiddels den geneesheer roepen.
+
+Eerst puilt de navel, vooral als de huid de navelstreng voor een
+gedeelte bekleedde, nog wat uit (huidnavel), maar spoedig daalt hij
+onder het oppervlak van de huid en vormt een kuiltje, met ietwat
+vochtigen bodem, dat door eene smalle bovenste en breede onderste
+huidplooi bedekt wordt. Weldra is de wond genezen en alles droog.
+Somtijds blijft er wat bloederige, zelfs op etter gelijkende,
+afscheiding bestaan, zoodat het verband aan de wond blijft kleven of
+althans bevlekt wordt. Dan is er, als men de huidplooien uit elkander
+trekt, een steeds vochtig, vleezig propje in de diepte waar te nemen.
+Dat propje is ongevoelig en bloedt somtijds bij onzachte aanraking.
+
+De geneesheer, daarop opmerkzaam gemaakt, zal er spoedig een einde aan
+weten te maken, zoodat de litteekenvorming weldra volkomen wordt. Van
+meer belang is het, wanneer de rand van de wond, daar waar zij aan de
+huid van den buik grenst, sterke roodheid vertoont, ettering aanwezig
+is, de navel wankleurig wordt, rood, gezwollen en gevoelig is en eene
+sterke afscheiding geeft. Dan vooral is het noodig oogenblikkelijk den
+geneesheer te ontbieden, omdat dit alles op ontsteking wijst, waardoor
+het leven van het kind in groot gevaar kan komen.
+
+Na de genezing wordt het navelverband veelal nog eenigen tijd, minstens
+4 à 5 weken, aangelegd. Waar dikwijls de band, met de bedoeling om een
+navelbreuk te voorkomen, sterk wordt aangetrokken, achten wij het
+noodig daartegen te waarschuwen, omdat juist sterke druk op den
+onderbuik de oorzaak kan worden van het ontstaan van navelbreuk. Zulk
+een breuk ontstaat gewoonlijk niet dadelijk, meestal tusschen de tweede
+en vierde maand. Hij doet zich voor als eene weeke verhevenheid of
+dikte, welke, als het kind bij het schreeuwen of bij moeilijke
+ontlasting perst, grooter en meer gespannen, bij het ophouden met
+persen kleiner wordt of geheel verdwijnt. Dit laatste geschiedt ook als
+men er met den vinger op drukt, waarbij men, als de breuk tamelijk
+groot is, een eigenaardig gevoel waarneemt.
+
+Een navelbreuk ontstaat doordat een gedeelte van de ingewanden van den
+buik, meestal een gedeelte van den darm, door eene, met huid bedekte,
+opening van den buikwand heendringt en de huid uitstulpt.
+
+In vele families schijnt neiging of aanleg tot het ontstaan van
+breuken, ook navelbreuken, voor te komen. Men schenke in den beginne
+vooral aandacht aan den zoogenaamden huidnavel. Een doelmatig
+hechtpleisterverband, het eerst door den geneesheer aan te leggen, dat
+gedurende een veertiental dagen kan blijven liggen, zal er vele
+genezen. Zulk een verband, waarvoor men leucoplast, blancoplast of
+sanoplast ter breedte van 2 of 3½ cM. gebruikt, wordt als volgt
+aangelegd. Men vouwt de huid van den buikwand in de streek van den
+navel, zoodat er eene overlangs loopende plooi ontstaat. De randen van
+die plooi worden tot elkander gebracht, zoodat de navel niet meer te
+zien is. Dan legt men dwars over die plooi, op de plaats waar de navel
+is schuil gegaan, om den buik heen, een strook pleister, ongeveer 12
+c.M. lang, en drukke die eenigen tijd aan, om haar door de warmte goed
+te doen vastkleven. Bij gebruik maken van eene breede strook pleister
+is één strook voldoende; bij smallere legt men twee of drie strooken
+dakpansgewijze over elkander. De uiteinden van elke strook komen op den
+rug van het kind te liggen. Zulk een verband kan, als het kind
+dagelijks gebaad wordt, wel een week blijven liggen. Daarna wordt het
+vernieuwd. Mocht, na het afnemen van het pleisterverband, blijken dat
+de huid te rood geworden of stuk gegaan is, dan wachte men met het
+aanleggen van een nieuw verband, tot zij genezen is. De genezing wordt
+bespoedigd door bepoederen en inwrijven van de huid, b.v. met
+alsol-strooipoeder.
+
+Ook liesbreuken komen nog al eens voor. Deze, hetzij eenzijdig of
+dubbelzijdig, neemt men het best of alleen waar, als het kind bij
+schreeuwen of bij moeilijken stoelgang perst, en wel als eene dikte in
+de streek van de lies. Bij eenzijdige breuk is verschil in dikte met de
+andere zijde gemakkelijk te zien. De geneesheer zal daarvoor een band
+aanleggen, waaronder de genezing plaats vindt. Bij het dragen van alle
+mogelijke banden moet men de uiterste zindelijkheid en reinheid
+betrachten, omdat de huid van het kind zeer gevoelig is en gemakkelijk
+stuk gaat. Indien de band goed aansluit en langen tijd gedragen wordt,
+geneest de breuk in de meerderheid der gevallen. Vaak wordt bij jongens
+eene zwelling van het zakje waargenomen, welke te wijten is aan vocht,
+dat zich daarin heeft opgehoopt. Men noemt het een waterbreuk. Van
+beteekenis is dit niet. Zulk een breuk geneest na eenige weken of
+maanden van zelf.
+
+Een ander verschijnsel, dat bij jongens nog al eens voorkomt, is
+vernauwing of samenkleven van de voorhuid, dat is het gedeelte van de
+huid van het geslachtsdeel, door welks opening de urine te voorschijn
+komt. Wanneer dit aanleiding geeft tot pijnlijke of bemoeilijkte
+urine-loozing, is gewoonlijk eene kleine behandeling door den
+geneesheer voldoende om dat bezwaar op te heffen.
+
+Van niet te onderschatten beteekenis is verder de zorg voor de oogen
+van het kind. Reeds dadelijk na de geboorte moeten, zooals reeds gezegd
+werd, de oogen met zuiver gekookt water of 3%’s boorzuuroplossing
+gereinigd worden van het vuil, waarmede zij gedurende de baring in
+aanraking gekomen zijn. Doch daarmede is niet alles gedaan. Dikwijls
+komt het voor, dat bij de baring eene smetstof in de oogen geraakt,
+vooral bij moeders welke aan witten vloed lijden, en voornamelijk
+wanneer die berust op druipergif (gonorrhoe), welke binnen eenige dagen
+eene zoodanige ontsteking van de oogen ten gevolge heeft, dat het kind
+gevaar loopt onherroepelijk blind te worden.
+
+Vele geneesheeren hebben daarom de gewoonte, en wij kunnen dien
+maatregel slechts toejuichen, bij iederen pasgeborene de oogen in te
+druppelen met eene zwakke oplossing van helschen steen, welke, zooals
+eene uitgebreide ervaring geleerd heeft, zoo goed als zeker den
+verderfelijken invloed van het gif te niet doet. Mocht dat niet gebeurd
+zijn en dergelijk gif in de oogen zijn binnengedrongen, dan treedt
+meestal op den derden dag, soms op den vierden of vijfden dag, de
+ontsteking op. De oogleden zwellen, worden rood, kleven aan elkander
+vast en eene dunwaterige gele vloeistof, spoedig vervangen door eene
+hevige ettering, treedt te voorschijn. Is reeds dat een groot gevaar,
+nog grooter wordt het, wanneer men meent die ontsteking een „kou” of
+„tocht” op het oog te mogen noemen, omdat dan allicht verzuimd wordt op
+tijd de hulp van den geneesheer of van een oogarts in te roepen. Binnen
+enkele dagen kan het zoover gekomen zijn, dat het kind tengevolge van
+de ontsteking blind is, en, zoo dat niet het geval mocht zijn, het
+dikwijls toch het grootste gedeelte van het gezichtsvermogen heeft
+ingeboet. Oogontsteking kan ook op andere wijze ontstaan, b.v. door het
+binnendringen van kraamzuivering of andere stoffen, hetwelk niet zulke
+vèrstrekkende gevolgen heeft. Welke ten slotte de oorzaak zijn moge,
+men gaat den zekersten weg, door zonder verwijl den geneesheer van de
+minste afwijking in kennis te stellen.
+
+In het algemeen verdient het, naar mijne meening, aanbeveling het kind
+van de geboorte af dagelijks te baden. Vele geneesheeren willen dat
+eerst toestaan na genezing der navelwonde, uit vrees dat van daar uit
+eene besmetting, door het badwater, zou plaats vinden. Ofschoon ik in
+eene langdurige praktijk nooit iets dergelijks heb waargenomen, bestaat
+er geen reden om daarover te twisten. In het eerste halfjaar houde men
+de temperatuur van het badwater op 35° C. (28° R.), daarna kan men de
+temperatuur iets lager nemen, doch nimmer late men zich verleiden, met
+de bedoeling het kind te harden, het water—en dan niet voor het einde
+van het tweede levensjaar—kouder dan 32,5°–30° C. (26°–24° R.) te
+nemen.
+
+Na urine-loozing of stoelgang moet het kind steeds behoorlijk met
+lauwwarm water, of water waar de koude af is, liefst met watten,
+gereinigd en daarna bepoederd worden. Wanneer de billen om de
+aarsopening en de huidplooien neiging tot smetten of stukgaan
+vertoonen, scharrele men niet te veel met water. Men wassche dan
+eenvoudig af en bepoedere. Waar de roodheid in wondzijn is overgegaan,
+kan het zelfs aanbeveling verdienen, die plaatsen met olijfolie
+(slaolie), met watten, te reinigen, daarna met watten af te drogen en
+vervolgens te bepoederen. Als een uitstekend poeder daarvoor heb ik
+alsol-strooipoeder leeren waardeeren. Ook wordt wel insmeeren met
+zinkzalf, zalf of pasta van Lassar, vaseline of lanoline aangeraden.
+Bij het gebruik van vaseline, vooral de gele, denke men eraan, dat
+daarbij de ontlasting in de luier eene groene verkleuring kan aannemen.
+Roodheid en opengaan van de huid, trots alle reinheid, met of zonder
+het optreden van blaasjes, aan billen en dijen is vaak te wijten aan
+dunne, diarrhee-achtige ontlasting of aan voortdurende inwerking van
+urine. Dan heeft men na te gaan of er eene voedingsstoornis bestaat en
+zorg te dragen, dat het kind niet lang in natte luiers liggen blijft.
+
+Op het hoofd vormt zich somtijds, meestal op de plaats der groote
+fontanel en hare omgeving, een aanslag van huidsmeer en schubbetjes,
+gewoonlijk „berg” genoemd. De opvatting dat men dit niet verwijderen
+mag is onjuist. Ter behandeling smeert men het ’s avonds met eenig vet
+of olie in, omgeeft men het hoofd met een doek en wascht men de plek ’s
+morgens met warm zeepwater af. Zoonoodig wordt dit herhaald. Mocht deze
+behandeling niet baten, dan wijst dat op eene aandoening van de huid,
+welke hare oorzaak in het gestel van het kind kan hebben. Men moet
+alsdan den geneesheer raadplegen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+EENIGE OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET ZOOGEN EN DE VOEDING VAN EEN
+ZUIGELING.
+
+
+Iedere echte moeder moet haar kind zoogen. Het beste en goedkoopste
+voedsel voor het kind is de moedermelk. Iedere moeder, die haar kind
+liefheeft, zal dus dat kind de beste voeding geven, tenzij daaraan niet
+kan voldaan worden door gebrek aan dat voedsel of wegens andere
+oorzaken, b.v. gelegen in eigen gezondheid of in den toestand der
+borsten.
+
+Goede borsten zijn eenigszins hangend, langwerpig, niet te groot en
+niet te klein, met goed gevormde tepels, welke ongeveer 2 cM. boven de
+oppervlakte van de borst uitsteken.
+
+Het zog, dat gedurende de eerste drie tot vijf dagen ontledigd wordt,
+is waterig en met veel biest (colostrum) vermengd. Daarna komt eerst
+het ware zog. Het zuigen van het kind aan den tepel is een prikkel,
+waardoor de melkafscheiding bevorderd wordt. Tusschen den tweeden en
+vierden dag vullen de klierkwabjes der borsten zich, waardoor deze
+grooter en zwaarder, gespannen en pijnlijk worden. Die zwelling kan
+zich tot in de oksels, waar zich zelfs klierkwabjes kunnen bevinden,
+uitstrekken. De tepel wordt daarbij eenigszins ingetrokken. Het kind
+kan den tepel moeilijker vatten en de melk niet zoo gemakkelijk
+uitzuigen, hoewel een krachtig kind het er toch goed afbrengt en, door
+flinke ontlediging, het spanningsgevoel althans eenige oogenblikken
+doet verminderen. Die spanning neemt tot den vierden dag toe, om dan
+binnen één tot drie dagen af te nemen, terwijl tevens de borsten
+slapper worden. Bij niet zoogende vrouwen is dit alles gewoonlijk
+sterker en duurt het slapper worden iets langer. Indien de spanning en
+pijnlijkheid zeer sterk zijn, zoodat b.v. elke beweging, vooral van de
+armen, pijn veroorzaakt, dan is, behalve het opbinden der borsten, wat
+in ieder geval reeds verlichting geeft, het vochtig warm inpakken een
+heerlijk middel, vooral als tegelijkertijd het nemen van voedsel en het
+drinken wat beperkt en ruime ontlasting, b.v. door bitterwater,
+bevorderd wordt. Mechanische ontlediging der borsten, door uitpersen,
+uitzuigen met de zogpomp, of massage is zeer pijnlijk en brengt zeer
+weinig verlichting.
+
+In de eerste dagen veroorzaakt het zuigen van het kind vaak pijn aan de
+tepels, ook al zijn die niet „open” of ontstoken. Bij het zuigen van
+het kind ontstaan wel eens blaasjes op, kleine bloeduitstortingen of
+scheurtjes in den tepel. Dan is het zoogen bijzonder pijnlijk. Velerlei
+middelen worden aanbevolen om die gewonde plekjes te genezen. Zoo b.v.
+het penseelen van den tepel met benzoëtinctuur, met eene 6%–10%’s
+oplossing van helschen steen in gedestilleerd water. Ook wordt de tepel
+wel bedekt met een lapje gedrenkt met perubalsem, met eene oplossing
+van tannine (looizuur) in glycerine (5%–10%), waarbij men te bedenken
+heeft, dat zij vlekken in het ondergoed maken, zoodat het aanbeveling
+verdient er een stukje Billroth-batist of guttaperchapapier overheen te
+leggen; met eene 6%–8%’s oplossing van boorzuur in glycerine; met een
+mengsel van gelijke deelen brandewijn en glycerine. Als tepelzalf wordt
+o.a. ook aanbevolen een mengsel van gelijke deelen glycerine,
+benzoëtinctuur en olijfolie, b.v. 15 grammen van ieder.
+
+Het zal dan noodig zijn den tepel, voor het kind aan de borst gelegd
+wordt, met lauwwarm water af te wasschen, terwijl hetzelfde ook
+gebeuren moet nadat het kind gezogen heeft. Deze middelen helpen
+gewoonlijk niet snel, omdat de tepels telkens weder aan denzelfden
+schadelijken invloed, d.i. het zuigen van het kind, worden
+blootgesteld. Wanneer, vooral bij uitgebreide wondjes, het zoogen zeer
+pijnlijk is, kan men trachten de pijn te verminderen, door het kind
+door een tepelhoedje te laten zuigen. Somtijds is de pijn echter zoo
+hevig, dat reeds de gedachte aan het naderende uur van zoogen de
+kraamvrouw geheel in de war brengt, uit angst voor de door te stane
+pijnen. Dan kan het noodig en nuttig zijn het kind zoolang de borst te
+onthouden en op andere wijze te voeden, totdat de wonden genezen zijn.
+Men behoeft niet bevreesd te zijn, dat het kind daarna den tepel niet
+meer zal willen vatten. Met eenig geduld en eenige moeite gelukt dat
+wel weder. Evenmin behoeft men beangst te zijn, dat de borst na zulk
+een tijdperk van rust geen zog meer zal leveren. Het zuigen van het
+kind brengt, vooral als de borst voldoende zog opleverde, al spoedig
+hare werkzaamheid weder aan den gang, zoodat voldoende hoeveelheid
+voedsel geleverd wordt. [3]
+
+Uit wonde tepels zuigt het kind bloed af, dat uitgebraakt of, in de
+luiers, zwart gekleurd, teruggevonden wordt.
+
+De wonde tepel is wel de hoofdoorzaak voor het ontstaan der zoo
+gevreesde zweer in de borst. Gemakkelijk toch kunnen onreine stoffen,
+zooals de kraamzuivering, welke onwillekeurig aan de handen der moeder
+of der verpleegster geraakt zijn, in die wondjes gebracht worden en tot
+infectie en ontsteking aanleiding geven. Dit wetende, begrijpt men dat
+de grootste reinheid moet worden in acht genomen, omdat daardoor het
+gevaar zoo goed als uitgesloten is.
+
+De meening, dat iedere zoogende vrouw omstreeks den derden dag
+zogkoorts zou krijgen of zou moeten krijgen, is gelukkig onjuist. Wel
+is waar gevoelt zij zich niet prettig gedurende de dagen dat de
+gespannen borsten pijnlijk zijn en iedere beweging haar hindert, doch
+dat is geen gevolg van of oorzaak voor temperatuurs-verhooging. Veeleer
+kan men zeggen, dat bij de kraamvrouw, die omstreeks dien tijd koorts
+heeft, de oorzaak ergens anders te zoeken is, voornamelijk in eene
+lichte infectie van wondjes in of aan de geslachtsdeelen of door
+verhinderde of verminderde uitscheiding der kraamzuivering.
+
+Zoodra de spanning en pijnlijkheid van de borsten voorbij zijn, zal het
+kind gemakkelijker zuigen en de borst flink leeg drinken. Dat geheel
+ledigen van de borst is van belang voor regelmatige vorming van melk in
+voldoende hoeveelheid. Dan komt regelmatige vulling der borsten tot
+stand en vaak kan de moeder, tegen den tijd dat het kind zich voor de
+voeding zal aanmelden, een eigenaardig gevoel waarnemen, alsof de borst
+zich met vocht vult, wat ook werkelijk het geval is, zelfs zoo, dat de
+melk uit den tepel begint te loopen. Men noemt dat het toeschieten van
+het zog.
+
+Voor het kind aangelegd wordt, reinige men den tepel. Dat moet ook
+gebeuren als het kind gevoed is. Men kan dit doen met verbandwatten en
+zuiver gekookt water. Daarna de borsten met een zachten doek te
+bedekken of in een lijfje op te bergen en daarbij, ook de minste,
+drukking zooveel mogelijk te vermijden. Als het kind verzadigd is,
+veegt men het de lippen af en legt men het in een warm bedje, om rustig
+te slapen. De mond behoeft volgens sommige geneesheeren na het zuigen
+niet gereinigd te worden, volgens andere juist wel, omdat het in den
+mond achterblijvende zog aanleiding zou kunnen geven tot het ontstaan
+van spruw. Spruw is eene in het mondslijmvlies groeiende schimmelplant,
+welke zich als witte vlekken voordoet, die betrekkelijk moeilijk te
+verwijderen zijn. Die witte plekjes mogen niet verwisseld worden met
+melkstolsels, die, op het slijmvlies van de mondholte liggende, juist
+gemakkelijk te verwijderen zijn. Volgens de aanhangers der
+mondreiniging zou men daardoor de onreinheid, welke tot ontwikkeling
+van spruw leiden kan, ontgaan. Volgens de tegenstanders zou juist de
+mondreiniging, door mogelijke beleediging van het slijmvlies, het
+ontstaan van spruw vergemakkelijken. Ik schaar mij aan de zijde van
+hen, die het reinigen van den mond niet alleen overbodig, maar zelfs
+schadelijk achten.
+
+De melk van jonge vrouwen is over ’t algemeen vetrijker en de
+afscheiding rijkelijker. De borsten van vrouwen tusschen 20 en 30
+jaren, die reeds twee- of driemaal gebaard hebben, leveren meestal meer
+dan die van jongere of oudere, die vaker baarden. Dat zijn
+omstandigheden gebonden aan de lichamelijke gesteldheid der vrouw.
+Daarnaast zijn vele andere toevallige aanwezig, zoodat in ’t algemeen
+nooit van te voren kan gezegd worden, welke moeder haar kind zal kunnen
+voeden, hoe lang en hoe goed zij dat zal kunnen doen. Eerst ongeveer 14
+dagen na de bevalling zal men kunnen beoordeelen, of de moeder
+werkelijk haar kind zal kunnen zoogen.
+
+De voeding der kraamvrouw, eten en drinken beiden, kan van den aanvang
+af over ’t algemeen de gewone zijn, zoodat men haar, die zich
+verstandig voedt, niet dit en dat en nog meer behoeft te verbieden,
+zooals nog al te dikwijls geschiedt. Allerminst behoeft zij op een pap-
+en melkdieet gezet te worden, welke kost, ook al omdat zij het
+darmkanaal te weinig prikkelt, voor een groot deel schuldig is aan de
+verstopping, waaraan menige zoogende vrouw lijdt. Zij mag in den
+vruchtentijd gerust genieten van aardbeziën en dergelijke, van salade,
+augurken, komkommers, enz., waarbij zij echter moet opletten, welke
+voedings- of genotmiddelen op haar kind misschien eenigen ongunstigen
+invloed uitoefenen. Zoo herinneren wij ons, om een enkel voorbeeld te
+noemen, eene moeder, die alle vruchten gebruiken kon, zonder dat haar
+kind daarvan ook maar eenige onaangenaamheid ondervond, doch de gewone
+gele pruim veroorzaakte bij haar kind regelmatig dunne ontlasting.
+Daarvan onthield zij zich dan ook, doch wanneer het kind eens
+moeilijkheid met de ontlasting had, aan verstopping leed, gebruikte zij
+deze vrucht met uitstekend gevolg voor de goede ontlasting van haar
+kleine. Zoo is het ook hier weder duidelijk, dat men geen algemeene
+regels geven kan en mag, ook niet voor zoogende vrouwen. Wel mag men
+aannemen, dat het gebruik van alcohol nadeelig is, al moet dadelijk
+worden toegegeven, dat een enkel glas wijn of bier geen schade doet.
+Dat theegebruik het zog zou opdrogen, koffie de zogafscheiding zou
+aanzetten, behoort, als zoovele andere dingen, tot het rijk der
+fabelen. De beste drank voor de zoogende moeder is melk. Zij houde
+evenwel in het oog, dat ook van de zoogenoemde versterkende middelen,
+waartoe gewoonlijk in de eerste plaats melk en eieren gerekend worden,
+te veel gebruikt worden kan.
+
+Bij te rijkelijke voeding met dierlijke stoffen kan, wanneer die tot
+sterke vetafzetting leiden, de zogafscheiding verminderen en zelfs
+geheel ophouden. In het algemeen kan gezegd worden, dat de gemengde
+voeding de beste is, omdat eiwitrijk voedsel het eiwit- en vetgehalte
+van de melk vermeerdert, het suiker- en zoutgehalte vermindert, terwijl
+plantenkost in omgekeerden zin werkt, en dat bij de gewone gemengde
+voeding, als het noodig blijkt, eene hoeveelheid van 1–1½ liter melk en
+1 à 2 eieren per dag voldoende is.
+
+Wanneer de zoogende vrouw dan zorg draagt voor beweging, ook in de
+frissche buitenlucht, en voor goede ontlasting, eenmaal in de 24 uren,
+zal zij in de meeste gevallen voldoende voedsel voor haar kind hebben.
+Mocht de ontlasting niet behoorlijk zijn, dan trachte zij daaraan
+tegemoet te komen door het gebruik van karnemelk, grof brood, versche
+en gekookte vruchten, waarbij ook hazelnoten en andere noten, of door
+het zetten van een lavement. In ’t algemeen zorge zij voor eene gewone,
+gezonde en geregelde levenswijze.
+
+
+
+Wij gaan nu wat nader in op de voeding.
+
+Wanneer de pasgeborene, na den eersten slaap, door schreien van zijn
+bestaan blijk geeft, is de tijd gekomen om hem den eersten maaltijd aan
+de moederborst te geven. Dit zal bij haar, die voor het eerst moeder
+geworden is, niet altijd gemakkelijk gaan. Sommige kinderen vatten
+dadelijk den tepel, andere moeten als ’t ware eenigermate daartoe
+opgevoed worden. Indien het niet dadelijk gelukt, moet de moeder niet
+wanhopen.
+
+Zij beginne met die borst te geven, welke den besten tepel heeft. Hoe
+zal zij dat doen? Zoolang zij nog te bed ligt, gaat zij halverwege op
+eene zijde, b.v. de rechterzijde, met een kussen als steun in den rug,
+liggen, en plaatst het kind zoo naast zich, dat het door den rechter
+arm gesteund wordt. Dan vat zij de borst zoo, dat de tepel tusschen de
+toppen van den gestrekten wijs- en middelvinger van de linkerhand komt
+te liggen. Met die vingers drukt zij zacht, doch stevig, de omgeving
+van den tepel en van den tepelhof, zoodat deze meer te voorschijn
+treedt, en brengt dan den tepel in den mond van het kind. Het kan, bij
+slappe borst, ook zoo geschieden, dat zij de borst zoodanig tusschen
+den duim aan de eene zijde en de overige vingers aan de andere zijde
+van den tepel vat, dat deze, met den tepelhof, goed naar voren komt. Op
+die wijze kan het kind gemakkelijk door den neus ademhalen.
+
+Het kost wel eens eenige moeite om het kind den tepel goed in den mond
+te brengen. Vaak draait het kind, zelfs als het honger heeft, telkens
+het hoofd heen en weer, zoodat er eenige handigheid toe behoort, het
+kind aan het zuigen te brengen, doch met geduld en zachten drang gelukt
+het ten slotte. Dikwerf is ook hierbij alle begin moeilijk, zoodat èn
+moeder èn kind spoedig vermoeid raken. Dan eindige men met de poging,
+om na eenigen tijd opnieuw te beginnen. Allengs krijgt de moeder de
+noodige handigheid wel. Daarentegen pakken vele kinderen de borst
+dadelijk en zuigen flink, alsof zij nooit anders gedaan hadden.
+
+Zoodra de moeder in bed mag opzitten, is het beter dat zij, met een
+steun in den rug, het kind dwars voor zich op den schoot neemt, het
+hoofd gesteund door den arm aan de zijde van de borst welke den
+zuigeling zal gegeven worden, en hem nu, in voorovergebogen houding,
+den tepel in den mond brengt. Een kussentje onder de elleboog van den
+steunenden arm maakt het moeder en kind gemakkelijker. Kan de moeder
+het bed reeds verlaten, dan neme zij dezelfde houding aan op een stoel,
+liefst een lage, met armleuning, waarop de elleboog rusten kan, en
+steune zij het been aan denzelfden kant van de te geven borst, op een
+voetenbankje, waardoor de houding minder vermoeiend is.
+
+Men late nu het kind naar hartelust zuigen. De tijd, gedurende welken
+een kind zuigt, is verschillend. Krachtig zuigende kinderen drinken uit
+eene goede zoggevende borst betrekkelijk snel de noodige hoeveelheid,
+zoodat zij vaak in vijf tot tien minuten tijds reeds genoeg hebben.
+Andere kinderen doen er langer over. In het algemeen is echter een
+tijdsduur van twintig tot dertig minuten voldoende. Ook dan zal men
+kunnen waarnemen, dat het kind gedurende de eerste vijf tot tien
+minuten flink zuigt en telkens na iedere zuigbeweging slikt, daarna
+echter minder snel zuigt en eerst na eenige zuigbewegingen slikt en ten
+slotte òf verzadigd den tepel loslaat òf rustig aan de borst blijft
+liggen. Het in slaap vallen aan de borst bewijst niet dat er voldoende
+zog is. Dat gebeurt b.v. bij zwakke kinderen, uit vermoeienis.
+
+Dikwijls begint het kind, als de moeder het van de borst wil nemen,
+weder te zuigen, of althans eenige zuigbewegingen te maken, alsof het
+te kennen wil geven, dat het nog niet genoeg gedronken heeft. Dit is
+meestal slechts eene poging om bij moedertje, bij wie het zoo aangenaam
+warm liggen is, te blijven. De moeder mag daaraan niet toegeven, omdat
+zij gevaar loopt, dat het kind den tepel als fopspeen gaat gebruiken.
+
+Een kind dat omstreeks twintig minuten aan de borst gezogen heeft, zal
+gewoonlijk genoeg voedsel tot zich genomen hebben en behoort dan
+voorzichtig in zijn bedje gelegd te worden.
+
+Den tepel reinige men, na het zuigen, op dezelfde wijze als voor het
+aanleggen.
+
+Eene vraag, welke in verschillende tijden en door verschillende
+geneesheeren verschillend beantwoord werd en wordt, is deze: hoe vaak
+men het kind de borst zal geven, d.w.z. hoeveel maaltijden het kind in
+het etmaal krijgen moet.
+
+Naar mijne meening ligt het voor de hand, om niet onmiddellijk met een
+vasten regel te beginnen, doch het kind dan voedsel te geven, als het
+door geschrei kenbaar maakt, dat het honger heeft. In de eerste dagen
+na de geboorte kan dat betrekkelijk veelvuldig voorkomen, omdat de
+borst nog weinig zog afscheidt, en toch behoeft het niet veelvuldig te
+zijn, omdat het kind nog weinig voedsel noodig heeft. Het komt er nu
+vooral op aan, dat de moeder haren jonggeborene bestudeert, opdat zij
+allengs wete of het geschrei eene uiting is van honger, dan wel van
+onbehagen of iets anders. In den beginne zal het kind misschien
+dikwijls voedsel verlangen en moet het dan ook, mijns inziens, aan de
+borst gelegd worden. Naarmate de borst meer zog levert, worden de
+hoeveelheden, die het goed zuigende kind tot zich neemt, grooter en zal
+het langer duren, voor het zich weder aanmeldt. De goede gang is wel
+deze, dat het voldoend gevoede kind na den maaltijd inslaapt en niet
+ontwaakt, voor de behoefte aan voedsel zich opnieuw doet gevoelen. Hoe
+grooter de hoeveelheid voedsel, die het tot zich nam, geweest is, hoe
+langer de slaap duren zal. Uit dien slaap ontwaakt, zal het kind met
+flinken honger gretig de borst nemen, de borst goed leeg drinken en
+opnieuw een gerusten slaap genieten.
+
+Op die wijze zal ieder kind, in den aanvang allicht wat onregelmatig,
+vrij spoedig eene betrekkelijke regelmaat in zijne behoefte aan voedsel
+openbaren, welke het best voldoet aan de eischen door en voor zijne
+ontwikkeling gesteld. Sommige kinderen bereiken reeds zeer spoedig eene
+groote regelmatigheid.
+
+De ervaring leert, dat de meeste kinderen tusschen de maaltijden eene
+tijdsruimte nemen, welke schommelt tusschen drie en vier uren, soms
+zelfs grooter, en dat het aantal maaltijden, in de vier en twintig uren
+genomen, schommelt tusschen acht, in den aanvang, en vier, vijf of zes,
+later. Er zijn er echter, die van den beginne af niet vaker dan vier-
+of vijfmaal zich aanmelden. Daarin vertoont ieder kind een zekere
+eigenaardigheid of individualiteit, en het is, naar mijne overtuiging,
+van het grootste belang voor zijne gezondheid, hiermede rekening te
+houden. [4]
+
+Eerst indien na eenigen tijd, die nu eens kort, dan vrij lang is, de
+betrekkelijke regelmaat door de moeder is waargenomen, kan zij er, zoo
+noodig, toe overgaan om, rekening houdende met de regelmaat door het
+kind aangegeven, deze in overeenstemming te brengen met de orde en
+regelmaat, welke in hare huishouding noodig is.
+
+In aansluiting hiermede moet de vraag besproken worden, of een
+zuigeling in den nacht al dan niet gevoed moet worden. Ook daaromtrent
+bestaat verschil van opvatting. De mijne is deze, dat een kind, dat in
+den nacht honger heeft, wèl gevoed moet worden. Hoe aangenaam het voor
+de moeder en de huisgenooten ook zijn moge, dat de zuigeling den
+geheelen nacht slaapt, zoo leert toch de ervaring, dat het slechts eene
+hooge uitzondering is, dat dit van den beginne af het geval is. In het
+meerendeel der gevallen wordt ook de gezonde zuigeling ’s nachts
+wakker, omdat hij behoefte heeft aan voedsel, en het niet voldoen aan
+dezen natuurlijken drang leidt geregeld tot verstoring van de rust der
+moeder, die misschien den raad gekregen heeft het kind maar te laten
+schreeuwen, omdat het vroeg leeren moet den geheelen nacht te slapen.
+
+Waarom moeten jonge ouders den pasgeborene maar erbarmelijk laten
+schreeuwen, zelfs als zij daarvan ontdaan raken? Het is mij vaak genoeg
+voorgekomen, dat—op gezag der verpleegster, steunende op hetgeen haar
+onderwezen scheen te zijn geworden—de jonge ouders dit voorschrift in
+toepassing hadden gebracht, met het gevolg, dat ’s morgens het kind,
+afgemat door het schreeuwen, sliep; dat de jonge moeder, inderdaad
+geheel ontdaan, geen oogenblik geslapen had, want welke moeder, die
+reeds maanden lang geleefd heeft in blijde verwachting van „het groote
+oogenblik, waarop het kleine menschje voor het eerst in den arm en aan
+de borst zijner moeder gelegd wordt”, zou niet ontdaan raken, als zij
+dat kleine menschje geen voedsel mag geven, ofschoon moeder natuur
+werkelijk wel weet wat zij doet, als zij het kind door geschrei om
+voedsel laat vragen?; dat de vader besloot—„als dat zóó moet doorgaan”
+zegt hij—den nacht zoover mogelijk van de kraamkamer verwijderd door te
+brengen, omdat hij overdag zijnen arbeid moet verrichten; dat de
+verpleegster ook al geen rust had gehad, omdat zij in den nacht telkens
+de verzekering moest geven, dat het kind maar dadelijk moest leeren,
+dat het ouderlijk gezag gehandhaafd moet worden.
+
+En welk voordeel was daaraan verbonden? [5]
+
+Het voordeel, aan eene dergelijke regeling of zoogenaamde opvoeding
+verbonden, is mij nooit gebleken. Indien het kind in den nacht gevoed
+wordt, d.w.z. zijn buik vol krijgt, zal het weder gerust gaan slapen en
+de moeder eveneens. Die rust zal beiden meer goed doen dan de onrust
+welke, vaak nachten achtereen, moeder, kind en huisgenooten zenuwachtig
+maakt. En is het niet dwaas, aan den eenen kant voor te schrijven het
+kind te vrijwaren voor onnoodige prikkeling van zijn nog niet ten volle
+ontwikkeld zenuwstelsel, door het te behoeden voor sterk inwerkende
+geluiden en andere schadelijke invloeden, en aan den anderen kant dat
+zenuwstelsel overmatig te prikkelen, door het ten prooi te laten aan
+urenlang durende huilbuien? Volgens mij moet het kind dus ook in den
+nacht gevoed worden.
+
+Naarmate het kind ouder wordt, zullen ook de tijdsruimten tusschen
+zijne maaltijden vrijwel gelijk van duur worden. Voor de tijdsruimte
+tusschen den laatsten avond- en den eersten morgenmaaltijd geldt, dat
+het kind dikwijls al heel spoedig den geheelen nacht doorslaapt. Zoo
+wordt op natuurlijker wijze aan het verlangen, ’s nachts niet te
+voeden, voldaan, dan door een stelsel van dwang, dat vaak genoeg niet
+tot het beoogde doel leidt en den zuigeling zenuwachtig maakt.
+
+Als het bij uitzondering al te lang mocht duren, voor het kind den
+nacht blijft doorslapen, zal de moeder er vanzelve toe besluiten om
+daarin den gewenschten regel te brengen. Zij bedenke evenwel, dat het
+kind onrustig zijn kan, omdat de luier nat is. Het kind kan dan weder
+inslapen, maar het kan ook gebeuren, dat het onrustig blijft en het zal
+eerst dan weder rustig worden en den slaap voortzetten, als het
+verdroogd is. Hieruit blijkt, dat het niet in alle gevallen, niet
+altijd, noodig is, het kind, als het schreit, de borst te geven. Werd
+dat in den beginne wel gedaan, dan moet de moeder het nu nalaten, doch
+het kind verdrogen en weder in zijn bedje leggen. Misschien zal het
+niet dadelijk den slaap vatten, omdat het—gewoon geworden aan het
+voeden—weder begint te schreien, doch nu geldt het niet aan dat
+verlangen te voldoen. Het kind zal zich vermoedelijk niet dadelijk in
+de nieuwe regeling schikken, doch indien volgehouden wordt, begrijpt
+het ten slotte wel, dat het zijn zin niet krijgt en dan is het pleit
+voor de moeder gewonnen.
+
+Voor iederen maaltijd moet het kind verdroogd worden. Men zal dikwijls
+bespeuren, dat het kind gedurende het zuigen de luier weder nat maakt,
+maar dan behoeft men de luier niet te verwisselen als het kind, na de
+borst genomen te hebben, slaapt. Dan zou het weder wakker kunnen worden
+en allicht niet gemakkelijk den slaap weder vatten. Men make alleen
+eene uitzondering wanneer het kind gesmette billen heeft; de natte
+luier zou dan den toestand verergeren, niet omdat de urine van een
+gezond kind scherp is, zooals de moeders vaak meenen, en die scherpe
+urine de billen stuk maakt, maar omdat de urine scherp wordt, als men
+het kind lang in de natte luier laat liggen.
+
+In de eerste dagen na de geboorte kan het aanbeveling verdienen het
+kind bij iederen maaltijd beide borsten te geven, omdat er nog geen
+voldoende hoeveelheid zog wordt afgescheiden. Als die hoeveelheid
+toeneemt, zal het kind allengs uit één borst genoeg zog drinken. Men
+geve dan om beurten de rechter en de linker borst. Mocht de hoeveelheid
+zog, uit één borst verkregen, ook de volgende dagen nog ontoereikend
+blijven, dan zal het altijd beter zijn beide borsten na elkander te
+geven, dan één borst en daarna, als bijvoeding, een fleschje. Waarom
+toch zou men kunstvoedsel geven, als het kind, door beide borsten leeg
+te drinken, het natuurlijke voedsel in voldoende hoeveelheid krijgen
+kan?
+
+Somtijds geeft de borst veel meer zog, dan het kind verorberen kan. Dat
+kan reeds in den aanvang het geval zijn, zoolang de zuigeling nog zeer
+weinig drinkt, doch dat komt vanzelf terecht, als het kind meer gaat
+drinken. Maakt de borst meer zog dan het kind nemen kan, dan zal er zog
+in de borst achterblijven. De borst is dan na het zuigen nog of spoedig
+daarna weder gespannen; er zijn duidelijk harde plekken in de borst te
+voelen; zij is pijnlijk, vooral bij betasting; er is geen koorts. Men
+spreekt dan van zogstuwing. In de meeste gevallen is het voldoende de
+borst goed op te binden, in een warm-waterverband, om dit ongemak te
+doen verdwijnen. Daarbij is het goed de voeding van de kraamvrouw, maar
+vooral het drinken, tijdelijk te beperken en de ontlasting te
+bevorderen, b.v. door toediening van bitterwater, ’s morgens een glas
+op de nuchtere maag. Er wordt wel eens aangeraden om de met olie
+ingevette borst voorzichtig te masseeren, doch daarbij moet op het
+woord „voorzichtig” zeer sterk de nadruk gelegd worden, omdat het mij
+voorkomt, dat met massage het gevaar voor ontstaan van eene „zweerende
+borst” stijgt.
+
+Zogstuwing kan ook bij niet te overvloedige vorming van zog optreden,
+indien het kind niet met voldoende kracht zuigt. Ja, in de meeste
+gevallen is daarin de oorzaak gelegen, b.v. in de eerste dagen, als het
+kind nog slaperig is, wat vooral bij geelzucht, maar ook bij te vroeg
+geboren en zieke kinderen voorkomt. Indien een kind slecht zuigt, kan
+het dus noodig zijn het door den geneesheer te laten onderzoeken.
+
+Wordt de zogstuwing niet opgeheven, dan gaat de zogafscheiding
+achteruit. Men moet dus de zogstuwing trachten te voorkomen, wat
+gebeuren kan door, als het kind de borst niet leeg zuigt, haar met de
+zogpomp te ledigen of door een ander, gezond, kind te laten ledig
+zuigen. Dit laatste stuit begrijpelijkerwijze nog wel eens op bezwaren.
+
+Ook kan men ertoe besluiten om het kind, als het te lang mocht slapen
+en de moeder last krijgt van te sterk gespannen borsten, wakker te
+maken en aan te leggen, doch gewoonlijk zal dat niet noodig zijn,
+omdat—gelijk gezegd—het kind zich na 3½ of 4 uur aanmeldt.
+
+Als de borst weinig zog levert, kan het eveneens noodig zijn om haar,
+door zuigen, tot vorming van meer zog aan te zetten, en wel door het
+kind iets vroeger dan den genoemden tijd op te nemen en tot zuigen te
+verleiden, maar ook dit wordt gewoonlijk door de natuur zelve reeds
+gedaan, daar het kind uit eene weinig zog leverende borst ook te weinig
+voedsel krijgt, om zoo lang te slapen. Indien de door mij gegeven raad,
+in den beginne aan het kind over te laten het oogenblik voor zijnen
+maaltijd te bepalen, gevolgd wordt, zal het slechts uiterst zelden
+noodig blijken tot dergelijke maatregelen over te gaan.
+
+Zeer zeker acht ook ik het noodig, om het kind aan regelmaat in het
+nemen zijner maaltijden aan de borst te gewennen, doch naar mijne
+overtuiging begint men daarmede gewoonlijk te vroeg en met toepassing
+van eenen maar al te vaak eenzijdig gestelden regel, en ligt hierin een
+der oorzaken voor het optreden van stoornissen in voeding en
+spijsvertering.
+
+Het lijkt mij niet aan te bevelen om een kind, dat rustig en vast
+slaapt, wakker te maken omdat het voorgeschreven tijdstip voor zijn
+maaltijd is aangebroken. Als het waar is, dat voor het kind de slaap
+een nog grooter physiologische, d.w.z. voor het gunstig verloop der
+levensverrichtingen noodzakelijke, behoefte is dan voor den volwassene,
+dan is het ook waar, dat het verstoren van dien slaap eene stoornis in
+den gang der physiologische verrichtingen beteekent. Buitendien is het
+een bekend feit, dat een kind dat nog gerust slaapt, dus blijkbaar nog
+geen behoefte aan voedsel heeft, als het uit de wieg genomen en aan de
+borst gelegd wordt, òf niet zuigen wil òf slechts met behulp van
+allerlei hem onaangename middelen, zooals het bestrijken van zijn
+gelaat met een spons met koud water, heen en weder drukken van het
+gelaat over den tepel, tikken tegen de wangen, ertoe gebracht kan
+worden betrekkelijk slecht te zuigen, omdat de eetlust ontbreekt. Het
+gevolg moet wel zijn, dat het te weinig neemt en dus binnen den
+voorgeschreven tijd om zijn maaltijd komt, waaraan dan, volgens het
+voorschrift, niet mag worden toegegeven, omdat het wachten moet „tot
+het zijn tijd is”. Ligt het niet voor de hand, dat op die wijze het
+kind in de war gebracht wordt? En omgekeerd. Het kind zal binnen den
+voorgeschreven tijd wakker worden en om eten vragen. Het voorschrift
+luidt, dat het maar huilen moet gedurende de spanne tijds, welke hem
+nog rest tot zijn tijd gekomen is. En is die tijd aangebroken, dan
+zuigt het kind, in de war gebracht door het vergeefsche schreien,
+minder gretig, vult wederom zijn buikje onvoldoende, met hetzelfde
+gevolg: al weder te vroeg komen voor zijn, volgens voorschrift,
+vastgestelden maaltijd. [6]
+
+Ofschoon niet zoo menigvuldig als men beweert, kan het toch gebeuren—en
+dat is meestal het geval bij haar die voor het eerst moeder geworden
+is—dat de borsten in den beginne te weinig zog vormen. In de eerste
+dagen blijven de borsten dan tamelijk slap en week en zijn er met
+moeite eenige druppels zog uit te drukken. Dan moet de moeder niet
+dadelijk besluiten, om het kind voor goed van de borst te nemen, doch
+volhouden, omdat gewoonlijk na eenige dagen, vaak plotseling,
+verbetering optreedt. Dit kan wel zes of acht dagen duren. Gedurende
+zoo langen tijd kan het kind niet zonder voedsel blijven. Dan geve men
+het, nadat het eerst aan de borst gezogen heeft, een fleschje, waarin
+een mengsel van één deel melk en twee deelen water, b.v. 30–50 gram,
+zoo dikwijls dat noodig blijken mocht. Beginnen de borsten zog te
+leveren, dan geve men het kind liever beide borsten, namelijk eerst de
+eene en dadelijk daarna de andere, om bij den volgenden maaltijd met de
+laatst gegeven borst te beginnen voordat men de tweede geeft, en zoo
+vervolgens, dan dat men één borst en daarna een fleschje, als
+bijvoeding, geeft.
+
+Of de hoeveelheid zog volstrekt onvoldoende is, zal gewoonlijk niet
+binnen de eerste twee weken zijn vast te stellen. Mocht het ’t geval
+zijn, dan zal het noodig blijken bij de borstvoeding één of meer
+fleschjes, als bijvoeding, te geven. (Zie: Gemengde voeding).
+
+Het komt echter veeltijds, meer dan men over ’t algemeen denkt, nog wel
+terecht, d.w.z. dat het blijkt, dat de twijfel te vroeg was opgekomen.
+Te geringe afscheiding van zog is immers dikwijls te wijten aan niet
+voldoende prikkeling of aan onvoldoende ontlediging van de borst, door
+slecht zuigen van het kind.
+
+Bij onvoldoende vorming van zog voelen de borsten slap aan; zij zijn
+ook onmiddellijk voor het zuigen niet flink gespannen en na het zuigen
+is er geen straaltje zog uit te drukken. Dit laatste geldt echter niet
+in alle gevallen.
+
+Zoolang een kind bij borstvoeding alle teekenen van gezondheid
+vertoont, moet het aan de borst blijven. Het vindt daar alles wat het
+noodig heeft.
+
+Hoe kan een moeder weten of haar kind gezond is en aan de borst gedijt?
+
+In het algemeen kan men het volgende opmerken. De houding van den
+gezonden zuigeling, als hij in zijn bedje ligt, is, vooral gedurende
+den slaap, eene zeer kenmerkende. Hij ligt op den rug of op zijde,
+houdt de armen, in het elleboogsgewricht gebogen, omhoog, de handjes
+ter weerszijden van het hoofd; de beenen zijn tegen den buik
+opgetrokken. Hij slaapt, vooral gedurende de eerste maanden van zijn
+leven, dadelijk na den maaltijd in. De slaap is rustig en diep, zoodat
+die nauwelijks door sterke, van buiten af werkende, prikkels gestoord
+wordt. De oogleden zijn meestal vast gesloten. Het kind slaapt, vooral
+in den eersten tijd van zijn leven, bijna voortdurend, behalve
+gedurende den maaltijd. Somtijds schreit hij wel eens, zonder dat men
+daarvoor een oorzaak kan vinden. Men spreekt dan van zijn gewone
+huiluurtje. Intusschen kan de oorzaak daarvan wel eens gelegen zijn in
+de omstandigheid, dat het kind door huisgenooten of anderen, die het
+„dotje” wel eens even in handen willen hebben of er mede willen spelen,
+met te veel belangstelling vervolgd wordt. Het gevolg is dan
+gewoonlijk, dat het kind op den duur wil beziggehouden worden of in
+handen zijn, hetgeen niet bevorderlijk is aan zijn rust en zijne
+gezondheid. Naarmate het kind ouder wordt, zal het nu en dan wakker
+liggen en langzamerhand meer aandacht aan zijne omgeving wijden. Dan
+zal de moeder zich ook meer met haar kleine mogen bezighouden, waarbij
+zij telkens weder bedenken moet, dat ook in dat opzicht alle overdaad
+schaadt. Als moeder en kind om zoo te zeggen samen opgroeien, ontstaat
+vanzelve de ware harmonie, welke voor het kind het voordeeligst is.
+
+De gezonde zuigeling heeft eene mooie frissche huidkleur, lichtrood,
+vooral in het gelaat, licht rose aan het oor, bij doorschijnend licht,
+en aan de voetzolen, of gemarmerd. In den slaap is de kleur gewoonlijk
+bleeker. De huid is glad, gaaf, een weinig vochtig en aangenaam warm
+als het kind niet te lang bloot ligt. Zij kan niet gemakkelijk in eene
+plooi, die onmiddellijk weder verdwijnt, opgelicht worden.
+
+De gezonde zuigeling zweet, tenzij hij overdreven warm gekleed of in
+het bedje te warm gedekt is of op andere wijze te warm gehouden wordt,
+niet, behalve bij hevig schreien.
+
+De slijmvliezen zijn bleeker van kleur dan bij volwassenen, de tong
+fletsrood en vochtig.
+
+De spieren (het vleesch) maken bij betasting den indruk van vast en
+stevig en tevens veerkrachtig te zijn.
+
+De buik is slank en ligt vrijwel in hetzelfde vlak als de borstkas of
+iets hooger, de grens tusschen deze beiden is niet duidelijk, de
+flanken zijn niet uitgezet. De buikwand is min of meer gespannen en
+moeilijk in te drukken.
+
+De ademhaling is over ’t algemeen oppervlakkig, nauwelijks te hooren en
+ook in rustigen slaap van gezonde kinderen, ten minste gedurende de
+eerste weken, niet steeds gelijkmatig, daar diepe ademhalingen met
+oppervlakkige afwisselen en elkander niet steeds regelmatig opvolgen.
+De ademhalingsbewegingen van de borstkas zijn, in vergelijking met die
+van den buik, gering. Het aantal ademhalingen is grooter dan op lateren
+leeftijd en bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 35 in de minuut. Men
+telt die het gemakkelijkst als het kind slaapt.
+
+Dit laatste geldt ook voor het tellen van het aantal polsslagen, dat
+ongeveer 120 in de minuut bedraagt.
+
+De temperatuur, ’s morgens en ’s avonds in den endeldarm opgenomen,
+schommelt om 37° Celsius en is zelden hooger dan 37°.2. Zij wisselt
+echter gemakkelijk onder verschillende omstandigheden.
+
+Het gezonde kind neemt met graagte, zelfs met gulzigheid, de borst.
+
+Gewoonlijk wordt de ontlasting van den gezonden zuigeling, welke van
+den vierden of vijfden dag als de „normale” beschouwd wordt, beschreven
+als eene vrij dikke zalfachtige of brijachtige, goudgeel of oranjegeel
+gekleurde stof, gelijkmatig, niet kleverig week, welke in den beginne
+drie- tot zesmaal, met toenemenden leeftijd afnemend tot één- of
+tweemaal, in de vier en twintig uur geloosd wordt. Zij wordt, aan de
+lucht blootgesteld, betrekkelijk spoedig groen van kleur. Kenmerkend is
+eene min of meer zoet-zuurachtige, niet onaangename geur. Bij
+regelmatige spijsvertering komt de ontlasting vrij geregeld en tamelijk
+snel te voorschijn.
+
+In de laatste jaren wordt er, in verschillende geschriften, op gewezen,
+dat de „normale” ontlasting ook bij gezonde, goed gedijende,
+borstkinderen volstrekt niet zoo algemeen wordt waargenomen; dat zij
+vaak niet gelijkmatig is, doch in de geelachtige stof talrijke witte
+vlokjes of brokjes en, in de eerste weken bijna regelmatig, taaie
+slijmstolseltjes bevat; dat zij ook, in de eerste twee of vier weken,
+dunner en waterachtiger is met stukjes, zelfs geelachtig groen,
+slijmachtig met weinig vaste stof; dat zij, aan de lucht blootgesteld,
+snel grasgroen van kleur wordt, en dat zulke ontlasting somtijds na
+iederen maaltijd geloosd wordt, zonder dat er eenige stoornis bestaat
+of is aan te toonen, zoodat men niet zou vermoeden, dat zij van een
+borstkind afkomstig is. Deze ontlasting gaat gewoonlijk vanzelf over in
+de meer normale.
+
+Zulke luiers ziet men o.a. bij kinderen van „zenuwachtige” ouders. Men
+denke dan niet dadelijk dat het zog niet deugt. Het vetgehalte van het
+zog kan b.v. hierbij eene groote rol spelen. Melk welke weinig vet
+bevat, geeft dunnere ontlasting dan die, welke veel vet bevat. Ook kan
+zulke ontlasting tijdelijk optreden bij sommige stoornissen van de
+zijde der moeder, b.v. eenige dagen voor en gedurende de menstruatie of
+wanneer zij koorts heeft. Indien dit niet te lang duurt, is het
+gewoonlijk niet noodig daartegen maatregelen te nemen.
+
+De belangrijkheid van de luiers wordt inderdaad vaak sterk overdreven.
+Ofschoon ik, indien de zuigeling volgens mijne bovengenoemde opvatting
+gevoed werd, bijna zonder uitzondering de als „normaal” beschreven
+ontlasting heb waargenomen, is het niet te ontkennen, dat sommige
+kinderen gedurende hunnen geheelen zuigelingentijd niet die „normale”
+ontlasting te zien geven. Ik heb kinderen gekend, die uitstekend
+groeiden—en nu reeds volwassen zijn—en als zuigeling nooit eene „goede”
+luier vertoonden. Men moet dus niet al te groote waarde hechten aan
+eenigszins afwijkende tint der luiers of aan van het „normale”
+afwijkende samenstelling der ontlasting, doch vóór alles zijn oordeel
+afhankelijk stellen van den algemeenen toestand van het kind en van
+zijn geheele wijze van doen. Als het kind behoorlijk groeit, niet al te
+onrustig is en er goed uitziet, behoeft men zich over eene groenachtige
+licht-slijmerige ontlasting niet dadelijk te verontrusten.
+
+Ook het omgekeerde komt bij den zuigeling vaak voor, namelijk dat de
+ontlasting langer dan vier en twintig uren wegblijft. Zij is dan taai
+en iets donkerder van kleur, soms grijsgrauw en droog. Eerst als die
+verstopping twee of drie dagen aanhoudt, kan het noodig zijn daaraan te
+gemoet te komen, door het kind een lavementje, b.v. van lauwwarme
+olijfolie of van lauw water, of een zeeppilletje te zetten. De met die
+verstopping vaak gepaard gaande buikpijn wordt door een vochtigwarmen
+omslag, een Priessnitz-verband, om den buik—een heerlijk rustgevend
+middel—gemakkelijk bestreden.
+
+Men kan dus, heel in ’t algemeen, zeggen, dat bij uitsluitende voeding
+aan de borst aantal en voorkomen van de ontlasting, zoolang het kind
+goed gedijt, tamelijk onverschillig is.
+
+De urine wordt in de eerste dagen in geringe hoeveelheid geloosd;
+daarna neemt zij belangrijk toe. De urine van het gezonde kind is licht
+van kleur, helder en stinkt niet. Daar de urine-loozing dikwijls plaats
+vindt, van tien- tot vijftien malen daags, moet men het kind ook
+dikwijls verdrogen. Dat is het beste middel om het smetten en het
+ontstaan van open billen te voorkomen en het kind rustig te houden. De
+meeste kinderen schreien als zij nat zijn. Het reinigen behoort te
+geschieden met een spons, of zuivere verbandwatten, en lauwwarm water.
+Daarna wordt bettend afgedroogd, en gepoederd. Hoeveel malen het
+verdrogen noodig zijn zal, is niet aan te geven.
+
+Het is onnoodig een gezond, goed gedijend, kind dagelijks of wekelijks
+te wegen. Zooals wij zagen, is in den regel wel te zien of het kind
+gedijt. Zoolang de zuigeling eene frissche kleur heeft, het gelaat en
+vooral dijen en billen goed gevuld zijn en eene goede ronding
+vertoonen, het vleesch bij betasting gespannen aanvoelt, de huid vrij
+van vlekken of smetten, de slaap ongestoord, de eetlust goed, de
+spijsvertering in orde is, zoolang hij rustig en tevreden bij het
+drinken is en, als hij wakker ligt, in eene tevreden stemming verkeert,
+beweeglijk is, levendige heldere oogen heeft, kortom geen
+verschijnselen van eenigerlei onrust of ziekte vertoont, kan men
+tevreden zijn.
+
+Intusschen is het toch, met het oog op mogelijke afwijkingen, gewenscht
+omtrent het lichaamsgewicht en het toenemen daarvan eenige
+bijzonderheden mede te deelen.
+
+In het meerendeel der gevallen, laat ons maar zeggen bijna zonder
+uitzondering, neemt het lichaamsgewicht gedurende de eerste drie of
+vier dagen, somtijds zelfs tot den achtsten dag, na de geboorte af. Dat
+verlies kan 200 tot 300 grammen, ook nog wel meer, bedragen; bij dikke
+kinderen vaak meer dan bij magere. Daarna neemt het gewicht weder toe
+en als dan eenmaal het oorspronkelijke gewicht bereikt is, hetgeen niet
+altijd op den tienden dag, doch ook nog wel later, b.v. na veertien tot
+twintig dagen, bij enkele kinderen nog later, het geval kan zijn, volgt
+een dagelijks toenemen.
+
+Tot en met de vierde maand nemen borstkinderen meer in gewicht toe, dan
+kunstmatig gevoede, daarna gaan zij vrijwel gelijk op, totdat na de
+achtste maand vaak de borstkinderen achterstaan bij de kunstmatig
+gevoede. Meestal wordt de zuigeling tegenwoordig wekelijks gewogen, en
+dan gaat de jonge moeder, aan de hand van een boekje, na, of haar kind
+voldoende in gewicht is toegenomen. Zij vergelijkt daartoe het door
+haar verkregen cijfer met een cijfer in het boekje, met het gevolg, dat
+de verstandige moeder niet op een verschil van eenige grammen let; dat
+de al te bezorgde moeder ongerust wordt zoodra het gewicht van haar
+kleine beneden het gewicht, in het boekje aangegeven, blijft en daaruit
+besluit, dat haar kind niet goed groeit; maar ook ongerust is, als het
+er boven uit gaat, omdat zij meent dat het te veel toeneemt. Dit
+laatste bezorgt haar, gelukkig, niet zoo vaak en zoo groote angst. Om
+haar eenigermate gerust te stellen, geeft ik hier eenige cijfers,
+zooals ik die in verschillende boekjes vond. (Zie bladz. 151).
+
+Men ziet hieruit, dat men zich niet te veel aan de cijfers moet
+vastklemmen. Het komt mij voor, dat ik aan de vermoedelijk opkomende
+vraag: „Waaraan moet ik mij nu eigenlijk houden?” het best tegemoet
+kom, door het volgende.
+
+Uit de hiernaast staande cijfers van 15 schrijvers het gemiddelde
+berekend, kom ik, voor de
+
+
+ 1e 2e 3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e 10e 11e 12e maand,
+ tot 195 187 175 144 124 108 99 97 95 75 73 71 gr.
+
+
+ongeveer, welke een kind, aan de borst gevoed, per week toeneemt.
+
+Mij dunkt dat de moeder gerust kan zijn, indien het gewicht, door haar
+bij het wegen der kleine gevonden, om deze cijfers schommelt.
+
+Er blijkt wel uit, dat het gewicht gedurende de eerste maanden van het
+leven sterker toeneemt dan later. Hierbij dient opgemerkt dat ook bij
+gezonde kinderen, zonder dat bepaald stoornissen zijn aan te toonen,
+belangrijke verschillen kunnen voorkomen, en dat toch ten slotte het
+gewicht aan het einde van het eerste levensjaar ongeveer voor allen
+gelijk is. Het gewicht van den zuigeling is dan ook niet het eenige,
+waarmede men rekening heeft te houden bij de beoordeeling van de
+ontwikkeling en de gezondheid van het kind. Sommige kinderen nemen snel
+in gewicht toe, doch zien er bleek uit, hebben een slappe huid, weinig
+uitdrukking in de oogen en blijven slap; andere nemen langzamer in
+gewicht toe, doch gedijen overigens goed en hebben eene uitstekende
+gezondheid.
+
+De getallen zijn door mij berekend in grammen per week.
+
+Volgens de aangehaalde schrijvers zou het gezonde kind gemiddeld per
+week aan gewicht toenemen:
+
+=========================================================================================================================
+ in de | 1e | 2e | 3e | 4e | 5e | 6e | 7e | 8e | 9e | 10e | 11e | 12e | maand.
+---------------------+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+-----+---------------------------
+Biedert (1914) | 217 | 224 | 175 | 175 | 133 | 119 | 119 | 98 | 119 | 49 | 91 | 91 | gr. (Corn. de Lange).
+Kouwer (1911) | 187 | 187 | 187 | 187 | 125 | 125 | 125 | 125 | 125 | 62 | 62 | 62 | ,,
+Bouchaud | 175 | 161 | 154 | 140 | 126 | 119 | 105 | 91 | 84 | 70 | 56 | 56 | ,, }
+Fleischmann | 245 | 214 | 196 | 154 | 126 | 91 | 84 | 70 | 70 | 63 | 56 | 42 | ,, } (Lassablière 1913).
+Peterson | 245 | 203 | 175 | 112 | 105 | 77 | 70 | 84 | 84 | 98 | 56 | 63 | ,, }
+Variot | 161 | 161 | 161 | 161 | 161 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | 84 | ,, }
+Auvard (1917) | 175 | 175 | 175 | 140 | 140 | 140 | 105 | 105 | 105 | 70 | 70 | 70 | ,,
+Donnadieu (1916) | 175 | 161 | 161 | 161 | 140 | 140 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | ,,
+Nobécourt (1914) | 175 | 175 | 175 | 168 | 140 | 126 | 112 | 91 | 84 | 70 | 70 | 56 | ,,
+Engel en Baum (1913) | 203 | 196 | 182 | 168 | 140 | 119 | 105 | 105 | 98 | 49 | 105 | 105 | ,,
+Camerer en Fehr | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (Langstein-Meyer 1914).
+Czerny | 203 | 189 | 168 | 112 | 105 | 77 | 91 | 91 | 84 | 91 | 63 | 77 | ,, (E. Gorter 1914).
+Tugendreich (1914) | 175 | 175 | 175 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 91 | 84 | 84 | 84 | ,,
+Meyer-Rüegg (1915) | 175 | 190 | 170 | 160 | 130 | 110 | 100 | 125 | 145 | 100 | 99 | 99 | ,,
+Bendix (1916) | 210 | 210 | 210 | 126 | 126 | 126 | 84 | 84 | 84 | 56 | 56 | 56 | ,,
+=========================================================================================================================
+
+
+Het beste bewijs van goed gedijen is een regelmatig toenemen van het
+lichaamsgewicht, ook al gaat het in den beginne langzaam. Toch mag men,
+in ’t algemeen, met een, zij het dan ook regelmatig, toenemen in
+gewicht van 100 grammen per week, gedurende de eerste maanden, niet
+heelemaal tevreden zijn.
+
+Om ongeveer te berekenen of het gewicht overeenkomt met het normale
+gewicht, dat is het gewicht dat men als normaal voor den zuigeling op
+een bepaalden tijd, zeg in eene bepaalde maand, aanneemt,
+vermenigvuldige men het ranggetal van de levensmaand in het eerste
+halfjaar met 600, in het tweede halfjaar met 500 en telle het gewicht,
+bij de geboorte waargenomen, daarbij op.
+
+In de 6e levensmaand zal dus een kind, dat bij de geboorte 3000 grammen
+woog, ongeveer moeten wegen 6 × 600 + 3000 = 6600 grammen; aan het
+einde van het eerste levensjaar 12 × 500 + 3000 = 9000 grammen. Dit
+komt overeen met het ervaringsfeit, dat na het eerste halfjaar het
+gewicht bij de geboorte gevonden verdubbeld is, aan het einde van het
+eerste jaar driemaal zooveel bedraagt.
+
+Om het juiste gewicht te verkrijgen, moet men het kind steeds in
+dezelfde omstandigheden en op hetzelfde tijdstip van den dag wegen.
+
+Ook voor de hoeveelheid zog, welke een zuigeling geacht wordt noodig te
+hebben voor groei en ontwikkeling, heeft men getracht cijfers te geven,
+welke dan de hoeveelheid aangeven, waarboven hij niet gaan en waaronder
+hij, in het algemeen, niet blijven mag.
+
+De hoeveelheid zog, welke bij iederen maaltijd genomen wordt, kan
+belangrijk verschillen. Zij hangt o.a. af van de hoeveelheid zog door
+de borst geleverd, van den toestand der tepels, van de kracht waarmede
+het kind zuigt en van zijne behoefte aan voedsel.
+
+In de laatste jaren wordt van vele zijden beweerd, dat elke moeder, die
+dat wil, haar kind kan zoogen. Ongetwijfeld ware het te wenschen, dat
+deze bewering juist was en zeker is het, dat veel meer moeders, indien
+zij slechts wilden, althans geruimen tijd hare kinderen het natuurlijke
+voedsel zouden kunnen geven, doch de ervaring leert, dat ook in dit
+opzicht de natuur niet volmaakt is. Dat is jammer genoeg, maar men mag
+de feiten niet wegdoezelen terwille van welke theorie ook. Ieder
+geneesheer zal kunnen verhalen van moeders, die met de grootste
+opoffering tevergeefs trachtten haar kind het natuurlijke
+voedingsmiddel te geven. Blijkt aan den eenen kant, dat somtijds met te
+weinig volharding de borstvoeding beproefd wordt, aan den anderen kant
+is het buiten kijf, dat in vele gevallen de poging te lang wordt
+voortgezet. Dit neemt evenwel niet weg, dat iedere moeder beginnen moet
+met die poging en haar alleen noodgedwongen zal mogen opgeven. Ook als
+het kind slechts eenige weken of maanden de moedermelk, zij het ten
+deele, kan verkrijgen, zal het daarvan niet te miskennen voordeelen
+genieten.
+
+In het algemeen kan men zeggen, dat de zuigeling eene bepaalde
+hoeveelheid voedsel en dus bij borstvoeding eene bepaalde hoeveelheid
+zog voor zijne ontwikkeling noodig heeft. Hoe groot die hoeveelheid
+zijn moet, hangt voornamelijk af van de gesteldheid van het kind, en
+daarom zal men ook slechts zeer in het algemeen cijfers kunnen
+aangeven, welke niet meer dan eene betrekkelijke waarde hebben.
+
+De hoeveelheid per maaltijd genomen heeft geen waarde, omdat die,
+zooals reeds gezegd, belangrijk verschillen kan. Daarom is het beter de
+hoeveelheid te becijferen, welke voor een tijdvak van 24 uren als
+gemiddelde kan gesteld worden. Die hoeveelheid heeft men berekend, door
+een groot aantal borstkinderen telkens voor en na den maaltijd te wegen
+en de getallen, op die wijze in 24 uren verkregen, bij elkander te
+tellen. Bij die wegingen is alweder gebleken, dat er vrij belangrijke
+verschillen bestaan, doch het groote aantal berekeningen heeft geleid
+tot het vinden van eenige gemiddelden, waaraan men ten minste eenig
+houvast heeft.
+
+Ik laat hier een paar opgaven volgen van hoeveelheden per maaltijd en
+in 24 uren gedronken door kinderen uit mijne praktijk, waarin de
+verschillen duidelijk uitkomen.
+
+
+
+H. L. jongen, 27 Augustus 1914 geboren op het einde van de 8e
+zwangerschapsmaand.
+
+27 en 28 Augustus nam het kind niets of zeer weinig.
+
+
+ Per maaltijd. | In 24 uren.
+ |
+29 Augustus 15, 10, 15, 15 gr. | 55 gr.
+30    ,,    15, 15, 15, 10, 15, 30, 35, 20 ,,  | 155 ,,
+31    ,,    35, 20, 20, 20, 20, 30, 15 ,,  | 160 ,,
+ 1 Sept. 25, 40, 25, 20, 30, 50, 60 ,,  | 250 ,,
+ 2  ,,   50, 45, 30, 40, 40, 65, 70 ,,  | 340 ,,
+ 3  ,,   60, 50, 50, 50, 50, 60, 60 ,,  | 380 ,,
+ 4  ,,   70, 60, 35, 70, 50, 80, 60 ,,  | 425 ,,
+ 5  ,,   75, 70, 60, 30, 60, 50 ,,  | 345 ,,
+ 6  ,,   60, 80, 60, 80, 80, 75 ,,  | 435 ,,
+ 7  ,,   70, 70, 70, 65, 90, 70 ,,  | 435 ,,
+ 8  ,,   80, 80, 90, 70, 70, 65 ,,  | 455 ,,
+ 9  ,,   60, 80, 65, 40, 100, 70 ,,  | 415 ,,
+10  ,,   70, 70, 90, 60, 90, 80 ,,  | 460 ,,
+11  ,,   80, 80, 90, 70, 70, 70 ,,  | 460 ,,
+12  ,,   40, 40, 60, 40, 40 ,,  | 220 } maag-
+13  ,,   60, 60, 40, 50, 45 ,,  | 255 } stoornis
+14  ,,   40, 50, 60, 30, 60 ,,  | 240 } bij de
+15  ,,   60, 60, 50, 60, 60 ,,  | 290 } moeder.
+16  ,,   30, 35, 90, 60, 60, 50 ,,  | 325 ,,
+17  ,,   90, 60, 65, 80, 90 ,,  | 385 ,,
+18  ,,   90, 80, 70, 70, 85, 90 ,,  | 485 ,,
+19  ,,   100, 80, 75, 70, 75, 90 ,,  | 490 ,,
+20  ,,   85, 110, 55, 90, 85, 95 ,,  | 520 ,,
+21  ,,   90, 80, 75, 100, 95, 95 ,,  | 535 ,,
+22  ,,   100, 105, 110, 50, 95, 70 ,,  | 530 ,,
+23  ,,   120, 85, 85, 70, 75 ,,  | 435 ,,
+24  ,,   125, 105, 70, 50, 65, 60 ,,  | 475 ,,
+25  ,,   70, 100, 70, 55, 55, 60 ,,  | 410 ,,
+26  ,,   70, 90, 90, 70, 80, 65, 75 ,,  | 540 ,,
+27  ,,   65, 90, 65, 65, 70, 90 ,,  | 455 ,,
+28  ,,   80, 70, 75, 70, 75, 70, 75 ,,  | 515 ,,
+29  ,,   95, 80, 80, 65, 75, 85 ,,  | 480 ,,
+30  ,,   110, 80, 90, 80, 95, 80 ,,  | 535 ,,
+
+
+
+Meisje, H. G., 13 Maart 1915 geboren op het einde van de 8e
+zwangerschapsmaand.
+
+Het kind begon eerst op 18 Maart te zuigen. Voor dien tijd kreeg het
+zog, uit de borst gekolfd, met een lepeltje.
+
+
+ Per maaltijd. | In 24 uren.
+ |
+18 Maart 25, 25, 20, 35, 40 gr. | 145 gr.
+19  ,,   25, 35, 40, 15, 45, 10, 20 ,,  | 190 ,,
+20  ,,   30, 35, 25, 25, 40, 40, 40 ,,  | 235 ,,
+21  ,,   50, 30, 50, 40, 50, 55 ,,  | 275 ,,
+22  ,,   60, 50, 40, 35, 40, 55 ,,  | 280 ,,
+23  ,,   60, 45, 55, 55, 55, 50 ,,  | 320 ,,
+24  ,,   55, 40, 65, 55, 40 ,,  | 255 ,,
+25  ,,   60, 65, 60, 55, 55 ,,  | 295 ,,
+26  ,,   40, 30, 35, 55, 30, 75 ,,  | 265 ,,
+27  ,,   60, 45, 60, 55, 20, 50 ,,  | 290 ,,
+28  ,,   65, 60, 70, 50, 60 ,,  | 305 ,,
+29  ,,   85, 65, 70, 60, 65, 75 ,,  | 420 ,,
+30  ,,   55, 65, 70, 70, 70 ,,  | 330 ,,
+31  ,,   80, 50, 60, 95, 75 ,,  | 360 ,,
+ 1 April 70, 60, 70, 50, 70, 85 ,,  | 405 ,,
+
+
+Meisje, S. E. K., geboren 16 Augustus 1915.
+
+
+ Per maaltijd. | In 24 uren.
+ |
+18 Augustus 25, 25, 25 gr. | 75 gr.
+19    ,,    60, 60, 50, 45 ,,  | 215 ,,
+20    ,,    55, 60, 50, 95, 80, 100 ,,  | 440 ,,
+21    ,,    60, 120, 70, 95, 90 ,,  | 435 ,,
+22    ,,    105, 90, 105, 100, 110 ,,  | 510 ,,
+23    ,,    105, 110, 75, 120 ,,  | 400 ,,
+24    ,,    130, 100, 100, 110, 120 ,,  | 560 ,,
+25    ,,    120, 140, 90, 100, 90 ,,  | 540 ,,
+26    ,,    120, 120, 120, 80, 90 ,,  | 530 ,,
+27    ,,    120, 110, 110, 110, 110 ,,  | 560 ,,
+28    ,,    115, 125, 130, 95, 90 ,,  | 555 ,,
+29    ,,    120, 130, 105, 95, 90 ,,  | 540 ,,
+30    ,,    120, 120, 160, 110 ,,  | 510 ,,
+31    ,,    115, 170, 150, 85 ,,  | 520 ,,
+ 1 Sept. 120, 120, 105, 130 ,,  | 475 ,,
+ 2  ,,   150, 100, 110, 130, 110 ,,  | 600 ,,
+ 3  ,,   130, 115, 120, 145, 30 ,,  | 540 ,,
+ 4  ,,   135, 110, 90, 120, 125, 70 ,,  | 650 ,,
+ 5  ,,   140, 130, 110, 120 ,,  | 500 ,,
+ 6  ,,   125, 120, 120, 85, 115 ,,  | 565 ,,
+ 7  ,,   125, 125, 125, 140, 50 ,,  | 565 ,,
+ 8  ,,   130, 100, 150, 120 ,,  | 500 ,,
+ 9  ,,   160, 155, 100, 90, 40 ,,  | 545 ,,
+10  ,,   105, 70, 110, 70, 85 ,,  | 440 ,,
+11  ,,   150, 135, 150 ,,  | 435 ,,
+12  ,,   140, 125, 130, 110 ,,  | 505 ,,
+13  ,,   125, 115, 105, 140 ,,  | 485 ,,
+14  ,,   145, 115, 145, ? ,,  | 405+? ,,
+15  ,,   140, 115, 130, 165 ,,  | 550 ,,
+16  ,,   150, 110, 145, 150 ,,  | 555 ,,
+17  ,,   120, 180, 110, 165 ,,  | 575 ,,
+18  ,,   130, 130, 150, 130 ,,  | 540 ,,
+19  ,,   120, 135, 130, 140 ,,  | 525 ,,
+20  ,,   140, 140, 160, 170 ,,  | 610 ,,
+21  ,,   110, 130, 130, 120, 120 ,,  | 600 ,,
+22  ,,   120, 110, 70, 140 ,,  | 440 ,,
+23  ,,   105, 185, 140, 80, 130 ,,  | 640 ,,
+24  ,,   125, 130, 110, 160 ,,  | 525 ,,
+25  ,,   140, 170, 130, 90, 120 ,,  | 650 ,,
+26  ,,   160, 165, 125, 140 ,,  | 590 ,,
+27  ,,   145, 130, 140, 70 ,,  | 485 ,,
+28  ,,   160, 90, 100, 170, 130 ,,  | 650 ,,
+29  ,,   140, 100, 165, 125, 130 ,,  | 660 ,,
+30  ,,   130, 170, 100, 150 ,,  | 550 ,,
+
+
+Meisje, M. A., geboren 7 October 1914,
+
+
+ Per maaltijd. | In 24 uren.
+ |
+ 9 Oct. 20, 30 gr. | 50 gr.
+10  ,,  30, 60, 50, 55, 60 ,,  | 255 ,,
+11  ,,  60, 50, 50, 55, 70, 60 ,,  | 345 ,,
+12  ,,  80, 60, 100, 95 ,,  | 335 ,,
+13  ,,  100, 110, 70, 80, 95 ,,  | 455 ,,
+14  ,,  90, 90, 40, 90, 60, 80 ,,  | 450 ,,
+15  ,,  100, 80, 80, 90, 80 ,,  | 430 ,,
+16  ,,  115, 90, 70, 100, 120 ,,  | 495 ,,
+17  ,,  110, 120, 105, 100 ,,  | 435 ,,
+18  ,,  110, 120, 90, 90, 80, 105 ,,  | 595 ,,
+19  ,,  160, 90, 120, 70, 80 ,,  | 520 ,,
+20  ,,  60, 120, 120, 100, 130, 110 ,,  | 640 ,,
+21  ,,  110, 130, 100, 75, 110, 80 ,,  | 605 ,,
+22  ,,  150, 140, 110, 130, 100 ,,  | 630 ,,
+23  ,,  110, 120, 120, 180, 80 ,,  | 610 ,,
+24  ,,  130, 120, 150, 130, 100 ,,  | 630 ,,
+25  ,,  140, 120, 115, 80, 100, 100 ,,  | 655 ,,
+26  ,,  140, 130, 90, 140, 130, 110 ,,  | 740 ,,
+
+
+Het noemen van cijfers komt mij dan ook niet gewenscht voor, omdat de
+moeder daaraan allicht te veel waarde hecht, maar met een enkel woord
+kan wel worden aangegeven, op welke eenvoudige wijze men ongeveer kan
+nagaan, hoe groot de hoeveelheid gemiddeld zijn moet.
+
+Neemt men voor de hoeveelheid aan het einde van de 8ste week als
+grondgetal 800 grammen aan, dan trekke men van dit getal voor iedere
+voorafgaande week 50 grammen af en telle voor iedere volgende maand 50
+grammen daarbij op, b.v.
+
+
+ in de 4e week 600 gr.
+ ,, ,, 5e  ,,  650 ,,
+ ,, ,, 6e  ,,  700 ,,
+ ,, ,, 7e  ,,  750 ,,
+ ,, ,, 8e  ,,  800 ,,
+ ,, ,, 12e  ,,  850 ,,
+ ,, ,, 16e  ,,  900 ,,
+ ,, ,, 20e  ,,  950 ,,
+ ,, ,, 24e  ,,  1000 ,,
+
+
+Volgens eene andere berekening verkrijgt men het gemiddelde, door in
+het eerste kwartaal het lichaamsgewicht van den zuigeling, in
+kilogrammen, te vermenigvuldigen met 150, in het tweede kwartaal met
+140, in het derde kwartaal met 125.
+
+Volgens eene derde berekening drinkt een gezonde pasgeborene op den 3en
+dag gemiddeld 100 grammen, den 6en dag 300–350 gr., den 10den dag
+400–450 gr. en later ongeveer ⅙ van zijn lichaamsgewicht.
+
+Men bedenke hierbij steeds, welke beteekenis aan een „het gemiddelde”
+aangevend cijfer te hechten is. Geen enkel kind zal zich daaraan
+houden, maar het cijfer geeft, in het algemeen, de hoeveelheid aan
+waarmede men tevreden zijn kan.
+
+Wij komen nu vanzelf tot de vraag of een zuigeling, bij de voeding aan
+de borst, te veel of te weinig voedsel krijgen kan.
+
+Beide gevallen zijn mogelijk, hoewel men toch wel zeggen kan, dat,
+onder normale omstandigheden, dus wanneer er geen wanverhouding bestaat
+tusschen de borst en de kracht waarmede het kind zuigt, van een te
+veel, van overvoeding, niet licht sprake zijn zal. De ervaring heeft
+mij geleerd, dat, indien men, zooals ik hierboven aangaf, in den
+beginne het kind vrijlaat in het kiezen van zijn maaltijd, voor
+overvoeding geen vrees behoeft te bestaan.
+
+Dat een kind, als het na een behoorlijken tijd van slapen zijn maaltijd
+genomen heeft, wel eens wat teruggeeft van het genomene, is nog geen
+bewijs, dat het te veel gedronken heeft. Er zijn kinderen die men
+„luchtslikkers” noemt, en dat luchtslikken kan vooral voorkomen bij
+kinderen, die gulzig drinken. Als zij dan hunnen maaltijd genoten
+hebben, komt de luchtbel, die zich in de maag gevormd heeft, wel eens
+voor den dag, waarbij dan tevens eene hoeveelheid zog te voorschijn
+komt. Die luchtbel kan de oorzaak zijn, dat een kind, na genoten
+maaltijd, hoewel voldoende gevoed, onrustig is en niet inslaapt. Daarom
+is het aan te raden zulke kinderen gedurende het voeden, of daarna, een
+oogenblikje rechtop te houden, opdat de luchtbel ontwijken kan.
+
+Intusschen mag ik niet verzwijgen, dat door verschillende schrijvers
+een ziektebeeld van overvoeding aan de borst geteekend wordt, al zeggen
+ook velen, dat, althans praktisch, eene overvoeding van het borstkind
+niet voorkomt.
+
+Vermoedelijk is dan, volgens sommigen, de overvoeding minder te wijten
+aan het te veel gebruiken gedurende de maaltijden, dan wel aan het te
+vaak aanleggen van het kind. Dit zal in gewone omstandigheden niet
+veelvuldig voorkomen, maar het kan gebeuren als de moeder, telkens
+wanneer het kind mocht huilen of onrustig is en daarbij voortdurend de
+vingers in den mond steekt en daarop zuigt, zich verbeeldt dat het
+honger heeft, zonder na te gaan of er misschien een andere reden voor
+die onrust bestaan kan. Oorzaken van onrust toch zijn er vele in het
+leven van den zuigeling, als: het liggen in een natte luier,
+ongemakkelijke houding, welke hijzelf niet veranderen kan, te nauw
+sluitende kleeding, te warm gedekt zijn of te koud liggen,
+insectenbeten, blaasjes in den mond, verstopte neus, gesmet zijn aan de
+billen of in plooien van de huid, een scheurtje in de aarsopening enz.
+
+Behalve in het te vaak aanleggen kan, naar men zegt, de oorzaak van
+overvoeding ook gelegen zijn in eene te overvloedige afscheiding van
+zog, vooral „lekkende borst”, waarbij voortdurend zog uit de borst
+druppelt. Dit komt, althans in belangrijken graad, niet zoo heel
+dikwijls voor. Om het nat worden der kleederen tegen te gaan, kan men
+de borsten bedekken met eene of andere stof, welke gemakkelijk vocht
+opslorpt, b.v. zachte doeken, de borsten bedekken met een zogglas,
+waarin eene opening door welke de tepel heen steekt, zoodat het zog
+wordt opgevangen, en de borsten opbinden. Tegen de „lekkende borst” is
+geen afdoend middel bekend.
+
+In den beginne, aldus het geschetste ziektebeeld, spuwt het kind in den
+regel na den maaltijd eene kleine of grootere hoeveelheid zog (let op
+de luchtslikkers), hetgeen, als het niet te lang duurt, niet hindert,
+omdat juist daardoor het kind zich van het te veel genomene ontdoet.
+Daarbij komt dan, dat het kind niet zoo kalm slaapt, spoedig wakker
+wordt, aan de borst gelegd wel zuigt en somtijds daarna rustig wordt,
+doch niet voor langen tijd. Dat onrustig zijn gaat dan vaak over in
+schreeuw- of gilbuien, soms onder het zuigen, terwijl de buik opgezet
+is en het kind hoorbaar winden loost, om daarna voor enkele
+oogenblikken rustiger te zijn.
+
+Indien er dadelijk na den maaltijd gestremde melk of, na eenigen tijd,
+eene waterheldere, zuur riekende, witte stukjes en slijm bevattende,
+vloeistof te voorschijn komt, moet men eene stoornis in de
+spijsvertering vermoeden.
+
+De ontlasting komt, soms vaker, dun en schuimend, met geruisch voor den
+dag; de omgeving van de aarsopening en de billen worden rood, de reuk
+is sterk zuur. Er kan echter ook verstopping bestaan, waarbij de
+ontlasting nog normaal gekleurd is en de gewone vastheid heeft, doch na
+eenigen tijd eene groene kleur of gele kleur met groenen rand vertoont,
+waarin kleine witte stukjes en slijmdraden te zien zijn.
+
+De eetlust wordt minder, het gezicht bleeker, de huid slapper; het
+lichaamsgewicht blijft, na aanvankelijk soms sterk te zijn toegenomen,
+op dezelfde hoogte staan, vermindert of schommelt—bij dagelijks wegen
+na te gaan—in dezen zin, dat plotseling toenemen in gewicht afwisselt
+met plotseling dalen.
+
+Een kind kan ook te weinig voedsel krijgen. De verschijnselen hiervan,
+welke in het ziektebeeld beschreven zijn, vertoonen zoovele punten van
+overeenkomst met die van overvoeding, dat het vooral voor een
+niet-geneeskundige de grootste moeite oplevert, om uit te maken
+waarmede men te maken heeft. Sommige kinderen lijden aan slapeloosheid,
+zijn onrustig, schreeuwen spoedig na den maaltijd, drinken telkens als
+men hen aan de borst legt; de meeste doen juist het tegenovergestelde,
+zijn bijzonder rustig, zelfs slaperig. De ontlasting kan weinig stof
+bevatten, bruin tot groen van kleur, slijmig en taai zijn en om de twee
+of drie dagen komen, doch meestal is zij dun, in den beginne nog
+lichtgeel, vaak slechts als eene groene vlek in de luier, of nog geel
+met groene vlekken, al of niet met slijm gemengd. Indien deze
+ontlasting werkelijk als een verschijnsel van ondervoeding optreedt,
+wordt zij na toediening van meer voedsel onmiddellijk of al heel
+spoedig beter. De urine-loozing is verminderd, zoodat de luiers niet
+flink nat zijn.
+
+Ook hierbij worden de billen en de omgeving van de aarsopening rood en
+smetten, treden puistjes op, wordt de huid bleeker en, bij vermagering,
+te ruim. Dit laatste wijst er reeds op, dat ook met betrekking tot het
+lichaamsgewicht iets valt op te merken en wel, dat het toenemen
+onvoldoende blijkt of dat het tot stilstand komt en, bij belangrijke
+ondervoeding, overgaat in het tegenovergestelde, dus afneemt. Vaak kan
+men, vóór het wegen, opmerken, dat het kind reeds in den aanvang van
+het zuigen vele zuigbewegingen maakt voor het slikt.
+
+Hoe onvolledig ook, bespeurt men uit deze schildering, dat niet
+gemakkelijk uit de verschijnselen is op te maken waarmede men te doen
+heeft. Het voornaamste punt, waarop men te letten heeft, is wel het
+lichaamsgewicht en het bepalen van de hoeveelheid van het in 24 uren
+door den zuigeling genomen voedsel, waarbij vergelijking met de boven
+als gemiddeld aangegeven benoodigde hoeveelheid zog haar nut heeft.
+
+De moeder zij, ingeval er vermoeden van ondervoeding bestaat,
+voorzichtig met het vermeerderen van de hoeveelheid voedsel, hetgeen
+geschieden kan door het vermeerderen van het aantal maaltijden, als dat
+te klein mocht blijken, of door het geven van bijvoeding naast de
+borst. (Zie: Gemengde voeding).
+
+Dat een zuigeling te weinig voedsel krijgt kan verschillende oorzaken
+hebben, welke bij de moeder en bij het kind te zoeken zijn.
+
+Bij de moeder kan het voorkomen, dat het kind, door slechte
+ontwikkeling van de tepels, vooral platte, ingetrokken of holle tepels,
+de borst niet goed vatten kan. In de meeste gevallen zal het, zij het
+met meerdere volharding, zoonoodig met gebruik maken van een
+tepelhoedje, toch gelukken. Dit hulpmiddel moet ook beproefd worden bij
+scheurtjes, spleetjes of afschilveringen van de huid van den tepel,
+indien het onmiddellijk zuigen daaraan te pijnlijk is. Het komt wel
+voor, dat het kind uit die wondjes bloed zuigt en met de melk inslikt.
+Is dat vrij veel, dan kan het dit bloed uitbraken, waarover de moeder
+zich niet ongerust behoeft te maken. Indien het niet uitgebraakt wordt,
+maakt het de ontlasting donker. Vele middelen worden aangegeven om die
+wondjes, die een enkele maal eene belangrijke uitbreiding kunnen
+verkrijgen, te genezen. Gelukt dit niet, dan kan het, waar ook het
+zoogen met een tepelhoedje nog te pijnlijk is, noodig blijken het kind
+eenige dagen van de borst te nemen, gedurende welken tijd dan meermalen
+daags het zog met een zogpomp of door melken uit de borst moet genomen
+en aan het kind gegeven worden. De genezing kan zelfs tien tot veertien
+dagen vereischen, doch gewoonlijk kan men het kind reeds vroeger, als
+de tepel minder gevoelig geworden is, weder aanleggen. In hoogst enkele
+gevallen moet somtijds het zoogen opgegeven worden.
+
+Dit laatste kan ook het geval zijn bij de zeer zeldzaam voorkomende
+overgevoeligheid van den tepel, een toestand, waarbij aan de tepels
+geen enkele afwijking is waar te nemen en toch het zoogen voor de
+moeder een ware marteling is, door de pijnlijkheid, met uitstraling
+naar de zijkanten van de borst en naar den rug. Ook hierbij beproeve
+zij eerst het tepelhoedje, waarbij de maaltijd gewoonlijk langer duurt,
+voordat zij het zoogen opgeeft.
+
+Verder komt het voor, dat de borst niet gemakkelijk melk geeft. Een
+flink ontwikkeld kind vooral zal op den duur die moeilijkheid wel
+overwinnen. Men kan trachten de borst williger te maken, door haar te
+melken. Eene al te volle borst wordt door het uitspuiten van de eerste
+melk-porties gemakkelijker te vatten.
+
+Dat de borst inderdaad te weinig zog afscheidt, komt veel minder voor
+dan nog maar al te vaak gedacht wordt. Daarom moet de moeder de poging
+tot borstvoeding niet te spoedig opgeven, en, voor zij tot het geven
+van bijvoeding overgaat, trachten door het prikkelen van de borst, door
+melken, hetgeen zijzelve gemakkelijk leeren kan, of door uitpompen,
+deze tot meerdere afscheiding te brengen. Ook voorzichtige massage kan
+hierbij helpen. Het kan evenwel niet ontkend worden, dat somtijds, en
+merkwaardigerwijze komt dat na de eerste bevalling nog al eens voor, de
+zogafscheiding al spoedig onvoldoende is. Het toedienen van een of
+ander middel aan de moeder, het moge lactagol, somatose, malztropon of
+anders heeten, heeft geen nut. Waar zulk een middel wel eens schijnt te
+helpen, is dat te wijten aan suggestieven invloed, welke de moeder tot
+meer volharding bracht. Tot nog toe is er geen enkel voedings- of
+geneesmiddel gevonden, dat inderdaad de borst tot meerdere
+zogafscheiding aanzet. Van belang is veel rust en goede voeding van de
+moeder, welke volstrekt niet alleen of in hoofdzaak uit de zoo
+hooggeroemde pap moet bestaan.
+
+Van te voren, namelijk gedurende de zwangerschap, is nimmer te
+beslissen of de aanstaande moeder al dan niet haar kind zal kunnen
+zoogen.
+
+Meestal zal men niet voor het einde van de tweede week kunnen bepalen,
+of de afscheiding van zog beneden de als normaal aan te nemen
+hoeveelheid blijft, waarvoor men een minimum van 150 grammen per etmaal
+in de eerste week of het dubbele in de tweede week stellen kan. Indien
+evenwel verschijnselen van ondervoeding optreden, het kind niet
+voldoende in gewicht toeneemt en de pogingen om de hoeveelheid zog te
+vermeerderen, b.v. ook nog door het kind wat vaker en aan beide borsten
+aan te leggen, mislukken, zal men tot bijvoeding moeten overgaan.
+
+Mocht het gebeuren dat, door welke oorzaak dan ook, een der borsten
+niet genoeg of in het geheel geen zog levert, dan neemt dikwijls de
+werkzaamheid van de andere borst zoodanig toe, dat zij alleen de
+noodige hoeveelheid voortbrengt.
+
+Bij het kind kan de oorzaak gelegen zijn in misvorming van den mond en
+van het verhemelte, zooals wolfsmond, hazelip, gespleten verhemelte.
+Gewoonlijk zal alleen de wolfsmond of dubbele hazelip en eene wijde
+spleet in het verhemelte het zuigen beletten, terwijl het kind bij
+eenzijdige hazelip het zuigen wel leert. Ook pijnlijkheid in den mond,
+b.v. door spruw, kan het kind in het zuigen belemmeren, alsmede
+verkoudheid, waardoor het ademhalen door den neus bemoeilijkt of
+vrijwel onmogelijk is. Ten slotte zijn er somtijds kinderen, zelfs van
+normaal gewicht, die te slap zijn om met voldoende kracht te zuigen.
+Dat de tongriem het zuigen belet, en daarom moet ingeknipt worden, is
+zoo zelden het geval, dat men practisch wel zeggen kan, dat dit niet
+voorkomt. Zoolang het kind òf niet zuigen kan òf onder de genoemde
+omstandigheden te weinig voedsel krijgt, geve men het uitgemelkt of
+uitgepompt zog, met een lepeltje of uit een fleschje.
+
+Uit het voorafgaande blijkt, dat men, voordat men aanneemt dat het kind
+ondervoed wordt, nauwkeurig rekening heeft te houden met verschillende
+mogelijkheden.
+
+
+
+Wij komen nu nog even terug op den invloed welke, naar men zegt, op de
+vorming van het zog, met betrekking tot hoeveelheid en hoedanigheid,
+wordt uitgeoefend door verschillende gebeurtenissen of door ziekten van
+de moeder.
+
+Het verschijnen van de menstruatie gedurende het zoogen is geen reden
+om het kind van de borst te nemen. Somtijds wordt gedurende de
+menstruatie wat minder zog afgescheiden of is dit het geval een of twee
+dagen van te voren, terwijl het zog weder toeneemt kort voor het einde
+daarvan, doch steeds duurt het slechts korten tijd. Meestal heeft dit
+geen invloed op het kind; somtijds is het wat lastig en vertoont lichte
+stoornis in de spijsvertering, terwijl het gewicht in die dagen niet
+toeneemt.
+
+Bij vrouwen in het eerste kraambed is het weder intreden van de
+menstruatie in de derde week een niet zelden waar te nemen
+verschijnsel. Volgens Bendix treedt zij bij de helft der vrouwen na 3–8
+weken op; volgens Remy hebben 43% der zoogende vrouwen de menstruatie,
+waaronder 26% de menstruatie onregelmatig. Er schijnt een vierwekelijks
+en een zeswekelijks type voor te komen, zoowel bij zoogende als bij
+niet zoogende moeders. De eerste menstruatie kan verwacht worden op den
+42en of 28en, 21en of 14en, 10en of 11en dag, soms reeds op den 7en dag
+van het kraambed (Schatz).
+
+Wij vinden vermeld, dat het eerste loslaten van een eitje uit den
+eierstok, naar de menstruatie te oordeelen, ongeveer in een termijn van
+3–7 weken plaats vindt. Bij uitzondering gebeurt dat vroeger, zoodat
+bevruchting reeds weder in de eerste drie weken kan optreden, en,
+bovenvermelde mededeeling van Schatz in aanmerking nemende, zou dat
+reeds op den zevenden dag van het kraambed kunnen gebeuren. Vrij
+algemeen verbreid is echter de meening, dat eene zoogende vrouw niet
+zwanger worden kan. Hoe onjuist die meening is, blijkt, behalve uit het
+bovenstaande, nog uit de beteekenis van de woorden „blind zwanger
+worden” of „blind opgezet worden”, waarmede wordt te kennen gegeven,
+dat de vrouw gedurende het zoogen zwanger werd. Dat „blind” heeft dan
+betrekking op het feit, dat zulk eene vrouw gedurende het zoogen de
+menstruatie niet zag intreden. Menige vrouw die het zoogen, met de
+bedoeling om eene nieuwe zwangerschap te voorkomen, veel te lang
+voortzette, heeft dan ook ondervonden hoe onjuist die meening is.
+
+Bevruchting blijft aanvankelijk zonder invloed op het zoogen, doch met
+voortschrijdende zwangerschap wordt de zogafscheiding minder en houdt
+allengs op. Vele moeders hebben, zonder eenige schade voor het zoogende
+kind, voor haarzelve of voor de vrucht die zij herbergt, tot in de
+tweede helft der zwangerschap kunnen zoogen. In ieder afzonderlijk
+geval heeft men dus eene beslissing te nemen in verband met den
+toestand der moeder. In het algemeen neemt allengs de hoeveelheid zog
+af, zoodat het tijdperk om het kind te spenen vanzelf ingeleid wordt.
+
+Dat gemoedsbewegingen van invloed zijn is in het algemeen niet te
+loochenen, al is het zeker, dat de schadelijke inwerking dikwijls
+achterwege blijft en de vrees, welke men er algemeen voor koestert,
+zeer sterk overdreven is. Opwinding, schrik, angst, zorg en verdriet,
+smartelijk sterk op den geest inwerkende gebeurtenissen kunnen wel
+degelijk, wanneer zij hevig zijn, zij het dan ook tijdelijk, stoornis
+brengen in de zogafscheiding, hetzij dat de hoeveelheid zog vermindert,
+hetzij dat bij overvulde borst, ondanks krachtig zuigen van het kind,
+niets of slechts zeer weinig te voorschijn komt. Het kind krijgt dan
+natuurlijk niet genoeg, zal lastig zijn en misschien zelfs eene
+leelijke luier afdoen, maar de daaraan verbonden meening, dat het kind
+„het” van de moeder „afgezogen” heeft, is onjuist. Op den duur zal de
+borstvoeding er niet onder lijden.
+
+Het oordeel of ziekte van de moeder, hetzij chronisch of acuut, tot het
+besluit zal leiden om niet te zoogen, behoort geheel en al tot het
+terrein van den geneesheer.
+
+
+
+Het ligt voor de hand, dat wij nu gaan bespreken hoelang de moeder het
+kind uitsluitend aan de borst zal trachten groot te brengen, met andere
+woorden, wanneer het gespeend moet worden. Dit zal ons dan vanzelf
+leiden tot de bespreking van andere dan natuurlijke voeding.
+
+Een voor alle gevallen passend antwoord op die vraag is niet te geven.
+In het algemeen kan men wel een tijdperk van zogvorming aannemen, doch
+in het bijzonder hangt veel af van omstandigheden en van de
+individualiteit der moeder, zelfs na opeenvolgende baringen.
+
+Men kan zeggen, dat de afscheiding van zog in de eerste zes tot acht
+weken na de baring toeneemt, om dan verschillend langen tijd, ongeveer
+gedurende zes tot acht maanden, stand te houden en daarna af te nemen.
+Van nature zou het verschijnen van de eerste tanden erop wijzen, dat de
+zuigeling niet meer uitsluitend vloeibaar voedsel behoeft te ontvangen,
+doch het komt maar al te vaak voor, dat ook moeders, van de groote
+waarde der borstvoeding overtuigd, daarmede voortgaande, reeds voor
+dien tijd de hoeveelheid melk zien verminderen, het kind weinig in
+gewicht zien toenemen en dus wel genoodzaakt zijn daarbij ander voedsel
+toe te dienen. Te lang voortgezette voeding aan de borst blijft niet
+zonder nadeeligen invloed op het kind, omdat niet alleen de hoeveelheid
+onvoldoende wordt, maar ook de samenstelling van het zog verandert, in
+dien zin, dat het onvoldoende voedingsstoffen bevat. De verschijnselen,
+welke het kind gaat vertoonen, zijn samen te vatten onder het algemeene
+beeld van bleekheid en slapte. Het kind begint om zoo te zeggen te
+verwelken, terwijl niet zoo zelden teekenen van beginnende Engelsche
+ziekte zich voordoen.
+
+Vaak kan het noodig zijn om omstreeks de zevende maand, somtijds reeds
+vroeger, tot bijvoeden over te gaan. Dan is het de vraag, welk voedsel
+men geven en op welke wijze men den overgang van het natuurlijke
+voedsel tot het andere tot stand brengen zal. Afgezien van de gevallen
+waarin men genoodzaakt is dit plotseling te doen, moet die overgang
+geleidelijk geschieden. Dat gebeurt dan door het toepassen van wat men
+gemengde voeding (allaitement mixte) noemt, d.w.z. dat men gedeeltelijk
+de borst, gedeeltelijk de flesch geeft.
+
+Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk door òf na iederen maaltijd
+aan de borst een fleschje te geven, òf door eenmaal of meermalen daags
+een borstmaaltijd door een fleschmaaltijd te vervangen. Mijns inziens
+is de eerste manier aan te bevelen, omdat men zoodoende de borst aan
+den gang houdt, den overgang dus geleidelijker kan doen plaats vinden,
+en omdat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat de zuigeling,
+bespeurende dat het zuigen aan de flesch gemakkelijker gaat dan aan de
+borst, minder of geen lust gevoelt aan de borst te drinken. Intusschen
+is het niet altijd mogelijk om deze manier te volgen, waarbij dan
+spoedig blijkt, dat de borst steeds minder zog afscheidt, zoodat het
+kind binnen zeer korten tijd alleen op de flesch is aangewezen.
+
+Voor wij verder gaan is het noodzakelijk erop te wijzen, dat men zoo
+mogelijk moet vermijden tot het spenen over te gaan in het warme
+jaargetijde. Kinderen die in het warme jaargetijde gespeend worden, ook
+al geschiedt dit geleidelijk, loopen het grootste gevaar ernstige
+stoornissen in de spijsvertering te verkrijgen.
+
+Van belang is het, om na te gaan welk voedsel men geven moet, in welke
+hoeveelheid, van welke samenstelling en hoe dit moet bereid worden.
+
+Bovenaan staat het vervangen van de moedermelk door koemelk. Zonder in
+te gaan op het vraagstuk op welke wijze er, met het oog op de
+gezondheid niet alleen van den zuigeling maar van allen die melk
+gebruiken, voor gezorgd behoort te worden, dat de koemelk zoo wordt
+afgeleverd, dat zij geen schadelijke bestanddeelen bevat en van goede
+samenstelling is, moet erop gewezen worden, dat de moeder, die haar
+kind dit voedingsmiddel zal toedienen, daaraan de grootst mogelijke
+reinheid en zorg moet besteden. Een zuigeling slikt desnoods alles wat
+men hem geeft, indien het hem smaakt, maar reageert uiterst sterk op
+alle minderwaardig voedsel.
+
+Het is algemeen gebruikelijk de koemelk zoodanig te wijzigen, dat zij
+tot voedsel van den jeugdigen zuigeling kan dienen. Daarom wordt zij
+verdund en worden er stoffen aan toegevoegd, welke, in aansluiting aan
+de ervaring, nuttig zijn gebleken voor het doel waarvoor zij moeten
+dienen. Een algemeenen regel voor verdunning en toevoeging is
+natuurlijk niet te geven, omdat dit afhankelijk is van den leeftijd, en
+van den toestand waarin de zuigeling verkeert. Daarom blijft elke
+voeding met tegennatuurlijk voedsel eene, welke in ieder bijzonder
+geval tastenderwijze moet worden toegepast, dat wil zeggen, dat men
+steeds moet probeeren. Dit betreft niet alleen de samenstelling, doch
+ook de wijze van toediening, vooral met betrekking tot het aantal
+maaltijden, de hoeveelheid en den graad van warmte.
+
+Laat ons beginnen met het moeilijkste geval, namelijk dat de zuigeling
+van den aanvang af tegennatuurlijk voedsel gebruiken moet. Dan is er
+sprake van: het kind moet aan de flesch. Goed, maar welk voedsel zal
+men het kind geven? Hoe moet het voedsel bereid worden? Welke
+voorzorgen heeft men te nemen, opdat het kind groeie en geen nadeel
+ondervinde?
+
+Het eenvoudigste is, het kind koemelk te geven, met water verdund en
+suiker daaraan toegevoegd.
+
+Het voedsel kan men in het algemeen op tweeërlei wijze bereiden en wel:
+alles in eens gereed maken voor het gebruik in 24 uren of voor elke
+flesch afzonderlijk.
+
+Het eerste is het gemakkelijkst. Men kan dan als volgt te werk gaan.
+Men maakt van te voren op, hoeveel voedsel de zuigeling vermoedelijk in
+24 uren gebruiken zal. Daartoe is het noodig eenige cijfers te kennen
+en dat zijn die, welke de gemiddelde hoeveelheden, door een aan de
+borst gevoed kind gebruikt, aangeven. De gemiddelde hoeveelheden,
+waaraan, zooals uit de boven uit mijne praktijk gegeven getallen
+blijkt, zich niet alle kinderen zullen houden, omdat ook de
+hoeveelheden, door flesschenkinderen gebruikt, belangrijke verschillen
+vertoonen.
+
+Van de regels, welke worden aangegeven, komen mij de opgaven van een
+onzer Nederlandsche kinderartsen, Dr. E. Gorter, het meest geschikt
+voor. Volgens die opgaven heeft een zuigeling op den 1sten dag niets,
+op den 3en dag 100 grammen, op den 6en dag 300–350 grammen, op den
+10den dag 400–450 grammen, op den 14den dag 150 maal het aantal
+kilogrammen lichaamsgewicht aan grammen noodig. Aangezien ook de
+verhoudingen, door dienzelfden geneesheer aangegeven, mij—als
+algemeenen regel—geschikt voorkomen, geef ik die hier weder, met de
+opmerking, dat het blijken zal, alweder in verband met den algemeenen
+toestand van iederen zuigeling, dat afwijkingen nu en dan zullen
+voorkomen. Ik leg dus den nadruk op de woorden „als algemeenen regel”.
+
+Hij geeft dan aan, dat men het kind voor de eerste 14 dagen een mengsel
+zal geven van 1 deel koemelk en 2 deelen water, dat 8% suiker bevat,
+dus b.v. op den 10den dag: 150 gr. koemelk, 300 gr. water en 24 gr.
+suiker (⅓ melk), en dat men daarbij nauwlettend heeft na te gaan, of
+het kind in alle opzichten gezond is.
+
+Te beginnen met den leeftijd van 14 dagen, of 3 weken, wordt dan
+overgegaan tot een mengsel van 1 deel koemelk en 1 deel water, dat 8%
+suiker bevat (½ melk).
+
+Om nu te weten hoeveel grammen men van dit mengsel per dag ongeveer
+geven zal, kan men van de gegevens op bl. 156 gebruik maken, b.v. door
+het lichaamsgewicht (in kilogrammen) te vermenigvuldigen met 150. Als
+voorbeeld gelde, dat een pasgeborene, die op den 6en dag 3 K.G. weegt,
+300 gr. voedsel krijgt, waarvoor noodig is: 100 gr. melk, 200 gr. water
+en 16 gr. suiker; een kind van 3 weken, wegende 3,5 K.G., krijgt 500
+gr. voedsel, dus: 250 gr. melk, 250 gr. water en 20 gr. suiker, terwijl
+men, als het kind met deze hoeveelheid, zonder ziek te zijn, niet
+groeit, opklimt tot 300 gr. melk, 300 gr. water en 24 gr. suiker.
+
+Zoodra het kind 4–6 weken oud is, zal meestal de voeding met 2 deelen
+koemelk en 1 deel water met 10% suiker (⅔ melk) worden geregeld, bij
+welk mengsel het kind kan blijven tot het 4–6 maanden oud is. De
+hoeveelheid, die hiervan wordt gegeven, wordt weer berekend door het
+aantal kilogrammen, die het kind weegt, met 150 te vermenigvuldigen
+zoolang het jonger dan 3 maanden is, en met 140 als het ouder is. Van
+dit mengsel kan men ongeveer evenveel geven als de hoeveelheid
+moedermelk.
+
+Vanaf de 4e of 6e maand ongeveer kan men, volgens Dr. Gorter, eene
+kleine hoeveelheid meel aan het mengsel toevoegen, te beginnen met 5
+gr., dan al spoedig 10 gr. per dag. Dit meel vervange dan eene gelijke
+hoeveelheid suiker. Voorbeeld: Een kind van 5 maanden, weegt 6,5 K.G.,
+krijgt 6,5 × 140 gr. = 910 gr. en wel 600 gr. melk, 300 gr. water, 20
+gr. suiker en 10 gr. meel. [7]
+
+Hij merkt terecht op, dat ook met op andere wijze samengesteld voedsel
+gunstig gevolg kan verkregen worden, doch dat dit mengsel het voordeel
+heeft van zeer eenvoudig te zijn.
+
+Men heeft dus niets anders te doen, dan de voor 24 uren benoodigde
+hoeveelheid melk en water te meten, de suiker af te wegen en dit alles
+bij elkander gevoegd in een pan gedurende b.v. 5 minuten goed te laten
+koken. Door het koken verdampt gedurende dien tijd eene hoeveelheid
+water, welke door toevoeging van gekookt water tot de oorspronkelijke
+hoeveelheid moet aangevuld worden. De pan wordt met een deksel
+gesloten, vervolgens snel afgekoeld, het best in stroomend water, en
+dan op eene koele plaats bewaard, om telkens als eene flesch zal
+gegeven worden, de hoeveelheid, voor een maaltijd bepaald, daarin over
+te gieten.
+
+Voor men het kind de flesch geeft moet die gewarmd worden. Dit doet men
+het best, door haar in warm water te zetten. De graad van warmte voor
+het voedsel, dat zich in de flesch bevindt, kan men beoordeelen door de
+flesch, nadat die eenigen tijd in het warme water gestaan heeft, af te
+drogen, te schudden en dan tegen het ooglid van het gesloten oog te
+houden. Indien men de vraag, of de flesch warm of koud aanvoelt,
+slechts aarzelend kan beantwoorden, kan men rekenen dat het voedsel de
+goede temperatuur heeft. Eene andere manier is deze, dat men een weinig
+van het voedsel in een lepel giet en dat proeft, waarbij men tevens kan
+nagaan of de smaak goed, het voedsel niet bedorven is, hetgeen in den
+zomer gemakkelijk geschiedt. Daarom is het aan te bevelen, vooral in
+den zomer, het mengsel tweemaal per dag, telkens dus de helft van de
+benoodigde hoeveelheid, te bereiden.
+
+De tweede bereidingswijze is omslachtiger, ofschoon beter. Zij bestaat
+hierin, dat men dadelijk de voor 24 uren gereedgemaakte hoeveelheid
+voedsel over het aantal flesschen, door het kind te gebruiken, verdeelt
+(in alle flesschen dezelfde hoeveelheid) en deze flesschen, van eene
+kaoutchouk-sluiting voorzien, in een pan met water, waarvan het
+oppervlak op gelijke hoogte of iets hooger dan dat van de melk in de
+flesschen staat, plaatst, om daarin te koken, waarna de fleschjes, uit
+de pan genomen, afgekoeld en op eene koele plaats bewaard worden. In
+den handel zijn daarvoor de toestellen, naar Prof. Soxhlet genoemd, te
+verkrijgen.
+
+In plaats van water, als verdunningsvloeistof, wordt ook wel een
+afkooksel van rijst of gort gebruikt, terwijl door vele geneesheeren
+van den aanvang af ook meel wordt toegediend. Deze afkooksels moeten,
+vooral in den zomer, met het oog op zuur worden, minstens tweemaal per
+dag bereid worden. (Zie voor recepten: Aanhangsel).
+
+In plaats van rauwe melk gebruikt men somtijds gepasteuriseerde melk,
+doch aangezien deze niet zeker vrij van bacteriën is, zou men haar
+eveneens moeten koken, waardoor zij te veel verandert om nog als
+geschikt voedingsmiddel te mogen gelden. Met goed gevolg, door vele
+geneesheeren aanbevolen, wordt ook gebruik gemaakt van de zoogenaamde
+bussenmelk of gecondenseerde melk.
+
+De eenvoudigste flesch is de beste. Zij moet gemakkelijk te reinigen
+zijn. In den handel komen er voor met eene reeks boven elkander
+geplaatste streepjes, met de bedoeling daarmede de hoeveelheden af te
+meten, doch welke het nadeel hebben, dat zij in het glas ingedeukt zijn
+en dus moeilijk schoon te maken, terwijl de afstanden niet gelijk zijn.
+
+Na het gebruik moet men de flesch dadelijk met koud water uitspoelen en
+met, liefst gekookt, water gevuld en met een dotje schoone
+verbandwatten afgesloten, wegzetten. Er is slechts één goed model
+speen, in den vorm van een handschoenvinger, van zwart of rood
+kaoutchouk. Men moet haar, met het oog op reiniging, gemakkelijk kunnen
+omstulpen. Met eene gloeiende naald, welke snel ingestoken en
+uitgehaald wordt, maakt men er eene opening in, waardoor het vocht
+slechts druppelsgewijs kan uitloopen. Elke nieuwe speen moet men, voor
+het gebruik, uitkoken; later is het voldoende haar, van buiten en van
+binnen, onmiddellijk na het gebruik, in stroomend water te reinigen en
+in een bakje met zuiver, gekookt, water te bewaren.
+
+Bij het voeden met de flesch moet men zeer voorzichtig zijn, omdat
+juist hierbij gemakkelijk stoornissen in de spijsvertering optreden.
+Daarom lette men op sommige dingen, welke wel eens als kleinigheden
+beschouwd worden.
+
+Men mag de flesch niet bij het kind nederleggen, het den speen in den
+mond stoppen en dan aan het kind zelf overlaten, hoe het zich redden
+wil. De moeder, of wie het kind de flesch geeft, moet die in handen
+houden en het kind, terwijl het op den schoot of in het bedje ligt,
+voeden; daarbij geduldig zijn en opletten, dat het kind niet te
+schielijk drinkt. Daarom mag de opening in de speen niet te groot zijn.
+
+Is de opening te groot, dan drinkt het kind de flesch te spoedig leeg.
+Men kan trachten daaraan te gemoet te komen, door binnen in de speen,
+tegen de daarin gemaakte opening aan, een stukje schoon hydrophiel gaas
+of een propje schoone verbandwatten te leggen, zoodat het vocht niet
+zoo snel uit de opening vloeien kan. Het spreekt vanzelf, dat men dit
+stop-middeltje, bij het reinigen, moet wegwerpen.
+
+Indien het kind niet naar behooren zuigt, kan de oorzaak daarin gelegen
+zijn, dat het voedsel te warm of, wat minder vaak voorkomt, te koud is.
+Aangezien het kind ook voor het leegdrinken van de flesch een
+twintigtal minuten noodig zal hebben, is het goed om de flesch,
+teneinde het afkoelen te voorkomen, met een zakje van wol of van eene
+andere, de warmte slecht geleidende, stof te omhullen.
+
+Vooral bij deze wijze van voeding kan het kind te veel voedsel krijgen,
+overvoed worden. Het kan echter ook te weinig krijgen, zoowel doordat
+te weinig per maaltijd gegeven wordt, als doordat, bij voldoende
+hoeveelheid, de voedingswaarde, tengevolge van te sterke verdunning, te
+gering is. Er behoort dan ook bij de voeding met de flesch eene groote
+mate van oplettendheid betracht te worden. Wanneer de moeder inderdaad
+die oplettendheid betracht en nauwkeurig acht geeft op den toestand van
+den zuigeling, in verband met een regelmatig verloop van het gewicht en
+in verband met eene behoorlijke ontlasting, kan zij, naar mijne
+overtuiging, ook hierbij, met inachtneming van het bij de borstvoeding
+besprokene, de regeling van het aantal maaltijden en de hoeveelheden,
+per maaltijd te gebruiken, in den beginne aan het kind overlaten. Zij
+bedenke daarbij, dat van een te sterk verdund mengsel grootere
+hoeveelheden noodig zijn om aan de behoefte van het kind te voldoen, en
+geve dus liever te weinig dan te veel. Bij mijne eigene kinderen,
+waarvan er twee van den aanvang af met koemelk moesten gevoed worden,
+handelde ik als volgt. Er werd begonnen met 1 deel melk en 2 deel
+water, waarbij melksuiker gevoegd was. In iedere flesch werd zooveel
+van het mengsel geschonken, dat er, als het kind gedronken had, altijd
+iets in de flesch overbleef. Indien de ontlasting daarbij goed was,
+zoowel wat aantal als vastheid en kleur betrof, werd zoolang bij deze
+samenstelling gebleven, tot de ontlasting veranderde. Werd de
+ontlasting dunner, dan werd een kleine hoeveelheid melk meer gegeven.
+Aangezien de verhouding steeds op 100 gram berekend werd, beantwoordde
+aan eene grootere hoeveelheid melk eene kleinere hoeveelheid
+melksuikeroplossing. Bijvoorbeeld: Voor 100 gram mengsel werden genomen
+34 gram melk en 66 gram melksuikeroplossing. Was de ontlasting daarbij
+normaal, dan bleef het bij die verhouding, totdat de ontlasting iets
+dunner en vaker geloosd werd. Dan werden 36 gram melk en 64 gram
+melksuikeroplossing genomen. Werd daarbij de ontlasting weder normaal,
+dan bleef het daarbij; kwam de ontlasting nog niet naar wensch, dan
+werden genomen 38 gram melk en 62 gram melksuikeroplossing. Was evenwel
+de ontlasting te stijf, dan gebeurde het omgekeerde en werden genomen
+32 gram melk en 68 gram melksuikeroplossing. Op die wijze werd, al naar
+het noodig bleek, tastenderwijze het voedsel met kleine schommelingen
+gewijzigd, zoodat gemakkelijk en zonder gevaar kon worden beproefd, wat
+op een bepaald tijdstip noodig was. Daarbij werd het merkwaardige feit
+genomen, dat het eene kind eenige maanden vroeger volle melk verdragen
+kon dan het andere, een bewijs hoe groote verschillen zelfs bij
+kinderen van dezelfde ouders kunnen voorkomen.
+
+Dat ook bij de tegennatuurlijke voeding, onder bijzondere
+nauwlettendheid, aan het kind de regeling kan worden overgelaten, moge
+blijken uit nevenstaande kromme van tweelingen, welke aldus werden
+groot gebracht. Op de titelplaat ziet men de tweelingen in het bedje en
+daarvoor, op den grond zittende, een zusje, dat dezelfde vrijheid aan
+de borst genoten had; op de plaat tegenover bl. 176 de tweelingen, acht
+maanden oud. Bij geen van drieën werd eenige stoornis waargenomen.
+Foto’s [8] en kromme (curve) werden mij, met toestemming der moeder,
+welwillend verstrekt door de verpleegster, die moeder en kinderen, mij
+overigens geheel onbekend, verpleegde.
+
+Het is niet zonder aarzeling, dat ik deze mijne opvatting over de
+tegennatuurlijke voeding neerschrijf, omdat, zooals reeds gezegd, aan
+de tegennatuurlijke voeding meer gevaren verbonden zijn dan aan de
+borstvoeding, en mijne opvatting, voorloopig althans, geheel afwijkt
+van hetgeen tegenwoordig geleerd wordt. Ik beveel haar dan ook niet
+onvoorwaardelijk aan, doch geef den raad, om in ieder bijzonder geval
+de hulp van den geneesheer over de wijze van voeding in te roepen,
+terwijl moeders, die in afgezonderd gelegen streken, zooals in onze
+koloniën nog al eens voorkomt, wonen, waar slechts met groote moeite en
+kosten het oordeel van een geneesheer kan worden ingewonnen, verstandig
+doen door zich zooveel mogelijk te houden aan het beginsel, neergelegd
+in het bovenvermelde omtrent samenstelling en hoeveelheid van het
+voedsel en omtrent het aantal der maaltijden. Waar men zoo gelukkig is
+den geneesheer steeds te kunnen raadplegen is mijn papieren geneesheer
+overbodig.
+
+Ondervoeding behoeft men bij de fleschvoeding niet zoozeer te duchten,
+omdat daarin betrekkelijk minder gevaar schuilt voor den zuigeling dan
+in overvoeding. Die overvoeding is dan meestal te wijten aan de
+omstandigheid, dat de moeder te veel en te vaak voedsel geeft, telkens
+als het kind huilt of onrustig is en de hand in den mond stopt na het
+drinken. Gewoonlijk bespeurt men dit het eerst aan de luiers, waarin
+eene dunne groene en slijmerige of dunne gele, witte stukjes
+bevattende, ontlasting voorkomt, welke vijf- tot zesmaal per dag
+geloosd wordt. Het kind spuwt, geeft „boertjes” op, loost winden,
+slaapt minder, de buik is opgezet; het wordt mager, gaat er slechter
+uitzien, bleek met ingevallen oogen, welke toestand toenemend erger
+wordt. Somtijds treden deze verschijnselen plotseling op. Het beste is
+om, totdat de geneesheer verschijnt, dadelijk een streng dieet toe te
+passen, b.v. het kind slechts gekookt water of zeer slappe thee te
+drinken te geven. Bij het toedienen van thee wordt de ontlasting
+donkerder van kleur.
+
+Minder moeilijk is het, als de zuigeling te eeniger tijd te weinig
+voedsel uit de borst krijgt en het noodig blijkt het tekort op andere
+wijze aan te vullen. Dat zal dan geschieden door de zoogenoemde
+gemengde voeding. De meening dat het geven van tweeërlei voedsel niet
+goed zou zijn, is volkomen onjuist. Wat de zuigeling nog van de
+moedermelk krijgen kan, al is het nog zoo weinig, komt hem ten goede en
+het zal betrekkelijk slechts zelden voorkomen, dat de overgang van
+natuurlijke tot tegennatuurlijke voeding plotseling noodig blijkt.
+
+Een geleidelijke overgang is van te meer belang, naarmate het kind
+jonger is. Van den leeftijd zal ook afhangen, wat men als bijvoeding
+geven zal. Ook hierbij staat het toedienen van koemelk, in verdunningen
+welke samengaan met den leeftijd van het kind, bovenaan en zal het
+noodig zijn steeds tastenderwijze te werk te gaan, alles in verband met
+den toestand van het kind.
+
+In plaats van verdunde koemelk wordt bij ondervoeding aan de borst, dus
+bij te weinig zogafscheiding, vaak uit karnemelk, met meel en suiker,
+bereid voedsel, als bijvoeding gegeven, om na eenigen tijd over te gaan
+tot de voeding met koemelk. (Bereiding zie aanhangsel).
+
+In verband met de cijfers, vroeger genoemd omtrent hoeveelheid voedsel
+en samenstelling, wijs ik er hier nog eens op, dat de hoeveelheden,
+waarbij kinderen goed gedijen, zeer verschillend zijn en dat, wat de
+samenstelling betreft, geen regel te geven is, welke zonder
+uitzondering als de eenig juiste is aan te merken. Zoo is het ook te
+verklaren dat er, ondanks eene vrijwel algemeen aangenomen wijze van
+voedselbereiding en toediening, nog velerlei verschillende opvattingen
+bij geneesheeren zijn op te merken, welke mijns inziens voor een deel
+daaraan zijn toe te schrijven, dat zij allen weten, dat ondanks alle
+regels het gestel der kinderen ten slotte den doorslag geeft, zoodat in
+ieder geval weder moet geïndividualiseerd, d.w.z. geprobeerd, worden.
+Dit maakt het dan ook zoo moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om
+aan te geven hoe „het kind” moet gevoed worden. Van daar ook dat er
+zoovele fabriekmatig bereide voedingsmiddelen voor zuigelingen, de een
+met meer de ander met minder ophef, in den handel worden aangeprezen en
+aangewend, waaruit wel het duidelijkst blijkt, dat eene „kunstmatige
+moedermelk” tot nog toe niet gevonden is. Bij het eene kind gelukt de
+voeding met dit, bij de andere met dat voedsel, vaak eerst nadat
+verschillend lang geprobeerd is. Zij kunnen in den regel ontbeerd
+worden, indien de moeder zich houdt aan het voorschrift, dat zij in de
+allereerste plaats haar kind moet leeren kennen, in alle opzichten eene
+strenge reinheid heeft te betrachten en zich heeft te onthouden van het
+overnemen van voedingsmiddelen of voedingswijzen, waarbij kinderen van
+vriendinnen of kennissen, dus andere kinderen, al of niet schijnbaar,
+beter heeten te groeien dan het hare. In dit opzicht hebben plaatsen,
+waar vele moeders verkeeren om hare kinderen van de buitenlucht te doen
+genieten, zooals parken, vaak een ongunstigen invloed, omdat daar
+gemakkelijk kennis wordt gemaakt en het uitzicht der kinderen
+aanleiding geeft tot gesprekken omtrent de wijze van voeding, welke
+vooral jonge moeders wel eens aanleiding geven om de tot nu toe bij
+haar kind gevolgde wijze te veranderen. Iedere moeder doet verstandig
+zich te houden aan den raad, welken zij van den geneesheer, dien zij
+eenmaal haar vertrouwen schonk, ontving en al of niet vermeende
+afwijkingen met hem te bespreken, omdat alleen de huisarts de
+verantwoording dragen kan van zijne eigene opvattingen, welke hij door
+eigene ervaring als de juiste meent te moeten doen gelden. Ik meen dan
+ook te kunnen volstaan, met hetgeen ik hier in vage trekken heb
+trachten aan te geven en mij eveneens te moeten onthouden van
+beschouwingen, omtrent voeding en opvoeding, voor lateren dan den
+zuigelingenleeftijd.
+
+Slechts heel in ’t kort wijs ik er nog op, dat, afgezien van
+individueele verhoudingen, zoowel bij moeder als kind, langzamerhand de
+zuigeling, op dikwerf ver uit elkander liggende tijdstippen, bij
+tegennatuurlijke voeding tot het gebruik van onverdunde koemelk gekomen
+is en dan ook weder geleidelijk ander voedsel zal dienen te ontvangen.
+Dit laatste begint van nature recht te verkrijgen, als de tanden te
+voorschijn komen, want dan begint het kind van zelf neiging te
+vertoonen daarvan gebruik te maken. Tegelijkertijd neemt de afscheiding
+van speeksel belangrijk toe, waardoor het kind in staat wordt gesteld
+voedsel van vasteren aard te verwerken.
+
+Het is dan ook omstreeks dien tijd, dat de natuur aangeeft dat tot
+spenen kan worden overgegaan, welke overgang, zooals reeds vroeger werd
+aangegeven, slechts geleidelijk mag plaats vinden. Gewoonlijk zal dit
+omstreeks de zevende of achtste maand het geval zijn, somtijds vroeger.
+Men begint dan met een maaltijd aan de borst te vervangen door ander
+voedsel, vervolgens twee, drie maaltijden, in langer of korter
+tijdsverloop, dus steeds geleidelijk, om zoonoodig, b.v. bij het
+optreden van ernstige stoornissen, tot het geven van de borst te kunnen
+terugkeeren. Dan geve men verdunde melk, waarvan de samenstelling weder
+verband heeft te houden met den leeftijd van het kind. Behalve met
+water, kan men de melk ook verdunnen met slappe bouillon en
+langzamerhand overgaan tot andere spijs, als pap of brij, met melk als
+hoofdbestanddeel, al of niet met bouillon bereid, uit griesmeel,
+havermeel, een of ander kindermeel, sago, tapioca, brood of beschuit en
+daarna tot vaster kost. De duur van het spenen kan zeer verschillend
+uitvallen, van 2 tot 3 tot 4 weken en langer. Ook hiervoor is geen
+algemeene regel te geven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ALLERLEI OPMERKINGEN MET BETREKKING TOT HET KIND.
+
+
+Onder dezen titel zullen wij, in alphabetische volgorde, nog enkele
+zaken bespreken, welke ouders moeten kennen, al zal hier en daar wel
+iets genoemd worden, wat elders reeds werd aangestipt.
+
+Vooraf gaan echter eenige algemeene opmerkingen.
+
+De moeder moet leeren haar kind waar te nemen. Het spreekt van zelf,
+dat iedere moeder op haar kind let, maar het is voor haar niet
+gemakkelijk, om zich omtrent de beteekenis van allerlei verschijnselen
+een oordeel te vormen. Daarom kan de kennisneming van hetgeen hier
+volgt haar allicht van eenig nut zijn.
+
+Algemeene gezondheidsmaatregelen zijn van groot gewicht met betrekking
+tot den toestand van en in de woningen, vochtigheid, onvoldoende
+verlichting, te weinig of te veel warmte, onreinheid op woning,
+kleeding, lichaam, voedselbereiding, zuivere lucht enz.
+
+De verpleging van het kind is eveneens van belang. Bij den zuigeling
+dient de huid niet alleen om het binnendringen van vreemde stoffen in
+het organisme te beletten, maar zij regelt ook de warmte van het
+lichaam. De groote oppervlakte van het lichaam van den zuigeling, in
+verhouding grooter dan bij den volwassene, maakt dat afkoeling of
+verhitting van de omgevende lucht sneller verlaging of verhooging van
+zijne lichaamswarmte ten gevolge heeft, terwijl aan den anderen kant de
+lichaamswarmte bij koortsende ziekten bijzonder snel en tot belangrijke
+hoogte toeneemt.
+
+Behalve goede huidverpleging heeft dus ook de kleeding hare beteekenis.
+Ik kan niet nalaten erop te wijzen, hoe reeds de voeten onzer kleintjes
+van den beginne af misvormd worden door ze sokjes aan te trekken, die,
+omdat zij zakvormig in een punt uitloopen, reeds dadelijk de teentjes
+tot elkander brengen, wat nog toeneemt als later de schoentjes, vooral
+als die keurig spits zijn, worden gedragen. Het ware nog niet zoo dwaas
+om het voorbeeld der Japanneezen te volgen, die voor den grooten teen
+eene afzonderlijke ruimte laten, zooals dat voor den duim in de wanten
+gebeurt. Ook het vasthouden van de sokjes met een kouseband onder de
+knie is verkeerd.
+
+Het kind kan men het best waarnemen als het ontkleed is. Dan kan men
+allereerst den toestand, waarin de huid zich bevindt, beoordeelen. In
+den beginne zijn alle zuigelingen min of meer rood van kleur, met in de
+meeste gevallen eenige vlekkige roodheid boven den neuswortel en op de
+bovenste oogleden, en blauwachtig roode tint van boven- en onderlip en
+kin. Allengs wordt de huid wat bleeker van tint, doch blijft mooi en
+frisch; de zooeven genoemde vlekjes verdwijnen later.
+
+Bij het zieke kind, of bij een kind dat ziek wordt, valt het al spoedig
+op, dat de huid bleeker wordt of zelfs een vaalgrijze tint aanneemt,
+welke bij erger worden van de ziekte overgaat in eene blauwachtige tint
+in het gelaat, met name aan het voorhoofd en de slapen, en bij
+plotseling optredende aandoeningen ook om de lippen en den neus.
+
+De slijmvliezen blijven ook in ziekte gewoonlijk nog lang rood
+gekleurd; alleen de tong wordt sterker rood, vooral aan de punt, en bij
+toenemen van het ziekte-proces droog, vooral bij koorts, en beslagen.
+Ook de lippen worden dan droog en krijgen kloven. In den mond lette men
+op spruw.
+
+Bij vermagering, welke het eerst valt waar te nemen aan de binnenvlakte
+van de dijen, daarna aan beenen en armen, wordt de hals dun, de kin
+spits, gaat de spanning van de huid verloren, wordt het gezichtje
+kleiner.
+
+Verder zijn op de huid huiduitslagen te zien, welke niet altijd aan
+slechte verzorging te wijten zijn; ook abnormale bleekheid b.v. bij
+bloedarmoede, overmatige dikte met slapte en witheid, zooals bij
+kinderen, die te lang aan de borst gevoed worden.
+
+De oogen, oorspronkelijk helder en glanzend, worden dof, het wit der
+oogen vaak roodachtig met kleine adertjes doorloopen. Bij ontsteking
+van het bindvlies der oogleden vindt men afscheiding van eene dunne
+gele of dikkere etterige vloeistof, welke de oogleden doet aaneenkleven
+en in de ooghaartjes, als moeilijk te verwijderen stukjes, blijft vast
+zitten. Vroeger wees ik reeds op de acute ontsteking bij pasgeborenen,
+met het daaraan verbonden gevaar van blindworden bij niet tijdig
+toegepaste behandeling. Ik heb ontsteking van het bindvlies der
+oogleden zien optreden door het staren van den zuigeling in de vlam van
+een gasgloeilicht, waaronder de tafel stond waarop de zuigeling werd
+verkleed.
+
+De groote fontanel kan ook den weg wijzen bij het beoordeelen van
+zieken. Bij kinderen die aan diarrhee lijden en dus veel vocht
+verliezen zinkt de fontanel in, terwijl zij bij vochtophooping in den
+schedel, zooals bij ontwikkeling van waterhoofd en bij ontsteking van
+het hersenvlies wordt aangegeven, gewelfd wordt. Men houde, waar ik
+hier over waterhoofd spreek, in het oog, dat het hoofd van den
+zuigeling opvallend groot is in verhouding tot de lengte van het
+lichaam, en het gelaat opvallend klein in verhouding tot den schedel,
+door de geringe ontwikkeling der kaken.
+
+Aan de ooren valt bij ziekte, behalve dat zij opvallend wit worden,
+gewoonlijk niets bijzonders op te merken. Wel is het nuttig te weten,
+dat indien het kind bij het wasschen van het hoofdje teeken van pijn
+geeft, men aan de mogelijkheid van beginnende ontsteking van het
+hersenvlies of van het middenoor moet denken.
+
+Bemoeilijkte ademhaling, met open mond, snurken, snuffen door den neus,
+kan wijzen op eene aangeboren ziekte, op vergroote amandelen,
+ontsteking van luchtpijpstakken of longen, kramp van de stemspleet.
+Zuigelingen zijn zeer vatbaar voor ontsteking der
+ademhalingswerktuigen, vooral ook bij influenza, zoodat volwassen
+personen, die verkouden zijn, moeten oppassen dat zij hunne aandoening
+niet op het jonge kind overbrengen, daar het van hun „verkoudheid” eene
+longontsteking kan krijgen. Daarom handelt eene moeder, die verkouden
+is, verstandig door, als zij een kind aan de borst voedt, vooral
+gedurende het zoogen, een doek voor mond en neus te houden en het kind
+niet te kussen.
+
+De buik kan opgezet of ingetrokken zijn. Bij opgezetten buik lette men
+op al of niet duidelijk waar te nemen bloedvaten, of op darmbewegingen,
+welke door den buikwand te zien zijn. Verder lette men op breuken, niet
+alleen van den navel, maar ook in de liesplooien (darmbreuk) en bij
+jongens in den balzak (darmbreuk, waterbreuk), op bloeding of ettering
+uit den navel.
+
+Aan beenen en armen, namelijk aan de polsen en enkels, kunnen
+verdikkingen ontstaan, vaste zwellingen bij Engelsche ziekte,
+indrukbare, waar gedurende eenigen tijd de indruk der vingers blijft
+bestaan, bij andere ziekten.
+
+Ook lette men op verstopping en diarrhee, op de geur der ontlasting, op
+pijn bij het urineeren, op uitzakking van den endeldarm.
+
+De lichaamswarmte (temperatuur) stijgt of daalt, waarop reeds boven
+gewezen werd, gemakkelijk en spoedig boven of beneden het normale. De
+temperatuur wordt gemeten met een thermometer, het liefst een
+zoogenaamden maximaal-thermometer, welke, met vaseline of olie ingevet,
+bij het op de zijde liggende kind voorzichtig in den endeldarm wordt
+gestoken en daar 5 minuten (den thermometer vasthouden) blijft liggen.
+De pols is gewoonlijk moeilijk te voelen, zoodat men dit kan nalaten.
+
+Zweeten doet een gezond kind, tenzij het te warm ligt, niet; sterk
+zweeten vooral moet doen denken aan ziekte.
+
+Indien een kind niet volmaakt gezond is, wordt het knorrig, verdrietig
+en onrustig, of gelijkmoedig, opvallend rustig en ernstig; beweegt
+zich, als het uitgekleed is, niet spartelend, doch blijft stil liggen,
+met slappe ledematen en dus niet in de vroeger beschreven houding met
+opgetrokken armen en beenen, of ook ligt het juist niet stil, doch
+maakt, ook in zijn bedje, heftige, schokkende, stootende, bewegingen
+met armen en beenen en met het hoofd. De spieren (het vleesch) zijn
+niet zoo gespannen, of juist hard en te sterk gespannen.
+
+De slaap is meestal niet diep, de kinderen zijn onrustig, worden
+telkens wakker; de eetlust vermindert.
+
+Braken. Indien het, kort na den maaltijd, teruggeven van eene geringe
+hoeveelheid genoten melk verandert in braken van vocht, met slijm en
+stukjes, na langer tijdsverloop, waarbij dan, als uiting van gestoorde
+spijsvertering, nog komen veranderde ontlasting, vooral diarrhee,
+winden, buikpijn enz., zal men den geneesheer moeten raadplegen. De
+oorzaak kan gelegen zijn in ziekte van het kind, in onverstandige wijze
+van voeden, in onreinheid bij het bereiden van voedsel, in onreinheid
+van flesschen en spenen, in bedorven voedsel. Daarbij zijn de kinderen
+onrustig en huilen of schreeuwen. Om alvast iets te doen, in afwachting
+van de komst van den geneesheer, geve men slechts gekookt water of zeer
+slappe thee te drinken.
+
+Een hoogst enkele keer komt het voor, dat een zuigeling bloed braakt,
+al of niet gepaard met afgang van bloed uit den darm. De oorzaak
+daarvan ligt nog gedeeltelijk in het duister. Men moet zich dan in de
+allereerste plaats ervan trachten te vergewissen, of dat bloed, vooral
+indien alleen bloed gebraakt wordt, misschien te voorschijn komt na
+eene bloeding uit den neus, uit het slijmvlies van den mond, of na
+inslikken van bloed uit scheuren van den tepel. In deze gevallen is de
+hoeveelheid gewoonlijk gering. In het hier bedoelde, zeer zelden
+voorkomende, geval komt het bloed gewoonlijk zonder voorafgaande
+verschijnselen, somtijds na eenigen tijd van onrust gepaard met braken
+van genoten melk en met vloeibare ontlasting, veelal in de vier eerste
+dagen na de geboorte, zelden later. Meestal komt het bloed het eerst of
+alleen uit den darm, al of niet met ontlasting, in den aanvang in
+kleine hoeveelheid, vloeibaar of met bloedstolsels, lichtrood,
+donkerrood tot zwartachtig gekleurd. In een deel der gevallen gaat dit
+samen met braken van bloed. Zeldzamer wordt alleen eene roode of
+bruinachtige vloeistof, soms met stolseltjes, gebraakt, of ziet men
+kleine streepjes bloed in het uitgeworpen voedsel. Het kan bij één keer
+blijven, enkele uren, doch ook eenige dagen aanhouden. Indien het zich
+herhaalt, treden verschijnselen van sterk bloedverlies op; de
+temperatuur van het lichaam daalt, de ledematen, te beginnen met handen
+en voeten, en de neus worden koud, het gelaat krijgt een wasbleeke
+kleur, de ademhaling wordt oppervlakkig, de pols is nauwelijks te
+voelen. Men moet onverwijld de hulp van den geneesheer inroepen, daar
+de toestand voor den zuigeling zeer bedenkelijk worden kan.
+
+Dit braken is niet te verwarren met het spuwen van ingeslikt
+vruchtwater, dat, vaak vermengd met de ontlasting zooals die door alle
+zuigelingen in de eerste dagen geloosd wordt en den naam van kindspek
+draagt, kort na de geboorte wordt uitgeworpen.
+
+Breuken. Behalve de vroeger genoemde breuken komt bij jongens somtijds
+een waterbreuk voor, dat is eene ophooping van vocht in een bepaald
+gedeelte van den balzak, waardoor deze min of meer vergroot is. In de
+meeste gevallen verdwijnt dit vocht van zelf, zoodat eene behandeling
+onnoodig is.
+
+Engelsche ziekte (Rachitis) is een ziekte, welke gewoonlijk nog in het
+eerste levensjaar en dan meestal eerst na de derde maand, bij vele
+kinderen eerst in het tweede halfjaar, begint, in den regel met
+algemeene verschijnselen, welke wijzen op stoornis in de voeding en op
+algemeene zwakte. De kinderen worden onrustig, verdrietig, slecht
+geluimd, schreien veel en slapen niet meer zoo goed als te voren; zij
+worden bleeker en slapper, lijden aan verstopping, later aan diarrhee;
+de urine heeft vaak eene doordringend scherpe reuk. Nadat deze
+algemeene verschijnselen twee of drie weken geduurd hebben, treden
+andere op. Een van de eerste is sterk zweeten, vooral aan het hoofd,
+zoodat ’s morgens vaak het hoofdkussen doornat is. De kinderen hebben
+pijn in de ledematen, voornamelijk bij aanraking, dus als zij worden
+opgenomen of aangevat, en bewegen armen en beenen liever niet. Terwijl
+zij op den rug liggen, bewegen zij het hoofd, ook in den slaap, heen en
+weder, wrijven met het achterhoofd op het kussen, waardoor daar ter
+plaatse het haar verdwijnt, doch worden rustig als men hen voorzichtig
+op zijde legt. Zijn zij ouder dan een half jaar, dan zoeken zij van
+zelf die ligging op de zijde. Als zij gedragen worden, wordt het hoofd
+hun al gauw te zwaar en leggen zij zich met wang en voorhoofd tegen het
+gezicht of den schouder van hen die ze dragen. Op de plaatsen waar men
+ze aanpakt komen spoedig roode vlekken te voorschijn.
+
+Somtijds breekt de ziekte onverwacht uit, met plotseling optreden van
+diarrhee, verhooging van de lichaams-temperatuur, snelle pols, pijnen
+in de gewrichten en aanvallen van krampen.
+
+Daarna vertoonen zich veranderingen in de beenderen, welke vooral zijn
+waar te nemen aan de uiteinden van de zoogenaamde lange beenderen, dat
+zijn die van armen en beenen, en aan de ribben. De polsen en enkels
+worden dik, de huid maakt daar diepe plooien; aan de voorzijde van de
+borstkas ontstaan plaatselijke verdikkingen van de ribben, ter
+weerszijden van het borstbeen, in overlangs loopende rijen, als de
+zoogenaamde rachitische rozenkrans. Het hoofd wordt groot en verkrijgt,
+door afplatting van den achterhoofdschedel, breed en hoog en in het
+midden vlak worden van het voorhoofd, een vierkanten vorm, waartegen de
+kleinheid van het gezicht, doordien de beenderen van het gelaat in
+groei ten achterblijven bij die van den schedel, opvallend afsteekt. De
+fontanellen blijven langen tijd open; de groote fontanel sluit zich
+eerst aan het einde van het tweede levensjaar of nog later. De kinderen
+leeren laat loopen, terwijl zij die reeds loopen konden, dikwijls als
+een van de vroeg voorkomende verschijnselen, den lust daartoe
+verliezen. Het krom worden van de beenen is algemeen bekend.
+
+De tanden breken later door, in onregelmatige volgorde en met lange
+tusschenpoozen. De snijtanden blijven klein, met hoekige kauwvlakten en
+vertoonen soms halvemaanvormige bochten; de tanden zijn week en broos
+en kunnen tot den kaakrand afbrokkelen, zij worden wankleurig, het
+email vertoont overlangs en dwars loopende spleten en ronde deukjes. De
+willekeurige spieren zijn slap.
+
+Kinderen met rachitis lijden vaak aan stuipen.
+
+Huidziekten. De huid van den zuigeling is zeer dun, teeder en gevoelig,
+en antwoordt zeer gemakkelijk op prikkels, hetzij die van buiten af dan
+wel van binnen uit werken.
+
+Daarom treden gemakkelijk plaatselijke veranderingen op, b.v. door
+inwerking van vochten, zooals melk welke uit den mond loopt, urine en
+ontlasting, wanneer de reiniging te wenschen laat. Doch ook al te
+veelvuldig reinigen en vegen van de huid kan, door telkens opnieuw
+verwijderen van het door de talkklieren geleverde vet, de huid
+overgevoelig maken voor schadelijke invloeden van buiten. De kinderen
+brengen zichzelf vaak door krabben wonden in het gelaat toe, waar
+schadelijke stoffen kunnen binnendringen, zoodat het dikwijls reeds
+vroeg noodig is de nageltjes te knippen.
+
+Vervolgens kunnen prikkels, van den darm uitgaande, verschijnselen van
+huidaandoening teweeg brengen, terwijl eindelijk ook de erfelijkheid
+eene rol speelt, zoodat de kinderen vaak aan dezelfde aandoeningen
+lijden als de ouders vroeger deden.
+
+Smetten of wondzijn van de huid. Het kenmerkende hiervan is het
+voorkomen van licht- of donkergekleurde, roode, vochtige, uiterst
+pijnlijke plekken, waaromheen en waarin somtijds blaasjes met troebelen
+inhoud liggen, welke plekken zich bij slechte verzorging gemakkelijk
+uitbreiden en de kinderen geducht kunnen hinderen. Men vindt deze
+plekken vooral op plaatsen welke voortdurend aan vocht zijn
+blootgesteld, b.v. aan den hals, waar de kleederen door spuwen of uit
+den mond vloeiende melk nat worden; aan de billen, aan de achtervlakte
+der dijen en in de liesplooien, door het lange liggen in luiers, nat
+door urine of door zure diarrhoeïsche ontlasting, bij
+voedingsstoornissen, alsmede aan de hielen en in alle plooien van de
+huid, vooral bij vette kinderen en bij kinderen die zweeten.
+
+Het voorkomen en genezen heeft zich dus te richten op zorgvuldige
+verpleging en op zorg bij de voeding. De plaatselijke behandeling
+bestaat in het reinigen met olie en (of) poederen, waarbij
+alsol-strooipoeder en bolus alba uitstekende diensten bewijzen.
+
+Urticaria of netelroosuitslag kenmerkt zich door het optreden van
+kleine of groote, eenigszins boven de omgeving uitstekende, helrood
+gekleurde, of lichte, in het midden dikwijls witachtige, vlekken,
+zooals die worden waargenomen na aanraking met brandnetels, vaak met
+een klein vochtbevattend blaasje in het midden. Zij jeuken, vooral in
+de warmte, en worden gewoonlijk door het kind opengeschuurd of
+opengekrabt, waarna zij, onder vorming van een korst, genezen.
+
+Ook hierbij heeft men te letten op stoornissen in de spijsvertering.
+Zij komen eveneens voor na insectenbeten. Ter behandeling kan men de
+plekken wasschen met azijnwater of citroenwater, met een schijfje
+citroen er overheen strijken; laten drogen en daarna poederen. Dikwijls
+helpt het bestrijken met een stukje naphtholzeep, in water gedoopt,
+zoodat eene laag schuim op de huid komt, welke men laat indrogen.
+
+Dauwworm is een vorm van eczeem, welke somtijds reeds vroeg optreedt.
+
+Deze uitslag begint, dikwijls reeds in de eerste weken na de geboorte,
+meestal aan de wangen, en kan zich over het voorhoofd, over het gelaat
+en het behaarde hoofd, in ernstige gevallen ook in de plooien van den
+hals, in oksel- en knieholten en zelfs over het geheele lichaam
+uitbreiden. De aangetaste plekken, waar de huid rood wordt en zwelt, en
+waar kleine min of meer roodgekleurde verhevenheden ontstaan, welke
+zich tot blaasjes ontwikkelen en na opening, door krabben of schuren,
+een weinig vocht ontlasten, veranderen spoedig, door ineenvloeien en
+uitbreiding in de omgeving, in vochtige vlakten, waarop zich korsten
+vormen, welke de vochtige, vaak etterende, vlakken bedekken en waar
+tusschendoor een troebel of etterig vocht heen siepert. Blijft de
+aandoening beperkt, dan kunnen de kinderen er goed uitzien, doch bij
+groote uitbreiding gaat zij gepaard met stoornis van het algemeen
+welbevinden. Somtijds wijst de aandoening op geërfde neiging tot
+huidaandoening, welke dan vaak het eerst in verband met de voeding
+optreedt. Kinderen wier gestel neiging tot eczeem-vorming vertoont,
+lijden ook gemakkelijk aan katarrhen van de slijmvliezen van neus, keel
+en luchtpijpstakken, aan roode oogen, klierzwellingen in hals en nek,
+aan stoornis in de spijsvertering, gebrek aan eetlust, beslagen tong,
+loozen van winden, slijmige ontlasting; zij hebben meestal een
+prikkelbaar zenuwstelsel en zijn bijzonder vatbaar voor kinderziekten.
+
+De aandoening kan van zelf tot genezing komen, vooral bij verandering
+van voedsel, zooals b.v. bij den overgang van melk tot gemengden kost,
+doch is gemeenlijk van langen duur en biedt vaak hardnekkig weerstand
+aan de door den geneesheer toegepaste behandeling.
+
+Wijnvlekken. Somtijds wordt een kind geboren met min of meer blauwrood
+gekleurde vlekken, welke overal op het lichaam kunnen voorkomen, doch
+zeer dikwijls worden aangetroffen in den nek en aan het voorhoofd, aan
+de grens van het haar. Zij kunnen vanzelf, dus zonder behandeling,
+verdwijnen. Dit is niet het geval met de evens rood gekleurde
+
+Vaatgezwelletjes, welke, bij de geboorte somtijds heel klein, allengs
+grooter worden en zich in alle richtingen, dus zoowel in de breedte als
+in de diepte, uitbreiden en zich boven de omgevende huid verheffen.
+Daarom is het aan te bevelen die zoo vroeg mogelijk te laten
+behandelen. Uitbranden, of vaccineeren op die plek, kan misschien bij
+geringe grootte een gunstig gevolg opleveren, de grootere vereischen
+operatieve behandeling.
+
+Berg noemt men een zich op de behaarde hoofdhuid vormend mengsel van
+huidvet, huidschilfers en vuil. De meening dat het, soms in vrij dikke
+laag op de plaats van de groote fontanel gelegen, niet mag verwijderd
+worden, met het oog op de gevoeligheid der hersenen, is volkomen
+onjuist. De behandeling bestaat in weekmaken, door de plek des avonds
+met olie in te smeeren, het hoofd met een doek te omwikkelen, en ’s
+morgens met zeepwater te wasschen, tot alles verdwenen is. Bij herhaald
+optreden, ondanks deze behandeling, bestaat vermoeden op ziekelijken
+aanleg voor huidaandoeningen.
+
+Lengtegroei. De lengte van het kind neemt in den aanvang vrij langzaam,
+daarna snel, tegen het einde van het eerste levensjaar weder langzamer
+toe. Ziekte heeft daarop bijna geen invloed. De gezond ontwikkelde
+jongen heeft bij de geboorte gemiddeld eene lengte van 50 cM. en groeit
+in het eerste jaar ongeveer 20 cM.; voor het meisje gelden de cijfers
+49 en 18–19 cM. Voor eene beoordeeling van den groei van het lichaam
+hebben de verhoudingen van lengte, omvang van borst en schedel meer
+waarde, dan de lengte alleen. De omvang van de borst, gemeten ter
+hoogte van de tepels, bedraagt bij den pasgeborene gemiddeld 31–35 cM.,
+de omvang van den schedel gemiddeld 33–35 cM. Bij goed ontwikkelde
+pasgeboren kinderen overtreft de omvang van de borst de halve lengte
+met ongeveer 6–10 cM. Een hooger cijfer (11–12 cM.) wijst op krachtige,
+een lager cijfer (5 cM.) op zwakke ontwikkeling. De omvang van den
+schedel en van de borst zijn bij de geboorte ongeveer gelijk. Bij
+normale ontwikkeling nemen beide gedurende eenigen tijd in dezelfde
+mate toe (in 3½ maand 2,5 cM.). Indien de omvang van de borst in
+mindere mate toeneemt, zou dit op rachitis wijzen (Bendix).
+
+Ontlasting. Verstopping komt zoowel bij aan de borst gevoede als bij
+met de flesch gevoede kinderen voor; somtijds aangeboren. Zij is bij
+borstkinderen van weinig belang. Het kan gebeuren, dat er slechts om de
+twee of drie dagen ontlasting komt en dan òf heel weinig òf veel, en
+dan vaak in den vorm van droge harde ballen, welke onder sterke
+inspanning van het kind worden uitgedrukt. Daarbij ondervindt het kind
+wel eens pijn en kunnen er scheurtjes in de aarsopening ontstaan, welke
+bloeden, zoodat zich bloed aan de oppervlakte dier ballen bevindt. Het
+kind heeft dan angst voor het ontlasten en tracht de ontlasting binnen
+te houden, waardoor de verstopping toeneemt. Behalve pijnlijkheid bij
+de ontlasting hebben de kinderen vaak een gevoel van jeuken en branden
+aan de aarsopening. Vooral bij fleschkinderen komen die harde ballen,
+geel, lichtgeel of grijsachtig gekleurd, voor, welke men gemakkelijk
+uit de luier kan schudden.
+
+Men onthoude zich zooveel mogelijk van inwendig toe te dienen middelen.
+Zoonoodig geve men een enkele keer wat wonderolie, b.v. een
+theelepeltje vol. Beter is het een zoogenaamd zeeppilletje aan te
+wenden, gemaakt door een stukje zeep ter dikte van een potlood en ter
+lengte van 3 of 4 centimeter te snijden, of door wat geschaafde zeep
+tot een balletje te kneden, en dat door de aarsopening in den endeldarm
+te brengen. Indien dit niet helpt, zette men, b.v. door middel van een
+gummi-ballon, een lavementje, waarvoor men eenvoudig lauwwarm water, of
+lauwwarm water en olijfolie (van elk een eetlepel), of lauwwarme
+olijfolie (twee eetlepels) of glycerine (een eetlepel glycerine en een
+eetlepel water), of koud water gebruiken kan. Men legge daarvoor het
+kind op de linkerzijde, met de knieën naar den buik opgetrokken, zoodat
+de aarsopening goed te zien komt, brenge dan het aanzetstuk (de canule)
+van het spuitje, goed met vaseline of olijfolie vetgemaakt, voorzichtig
+door de aarsopening in den endeldarm en spuite den inhoud van het
+spuitje vrij krachtig naar binnen. Bij fleschkinderen kan men meestal
+verbetering brengen door de samenstelling van het voedsel te
+veranderen, b.v. door minder melk te geven, door de melk te verdunnen
+met gortwater, door in plaats van gewone suiker melksuiker toe te
+voegen. Bij oudere kinderen kan men door toedienen van soep, groenten,
+ooft enz. trachten aan het euvel tegemoet te komen.
+
+Diarrhee. Bij diarrhee komt de ontlasting te dun en te vaak, van 8 tot
+wel 20 malen of meer per etmaal. De ontlasting komt dan, dikwerf
+voorafgegaan door koliek-pijnen, met meer of minder sterk geluid te
+voorschijn, kan zuur of rottend rieken, schuimend zijn en bloed
+bevatten. De buik kan opgezet zijn of juist ingezonken. Vaak hoort men
+voorafgaand rommelen in den buik. Bestaat er maag-katarrh, dan is de
+tong beslagen. De kinderen zijn onrustig, schreeuwen zoowel omdat zij
+pijn in den buik hebben als omdat de streek om de aarsopening en de
+billen gesmet en open is. De eetlust wordt minder, het lichaamsgewicht
+neemt niet toe of neemt zelfs af, de kinderen zien bleek en worden
+slap, de hoeveelheid urine wordt minder. In ernstige gevallen bespeurt
+men invallen en koud worden van het gelaat, vooral koud worden van
+neus, armen en beenen; de kleur van het gelaat wordt vaak blauwachtig.
+Het kind ligt stil en verdraait de oogen, wordt plotseling onrustig,
+schreeuwt of gilt, beweegt de armen en beenen stootend, om dan weder,
+vermoeid, rustig te worden. Het toenemen van de hoeveelheid urine is
+een gunstig teeken.
+
+De oorzaak kan zeer verschillend zijn. Bij fleschvoeding is zij vaak te
+vinden in onverstandig voeden, slechte reiniging van spenen en
+flesschen, bedorven voedsel. Men denke echter ook aan ziekte van het
+kind, als b.v. verkoudheid, infectie en zooveel meer, zoodat steeds de
+hulp van den geneesheer moet worden ingeroepen.
+
+Om te beginnen kan men alvast iets doen, en wel het kind op dieet
+zetten, het namelijk niet anders dan gekookt water of slappe thee
+geven.
+
+De roode billen wassche men met olie af en poedere daarna. Luiers, en
+alles wat met de diarrhee-ontlasting bevuild is, laat men in sodawater
+weeken en uitkoken, om ze daarna te wasschen.
+
+Een gewoon verschijnsel is het optreden van dunnere ontlasting,
+gedurende eenige dagen, als de ontlasting van de eerste dagen na de
+geboorte (kindspek) tot de melkontlasting over gaat.
+
+Zoowel verstopping als diarrhee gaan wel eens gepaard met pijnlijke
+uitzakking van een gedeelte van den endeldarm uit de aarsopening.
+
+Spruw noemt men eene in den mond optredende aandoening, teweeggebracht
+door een schimmelplantje en kenbaar aan op de tong en op het
+verhemelte, in de plooien der wangen, op tandvleesch en lippen
+voorkomende witte of geelwitte vlekjes van verschillende grootte en
+vrij belangrijke dikte, alsof vlokken van geronnen melk in den mond
+zijn achtergebleven, waarvan zij gemakkelijk te onderscheiden zijn,
+doordat men ze niet kan wegwisschen. Vaak staat de ontwikkeling in
+verband met stoornissen in de voeding en kunnen zij verdwijnen, als die
+worden opgeheven. Ook kan het aanwenden van dotjes of fopspenen de
+ontwikkeling in de hand werken. Zij veroorzaken den zuigeling pijn,
+waardoor het zuigen niet alleen bemoeilijkt, doch zelfs verhinderd
+wordt. Als behandeling noodig blijkt, kan men de mondholte, maar vooral
+die plekken, door middel van een penseel bestrijken met borax-glycerine
+(Borax 2,5 gr. glycerine 10 gr.) b.v. 4 maal per dag, of de plekken
+flink wegwrijven met een rein lapje, gedrenkt met brandewijn. De
+hierdoor ontstane wondjes genezen spoedig.
+
+Stuipen noemt men aanvallen van spierkrampen. De kramp-aanval begint
+met trekkingen in de spieren van het gelaat, waarbij het kind het
+voorhoofd fronst, de wenkbrauwen samen-, de mondhoeken naar beneden
+trekt, de kaken vast op elkander klemt, de oogleden opent en sluit, de
+oogen verdraait of in een bepaalden stand plaatst, schokkende
+bewegingen met het hoofd maakt, welke trekkingen overgaan op de spieren
+van den romp en van de ledematen, waarbij de ademhaling onregelmatig
+wordt, tijdelijk tot stilstand komt (men spreekt van „wegblijven” of
+„achter adem komen”), kortom alle spieren en spiergroepen ten slotte de
+krampen vertoonen, terwijl het gelaat eene bleeke kleur, daarna een
+blauwe tint aanneemt, bewusteloosheid intreedt, urine en ontlasting
+onwillekeurig geloosd worden.
+
+Men heeft gedurende den aanval zorg te dragen, dat het kind zich niet
+bezeeren en, indien het tanden heeft, door een opgerolden doek of een
+houtje tusschen de tanden te steken, zich niet op de tong bijten kan.
+Terwijl men den geneesheer laat ontbieden make men de kleederen los en
+legge men koude compressen op het hoofd, welke telkens verwisseld
+worden, of wikkele men het inmiddels uitgekleede kind in een koud nat
+laken en zette men een lavement van zeepwater. Inmiddels worde een
+lauwwarm bad gereed gemaakt, waarin men het kind eene overgieting met
+koud water geeft.
+
+Een afzonderlijke vorm is kramp van de stemspleet, waarbij het
+ademhalen, lang gerekt, met groote moeite en gierend geluid geschiedt,
+het kind, door gebrekkigen toevoer van lucht, blauw wordt en in het
+grootste gevaar verkeert.
+
+De aanvallen verschillen in lengte van duur en in aantal; in ernstige
+gevallen treden zij meermalen daags kort na elkander op. Na den afloop
+van een stuip valt het kind dikwijls in een diepen slaap, met
+rochelende ademhaling.
+
+Stuipen kunnen voorkomen bij kinderen met prikkelbaar zenuwstelsel, bij
+aandoening van de hersenen, bij plotseling optreden van stoornissen in
+de spijsvertering, bij het begin van acute infectie-zieken als de
+koorts intreedt, bij kinkhoest of andere ziekten en staan niet zelden
+in verband met Engelsche ziekte.
+
+Inzinking. Bij kinderen, die zwaar ziek zijn, treedt somtijds ineens
+eene verandering in het uiterlijk op, welke men collaps noemt en
+misschien het best wordt aangeduid met het woord „inzinking.” De huid
+neemt dan plotseling een vaalgrijze kleur aan, terwijl het kind
+onrustig wordt, de oogen verdraait, angstig kijkt, het gelaat blauw, de
+punt van den neus en de ledematen koud worden, de buik opzet.
+
+Men geve het kind een kortdurend warm bad met koude overgieting en
+brenge het daarna in zijn bedje, met warme kruik aan de voeten. Pas op
+voor verbranding der voeten.
+
+Tanden krijgen. Het tijdstip waarop de eerste tand verschijnt en
+vervolgens de andere doorbreken is wel is waar aan individueele
+schommelingen onderhevig, doch men kan toch wel eenigermate aangeven,
+wanneer en in welke volgorde zij gemeenlijk te voorschijn komen.
+Bijgaande tand-formule geeft door letters aan, welke volgorde in het
+meerendeel der gevallen bij gezonde kinderen wordt waargenomen.
+
+
+ g e f c b | b c f e g = bovenkaak
+ -----------------------+--------------------------------------
+ g e f c a | a d f e g = onderkaak
+ ------ ----------------- ------
+ kiezen hoek- snijtanden hoek- kiezen
+ tanden tanden
+
+
+De eerste snijtanden (a. a.) breken tusschen de 7e en 8e of 9e,
+somtijds reeds in de 4e, 5e of 6e maand door; de tweede groep (b. b. c.
+c.) ongeveer 4 tot 8 weken later, de volgende groep (d. d.) tusschen de
+10e en 12e maand. Dan volgen de voorste kiezen (e. e. e. e.) tusschen
+de 12e en 15e maand, of later, tot de 18e maand; daarop de hoek- of
+oogtanden (f. f. f. f.) omstreeks de helft van het 2e levensjaar en ten
+slotte de achterste kiezen (g. g. g. g.) tegen het einde van het 2e of
+het begin van het 3e jaar.
+
+Aan het einde van het eerste levensjaar zijn dus alle acht snijtanden
+en aan het einde van het tweede of aan het begin van het 3e jaar alle
+twintig melk- of wisseltanden te voorschijn gekomen. Deze tanden zijn
+kleiner dan de blijvende tanden, de kauwvlakten zijn in verhouding
+kleiner, zij staan meer rechtop en zijn blauwachtig wit van kleur.
+
+Afwijkingen in tijd en volgorde van het doorbreken komen vaak voor, ook
+bij kinderen die gezond en goed ontwikkeld zijn. Die afwijkingen zijn
+dus onverschillig als de kinderen goed gedijen. Alleen groote
+onregelmatigheden zijn van belang, als mogelijk verschijnsel van
+Engelsche ziekte.
+
+Bij het gezonde kind bespeurt men vaak niets van het tanden krijgen;
+hoogstens zijn zij wat onrustig en huilerig. Soms kondigt het
+doorbreken der tanden zich aan door zeer sterke afscheiding van
+speeksel, kwijlen de kinderen sterk. Het tandvleesch is rood, gezwollen
+en pijnlijk, op de wangen vertoont zich eene omschreven roode plek, al
+of niet met blaasjes of puistjes bezet. Een of twee dagen van te voren
+is het kind licht koortsig, zonder eenige andere afwijking, doch ook
+wel met lichte stoornis in de spijsvertering, weekere vaker komende
+ontlasting, lichte katarrh van neus en keel, geringe zwelling van
+klieren aan den hals. Het kind gevoelt zich niet behaaglijk, is
+onrustig en prikkelbaar, steekt telkens de vingers in den mond, heeft
+minder eetlust en slaapt minder goed. De gevoeligheid en
+prikkelbaarheid van het kind is dus verhoogd en tengevolge daarvan
+kunnen dan ook schadelijkheden, welke op andere tijden geene uitwerking
+hebben, hem ziek maken. Ook treden in enkele gevallen verschijnselen
+van den kant der hersenen op, in den vorm van spiertrekkingen in het
+gelaat en aanvallen van kramp, maar het is zeer verkeerd om alle
+mogelijke ziekten, welke in dien tijd toch evengoed als op andere
+tijden kunnen optreden, zooals b.v. huiduitslag, hoesten, diarrhee,
+stuipen enz., als meer of minder onschuldige gevolgen of verschijnselen
+van het tanden krijgen te beschouwen. Men moet dus niet te spoedig
+zeggen: „O, dat is niets, dat komt van de tanden.”
+
+Vaak neemt het kind gedurende dien tijd niet of weinig in gewicht toe
+of neemt het gewicht zelfs af. Aangenaam is het voor hem op iets hards
+te bijten, waarvoor hem een beenen ring, of iets anders dat hard is,
+mits daarbij groote reinheid betracht wordt, kan gegeven worden. Zulk
+een voorwerp mag niet te klein zijn, om het gevaar van inslikken te
+ontgaan.
+
+Nog wijs ik erop, dat de met het tanden krijgen van nature gepaard
+gaande vermeerderde afscheiding der speekselklieren eene aanwijzing is,
+dat men van dat oogenblik af ook andere spijs, dan uitsluitend melk,
+kan toestaan.
+
+Uitzakken van den endeldarm. Als gedurende de ontlasting het slijmvlies
+van de aarsopening of een gedeelte van het slijmvlies van den endeldarm
+naar buiten komt, spreekt men van uitzakken van den endeldarm. Men ziet
+dan de aarsopening omgeven door een blauwachtig-rood gekleurden dikken
+ring, welke gespannen aanvoelt, of het hoogrood of blauwrood gekleurde
+slijmvlies van den endeldarm een paar centimeters buiten de opening
+uitpuilen. Behalve pijn en aandrang tot persen gevoelt het kind zich
+goed. Deze afwijking komt minder bij zuigelingen, dan wel bij kinderen
+in het tweede of derde levensjaar voor.
+
+De behandeling bestaat in het terugbrengen van de gezwollen deelen,
+nadat de ontlasting is geschied. Daartoe legt men het kind op zijde of
+plaatst men het in knie-elleboogligging, en brengt men het uitgeperste
+gedeelte, met den met olie of vet besmeerden of met een in olie
+gedrenkt lapje omwikkelden vinger, voorzichtig zoo diep naar binnen,
+dat alles verdwijnt.
+
+De oorzaak kan gelegen zijn in verslapping van den endeldarm welke door
+persen erger wordt, in verstopping of diarrhee, waar vaak drang tot
+persen bij komt, in algemeene zwakte. Ook ziet men deze afwijking wel
+eens in aansluiting aan vernauwing van de voorhuid bij jongens, en bij
+kinkhoest.
+
+Bij oudere kinderen, die van een potje gebruik maken, kan het
+voordeelig zijn het potje zoo hoog te plaatsen, dat het kind de voeten
+niet steunen kan, zoodat de buikpers minder sterk werkt. Ook kan men
+ze, op den rug op een ondersteek liggend, de beenen in de hoogte
+heffen, opdat zij die niet kunnen steunen. In een warm zitbad komt de
+ontlasting gemakkelijker en met minder pijn.
+
+Vaccineeren. De bedoeling van het vaccineeren of inenten is, het kind
+te vrijwaren voor besmetting met het gif der pokken. Inderdaad verwekt
+de inenting eene ziekte, doch van weinig belang, welke ziekte niet
+besmettelijk is en den mensch in een toestand van onvatbaarheid voor
+echte pokken brengt. Aangezien deze onvatbaarheid van betrekkelijk
+korten duur is, ongeveer tien jaren, is het noodig de vaccinatie nu en
+dan opnieuw te verrichten.
+
+Het proces verloopt als volgt. Nadat de inenting verricht is, genezen
+de gemaakte wondjes in de eerste dagen gewoonlijk zonder eenig
+verschijnsel. Daarna treedt om het genezen wondje een rooden hof op en
+vormt zich eene kleine verhevenheid, een puistje, dat op den vijfden
+dag in een blaasje overgaat, welk blaasje, in grootte toenemend, in het
+midden een deukje draagt. Oorspronkelijk met witachtigen glans wordt
+het blaasje tusschen den zevenden en negenden dag geel, de inhoud
+etterig en de omgeving min of meer gezwollen, met helroode
+ontstekingskleur, op aanvoelen warm. De ontwikkeling van deze pokpuist
+bereikt haar hoogtepunt tusschen den negenden en elfden dag. Dan
+verdikt zich de etter en droogt in, waarna zich, tusschen elfden en
+achttienden dag ongeveer, terwijl zwelling en roodheid der omgeving
+minder worden, een korst vormt, welke na eenige dagen afvalt, met
+achterlaten van eene roodachtige plek, welke allengs verbleekt, zoodat
+omstreeks het einde van de vierde week alles voorbij is. Liggen de
+puisten dicht bij elkander, dan loopen zij ineen en is de zwelling
+belangrijker.
+
+Om de puisten tegen letsel, ook door krabben, daar de zwelling met jeuk
+gepaard gaat, en tegen infectie te beschutten, bedekt men ze b.v. met
+een lapje steriel gaas, met boorvaseline bestreken, vastgehouden door
+een of ander verband. Om krabben en schuren te verhinderen kan men de
+beweging der armen tijdelijk belemmeren, door de mouwtjes met
+veiligheidsspelden aan de borstkleeding vast te maken, of op andere
+wijze.
+
+Behalve deze plaatselijke kunnen zich ook algemeene verschijnselen
+voordoen. Sommige kinderen blijven er vrij onverschillig onder, andere
+worden gedurende eenige dagen lusteloos of kribbig, hebben minder
+eetlust, nog andere krijgen een uitslag over het geheele lichaam, in
+den vorm van kleine roode vlekjes en puistjes.
+
+Alleen gezonde kinderen mogen ingeënt worden. In het algemeen kan men
+zeggen, dat het de voorkeur verdient de kinderen zoo vroeg mogelijk in
+te enten, omdat zij dan minder gevoelig zijn. Meestal gebeurt het niet
+voor de zesde levensmaand, waarop men evenwel in tijden van epidemieën,
+welke echter na het invoeren der vaccinatie zelden en nooit meer in
+groote uitgebreidheid worden waargenomen, natuurlijk eene uitzondering
+maken zal. Het jaargetijde waarin men vaccineert is onverschillig.
+
+Vernauwing van de voorhuid. Bij pasgeboren jongens is de eikel
+gewoonlijk samengekleefd met de voorhuid, eene tijdelijke verbinding,
+welke na korten of langeren tijd van zelf wordt opgeheven, zoodat
+behandeling onnoodig is. De voorhuid is altijd zoo nauw, dat het niet
+gelukt die over een groot gedeelte van den eikel terug te schuiven. Ook
+dit wordt op den duur anders. Intusschen kan het gebeuren, dat er
+tusschen eikel en voorhuid eene lichte ontsteking optreedt, ten gevolge
+van ontleding van de vettige stof, welke door daar ter plaatse
+aanwezige kliertjes wordt afgescheiden. Dit kan aanleiding geven tot
+dikwijls en pijnlijk urineeren, vooral als de opening van de voorhuid
+bijzonder nauw is, waarbij de zuigeling onrustig wordt, eene hoog-roode
+gelaatskleur krijgt en heftig schreit, terwijl de urine met een dunne
+straal te voorschijn komt en de voorhuid, als de urine tusschen eikel
+en voorhuid dringt, als een ballon wordt uitgezet. Dan is eene operatie
+noodig.
+
+Bij eenvoudige lichte ontsteking zonder meer is het voldoende de
+voorhuid stomp los te maken en alles te reinigen.
+
+Zindelijk maken van zuigelingen. In den laatsten tijd wordt aangegeven,
+dat men den zuigeling reeds heel vroeg kan leeren zijne behoeften op
+het potje te doen. Van den tweeden dag af laat men, volgens het
+voorschrift, het kind het potje even voelen, door het languit op den
+schoot te leggen, de beentjes met de linkerhand in de hoogte te houden
+en met de rechterhand het potje onder de billetjes te plaatsen. In de
+eerste dagen zonder eenig gevolg, zou het kind, bekend geworden met de
+aanraking van het koude potje, reeds in de tweede week de bedoeling
+daarvan vatten en zijne behoefte daarin doen. Dit geldt zoowel voor de
+urine als voor de ontlasting. Indien dit op geregelde tijden gebeurt,
+zou het kind al spoedig zelf de regelmaat vrijwel inachtnemen en in de
+vierde week de luier niet meer bevuilen. In den beginne kost het veel
+tijd, doch dat wordt spoedig anders. Geduld en tijd kunnen zonder
+twijfel ook hierbij veel doen bereiken en de daaraan besteede moeite
+loonen. In ieder geval bewijst het, dat de moeders zeker vroeger met
+het zindelijk maken kunnen beginnen, dan tot nu toe de gewoonte was.
+Het beste oogenblik zal wel dat vóór de voeding zijn.
+
+Zitten, staan en loopen. Terwijl het kind met 5 of 6 weken, als het op
+den buik ligt, het hoofd flink vermag op te heffen, begint het dit in
+de 3e maand ook reeds in andere houding te doen en kan het in de 4e
+maand het hoofd reeds ophouden. Van de 6e maand af met steun, kan het
+in de 8e maand zonder steun zitten. Voor de 6e maand kan het het hoofd
+reeds in alle richtingen bewegen, zich op de zijde of op den buik
+draaien. Zoolang het hoofd bij het opnemen nog heen en weder schommelt,
+moet het kind nog in liggende houding verblijven, doch als het zich
+gaat oprichten, waarbij men het wel eens helpen mag, en het hoofd
+vermag op te houden, mag men het, als het de kracht daartoe bezit, op
+den arm dragen. Reeds na een paar weken sluit het de vingers om een
+voorwerp, dat men hem in de hand geeft, begint dit al spoedig vast te
+houden en grijpt omstreeks de 6e maand naar elk voorwerp, dat men hem
+voorhoudt. In de 9e maand begint het pogingen aan te wenden om, hier en
+daar in zijn bedje steun zoekende, zich op te richten en te gaan staan,
+hetgeen hem al spoedig gelukt. Indien het kind dit van zelf doet, laat
+men hem begaan, zonder vrees te koesteren dat hij daardoor kromme
+beenen zal krijgen, maar wel moet men zich onthouden hem te willen
+oefenen, door hem op de beenen te zetten. Men late alles aan hemzelf
+over. Tegen het einde van het eerste levensjaar begint het kind,
+terwijl het een houvast zoekt aan stoel of andere vaststaande
+voorwerpen, reeds te loopen, alras eenige schreden, zonder dien steun
+en aan de hand gehouden, te doen, om gewoonlijk zeer vlug alleen te
+loopen. Als het kind valt, zal het beginnen te huilen. Men doet dan
+verstandig hem niet met lieve woordjes en aanhalingen tot bedaren te
+brengen, doch er niet op te letten of te trachten hem af te leiden door
+zijne aandacht op iets anders te vestigen.
+
+
+
+Voor den gezonden zuigeling is het een genot om slechts weinig gekleed,
+liever nog geheel naakt, te liggen spartelen. Men kan hem dit genot
+gemakkelijk verschaffen, door hem in een, niet beneden 15,5° C. (60°
+F.), verwarmd vertrek gedurende vijf tot tien minuten op een kussen of
+een matrasje te leggen. Hij oefent daarbij zijne spieren, neemt tevens
+een luchtbad en ook de moeder geniet ervan.
+
+In den zomer kan men hem, bij goed weder, reeds in de tweede week in de
+buitenlucht brengen, op heel mooie dagen zelfs vroeger. In den beginne
+is het goed hem te dragen, doch dan mag hij niet te warm gekleed zijn.
+Weldra mag hij in eene goed-veerende wagen uitgaan. In het warme
+jaargetijde kan hij ook in den tuin of op de veranda, in wieg of wagen,
+buiten liggen, tegen zonlicht en tocht beschut. In den winter mag hij
+ook wel buiten gereden worden, in de middaguren, als de zon het hoogst
+staat, doch niet zoo vroegtijdig als in den zomer, en zeker niet als
+het winderig of nat weer is.
+
+Het is de vraag of het niet beter is om den jongen zuigeling, in den
+laten herfst, in den winter of in de eerste voorjaarsmaanden geboren,
+in een verwarmd goed gelucht vertrek te houden, dan hem aan de dikwijls
+snel wisselende weersveranderingen, welke in dien tijd aan ons klimaat
+eigen zijn, bloot te stellen. Vele geneesheeren achten dit
+verkieselijk.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET EEN EN ANDER OMTRENT BIJGELOOF, VOLKSGEWOONTEN, ENZ. BIJ
+ZWANGERSCHAP, BARING EN IN HET KRAAMBED.
+
+
+In het eerste gedeelte was er sprake van het belang voor de aanstaande
+moeder om ten minste eenigermate te weten, hoe ongeveer de verhouding
+is van de deelen van haar lichaam, waarin zoowel de bevruchting
+geschiedt als waarin het bevruchte eitje zich ontwikkelt. Er werd op
+gewezen, dat het kind gelegen is in een spierachtigen zak, de
+baarmoeder, waarboven de darmen en de maag, eveneens een zakvormig
+orgaan, zich bevinden, en dat die allen door het middenrif gescheiden
+zijn van de borstholte, waar binnen het hart en de longen liggen.
+
+Dikwijls hoorde ik de opmerking, dat het braken gedurende de
+zwangerschap zou te wijten zijn aan het feit, dat de hoofdharen van het
+kind de maag kriebelden. Zelfs met het weinige, dat ik omtrent de
+ligging der organen in de buikholte mededeelde, zal iedereen kunnen
+begrijpen, dat die verklaring allerbespottelijkst is. Eene andere
+opmerking, welke vaak gehoord wordt, is deze, dat de moederkoek aan het
+hart vastgegroeid was. Eene enkele overweging van de natuurlijke
+ligging der genoemde deelen in het lichaam der zwangere vrouw, doet de
+dwaasheid van zulk eene opmerking in het oog springen.
+
+Dergelijke beweringen en opvattingen worden telkens weder met grooten
+ernst en zekere voorliefde geuit. Het nu volgende, indertijd geschreven
+met de bedoeling om te trachten den oorsprong van enkele daarvan te
+ontdekken, heb ik gemeend in dit boek te moeten opnemen, in de hoop
+daarmede, zoo het kan, een einde te maken aan verhalen en verdichtsels,
+welke menige zwangere vrouw in niet geringe mate angst en vrees kunnen
+aanjagen.
+
+
+
+Wij schrijven 1910 en toch gebeurde het mij nog niet zoo heel lang
+geleden, dat eene kraamvrouw, die voor de derde maal moeder geworden
+was, mij zeide: „Aan al dat ouderwetsche doe ik niet meê, maar m’n
+haren kammen, dat durf ik niet. En omdat ’t zoo viezig wordt en er
+zoo’n onaangename lucht uit het haar komt, doe ik er wat Eau de quinine
+op. Maar vies is ’t wel, m’n haarspelden roesten er in.”
+
+Al dat ouderwetsche! Daarmede bedoelde zij het niet reinigen van de
+kraamvrouw na de baring, het niet verwisselen van het bevuilde lijfgoed
+tegen rein, en nog andere van die handelingen, waarvan zoo nu en dan
+nog wel wat in de praktijk opduikt, als herinnering aan volstrekt niet
+ver verwijderde tijden en gewoonten.
+
+Mijne patiënte vreesde, dat het uitkammen der haren, in de eerste negen
+dagen van het kraambed, aanleiding zou geven tot bloedstorting. Anderen
+verbonden oudtijds daaraan de vrees, dat het zog in het hoofd zou
+slaan. Wordt deze vrees misschien ook nu nog gevonden in ons vaderland?
+
+Het aantrekken van schoon linnengoed, het verhemden, mocht niet
+gebeuren, omdat anders de kraamzuivering zou ophouden en het zog in den
+buik slaan.
+
+Tot welke toestanden die vrees voor reiniging kan leiden en werkelijk
+leidde, blijkt uit eene mededeeling van een heel- en stadsverloskundige
+te Alkmaar (ten Houte de Lange) in het jaar 1852. „Eene vrouw die ik in
+bewusteloozen toestand, na den 36sten aanval van stuipen had verlost”,
+zegt hij, „bezocht ik den 8sten dag daarna.” De patiënte woonde op 2
+uren afstands van zijne woonplaats. „Zij was in dien tusschentijd onder
+behandeling van eene plattelands-vroedvrouw en eenen Med. Doctor, die
+haar dagelijks bezochten. Voor haar bed komende kwam mij de
+walgelijkste stank te gemoet, en vond ik haar in den deerniswaardigsten
+toestand; zij lag nog in hetzelfde sluitlaken, dat ik haar na de
+verlossing had omgedaan, en in hetzelfde bed, in al de gedurende dien
+tijd ontlaste urine, kraamzuivering en drekstoffen. Twee plekken
+koudvuur van de grootte eener manshand aan de billen en stuit
+verspreidden den afschuwelijksten stank. Niettegenstaande dezen
+ongehoorden toestand en dat zij een nietig klein vrouwtje was, is alles
+zeer voorspoedig genezen, heeft zij nog zevenmaal gelukkig en
+voorspoedig gekraamd en leeft nog”. Tot zoover zijn verhaal.
+
+Onwillekeurig vraagt men zich af, of er eenige reden bestond voor de
+vrees, dat reiniging der kraamvrouw schade zou kunnen berokkenen en of
+die reden uit het volk zelf, dan wel uit de geneeskundige wetenschap
+kan ontsproten zijn.
+
+Het is buiten twijfel, dat veel, wat wij uit den mond der leeken
+hooren, een overblijfsel is van hetgeen vroeger in de geneeskundige
+wetenschap gangbaar was en dikwerf langen tijd den geneesheeren tot
+grondslag van hun weten en handelen diende. Is het wonder, dat, waar
+zij zoo lang vasthielden aan oude leerstellingen, de leek daarvan nu
+nog geen afstand heeft gedaan; dat bij de leeken van dergelijke
+beschouwingen nog velerlei is blijven voortleven, waar de wetenschap
+haren dienaren ander en beter inzicht gaf?
+
+Het schijnt mij toe, dat wij, ter verklaring der vrees voor reiniging,
+dat zog in het hoofd of in den buik zou slaan, moeten teruggaan tot de
+tijden van Hippocrates (geboren 460 j. v. Chr. op het eiland Kos). Wat
+hij, zijne scholieren en navolgers, hebben gedacht en geleeraard,
+vinden wij neergelegd in de geneeskundige geschriften welke den naam
+van Corpus Hippocraticum dragen. Kortheidshalve wordt gewoonlijk, bij
+de aanhaling van die geschriften, alleen van Hippocrates gesproken,
+omdat hij de voornaamste was, „onze leermeester” zooals 400 j. n. Chr.
+Oribasius hem noemde. Zijne leer is door alle tijden heen van grooten
+invloed op de geneeskunde geweest.
+
+Voor Hippocrates dan was de kraamzuivering van het grootste gewicht.
+Stoornissen in de uitscheiding dier vloeistof werden in nauw verband
+gebracht met ziekten in het kraambed. De kraamzuivering werd
+voorafgegaan door de uitscheiding eener vloeistof, welke hij ichor
+noemde. De daarover handelende plaats wordt als volgt vertaald: „Na de
+geboorte van kind en nageboorte, vloeit eene bloederig-waterige
+vloeistof weg, welke van het hoofd en van het overige gedeelte van het
+lichaam komt en uitgescheiden wordt door het geweld, den arbeid en de
+hitte (gedurende de baring), en welke als inleiding van de
+kraamzuivering te beschouwen is.”
+
+Waarom de kraamzuivering zich vertoont, wordt aldus verklaard. „De
+kraamzuivering treedt op, omdat bij de zwangerschap van een meisje
+gedurende de eerste 42 dagen, bij die van een jongen gedurende de
+eerste 30 dagen, slechts zeer weinig bloed tot voeding van het kind
+naar beneden gaat—omdat anders het jonge vruchtbeginsel zou verstikken.
+Na dien tijd evenwel vloeit, tegelijk met vermeerderde pneuma-opname
+[9], tot aan de geboorte eene grootere hoeveelheid bloed toe. De
+reiniging moet dus in de kraamzuivering teruggegeven worden, en naar
+buiten afvloeien, naar de orde der dagen”
+
+Dit is, zoo gezien, vrij onverstaanbaar. Maar als men weet, dat een der
+Grieksche benamingen van kraamzuivering ook gebruikt wordt voor de
+menstruatie, dan ligt het voor de hand, dat waar van de leer der
+levensverschijnselen in het kraambed, en de afwijkingen daarvan, sprake
+is, met dien naam bedoeld is het menstruatie-bloed, dat in den eersten
+tijd der zwangerschap niet door het kind gebruikt werd, zoodat de
+kraamzuivering daarvoor in de plaats treedt.
+
+In dezen gedachtengang ligt ook de grondslag voor de opvatting, dat de
+duur der kraamzuivering na de geboorte van een jongen 30 dagen, na de
+geboorte van een meisje 42 dagen duurt, d.i. naar de orde of naar den
+regel der dagen.
+
+Om dit alles te begrijpen is het noodig na te gaan, hoe Hippocrates
+zich de vorming der vrucht voorstelde. Het voortplantings-product van
+de vrouw is voor hem niet het ei, omdat zoowel het ei als de eierstok
+hem onbekend waren, maar, evenals bij den man, het zaad. De bevruchting
+bestaat in het samenkomen van het zaad van man en vrouw. Dat zaad wordt
+uit het geheele lichaam, uit vaste en weeke deelen en uit alle
+vloeistoffen—n.l. de vier Hippocratische vloeistoffen: bloed, gal,
+water en slijm—afgescheiden, grootendeels uit het hoofd, van waar het,
+langs de ooren naar het ruggemerg geleid wordt.
+
+Is het zaad van man en vrouw in de baarmoeder gekomen, dan wordt het
+door de lichaamsbewegingen der vrouw vermengd en door de warmte tot
+elkander gebracht en verdikt. Daarna neemt het pneuma op, omdat het op
+eene warme plaats ligt, door de ademhaling der vrouw. Het pneuma baant
+zich, nadat het verdikte zaad er mede gevuld is, een weg naar buiten.
+Dadelijk neemt het zaad weder nieuw, koud pneuma van de moeder in zich
+op, door de scheur waardoor het vroegere ontsnapt is. Op die wijze
+wordt het vruchtbeginsel gevoed.
+
+Het van pneuma doordrongen zaad omgeeft zich met een vlies,
+waardoorheen zich, tot in het midden van het vruchtbeginsel, een weg
+voor het pneuma vormt, langs welken weg het in- en uittreden kan. Deze
+weg is blijkbaar de navel.
+
+Maar door het vlies treedt ook bloed naar binnen.
+
+Dit bloed is het menstruatie-bloed, dat, na de bevruchting, niet meer
+naar buiten afgescheiden wordt, maar, langzamerhand uit het geheele
+lichaam in de baarmoeder komende, het vlies omgeeft, en, tegelijk met
+het pneuma, door het vlies ingezogen wordt.
+
+Bij de aldus plaatsgrijpende voeding, door pneuma en bloed, komt
+geleidelijk, onder vorming van de stoffen waaruit het vruchtbeginsel
+bestaat, door het pneuma de scheiding der weefsels tot stand. Na de
+splitsing, in ledematen en organen, is dan een kind ontstaan.
+
+De duur van dit ontstaan, gerekend van het vastworden van het
+zaadmengsel af, is bij meisjes hoogstens 42 dagen, bij jongens
+hoogstens 30 dagen.
+
+De oorzaak van de latere splitsing bij meisjes is te zoeken in haar
+ontstaan uit zwakker en vochtiger zaad.
+
+Bij het toenemen van de hoeveelheid bloed in de baarmoeder neemt ook
+het aantal vliezen toe, welke dun zijn, met elkander door banden
+samenhangen en, evenals het eerste vlies, van de navelstreng af
+uitgespannen zijn. In deze vliezen, vooral in het meest naar buiten
+gelegene, ontstaan holten, in welke het moederlijke bloed, dat het
+ademende vleesch voeden moet, binnen dringt. Nu heet dat alles chorion,
+waarmede hoogstwaarschijnlijk de nageboorte bedoeld wordt.
+
+
+
+Het begrip van kraamzuivering is dus dat van eene reiniging, en de
+stoornis daarin, vooral de verminderde of geheel opgeheven
+uitscheiding, moet dus van grooten invloed zijn. Dat is duidelijk, als
+wij weten, dat de kraamzuivering, evenals de maandstonden en het
+vruchtwater, gerekend wordt te behooren tot de steeds in beweging
+zijnde vier Hippocratische vloeistoffen, welke als zoodanig van buiten
+af in het lichaam komen en door het geheele lichaam verbreid zijn. De
+gezondheid van het lichaam berust op de normale verhoudingen dezer
+vloeistoffen. Zij ontstaan uit de in het lichaam gebrachte spijzen en
+dranken in de darmen, en komen door de aderen in de verschillende
+stapelplaatsen, van waar zij verder in het lichaam worden overgebracht.
+Die stapelplaatsen zijn: het hart voor het bloed, het hoofd voor het
+slijm, de milt voor het water en de galblaas voor de gal. Nadat zij met
+de deelen van het lichaam in wisselwerking getreden zijn, verlaten zij
+het lichaam door de lichaamsopeningen, dat zijn: mond, neus, aars en
+pisweg. Blijft de oude vloeistof langer dan 3 dagen in het lichaam, of
+is de nieuwe vloeistof in te groote hoeveelheid opgenomen, dan heeft
+dat kwade gevolgen.
+
+Het achterblijven van de kraamzuivering heeft dus, daar de uitscheiding
+voor de gezondheid een noodzakelijk vereischte is, eveneens slechte
+gevolgen.
+
+Als oorzaken voor het niet wegvloeien der kraamzuivering worden
+genoemd: ontsteking van de baarmoeder en sluiting van den
+baarmoedermond.
+
+Als wij nu lezen, dat ontsteking van de baarmoeder o.a. teweeggebracht
+wordt door koude, dan komen wij reeds eenigermate tot eene verklaring
+van de vrees, welke bestaat voor het verhemden der kraamvrouw, evenals
+die tegenwoordig nog wordt waargenomen waar sprake is van reiniging, en
+het aantrekken van schoon lijfgoed, tijdens de menstruatie.
+
+Om nu eene verklaring te vinden voor den angst, dat het zog in hoofd of
+buik zou slaan, moeten wij nog weten wat Hippocrates leert omtrent den
+oorsprong van het zog.
+
+Wij denken, en dat deed Hippocrates ook, aan de borsten der vrouw. Maar
+weten wij nu, dat het zog in de borsten optreedt als voortbrengsel van
+de zogklier, Hippocrates dacht niet zoo en verklaarde het optreden van
+zog in de borsten op geheel andere wijze. Volgens hem speelden de
+borsten eene geheel lijdelijke rol.
+
+Als de scheiding der vruchtdeelen is tot stand gekomen, zegt hij,
+beweegt het kind zich en treedt er melk in de borsten op. Die melk komt
+daarin door druk van de zwangere baarmoeder. Door dien druk wordt het
+meest vette, uit spijs en drank, uit den buikinhoud (in het net en in
+het vleesch) geperst. Het komt verwarmd, wit geworden en zoet gemaakt
+door de warmte van de baarmoeder, in den vorm van melk, door de aderen,
+voor het kleinste gedeelte in de baarmoeder, waar het kind er van
+gebruikt, voor een ander gedeelte in de borsten, waardoor deze
+opzwellen.
+
+De borsten bezitten dus het vermogen de melk op te zuigen, maar
+bereiden die niet.
+
+Dit kan ook gebeuren bij niet-zwangeren.
+
+Bij de mededeeling, dat zog optreedt in de borsten van niet-zwangere
+vrouwen, wordt uitdrukkelijk gezegd, dat de menstruatie ontbrak. Maar
+het blijkt niet, dat Hippocrates van meening was, dat het
+menstruatie-bloed in die gevallen tot melk werd. Die opvatting wordt
+gevonden bij de oude Indiërs, zooals, naar men zegt, blijkt uit de
+Yajur-Veda, een in het Sanskrit geschreven werk, dat veel ouder is dan
+de Hippocratische geschriften. Wèl zegt Hippocrates, dat, als de
+borsten ontbreken, b.v. als zij weggenomen zijn, de melk op edele
+deelen slaat, op hart en longen, waardoor stikking optreedt.
+
+Wanneer wij nu lezen, dat Steidele (in het begin der 19de eeuw) bij
+sterke vulling der borsten van niet-zoogende vrouwen melk uit de
+geslachtsdeelen zag vloeien, dan laat het zich, met den gedachtengang
+van Hippocrates en zijn begrip van melk, gemakkelijk verklaren, dat bij
+de leeken, die blijkbaar ook van deze dingen gehoord hebben, het begrip
+van verplaatsing van het zog naar andere deelen van het lichaam, door
+oorzaken welke op de werkzaamheid der geslachtsdeelen werkten,
+gemakkelijk ingang vond.
+
+Bij de oude Indische artsen vinden wij immers ook wel eene dergelijke
+opvatting. Waar bij hen van de behandeling der koorts bij kraamvrouwen
+sprake is, leest men, dat de koorts ontstaat door het naar beneden
+zakken van de melk.
+
+In verband met de Hippocratische leer kan dan ook eene andere
+opvatting, welke somtijds nog in de kraamkamer voorkomt, verklaard
+worden. Ik bedoel deze. Het is mij gebeurd, dat de baker het kind niet
+aan de moederborst wilde leggen, vóór dat de kraamvrouw gewaterd had,
+omdat—zooals zij zeide—het zog met urine vermengd zijn zou. Hippocrates
+rekende ook de urine tot de vier vloeistoffen te behooren. De pisweg is
+een der uitloozingswegen. Men kan zich dus voorstellen, dat, waar de
+melk haren oorsprong heeft in die vier vloeistoffen, de vermenging
+daarvan met afgewerkte doch nog niet uitgescheiden vloeistof, in dit
+geval de urine, mogelijk moest geacht worden.
+
+Vele ontwikkelden onder onze patiënten, vooral onder de jongeren,
+zullen met ons lachen om deze opvattingen en het vies vinden, dat er
+menschen gevonden werden, die reiniging na de bevalling als een gevaar
+beschouwden. Maar eenigen tijd later zullen zij ons in vollen ernst
+mededeelingen doen, waaruit blijkt dat zij op hunne beurt aan
+opvattingen waarde hechten, die weder anderen doen glimlachen. Men moge
+het bijgeloof of domheid noemen, gewoonlijk komt het voort uit gebrek
+aan kennis van eigen lichaam en de verrichtingen daarvan, dat wij ook
+nu nog opmerkingen hooren, van hoogbeschaafden, welke overeenkomen met
+vooroordeelen, gewoonten en gebruiken, bij oude volken en natuurvolken
+in zwang, waarom zij lachen en over wier dwaasheid zij het hoofd
+schudden. En dat ondanks den vooruitgang in ontwikkeling, waarop wij
+20ste-eeuwers trotsch zijn.
+
+Of hooren wij niet herhaaldelijk, dat de oorzaak van de witte
+gerimpelde handen, waarmede de kinderen ter wereld komen, te vinden is
+in het, vooral in de laatste dagen, veel in zeepsop wasschen der
+moeder, en dat de roode oogleden te wijten zijn aan haar veelvuldig
+weenen?
+
+De straks genoemde heel- en verloskundige van Alkmaar heeft destijds
+eene menigte aanteekeningen gemaakt, die voor vele plaatsen in ons land
+en daarbuiten nog ten huidigen dage zouden kunnen neergeschreven
+worden. Zoo zegt hij, wat het kind betreft, dat veel huidsmeer
+afkomstig heette te zijn van het vele spek of vet vleesch eten door de
+zwangere, of ook, dat de bijslaap nog kort voor de bevalling is
+uitgeoefend. Dit laatste heb ik nooit zelf gehoord, wel, dat er verband
+zou bestaan tusschen de groote hoeveelheid huidsmeer en het gebruik van
+vet gedurende de zwangerschap.
+
+En wat hooren wij niet al met betrekking tot gebreken, waar mede het
+kind ter wereld komt, in verband met het schrikken der zwangere en het
+grijpen naar de plaats van haar lichaam waar zij eenig letsel verkreeg.
+
+Ook deze opvatting is reeds oud. In de Yajur-Veda wordt reeds gezegd,
+dat zich bij het kind aan hetzelfde lichaamsdeel, waaraan de moeder
+letsel kreeg, dezelfde werking vertoont.
+
+Toen ik onlangs dergelijke dingen met een mijner patiënten besprak, en
+haar vertelde hoe men in Hannover beweert, dat het kind moedervlekken
+of zomersproeten mede ter wereld brengt, als de moeder gele rapen of
+wortelen schraapt, of iets kookt, dat spat, wist de baker mij dadelijk
+te zeggen, dat dit volkomen waar was, want dat zij zelve het bij een
+harer kinderen had waargenomen. Maar ongeloovig schudde zij het hoofd,
+toen ik daarop zeide, dat in Hongarije de meening verbreid is, dat het
+kind een rooden uitslag krijgt, als de moeder met bloed omgaat, en dat
+het kind over het geheele lichaam zal behaard zijn als de moeder in de
+zwangerschap aardbeziën eet. Diezelfde baker reinigde de kraamvrouw na
+de bevalling wel degelijk, zag er ook geen bezwaar in, om de haren der
+patiënte uit te kammen en op te maken, maar had haar verboden vóór „de
+negen dagen” de nagels te knippen, omdat .... eene vloeiing of storting
+daarvan het gevolg kon zijn.
+
+Zooeven besprak ik eene opvatting, welke steeds levendige
+belangstelling heeft opgewekt en nog vermag op te wekken. Ik bedoel het
+verzien der zwangeren. Welke de invloed zijn kan van voortdurende
+prikkeling der zintuigen, van schrik of gemoedsaandoeningen, is niet
+met een enkel woord uit te maken. Evenmin kan men steeds een afdoend
+antwoord geven op vragen, die ons, naar aanleiding van—naar het
+heet—met zekerheid waargenomen feiten, gesteld worden.
+
+Vooral in de grijze oudheid werd het vermogen van allerlei op de
+zwangere inwerkende invloeden hoog aangeslagen. Maar ook later nog.
+Wilt ge een bewijs? Leest dan met mij het volgende uit het „Houwelijck”
+van Jacob Cats.
+
+
+ „Wanneer de vrouwe draeght soo dient de man te letten,
+ Dat niemant door het huys misschien en kome setten
+ Yet dat wan-schapen is, een wreet of seltsaem beelt
+ Dat ons het ooge terght, en soo de sinnen steelt.
+ Al wat oubolligh staet, of vreese kan verwecken,
+ Of met een snellen schrick ons in de leden trecken,
+ En dient een jonge vrou vooral niet daer se slaept,
+ En van de reyne trou de soete vruchten raept.
+ Wilt oock om dese tijt u niet te seer vergapen
+ Aen eenigh selsaem dier, als simmen, katten, apen:
+ En draeght niet in den arm, en leght niet aen den mont
+ Een vreemde baviaen, of plat-geneusden hont.
+ ’T is bij de vrouwen selfs in geenen deel te mercken,
+ Hoe dat een vremt geval kan op de vrouwen wercken:
+ Hoe onverwachte schrick tot aen de vrucht belent,
+ En hoe een selsaem spoock sigh in de moeder prent.
+ Wanneer een vrouwe draeght, het schijnt dat alle krachten
+ Zijn besigh aen de vrucht, en op de moeder wachten;
+ Dies waerder eenigh ding sigh in de sinnen vest,
+ Dat sackt van stonden aen, en druckt in dat gewest.
+ De Schrift getuyght het selfs, dat Jacob voor de dieren
+ Van Laban heeft gelegt gestreepte populieren,
+ Om even als het schaep zou paren metten ram,
+ De plecken van het hout te drucken in het lam.
+ Ghy die genegen zijt om zaet te mogen winnen,
+ Hebt geen wan-schapen dier, geen monster in de zinnen:
+ Stelt liever voor het oogh, wanneer ghij vruchten teelt,
+ Een schoon een geestigh kint, een aerdigh menschenbeelt.
+ Hier door ist wel gebeurt dat yemand van de Moren
+ Vont in voor-leden tijt een witte vrucht geboren;
+ Hierdoor ist wel gebeurt dat van een leelick paer
+ Men wert, oock tegen hoop, een aerdigh kind gewaer.
+ Een wijf bij al het volck vermaert in leelickheden,
+ Wiens man haer niet en weeck in onbeschofte leden,
+ Kreegh even-wel een kint het schoonste dat men vant,
+ Een peerel van de stad, en wonder in het lant.
+ Een kint gelijck een beelt, dat alle menschen presen,
+ En namen in den arm, of met den vinger wezen,
+ Een kint na vollen wensch, een gaeu en aerdigh fret,
+ En niet te bijster schrael, en niet te lijdigh vet:
+ Een yder stond verbaest, en sagh de frissche leden,
+ En sagh de schoone verw, onseker van de reden;
+ Dies gincker over-al een spreucke door de stadt,
+ Alsof hier in de vrouw haer eer vergeten hadt.
+ Een man die vorder sagh gingh al het huis beschouwen
+ Gingh letten op het stuck, ter eeren van de vrouwen.
+ Hij vint een schoon vertreck, daer op een schoon buffet
+ Een aerdig kinder-beelt stont geestigh af-geset.
+ Hij vont een ledekant behangen met gordijnen,
+ Een leger voor den weert, gelijck het mochte schijnen:
+ Hij vraeght wie datter slaept? hem wordt bescheyt gedaan,
+ En stracx zoo gist de man hoe dat de saken staen.
+ Hij spreeckt tot al het volck. Ick zal het oordeel vellen,
+ Laet maer het jonghste kint hier in de kamer stellen.
+ De meyt die loopter om soo veerdigh als se kan,
+ En brenghtet in de sael, en geeftet aen den man.
+ Die gaettet metter daet omtrent de beelden setten,
+ Die maent een ieder aen hier op te willen letten:
+ En siet, die nu het beelt en dan het kint bekeeck,
+ En vont noyt eenigh ey dat zoo een ey geleeck.
+ Daer gaet de kloeckste geest met vaste reden wijsen,
+ Wat datter uyt het oog kan in de sinnen rijsen:
+ En hoe een diep gepeys, door onbekende macht,
+ Het ingenomen beelt kan prenten in de dracht.
+ Stracx reser groote vreught, de bose tongen swegen,
+ De vrou heeft metter daet haer eere we’er gekregen:
+ En waer doen eenigh paer te samen wert geset,
+ Daer was een schoon gesight omtrent het echte bedt.”
+
+
+Immers tegenwoordig wordt ons nog menige mededeeling gedaan omtrent het
+verzien van zwangere vrouwen. Ik zag eens eene fotografie van een
+jongen, die over het geheele lichaam behaard was, welke buitengewone
+haarontwikkeling werd toegeschreven aan een sterk op de moeder
+inwerkenden prikkel gedurende hare zwangerschap. De moeder van dezen
+knaap werd op zekeren avond door haren man, die in opgewonden toestand
+tehuis kwam, zoo grof bejegend, dat zij in de bedstede de vlucht nam.
+’s Mans woede wilde zich toen op een, in het vertrek aanwezigen, poedel
+koelen, doch het dier, al even weinig op een dracht slagen belust als
+de vrouw, zocht bij haar bescherming. Daar werd het dier door den man
+duchtig toegetakeld, en de verschrikte vrouw beviel na eenigen tijd van
+een kind, begroeid met lange haren, zooals de poedel die had.
+
+Ook deze opvattingen, en hetzelfde geldt voor wat ik nog zal
+mededeelen, hebben haren oorsprong in overoude tijden, niet zoozeer in
+de beschouwingen van het volk, als in die der geneesheeren. Die
+beschouwingen, en voorschriften aan de hand daarvan gegeven, zijn
+langzamerhand als gemeen goed overgegaan in het denken der volken, en
+waar zij bij de geneesheeren, aan de hand van de zich ontwikkelende
+wetenschap, veranderingen en verbeteringen ondergingen of geheel
+verdwenen, bleven zij onder het overige menschdom bestaan en duiken
+telkens weder op. De oorsprong is vergeten, de beschouwing evenwel
+gebleven.
+
+Wij moeten niet alleen in de Hippocratische boeken, maar ook in de
+overleveringen der oude Indiërs, oude Hebreeërs en oude Egyptenaren
+zoeken, om den oorsprong te vinden. Dan zien wij, hoe opvattingen uit
+oude tijden invloed uitoefenden op nieuwere. Zoo vindt men b.v. in de
+Hippocratische boeken veel terug, wat reeds in de Rig-Veda (± 1500
+jaren voor Chr.) en vooral in de Yajur-Veda, welke van lateren datum
+is, beschreven staat, hetgeen erop wijst, dat ook de leer van de school
+van Hippocrates voor een deel is voortgekomen uit nog oudere
+geneeskunde.
+
+Zeer zorgvuldig zijn b.v. in de Yajur-Veda de voorschriften over de
+gezondheidsregelen gedurende de zwangerschap, welke, volgens bevoegde
+beoordeelaars, uitmunten boven die van de Hippocratische school. Niet
+alleen wordt daarin zeer zorgvuldig alles opgegeven met betrekking tot
+het gebruik van spijs en drank, b.v. dat de (daar opgenoemde)
+vleeschsoorten invloed uitoefenen op de lichamelijke en geestelijke
+eigenschappen van het kind, maar ook gewaarschuwd tegen opwinding,
+overmatige inspanningen en schuddingen van het lichaam. Tevens wordt
+daarin gewezen op den invloed door indrukken van het gemoed en der
+zintuigen op de zwangere vrouw uitgeoefend, hetgeen bij Grieken en
+Romeinen in praktijk gebracht werd, zooals wij dit ook door vader Cats
+in dichtvorm neergeschreven zagen.
+
+Wel is waar wordt in de Yajur-Veda niet gesproken over het verzien der
+zwangeren, maar iets in dien geest ligt toch opgesloten in de
+waarschuwing, dat de zwangere vrouw alles vermijden moet, wat
+onaangenaam is om te zien, en in het voorschrift, geen leelijke,
+wanstaltige voorwerpen aan te raken. Volgens Fassbender wordt hierover
+door de Hippocratische geneesheeren niet gesproken.
+
+Wij zullen niet nagaan of, en in hoeverre, er in verhalen als van den
+behaarden knaap, en dergelijke, een zweem van waarheid in eene groote
+hoeveelheid verdichtsel kan verborgen zijn, doch onze beschouwingen
+voortzetten.
+
+Waar geloof en bijgeloof hand in hand gaan, is het geen wonder, dat ook
+met betrekking tot de geneeskunde voornamelijk bij leeken begrippen
+bestaan, welke voor den wetenschappelijk ontwikkelde aan geloof en
+bijgeloof grenzen of daarmede samenhangen. Niet altijd is het geloof
+als bron van eigenaardige denkwijzen nog te herkennen, maar menigmaal
+schijnt het vreemde meer eene meening, eenmaal uit ervaring opgedaan,
+bij onduidelijke waarneming onjuist opgevat, door geslachten
+voortgeplant, veranderd, maar daarom nog niet verbeterd. Zeker is het,
+dat meeningen, als hier bedoeld, vooral bestaan op het gebied, dat
+samenhangt met ’s menschen intrede in de wereld; meeningen, welke
+moeten dienen om het geheimzinnige en onbekende te verklaren, terwijl
+het telkens blijken kan, dat de zoogenaamde verklaringen het geheel,
+als ’t kan, nog geheimzinniger maken.
+
+Vooral de baring, en het meest indien daarbij stoornissen optreden, is
+iets zoo geheimzinnigs voor geest en gevoel, dat niet alleen de
+natuurvolken, maar ook de beschaafde volken zich niet aan den invloed,
+welke de gebeurtenissen op hen uitoefenen, onttrekken kunnen. Het is
+dan ook mogelijk bij allen sporen te vinden van de voorstelling, dat
+bij de geboorte bovennatuurlijke machten werken. Die machten worden
+veelal met persoonlijke eigenschappen bedacht en verschijnen eensdeels
+als booze geesten, als demonen, die de in barensnood verkeerende
+vrouwen met gevaren omgeven en haar ziek maken, anderdeels als goede
+geesten, die zich het lot dier bedreigde vrouwen aantrekken.
+
+Zoo ontstond geleidelijk de gedachte aan strijd tusschen booze en goede
+geesten. Het ligt voor de hand dat de mensch, beangst door zijn
+onmacht, op die geesten invloed trachtte te verkrijgen, en zich daarbij
+medewerking van bovennatuurlijke machten trachtte te verzekeren.
+Daartoe werden en worden gebeden en bezweringen aangewend, wezens in
+dienst gesteld, met wier hulp zou verkregen worden, wat men wenscht.
+Zoo ontstonden de offeranden aan goden en godinnen, om die aan te
+zoeken hunne hulp te verleenen. Dat bestaat nog.
+
+Het monotheisme leidde er toe één God als hulp in den nood aan te
+roepen, hem te bidden gunstigen invloed uit te oefenen, hetzij alleen
+of met medewerking van heiligen.
+
+De toevlucht tot die hoogere machten begint reeds met de zwangerschap
+en heeft eene eerste uiting in het danken voor het intreden der
+zwangerschap en het aanbevelen van de jonge vrucht in de beschutting
+der godheid.
+
+Van godsdienstigen aard is de aanbidding der godinnen, zooals die b.v.
+bij de Grieken en Romeinen bestond. Wij vinden gewag gemaakt van
+Ilithyia of Eileithyia, de godin der geboorte, welke nu eens als
+zelfstandige godin optreedt, dan weder vereenzelvigd met Here (Juno) en
+Artemis (Diana). De echt latijnsche Ilithyia, de Juno der baring, is
+Lucina de licht- en vooral levenbrengende godin der Romeinen. Haar ter
+eere werd op den 1sten Maart feest gevierd, op welken dag de moeders
+zich naar den tempel begaven, dezen met bloemen versierden en tevens om
+een talrijk kroost smeekten. Van Lucina bestaan talrijke afbeeldingen.
+In de linkerhand draagt zij een fakkel, in de rechter een offerschaal,
+waarin een kind ligt; of wel zij houdt die hand uitgestrekt, als ’t
+ware om den jonggeborene te ontvangen. Zoo staat zij afgebeeld op eene
+schilderij van Rubens, de geboorte van Maria de Medicis voorstellende.
+Ook wordt zij afgebeeld met eene zweep in de eene en een scepter in de
+andere hand.
+
+De zweep was het zinnebeeld van gemakkelijke bevalling. Dat herinnert
+ons aan de Lupercalia, dat zijn de feesten ter eere van Lupercus, den
+Romeinschen god Pan, die een heiligdom, lupercal genaamd, bij den
+Palatijnschen heuvel bezat. De priesters (luperci) liepen dan in
+woesten optocht half naakt door de stad. Zij hadden slechts een gordel
+van geitenvel om de lenden en riemen van geitenleer in de handen,
+waarmede zij allen geeselden, die zij ontmoetten. De vrouwen strekten
+bij het voorbijgaan der priesters de handen uit, ter geeseling, in het
+geloof dat daardoor zij, die onvruchtbaar waren, vruchtbaar werden en
+de anderen, dat zij eene gelukkige baring zouden doormaken.
+
+In Jordan’s Edda komt een lied voor, Oddrun’s klacht (Oddrûnargrâtr)
+geheeten, waarin Borgny, in barensnood, Oddrun om hulpe bidt. Oddrun
+voldoet aan dat verzoek.
+
+
+ „Milden Gemüts vor des Mädchens Kniee
+ Setzte sich Oddrun und sang nun Oddrun
+ Wirksame Weisen, gewaltige Weisen
+ Der gebärenden Borgny zum Beistande zu.”
+
+
+Borgny bedankt haar daarvoor. Oddrun antwoordt:
+
+
+ „Führwahr nicht die weil du dessen würdig
+ Neigt’ ich mich nieder, aus Not dir zu helfen;
+ Nur mein Gelübde hab’ ich geleistet,
+ Das ich anderwärts aussprach; allerorten
+ Beistand zu bieten (gebärenden Frauen),
+ Als hier das Erbe die Edlinge teilten.”
+
+
+Jordan meent, dat hier het overblijfsel van eene Noorsche Godensage
+aanwezig is, verwant en in het wezen der zaak gelijk aan de Grieksche
+sage van Leto en hare tweelingskinderen Appollo en Artemis. Ook Leto
+kon niet baren, voordat de hulp van Eileithyia is ingeroepen, evenals
+hier Borgny den bijstand van Oddrun noodig heeft. Oddrun zou dus voor
+de Noren (Germanen) geweest zijn wat Eileithyia bij de Grieken was, de
+Hera der geboorte (de Romeinsche Juno).
+
+De Grieken offerden ook aan Genetyllis (Aphrodite) ter verkrijging
+eener goede bevalling, de Romeinsche vrouwen aan Postvera of Presa, om
+eene gunstige ligging van het kind te verkrijgen. Bij de Lacedemoniërs
+offerden de vrouwen haren gordel aan Artemis, alsook de eerste
+kleedingstukken harer kinderen.
+
+Bij vele andere volken werden, en worden nog, feesten gevierd, waarbij
+gewoonlijk offers plaats hebben. Wáár het streng godsdienstige ophoudt
+en het bijgeloof begint, is dikwijls moeilijk uit te maken. De
+beoordeeling daarvan hangt samen met het standpunt dat de beoordeelaar
+op godsdienstig gebied inneemt, waardoor de grens, welke tusschen
+geloof en bijgeloof getrokken wordt, aanmerkelijk verschilt.
+
+In elkander overgaande beschouw ik wat b.v. op Java, ten minste in
+enkele streken, geschiedt. Het volksgeloof zegt, dat eene vrouw, in de
+zevende maand harer dracht, onderhevig is aan kwellingen van booze
+geesten. Daarom wordt bij het intreden daarvan ’s nachts door oudere
+vrouwen bij haar gewaakt. Zij zelf moet trachten de behoefte aan slaap
+te onderdrukken, want de booze geesten durven wakende personen niet te
+naderen. Na dien doorwaakten nacht wordt zij ’s morgens in een daarvoor
+opgerichte tent gewasschen. In die tent staan aarden potten met water,
+bloemen en twee jonge, gele kokosnoten. Op een der kokosnoten heeft men
+het afbeeldsel van een man, op de andere dat eener vrouw gemaakt, de
+personen Pandjie en Tjondro-Kirono voorstellende. Pandjie was vorst van
+Djenggolo en Tjondro-Kirono, zijne vrouw, dochter van een vorst te
+Kedirie. Zij waren de schoonste menschen van hunnen tijd. Het afbeelden
+dezer personen beoogt hetzelfde, als wij reeds boven bespraken. Men
+verwacht van den aanblik daarvan de geboorte van een kind, even schoon
+als die twee menschen geweest zijn. Na het wasschen wordt de vrouw een
+smal, zonder naad geweven kleedje als buikband omgeslagen. Daarna wordt
+de man, als bruidegom gekleed, met een paar vrienden binnen gelaten. De
+buikband wordt losgemaakt, twee vrouwen houden dien aan weerskanten
+vast en de man snijdt met zijn kris den buikband geheel door, waarna
+hij, met zijne begeleiders, de tent verlaat en naar huis terugkeert.
+Dit lossnijden beteekent een weg voor het kind te banen. Vervolgens
+neemt men de twee jonge kokosnoten en laat die door het kleedje van de
+zwangere vrouw vallen. Dit beteekent eene gelukkige verlossing, even
+spoedig als het nedervallen der kokosnoten. Daarna wordt de vrouw naar
+huis gebracht en volgen feestelijkheden.
+
+Dit gebeurt bij de eerste zwangerschap. In de volgende maanden worden
+dan nog elke maand offeranden gebracht, waarmede wordt voortgegaan, tot
+het kind ter wereld gekomen is.
+
+Het geloof aan den invloed op zwangere vrouwen door de zintuigelijke
+waarneming, waaraan hier uiting gegeven wordt door de afbeelding op de
+kokosnoten, is dus overal te vinden. Daaraan hechtten ook de vrouwen in
+Lacedemonië. Zij hadden in hare slaapkamers de portretten hangen van
+door hunne schoonheid beroemde mannen, b.v. van Endymion, Narcissus,
+Adonis, uit den heldentijd en van schoone personen uit hun eigen tijd.
+
+Baron Larrey zegt, dat Napoleon voorbeschikt was tot zijn grooten
+levensloop, van de schoot zijner moeder af, die hem gedurende de
+revolutionnaire crisis in Corsica en gedurende den vrijheidsoorlog
+droeg. Zulk een invloed, zegt hij, moest wel zijn stempel drukken op
+het karakter en de voorbeschikking van den man, die geroepen was om
+eene wereldomwenteling te maken.
+
+Maar genoeg hiervan.
+
+Als bij de Alfoeren op Celebes door den priester een kip geslacht
+wordt, terwijl hij den goden bidt den wensch der aanstaande jonge
+moeder naar een zoon of dochter te vervullen, kan men slechts aan eene
+godsdienstige handeling denken. Voelt eene vrouw op de Seranglao- en
+Gorang-eilanden zich zwanger, dan moet zij een stuk gember naar den
+priester brengen, dat door hem gewijd en voortdurend door haar gedragen
+wordt, om booze invloeden af te weren. De wijding geschiedt door er
+driemaal op te blazen en de 112e Sure van den Koran te bidden, welke
+luidt: „In naam van den albarmhartigen God! God is de eenige en eeuwige
+God. Hij teelt niet en is niet geteeld, en geen wezen is aan Hem
+gelijk.”
+
+Godsdienstige opvatting vinden wij ook in het gebruik van wijwater en
+het branden van gewijde kaarsen bij de baring hier te lande. Hetzelfde
+moet men aannemen, als wij lezen dat in Oostenrijk, in eene kapel aan
+den Falkenstein, waar men zegt dat de heilige Wolfgang zich verborgen
+hield, de zwangere vrouwen door een daar aanwezigen steen kruipen, om
+zich eene gelukkige bevalling te verzekeren. Eveneens bij het vernemen
+dat zij in Zwaben bedevaarten doen naar de heilige Margaretha met den
+draak (b.v. naar Maria Schrei bij Pfullendorf) of naar den heiligen
+Christophorus (b.v. naar Laiz bij Sigmaringen) of naar St. Rochus, in
+wiens kapellen gewijde ijzeren schildpadden, als symbool der
+baarmoeder, hangen.
+
+Maar diezelfde godsdienstige drang beweegt de Japansche vrouwen om,
+kort voor de baring, een stukje papier in te slikken, waarop de
+schutspatroon der barende is afgebeeld, in de hoop daardoor eene
+gemakkelijke bevalling te verkrijgen.
+
+Dwaas komt het ons voor, dat in Griekenland, in de buurt van Athene, de
+zwangere vrouwen aan de noordzijde van den z.g.n. nymphen-heuvel
+afglijden, eveneens met de bedoeling eene gelukkige baring door te
+maken; dat in Ierland en Scandinavië, tot voor korten tijd, zwangere
+vrouwen in den Johannisnacht, bij het Baalsfeest of het Balderfeest,
+met hetzelfde doel door een vuur liepen.
+
+Bij de Heidensche Magyaren was Nagyboldogasszony de schutsgodin der
+teeling en baring. Na de invoering van het Christendom kwam daarvoor in
+de plaats de heilige Anna, de moeder der heilige Marie (de schutsgodin
+van het kraambed). Te harer eere vasten nu nog de zwangere vrouwen in
+den omtrek van Szeged, b.v. in Szőregh, gedurende zeven dagen.
+
+De Széklerin gaat bij volle maan naar buiten, spuwt driemaal in de
+richting van de maan, en zegt:
+
+
+ „Heilige moeder Gods,
+ Sta mij bij in den nood;
+ Bescherm de vrucht mijns lichaams,
+ Opdat zij groeie als de maan.”
+
+
+Overeenkomstig met het wijwater, en de aanwending daarvan, is het
+gebruik, dat sommige negerstammen maken van eene fijne, witte
+leemsoort, Pemba geheeten, waarmede de zwangere vrouwen zich dikwijls
+het gelaat besmeren.
+
+Om booze geesten of demonen af te schrikken of te verzoenen, maken alle
+volken gebruik van amuletten, bezweringen, machtspreuken en
+sympathetische middelen.
+
+Als nuttige middelen gedurende de zwangerschap vindt men vele dingen
+aanbevolen. Zoo mag b.v. in Noord-Celebes de vrouw het hoofdhaar niet
+zoo dragen, dat het heen en weder fladdert; mag zij ’s avonds, als het
+regenachtig is, het huis niet verlaten, opdat de vrucht niet door den
+Walao-lati, of door op donkere plaatsen aanwezige duivels, wordt
+opgeschrikt of mishandeld. In Nederland mag zij in den laatsten tijd
+der dracht het haar niet laten knippen, omdat anders het kind borstelig
+haar zou krijgen, dat ruw en kort, nooit kan krullen. In Hongarije zal
+het kind, als de moeder zich in het bed de haren kamt, slechts korten
+tijd leven.
+
+Bij vele volksstammen moeten de vrouwen, als zij bij dag het huis
+verlaten, een stuk ijzer of een mes bij zich dragen, opdat de booze
+geesten de vrucht niet kwellen.
+
+In Rusland is het geloof aan den „boozen blik” zeer verbreid. Maar
+vooral wordt die door de zwangere vrouw gevreesd, daar zij, door het
+booze oog getroffen, met groote pijnen baren moet.
+
+Een amulet of talisman is veelal de meest werkdadige beschutting.
+Daarvoor dragen de negerinnen kleine kalabassen, gevuld met aardnoten-
+of palmolie, ook tooverteekens en tooverbanden om handen en knieën,
+korfjes gevuld met bladeren, plantenwortels, stukjes hout en
+slakkenhuisjes, papiertjes met een koranspreuk, enz.
+
+Welke handelingen worden er niet verricht, welke nagelaten, om niet
+storend in te werken op zwangerschap en baring, op de ontwikkeling en
+ligging van het kind?
+
+Het knoopen en binden veroorzaakt, zegt men, sluiting en moet dus door
+zwangeren worden nagelaten, indien zij niet zelf zullen gesloten
+worden, d.w.z. eene moeilijke baring doormaken. Daarom mogen op vele
+plaatsen, ook in Europa, in beschaafde landen, de vrouwen niet weven of
+matten vlechten. Zij mag geen garen of band dragen, opdat de
+navelstreng niet om den hals van het kind kome te liggen
+(omstrengeling). Datzelfde gevaar heeft de zwangere vrouw bij ons te
+lande te duchten, als zij bij het naaien een streng garen om den hals
+legt of de handen in de hoogte brengt, om iets van hooggelegen plaats
+te krijgen. Ook zou het kruipen aanleiding geven tot omstrengeling.
+Moet de de Hollandsche vrouw dan lachen, als zij hoort, dat de vrouw in
+de Palz, om dezelfde reden, niet onder eene waschlijn doorloopt, niet
+spint of haspelt?
+
+In sommige streken van Hongarije wordt aan het doorloopen onder een
+gespannen touw de vrees verbonden, dat er evenveel knoopen in de
+navelstreng zullen komen, als het touw draden bevat. De baring zou
+daardoor moeilijker worden. In Nederland mag de zwangere vrouw den
+halsketting niet knellend dragen, omdat dan gevaar voor stikking van
+het kind bestaat.
+
+In Pruisen meent men, dat het kind een waterhoofd zal krijgen, als de
+moeder aan den waterkant werkt; in Hongarije dat hetzelfde zal
+geschieden, als zij op een watervat gaat zitten. Welk verschil bestaat
+er tusschen de vrouw in onzen Indischen archipel, die niet door de
+openingen, door de takken van een boom gevormd, door een sleutelgat,
+door een bamboe of in een flesch mag zien, en de Servische vrouw, die
+niet over een hooivork mag heen stappen, alles om te voorkomen dat het
+kind, dat zij baren zal, het gevaar loopt scheel te zijn?
+
+In Hannover en in het Spreewoud mag de moeder, als zij iets stinkends
+ruikt, de oogen niet dicht houden, omdat anders het kind een stinkenden
+adem krijgt. Bij de Slowaken zou dat gebeuren, als de zwangere geurende
+bloemen of bladeren bij zich draagt. En natte handen mag zij niet aan
+haren rok afdrogen, anders zal het kind er leelijk uitzien. In Hannover
+en in het Spreewoud wordt het kind bedpisser, als de zwangere in de
+nabijheid eener druppende dakgoot watert.
+
+In Servië is het der zwangere vrouw verboden het kruis te kussen,
+wegens het daaraan verbonden gevaar, dat het kind epilepsie (vallende
+ziekte) krijgt. Zij mag zich geen zieken tand laten trekken, omdat het
+kind daardoor kan sterven, en geen vreemd kind kussen, daar dat tot
+superfoetatie (overzwangering) aanleiding geven kan.
+
+Van invloed op de samenleving is wel hetgeen in Hongarije of Servië in
+gebruik is. Eene zwangere vrouw mag geen eed afleggen, niet als getuige
+optreden en aan geen begrafenis deelnemen, omdat zij anders een dood
+kind baren zal. Ook mag zij over dag niet slapen, opdat het kind niet
+sterve, noch in een grafkuil kijken, anders wordt het kind bloedarm.
+Heeft zij dit toch gedaan, dan moet zij een handvol aarde in het graf
+werpen. Met het oog op eene gelukkige baring mag zij geen oven stoken,
+geen linnen bleeken, geen hout hakken.
+
+Bekend is het, dat, ook in ons land, de meening heerscht, dat eene
+vrouw gedurende de menstruatie niets mag inmaken, omdat anders bederf
+bij de ingemaakte eetwaren, als vleesch, slacht, boter enz., zou
+optreden. Hetzelfde geldt in Servië ook voor de zwangerschap en het
+kraambed, omdat de vrouw ook in dien tijd voor onrein gehouden wordt.
+
+Hier te lande is nog de meening te vinden, dat, als de zwangere vrouw
+staande drinkt, zijzelf of het kind gezwollen voeten zal bekomen, ook
+wel gezwollen teeldeelen of balzakwaterbreuk, als het een jongen is.
+Iets dergelijks vreest de inlandsche vrouw in onzen Indischen archipel,
+als zij zware of lichte voorwerpen voor het lijf draagt.
+
+Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een gedeelte van de
+Zuidkust van Ceram mag de zwangere vrouw niet tegen de huisdeur zitten,
+omdat zij anders met moeite baren zal. Zij mag geen vruchten eten,
+waaraan de vogels gepikt hebben, omdat anders het kind als een vogel
+schreeuwen zal. Zij mag geen aangebrand eten gebruiken, daar dit de
+nageboorte met moeite doet afkomen. Vrees voor vastgroeien van de
+moederkoek verbiedt den vrouwen in de provincie Albany (Hongarije), met
+den buik tegen kachel of fornuis te leunen.
+
+Kromme beenen zou het kind der Nederlandsche vrouw krijgen, als zij
+gedurende de zwangerschap met de beenen kruiselings over elkander zit,
+en zij mag de voetnagels niet knippen, daar die bij de kinderen òf
+zouden ontbreken òf wanstaltig zijn. In Hongarije mag de zwangere vrouw
+de nagels wel knippen. Zij mag die niet wegwerpen, maar moet ze
+verbranden, anders zal het kind zachte beenderen krijgen.
+
+Het geloof dat men kiespijn kan voorkomen, door slechts op Vrijdag de
+vingernagels te knippen, is zelfs in hoogeren stand niet vreemd. En een
+probaat middel tegen kiespijn, dat de Stadsheel- en Vroedmeester ten
+Houte de Lange in de kraamkamer hoorde aanbevelen, was, het vuil en
+voetzweet van tusschen de teenen, tot een plakje gekneed, achter de
+ooren te leggen. „Raad uit hoogen stand!” voegt hij hieraan toe.
+Behalve dat deze raad uitermate vies is, bewijst hij, dat in zijn tijd,
+dus omstreeks het jaar 1852, de patiënten niet al te zeer door reinheid
+geplaagd werden en met recht „vuil” genoemd kunnen worden.
+
+De kiespijn staat ook al in verband met booze geesten, b.v. in Indië
+met den pontianak, een spook dat zich in boomen ophoudt en zeer gebeten
+is op vrouwen, vooral op zwangeren. In Multatuli’s Max Havelaar vinden
+wij, dat Saïdjah, zoekende naar den boom waar hij Adinda zou weerzien,
+vele stammen van het djati-bosch betastte en weldra eene bekende
+oneffenheid aan de zuidzijde van een boom vond. „Hij legde zijn vinger
+in een gleuf die Si-Panteh daarin gehakt had met zijn parang, om den
+pontianak te bezweren, die schuld had aan de tandpijn van Panteh’s
+moeder, kort voor de geboorte van zijn broertje.”
+
+Deze bezwering van een demon, door den ingeborene van Java, staat niet
+zoo ver af van een der oudste voorschriften, omtrent het insnijden van
+teekens in boomen, voor geneeskundige doeleinden. Zegt niet Brunhilde
+(Siegtraut of Sigrdrifa) in het eerste Lied van Brunhilde (Heldensagen
+in de Edda) tot Siegfried:
+
+
+ „Um Wunden warten und heilen zu wissen
+ Durch ärztliche Kur, musst du Astrunen kennen.
+ In die Borke der Bäume, in ostwärts gebogner
+ Ruten Rinde lerne sie ritsen”,
+
+
+wanneer zij hem, op zijn verzoek, in wijsheid onderricht?
+
+De zoogenaamde lusten der vrouwen, de Pica, worden ook in de Yajur-Veda
+bedacht, en den geneesheer aangeraden daarmede rekening te houden,
+omdat anders de kinderen met lichaamsgebreken zouden geboren worden.
+Deze worden geweten aan de omstandigheid, dat de vrouw, met de
+ontwikkeling van het kind, twee harten in zich draagt. In een leerboek
+over verloskunde en vrouwenziekten van Aetius van Amida, uit het midden
+der 6e eeuw na Christus, vinden wij daaromtrent gezegd, dat ongeveer in
+de tweede maand bij zwangeren eene ziekte optreedt, die men Kissa of
+Pica noemt, zich uitende in ziekelijke lusten, want de zwangeren zijn
+begeerig naar verschillende wonderbaarlijke spijzen. Die ziekte zou
+ontstaan door overmaat van bloed, omdat de gewone maandelijksche
+uitscheiding van bloed, door de vaten der baarmoeder, door de vrucht
+onderdrukt wordt, naar boven stijgt en op de maag drukt, die zeer
+prikkelbaar is.
+
+Volgens Halban (in de Real-Encyclopaedie der gesammten Heilkunde)
+berusten de lusten op veranderingen in den bloedsomloop, van de
+spijsvertering en voeding van het zenuwstelsel. Daardoor treedt zoowel
+weerzin tegen vele spijzen, als lust naar zure spijzen en allerlei
+vreemde zaken op, b.v. naar krijt, zand, stroo, hout, enz. Het sterkst
+uit zich dit wel in begeerte naar menschenvleesch, welke zeker eene
+ernstige verandering in den geestestoestand der zwangere bewijst. Doch
+ook het verlangen naar kostbare zaken, vooral naar versierselen, komt
+voor en heeft wel tot diefstal aanleiding gegeven. Maar hiermede zouden
+wij het gebied der gerechtelijke geneeskunde gaan betreden, wat onze
+bedoeling niet is.
+
+In het Boeck van de Vroet-Wijfs worden eenige verhalen gegeven van den
+lust om menschenvleesch te eten of althans in het menschelijke lichaam
+te bijten. De schrijver voegt daarbij: „Het is een zeer gemeyne saecke,
+dat sommige lust hebben om t’ eten Colen, Crijt, Vlas, Sop van lijnen
+garen, Wage-smeer, ende diergelycke vuyle dingen, ende dat ook de
+vrucht, als sij dien lust niet en mogen volbrengen, daer deur hinder
+aen ’t lichaam krijget.”
+
+Ik herinner mij uit mijne praktijk eene dame, die gedurende hare
+zwangerschap een zoo onweerstaanbaren lust in zout had, dat zij daarvan
+dagelijks handen vol gebruikte. Joh. van Beverwijck (1664), zou het
+haar ten strengste verboden hebben. Immers zegt hij in zijne Wercken
+der Genees-konste: „Geheele zoute dingen dienen (mede) van een swangere
+vrouw geschout te werden. Want, gelijk Aristoteles seydt in ’t sevende
+boeck van de Historye der Dieren op ’t vijfde Capittel, als de selvige
+te veel zout gebruyckt, soo wert het kind sonder nagelen geboren.”
+
+Het geloof aan den invloed van spijzen en dranken vindt men ook elders.
+Zoo meent de zwangere in Hongarije, dat zij een wit en dik kind ter
+wereld brengt, als zij veel brandewijn drinkt en uien eet. Daar vindt
+men ook eene onbewuste aanwending van de Prochownick’sche dieet-kuur.
+Vele zwangeren eten weinig, opdat het kind zich niet te sterk
+ontwikkele, of zij voeden zich, om dezelfde reden, met ooft, of
+gebruiken slechts ongezouten magere spijzen.
+
+
+
+Samenhangende met het verlangen om te weten welk geslacht het kind,
+waarvan de vrouw zwanger is, zal vertoonen, werden en worden nog
+allerlei mededeelingen gedaan, die meer het kenmerk dragen het gevolg
+van waarnemingen te zijn.
+
+Bij de oude Indiërs was een frissche gelaatskleur der vrouw het teeken,
+dat zij een jongen zou baren. Hippocrates meende, dat de zwangeren, die
+vlekken in ’t gelaat hebben, een meisje, die eene goede gelaatskleur
+behouden meestal een jongen zouden ter wereld brengen. Andere
+kenteekenen van het geslacht waren de volgende. De jongen beweegt zich
+eerder dan het meisje, dus wordt ook eerder leven gevoeld. (Dit staat
+in verband met zijne leer omtrent den duur van het ontstaan van jongen
+of meisje, na het vast worden van het zaadmengsel). Bij de dracht van
+een jongen zijn de borsttepels naar boven gericht, bij die van een
+meisje juist andersom.
+
+Onder de proeven om het geslacht van het kind te weten te komen, was
+o.a. de volgende. Het zog der zwangere vrouw werd op bladeren
+uitgegoten. Stolt het zog, dan zal een jongen geboren worden, als het
+wegvloeit een meisje.
+
+Uit de Aphorismen van Hippocrates blijkt de meening, dat de jongens
+zich ontwikkelen in de rechterzijde van de baarmoeder, de meisjes
+(menigvuldiger) in de linkerzijde.
+
+Galenus deelde die meening. Volgens hem ontwikkelden zich de knapen
+rechts in de baarmoeder, waar het warmer en droger is, zooals de
+geheele rechterhelft van het lichaam. Hiermede in verband staan de
+pogingen, om, reeds gedurende den bijslaap, invloed uit te oefenen op
+het geslacht van het kind. Uitgaande van de vooronderstelling, dat de
+rechterbal de weg is, waardoor het zaad van den man, dat uit het
+geheele lichaam komt, zijn uitweg vindt, moest de man, die een meisje
+wilde verwekken, bij den bijslaap de rechterbal zooveel mogelijk
+afsnoeren of in de hoogte houden.
+
+In het algemeen werd aangenomen, dat, wanneer gedurende het intreden
+der manbaarheid de rechterbal dieper staat of sterker ontwikkeld is dan
+de linker, dit grooter kans gaf op het teelen van jongens, in het
+tegenovergestelde geval van meisjes.
+
+Daarom legt in vele streken van Hongarije de vrouw, als zij een jongen
+verlangt, zich na den bijslaap op de rechterzijde (in andere streken op
+de linkerzijde) of wel ligt de vrouw, gedurende den bijslaap, op
+linker- of rechterzijde. Hieruit blijkt evenwel, dat de Hippocratische
+opvatting niet zuiver is overgebracht geworden. Immers in de eene
+streek wordt voor de jongens de rechterzijde-ligging, in de andere
+juist de linkerzijde-ligging genomen.
+
+Aan Hippocrates wordt ten onrechte de meening toegeschreven, dat de
+jongens uit den rechter eierstok, de meisjes uit den linker ontstaan
+zouden. Dat kan niet zijn, omdat hem en zijnen volgelingen de
+eierstokken onbekend waren. Het eerst spreekt Herophilus (± 300 j. v.
+Chr.) van de Alexandrijnsche school, over de eierstokken als
+vrouwelijke testikels.
+
+In een boekje getiteld Siphra en Pua of onderwijzing in de vroedkunde
+enz., uit het Duitsch vertaald door Gerard ten Haaff, heelmeester in
+Rotterdam mitsgaders Operateur van den Steen, te Delft, van het jaar
+1753 lezen wij: „Wanneer een Vrouwspersoon een roode blozende koleur,
+en roode vlakken in het aangezigt heeft, en ’er dus ontstoken uitziet,
+vroolijk is, en bestendig zoo blijft, wil men er uit besluiten, dat zij
+van een’ zoon bezwangerd is; daarentegen als zij ’er bleek uitziet,
+vadzig en verdrietig is, wil men dat zij van eene dochter zwanger
+gaat.”
+
+In het reeds genoemde Boeck van de Vroet-wijfs staat: „De Vrouwen die
+een Sone dragen, zijn veel dunder, ende aen de rechter kaecke wel
+geverwet, ende niet soo bleeck.” Nog wordt daar gemeld: „Als nu een
+Vrouwe een knechten draeght, soo is de rechterooge van snelder
+beweging, ende van levender ende beter verwe dan de slinckerooge. De
+rechter borst wordt ook harder ende grooter, en die verwe van de Tepel
+van dese verandert eer dan van de slincker borst.”
+
+Dit is ontleend aan Hippocrates. Volgens hem is de borst aan de zijde
+waar het kind ligt grooter, het oog tusschen de oogleden grooter en
+helderder.
+
+„De vrouwe krijget oock veel eer melck, ende als men dat in een
+glaesken stelt in de heete Sonne, soo looptet t’ samen gelijck een
+rondt Bolleken of Klootken, ende gelijck een schoon deurschijnigh
+Peerlken. Als men sulcken melck doet in de Pisse van deselfde Vrouwe,
+vallet terstont te gronde; als men sout daerbij doet soo en schey dat
+hem niet.”
+
+Of deze en dergelijke proeven heden ten dage nog genomen worden, weet
+ik niet, maar als wij lezen van eene vrouw, die van een jongen zwanger
+is: „Den Buyck is voren spitsachtigh tegen de Navel” en „Maer
+sonderlinge staet te verwonderen, dat eene Vrouwe die een Sone draeget,
+altijdts in ’t gaen den rechtervoet voor settet, ende als sij wil
+opstaan soo stiert sij haar veel meer met de rechter, dan metter
+slincker handt,” dan moeten wij erkennen, dat ook nu nog dezelfde
+teekens worden genoemd, als zekere, ter bepaling van het geslacht der
+ongeboren vrucht. Niet alleen in Hongarije, doch ook hier te lande,
+wordt de volgende proef aangegeven, om uit te maken, welk geslacht het
+kind heeft. Men laat de vrouw op den grond zitten. Als zij zich, bij
+het opstaan, met de rechterhand steunt, krijgt zij een jongen, met de
+linkerhand een meisje.
+
+In 1833 werd nog door Dr. Mac Donald, in Liverpool, beweerd, dat een
+puntbuik de geboorte van een jongen, een breede buik de geboorte van
+een meisje voorspelt.
+
+Behalve dat de jongens gerekend worden zich eerder te bewegen (zie
+alweer Hippocrates), is ook de meening, dat de dracht van een jongen
+veertien dagen korter duurt dan die van een meisje, vrij algemeen.
+
+In Hongarije heerscht, in sommige streken, de volgende gewoonte. Als de
+vrouw niet zeker weet of zij zwanger is, steekt zij een naainaald in
+een Mariabeeld en laat die 9 dagen daarin zitten. Is de naald na afloop
+van dien tijd nog zuiver, dan houdt zij zich voor niet zwanger; is de
+naald roestig, dan duidt het op zwangerschap. En aan de geboorte van
+een jongen wordt geloofd als de punt, aan de geboorte van een meisje
+als het oog van de naald roestig is. Daar heerscht ook dezelfde meening
+omtrent de gelaatskleur. Uit kiespijn wordt het besluit getrokken, dat
+zij een jongen zal baren, terwijl gezwollen beenen op een meisje
+wijzen. Zij zal ook een meisje het leven schenken, als zij bij den
+bijslaap luid gelachen heeft. Volbracht zij dien echtelijken plicht
+zonder lachen, dan wordt een jongen geboren, want „ernst is het sieraad
+van den man”. Zooals Plinius zegt, wees lichte zwelling van het
+onderbeen en van de liesstreek, bij Grieken en Romeinen, op een meisje,
+en de schrijver van het Boeck van de Vroet-wijfs is het met hem eens:
+„Sulke Vrouwen dragen swaerlijck, en met geswel van de beenen en de
+gemachte.”
+
+
+
+Niet alleen in ouden, maar ook in den nieuweren tijd hebben de
+geleerden zich bezig gehouden met physiologische gronden te zoeken,
+waaruit de ontwikkeling van het geslacht eene redelijke verklaring zou
+vinden. Het zou ons te ver voeren, hier alles mede te deelen, wat
+daaromtrent geschreven is. Alleen stip ik aan, wat men meermalen hooren
+kan, dat uit de schijngestalten der maan kan uitgemaakt worden, welk
+geslacht het kind hebben zal. In 1873 deelde een Italiaan, Paolo Lioy,
+mede, dat iemand te Robia had gevonden, dat, wanneer eene vrouw bij
+volle maan een zoon of bij nieuwe maan een dochter baarde, men er zeker
+op rekenen kan, dat het geslacht van het volgende kind niet verandert.
+Deze regel zou zich telkens ook over den geheelen duur van dat kwartier
+uitstrekken.
+
+De geleerde Berthon werkte deze opmerking uit, en verklaarde, dat de
+gestalten der maan geheel alleen op het ontstaan der geslachten invloed
+uitoefenen, en dat, evenals die schijngestalten voortdurend en
+gelijkmatig wisselen, ook de mannelijke en vrouwelijke individuen op
+aarde in steeds gelijkblijvende verhoudingsgetallen, als uitvloeisel
+eener kosmetische wet, afwisselend geschapen worden.
+
+Dit laatste komt veel overeen met de oud-Duitsche overlevering, dat bij
+wassende maan, of wanneer gedurende den bijslaap droog weder heerscht,
+zich een jongens-conceptie ontwikkelen zou.
+
+De bekende verloskundige Kilian zegt, met betrekking tot de kosmetische
+invloeden, in zijn boek: „Die Geburtslehre von Seiten der Wissenschaft
+und Kunst dargestellt” (1847), bl. 155: „Dat kosmetische verhoudingen
+op de ontvangenis een grooten invloed uitoefenen, is zeker, maar weinig
+bekend is het specieele. Intusschen kan toch het volgende gezegd
+worden:
+
+1) In ’t algemeen worden meer jongens bij nieuwe en wassende maan, meer
+meisjes bij volle en afnemende maan geconcipieerd, en
+
+2) de meeste concepties vallen in het einde van de lente en het begin
+van den zomer, minder aan het einde van den zomer en in het begin van
+den herfst.”
+
+Hoe trouwens volksgeloof en wetenschappelijke opvattingen samengaan,
+blijkt uit menige mededeeling. Als voorbeeld noem ik alleen het
+volgende. Dr. Mattei zegt, in de Clinique Obstétricale, Gazette
+Obstétr. 5 Mai 1874, dat eene met kinderen rijk gezegende vrouw hem
+mededeelde, dat zij, telkens als zij van een jongen zwanger ging, veel
+braakte, wat nooit gebeurde als zij zwanger was van een meisje.
+Toevallig is in enkele streken van Hongarije de volksmeening juist
+tegenovergesteld.
+
+En om hiermede te eindigen: De fransche onderzoeker Dupuy deelde in de
+Séances de la Société de Biologie de Paris, Octr. 1888 en Févr. 1889,
+het volgende mede: „Om het geslacht van de toekomstige kinderen te
+bepalen, moet men allereerst het geslacht van het eerste kind weten. Is
+dit een zoon en geeft men aan de tusschenruimte tusschen twee
+menstruaties, waarin de conceptie van het eerste kind plaats greep, het
+getal 1, dan zal het eerstvolgende kind hetzelfde geslacht hebben, als
+het in een even maand, dus in de 12e, 14e, 16e maand daarna
+geconcipieerd werd, en omgekeerd een meisje, als het in een oneven
+maand, dus 13e, 15e, 17e maand daarna ontvangen werd. Indien dus een
+man, die een zoon heeft, eene dochter hebben wil, moet hij de
+maand-perioden tellen, die verloopen zijn sedert de bevalling zijner
+vrouw, en moet daarna de vrouw in een oneven maand bevrucht worden. Wil
+hij weder eene dochter hebben, dan moet zij in een even maand bevrucht
+worden enz. Alleen tweelingen met twee moederkoeken, en de gevallen,
+waarin het kind van een anderen vader afstamt, maken eene
+uitzondering.”
+
+De diagnose op tweelingzwangerschap werd bij de oude Indiërs gemaakt,
+als het lichaam in het midden diep is en op een ovaal watervat gelijkt.
+In Siphra en Pua lezen wij: „Wanneer het lichaam van eene bezwangerde
+vrouw in het midden plat-achtig, maar op de zijde verheven, en in het
+geheel zeer opgezet is, en een donkere streep over hetzelfde
+nederwaards gaat, zoo wil men hier uit besluiten, dat ’er tweelingen
+zijn. Doch deze kenteekens zijn bedriegelijk, en men kan ’r zich in ’t
+geheel niet op verlaten.”
+
+
+
+Met de baring is het al niet anders dan met de zwangerschap. Ook hier
+zocht men hulp bij goden en godinnen, vreesde men de inwerking van
+booze geesten en trachtte men die voor zich te winnen, of wel ze door
+verschrikkingen te verjagen. Tevens werden—en ’t gebeurt nog—middelen
+inwendig en uitwendig toegediend, zoowel reeds gedurende de
+zwangerschap als tijdens de baring, om de krachten der vrouw te
+schragen en pijnen weg te nemen, sympathetische middelen aangewend, met
+de bedoeling om de baring gemakkelijker te doen plaats hebben, kortom
+van allerlei gedaan, om de vrouw in haar lijden te gemoet te komen.
+
+Als middelaars tusschen goden en godinnen vinden wij priesters en
+priesteressen. Somtijds moet een oprechte biecht van alle zonden, welke
+betrekking hebben op de baring, afgelegd worden, zoowel door de vrouw
+als door den man. Helpt dan de godheid niet, d.w.z. eindigt de baring
+noodlottig, dan was de biecht onvolledig en onoprecht. In Zwaben roept
+de barende de heilige Margaretha met den draak aan. Men neemt daar een
+band of een zakdoek, bindt die der barende om de heupen, onder het
+noemen der drie Godsnamen, en laat haar, onder aanroepen der heilige
+Margaretha, persen.
+
+In hoog aanzien staat de „Gewisse und wahrhafte Länge unseres lieben
+Herrn Jesu Christi”, welke men der barende om borst en hoofd legt. Dit
+is een gebed, op een 150 c.M. lange papierstrook gedrukt, welke—zooals
+men zegt—de ware lengte aangeeft van onzen Heer Jezus Christus, zooals
+hij op aarde en aan het heilige kruis geweest is. [10] Ook legt men nog
+andere gewijde zaken onder het hoofdkussen, laat de vrouw
+Johannis-water (dat op 27 December gewijd is) drinken, of plakt haar
+heilige beelden op het lichaam, geeft haar een gebedenboek in de hand,
+enz. Bij Inlandsche en Chineesche vrouwen zag ik op Java wel kruisen,
+met een witte kalksoort op handen en voeten geteekend.
+
+Met booze geesten en andere vijandelijke wezens wordt anders
+omgesprongen. Wel is waar worden ook gebeden en offers opgedragen, doch
+werkzamer acht men tooverspreuken en amuletten. Somtijds wordt het huis
+gesloten om hun den toegang onmogelijk te maken, of wel worden zij
+geweerd door een gespannen touw of door een krijtstreep. Geschreeuw,
+gehuil en schieten dient tot afschrikking. Dit baantje wordt aan den
+echtgenoot en zijne vrienden opgedragen.
+
+Als vrij algemeen in zwang zijnde middelen, om eene gemakkelijke en
+voorspoedige bevalling te erlangen, somde ten Houte de Lange op: het
+gebruik (’s avonds) van een paar koppen sterk aftreksel van roomsche
+kamillen met steranijs, van een paar vijgen op de nuchtere maag
+gedurende de laatste zes weken, eene aderlating op de helft van de
+dracht, een glaasje kraam-anijs bij het begin der pijnen, een kop
+sterke koffie met brandewijn, een paar lepels Genua-olie met suiker,
+drie, vier koppen thee met veel saffraan. Ook nu hoort men nog
+dergelijke middelen aanbevelen.
+
+Bij tragen arbeid meent men, dat de verbeterende veranderingen juist
+invallen met de klok van 3, 6, 9 of 12 uur.
+
+De roos van Jericho kwam ook al bij de baring te pas. Het drinken van
+wijn of water, waarin zij gelegd was, om af te trekken en zich te
+ontsluiten, had bij de barende hetzelfde gevolg. Indien zij zich
+namelijk spoedig ontsloot, volgde ook snel ontsluiting bij de barende.
+Ten Houte de Lange zegt: „Dit is mij eens voorgekomen bij eene Friesche
+turfschippersvrouw, die mij bij langdurigen arbeid vroeg of ik „die
+roos van Jericho” niet had om er gebruik van te maken, en bij eene
+boerin. Geen van beiden wist mij echter te zeggen, hoe die roos er uit
+zag, of waar die te bekomen was.” Ik was gelukkiger. Vroeger bezat ik
+zulk een roos van Jericho, maar.... aangewend heb ik haar nooit. In de
+Palz kent men het geloof aan deze roos, daar „Weinachtsrose” geheeten,
+eveneens. Zij verdrijft daar, in water gedoopt en aan de vrouw gegeven
+om er aan te ruiken, de pijnen.
+
+Het toedienen van brandewijn is zeer sterk verbreid. Op de Kanarische
+eilanden ontvangt de vrouw, zoodra de baring begonnen is, een glas vol.
+Volgens Mac Gregor nemen de vroedvrouwen en vriendinnen daarvan tevens
+haar deel. Ook in Hongarije wordt meestal brandewijn toegediend, en
+dikwijls drinken de vrouwen zoolang, tot zij dronken zijn.
+Waarschijnlijk staan alcoholische dranken in zoo’n goed blaadje, omdat
+zij bedwelmend of opwekkend, z.g.n. versterkend, werken.
+
+Wij weten allen hoe moederkoorn, als vlaagpoeders, werd aangewend. Men
+vindt ook van allerlei aftreksels gewag gemaakt, als peperdranken,
+kaneelwater, theeën van verschillende wortels en kruiden.
+
+In Amerika is de medicijn bij de inboorlingen een afkooksel van den
+staart eener ratelslang, dat aan de barende gegeven wordt, omdat men
+gelooft dat het kind, wanneer dit het vreeselijke geluid van de slang
+hoort, zich haast om naar buiten te komen. In Griekenland wordt de
+baring bevorderd, door het gebruik van 2 onsen amandel-olie en het doen
+van eene aderlating aan de ader van den grooten teen, welke moederader
+genoemd wordt. In Denemarken heet Basilicum „Herba parturientium (kruid
+der barenden)”. Behalve dit worden ook lavendel, witte leliën,
+barnsteenolie en de gedroogde lever van alen gegeven. In Engeland,
+evenals bij ons, gedroogde vijgen. Dit laatste middel wordt hier te
+lande ook aangeraden om het vastgroeien van de nageboorte te voorkomen.
+Een middel in 1816 in Duitschland nog in gebruik, was het drinken van
+een kop urine van den man. Niet veel smakelijker lijkt mij het in
+Zwaben gebruikelijke middeltje, duivenmest in melk gekookt. Het heet
+daar, dat ook vrouwenmelk, indien slechts buiten haar weten aan de
+barende toegediend, de bevalling gemakkelijker maakt.
+
+Middelen welke den mensch misselijk en draaierig maken of braken
+verwekken, spelen bij zeer vele volken eene groote rol. De bij het
+braken tot stand komende samentrekkingen van middenrif en buikspieren
+zouden de uitdrijving bevorderen. Daartoe werden ook niesmiddelen
+aangewend. In Nederlandsch Indië laat de doekoen, volgens v. d. Burg,
+de oudste bij de geboorte aanwezige vrouw hare voeten in koud water
+wasschen en geeft zij dit of nog andere vieze vloeistoffen, b.v. urine,
+aan de barende te drinken. In het „Boeck van de Vroet-wijfs” lezen wij:
+„Ende soo haest als deselfde (d.i. de vroedvrouw) siet, dat hem ’t Kint
+in de geboorte wil verachteren ende schorten (al is ’t dattet
+natuerlijck, ende metten hoofdeken hem vertoont) deur de nauwigheydt
+ende engte van ’t Voor-lijf oft Lidt van de geboorte, soo mach ’t
+Vroetwijf haer blasen in de Neusgaten een Niespoeyer, of Peper, ende de
+Vrouwe doen den aessem inhouden en niesende maken, daer deur dat den
+aessem met sijn gewelt geoorsaeckt nederwaerts te trecken, dewelcke
+geweldigh sterck drijvet, ende den arbeyt of geboorte voordert.”
+
+Uitwendige middelen werden aangewend in den vorm van berookingen,
+inwrijvingen met zalven enz. Warme baden en inwrijvingen met warme olie
+behooren tot de oudste hulpmiddelen bij de baring.
+
+Bijzondere middelen zijn wel de volgende. In Boven-Egypte steekt men
+bij weeënzwakte een klein stukje opium in het geslachtskanaal der
+vrouw. In Engeland legde men vroeger fijngestooten laurierbladen, met
+olie gemengd, op den navel der barende of stak men haar een stukje
+knoflook in de aarsopening.
+
+Gunstigen invloed zou de barende ook ondervinden, door het drinken van
+water uit den Willebrordusput, en het leggen van een daarmede
+natgemaakte doek tegen de schaamdeelen. Hetzelfde bewerkt het teeken
+des kruises over den buik der zwangere gemaakt.
+
+Uit dit alles blijkt alweder, hoe het bijgeloof aan vele dingen
+krachten toeschrijft, welke zij niet bezitten. Doch wat te denken van
+een bijgeloof als nog voor omstreeks 5 eeuwen onder geneesheeren
+bestond? In Zwitserland werd de eerste lijkopening (sectio cadaveris)
+in 1671, de tweede in 1676, door Dr. Muralt, in Zürich gedaan. Hij liet
+de huid van het lijk, welke afgepraepareerd was, looien, omdat hij
+bijzondere geneeskracht toeschreef aan het bedekken van aangedane
+deelen met menschenvel, nadat het eerst bij wassende maan met zalf
+ingewreven was. Voornamelijk hielp het echter bij zware bevalling, als
+het als gordel gedragen werd.
+
+Hier hebben wij den overgang tot sympathetische middelen. Zooeven
+noemde ik reeds omtrent sympathie het een en ander, toen ik sprak van
+het verbod van knoopen, weven, enz. Niets mag bij de baring gesloten
+wezen, anders opent de baarmoeder zich niet. Daarom mag ook de barende
+de handen niet vouwen; zij moet den gordel—als zij dien
+draagt—afleggen. Alle sloten en deksels, soms ook alle deuren, enz.
+moeten geopend worden. Dr. G. F. Most schrijft 1844 in „De
+sympathetische middelen en geneeswijzen”: „De voor eenige jaren alhier
+(’s-Hertogenbosch) gestorven vroedmeester Dr. D...... plag, volgens de
+methode der oude vroedvrouwen, wanneer eene barende zijne hulp inriep,
+terstond bij zijn intreden in de kamer, te vragen, of wel alle koffers,
+kisten, kasten, enz. in het huis openstonden; was dit niet het geval,
+dan moest het oogenblikkelijk geschieden.” Most zelf zegt, dat hij dit
+middel, om psychisch af te leiden en om contractiones uteri, waarmede
+hij wel kramp van de baarmoederspier zal bedoelen, te doen verdwijnen,
+dikwijls met goed gevolg heeft aangewend.
+
+Dit middel is No. 85 van de recepten, welke bij zware verlossingen
+werden aangegeven. No. 83 en 84 luiden aldus. No. 83: „Neemt twee
+schijven van witten leliewortel en geef dezelve aan de barende te eten;
+dit drijft de vrucht benevens de nageboorte ongeschonden af.” N°. 84:
+„Neemt 2 hoendereyeren, laat dezelve op de gewone wijze koken en geeft
+de vrouw eenige lepels van het water waarin de eyeren gekookt zijn, in;
+dit drijft de vrucht af, zelfs al ware de vrouw reeds in acht dagen in
+barensnood geweest, en het kind gestorven of reeds tot verrotting
+overgegaan.”
+
+Hij voegt daaraan het volgende toe. „De eyeren zijn reeds geboorte, en
+deelen derhalve aan het water waarin zij gekookt zijn, en daardoor van
+hunne kracht tot verdere ontwikkeling beroofd worden, deze vis et
+efficacitas mede om zelfs de levende of doode vrucht des menschen uit
+te drijven. Het spreekt van zelf, dat dergelijke onschuldige middelen,
+als het eyerwater, slechts in ligte gevallen, waar door geene
+mechanische hinderpalen de geboorte vertraagd wordt, mogen worden
+aangewend; ofschoon dezelve dan ook slechts psychisch door het vaste
+geloof aan dezelve krampstillend werken; in zware gevallen echter mag
+men zich volstrekt niet op dezelve verlaten, maar zoo spoedig mogelijk
+een goeden vroedmeester tot hulp roepen.”
+
+Gelukkig dat hij dit laatste er bijgevoegd heeft.
+
+Tot deze groep van middelen behoort ook het doen eten, door een dier of
+mensch, uit den schoot der vrouw, opdat het kind even gemakkelijk te
+voorschijn kome, als het voedsel van daar wordt weggenomen. Eveneens is
+hiertoe te rekenen het medeklagen van vrouwen en andere middelen, die
+op den geest werken, zooals muziek, gezang, het verschrikken der vrouw,
+en nog vele andere.
+
+Met de bedoeling onmiddellijk invloed op het kind uit te oefenen, laat
+men b.v. geldstukken klinken, om het kind te lokken, of iets of iemand
+dansen, opdat het kind eveneens beginne te dansen en uit het
+moederlijke lichaam danst. Somtijds moet ook de vader dicht bij den
+schoot der barende komen en dan vlug wegloopen, dan zal het kind
+trachten hem te volgen. Als lokmiddel voor het kind dient ook het
+aankleeden van een pop, met de kleederen van den echtgenoot.
+
+Hieruit blijkt, dat de meening heerscht, en zeker is dit eene welke nog
+dikwijls wordt uitgesproken, dat het kind, zoo niet geheel, dan toch
+voor een groot gedeelte, medewerkt om geboren te worden. Wij kunnen dan
+ook herhaaldelijk opmerken, dat een langdurige en moeilijke arbeid,
+wanneer daarbij een dood kind ter wereld komt, als zeer natuurlijk
+beschouwd wordt, omdat „het doode kind niet kon medewerken”.
+
+Ook deze meening grondt zich op de leer van Hippocrates. Deze leer
+bestaat in de opvatting, dat het op tijd intreden der geboorte zijn
+oorzaak vindt in gebrek aan Voedsel voor het kind, omdat het
+moederlijke organisme niet meer aan de behoefte van het kind voldoen
+kan.
+
+De uittreding van het kind is dus actief. Wanneer de baring op til is,
+begint het kind te bewegen, met handen en voeten te trappelen en een
+der inwendige vliezen te verbreken. Daarop scheuren de andere, welke
+zwakker zijn; het kind is van zijne boeien ontslagen en treedt in
+heftige beweging naar buiten. Geen macht houdt het meer vast, als de
+vliezen bezwijken; ook de baarmoeder kan het niet meer tegenhouden.
+
+Voor de school van Hippocrates was dus de spierkracht van het kind
+alles, of liever bijna alles, wat natuurlijk moeilijkheden gaf bij de
+verklaring van het uitdrijven van doode vruchten en miskraam. Toch werd
+ook aan de werkzaamheid van de baarmoeder gedacht. Men trachtte toch,
+bij staking der baring, de pijnen in de baarmoeder, dus de
+weeënwerkzaamheid, aan te zetten, hetzij door het bestrijken van den
+baarmoedermond met eene zalf, hetzij door het toedienen van bepaalde
+spijzen en dranken. Ook de buikpers was niet onbekend en de kracht
+daarvan trachtte men door niesmiddelen te versterken. Duidelijker en
+met bewustheid heeft Galenus zoowel de werkzaamheid der baarmoeder als
+de buikpers beschreven. Hij zegt, dat, als de baarmoedermond geheel
+ontsloten is, de barende moet opgewekt worden het kind uit te drukken.
+
+De pijnen bij de baring worden toegeschreven aan de drukking, welke het
+kind op de moederlijke deelen uitoefent, en aan de rekking, die deze
+laatste ondergaan, doordien het kind zich door eigen kracht een weg
+baant.
+
+
+
+Vinden wij dus eene verklaring van de zooeven genoemde tegenwoordige
+leekenopvatting, dat het kind zelf den arbeid verricht, in de oude
+geneeskundige opvatting, hetzelfde geldt omtrent eene andere meening,
+betrekking hebbende op de levensvatbaarheid der kinderen in zevende of
+achtste maand geboren. Doch daarover straks.
+
+
+
+Algemeen is nog het denkbeeld verbreid, dat de moederkoek tot stoel
+dient voor het kind. Mij ten minste kwam het menigmaal voor, niet dat
+het als waar verteld werd, maar dat mij—en wel door ontwikkelde
+personen—gevraagd werd, òf het waar is. Daarbij neemt men dan aan, dat
+het kind op de moederkoek zit, de armen over de borst gekruisd en de
+handen onder de kin, om het hoofd te steunen. Hiermede hangt dan samen
+de meening, dat op een bepaald tijdstip van de zwangerschap het kind
+zich omdraait of buitelt (de Culbute), zoodat het hoofd naar beneden
+komt te liggen. Het zakken van den baarmoederbodem wordt dan als bewijs
+genomen, dat de buiteling heeft plaats gevonden.
+
+Hiermede komen wij van zelf tot de straks even aangeroerde meening, dat
+een zevenmaandsch kind veel beter in leven blijft dan een achtmaandsch,
+omdat de zevenmaandsche dracht natuurlijker is dan de achtmaandsche.
+
+De ligging van het kind, volgens Hippocrates, geeft ook hier weder
+licht. Zijne opvatting was, dat alle kinderen zich, in overeenstemming
+met den groei der planten, met het hoofd naar boven ontwikkelen. In de
+ligging met het bekkenuiteinde vóór worden de kinderen eerst bevestigd
+door de vliezen, welke van den navel uitgaan, totdat zij in de 7e maand
+deze bevestigingsmiddelen verbreken en de vliezen rondom verscheuren.
+Daarop verandert het kind van plaats, d.w.z. komt het met het hoofd
+naar beneden te liggen. Dit omdraaien van het nu van zijn
+bevestigingsmiddelen bevrijde kind, wordt toegeschreven aan de werking
+der zwaartekracht. De boven den navel van het kind gelegen deelen zijn
+de zwaarste en de hoofdligging komt tot stand, doordien de werking van
+de zwaartekracht op het hoofd overweegt.
+
+„Ofschoon onjuist”, zegt Fassbender, „bleef deze leer van de
+ombuiteling of zelfkeering van het kind gedurende een tweeduizend tal
+jaren in de verloskunde van alle kultuurvolkeren bestaan.”
+
+Dat deze keering juist in de 7e maand werd geacht tot stand te komen,
+hangt eensdeels samen met het heilige getal zeven, dat op alle
+gebeurtenissen in het leven grooten invloed had, anderdeels met
+waarnemingen, dat bij de, voor dien tijd optredende, vroeggeboorten
+veelal de stuit vóórkomt. Maar ook met de waarneembare veranderingen
+aan den buik der zwangeren in den laatsten tijd harer dracht en de
+daarmede voor haar gepaard gaande verschijnselen.
+
+Wanneer, zoo is de leer, het kind in de 7e maand, na de verscheuring
+der banden, van ligging veranderd is, ontstaan bij de moeder, door
+trekken aan de navelstreng en door de spanning der vliezen, pijnen;
+alle zwangeren krijgen, ten gevolge daarvan, korten tijd koorts en
+eenige gaan met het kind te gronde. Is die tijd voorbij, dan verdwijnt
+de ontsteking, zoodat het lijf week wordt en de zwelling zich naar de
+laagte verplaatst. Van dien tijd af dragen de vrouwen met minder last,
+omdat het ’t kind gelukt is, zich in eene voor de geboorte gunstiger
+ligging te keeren.
+
+De 7e maand brengt het kind in het begin der volledige vorming. De
+zevenmaandelijksche vrucht zou, naar de tijdrekening welke Hippocrates
+volgde, in de orde der rekening vallen, en dus in het leven blijven.
+
+Johan van Beverwijck bespreekt deze meening in de volgende
+bewoordingen:
+
+„Een kint van acht maanden en blijft niet te lijf, segt Hippocrates,
+omdat het twee stooten korts op malkanderen niet en kan verdragen. Want
+dewijl het kind op de sevende maent gearbeyt heeft om uyt te komen, en
+daerover vermoeyt is, so kan het den arbeyt, daer terstont wederom op
+volgende, niet wederstaen: maer om zulx wel te kennen uitstaen, soo was
+van nooden, dat het de achtste maent noch beslooten bleve, om
+middelertijdt sijn krachten te verhalen.
+
+Het schijnt (oock) datter naeulicx een bondige reden bij te brengen is,
+waerom een kint op de achtste maent niet volkomen en voldragen zou
+zijn, en wel geboren sijnde niet op en soude komen, en over-sulcx voor
+onwettig ofte een misdracht zoude gerekent worden. Want hetgene dat men
+seyt, van de beweginge op de sevende maent, heeft grootelicx sijn
+bedencken, of het vastgaet, dat alle kinderen nootsakelick op de
+sevende maent haer roeren om uyt te komen. Want alhoewel de kinderen op
+de sevende maent, haer eerste volkomenheyt krijgen, soo en zijnse
+nochtans allegader niet soo volkomen, dat ze poogen geboren te worden.”
+
+Verder: „Het en gaet niet seker, dat de bevruchte vrouwe stercker
+beweginge voelen op de sevende maent, als op de andere. En indien het
+kint aan die beweginge so seer verswackt op de sevende maent, dat het
+in geen geheele maent sijn krachten verscheppen, en daarom op de
+achtste maent gekomen zijnde niet te lijf en kan blijven, veel minder
+soude het ’t leven konnen behouden, als het in de eygen maent geboren
+werdt. Daer-neffens en komt met de ervarentheyt niet wel overeen, dat
+de vrouwe meest op de achtste maent qualicker te pas zijn, als op de
+sevende, ofte negende. Schijnt derhalven datter uyt de nature van de
+vrucht en van de moeder naeulicx bondige redenen konnen gegeven werden,
+om te betoonen, dat een kint van acht maenden niet en zoude kunnen in
+’t leven blijven.”
+
+
+
+Dat aan de navelstreng te zien is, hoeveel kinderen eene vrouw nog
+baren zal, werd mij kort geleden nog verteld. Dat zou worden aangegeven
+door de knoopen, d.w.z. de valsche. Evenzoo zouden vele draaiingen in
+de streng een teeken zijn, dat het kind vele wederwaardigheden in het
+leven te wachten heeft.
+
+
+
+Het begraven van de nageboorte is vrij algemeen in zwang. Menige baker
+wenscht dat nog te doen, en liefst zeer diep, opdat geen dier die
+opgrave en ete. De bedoeling scheen (schijnt?) op zeedorpen te zijn, om
+daardoor te voorkomen dat het kind, later zeevarende, door haaien zal
+opgevreten worden. Andere bakers en vrouwen weder stelden er prijs op,
+dat de nageboorte in de aschpot gestopt werd. Oudtijds geschiedde dat
+in de kolk onder de asch. Daarboven moest dan gedurende 9 dagen en
+nachten gestookt worden en de asch mocht niet geroerd worden. Niemand,
+maar vooral de vader niet, mocht aan dat vuur zijn pijp opsteken, daar
+onrust en stuipen van het kind het gevolg daarvan zouden zijn (ten
+Houte de Lange).
+
+Bij eenige Indianenstammen in Amerika wordt de nageboorte eveneens
+begraven en wel op eene geheime plek. Hetzelfde doen de negers der
+Loangokusten. In Oldenburg worden daarbij spreuken opgezegd.
+
+Op Java wordt de navelstreng afgebeten, omdat men gelooft dat het kind
+onkwetsbaar wordt. Ook wordt zij afgesneden met een bamboe-mes op een
+stukje koenit (curcuma). De nageboorte wordt, met het stukje curcuma en
+het bamboe-mes, in een dop van kokos met deksel (Batah Booloe genaamd)
+geborgen, met het Javaansche of Arabische alphabet op een stuk papier
+geschreven, opdat het kind, tot rijpe jaren gekomen, kundigheden
+verkrijge. De dop wordt begraven of in een aarden pot in huis
+opgehangen. Daarbij of daaronder wordt licht gebrand, tot de rest van
+de navelstreng is afgevallen. Het kind is, vóór het afvallen van de
+navelstreng, onderhevig aan allerlei plagen van booze geesten, en de
+brandende lamp dient om hunnen kwaden invloed op het kind te voorkomen.
+
+In Noorwegen wordt de nageboorte, door de jonge kraamvrouw zelf, met
+een mes doorstoken en dan door de vroedvrouw verbrand. Gebeurt dat
+niet, dan ontstaat daaruit de booze geest Utbor, die zich klein en
+groot, ook zichtbaar en onzichtbaar maken kan, die vreeselijk schreeuwt
+en het erop voorzien heeft zijne moeder het leven te benemen. Zijne
+moeder. Moet men hier denken aan eene beschouwing als die der
+inboorlingen in onze Indische bezittingen, die de nageboorte soedarah
+noemen, d.w.z. (de) broeder van het kind?
+
+Eene eigenaardige betrekking tusschen nageboorte en boomen bestaat bij
+vele volken. In Mecklenburg b.v. wordt zij begraven bij de wortels van
+een jongen boom, dan groeit het kind met den boom. Dikwijls wordt eerst
+de nageboorte gewasschen en daarna, met asch gemengd, onder een
+bepaalde boomsoort begraven. In andere streken wordt zij, in een korfje
+gepakt, aan een boomtak opgehangen. Bij de Laoten in Siam wordt zij
+steeds begraven aan den voet van de trap, die tot de huisdeur leidt.
+
+Hier en daar gaat dat alles met bijzondere feestelijkheden en
+offeranden gepaard.
+
+In het water vindt de nageboorte ook haar plaats. In Kartoem (Afrika)
+b.v. wordt zij, in een pot gepakt, in den Nijl geworpen en ieder
+voorbijganger moet haar een steen nagooien. Blijft de nageboorte
+drijven, dan is dat bij enkele volksstammen een bewijs, dat de vrouw in
+den echt ontrouw geweest is. Volgens v. d. Burg—en ik zelf heb het
+menigmaal gezien—legt men in Ned.-Indië de nageboorte op een klein
+bamboevlot, dat, met bloemen en vruchten getooid en door kaarsen
+verlicht, de rivier afdrijft. Het is een offer aan de kaaimannen, welke
+de zielen der voorvaders herbergen. In de buurt van Jena wordt zij in
+stroomend water geworpen.
+
+Ook dient de nageboorte als toovermiddel en als geneesmiddel. De
+Javaansche vrouwen gelooven, dat zij, inwendig gebruikt, vruchtbaarheid
+geeft. In Orenburg (Rusland) wordt zij begraven. Wenschen de ouders een
+kind van ander geslacht, dan graaft de vroedvrouw haar op en keert haar
+om. Hetzelfde geschiedt om betoovering te bezweren.
+
+In Stiermarken geldt van oudsher het bloed van de versche moederkoek en
+van de navelstreng als middel tegen moedervlekken, het poeder van de
+gedroogde en fijn gestampte moederkoek als middel bij epilepsie en St.
+Vitus-dans. Voor eenige jaren, schrijft Engelmann, heeft in Saksen eene
+vrouw, onder het schavot van een misdadiger, in ’t geheim eene versche
+moederkoek verorberd, om daardoor van epilepsie genezen te worden.
+
+Eene groote moederkoek wijst in vele streken van Duitschland erop, dat
+de kraamvrouw veel zog zal hebben, eene kleine op het tegendeel
+
+
+
+Ook de eivliezen moeten genoemd worden. Wanneer zij niet scheuren en
+het kind in de vliezen geboren wordt, of, als zij wel scheuren, maar
+het kind toch in de vliezen gehuld te voorschijn komt, spreekt men van:
+„het kind is met den helm geboren”. Dit geldt in ’t algemeen in Europa
+als een gelukkig teeken voor den pasgeborene. Hij zou aan den bezitter
+de gave van vooruitzien verschaffen, en vooral daarom voor veel geld
+aan zeevarenden te slijten zijn. In vreemde handen geraakt, zou hij aan
+het kind, dat er mede geboren wordt, ongeluk bezorgen. Van daar dat hij
+door de ouders moet begraven of verbrand worden. Doch ook het bewaren
+is nuttig. Op de eilanden Saparoea, Haroekoe, Noessa Saut en een
+gedeelte van de Zuidkust van Ceram zegt men, dat het kind met den helm
+(Sarong of Karpoes) geboren, ouder geworden, helder ziende wordt; dat
+het dingen ziet, welke voor het gezicht van anderen verborgen zijn, als
+kwade geesten, duivels, enz.
+
+In vele streken wordt die helm als amulet voortdurend om den hals
+gedragen en stilletjes bij het kind gelegd, als dat gedoopt wordt,
+waardoor hij dan meêgedoopt wordt. Omdat de werkzame kracht ook op
+anderen overgedragen wordt, gebeurt het niet zelden, dat vroedvrouwen
+den helm stelen en aan hare eigene kinderen geven. Dit laatste komt
+voor rekening van ten Houte de Lange.
+
+Zelfs werd er vroeger, vooral in Engeland, handel in gedreven. In 1779
+betaalde men er 20 guinea’s voor, in 1848 nog maar 6. Vooral voor
+advocaten was zoo’n ding veel waard, daar hij hen tot redenaars maakte.
+
+Bij de zuidelijke Slaven is hij voor de meisjes, die er mede geboren
+zijn, een middel om den jongeling, dien zij liefhebben, tot waanzins
+toe verliefd op haar te maken. Het is daarvoor slechts noodig hem op
+een bloot gedeelte van het lichaam met het gedroogde „Glückshemdchen”
+aan te raken.
+
+Behalve hetgeen ik reeds besproken heb omtrent eenige opvattingen,
+welke met betrekking tot het kraambed heerschen, bestaan er nog vele
+andere. Ik zou echter te uitvoerig worden met ook die alle op te
+noemen. In ’t kort dus nog het volgende.
+
+Dat op den negenden dag het lichaam der kraamvrouw zich sluit, is eene
+ook nu nog veel verbreide meening. Men verbindt aan dien negenden dag
+vele gevaren, zoodat zelfs de vrouw, die vóór den negenden dag het bed
+verliet, dien dag daarin doorbrengt. Het getal negen zagen wij in den
+beginne reeds van invloed. Ook het getal 3 schijnt niet van belang
+ontbloot. Immers deelt de vroedmeester ten Houte de Lange mede, dat in
+zijn tijd de kraamvrouw gedurende den 3en en 9en dag de handen goed
+onder het dek moest houden, omdat zij anders een zweerend uitslag
+daarop krijgen zou.
+
+Of hier en daar nog dezelfde vrees voor lavementen bestaat, weet ik
+niet. In ouden tijd meende men, als de kraamvrouw „op een lavement
+gezet moest worden”, dat de toestand zoo gevaarlijk was, dat wel eerst
+het testament gemaakt mocht worden.
+
+Het toedienen van den witten drank (amandeldrank) wordt verschillend
+opgevat. In Alkmaar b.v. noemde men dien drank de „witte doodendrank
+der kraamvrouwen”. Ten Houte de Lange verhaalt, dat, toen hij dien
+drank eens voor eene boerin had laten gereed maken, hij dien op den
+derden dag nog onaangeroerd had gevonden en hem verweten werd, dien
+gevaarlijken drank te hebben voorgeschreven. De kraamvrouw had zich aan
+het gebruik niet gewaagd. In Amsterdam was, ten minste vele jaren
+geleden, menige kraamvrouw niet tevreden, als zij geen „witte drank”
+gekregen had. „Die versterkte”.
+
+Bij benauwdheid der kraamvrouw een smal gevouwen doek om den buik aan
+te halen, maar vooral met een knoop in de linkerzijde vast te maken,
+belette de „moer” het opstijgen. De angst daarvoor spruit voort uit de
+Hippocratische leer, welke aan het ronddolen der baarmoeder door het
+lichaam allerlei ziekten toeschreef, o.a. vallende ziekte en hysterie.
+
+Tegen kraambeenen werd de „gulden pleister” aangewend, d.w.z. een pap
+uit eigen faecaliën. Om zogklonters te voorkomen en het zog op te
+drogen werd, als zeker werkend middel, aanbevolen het door doodzweet
+vochtige hemdje van het gestorven kind op de borsten te leggen.
+
+Mag men het den onontwikkelden kwalijk nemen, dat zij dergelijke
+middelen toepassen, als wij weten dat de „seer vermaerde Jacob Ruffen”
+onder de middelen tegen het opstijgen van de baarmoeder aangeeft, een
+drank bereid uit paardendrek (te weten van paarden die met enkel haver
+gevoerd worden) gekookt in sterken wijn, welke warm moet gedronken
+worden?
+
+
+
+Hiermede versegel ick dese mijn verhandelingh: In de welcke soo ick u
+luyder verwachtingh bedrogen heb, of niet ten vollen vernoeght; wilt
+nochtans daerom mijn dienst-vaerdigheyt, U luy op-geoffert, niet
+smadelijck verwerpen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANHANGSEL I.
+
+
+Mijne opvatting omtrent de voeding van den zuigeling, om aan hem,
+althans in den beginne, over te laten wanneer hij zijn voedsel zal
+nemen en hoeveel, is in strijd met het tegenwoordig in Nederland vrij
+algemeen toegepaste stelsel, om de kinderen op bepaald aangegeven
+tijdstippen te voeden. Hetzelfde geldt voor het voeden in den nacht.
+
+Tot mijne opvatting ben ik gekomen aan de hand van het feit, dat ik, na
+afscheid te hebben genomen van moeder en kind als de tijd, gedurende
+welken de verloskundige gewoonlijk voor beiden zorgt, verstreken was,
+menigmaal bespeurde, dat zoovele van die kinderen na eenigen tijd aan
+voedingsstoornissen lijdende waren, ondanks het nauwgezet opvolgen der
+voorschriften, om het kind op door den geneesheer bepaalde tijdstippen
+op te nemen en te voeden. Door ernstig nadenken kwam ik tot de slotsom,
+dat de zuigeling te veel verstelseld wordt.
+
+In de jaren 1915 en 1916 heb ik, in het Medisch Weekblad, getracht aan
+te toonen, waarom ik het gewenscht acht den zuigeling meer vrijheid te
+gunnen, dan hem gemeenlijk wordt toegestaan. Toen heb ik met instemming
+de woorden aangehaald van Prof. W. Preyer (‘Die Seele des Kindes’, 7te
+Auflage 1908): „Die Kunst, das kleine Kind werden zu lassen, ist viel
+schwerer als die, es vorzeitig zu dressiren” en „Zuerst Natur ohne
+Dressur, dann Kultur” en ik doe dat nu opnieuw.
+
+De ondervinding heeft mij geleerd, dat ik niet voorzichtig genoeg zijn
+kan met het mededeelen van eene opvatting, welke afwijkt van de voor
+het oogenblik algemeen geldende. De omstandigheid, dat eene van de
+algemeen geldende leer afwijkende opvatting verkondigd wordt, schijnt
+er steeds onmiddellijk toe te moeten leiden zulk eene opvatting als
+volstrekt verkeerd, en dus uit den booze, te brandmerken, en tot verzet
+aanleiding te geven.
+
+Daarom heb ik de vrijheid genomen in dit boek eenige aanhalingen,
+betreffende de voedingswijzen van zuigelingen, van verschillende
+schrijvers op te nemen, waaruit duidelijk blijkt, dat men niet zoo vast
+staat met het algemeen aangenomen stelsel als gewoonlijk gedacht wordt.
+
+
+
+
+NEDERLANDSCHE SCHRIJVERS.
+
+Dr. J. de Bruin en Dr. Cornelia de Lange. ‘De voeding van het kind in
+het eerste levensjaar’. 1905.
+
+Bl. 93. „Den eersten dag na de geboorte moet het kind 2 à 3 maal in de
+24 uren worden aangelegd, den 2en dag 5 à 6 keer, van den 3en dag af 6
+à 7 maal per etmaal.”
+
+„Zoowel de practische ervaring, opgedaan bij normaal gedijende
+borstkinderen, als de onderzoekingen van Leo en Van Puteren.... hebben
+ons geleerd, dat de pauze tusschen twee opeenvolgende maaltijden van
+den zuigeling minstens 3 uur moet bedragen. Is de voeding van het kind
+goed geregeld, dan wordt het ook gewoonlijk tegen dien tijd wakker.
+Slaapt het een beetje langer, dan kan men het rustig nog een poosje
+laten slapen, met dien verstande echter, dat de pauzen bij dag nooit
+langer dan ruim 4 uren duren.... ’s Nachts moeten de pauzen minstens 4
+uur duren, men trachte echter het kind zoo spoedig mogelijk het zuigen
+bij nacht af te wennen.
+
+Over het algemeen geve men dus in de eerste 4 à 5 levensmaanden 7
+maaltijden, van de 5e tot de 9e à 10e maand 6 en daarna 5 maaltijden in
+de 24 uren. In de eerste maanden make men ’s nachts pauzen van minstens
+4 uur, iets ouderen zuigelingen geve men hoogstens 1 maal ’s nachts de
+borst en spoedig in het geheel niet meer.”
+
+Bl. 117. „Het resultaat, dat men bij de zuigeling met een bepaalde
+wijze van voeding kan bereiken, is van te voren maar al te dikwijls
+volkomen onberekenbaar.”
+
+Bl. 179. „Het spreekt van zelf, dat de natuurlijke voeding, dus de
+voeding met vrouwenmelk, als basis en model moet dienen voor de
+kunstmatige voeding. Het is ons reeds gebleken, dat bij de voeding aan
+de borst niet alle kinderen van denzelfden leeftijd even groote
+quantiteiten drinken; wij weten bovendien, dat eenzelfde borstkind bij
+den eenen maaltijd soms het dubbele tot het drievoudige van een
+voorafgaanden of volgenden maaltijd tot zich neemt. Daarom kunnen wij
+dan ook bij de kunstmatige voeding niet voor iederen zuigeling van
+bepaalden leeftijd een zekere hoeveelheid voedsel van te voren volgens
+een vast schema vaststellen, doch moeten wij in hooge mate
+individualiseeren en ons nooit gebonden achten door een schema, methode
+of tabel.”
+
+„Volgens hem (bedoeld is Prof. Czerny) mag men een gezond kind nooit
+uit den slaap wekken, om het te voeden, zelfs niet indien het daardoor
+een maaltijd zou verzuimen.
+
+Deze raad moge wetenschappelijk zeer juist en in een kliniek ook zeer
+goed op te volgen zijn, in de gewone praktijk zal men evenwel meestal
+adviseeren, het kind maar wakker te maken, als het 4 uur heeft
+geslapen, opdat de goede gang der huishouding geen stoornis ondervindt
+en de moeder niet veel te laat naar bed of midden in den nacht door een
+hongerigen zuigeling in hare rust wordt gestoord.”
+
+Bl. 296. „Alles komt ten slotte hierop neer, dat bij de kunstmatige
+voeding van zuigelingen het eerste en laatste woord niet is aan de
+theorie, doch aan de praktische ervaring, die ons leert, dat het
+onmogelijk is, algemeen geldende voorschriften te geven, nog minder,
+die in toepassing te brengen. Steeds moet men individualiseeren, want
+wat bij den eenen zuigeling voortreffelijk gelukt, kan bij den anderen
+treurig mislukken.”
+
+Bl. 297. „Steeds houde men in het oog, dat de methoden zijn gemaakt
+voor het kind en niet het kind voor de methoden.”
+
+
+Dr. Cornelia de Lange. ‘De geestelijke en lichamelijke opvoeding van
+Het Kind, in vrije navolging van Prof. Biedert „Das Kind”’. 1914.
+
+Bl. 55. „Wanneer men dadelijk na de geboorte begint, de kinderen
+gedurende den nacht, dus ongeveer van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6
+uur, geen voedsel te geven, dan schreeuwen zij de eerste twee, drie
+nachten erbarmelijk, maar dan zijn zij wijzer geworden en houden zich
+in de daaropvolgende nachten stil. De jonge ouders, die soms heelemaal
+ontdaan zijn door zulk een wreedheid, hebben daardoor het overtuigend
+bewijs, dat de opvoeding dadelijk na de geboorte moet beginnen en dat
+zij zich niet door hun gevoel mogen laten meeslepen. Het is vaak zeer
+moeilijk bij de opvoeding en het eischt een groote mate van wilskracht,
+om waar het noodig is, de liefde te laten zwijgen en zich te laten
+leiden door het verstand en de nuchtere rede, maar ter wille van het
+kind zelf, moet men steeds het gezag handhaven.”
+
+Bl. 78. „Nog niet lang geleden werd aangeraden, de zuigelingen in de
+eerste levensweken om de 2 of 2½ uren te laten drinken, maar in de
+laatste jaren is men er meer en meer toe gekomen, de pauze tusschen
+twee maaltijden gedurende het eerste halve levensjaar 3 uur en daarna
+zelfs 4 uur te laten duren” .... „is het duidelijk, dat men de
+tijdsruimte tusschen twee maaltijden drie uren moet maken en het kind
+hoogstens 20 minuten mag laten drinken. Slaapt het langer dan 3 uren,
+dan laat men het rustig slapen, totdat het van zelf wakker wordt; wel
+is het wenschelijk het kind op een bepaald uur te wekken voor den
+laatsten maaltijd ’s avonds, opdat het aan dien tijd zal gewennen en
+niet ’s nachts op een of ander tijdstip zal wakker worden en verlangen
+te drinken.”
+
+Bl. 79. „Tusschen 10 en 11 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens behoeft
+het kind niet gevoed te worden; dit is zoowel in het belang van de
+moeder, die haar ongestoorde nachtrust noodig heeft, als van het kind,
+welks spijsverteringsorganen evenzeer rust behoeven en dat dan tevens
+leert, dat de nacht er is om te slapen. Van dit régime moet men zich,
+zoolang het kind gezond is, niet laten afbrengen. Het kind krijgt dus 6
+maaltijden; dat dit aantal voldoende is blijkt daaruit, dat ook
+kinderen, die van den beginne af slechts 5 maaltijden daags kregen,
+prachtig zijn gedijd.”
+
+
+Dr. E. Gorter. ‘De voeding van gezonde en zieke zuigelingen.’ 1914.
+
+In de voorrede schrijft Czerny: „Auch das Lehrbuch von Gorter bedeutet
+einen Fortschritt .... Die Erkenntnis von den groszen individuellen
+Unterschieden der Säuglinge und von den angeborenen krankhaften
+Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der Ernährungslehre des
+Säuglings zu verdringen.”
+
+Bl. 17. „Vanaf den 2den levensdag zal men het kind aan de borst leggen.
+Men doet goed zich in den beginne nog maar door het kind te laten
+leiden en het als het schreeuwt aan de borst te leggen, met deze
+beperking evenwel, dat de tusschenpoozen niet korter dan 2 uur, en niet
+langer dan 4 uur worden en dat het ’s nachts 1–2 maal wordt aangelegd.
+Heel spoedig zal dan regelmaat worden ingesteld, zoodat het kind als
+het een week oud is al op vaste tijden, aanvankelijk alle 3 uur, wakker
+wordt om te drinken.
+
+Bl. 25. „Men zal al heel gauw—na 2–6 weken—het kind kunnen wennen, om
+van ’s avonds 10 uur tot ’s morgens 6 of 7 uur door te slapen, zoodat
+het dan nog slechts 5 maaltijden in de 24 uur krijgt .... Het is
+evenwel niet noodig, om het kind precies als het tijd is, wakker te
+maken voor zijn maaltijd. Maar voor een moeder, die nog andere
+bezigheden heeft, is het meestal wel erg prettig om precies te weten,
+wanneer het weer tijd is om haar kind te voeden .... Hoewel nu in de
+praktijk in de meerderheid der gevallen de resultaten van dit geringe
+aantal maaltijden voortreffelijk zijn, moet er toch op gewezen worden,
+dat men een enkele maal goed doet een uitzondering te maken en b.v. 6–7
+maaltijden in 24 uur voor te schrijven. Soms groeien de kinderen bij 5
+maaltijden onvoldoende en komen aanstonds bij voeding om de 3 uur weer
+flink aan.”
+
+
+Dr. I. H. G. Carstens. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en
+Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1912.
+
+Deel I, bl. 611. Sprekende over gemengde voeding, zegt hij:
+„Individualiseeren is ook hier noodig, omdat de maximale zogproductie
+bij de eene vrouw bereikt wordt door een veelvuldig aanleggen van het
+kind, bij de andere door een minder veelvuldig zoogen.”
+
+
+Dr. L. de Jager. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en Vrouwenziekten
+en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
+
+Deel III. Bl. 437. „Omtrent de voeding van den gezonden zuigeling
+heerscht in de verste verte geen overeenstemming van meening.”
+
+Bl. 442. „Als een kind aan de borst is, gaat alles gewoonlijk goed,
+onverschillig of het kind volgens het boekje gevoed wordt, of geheel
+volgens het eigen inzicht van de moeder.”
+
+Bl. 443. „Er is kentering; men begint ook in Duitschland in te zien,
+dat de pauze van 4 uur misschien te lang is; het staat vast, dat deze
+officieele pauze tot 3 uur zal worden teruggebracht en nu ben ik
+overtuigd, dat, nu er reactie komt, iemand zal opstaan en aan zijn
+kliniek de pauze nog meer zal inkorten, zoodat we vermoedelijk binnen
+niet al te langen tijd zullen vernemen, dat een zuigeling alle 2 uur
+behoort te worden gevoed .... maar wat in het algemeen het beste is,
+weet ik niet, en ik meen te durven beweren, dat een ander het ook niet
+weet.”
+
+
+Prof. G. C. Nijhoff. ‘Het boek voor jonge moeders.’ 1912.
+
+Bl. 130. „Het is volstrekt noodzakelijk dat het kind op regelmatige
+tijden gezoogd wordt, met tusschenruimten van minstens 2, liefst 2½ à 3
+uur, en dat het, zoo mogelijk, ’s nachts doorslaapt .... In de eerste
+dagen na de geboorte mag het kind worden aangelegd zoodra het
+schreeuwt, onverschillig of het dag of nacht is. Lang mag dit tijdperk
+van ongeregeldheid echter niet duren. Reeds in de tweede week moet het
+kind overdag opgenomen en aan de borst gelegd worden, wanneer het ruim
+2 uur geslapen heeft. Wordt het in dezen tijd ’s nachts wakker, dan
+moet door de verpleegster worden nagezien of het kind iets hindert.
+Wordt het na het verdrogen niet rustig dan mag het een of twee
+theelepeltjes water hebben, maar met het geven van de borst wordt
+telkens iets langer gewacht. Op deze wijze kan elk kind binnen den tijd
+dat de kraamverpleegster in huis is, zóó worden gewend dat het ’s
+nachts 6–7 uur slaapt en overdag 6–7 maal de borst krijgt.
+
+
+Prof. H. Treub. ‘Leerboek der verloskunde.’ 1913.
+
+Bl. 366. „Ten slotte de voeding. Onverschillig of het kind het
+natuurlijke voedsel, de moedermelk, dan wel eenigerlei kunstmatig
+voedsel krijgt, zijn er algemeene regels te geven, waaraan men zich
+hierbij zal hebben te houden. En wel vooreerst wat betreft de
+frequentie der maaltijden. In de eerste 1½ à 2 weken geeft men het kind
+voedsel als het er om vraagt, d.w.z. schreeuwt. Daarna gewent men het
+kind aan regelmaat, door het, onverschillig of het schreeuwt of niet,
+overdag om de twee uren op te nemen en te voeden, terwijl het ’s nachts
+alleen voedsel krijgt, als het schreeuwt. Langzamerhand, als het kind
+meer kan gaan drinken, maakt men de tusschenpoozen wat grooter, zoodat
+in de vierde à vijfde week het kind slechts om de 3 uur gevoed wordt.”
+
+
+Prof. G. Scheltema. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en
+Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde.’ 1914.
+
+Deel III. Bl. 613. „Misschien wordt het schema dikwijls te veel over de
+zuigelingen losgelaten en verdient het aanbeveling om hunne lust- en
+onlust-uitingen in zake voedselbehoefte meer te volgen. Bij natuurlijk
+gevoede kinderen kan men dit in elk geval gewoonlijk ongestraft doen;
+voor de onnatuurlijk gevoede zal men toch wel eenige paal en perk
+moeten stellen aan de avontuurlijke handelingen van hen, die men dan
+zonder leiding maar op de bevrediging van zoogenaamde voedselbehoefte
+van het kind, dat identiek wordt geacht met elk schreien, loslaat.”
+
+
+Arts Tijdens. ‘Kraamverpleging en voeding van het kind in het eerste
+levensjaar.’ Tweede druk. 1917.
+
+Bl. 73. „Na het zoogen wordt het kind telkens dadelijk weggelegd, en
+dan mag het, gelijk in het vorig hoofdstuk gezegd, den 1en en den 2en
+dag zoolang slapen, als het verkiest; wordt het wakker, zoo krijgt het
+(niet binnen 3 uur!) telkens de andere borst (eerst ’t kind
+droogleggen!), en mag daarna weer rustig doorslapen. Den 3en dag—gelijk
+ook reeds gezegd—begint de reiniging en voeding op geregelde tijden:
+als regel stelle men, dat het gezonde borstkind overdag alle 3 à 4 uren
+opgenomen, drooggelegd en aan de borst gevoed wordt,—dat is dus:
+hoogstens 5 keer per dag,—en dat het in den eersten tijd nog één keer
+’s avonds laat en één keer ’s nachts de borst krijgt,—in ’t geheel dus
+hoogstens 7 keer per 24 uur. Spoedig echter is het wenschelijk de
+voeding ’s nachts tot één keer te beperken. Het is van groot belang
+zich aan dezen regel te houden, zoowel voor de kraamvrouw als voor het
+kind.”
+
+Bl. 75. „Ook in de volgende dagen, weken, maanden ga men met de
+reiniging en de voeding van het kind op dezelfde regelmatige wijze
+voort, gelijk boven voor de eerste dagen is aangegeven, en wel: Van af
+de 2e tot de 5e of 6e maand: hoogstens 5 maal per dag, en één maal ’s
+avonds laat. Voor de rust van de moeder en van het kind is het
+wenschelijk, gelijk ook reeds gezegd, om het voeden bij nacht spoedig
+achterwege te laten. Verder voede men: vanaf de 5e of 6e maand:
+hoogstens 5 × per 24 uur.”
+
+Bl. 76. „De kinderen vertoonen zóó groote individueele verschillen,
+zoowel wat hunne behoefte aan voedsel als aan rust aangaat, alsook in
+alle overige eigenschappen,—dat men elk kind afzonderlijk nauwgezet
+moet waarnemen, en men nauwkeurig op zijne bijzondere behoeften en
+eigenaardigheden moet letten, om daaruit eene aanwijzing te putten voor
+den, voor elk kind vast te stellen leefregel.
+
+Geleid door een drang tot schematisme zijn wij vaak geneigd van het
+kind enkel plichten te eischen, zonder hem rechten toe te staan. Het
+kind is een geboren egoïst, en kent slechts rechten, geen plichten.
+
+Reeds in de eerste levensdagen beproeft het door schreeuwen zijn wil
+door te zetten. Is hem dit één keer gelukt, dan laat hij zich daar niet
+gemakkelijk weer af brengen, maar eigent zich steeds meer rechten toe;
+behalve om eten, schreeuwt het spoedig om opgenomen en op den arm
+rondgedragen te worden of om de aandacht te trekken, en om tallooze
+dingen meer: hij wordt een kleine tiran, die de geheele huishouding
+regeert.
+
+Onze taak is het, hierin het kind te leiden, en het binnen de perken te
+houden naar de gebleken individueele eigenaardigheden en behoeften.
+
+Men zal dan, om eenig resultaat te bereiken,—afgezien van het
+schreeuwuurtje, dat men het kind zal laten,—een zekere regelmaat in
+alles moeten invoeren, teneinde het kind plichten te leeren—en zelf
+niet de slaaf van den zuigeling te worden.
+
+Eene verstandige moeder zal in het gegeven schema den juisten weg weten
+te vinden.”
+
+
+Dr. N. Knapper Czn. ‘Nederl. Maandschr. v. Verloskunde en
+Vrouwenziekten en v. Kindergeneeskunde’. 1915.
+
+Deel IV. Bl. 468. „Telkens weer dringt de vraag naar voren: worden de
+persoonlijke eigenaardigheden van het kind wel voldoende in acht
+genomen, wordt niet te veel en telkens getracht om aan stelsels en
+tabellen te onderwerpen, wat toch even dikwijls weer van nature
+ongenegen blijkt om zich hieraan te houden? Juist het groote aantal
+steeds wisselende opvattingen—die maar al te weinig overeenkomen,
+dikwijls zelfs met elkaar in lijnrechte tegenspraak zijn—dwingt telkens
+weer de eisch op den voorgrond om te individualiseeren, om vóór alles
+na te gaan hoe een bepaald kind uit zich zelf zich gedraagt ten
+opzichte van de wijze van voedselopname, de hoeveelheden, de
+voedingstijden enz. Rietschel zegt niet ten onrechte: „de methode voor
+voeding aan de borst gedurende de eerste weken moet eene individueele
+zijn; feitelijk moet het kind zelf ons den weg wijzen, in dien zin, dat
+wij hem—d.w.z. iederen zuigeling afzonderlijk—bestudeeren, om
+allereerst van hem gewaar te worden, bij hem waar te nemen, wat hij
+verlangt, wat hij krachtens zijne constitutie voor zijne harmonische
+ontwikkeling behoeft.”
+
+Dr. Knapper begint zijn artikel: ‘Over zogvoeding en individualiteit’
+met de volgende zinsneden: „Al zijn er nog geen verschijnselen die er
+op wijzen, dat men in ’t algemeen weer gaat afwijken van het sinds lang
+aangenomene en door de goede resultaten gesanctioneerde voorschrift:
+Regel de voeding van het kind naar maat, gewicht en tijd, met regelmaat
+en orde, toch begint zoo hier en daar de ondervinding zich uit te
+spreken dat bij deze dressuur toch vooral het persoonlijke niet te
+sterk op den achtergrond behoort te worden geschoven. Ik herinner
+slechts aan het belangwekkende artikel over Moderne
+Zuigelingendiethetik van Halberstadt in het Monatschrift für
+Kinderheilkunde, door collega de Jager in dit tijdschrift aangehaald,
+en aan de reeks artikelen „Over het voeden van zuigelingen” in ’t
+Medisch Weekblad, van de hand van Dr. C. N. van de Poll, den
+vrouwenarts, die op grond van jarenlange waarneming van zoogende
+moeders en zuigende kinderen zich over de dressuur van den zuigeling
+eene persoonlijke meening heeft trachten te vormen.”
+
+Op bl. 476 spreekt hij over „de wenschelijkheid, de eisch bijna, om
+vooral bij de borstvoeding toch niet te veel te willen maatregelen,
+omdat de natuur zelve—om ’t zoo uit te drukken—„wel weet wat zij doet.”
+Men kan een en ander gerust op zijn beloop laten—tot zekere grenzen
+natuurlijk—al valt het soms geheel anders uit dan men „volgens ’t
+boekje” verwachten zou.”
+
+Omtrent de cijfers, welke ‘een gemiddelde’ aangeven, voor de
+hoeveelheid voedsel welke een borstkind, volgens officieele
+voorschriften, hebben mag, zegt hij (bl. 477): „Al hebben zij eene
+zekere waarde als leidraad, speciaal bij de onnatuurlijke voeding, bij
+de natuurlijke voeding behoort liefst de eigen persoonlijkheid van den
+zuigeling te gaan boven de leer.”
+
+
+Dr. C. N. van de Poll. ‘Medisch Weekblad’. 1915.
+
+„Het pasgeboren kind, en gedurende eenigen tijd ook de zuigeling, is
+nog niet als mensch te beschouwen, doch als een jong dier, waarbij wij
+niet uit het oog hebben te verliezen, dat het als zoodanig in bijzonder
+ongunstige omstandigheden verkeert, omdat het niet zelf de moederborst
+kan gaan opzoeken, zooals pasgeboren dieren dat reeds spoedig doen. Het
+menschelijk dier geeft door schreeuwen te kennen, dat het behoefte aan
+voedsel heeft, en daarop heeft de moeder te letten niet alleen, maar
+heeft zich, in vele opzichten, opofferingen voor haar hulpbehoevend
+kind te getroosten.
+
+Zal men nu, waar allerwege erkend wordt, dat er zoovele en vaak groote
+individueele verschillen zijn, daarmede rekening hebben te houden of
+niet? Wie de citaten, door mij gegeven, oplettend nagaat, ziet dat,
+ofschoon vrij wel alle schrijvers trachten een voor alle kinderen
+geldenden regel te geven, telkens gewag gemaakt wordt van
+uitzonderingen, omdat nu eenmaal de kinderen zich niet schikken naar de
+schemata, die, ondanks de bewering van Czerny: „Die Erkenntnis von den
+grossen individuellen Unterschieden der Säuglinge und von den
+angeborenen krankhaften Veranlagungen führte dazu jedes Schema aus der
+Ernährungslehre des Säuglings zu verdrängen”, toch onophoudelijk worden
+opgesteld. Ik begrijp, dat regels en voorschriften voor voeding,
+voedingstijden en hoeveelheden per maaltijd noodzakelijk zijn in
+weeshuizen, kazernes enz., waar een groot aantal personen moet gevoed
+worden. Het is niet doenlijk, daar toe te geven aan individueele
+verlangens, maar voor pasgeborenen en zuigelingen is het anders. Juist
+voor die hulpelooze schepseltjes is het noodig rekening te houden met
+allerlei omstandigheden, zoo van lichamelijken als van geestelijken
+aard, zooals dat ook noodig is bij het opvoeden van kinderen. Alle
+ouders kunnen weten, hoe het bij de opvoeding van het hoogste belang
+is, te letten op karakter-eigenschappen, om in verband daarmede b.v.
+goed- en afkeuringen, belooningen en bestraffingen in te richten. Van
+niet minder gewicht acht ik het, reeds van den beginne af, ook voor de
+voeding op te letten, wat voor ieder kind noodig en nuttig blijken kan,
+in verband met zijn eigen aard, met zijne eigenaardigheden, en dat
+zonder geleerdheid of wat daarvoor moet doorgaan. Uit de citaten is wel
+op te maken, dat het met algemeene regels maar niet lukken wil.”
+
+.... „Naar mijne meening is het zeer goed mogelijk, met inachtnemen van
+aanwijzingen, door de natuur gegeven, eene betrekkelijke regelmaat bij
+de voeding van den zuigeling te verkrijgen, zonder dat men in de fout
+van eenzijdige stelselmatigheid vervalt.... Eene ‘betrekkelijke’
+regelmaat, want verder zal men het nooit brengen. Wanneer in den
+beginne de verpleegster, of welken titel de helpster moge dragen, in
+overleg met de moeder, vooral waar het haar eerste kind betreft, later
+de moeder alleen, den zuigeling oplettend gadeslaat in al zijne
+verrichtingen, zal het—ook al weder betrekkelijk—gemakkelijk zijn te
+bespeuren, wanneer het kind voedsel verlangt. Juist zij, die dagelijks
+met den kleine verkeeren, en zeker het meest de moeder, weten reeds
+spoedig te vertellen van kleinigheden die zij opmerkten, en, in
+aansluiting daaraan, aan te geven, in welke richting de zuigeling zijne
+eigenaardigheden vertoont. Laat men nu het kind, met betrekking tot
+zijn hongergevoel, volkomen vrijheid, dan zal blijken, dat het eene
+kind, zooals ook de literatuur doet zien, meer of minder groote
+verschillen openbaart met het andere, maar ook, dat het gewoonlijk zijn
+buikje vol drinkt, daarna, althans in den aanvang, in slaap valt,
+eenigen tijd daarna wakker wordt, en weder om voedsel vraagt, iets dat
+zich met meer of minder regelmaat herhaalt”.
+
+.... Sedert geruimen tijd heb ik, waar mij de gelegenheid daartoe
+gegeven werd, in dezen geest (de zaak aan het kind zelf over te laten)
+gehandeld, en tot mijn genoegen mogen ondervinden, dat de kinderen
+prachtig groeiden, geen of onbelangrijke stoornissen vertoonden, en, op
+verschillende tijdstippen, tot eene regelmaat kwamen, waarvan de moeder
+in hare huiselijke ordeningen geen hinder ondervond. Wel is waar moest
+in de eerste weken de moeder doen, waarop ik boven doelde, namelijk
+zich opofferingen voor haar kind getroosten, maar de belooning bleef
+dan ook niet uit. In overleg met de moeder handelende, werden de
+gunstigste resultaten verkregen. Wat kan men meer verlangen?”
+
+
+G. Oosterbaan, arts. ‘Lichamelijke opvoeding’. 1920.
+
+Bl. 47. „Nooit mag afgeweken worden van den regel, dat tusschen twee
+maaltijden minstens ongeveer drie uren verloopen moeten.
+
+Wordt het kind binnen drie uren nadat het gevoed is wakker en is het
+dan lastig, schreit het pijnlijk, dan is, tenzij de hoeveelheid
+opgenomen voedsel onvoldoende was, honger niet de oorzaak. Naar de
+aanleiding van het schreien moet dan gezocht worden (zie bl. 37); in
+geen geval mag men het kind, ten einde het stil te krijgen, de borst
+reiken. Was deze regel reeds vroeger niet stipt opgevolgd, dan bestaat
+er groote kans, dat reeds een begin van gestoorde spijsvertering
+aanwezig is, en dat juist daarin de oorzaak van het schreien is
+gelegen. Dan zal men door het geven van nieuw voedsel slechts de kwaal
+verergeren, de aanleiding tot het schreien sterker maken in plaats van
+haar weg te nemen.
+
+Evenmin mag men het kind, al zijn drie uren na de laatste voedselopname
+verloopen, wakker maken om het te voeden. Blijft het doorslapen, dan
+bewijst dat, dat het nog geen behoefte aan voedsel heeft. Zoodra die
+behoefte komt, wordt het wakker en zal het gaan schreien.
+
+Het aantal maaltijden, dat een kind moet hebben, bedraagt gedurende het
+geheele eerste levensjaar gemiddeld zes per 24 uur. In de eerste weken
+zal het elke 3 à 3½ uur zijn voedsel opvragen (met uitzondering van de
+eerste dagen, waarin het dikwijls veel langer achtereen slaapt), zonder
+onderscheid te maken tusschen dag en nacht. Later verlangt het des
+nachts minder vaak, spoedig in het geheel geen voedsel. Het is van
+groot belang voor het kind zoover te komen, omdat dan de maag gedurende
+de nachturen haar noodige rust krijgt.
+
+Is het kind ongeveer drie weken oud, dan moet de regelmaat bij de
+voeding reeds verkregen zijn. Het krijgt dan des morgens tusschen 6 en
+7 uur zijn eersten maaltijd; verder alle 3 uren, zoodat het des avonds
+tusschen 6 en 7 uur zijn 5den maaltijd geniet. Dan begint voor het kind
+de nacht, die ongeveer 12 uren duurt. Gedurende dien tijd kan het eerst
+tweemaal, gemiddeld van het begin der vierde maand af éénmaal worden
+gevoed. Het beste is dien eenen nachtmaaltijd des avonds tusschen 10 en
+11 uur te geven, waardoor voor moeder en kind een voldoende tijd voor
+de nachtrust overblijft.
+
+De praktijk eischt hier afwijking van den regel, dat men het kind niet
+uit zijn slaap mag wekken ten einde het te voeden. Het groote belang,
+dat er in gelegen is om een voldoenden rusttijd te krijgen, weegt
+zwaarder dan die fout; vooral omdat dan toch de sedert de laatste
+voedselopname verloopen tijd groot genoeg is, om zeker te zijn dat het
+kind zonder schade weer opnieuw kan gezoogd worden.
+
+
+ In het algemeen gaan bij te vroeg geboren kinderen de hier gegeven
+ regels niet op. Zij moeten telkens, wanneer ze drie uur geslapen
+ hebben, gewekt en gezoogd worden.
+
+
+Tracht men zoo stipt mogelijk de regelmaat bij de voeding in acht te
+nemen, dan zal het kind spoedig aan dien regel gewennen en zal het
+wakker worden, wanneer de tijd voor de voeding gekomen is. Ook zal het
+spoedig elken avond omstreeks 10 à 11 uur onrustig worden of geheel
+ontwaken, wanneer het steeds op dien tijd zijn voedsel ontvangt.
+
+Wordt zulk een kind wakker vóór de noodige tijd sedert den laatsten
+maaltijd verstreken is, dan zal het zoet blijven liggen en niet gaan
+schreien, zooals het geval is met niet aan regelmaat gewende en
+verwende kinderen. Mocht het in het begin soms voorkomen, dat het kind
+schreit vóór het gevoed worden mag, dan late men het schreien tot zijn
+tijd gekomen is en toone in geen geval misplaatst medelijden, doch
+blijve standvastig weigeren het kind voedsel te geven, een schijnbare
+wreedheid, die echter slechts kan strekken tot heil van moeder en
+zuigeling.”
+
+
+
+
+FRANSCHE SCHRIJVERS.
+
+Dr. P. Lassablière. ‘Hygiène du premier âge’. 1913.
+
+Bl. 109. „Dès les premiers jours, il convient d’habituer l’enfant à une
+grande régularité dans ses repas. Ni ses cris ni les supplications de
+l’entourage ne doivent faire fléchir cette règle absolue.
+
+Le premier mois, l’enfant devra être mis au sein, à partir de cinq
+heures du matin, toutes les deux heures et demie; il recevra ainsi neuf
+tétées en vingt-quatre heures. Le deuxième mois, on supprimera une
+tétée. À partir du sixième mois, il prendra sept tétées en vingt-quatre
+heures, une tétée toutes les trois heures. Il faut, le plus tôt
+possible, éviter à la mère la tétée de la nuit qui est pour elle
+l’interruption d’un repos bien gagné et souvent une fatigue; l’intérêt
+de l’enfant commande ce repos d’ou dépend la bonne qualité. Le nombre
+et l’intervalle des tétées peuvent être modifiés cependant, par le
+médecin suivant le cas.
+
+La durée des tétées dépend de l’appétit de l’enfant et de la valeur de
+la mère comme nourrice. En moyen, les tétées doivent être d’un quart
+d’heure. Il y a intérêt à laisser reposer un peu l’enfant au milieu
+d’une tétée. Si l’enfant est glouton, on suspendra la tétée au bout de
+trois à cinq minutes.
+
+La quantité de lait que doit prendre un enfant dépend également de sa
+vigueur physique et de la richesse nutritive du lait maternel; il n’y a
+donc pas de règle absolue pour fixer la quantité exacte de lait que
+doit absorber un enfant.”
+
+Bl. 194. „Allaitement artificiel. Le tableau suivant donne les
+quantités de lait par biberon et par vingt-quatre heures. Là, plus
+qu’ailleurs, il n’y a pas de règle absolue. C’est au médecin
+d’apprécier.”
+
+
+P. Nobécourt. ‘Conférences pratiques sur l’alimentation des
+nourrissons.’ 2e Edition. 1914.
+
+Bl. 33. „Allaitement naturel. Si on ouvre les ouvrages qui traitent de
+l’allaitement, on est frappé par les divergences qui existent entre les
+auteurs sur le nombre des tétées et sur les quantités de lait qu’il
+convient d’autoriser. Elles se rencontrent non seulement dans des
+livres d’époques différentes, mais encore dans ceux qui sont
+contemporains. Comme, sans aucun doute, chaque auteur préconise les
+règles, qui, dans sa pratique, lui ont donné de bons résultats pour
+l’élevage des nourrissons, on serait tenté d’en conclure à l’absence de
+toute règle véritable. Ce serait évidemment exagéré. Il existe des
+données générales qui doivent guider le médecin; mais ces données n’ont
+rien d’absolu et nous verrons, chemin faisant, les tempéraments qu’il
+convient de leur apporter.”
+
+Bl. 41. „Il ne faut donc pas s’attacher à fixer avec une trop grande
+minutie la ration alimentaire d’un nourisson au sein; on aurait ainsi
+bien des déconvenues. Il faut dire que l’enfant doit ingérer
+approximativement telle quantité de lait; mais, prenant la ration
+théorique comme base, procéder par tâtonnement, comme le conseillait
+Budin, en tenant compte des fonctions digestives, de la croissance et
+de l’état général. Il faut se garder toutefois d’être trop timoré; si
+le bébé digère bien et se développe régulièrement, il faut le laisser
+téter suivant son appétit, se bornant à le modérer, s’il est trop
+vorace, à le stimuler, s’il prend trop peu. La quantité de lait qu’il
+prendra sera pour lui, en général, la ration optima.”
+
+Bl. 47. „Quand le bébé est normal et se développe régulièrement, il
+importe moins de se préoccuper de la ration que de fixer le nombre et
+les intervalles des tétées.”
+
+Bl. 82. „Comme l’a exposé fort justement le Pr. Maurel, il n’y a pas de
+rations normales, mais des rations conventionnelles moyennes,
+appropriées à des sujets donnés dans des conditions convenues; la
+ration est „toujours personnelle, de plus, même pour une personne, elle
+ne correspond qu’à une période de temps divisée et quelquefois très
+courte.” Quand on parle de rations trop fortes ou de laits trop riches,
+il faut tenir compte des modalités particulières à chaque enfant. Tous
+n’ont pas la même capacité digestive ni la même activité nutritive,
+même à conditions égales d’âge, de taille ou de poids. „Chaque
+organisme, écrit M. A. Lesage, à sa personnalité, son coefficient de
+fixation. Chaque nourrisson tire un parti différent d’un même aliment.
+Vouloir identifier tous les enfants est une utopie.”
+
+Bl. 139. „Technique de l’allaitement artificiel. L’allaitement
+artificiel ne peut en effet réussir que s’il reste sous le contrôle
+répété du médecin; comme je vous l’ai dit et comme nous allons le voir
+encore, les quantités de lait nécessaires aux enfants ne sont pas
+adéquates à les âges, elles doivent varier suivant les indications par
+l’examen clinique.”
+
+Bl. 141. „La tétée doit durer une dizaine de minutes.”
+
+Bl. 145. „La radioscopie ayant montré à M.M. Leven et Barret que le
+lait de vache quitte l’estomac, en général, aussi rapidement que le
+lait de femme, on peut donner autant de biberons que de tétées dans
+l’allaitement naturel, et aux mêmes intervalles, c’est-à-dire:
+
+
+ De la naissance à 3 mois 8 biberons espacés de 2h. 30.
+ ,, 3 à 6 mois 7    ,,      ,,    ,, 3,,
+ ,, 6 à 9 ,, 6    ,,      ,,    ,, 3,,
+
+
+... il n’y a d’ailleurs pas de règle absolue: M. Marfan conseille 7
+biberons jusqu’è cinq mois, 6 ensuite; M. Variot 9 biberons jusqu’à un
+mois, 7 biberons jusqu’à quatre mois, 5 biberons ensuite.”
+
+Bl. 148. „En présence des faits dissemblables que je viens de vous
+exposer, la conclusion déjà posée à propos de l’allaitement naturel
+s’impose: il n’y a pas de règle absolue pour l’alimentation
+artificielle des nourrissons. Chaque nourrisson a son individualité
+physiologique et demande une ration qui lui est particulière. Il faut
+procéder par tâtonnements”.
+
+
+Dr. J. Andérodias. ‘La pratique des maladies des enfants.’ 1909. I. par
+A. B. Marfan, J. Andérodias et René Cruchet.
+
+Bl. 244. „Pendant le période qui procède la montée de lait, il n’est
+pas utile de mettre très souvent l’enfant au sein. La seconde tétée
+aura lieu trois ou quatre heures après la première, et, jusqu’au
+troisième jour, on laissera cet intervalle entre les tétées. Lorsque la
+montée du lait s’effectue, les seins deviennent durs, tendus, et le
+mamelon diminue de longueur. Dans ces conditions, il ne faut pas
+laisser un intervalle aussi considérable entre les tétées; les seins
+seront donc vidés plus souvent, afin que l’enfant n’ait pas de trop
+grandes difficultés pour prendre le mamelon. On le mettra donc au sein
+toutes les deux heures d’une façon très régulière. Cet intervalle doit
+être considéré comme physiologique pendant le premier mois, car la
+digestion dure un peu moins que ce laps de temps.... A partir du
+deuxième mois, il sera bon d’espacer les tétées toutes les deux heures
+et demie, de façon à laisser reposer la mère un peu plus longtemps.
+Enfin, vers le quatrième mois, l’enfant ne prendra plus que toutes les
+trois heures.”
+
+Bl. 245. „Dans les premiers temps, certains enfants sont très paresseux
+et mettent longtemps pour téter, plus d’une demi-heure quelquefois.
+Dans ces conditions, il est très difficile de leur donner toutes les
+deux heures: on espacera les tétées toutes les deux heures et demie ou
+trois heures.”
+
+Bl. 246. „Si on a affaire à un enfant bien portant, qui augmente d’une
+façon régulière, et si la mère a suffisamment de lait, on peut se
+dispenser de la réveiller. Si au contraire le nourrisson est petit,
+tète mal et si la mère est médiocre nourrice, il faut réveiller
+l’enfant trop dormeur.... Si, en effect, l’enfant dort trop pendant le
+jour et n’a pas ses tétées réglementaires, la nuit il aura faim,
+restera éveillé, criera, et l’on verra cette anomalie d’un enfant qui
+dort une partie de la journée, ne tétant que quatre ou cinq fois, et
+reste toute la nuit suspendu au sein.”
+
+„Nous venons de dire que le nourrisson ne doit pas téter toute la nuit.
+Mais est-il nécessaire de le faire téter à intervalles réguliers? Si
+l’enfant ne se réveille pas, il est tout à fait inutile de lui donner
+le sein, surtout quand il est vigoureux et bien portant. On l’habitue
+ainsi a être sevré la nuit. Lorsque, au contraire, l’enfant se réveille
+et crie, si on a affaire à un enfant chétif et qui se développe mal, on
+lui donne une fois la nuit, à peu prés à intervalle égal entre la
+dernière tétée du soir et la première du matin. Cette tétée de la nuit
+sera continuée seulement pendant un mois ou deux. Si l’enfant se
+réveille et crie plusieurs fois dans la même nuit, on n’hésitera pas,
+s’il est suffisamment nourri, à le laisser crier.”
+
+
+Dr. J. Donnadieu. ‘Pour lire en attendant Bébé’, 8ième édition. 1916.
+
+Bl. 31. „De très bonne heure, dès la fin de la première semaine, vous
+réglerez rigoureusement l’heure des repas de l’enfant; vous le mettrez
+au sein toutes les deux heures le jour. Pendant le premier mois
+seulement vous lui donnerez deux tétées par nuit, dès le second mois,
+une seule.
+
+Si vous ne suivez pas courageusement cette règle, votre enfant sera
+difficile à élever, il passera ses jours et surtout ses nuits à pleurer
+et à téter, vous privant ainsi de tout repos, et compromettant
+directement votre santé et indirectement la sienne.”
+
+Bl. 32/33. „C’est surtout la nuit que vous apprécierez le repos que
+vous laissera votre enfant en dehors de l’unique tétée que vous lui
+donnerez jusqu’à l’âge de quatre mois.
+
+.... Des le cinquième mois, l’enfant ne tétera plus la nuit.”
+
+Bl. 34. „Quand l’enfant aura près de trois mois, pendant le jour,
+éloignez le moment des tétées; un repas toutes les deux heures et demie
+d’abord, puis toutes les trois heures, sera suffisant, d’autant plus
+qu’à cet âge, son estomac s’étant développé, il prendra chaque fois une
+plus grande quantité de lait qui demandera un temps plus long pour la
+digestion.”
+
+Bl. 35. „On rencontre quelquefois des mamans qui vous disent: „Docteur,
+il m’est impossible de faire téter mon enfant toutes les deux heures,
+car il fait des sommeils ininterrompus de quatre et cinq heures.” On
+est tenté d’ajouter: qui dort dîne. Le proverbe est ici en défaut, et
+pour ces enfants paresseux, dormeurs, je réclame plus énergiquement
+encore la régularité des repas, toutes les deux heures d’abord, toutes
+les trois heures ensuite.
+
+.... Quand l’heure du repas a sonné, levez votre petit endormi,
+secouez-le un peu pour l’éveiller, mettez-le au sein, qu’il tète et se
+rendorme après, il n’a pas autre chose à faire, téter et dormir.
+
+En résumé, un tout jeune enfant doit téter une disaine de fois dans les
+24 heures, puis, à mesure qu’il grandit, on diminue le nombre des
+tétées ou des biberons, en les espaçant, de façon que, vers la fin du
+huitième mois, il ne tète plus que six fois.
+
+Un enfant vigoureux doit faire son repas en dix ou douze minutes.”
+
+Bl. 38. „Donnerez-vous les deux seins à chaque tétée? Oui, car il est
+inutile de laisser distendre un sein en le laissant se remplir de lait
+pendant quatre heures, il vaut mieux les vider tous les deux à moitié à
+chaque tétée.”
+
+Bl. 66. „Allaitement au biberon. 1er jour: nombre des tétées 10; 4me
+jour, 10; 2me semaine 10; 3me et 4me semaine 9; 2me mois, 9; 3me mois
+8; 4me mois 8; 6me mois 7; 9me mois 6.”
+
+
+Prof. Dr. A. Pinard. ‘La Puériculture du premier âge’. 1916.
+
+Bl. 68. „Le nombre des tétées doit être de six à huit dans les 24
+heures. Elles doivent être espacées de la façon suivante: toutes les
+deux ou trois heures pendant la journée avec un repos, pour la maman et
+le bébé, de six à huit heures pendant la nuit.”
+
+Bl. 69. „La durée de chaque tétée doit être d’un quart d’heure environ.
+D’une façon générale, on ne doit pas interrompre le sommeil d’un
+nouveau-né bien portant pour le faire téter. Si le sommeil a duré plus
+de trois heures dans la journée, on rapprochera ensuite les tétées.
+
+Rien n’est plus variable que la quantité de lait prise au sein de sa
+maman par chaque bébé.”
+
+
+Prof. Dr. A. Auvard. ‘Le nouveau-né’ 7ième édition. 1917.
+
+Bl. 196. „Allaitement naturel. A partir du quatrième jour, régler
+autant que possible les tétées de la façon suivante:
+
+
+ Premier Semestre:
+ Trois premiers mois { Le jour, une tétée toutes
+ { les deux heures.
+ {
+ { La nuit (c’est-à-dire
+ { environ de 8 heures du
+ { soir à 8 heures du matin),
+ { une tétée toutes les
+ { quatre heures.
+
+ Trois mois suivants { Le jour, une tétée toutes
+ { les trois heures.
+ {
+ { La nuit une tétée toutes
+ { les six heures.
+
+ Second Semestre: Le jour, une tétée toutes
+ les trois heures;
+ remplacer deux tétées par
+ une soupe chaque fois.
+ (Par exemple, 8 heures
+ matin: tétée.—11 heures:
+ soupe.—2 heures soir:
+ tétée.—5 heures: soupe.—8
+ heures: tétée.
+
+ La nuit, une seule, tétée,
+ qu’on peut même arriver à
+ supprimer.
+
+ Troisième Semestre: Le jour, une tétée toutes
+ les trois heures; en
+ remplacer deux à trois par
+ les aliments, qui seront
+ indiqués ultérieurement.
+
+ Supprimer la tétée de la
+ nuit.”
+
+
+Bl. 200. „Les rations. (Je rappelle que ces chiffres ne représentent
+que des moyennes approximatives, qui varient avec chaque mère, avec
+chaque enfant, et aussi avec une série de circonstances laissées à
+l’appréciation du médecin).”
+
+Bl. 245. „Allaitement artificiel. On donnera une tétée toutes les deux
+heures (de 8 à 10 tétées par 24 heures).”
+
+„On peut arriver, après deux ou trois mois, à supprimer la tétée de
+nuit.”
+
+
+Mme. Le Dr. Cl. Mulon. ‘Manuel élémentaire de puériculture’. Préface du
+Pr. Marfan. 1920.
+
+Bl. 57. „il faut qu’il soit baigné chaque jour, qu’il ait des repas
+très réguliers.”
+
+Bl. 59. „Un enfant bien dressé doit dormir et laisser dormir ses
+parents entre 9 heures du soir et 6 heures du matin. Il prend cette
+habitude en quelques jours si on ne cède pas à ses cris. Il est plus
+long de dresser un bébé de quelques mois qu’un nouveau-né; on y
+parvient cependant avec la persévérance. On peut y parvenir plus vite
+en donnant un biberon d’eau bouillie pour calmer les cris et
+déshabituer l’estomac de secréter des sucs digestifs la nuit.”
+
+Bl. 80. „Il faut régler les enfants dès le début de la vie, pour
+l’alimentation comme pour le sommeil. L’éducation ne saurait commencer
+trop tôt. Quand un bébé vient de naître, après l’avoir nettoyé et
+habillé, on le met à dormir dans son lit.... (De moeder gaat ook
+slapen).
+
+....Donc, la mère et l’enfant reposent, nous allons les laisser ainsi 3
+à 5 heures, non pas 24 heures comme on disait autrefois.”
+
+Bl. 81. „Ensuite, nous allons mettre l’enfant au sein toutes les 2
+heures pendant quelques minutes pour faciliter la montée laiteuse, qui
+se fera ainsi en 48 à 60 heures environ. Nous devons l’aider. L’enfant
+prendra très peu de choses; il n’a pas besoin d’un long repas, mais
+ainsi nous éviterons à la mère la tension douloureuse des seins qui
+accompagne la montée laiteuse mal surveillée.
+
+Dès le 3e jour, l’enfant ne tétera plus que toutes les deux heures ½.
+Mais, je vous en prie, apprenez-lui de suite à ne pas téter la nuit. On
+peut très bien le dresser ainsi d’emblée, quoiqu’en pensent les mères.
+Et il n’ en meurt pas. Ce sont des idées un peu nouvelles, mais elles
+sont fondées sur l’expérience de beaucoup de maîtres, sur la mienne
+aussi. Quoi’qu’elle ne soit pas séculaire, je suis tout à fait sûre,
+qu’on arrive à élever des enfants ainsi et que la maman se porte mieux,
+ceci est vrai surtout pour la femme qui travaille. Combien de
+malheureuses ouvrières qui, ayant besogné toute la journée, passent
+encore leurs nuits à allaiter, parce que leur enfant crie, alors qu’un
+enfant bien dressé peut ne pas boire du tout entre 10 heures du soir et
+6 heures du matin”.
+
+Bl. 82. „En passant, je vous signale un petit moyen pour déshabituer un
+enfant mal dressé de téter la nuit. La mère vous dît: Je ne peux pas
+l’empêcher de crier la nuit. Eh bien, il suffira de remplacer cette
+tétée nocturne par un biberon d’eau bouillie.
+
+Ainsi l’enfant se déshabituera de secréter du suc gastrique à cette
+heure anormale et il ne demandera plus à téter la nuit.
+
+Quelquefois cependant, quand l’enfant est petit, un ch’tiot, comme on
+dit dans le Morvan, il faut le laisser téter la nuit une à trois fois,
+pendant quelques semaines, parce qu’il n’a pas la force de téter, il ne
+prend pas assez, et la secrétion lactée se tarirait.”
+
+
+
+
+DUITSCHE SCHRIJVERS.
+
+Dr. Julius Lang. ‘Aertzlicher Rathgeber für Frauen.’ 1892.
+
+Bl. 46.... so soll es vom ersten Tage an als feststehendes Gesetz
+gelten, dass das Darreichen der Brust nur in Zwischenräumen von
+mindestens drei Stunden zu geschehen hat.... was aber nur für den Tag
+gilt. Zur Nacht muss das Anlegen auf ein zweimaliges eingeschränkt
+werden; später genügt wohl auch ein einmaliges Darreichen der Brust und
+allmählich ist danach zu streben, dass der Säugling die ganze Nacht
+ohne Nahrung zubringt und höchstens werde ihm etwas Wasser gereicht.”
+
+
+Prof. F. Ahlfeld. ‘Lehrbuch der Geburtshilfe.’ 1903.
+
+Bl. 207. „Tagsüber tut man gut, alle 2 bis 3 Stunden das Kind
+anzulegen; nachts lässt man es so lange schlafen, wie es schläft. Indem
+man tagsüber pünktlich genau die Stunden einhält, das Kind zu dem
+Zwecke selbst weckt, die Nacht aber, auch wenn das Kind schreien
+sollte, es erst eine Zeit schreien lässt und erst es einmal trocken
+legt, ehe man ihm die Brust bietet, gelangt das Kind durch Gewohnung
+bald dahin, tagsüber sich pünktlich zum Trinken zu melden, nachts aber
+immer länger zu schlafen, schliesslich durchzuschlafen.”
+
+
+Dr. Engel. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der Kinderheilkunde.’
+1910. I.
+
+Bl. 170. „Eine gesunde, normale Frau kann ihr Kind ohne jede Anweisung
+nähren. Nahrungsbedarf und Milchproduktion stellen sich aufeinander
+ein; das Kind selbst bestimmt durch die Dauer des Schlafes die
+Trinkpause.”
+
+
+Dr. W. Camerer. ‘Pfaundler und Schlossmann’s Handbuch der
+Kinderheilkunde.’ 1910. I.
+
+Bl. 204. „Ueber 7 mal in 24 Stunden oder, wie es noch vielfach Sitte
+ist, zweistündlich die Brust zu geben, ist auch bei mangelnder
+Milchsekretion und schwächlichen Kindern unzweckmäszig, schon aus dem
+Grunde, weil man hierzu häufig ihren Schlaf unterbrechen müszte. Am
+zweckmäszigsten ist, 5–6 mal in 24 Stunden anzulegen.”
+
+Bl. 206. „Wenn es auch zu widerraten ist, ein Kind zum Zweck der
+Nahrungsaufnahme aus dem Schlaf zu wecken, so empfiehlt es sich doch
+sehr, schon von Anfang an die festgesetzten Zeiten möglichst ein zu
+halten, und es ist erstaunlich, wieviel man schon in den ersten
+Lebenswochen durch Erziehung erreichen kann. Das Kind soll so gewöhnt
+werden, dasz es in der 1. Woche tagsüber etwa alle dreiundeinhalb
+Stunden angelegt wird, während man bei Nacht eine fünf- bis
+achtstündige Pause einschaltet.”
+
+Bl. 211. „Unter normalen Verhältnissen ändert sich die Technik der
+Ernährung in den nächsten Monaten sehr wenig und gestaltet sich einfach
+genug, da man dem gesunden Säugling Freiheit in der Nahrungszufuhr die
+meist mit überraschender Regelmäszigkeit erfolgt, lassen kann.”
+
+Bl. 213. „Die Zahl der täglichen Mahlzeiten beträgt im ersten
+Vierteljahre 5–6, gelegentlich 7, später 5–6, so dasz anfangs 3½ später
+3½–4 stündige Pausen bei Tag mit entsprechenden Nachtpausen zwischen
+den einzelnen Mahlzeiten stattfinden.”
+
+
+Dr. G. Walcher. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und
+Gynaekologie.’ 1910. II.
+
+Bl. 349. „Zweckmässigerweise wird das Kind 5–6 mal täglich angelegt,
+nachts soll die Brust und der Magen des Kindes ruhen.” „Beim Stillen
+selbst soll immer nur eine Brust gereicht werden, diese aber ist
+volkommen leer trinken zu lassen.”
+
+
+Dr. Karl Basch. ‘Praktische Ergebnisse der Geburtshilfe und
+Gynaekologie’. 1912. IV.
+
+Bl. 326. Hij spreekt van „etwa 3 bis 4 Stunden, welche Zeit die
+natürliche Trinkpause entspricht.”
+
+
+Prof. L. Langstein und Dr. L. F. Meyer. ‘Säuglingsernährung und
+Säuglingsstoffwechsel.’ 1914.
+
+Bl. 94. „Vielfach ist es noch üblich, die Säuglinge alle 2 Stunden
+anzulegen.... Als Regel gilt die Verordnung von 5 Mahlzeiten (beim
+neugeborenen Kind sind eventuell 6 zu gestatten) in vierstündigen
+Pausen; eine längere Nachtruhe ist notwendig. Die Zeiten sind z.B.
+6–10–2–6–10 Uhr. Nur sollen diese nicht pedantisch eingehalten und das
+Kind soll nicht aus tiefem Schlaf zur Mahlzeit geweckt werden. Man darf
+sehr wohl das eine oder andere Mal die Zeiten überschreiten, nur darf
+das nicht zur Regel werden. Zudem regelt sich das Nahrungsbedürfnis
+bald so, dass das Kind von selbst zur angesetzten Stunde erwacht.”
+
+Bl. 148. „In den Lehrbüchern findet sich gewöhnlich die Angabe, die
+Mutter möge in vierstündigen Pausen fünfmal anlegen und in ihrer
+Energie nicht erlahmen. Hinter diesem lapidaren Satz liegt jedoch ein
+Berg von Schwierigkeiten.”
+
+
+Prof. Dr. A. Keller en Dr. W. Birk. ‘Leidraad bij de kinderverpleging,
+enz.,’ vertaald door Christina Nijman, 1912, met een inleidend woord
+van Dr. Cornelia de Lange.
+
+Bl. 36. „In de eerste dagen en weken bepaalt het kind, door den duur
+van den spontanen slaap, de tusschenpoozen van zijn maaltijden; in de
+zesde of zevende week probeeren de ouders meestal, het kind er toe te
+brengen, dat het ’s nachts doorslaapt zonder voedsel te krijgen.
+Overdag worden de voedings-tusschenpoozen verkort, en de voeding ’s
+nachts vervalt. In den regel laat het kind zich dan de eerste nachten
+nog hooren, daar het gewend is aan de nachtvoeding; het wil de borst
+hebben en is onrustig.”
+
+Bl. 37. „Wij achten b.v. voor het gezonde kind 5 maaltijden per dag
+voldoende; een grooter aantal is schadelijk, maar met het oog op het
+lichamelijk welzijn en het verloop van het spijsverteringsproces is het
+vrijwel hetzelfde, of deze maaltijden alleen over dag, van ’s morgens
+tot ’s avonds 9 uur, of wel over de geheele 24 uur verdeeld worden. Men
+zou in sommige gevallen aan het kind zelf de termijnsbepaling kunnen
+overlaten en het nu eens 3 uur, den volgenden keer 6 uur achtereen
+laten doorslapen, mits het aantal van 5 maaltijden niet overschreden
+wordt. Dit doen wij echter niet, maar streven naar een zekere
+regelmaat, die trouwens meestal ook reeds geëischt wordt voor den
+goeden gang der huishoudelijke aangelegenheden en waardoor het kind
+tevens aan orde wordt gewend. Natuurlijk mag deze opvoeding tot orde
+niet in strijd zijn met de belangen der lichamelijke gezondheid.”
+
+
+Dr. S. Engel en Dr. M. Baum. ‘De zorg voor den zuigeling’, bewerkt door
+Jeannette Stärcke-Polenaar, kinderarts, met een inleidend woord van Dr.
+J. de Bruin. 1913.
+
+Bl. 43. „In den regel slaapt het kind al den tijd tusschen de
+maaltijden. De meeste gezonde kinderen verlangen daarvoor uit zichzelf
+een lange rustpoos; vooral in de eerste maanden van het leven slapen de
+kinderen tusschen de maaltijden zeer vast. Daardoor verlangen gezonde
+borstkinderen meestal van zelf slechts 5 of 6 maaltijden per dag,
+tenzij men ze opzettelijk dwingt aan meer maaltijden te wennen; er zijn
+zelfs kinderen die maar 4 keer per dag de borst willen hebben.
+
+Men zou dus een kind moeten aanleggen wanneer het wakker wordt, en
+blijkbaar voedsel verlangt. Wanneer evenwel onverhoopt het kind niet
+zelf zijn maaltijden regelt, maar dikwijls en op ongeregelde tijden
+voedsel verlangt, moet men hem aan vaste tijden wennen, en hem 5 of 6
+maal daags de borst geven, in afstanden van 3 tot 4 uur. (Noot van de
+vertaalster: „Hier te lande geeft men meestal nog 6 of 7 maaltijden per
+etmaal. Zelden of nooit zagen wij daarvan nadeel).
+
+’s Nachts moet in elk geval een pauze van 6 à 8 uur gemaakt worden.”
+
+Bl. 51. „Van zeer veel gewicht is het, hoelang men wacht tusschen de
+maaltijden. Zooals reeds vroeger werd aangetoond, is het in het belang,
+zoowel van de moeder als van het kind, dat men altijd regelmatige
+pauzen maakt. Komt het kind daar niet vanzelf toe, dan moet men het
+daaraan wennen.”
+
+Bl. 150. „Verder is er nog een belangrijke vraag, om de hoeveel tijd
+men een kind moet voeden. Borstkinderen bepalen vaak zelf het tijdstip
+voor de voeding, doordat zij, vooral in de eerste weken of maanden,
+zoolang slapen, tot zij weder behoefte aan voedsel hebben. Eerder
+slapen zij wat langer en slaan zij daardoor een maaltijd over, dan dat
+zij een maaltijd te veel nemen. Later echter, wanneer zij langer wakker
+blijven, kan men de voeding niet meer regelen naar het slapen en wakker
+worden van het kind. Dan moet men dus het kind gewennen aan een
+bepaalden regelmaat in de voeding. Bij fleschvoeding blijkt dit reeds
+eerder noodig te zijn.”
+
+
+Dr. M. von Pfaundler. ‘Physiologie des Neugeborenen.’ Handbuch der
+Geburtshilfe herausgegeben von A. Döderlein. 1915.
+
+Bl. 638. „Wenn man gehalten wäre, für alle Kinder ein und dasselbe
+System der Brusternährung zur Anwendung zu bringen, so würde man wohl
+besser fahren mit 5–6 als mit 8–10 Mahlzeiten pro 24 Stunden.
+Glücklicherweise besteht aber kein Zwang zu einer solchen starren
+Regel—vielmehr—wie noch gezeigt werden soll und der Verf. seit 1899
+immer wieder aufs Nachdrücklichste vertritt—aller Grund sich für den
+gut beobachteten Einzelfall von jedem Schema freizumachen.”
+
+Bl. 640. „Das zweckmäszige Vorgehen ist hiernach genügend vorgezeigt:
+Man wird bis zum 3. oder 4. Lebenstag auf etwa 5–6 Mahlzeiten pro Tag
+hinaufgehen und versuchen bei dieser Anzahl zu verharren. Zeigt sich
+aber (worauf man besonders bei Erstlaktierenden gefaszt sein musz),
+dasz die Tagestrinkmenge unter dem Bedarf, die Sekretion bei so langen
+Pausen eine ungenügende bleibt oder stellen sich klinische Zeichen der
+Unterernährung ein, so wird man unbedenklich die Zahl der Mahlzeiten
+auf 7–8 erhöhen; kurz gesagt, man wird das Kind nicht nach der Regel,
+sondern die Regel nach dem Kinde richten, man wird auch hier in einem
+gewissen Rahmen individualisieren und auf die ‘Stimme der Natur’
+hören.”
+
+„Hinsichtlich der Einteilung der Mahlzeiten ist auf eine tunlichst
+lange Nachtpause von etwa 8 Stunden zu achten und im übrigen die
+Einhaltung annähernd gleicher Intervalle zu erstreben. Hier werden oft
+einander direkt widersprechende oder unerfüllbare Vorschriften
+erlassen. Wenn es z.B. heiszt, man solle das Kind füttern um 6 Uhr, um
+10 Uhr vormittags, um 2 Uhr, 6 Uhr und 10 Uhr nachmittags, oder zu
+andern festen Zeiten, das Kind dürfe aber nicht aus dem Schlafe geweckt
+werden behufs Fütterung, so wird manche folgsame Mutter tagtäglich vor
+qualvolle Dilemmen gesetzt”.
+
+Bl. 614. „Wie viel Nahrung braucht das Neugeborene? Die Beantwortung
+der Frage starrt vor Schwierigkeiten.”
+
+
+Dr. G. Tugendreich. ‘Vorträge über Ernährung und Pflege des Kindes.’
+1914.
+
+Bl. 45. „Obwohl es zweckmäszig ist, das Kind an Regelmäszigkeit der
+Mahlzeiten zu gewöhnnen, so darf man bei der Brustnährung—im Gegensatze
+zur Flaschenernährung—doch auch einmal von der Zeiteinteilung
+abweichen, z.B. wenn unser Kind zur Trinkzeit im tiefem Schlafe liegt.”
+
+
+Prof. Dr. B. Bendix. ‘Lehrbuch der Kinderheilkunde für Aerzte und
+Studierende.’ 1916.
+
+Bl. 42. „Das Brustkind verfügt bei jeder einzelnen Mahlzeit, abhängig
+von den jeweiligen Durst und Hunger, frei nach seinem Belieben. Es
+weichen daher die Mengen der Einzelmahlzeiten auch desselben Tages sehr
+voneinander ab, so dasz z.B. eine Mahlzeit 250–300 g. und die andere
+nur 75–100 g. betragen kann...... Unter normalen Bedingungen wird das
+gesunde Kind vor einem „Zuviel” durch die allmähliche Ermüdung infolge
+des Sauggeschäft, durch die Magenkapazität und die Erschöpfung der
+Brustdrüse geschutzt.”
+
+Bl. 43. „Es ist nicht nötig, den Säugling zur bestimmten Stunde aus dem
+Schlafe zu wecken, um ihn zu stillen, sondern man wartet, bis er sich
+„meldet”. Auch bei nur 3–4 maligem Trinken innerhalb 24 Stunden holt er
+sich das für seinen Bedarf notwendige Milchquantum aus der Brust
+heraus. Sehr häufig stellt sich im Verlaufe einiger Wochen das Kind von
+selbst auf die 4- oder 3stündige Pause ein.”
+
+Bl. 45. „Die natürliche Ernährung mit ihren normalen Verhältnissen
+soll, insbesondere was Nahrungsmengen und Nahrungsbedarf anbetrifft,
+als Wegweiser für die Vorschriften bei der künstlichen Ernährung
+dienen. Man soll sich aber jederzeit bewuszt sein, dasz der einzelne
+Säugling eine Individualiteit für sich ist, die je nach der ihr von der
+Natur verliehenen Leistungsfähigkeit ihrer Zellen und deren Funktion
+sparsamer oder mit gröszerem Kraftverbrauch wirtschaftet. Mithin dürfen
+die bei der natürlichen Ernährung gewonnenen Zahlen ein wertvolles
+Schema für die künstliche Ernährung abgeben. Falsch ist es, sich in
+jedem Falle schablonenmäszig an sie zu binden.”
+
+Bl. 52. „Die Trinkmengen und die Zahl der Mahlzeiten werden bei der
+unnatürlichen Ernährung nach den bei der natürlichen gewonnenen
+Erfahrungen eingerichtet. Aber ebensowenig wie sich ein starres Schema
+für die dem einzelnen Kinde notwendigen Milchquanten aufstellen läszt,
+ebenso unmöglich ist es, genau zu präzisieren, mit welcher Lebenswoche
+eine Steigerung der Konzentration vorzunehmen ist. Als Regel darf der
+Satz gelten: man bleibt solange bei dem vorgeschriebenen Masz der
+Nahrung und Grad der Konzentration, als Allgemeinbefinden und Stuhl des
+Kindes gut sind, und sein Gewicht ungestört ansteigt, auch wenn Menge
+und Konzentration unter der gewöhnlichen Norm stehen.
+
+.... Es kann nicht oft und ausdrücklich genug hervorgehoben werden,
+dasz es eine Schablone für die Ernährung des Säuglings nicht gibt,
+weder bezüglich der Menge der Milch noch des Grades der Verdünning. Es
+heiszt hier wie in vielen Dingen individualisieren, nicht
+schematisieren.”
+
+
+
+
+ENGELSCHE (AMERIKAANSCHE) SCHRIJVERS.
+
+G. F. Still. ‘Common Disorders and Diseases of Childhood.’ 1909.
+
+Bl. 23. „There must be regularity in the feeding and, as a general
+rule, I am strongly in favour of waking an infant for its feeds at the
+proper time. If this is done from the beginning, the infant usually
+very soon gets into the habit of waking just as the feed is due, and
+goes off to sleep again quite easily after it. An infant should be fed
+every two hours during the first two months, except at night, when the
+intervals may be three hours: during the next month it should be fed
+every two and a half hours by day, and three hours by night, and from
+the end of the third month onwards it should be fed every three hours
+by day and may miss one feed at night, until the age of six months,
+when it may miss two feeds at night.”
+
+
+Prof. Dr. George Peaslee Shears (New York). ‘Obstetrics normal and
+operative.’ 1916.
+
+Bl. 205. „The French seek to avoid maceration of the epithelium (nml.
+van den tepel) by allowing the child to nurse but once in three hours.
+My experience has led me to believe that many children cannot obtain
+sufficient nourishment in this way, and I prefer (after the
+establishment of the milk secretion), to adhere to the two or two and
+one-half hour interval, giving both mother and child a rest between
+midnight and morning.”
+
+Bl. 207. „The child may be put to the breast (nml. na de bevalling)
+after eight or ten hours, and after that every four hours for two or
+three days, or until the milk secretion becomes established. One
+interval at night may be extended to six or even eight hours in order
+to give the mother a good period of restful sleep.”
+
+
+‘Midwifery by ten teachers’ under the direction of Comyns Berkeley.
+1917.
+
+Bl. 566. „During the first two days the secretion of the breasts is but
+small in quantity, and the child must not be put to the breast more
+often than every six hours.... With the establishment of full
+lactation, which generally occurs on the third or fourth day, the
+infant must have its regular hours of feeding. It may be stated as
+generally convenient if the infant has its first feed at 7 a.m.,
+followed at 9.30 a.m. by its morning bath. After the bath the child has
+its second feed, and after this feed and the fatigue of the bath, the
+child may be allowed to rest for three hours. It is then fed regularly
+every three hours, being awakened if necessary, until about 10.30
+p.m..... After the first week the baby will be having its full feeds,
+and will generally sleep till 7 a.m., with only one feed in the night.
+In this way the infant will have seven feeds during the twenty-four
+hours, and the mother and nurse will have a good night’s rest.”
+
+
+
+Wie heeft gelijk?
+
+Ik eindig met de opmerking, welke Jacobi in 1900 op een congres van
+Amerikaansche geneeskundigen maakte, bij eene discussie over de beste
+methode voor de voeding van zuigelingen:
+
+„He had come with the idea, that he would learn how infants should be
+fed, but he finds that he was mistaken, for every speaker has given a
+different method. For his part, he thinks that, above all, the
+physician should mix milk with.... brains. It is astonishing how handy
+brains are in the practise of medicine. Every man told us how he feeds
+babies, and every one thinks his way is right, but a lot of babies
+think it is wrong,”
+
+en ik voeg er bij:
+
+„Time has come, that the babies tell us what they think to be the
+best.”
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANHANGSEL II.
+
+ENKELE RECEPTEN.
+
+
+Rijstwater, gortwater, wordt bereid van 1 eetlepel rijst of gort, die
+men met 1 liter water 15 minuten laat koken. Daarna laat men even
+bezinken en giet het rijstwater of gortwater af. (Gorter.)
+
+Voor gort-, rijst- of haverafkooksel neemt men ongeveer 1 theekopje per
+liter, gekookt tot lobbig aftreksel en daarna door een fijn zeefje of
+gaas gezeefd, aangevuld met rietsuiker of melksuiker. (Scheltema).
+
+Gortwater of rijstwater. 1 eetlepel gort of rijst met één liter water
+gedurende 15 minuten te koken, daarna door een doekje te filtreeren en
+zoo noodig met gekookt water aan te vullen tot ½ liter. Tevens voegt
+men een weinig zout toe, zóó dat de smaak niet meer onaangenaam flauw
+is.
+
+
+ Gortwater en rijstwater bederven zeer spoedig, zoodat zij elken
+ dag, op warme zomerdagen tweemaal daags, versch moeten worden
+ bereid. Omdat de bereiding tijdroovend is en omdat gevaar voor
+ bederven bestaat, gebruike men ze alleen, indien met water verdunde
+ melk niet goed verdragen wordt. (Oosterbaan).
+
+
+Op ½ liter water komt 1 eetlepel rijst of 1½ eetlepel haverdegort,
+welke men 10–12 minuten laat koken, daarna door een doekje of zeefje
+filtreert en waaraan men dan weer evenveel water toevoegt als verkookt
+is en zooveel zout dat de smaak niet onaangenaam flauw is. Men kan ook
+de rijst of de gort opzetten met 1 liter water en dit laten verkoken
+tot op ½ liter.
+
+Haverdegort wordt vóór het koken met koud water afgewasschen en rijst
+moet eerst „geblancheerd” worden. Deze laatste bewerking bestaat
+hierin, dat men het water, waarmede de rijst op het vuur is gezet,
+afgiet, zoodra het begint te koken. De aldus geblancheerde rijst wordt
+dan opnieuw met schoon water opgezet en dit tweede afkooksel gebruike
+men ter verdunning van de koemelk. (de Lange).
+
+Havergort. 60 gram havergort wordt in warm water afgewasschen, dan met
+1 liter koud water opgezet en een uur lang boven een matig vuur
+gekookt; dan doet men er 3 gram zout bij en giet alles door een fijne
+zeef. Wat daaruit druppelt, is havergortwater. Wanneer een dunnere
+substantie is voorgeschreven, wordt het afkooksel weer met gekookt
+water tot 1 liter aangevuld.
+
+Havervlokken. Wordt het afkooksel bereid uit havervlokken, dan neemt
+men 60 gram havervlokken op 1 liter water en kookt dit slechts 20
+minuten lang. (Keller en Birk).
+
+Meelwater. 20 gram tarwebloem of havermeel wordt met 1\2 liter water
+koud aangemengd; een andere 1\2 liter water wordt opgezet en aan de
+kook gebracht; men doet er 3 gram zout bij en zoodra het water kookt,
+wordt de eerste helft erbij gedaan. Voor oudere kinderen neme men 40
+gram meel en 1 liter water. (Keller en Birk).
+
+
+Karnemelkvoedsel wordt bereid door 1 liter karnemelk onder gestadig
+roeren op zacht vuur met 1 kleine lepel rijstebloem (15 gram) en 1–2
+eetlepels suiker (30–60 gram) 10 minuten te laten doorkoken, waarna men
+er weer zooveel gekookt water aan toevoegt, dat er 1 liter over is.
+Voor zieke kinderen of pasgeborenen neemt men vaak een
+maltose-praeparaat (30–45 gram per liter).
+
+Karnemelk is ook in bussen gecondenseerd en ingedampt te krijgen, men
+vindt de gebruiksaanwijzing op de bus vermeld. (Gorter).
+
+15–20 gram (1½ gewoon gevulde lepel) rijstmeel, die vooraf met water
+[11] flink gaar gekookt is tot een dikke pap, wordt gemengd met 1 liter
+karnemelk en met 45 à 60 gram (3 opgehoopte lepels) witte suiker en het
+geheel nogmaals flink gekookt.
+
+Rijstmeel geeft, vooral met de karnemelk die van melk, en niet van room
+is gekarnd, een meer egaal, minder vlokkig praeparaat dan andere
+meelsoorten. Wanneer rijstmeel niet in een winkel of bij een bakker is
+te verkrijgen, kan het door fijnstampen van prima rijst gemakkelijk
+worden bereid.
+
+Op 1 liter karnemelk komt 15 gram tarwemeel; al roerende worden zij
+samen aan de kook gebracht, en als zij koken, laat men ze nog 10
+minuten lang doorkoken, steeds roerende. Vervolgens voegt men 30 gram
+witte suiker toe. De pan moet goed geëmailleerd zijn; het roeren
+geschiede liefst met een houten lepel, het koken moet plaats hebben op
+een „fel vuurtje”, zooals de technische term der huismoeders luidt.
+(Chr. Nijman).
+
+
+Gecondenseerde melk, bussemelk, Zwitsersche melk. Met of zonder
+suikertoevoeging ingedampt. Wordt volgens voorschrift op de bus met
+water verdund. (Gorter).
+
+
+Voor bijvoeding wordt gebruikt pap, bereid van verschillende
+meelsoorten, als rijst, rijstemeel, tarwemeel, havermeel, gerstemeel,
+griesmeel, gort, grutjes, maizena, arrowroot, tapioca, sago, beschuit,
+brood, met water, melk en water, bouillon. Arrowroot, maizena, tapioca,
+sago hebben een gering gehalte aan eiwit. Pap van havermeel is erg
+slijmerig.
+
+Verder worden gegeven soep van gries of rijst, met bouillon of tevens
+met fijngemaakte groenten, moes van spinazie, wortelen enz. Ook zeer
+fijn verdeelde groenten, met weinig water opgezet, waarvan men al het
+vocht laat verkoken. In aanmerking komen spinazie, worteltjes,
+doperwtjes, bloemkool, gestoofde sla, andijvie. Ook aardappelpurée.
+
+Van vruchten komen, naast vruchtensappen en vruchtenmoes, in
+aanmerking: appelen, peren, bananen, sinaasappelen, kersen, frambozen,
+druiven (zonder pit of schil).
+
+Alles hangt af van den zuigeling.
+
+Zooals reeds onder ‘Allerlei’ werd opgemerkt, is de met het tanden
+krijgen van nature gepaard gaande vermeerderde speekselafscheiding der
+speekselklieren eene aanwijzing, dat men van dat oogenblik ook andere
+spijs dan uitsluitend melk kan toestaan. Mijne bedoeling met die
+opmerking is, dat niet te lang mag worden voortgegaan met allerlei
+papjes, doch dat met het tandenkrijgen ook aan het kind langzamerhand
+vaster voedsel mag gegeven worden. Een beenen ring mag men gerust
+vervangen door een korstje brood, om op die wijze reeds het kind te
+gewennen aan het gebruiken van vaster voedsel.
+
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Ik verwijs voor eene, naar het mij voorkomt, praktische kleeding,
+zoowel voor zuigelingen als voor oudere kinderen, naar de boekjes,
+uitgegeven door de vereeniging: „Vakschool voor verbetering van
+vrouwen- en kinderkleeding” te Amsterdam. I. Zuigelingenkleeding. II.
+Kruipleeftijd. III. Kleeding voor meisjes van 2–6 jaar. IV. Kleeding
+voor jongens van 2–6 jaar. V. Kleeding voor meisjes van 6–12 jaar. VI.
+Kleeding voor meisjes van 12–17 jaar, door M. A. Faddegon en J. L.
+Redeke-Hoek.
+
+[2] W. Preyer, Die Seele des Kindes. 7te Auflage, 1908.
+
+[3] Het is mij niet lang geleden gelukt eene borst, nadat het kind vier
+weken lang, wegens zware ziekte van de moeder, kunstmatig gevoed was,
+wederom door het zuigen van het kind tot voldoende zogafscheiding te
+brengen, zoodat de intusschen herstelde moeder haar kind geheel aan de
+borst kon voeden.
+
+[4] Het vermelden van deze persoonlijke opvatting is niet geheel van
+gevaar ontbloot, en dat gevaar betreft zoowel den zuigeling als
+mijzelf. Voor den zuigeling schuilt het gevaar hierin, dat de nog
+onervaren moeder, telkens wanneer het kind schreit, vermoedt dat het
+honger heeft en het dus aan de borst legt, waaraan het dan eenige malen
+zuigt, doch niet met die lust en die kracht, welke inderdaad berust op
+de natuurlijke behoefte aan voedsel, om vervolgens slechts met den
+tepel te spelen en weder met schreien te beginnen, zoodra zijne moeder
+hem in de wieg wil leggen. De moeder moet zich er voor hoeden, op die
+wijze van haar kind een dwingeland te maken, die haar alle rust beneemt
+en zichzelf schade berokkent.
+
+Voor mij schuilt het gevaar hierin, dat men, door onnadenkend volgen
+van mijne opvatting, het kind tot een lastig kind maakt en ten prooi
+geeft aan stoornissen in de spijsvertering, en mij daarvan de schuld
+geeft. Voor onnadenkend opvolgen van eene, in eene langdurige praktijk
+verkregen, overtuiging, kan ik echter geene verantwoordelijkheid
+aanvaarden. Ik heb, bij het schrijven van dit werkje, erop gerekend,
+dat iedere moeder haar best zal doen zoo spoedig mogelijk de
+eigenaardigheden van haar kind te leeren kennen en daarbij trachten wil
+verstandig te handelen. Zooals gezegd, zal de oplettende moeder al
+spoedig zekere regelmaat ontdekken en daarmede rekening moeten houden.
+
+[5] Dr. C. N. van de Poll. Over het voeden van zuigelingen. Medisch
+weekblad, 1915.
+
+[6] Zie aanhangsel.
+
+[7] Dr. E. Gorter. De voeding van gezonde en zieke zuigelingen, 2e
+druk. Hij raadt gewone suiker aan. 1 eetlepel suiker weegt 30 gram, 1
+paplepel 15 gram, 1 theelepel 5 gram (opgehoopt); voor een afgestreken
+lepel rekene men de helft.
+
+Voor het meel neme men zuivere rijst- of tarwebloem. 1 eetlepel meel
+weegt 20 gram, 1 paplepel 10 gram, 1 theelepel 3–4 gram (opgehoopt).
+
+[8] Foto’s door de firma D. J. Boom, Hengelo (O.).
+
+[9] Pneuma = lucht, welke, in gezonden toestand, alles wat niet vast
+is, dus alle holten, vult.
+
+[10] In Amstelodamum, December 1919, schrijft J. W. F.: „In zijn Uit ’t
+leven van een leurder (1915, 30) vertelt Jos. Goudswaard over „de
+heilige lengte van Christus”, een strook papier van 1,65 Meter lang,
+waarop gedrukt staan litanieën en gebeden, dat zijn eigenaar, zijn
+drager behoedt voor alle kwalen; die vrouwen zonder smart doet baren en
+de huizen waarin ze zich bevindt veilig maakt tegen kwade geesten,
+uitgedrukt in deze woorden: „De zegen des Allerhoogsten van God den
+Vader, God den zoon en God den H. Geest, gebenedijde dit huis, en al
+wat daar binnen en buiten is; menschen en vee, alle eten, spijs en
+drank en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en
+gezegend.”
+
+[11] Het is aan te bevelen om meel, dat met melk of eene andere
+eiwithoudende grondzelfstandigheid zal worden gekookt, vooraf met water
+gaar te koken. Meel, rijst, griesmeel enz. die met melk tot een pap
+zullen dienen, worden in het Groningsche Ziekenhuis vooraf met weinig
+water gaar gekookt tot een dikke waterpap. Moet hiermede iets anders,
+b.v. melk of karnemelk worden verdund, dan wordt daarvoor later in
+evenredigheid een kleinere hoeveelheid water gebruikt. (Scheltema).
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 75911 ***