summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--78378-0.txt3143
-rw-r--r--78378-h/78378-h.htm4363
-rw-r--r--78378-h/images/lordlister.pngbin0 -> 36856 bytes
-rw-r--r--78378-h/images/lordlister0045-front.jpgbin0 -> 101037 bytes
-rw-r--r--78378-h/images/p0045-01.pngbin0 -> 14420 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
8 files changed, 7522 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/78378-0.txt b/78378-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..deb9ad6
--- /dev/null
+++ b/78378-0.txt
@@ -0,0 +1,3143 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 45 HET GESTOLEN DIENSTMEISJE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET GESTOLEN DIENSTMEISJE
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONTMOETING IN DEN TOWER.
+
+
+„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer
+bewonderde, gevierde, maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief
+van Londen, tot zijn vriend Charly Brand, „het is zulk heerlijk
+zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”.
+
+Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een
+sigaret rookte, stond op en antwoordde:
+
+„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur
+Baxter zult hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw
+gevangenname met 500 pond heeft verhoogd”.
+
+Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek.
+
+„Waarom lach je?” vroeg de secretaris.
+
+„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een
+hoogere premie heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst
+van een gevaarlijk moordenaar; op mijn persoon, die nog nimmer eenig
+mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg zou kunnen dooden en die
+er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, die
+onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven,
+een welverdiende straf te bezorgen.
+
+„Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere
+prijs is uitgeloofd voor een harer onderdanen.
+
+„Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell
+wilde betalen, niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij...”
+
+Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek
+peinzend naar buiten.
+
+„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit.
+
+„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de
+gelegenheid zal zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om
+tot den een of anderen armen drommel te zeggen, die het geld best kan
+gebruiken:
+
+„Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een
+kostbaar voorwerp, dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van
+politie en zeg daar: hier is John Raffles!”
+
+„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret
+aanstekend.
+
+„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij
+niet eerder zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie
+Baxter, dan wanneer hij den armen drommel de 4000 pond heeft
+uitbetaald.”
+
+Charly Brand lachte en sprak:
+
+„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft
+gekregen, met een van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het
+geheele hoofdbureau van politie een poets zult bakken, die meer dan
+4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen”.
+
+Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei:
+
+„Ik kan je geen ongelijk geven.
+
+„Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou
+voor dien armen man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur
+Baxter brengen, je het geld laten uitbetalen en wij maken er samen een
+reis van naar het vasteland.
+
+„Maar laat ons nu gaan!”
+
+John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn
+stok met zwaren gouden knop, die door middel van een geheime veer
+geopend kon worden en die van binnen een waar arsenaal van kunstig
+bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte.
+
+Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al
+in de deur stond:
+
+„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?”
+
+„Natuurlijk!” lachte Lord Lister.
+
+„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo
+ga. Ik had korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze
+wederzijdsche vriend een oude fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen,
+een wijf van minstens zeventig jaar, die in de buurt van Piccadilly
+rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen
+nam, onder de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C.
+Raffles was en haar naar Scotland Yard liet brengen. Schitterend,
+nietwaar?”
+
+„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt
+wel een beetje onwaarschijnlijk!”
+
+„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth
+van Engeland niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin
+van gebochelde mannen hield!”
+
+„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de
+geschiedenis?”
+
+„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend
+op, „ik lees graag over de bijzonderheden van historische personen.”
+
+„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond
+als iemand met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op
+nahield. Hoe kun je dat verklaren?”
+
+„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik
+jou zou willen verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin
+Elisabeth vond in haar half dozijn gebochelde hofnarren.
+
+„Maar kom nu mee!
+
+„En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze
+wandeling maken naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen
+haar breede voeten heeft gezet. Laat ons naar den Tower gaan!”
+
+„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent
+geworden! Je hebt een eigenaardige gave om droge onderwerpen op
+interessante wijze te behandelen.
+
+„Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader!
+
+„Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels,
+ijzersterke zenuwen en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad
+genoeg om niet alleen een vrouw, maar zelfs een man nieuwsgierig te
+maken.”
+
+„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.”
+
+„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!”
+
+Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die,
+volgens Londensch gebruik, midden op de straat stond.
+
+„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het
+rijtuig, terwijl Charly Brand hem volgde.
+
+Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris:
+
+„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te
+vertellen.”
+
+„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab!
+Een mooi beest, nietwaar?”
+
+„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met
+koningin Elisabeth van Engeland?”
+
+Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde:
+
+„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—”
+
+Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar.
+
+„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn
+met diamanten versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn
+borstzak.
+
+Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte
+Carlo afhandig gemaakt.
+
+Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens.
+
+Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de
+diamanten in bonte kleurenpracht schitterden.
+
+„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel
+overeenkomst met die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina,
+die haar gunsteling Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit
+étui vereerde.”
+
+„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand.
+
+„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten
+van Catharina en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.”
+
+„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben
+tamelijk goed op de hoogte.”
+
+„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat
+de warmte invloed op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele
+Theems zal je goed doen!”
+
+„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste
+kalmte.
+
+Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij
+de Towerbrug over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den
+conciërge kaarten om toegang te krijgen.
+
+Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede,
+vroegere slotgracht voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in
+een grasveld, dat als exercitieveld dienst doet voor de Iersche garde,
+welke in den Tower verblijf houdt.
+
+Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een
+afdeeling van dit regiment in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes
+en de grijze kepi’s, naar buiten om te gaan exerceeren.
+
+John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier
+de rijzige, krachtige, gespierde gestalten.
+
+Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke
+wandelstokjes in de handen, waarmee zij speelden als dames met haar
+waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig lijkende voorwerpen waren echter
+zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten.
+
+In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van
+het beste Indische peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en
+een verguld looden knop als handvat, een gruwelijk martelwerktuig.
+
+John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika
+werden zij veelvuldig gebruikt bij het drillen der recruten.
+
+Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik,
+kuchend en snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met
+zijn kleine, door dikke vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig
+insect naar zijn manschappen.
+
+Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als
+mishandelde honden naar den kleinen kapitein keken.
+
+Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar,
+alsof hij elk oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een
+slag wilde geven.
+
+„Dat is de menschenbeul van het regiment,” sprak Raffles tot Charly
+Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval van oorlog
+meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen!
+
+„Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren
+zal behandelen!”
+
+Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het
+exercitieterrein beneden hen.
+
+Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein.
+
+Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een
+vischwijf, gaf hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen.
+
+Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn
+meening niet flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de
+gemeenste scheldwoorden, zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald
+afkomstig moesten zijn van de vrouw van dezen bullebak.
+
+„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch
+dragonder dergelijke scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!”
+
+Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche
+soldaten zoo onbarmhartig tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote,
+sterke kerel in elkaar zakte.
+
+„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat
+ik niet het een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in
+te gooien.”
+
+„Nette voornemens”, lachte Charly Brand.
+
+„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!”
+
+Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn
+vriend, toen de Engelsche kapitein een tweede der manschappen op
+dezelfde wijze met zijn stok sloeg.
+
+Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn
+kameraden keek, waaraan hij niet behoefde mee te doen.
+
+John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot
+hem.
+
+Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden:
+
+„Kom eens hier, mijn vriend.”
+
+„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een
+superieur in burgerkleeding te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig
+het militair saluut.
+
+Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak:
+
+„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar
+beneden, die het bevel voert over de eerste compagnie?”
+
+De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie
+bedeeld werd, antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam
+van den gevreesden officier op luiden toon uit te spreken:
+
+„Kapitein McGovern.”
+
+„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook
+toevallig, waar de woning van dien heer is?”
+
+„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie
+en moest dikwijls den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein
+woont Hamilton Road 16.”
+
+„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn
+vrienden woont in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw
+een draak is.”
+
+„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle
+woede, die hij dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn
+manschappen. Wij noemen hem in het regiment den menschenbeul.”
+
+„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met
+Charly Brand naar den Tower.
+
+Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale
+optreden.
+
+Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn
+vrind meerdere malen mompelde:
+
+„Hamilton Road 16.”
+
+Hij scheen een plan te maken.
+
+Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar
+de kazernes terug.
+
+In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op
+het trottoir.
+
+Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar
+konden passeeren.
+
+Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de
+bovenbedoelde kapitein met zijn compagnie aan.
+
+„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die
+vermoedde, dat Raffles een plan smeedde tegen den kapitein.
+
+En hij had zich niet vergist.
+
+Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo
+stevig vast, dat hij niet kon uitwijken.
+
+Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen
+liep.
+
+Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet
+zoo!
+
+Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde
+botsing met den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen
+den officier gestooten, dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn
+stok ophief om ermee te slaan.
+
+Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een
+korte Engelsche vloek kwam van zijn lippen.
+
+Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af,
+zoodat de slag doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het
+folterwerktuig uit de hand, voordat deze het kon verhinderen en gaf hem
+er een flinken klap mee in het gezicht.
+
+Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen.
+
+John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een
+prettige gebeurtenis! Er was niemand onder hen, die den kapitein niet
+van ganscher harte een flink pak slaag gunde.
+
+Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met
+gezwinden pas over de brug verdwenen en buiten het bereik van de
+Iersche gard.
+
+Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats.
+
+„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier
+toe.
+
+Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik,
+toen de kapitein met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het
+rijtuig om den hoek van den Tower.
+
+„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, terwijl hij den stok
+door de lucht zwaaide.
+
+„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien
+menschenbeul vandaag nog een betere les te geven”.
+
+„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand.
+
+„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend,
+„inspecteur van politie Baxter zal werk krijgen!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VREEMDE HELDENMOED.
+
+
+Kapitein McGovern kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis.
+
+Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van
+den kapper afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit
+een onooglijk rattestaartje, dat zij handig wist te verbergen onder de
+blonde pruik.
+
+Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de
+gesloten vensters, op straat hoorbaar was.
+
+Toen McGovern zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n
+schreden. Het maakte den indruk, alsof een afgeranselde hond met den
+staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde.
+
+Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de
+linkerhand een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was
+opgezwollen door den slag van Raffles.
+
+Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde.
+
+Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw,
+die tegen een jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde.
+Het meisje was haar uit een weeshuis bezorgd.
+
+De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn.
+
+Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs
+vermoeiend was voor een gespierden man.
+
+Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En
+toch was zij al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te
+maken.
+
+De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer,
+had een Japansche ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe
+door haar lorgnet naar het werkende meisje.
+
+Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond
+om het kind een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het
+hoofd te slingeren, opdat het werk wat vlugger zou gaan.
+
+Kapitein McGovern opende de deur der kamer en sprak met zachte,
+bedrukte stem, die geheel en al in tegenstelling was met zijn
+commandotoon op het exercitieveld:
+
+„Eulalia, hier ben ik!”
+
+Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op,
+zette haar lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot
+als een nijdige krokodil, die in zijn rust wordt gestoord.
+
+„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?”
+
+„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!”
+
+Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep:
+
+„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je
+dienst is immers pas over een uur afgeloopen!”
+
+„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!”
+
+Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak:
+
+„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!”
+
+In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en
+schreeuwde:
+
+„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te
+luisteren, wat ik hier met dezen heer te spreken heb!
+
+„Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen
+avondboterham! Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel
+te slecht gewerkt!”
+
+Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene.
+
+„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd?
+Vertel!”
+
+„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een
+afschuwelijk geval! Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op
+weg naar huis.
+
+„Vier van hen sloeg ik neer.
+
+„De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau.
+
+„Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere verdediging een slag,
+lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen.
+
+„Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen.
+Ik voel mij ziek! Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat
+thee voor mij zetten!”
+
+Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende
+blikken naar hem keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem
+staan, tikte hem met haar lorgnet op den schouder en sprak op zalvenden
+toon:
+
+„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer
+opwekken, zooals je dat al zoo vaak hebt gedaan?”
+
+Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker
+weer krampachtig tegen de pijnlijke wang drukte:
+
+„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat
+ik de zuivere waarheid spreek!
+
+„Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je
+lieve handen als een barmhartige Samaritaan verplegen”.
+
+„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad
+vermelden, opdat de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper
+officier van het roemrijke Engelsche leger je bent!
+
+„O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik
+steeds, dat je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een
+geboren veldheer bent, dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent
+als Kitchener en dat jouw genie Engeland de zege zal doen behalen over
+het gehate Duitschland.
+
+„O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt
+doorstaan!
+
+„Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de
+wond, die je hebt opgedaan, verbinden.
+
+„O Harry, welk een held ben je!”
+
+Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om
+de hulp in te roepen van den huisdokter.
+
+Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen
+zij zag, dat hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn
+wang, in den schommelstoel zat, zette zij de handen op de heupen en
+riep:
+
+„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er
+gebeurt? Waarom zit je daar in dien schommelstoel?
+
+„Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die
+luie vuilpoets, die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van
+luiheid!
+
+„Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid
+aan te zetten?”
+
+Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij
+scheen die beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de
+schouders en bukte zich, in afwachting van de muilpeer.
+
+„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!”
+
+„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor
+een held uit te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers
+je in dezen toestand zagen, zou geen hunner schrijven: De Engelsche
+Moltke is ontdekt. Het is kapitein McGovern, van de Iersche koninklijke
+garde—
+
+„Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te
+kijken! Er uit en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog
+eens doen.”
+
+Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein
+de kamer uit en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der
+gang.
+
+Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat
+hij een kom met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot
+tijd den zakdoek doopte om er zijn gelaat mee te betten.
+
+Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly
+Brand heen en weer liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe
+blikken bekeken.
+
+Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand:
+
+„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!”
+
+Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer
+stapte, die de woning binnenging.
+
+„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!”
+
+„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand.
+
+„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste
+plaats had hij een verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg
+hij een cylinder, die, behalve de Engelsche doktoren, niemand draagt.
+
+„Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen
+dokter dadelijk herkennen aan de gewichtige gelaatsuitdrukking,
+waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht te verbergen.
+
+„Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!”
+
+Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen,
+vanwaar zij het huis nauwkeurig konden gadeslaan.
+
+Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend
+en het kleine, armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de
+hand.
+
+„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben
+nieuwsgierig, of de dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft
+voorgeschreven. Blijf hier eens zitten.
+
+„Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat
+recept.”
+
+Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na.
+
+Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald.
+
+Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het
+vermagerde, bleeke, hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij
+kende de geheele lijdensgeschiedenis van het arme schepseltje.
+
+„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel
+ongelukkiger uit dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde
+schepsels, die ik ooit in de straten van Eastend of Whitechapel heb
+gezien.”
+
+Vol medelijden wilde hij haar aanspreken.
+
+Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel
+voor zijn voeten neer.
+
+Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg
+haar de naastbijzijnde woning binnen.
+
+Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem,
+voor water te zorgen.
+
+Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het
+uitgeputte schepseltje.
+
+Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar
+Raffles.
+
+„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem.
+
+„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de
+apotheek gaan om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets
+versterkends meebrengen. Je voelt je erg naar, nietwaar?”
+
+„Ja”, hijgde het meisje.
+
+„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder.
+
+„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan.
+
+„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij
+verzocht den portier, ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand
+lastig werd gevallen.
+
+Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek.
+
+Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij
+aan het meisje gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en
+beval haar, van het poeder, dat zich daarin bevond, elken dag een
+lepeltje vol in een glas water te roeren en een eetlepel vol te nemen
+van den flesch Tokayer.
+
+In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien.
+
+En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de
+handen, waarin zij zich bevond.
+
+Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles
+weerde haar met een snelle beweging af.
+
+Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar
+zij zich zeer zwak gevoelde, tot aan de deur.
+
+Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam.
+
+De dokter was reeds heengegaan.
+
+Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly
+Brand zat, merkte deze op, dat het gelaat van zijn vriend een
+eigenaardige uitdrukking had.
+
+„Wat heb je?” vroeg hij.
+
+„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op
+ernstigen toon. „Ik heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen,
+een van die ongelukkige blanke slavinnen en verder heb ik den kapitein
+een recept voorgeschreven, dat hem nog betere diensten zal bewijzen dan
+de slag met den stok.”
+
+„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand.
+
+„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij
+die zoo dikwijls op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende
+straf te doen toekomen, kreeg ik het recept van den dokter in handen.
+
+„Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden.
+
+„Ik heb het recept nog in mijn zak.
+
+„In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een
+eenigszins andere uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister.
+
+„Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking.
+
+„Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het
+gelaat van den kapitein flink is opgezwollen. Mijn zalf zal hem
+daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken lang mooi zal zijn.
+Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten weer zal
+tuchtigen.
+
+„Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.”
+
+„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend.
+
+„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle
+stem wij op straat hoorden, geen blaren op de tong krijgt.”
+
+Plotseling sprong Raffles op.
+
+„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie
+kunnen bijwonen!”
+
+Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van
+den kapitein.
+
+Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje
+verscheen, dat de deur opende en vroeg wat hij verlangde.
+
+„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij
+verzocht mij, den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had
+voorgeschreven.”
+
+„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje.
+
+„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den
+donkeren achtergrond. Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie
+er was.
+
+„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende.
+
+„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij
+doet precies alsof hem een nieuw ongeluk was overkomen.
+
+„Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!”
+
+Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul.
+
+„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word
+krankzinnig—men wil mij vermoorden!”
+
+Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit
+geschreeuw hoorden.
+
+Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man:
+
+„Heb je je ingesmeerd?”
+
+„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon.
+
+„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal
+reuzenblaren krijgen!”
+
+„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan
+vreemde heeren. Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je
+heldenmoed denken!”
+
+„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf
+gegeven, ik word vermoord! Roep den dokter!”
+
+„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier
+is de zalf! En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal
+je uitkraamt, zal ik voor jouw oogen mijn heele gezicht ermee
+insmeeren!”
+
+Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste
+eksteroog.
+
+„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu
+krijgt zij ook blaren!”
+
+In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde
+de kapitein weer als een waanzinnige en riep om den dokter.
+
+Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg
+hij gezelschap, want ook zijn vrouw begon.
+
+De zalf werkte uitstekend!
+
+Raffles hoorde haar schreeuwen:
+
+„Help! Harry! Help!”
+
+Daarop greep hij Charly’s arm.
+
+„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur
+Baxter dit recept niet eens voor kan schrijven!”
+
+Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden
+dokter ter hulp te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande
+huisdeur bewees haar, dat er werkelijk een paar vreemde heeren in haar
+huis waren geweest.
+
+Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met
+Dr. Griffin.
+
+Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde
+de telephoon.
+
+Hij nam de hoorn op en riep:
+
+„Hier Dr. Griffin, wie is daar?”
+
+„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!”
+
+De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand.
+
+„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem.
+
+„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?... hebt gij mijn naam nooit
+gehoord?... John Raffles heet ik—verstaat gij mij nu?”
+
+„Jawel”, antwoordde de dokter, „wat wenscht gij?”
+
+„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug.
+
+„Het recept, dat gij kapitein McGovern hebt voorgeschreven, is in
+gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij
+geweest, een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het
+tweetal van mij”.
+
+De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met
+open mond naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij
+opnieuw werd opgebeld.
+
+Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem
+der kapiteinsvrouw, die in de grootste wanhoop riep:
+
+„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u
+belieft!”
+
+Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de
+woning van den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw
+van het wanhopige echtpaar, zoodat het was, alsof alle katten en katers
+uit de buurt een welluidend concert gaven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE TANDEN.
+
+
+De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen
+politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken
+Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater
+door te brengen.
+
+„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.
+
+„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een
+scheeven blik aanziende.
+
+„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken
+niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.”
+
+Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.
+
+Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef
+stilstaan:
+
+„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel
+genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die
+lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”
+
+Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste
+avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de
+inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien.
+
+„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het.
+
+Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens
+verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig
+spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem
+strak aankeek.
+
+„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”
+
+„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.
+
+De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den
+neus.
+
+„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”
+
+„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd
+je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat
+je Raffles werkelijk hadt gezien.”
+
+De Vloo lachte luidkeels en riep:
+
+„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik
+zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen
+kosten.”
+
+„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen!
+Gevangen nemen!”
+
+„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem
+niet!”
+
+„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel
+eens zal krijgen!”
+
+De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het
+krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te
+lezen.
+
+Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit,
+evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen.
+
+Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst
+voorhoofd aankeek.
+
+„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo
+kinderachtig!”
+
+„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens
+even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”
+
+„Houd op met dien vervloekten Raffles!”
+
+„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste
+streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —”
+
+Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij
+verder sprak:
+
+„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”
+
+„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt
+gij toch voor nonsens!”
+
+Marholm hield zijn buik vast.
+
+„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”
+
+Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere
+wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in
+de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie,
+en Raffles.
+
+Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de
+dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen.
+
+Met woedende blikken las hij het volgende:
+
+
+ „Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten
+ bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks
+ afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit:
+
+ Raffles deelt ons mede— — —”
+
+
+En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het
+recept van den Ierschen kapitein.
+
+Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen,
+kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.
+
+Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn
+kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.
+
+Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en
+sprak:
+
+„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den
+grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!”
+
+„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij
+niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig
+aanhanger worden van Lord Lister.”
+
+Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den
+ambtelijken plooi.
+
+„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik
+heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.”
+
+„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze
+Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren—
+—een geniale kerel!”
+
+„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past
+geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de
+gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.”
+
+„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde
+de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen
+aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—
+
+Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden,
+zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het
+Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had
+gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar.
+
+Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne
+bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche
+garde bedreven beulswerk.
+
+Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in
+de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te
+knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over
+Raffles’ daden.
+
+„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme,
+kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul,
+en het bij een nette familie onderdak brengen.”
+
+„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees
+en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet
+verlaten. Zou ze het nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen
+en naar den ouden dienst terugbrengen”.
+
+„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is
+het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik
+van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust,
+beste Charly!”
+
+„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het
+toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen.
+Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de
+voorschriften zal kennen.”
+
+„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang
+verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods
+met geweld, in betere omstandigheden brengen.”
+
+Charly Brand haalde de schouders op en hernam:
+
+„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets
+voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.”
+
+„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard
+ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet
+eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — —
+
+„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we
+opbreken.”—
+
+Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want
+er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op
+den Hamilton Road begaf.
+
+Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens
+iemand wakker was.
+
+Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:
+
+„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik
+ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever
+hierdoor naar binnen gaan.
+
+„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit
+het huis kom.”
+
+De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis
+en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een
+schutting was afgesloten.
+
+John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn
+vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde
+verdween.
+
+Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de
+poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die
+hem boven op het huis zou brengen.
+
+Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het
+dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was.
+
+Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis
+maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen
+zien.
+
+Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de
+aandacht te trekken.
+
+Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het
+midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de
+trap kon bereiken.— — —
+
+Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!
+
+Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet
+bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een
+houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een
+doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en
+bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.
+
+Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en
+beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer.
+
+De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat
+oogenblik hun pijnen vergaten.
+
+„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan
+haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat.
+
+„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de
+bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.”
+
+„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is
+eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen
+moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem
+je revolver en ga naar de gang.”
+
+Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.
+
+„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust
+te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat
+is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te
+sluiten?”
+
+De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:
+
+„Ik heb alles gesloten, Harry, maar... nu weet ik het!—Ik vergat het
+dakvenster op zolder dicht te maken!... Harry, sta op! Door het
+dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!”
+
+Maar de kapitein wilde niet.
+
+Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —
+
+Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje
+geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van
+haar heer en gebieder het angstzweet stond.
+
+„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw
+hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.
+
+„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om
+je te verdedigen?— —
+
+„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!
+
+„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland,
+die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen!
+
+„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den
+inbreker dat je een held bent!”
+
+„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met
+zwakke stem te antwoorden.
+
+Nu begon zij te krijschen:
+
+„Wat?... Wat?... Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd
+met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik
+een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!”
+
+Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de
+revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar
+de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer.
+
+Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een
+waterkaraf.
+
+Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog
+voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.
+
+Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.
+
+Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht
+wederkeerig steun bij haar.
+
+Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.
+
+Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John
+Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen.
+
+„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.
+
+„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.
+
+Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine
+dienstmeisje ook naderbij gekomen.
+
+Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind
+van de gang.
+
+Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:
+
+„Groote hemel, die arme man is dood!”
+
+Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en
+vroeg:
+
+„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat
+scheelt u?”
+
+Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.
+
+Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar
+steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij
+sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw
+los.
+
+„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een
+waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug,
+wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer.
+
+Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met
+stoelen, tafels en andere meubelstukken.
+
+Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was,
+stond een oogenblik sprakeloos.
+
+Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg
+ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.
+
+In den hoek onder de trap hing een waschlijn.
+
+Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen
+Raffles tot een pakje samen te binden.
+
+Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur
+en schreeuwde:
+
+„Doe open! Doe open!”
+
+„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij!
+Spaar mijn leven!”
+
+„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers!
+Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem
+met de waschlijn vastgebonden!”
+
+„Is dat werkelijk waar?”
+
+„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu
+de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”
+
+„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”
+
+„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een
+bijl en sla ze stuk!”
+
+„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”
+
+„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos
+neer. Kom hier, Harry! Kom hier!”
+
+Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat
+hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.
+
+Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid
+had gesproken.
+
+Nu kwam zijn moed terug.
+
+Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:
+
+„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer
+ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je
+neer!”
+
+Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.
+
+Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één
+enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— —
+—hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig.
+
+Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren
+en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water.
+
+„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem
+gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”
+
+En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen,
+schoot de kapitein zijn revolver op hem af.
+
+Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:
+
+„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”
+
+„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers,
+dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een
+ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!”
+
+„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal
+ik hem eens anders toonen!”
+
+In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde
+vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar
+geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij
+sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam.
+
+„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein,
+terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam.
+
+Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon
+doen dan zich bedaard te houden.
+
+„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”
+
+Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.
+
+„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”
+
+Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en
+wijsvinger en hield het in de hoogte:
+
+„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den
+gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de
+vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee
+tanden!”
+
+„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg
+mevrouw verbaasd.
+
+„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.
+
+„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een,
+toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet
+gezien?”
+
+„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn
+oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?”
+
+„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik
+heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die
+beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche
+regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand
+het waagt zich met mij te meten.
+
+„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste
+plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn
+geheele gebit verloren.
+
+„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn
+liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —
+
+„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij
+sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.”
+
+Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.
+
+„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste
+roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd
+rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den
+naam: Eulalia!”
+
+Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein
+rillend en bevend naar haar man.
+
+Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand
+de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.
+
+Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:
+
+„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”
+
+„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van
+zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in
+goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt.
+
+„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen en jou de andere
+aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een
+herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—
+
+„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die
+souvenirs benijden.— —
+
+„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn
+revolvers bewaak en roep de politie.”
+
+Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het
+dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven,
+terwijl Raffles haar toefluisterde:
+
+„Maak de huisdeur open!”
+
+Hij had zich niet in het meisje vergist.
+
+In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel
+van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had
+gegeven.
+
+Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar
+de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het
+naaste politiebureau waarschuwde.
+
+John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak
+bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een
+geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde.
+
+In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly
+Brand afgesproken fluitsignaal hooren.
+
+Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de
+overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde
+met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis.
+
+Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.
+
+„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds
+opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is,
+hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!”
+
+Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den
+grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende
+knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp
+Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door,
+waarmede Raffles gebonden was.
+
+Dit alles speelde zich af in een paar seconden.
+
+Eindelijk was de Groote Onbekende vrij.
+
+Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje
+bij den arm en sprak:
+
+„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik
+neem je mee!”
+
+„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op
+de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!”
+
+Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide
+vreemde heeren met haar voorhadden.
+
+„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit
+slechte handen redden.”
+
+Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.
+
+Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:
+
+„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag
+leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig
+creatuur!”
+
+Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend,
+het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker,
+terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de
+ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond.
+
+Nu naderde ook reeds de politie.
+
+„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de
+manschappen aanvoerde.
+
+„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern.
+
+„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee
+tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!”
+
+Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen
+buit te bekijken.
+
+„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige
+oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons
+niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten.
+
+„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”
+
+„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.
+
+„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten
+toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze
+schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!”
+
+„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als
+altijd te laat gekomen!”
+
+„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten
+wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”
+
+„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de
+huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een
+revolver onder den neus duwt?”
+
+„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem
+bevrijd!”
+
+„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik
+met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem
+gevlucht.
+
+„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het
+ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— —
+—”
+
+Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden
+hun ooren niet gelooven!
+
+„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van
+u gestolen?”
+
+„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon,
+„een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als
+een ekster!”
+
+„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij
+blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!”
+
+„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.
+
+„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder
+dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man?
+En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die
+narigheid denken!”
+
+„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de
+sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”
+
+Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.
+
+Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.
+
+Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den
+sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid,
+terwijl haar stem oversloeg:
+
+„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw
+vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein
+Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke
+garde in den Tower!
+
+„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn
+hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen!
+
+„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond
+zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was
+alles onecht) dan het dienstmeisje.”
+
+De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die
+op den achtergrond stond, merkte op:
+
+„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het
+tafelzilver en de beurs van den kapitein.”
+
+„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft
+200 pond sterling gekost!”
+
+„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel
+niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de
+eenige parel, die hier te vinden was.
+
+„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer
+gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan
+even handig met hem omgaan als gij!”
+
+„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te
+vervelen.
+
+Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende
+verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden:
+
+„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”
+
+Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een
+toestel voor magnesiumlicht.
+
+Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’
+gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen
+was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.
+
+De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem
+volgden verscheiden andere.
+
+Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers
+uitgezonden.
+
+De sergeant van politie lachte spottend en sprak:
+
+„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang
+vandoor!”
+
+„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times.
+
+„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.
+
+De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het
+eerst waren geweest.
+
+„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van
+onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en
+wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen!
+
+„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die
+twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.”
+
+Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar
+hun bureau terug.
+
+Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn
+woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles,
+wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden:
+
+„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht
+nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!”
+
+Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met
+hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun
+redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren
+tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern
+en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te
+krijgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GESTOLEN DIENSTMEISJE.
+
+
+Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab
+genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden.
+
+Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon
+van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen,
+welke Lord Lister tot haar richtte.
+
+Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.
+
+Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare
+inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met
+rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood.
+
+„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik
+herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je
+morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de
+stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren
+kennen dan tot dusverre.
+
+„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”
+
+„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar,
+toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.
+
+„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het
+bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.
+
+„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden
+dienst verlost zou worden.
+
+„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het
+zwaarste werk verrichten!”
+
+„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger
+schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen.
+Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren?
+Heb je soms slecht geleerd op school?”
+
+„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind.
+Hij haatte mij!”
+
+„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man
+daartoe?”
+
+Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek
+bedeesd voor zich.
+
+Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met
+den weesvader.
+
+Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar
+schouder en vroeg:
+
+„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”
+
+„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.
+
+„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.
+
+„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.
+
+„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen
+altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”
+
+Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos
+bedekt.
+
+„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen,
+die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat
+zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”
+
+„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den
+weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en
+opgesloten zijn!”
+
+„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?”
+
+Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.
+
+„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende
+vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje.
+
+Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en
+antwoordde:
+
+„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”
+
+„Nu, en toen?”
+
+„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem terug. Toen begon hij
+vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou
+nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij
+had het zoo goed met mij gemeend!
+
+„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”
+
+Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:
+
+„Heb je geen familie in Londen?”
+
+„Niemand, sir!”
+
+„En hoe heette je vader?”
+
+„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.
+
+„En je moeder?”
+
+„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de
+City.”
+
+„Sprak zij nooit over je vader?”
+
+„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij
+die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel
+voorname familie was.”
+
+John Raffles floot zachtjes.
+
+Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.
+
+„Waar zijn die portretten gebleven?”
+
+„In het weeshuis.”
+
+„Weet je dat zeker?”
+
+„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een
+klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de
+politie er mij bracht.
+
+„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien
+jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”
+
+„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”
+
+„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den
+naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”
+
+„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe
+zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den
+nacht bij die menschen doorbrengen.
+
+„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”
+
+Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige
+inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op.
+
+Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een
+nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.
+
+„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen
+en weer loopen van zijn vriend keek.
+
+„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe
+ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en
+weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen.
+
+„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te
+keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.
+
+„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen
+schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient
+dan die Iersche kapitein.
+
+„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen.
+Heb je lust, met mij mee te gaan?”
+
+„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van
+den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.”
+
+„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een
+bad had genomen.”
+
+
+
+Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis,
+dat midden in de City lag, naderden.
+
+„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in
+het gebouw wilt doen.”
+
+„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl
+hij aan de bel trok om den portier te wekken.
+
+Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een
+onvriendelijke stem riep:
+
+„Wie is daar?”
+
+„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader
+dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!”
+
+Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een
+oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.
+
+Hij hield een lantaarn in de hand.
+
+„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den
+portier eenige shillingstukken in de hand drukte.
+
+De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het
+gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach
+sprak hij:
+
+„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons
+zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”.
+
+En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:
+
+„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner thuis gekomen
+en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”
+
+Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange,
+met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader.
+
+De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in
+een net ingerichte vestibule.
+
+Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te
+nemen.
+
+Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.
+
+Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van
+een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.
+
+Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam
+Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.
+
+Dit scheen te helpen.
+
+Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:
+
+„Wat is er?”
+
+„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”
+
+„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.
+
+„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”
+
+Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:
+
+„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”
+
+Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe
+iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.
+
+Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader
+stond met lijkbleek gelaat op den drempel.
+
+„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.
+
+Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.
+
+„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles,
+„het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in
+dienst is gekomen bij kapitein McGovern”.
+
+„Wat is er met het meisje?”
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader,
+toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was.
+
+„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en
+hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende
+akten noodig”.
+
+„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die
+documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”.
+
+De weesvader ging een stap achteruit.
+
+„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”
+
+„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor,
+nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke
+toebehooren aan Anna Marie Thomson”.
+
+Angstig vroeg de weesvader:
+
+„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”
+
+Raffles haalde de schouders op.
+
+Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:
+
+„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”
+
+Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde
+de Groote Onbekende hem toe:
+
+„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”
+
+De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:
+
+„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet
+uitgaan!”
+
+„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet
+meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!”
+
+De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en
+Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar
+uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket
+met de brieven en portretten te halen.
+
+Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak,
+terwijl hij Charly Brand de documenten gaf.
+
+Daarop sprak hij tot den weesvader:
+
+„Vooruit! Er is haast bij!”
+
+„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.
+
+„Dat behoeft niet in den nacht.”
+
+„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens
+kousen.”
+
+„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en
+opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels
+maar afnemen.”
+
+Voordat de beambte een afwerende beweging kon maken, had Raffles zijn
+bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn
+afzakkende pantalon vasthouden.
+
+Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.
+
+Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen,
+door te vragen:
+
+„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”
+
+„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je
+brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!”
+
+Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de
+huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.
+
+Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen
+als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe
+een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon:
+
+„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een
+beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!”
+
+Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en
+hij zuchtte:
+
+„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten
+sleept midden in den nacht!”
+
+Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:
+
+„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik
+geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een
+geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange
+tuchthuisstraf wordt veroordeeld!
+
+„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het
+politiebureau!”
+
+De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen
+de arrestant werd binnengebracht.
+
+Lord Lister groette kortaf.
+
+Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde
+hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als:
+detective Johnson van Scotland Yard.
+
+De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende
+bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en
+bekwaamheid.
+
+„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk
+protocol op te maken van het verhoor.”
+
+„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar
+Scotland Yard?” vroeg de officier van politie.
+
+„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een
+tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.
+
+„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de
+bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op
+papier te brengen!”
+
+„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn
+secretaris binnen.
+
+„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon,
+terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den
+goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult
+gij een zachte straf krijgen.”
+
+De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met
+de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn
+gelaat.
+
+Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles
+overvallen en dus op niets voorbereid geweest.
+
+Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven,
+bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had
+gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had
+gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.
+
+Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes
+werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te
+worden.
+
+De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en
+sprak tot Raffles:
+
+„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den
+kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten
+transporteeren!”
+
+„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van
+mij mee te geven aan inspecteur Baxter.”
+
+De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een
+dienstcouvert en schreef daarop:
+
+
+ „Aan den heer Inspecteur Baxter,
+
+ Scotland Yard.”
+
+
+Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op
+en sloot het in het couvert.
+
+Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.
+
+Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem:
+
+„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval
+is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”
+
+„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.
+
+„Allright!”
+
+Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar
+Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid
+heen en weer liep.
+
+Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in
+Hydepark.
+
+Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn
+studeerkamer stond.
+
+Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op
+zijn schrijftafel en sprak:
+
+„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een
+afgezakte pantalon laten loopen.
+
+„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten
+bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde
+dienstmeisje is.”
+
+Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks
+had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij
+sprong verbaasd op en riep:
+
+„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar
+zijn!”
+
+Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn
+schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak
+photographieën te voorschijn.
+
+Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een
+portret in cabinetformaat.
+
+„Lees eens Charly, wat hier staat.”
+
+
+ „Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het
+ Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke
+ campagne in Afrika.
+
+ In trouwe vriendschap
+
+ Lord Cramesford.”
+
+
+Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:
+
+
+ „Gevallen in den slag bij Ladysmith”.
+
+
+Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem
+een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje
+overhandigde.
+
+Vol verbazing riep Charly uit.
+
+„Dat is hetzelfde portret!”
+
+Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven,
+stond hierop:
+
+
+ „Aan mijn lieve, dierbare Anny,
+
+ van haar trouwen
+ Lord Robert Cramesford”.
+
+
+„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.
+
+„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het
+werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer
+te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde
+dingen, waartoe ik gebracht word.
+
+„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de
+slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend
+uit mijn jeugd.
+
+„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het
+dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken
+smadelijken veldtocht mee moesten maken.
+
+„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde
+voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval
+een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken
+zou ordenen.
+
+„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.
+
+„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond
+uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de
+universeele erfgenaam is geworden.
+
+„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.
+
+„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die
+blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen.
+
+„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste
+inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn
+dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn
+voorbijgegaan.
+
+„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben
+uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou
+misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige
+geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”
+
+„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand.
+„Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je
+leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze
+wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein moest door jou gestraft
+worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het
+arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen
+met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren!
+Eigenlijk is— — —”
+
+John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn
+schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden
+vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door
+Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.
+
+De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in
+den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was
+geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig
+huwelijk.
+
+Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen,
+om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het
+geliefde meisje te kunnen huwen.
+
+Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en
+uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten,
+kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit
+elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van
+den jongen edelman.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE WEESVADER IN VERHOOR.
+
+
+Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur
+van politie Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van
+Scotland Yard.
+
+Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk
+door op deze wijze.
+
+Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap.
+
+Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „Lustige Witwe”
+had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène
+speelde met de schoone weduwe.
+
+Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep:
+
+„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar
+juist den weesvader van de stad Londen als gevangene af.”
+
+Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de
+Vloo aan en antwoordde:
+
+„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als
+gevangene in Scotland Yard?”
+
+„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan
+sommige van zijn collega’s op het vasteland!”
+
+Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de
+woorden:
+
+„Ben je klaar met je preek?”
+
+„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader
+zelf, die hiernaast in de kamer is.
+
+„Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens
+prikkellectuur leest. Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes
+is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke boeken geen misdadigers maken!”
+
+„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is
+met dien weesvader.”
+
+„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds
+een bekentenis afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!”
+
+„Wie heeft hem gevangen genomen?”
+
+„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die
+hem op het bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is
+hij!”
+
+Hij overhandigde Baxter het couvert.
+
+Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit.
+
+Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij
+uitte een vloek en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij.
+
+„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend.
+
+Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge.
+
+Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en
+kermde:
+
+„Raffles!—Raffles!”
+
+„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel
+las hij het en riep toen luidkeels lachend uit:
+
+„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie
+aanvragen voor John Raffles.
+
+„Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten
+van Scotland Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij
+gelezen, wat Raffles schrijft?”
+
+„Neen, neen,” zuchtte Baxter.
+
+„Luister dan. Hij schrijft:
+
+
+ „Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed
+ exemplaar der menschelijke boosdoeners, zooals de phantasie van een
+ schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. Hij is weesvader
+ van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij
+ een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid!
+
+ Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de
+ strafgevangenissen, blijf ik met voortdurende hoogachting voor u en
+ uw werk,
+
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne
+Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar
+heen draaide.
+
+De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte
+tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een
+fijnproever van zijn tabak.
+
+Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak
+hij:
+
+„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man
+niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een
+dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze
+verzameling te completeeren.”
+
+Baxter riep op woedenden toon:
+
+„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om,
+dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij
+zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn
+oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de
+wereld heeft geblameerd.
+
+„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan
+deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in
+vrijheid was gebleven!”
+
+„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons
+beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan
+beambte van politie zijn!”
+
+De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en
+weer.
+
+„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den
+honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”
+
+De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:
+
+„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo
+onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is
+heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten
+spelen!”
+
+„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik
+morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen
+als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest
+geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een
+genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor
+mijn persoon aan den dag te leggen”.
+
+„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor
+u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”
+
+„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer
+hooren!”
+
+„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren
+van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf
+wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”.
+
+De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet
+had verstaan en op diens vraag:
+
+„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:
+
+„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”
+
+„Hier wordt niet gedacht!”
+
+„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.
+
+„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu
+de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik
+eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”.
+
+„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees
+daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op
+welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men
+geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man
+van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”
+
+„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen,
+waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!”
+
+„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in
+ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een
+blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen
+en verachten!
+
+„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij
+beiden bijzonder goed kunnen gebruiken.
+
+„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van
+verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het
+Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.
+
+„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het
+dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel
+wat anders te doen!”
+
+„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen:
+„Dan slaapt men!”
+
+„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen
+resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel
+Londen omverpraat...
+
+„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.
+
+Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging
+daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van
+twee politie-agenten, op zijn verhoor.
+
+Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den
+arrestant vol minachting aan en sprak:
+
+„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u
+eindelijk gevangen hebben genomen”.
+
+De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.
+
+„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde
+Baxter.
+
+„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in
+hechtenis heeft genomen.”
+
+„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”
+
+Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene
+haperend en op huilenden toon:
+
+„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.
+
+„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te
+spreken!” schreeuwde Baxter.
+
+„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt
+gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en
+later hebt gij er spijt van!
+
+„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo
+dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen!
+
+„Maar......”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij
+vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij,
+politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met
+Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij
+behoort!
+
+„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het
+tegen mij heeft uitgehouden!”
+
+„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.
+
+De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel
+niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot
+een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook
+gekleurde tanden kon zien.
+
+„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier
+zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten
+tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —”
+
+Hij zweeg en de Vloo vulde aan:
+
+„Dan ontslaat gij mij!”
+
+„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op
+zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die
+tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven.
+
+„De weesvader van— — —”
+
+„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”
+
+„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”
+
+Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:
+
+„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben
+gevonden. Want— —”
+
+Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.
+
+„...... In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij
+verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan
+schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op
+te zuigen.”
+
+Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en
+terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen,
+schreeuwde hij tot Marholm:
+
+„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den
+leverancier. Ik maak ze niet!”
+
+„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal
+onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!”
+
+Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu
+het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren.
+
+Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de
+inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk
+de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter.
+
+Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HAAR VADER.
+
+
+Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan
+over de nieuwste gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den
+weesvader en ook op het gebeurde met de tanden van den Grooten
+Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde, betrekking
+hadden.
+
+Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn
+woorden ongewijzigd weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen.
+
+De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en
+bespotten hem, daar hij eindelijk zijn meester had gevonden.
+
+Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te
+rusten—aan de ontbijttafel kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een
+pak couranten naar hem toe en riep:
+
+„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou
+op allerlei manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want,
+zooals hier in de Times staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan
+de reporters verteld, dat hij een ervan als trophee aan zijn
+horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche voor zijn
+vrouw wordt gemaakt.”
+
+Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het
+artikel zou opwinden. In plaats hiervan echter lachte deze en zei:
+
+„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo
+hongerig als een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt
+gezorgd.”
+
+„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan
+tafel ging zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op
+het spel!”
+
+„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch
+alleen die van den kapitein.”
+
+„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet
+je eerlijk zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou
+heeft openbaar gemaakt, geen Londensche straatjongen meer respect voor
+je zal hebben.
+
+„In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden.
+
+„Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al
+tot eerelid benoemd. De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen,
+zich jouw tanden laten toonen en hem voor zijn heldendaad een hooge
+onderscheiding gegeven.”
+
+„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er
+overigens voor nieuws? Staat er iets over den weesvader in de krant?”
+
+„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij
+degene bent, die den kerel ontmaskerd hebt!”
+
+„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?”
+
+„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland
+Yard!”
+
+„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft
+zich ditmaal weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem,
+dat hij per slot van rekening toch weer de kous op den kop zal krijgen.
+
+„Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem
+omgaan en ik hoop van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie
+zal blijven.
+
+„Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent
+de eigenlijke toedracht der zaken openbaar maken.
+
+„Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen,
+dat hij mij een onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets
+dergelijks voor mijn tanden wordt uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn
+mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!”
+
+Charly Brand lachte vroolijk en sprak:
+
+„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?”
+
+„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles.
+
+„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er
+vannacht al over, op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!”
+
+Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde
+op zijn gemak in zijn fauteuil achterover.
+
+Hij dacht eenige seconden na en rookte.
+
+Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— —
+
+Eindelijk stond Raffles op en sprak:
+
+„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar
+voorstellen aan haar grootvader, Lord Cramesford.”
+
+Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug.
+
+De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in
+betrekking was en die zijn huishouding bestuurde, had haar een
+eenvoudige, maar keurige japon gekocht, zoodat Lord Lister verbaasd
+opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het meisje nu
+maakte.
+
+Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak:
+
+„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat
+je je beter voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op
+krachten zijn gekomen. Heb je nog iets op je hart?”
+
+„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem.
+
+„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.”
+
+Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde:
+
+„Ik weet niet, wat u bedoelt.”
+
+„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?”
+
+Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met
+trillende lippen sprak zij:
+
+„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen...”
+
+„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop
+de photographie lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had
+gegeven.
+
+Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of
+zij uitte een blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar
+lippen.
+
+Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit:
+
+„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!”
+
+John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij
+tot haar:
+
+„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?”
+
+„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!”
+
+„Lees eens, wat op het portret staat!”
+
+Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door
+Raffles gemaakte aanteekening omtrent het overlijden.
+
+Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer,
+terwijl zij krampachtig snikte.
+
+John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem:
+
+„Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood
+beloofde ik je vader plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen
+flauw vermoeden had, op dezelfde wijze te zorgen als hijzelf.
+
+„Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben
+geweest en dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!”
+
+Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem
+neerknielende, greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen.
+
+John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug.
+
+Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag.
+
+Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij haar op, zette haar
+in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken.
+
+Na een lange pauze vervolgde Lord Lister:
+
+„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je
+zijn naam nooit had gehoord.”
+
+„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te
+zien, lette ik niet op den inhoud van het geschrevene.”
+
+„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde
+regiment.
+
+„Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der
+meest geachte.”
+
+John Raffles zweeg.
+
+In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een
+beeldschoone, eenigszins lichtzinnige jonge man, die echter een hart
+van goud had gehad en geen vlieg ooit kwaad had gedaan.
+
+„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader
+hooren!” smeekte Anna Marie.
+
+„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie
+behoort nu nog tot de meest gegoede van Engeland.
+
+„Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is
+kamerheer van den koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan
+opzoeken en hoop, dat de oude heer jou, het eenige kind van zijn
+jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken en tot zich
+nemen.”
+
+Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek.
+
+John Raffles zag dit en vroeg:
+
+„Waarover maak je je ongerust?”
+
+„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den
+ouden Lord. Laat mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken.
+
+„De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft
+tegen mij gezegd, toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en
+handig ben!”
+
+„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het
+uitstekende ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename
+van een Lord, zou ik je voorstel dadelijk aannemen!”
+
+„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij
+hebt mijn vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen
+Lady, ik ben maar een dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de
+keuken bezig te zijn.”
+
+„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je
+wensch niet vervullen. Zelfs al zou de oude Lord je niet willen
+erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady laten opvoeden en evengoed
+voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou je willen
+hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?”
+
+Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje:
+
+„Neen, neen, een belofte moet men houden!”
+
+„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne
+nemende, „moet je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een
+voornaam Engelsch officier, zou van zijn dochter nooit een dienstmeisje
+hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij mee.”
+
+Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje
+gadegeslagen.
+
+De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat
+Raffles de kamer verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol
+ontroering:
+
+„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—”
+
+Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde:
+
+„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den
+Bijbel, dat luidt: „Bemin je naasten als jezelf!”
+
+„Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar
+handelden, maar—helaas—”
+
+En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug,
+nam de kranten op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd
+met lezen te verdrijven, en zuchtte:
+
+„Helaas!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TAND OM TAND.
+
+
+Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug.
+
+Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven.
+
+Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een
+heftigheid, die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan,
+terwijl hij riep:
+
+„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de
+wereld verdwenen was!”
+
+„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging
+zitten en, om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak.
+
+Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij:
+
+„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de
+manier, waarop die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde,
+mij, den eenigen vriend van zijn oudsten zoon, was schandelijk!
+
+„Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en
+wees mij met het arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam
+vragen, de deur”.
+
+Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het
+hoofd.
+
+Na eenige seconden vroeg hij:
+
+„En wat denk je nu te doen?”
+
+John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei:
+
+„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van
+haar grootvader, een nette opvoeding kan laten geven.
+
+„Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het
+vaderlijke erfdeel toevertrouwen!—
+
+„Wat zeggen de avondbladen, Charly?”
+
+„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”.
+
+Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad
+geworpen of hij riep lachend uit:
+
+„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen
+als water! De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van
+musea, gekke Amerikanen en nog een massa andere menschen, den kapitein
+ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben geboden”.
+
+„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op
+welke wijze jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!”
+
+John Raffles lachte opnieuw en antwoordde:
+
+„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”.
+
+Charly vroeg op verbaasden toon:
+
+„Wil jij je tanden verkoopen?”
+
+„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan,
+dat de dochter van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van
+Engeland zal worden”.
+
+„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?”
+
+Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en
+antwoordde:
+
+„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie
+naar de kranten en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve
+bladzijde beslaan.
+
+
+ TANDEN VAN RAFFLES
+
+ biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan!
+
+ Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein McGovern
+ heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten
+ behoeve van liefdadige doeleinden aan de meestbiedenden door
+ notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen.
+
+ Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot
+ dezen wenden.
+
+
+„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten
+bezorgen en meteen notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige
+van mijn tanden zal sturen, die hij tegen de hoogste prijzen aan
+liefhebbers moet verkoopen!—
+
+„Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar
+een paar dozijn porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet
+je mij brengen. Ik zal ze met een brief aan Smithson zenden.
+
+„Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen
+enkele tandarts in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik
+zal ze alle hebben verbruikt”.
+
+Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en
+blijft een genie!”
+
+John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg:
+
+„Heb je daar ooit aan getwijfeld?”
+
+Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak:
+
+„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden
+eens keurig netjes in orde!
+
+„Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.”
+
+
+
+Kapitein McGovern zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper,
+toen het nieuwe dienstmeisje hem een visitekaartje bracht met de
+woorden:
+
+„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.”
+
+Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel.
+
+De kapitein stond op en sprak:
+
+„Breng den journalist hier!”
+
+Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten,
+meerendeels familieleden van zijn vrouw:
+
+„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover
+dezen heer, want hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde,
+een mensch, die door zijn woorden iemand tot een beroemdheid kan maken.
+Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.”
+
+Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant
+gekleed heer, de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten
+zich tot den kapitein wendde:
+
+„Ik ben de vertegenwoordiger van de New-York Herald en kreeg bevel van
+mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke
+geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen
+mededeelen. Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze
+aangelegenheid verzenden.”
+
+Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den
+honderdsten keer in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over
+den bokserslag en zijn zege over Raffles.
+
+„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden!
+Een heb ik aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan
+haar armband!”
+
+„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op
+bescheiden toon.
+
+Opnieuw boog McGovern gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak:
+„Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!”
+
+„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan
+de tand hing, in diamanten gevat.
+
+Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan
+het horloge was bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden
+verslaggever.
+
+Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak:
+
+„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!”
+
+„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg:
+
+„Hoe kent gij ze?”
+
+„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en
+scherp, „ik zal mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —”
+
+Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin:
+
+„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde
+en opdat gij de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als
+souvenir achterlaten!
+
+„Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie
+het titelblad.)
+
+Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een
+woord te zeggen, week de kapitein voor Raffles terug.
+
+Als verlamd zaten de gasten om de tafel.
+
+Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een
+geweldige vuistslag neer op het gelaat van McGovern, zoodat zijn valsch
+gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel.
+
+„Tand om tand!” herhaalde John Raffles.
+
+Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende
+buiging voor de gasten en sprak:
+
+„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!”
+
+Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles
+verdwenen.
+
+Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie
+geschreeuwd en het duurde niet lang of van het politiebureau in
+dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis binnen.
+
+Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was.
+
+Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en
+begrepen, dat de held van de Iersche garde alles gelogen had.
+
+„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets
+was gebeurd. Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde
+advertentie. Daarin stond, dat John Raffles zijn tanden had
+teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende
+zou laten verkoopen.”
+
+„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den
+kapitein.
+
+„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!”
+jammerde McGovern.
+
+Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis.
+
+
+
+Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen
+honderden personen, wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar
+tanden van Raffles, kon antwoorden:
+
+„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij
+zelf gestuurd— —”
+
+Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000
+pond sterling voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend:
+
+„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!”
+
+John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht
+aan de Engelsche pers:
+
+„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten
+verzekeren, dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal
+nu vragen of de tanden werkelijk uit mijn mond kwamen.
+
+„Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit
+alleen kapitein McGovern van de Iersche garde.
+
+„Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van
+zoo’n held van den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding
+laat behouden, die ik den kapitein heb ontnomen.”
+
+
+
+Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij:
+
+„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren!
+
+„Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de
+zes gebochelde hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien,
+dat ik van goede scherts houd en er dankbaar voor ben, dat hij mij van
+zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord Edward Lister, genaamd John
+C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein heeft
+afgenomen.”
+
+Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij
+zuchtend tot de vloo:
+
+„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de
+Groote Onbekende, John C. Raffles willen zijn!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***
diff --git a/78378-h/78378-h.htm b/78378-h/78378-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..0ab8605
--- /dev/null
+++ b/78378-h/78378-h.htm
@@ -0,0 +1,4363 @@
+<!DOCTYPE HTML>
+<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-04-06T15:49:15Z using SAXON HE 9.9.1.8 . -->
+<html lang="nl">
+<head>
+<title>Lord Lister No. 45: Het gestolen dienstmeisje | Project Gutenberg</title>
+<meta charset="utf-8">
+<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html">
+<meta name="author" content="Kurt Matull (1872–1920)">
+<meta name="author" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]">
+<link rel="coverpage" href="images/lordlister0045-front.jpg">
+<link rel="icon" href="images/lordlister0045-front.jpg" type="image/x-cover">
+<meta name="DC.Title" content="Lord Lister No. 45: Het gestolen dienstmeisje">
+<meta name="DC.Creator" content="Kurt Matull (1872–1920)">
+<meta name="DC.Creator" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]">
+<meta name="DC.Contributor" content="Alfred Gustav Christian Roloff (1879–1951)">
+<meta name="DC.Language" content="nl-1900">
+<meta name="DC.Format" content="text/html">
+<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg">
+<meta name="DC:Subject" content="Detective and mystery stories -- Periodicals">
+<meta name="DC:Subject" content="Dime novels -- Periodicals">
+<style> /* <![CDATA[ */
+html {
+line-height: 1.3;
+}
+body {
+margin: 0;
+}
+main {
+display: block;
+}
+h1 {
+font-size: 2em;
+margin: 0.67em 0;
+}
+hr {
+height: 0;
+overflow: visible;
+}
+pre {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+a {
+background-color: transparent;
+}
+abbr[title] {
+border-bottom: none;
+text-decoration: underline;
+}
+b, strong {
+font-weight: bolder;
+}
+code, kbd, samp {
+font-family: monospace;
+font-size: 1em;
+}
+small {
+font-size: 80%;
+}
+sub, sup {
+font-size: 67%;
+line-height: 0;
+position: relative;
+vertical-align: baseline;
+}
+sub {
+bottom: -0.25em;
+}
+sup {
+top: -0.5em;
+}
+img {
+border-style: none;
+}
+body {
+font-family: serif;
+font-size: 100%;
+text-align: left;
+margin-top: 2.4em;
+}
+div.front, div.body {
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+div.back {
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div0 {
+margin-top: 7.2em;
+margin-bottom: 7.2em;
+}
+.div1 {
+margin-top: 5.6em;
+margin-bottom: 5.6em;
+}
+.div2 {
+margin-top: 4.8em;
+margin-bottom: 4.8em;
+}
+.div3 {
+margin-top: 3.6em;
+margin-bottom: 3.6em;
+}
+.div4 {
+margin-top: 2.4em;
+margin-bottom: 2.4em;
+}
+.div5, .div6, .div7 {
+margin-top: 1.44em;
+margin-bottom: 1.44em;
+}
+.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child,
+.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child {
+margin-bottom: 0;
+}
+blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child,
+.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child {
+margin-top: 0;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 {
+clear: both;
+font-style: normal;
+text-transform: none;
+}
+h3, .h3 {
+font-size: 1.2em;
+}
+h3.label {
+font-size: 1em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h4, .h4 {
+font-size: 1em;
+}
+.alignleft {
+text-align: left;
+}
+.alignright {
+text-align: right;
+}
+.alignblock {
+text-align: justify;
+}
+p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb {
+margin: 1.6em auto;
+text-align: center;
+}
+p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument {
+font-size: 0.9em;
+text-indent: 0;
+}
+p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument {
+margin: 1.58em 10%;
+}
+.opener, .address {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+}
+.addrline {
+margin-top: 0;
+margin-bottom: 0;
+}
+.dateline {
+margin-top: 1.6em;
+margin-bottom: 1.6em;
+text-align: right;
+}
+.salute {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.signed {
+margin-top: 1.6em;
+margin-left: 3.58em;
+text-indent: -2em;
+}
+.epigraph {
+font-size: 0.9em;
+width: 60%;
+margin-left: auto;
+}
+.epigraph span.bibl {
+display: block;
+text-align: right;
+}
+.trailer {
+clear: both;
+margin-top: 3.6em;
+}
+span.abbr, abbr {
+white-space: nowrap;
+}
+span.parNum {
+font-weight: bold;
+}
+span.corr, span.gap {
+border-bottom: 1px dotted red;
+}
+span.num, span.trans {
+border-bottom: 1px dotted gray;
+}
+span.measure {
+border-bottom: 1px dotted green;
+}
+.ex {
+letter-spacing: 0.2em;
+}
+.sc {
+font-variant: small-caps;
+}
+.asc {
+font-variant: small-caps;
+text-transform: lowercase;
+}
+.uc {
+text-transform: uppercase;
+}
+.tt {
+font-family: monospace;
+}
+.underline {
+text-decoration: underline;
+}
+.overline, .overtilde {
+text-decoration: overline;
+}
+.rm {
+font-style: normal;
+}
+.red {
+color: red;
+}
+hr {
+clear: both;
+border: none;
+border-bottom: 1px solid black;
+width: 45%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+margin-top: 1em;
+text-align: center;
+}
+hr.dotted {
+border-bottom: 2px dotted black;
+}
+hr.dashed {
+border-bottom: 2px dashed black;
+}
+.aligncenter {
+text-align: center;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+font-size: 1.44em;
+line-height: 1.5;
+}
+h1.label, h2.label {
+font-size: 1.2em;
+margin-bottom: 0;
+}
+h5, h6 {
+font-size: 1em;
+font-style: italic;
+}
+p, .par {
+text-indent: 0;
+}
+p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line {
+text-transform: uppercase;
+}
+.hangq {
+text-indent: -0.32em;
+}
+.hangqq {
+text-indent: -0.42em;
+}
+.hangqqq {
+text-indent: -0.84em;
+}
+p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter {
+float: left;
+clear: left;
+margin: 0 0.05em 0 0;
+padding: 0;
+line-height: 0.8;
+font-size: 420%;
+vertical-align: super;
+}
+blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote {
+font-size: 0.9em;
+margin: 1.58em 5%;
+}
+.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden {
+text-decoration: none;
+}
+.advertisement, .advertisements {
+background-color: #FFFEE0;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+span.accent {
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base {
+line-height: 0.40em;
+}
+span.accent span.top {
+font-weight: bold;
+font-size: 5pt;
+}
+span.accent span.base {
+display: block;
+}
+.footnotes .body, .footnotes .div1 {
+padding: 0;
+}
+.fnarrow {
+color: #AAAAAA;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+}
+.fnarrow:hover, .fnreturn:hover {
+color: #660000;
+}
+.fnreturn {
+color: #AAAAAA;
+font-size: 80%;
+font-weight: bold;
+text-decoration: none;
+vertical-align: 0.25em;
+}
+a {
+text-decoration: none;
+}
+a:hover {
+text-decoration: underline;
+background-color: #e9f5ff;
+}
+a.noteRef, a.pseudoNoteRef {
+font-size: 67%;
+vertical-align: super;
+text-decoration: none;
+margin-left: 0.1em;
+}
+.externalUrl {
+font-size: small;
+font-family: monospace;
+color: gray;
+}
+.displayfootnote {
+display: none;
+}
+div.footnotes {
+font-size: 80%;
+margin-top: 1em;
+padding: 0;
+}
+hr.fnsep {
+margin-left: 0;
+margin-right: 0;
+text-align: left;
+width: 25%;
+}
+p.footnote, .par.footnote {
+margin-bottom: 0.5em;
+margin-top: 0.5em;
+}
+p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel {
+float: left;
+margin-left: -0.1em;
+min-width: 1.0em;
+padding-right: 0.4em;
+height: 1ex;
+}
+.apparatusnote {
+text-decoration: none;
+}
+.apparatusnote:target, .fndiv:target {
+background-color: #eaf3ff;
+}
+table.tocList {
+width: 100%;
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+border-width: 0;
+border-collapse: collapse;
+}
+td.tocText {
+padding-top: 2em;
+padding-bottom: 1em;
+}
+td.tocPageNum, td.tocDivNum {
+text-align: right;
+min-width: 10%;
+border-width: 0;
+white-space: nowrap;
+}
+td.tocDivNum {
+padding-left: 0;
+padding-right: 0.5em;
+vertical-align: top;
+}
+td.tocPageNum {
+padding-left: 0.5em;
+padding-right: 0;
+vertical-align: bottom;
+}
+td.tocDivTitle {
+width: auto;
+}
+p.tocPart, .par.tocPart {
+margin: 1.58em 0;
+font-variant: small-caps;
+}
+p.tocChapter, .par.tocChapter {
+margin: 1.58em 0;
+}
+p.tocSection, .par.tocSection {
+margin: 0.7em 5%;
+}
+table.tocList td {
+vertical-align: top;
+}
+table.tocList td.tocPageNum {
+vertical-align: bottom;
+}
+table.inner {
+display: inline-table;
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+td.itemNum {
+text-align: right;
+min-width: 5%;
+padding-right: 0.8em;
+}
+td.innerContainer {
+padding: 0;
+margin: 0;
+}
+.index {
+font-size: 80%;
+}
+.index p {
+text-indent: -1em;
+margin-left: 1em;
+}
+.indexToc {
+text-align: center;
+}
+.transcriberNote {
+background-color: #DDE;
+border: black 1px dotted;
+color: #000;
+font-family: sans-serif;
+font-size: 80%;
+margin: 2em 5%;
+padding: 1em;
+}
+.missingTarget {
+text-decoration: line-through;
+color: red;
+}
+.correctionTable {
+width: 75%;
+}
+.width20 {
+width: 20%;
+}
+.width40 {
+width: 40%;
+}
+p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint {
+color: #666666;
+font-size: 80%;
+}
+span.musictime {
+vertical-align: middle;
+display: inline-block;
+text-align: center;
+}
+span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom {
+padding: 1px 0.5px;
+font-size: xx-small;
+font-weight: bold;
+line-height: 0.7em;
+}
+span.musictime span.bottom {
+display: block;
+}
+audio {
+height: 20px;
+margin-left: 0.5em;
+margin-right: 0.5em;
+}
+ul {
+list-style-type: none;
+}
+.splitListTable {
+margin-left: 0;
+}
+.splitListTable td {
+vertical-align: top;
+}
+.numberedItem {
+text-indent: -3em;
+margin-left: 3em;
+}
+.numberedItem .itemNumber {
+float: left;
+position: relative;
+left: -3.5em;
+width: 3em;
+display: inline-block;
+text-align: right;
+}
+.itemGroupTable {
+border-collapse: collapse;
+margin-left: 0;
+}
+.itemGroupTable td {
+padding: 0;
+margin: 0;
+vertical-align: middle;
+}
+.itemGroupBrace {
+padding: 0 0.5em !important;
+}
+div.figure, div.figureGroup {
+text-align: center;
+}
+table.figureGroupTable {
+width: 80%;
+border-collapse: collapse;
+}
+.figure, .figureGroup {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+.floatLeft {
+float: left;
+margin: 10px 10px 10px 0;
+}
+.floatRight {
+float: right;
+margin: 10px 0 10px 10px;
+}
+p.figureHead, .par.figureHead {
+font-size: 100%;
+text-align: center;
+}
+.figAnnotation {
+font-size: 80%;
+position: relative;
+margin: 0 auto;
+}
+.figTopLeft, .figBottomLeft {
+float: left;
+}
+.figTopRight, .figBottomRight {
+float: right;
+}
+.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par {
+font-size: 80%;
+margin-top: 0;
+text-align: center;
+}
+img {
+border-width: 0;
+}
+td.galleryFigure {
+text-align: center;
+vertical-align: middle;
+}
+td.galleryCaption {
+text-align: center;
+vertical-align: top;
+}
+tr, td, th {
+vertical-align: top;
+}
+tr.bottom, td.bottom, th.bottom {
+vertical-align: bottom;
+}
+td.label, tr.label td {
+font-weight: bold;
+}
+td.unit, tr.unit td {
+font-style: italic;
+}
+td.leftbrace, td.rightbrace {
+vertical-align: middle;
+}
+span.sum {
+padding-top: 2px;
+border-top: solid black 1px;
+}
+table.inlineTable {
+display: inline-table;
+}
+table.borderOutside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderOutside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+}
+table.borderOutside .cell-head-top, table.borderOutside .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-left, table.borderOutside .cell-head-left {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderOutside .cell-right, table.borderOutside .cell-head-right {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.verticalBorderInside td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border-left: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-head-top, table.verticalBorderInside .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.verticalBorderInside .cell-left, table.verticalBorderInside .cell-head-left {
+border-left: 0 solid black;
+}
+table.borderAll,
+table.rtlBorderAll {
+border-collapse: collapse;
+}
+table.borderAll td,
+table.rtlBorderAll td {
+padding-left: 4px;
+padding-right: 4px;
+border: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-head-top, table.borderAll .cell-top,
+table.rtlBorderAll .cell-head-top, table.rtlBorderAll .cell-top {
+border-top: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-head-bottom,
+table.rtlBorderAll .cell-head-bottom {
+border-bottom: 1px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-bottom,
+table.rtlBorderAll .cell-bottom {
+border-bottom: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-left,
+table.borderAll .cell-head-left {
+border-left: 2px solid black;
+}
+table.borderAll .cell-right,
+table.borderAll .cell-head-right {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cell-left,
+table.rtlBorderAll .cell-head-left {
+border-right: 2px solid black;
+}
+table.rtlBorderAll .cell-right,
+table.rtlBorderAll .cell-head-right {
+border-left: 2px solid black;
+}
+tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop {
+border-top: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight {
+border-right: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft {
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom {
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal {
+border-top: 1px solid black !important;
+border-bottom: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical {
+border-right: 1px solid black !important;
+border-left: 1px solid black !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll {
+border: 1px solid black !important;
+}
+tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop {
+border-top: none !important;
+}
+tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight {
+border-right: none !important;
+}
+tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft {
+border-left: none !important;
+}
+tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom {
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal {
+border-top: none !important;
+border-bottom: none !important;
+}
+tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical {
+border-right: none !important;
+border-left: none !important;
+}
+tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll {
+border: none !important;
+}
+.cellDoubleUp {
+border-width: 0 !important;
+width: 1em;
+}
+.cellDummy {
+border-width: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalIntegerPart {
+text-align: right;
+border-right: none !important;
+padding-right: 0 !important;
+margin-right: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalFractionPart {
+text-align: left;
+border-left: none !important;
+padding-left: 0 !important;
+margin-left: 0 !important;
+}
+td.alignDecimalNotNumber {
+text-align: center;
+}
+table.alignedText, table.alignedVerse {
+border-collapse: collapse;
+width: 100%;
+}
+table.alignedText td.first, table.alignedText td.second {
+vertical-align: top;
+width: 50%;
+}
+table.alignedVerse {
+vertical-align: top;
+}
+table.alignedText td.first, table.alignedVerse td.first {
+border-width: 0 0.2px 0 0;
+border-color: gray;
+border-style: solid;
+padding-right: 10px;
+}
+table.alignedText td.second, table.alignedVerse td.second {
+padding-left: 10px;
+}
+table.alignedVerse td.first, table.alignedVerse td.second {
+width: 45%;
+}
+table.alignedVerse td.lineNumbers {
+width: 10%;
+}
+td.alignedDiv1 {
+padding-top: 5.6em;
+}
+td.alignedDiv2 {
+padding-top: 4.8em;
+}
+td.alignedDiv3 {
+padding-top: 3.6em;
+}
+td.alignedDiv4 {
+padding-top: 2.4em;
+}
+td.alignedDiv5, td.alignedDiv6, td.alignedDiv7 {
+padding-top: 1.44em;
+}
+table.alignedText p:not(.first) {
+margin-top: 0;
+}
+.alignedVerseHead {
+margin: 1em 0 1em 0;
+display: inline-block;
+}
+.alignedVerseSpacer {
+height: 1.4em;
+}
+body {
+padding: 1.58em 16%;
+}
+.pageNum {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+display: inline;
+font-size: 12.8px;
+font-style: normal;
+margin: 0;
+padding: 0;
+position: absolute;
+right: 1%;
+text-align: right;
+letter-spacing: normal;
+}
+.marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+left: 1%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+}
+.right-marginnote {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+height: 0;
+right: 3%;
+position: absolute;
+text-indent: 0;
+text-align: right;
+width: 11%
+}
+.cut-in-left-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: left;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: left;
+padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0;
+}
+.cut-in-right-note {
+font-variant: normal;
+text-transform: none;
+font-size: 12.8px;
+left: 1%;
+float: right;
+text-indent: 0;
+width: 14%;
+text-align: right;
+padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em;
+}
+span.tocPageNum, span.flushright {
+position: absolute;
+right: 16%;
+top: auto;
+text-indent: 0;
+}
+.pglink::after {
+content: "\0000A0\01F4D8";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.catlink::after {
+content: "\0000A0\01F4C7";
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after {
+content: "\0000A0\002197\00FE0F";
+color: blue;
+font-size: 80%;
+font-style: normal;
+font-weight: normal;
+}
+.pglink:hover {
+background-color: #DCFFDC;
+}
+.catlink:hover {
+background-color: #FFFFDC;
+}
+.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover {
+background-color: #FFDCDC;
+}
+body {
+background: #FFFFFF;
+font-family: serif;
+}
+body, a.hidden {
+color: black;
+}
+h1, h2, .h1, .h2 {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-weight: normal;
+}
+p.byline {
+text-align: center;
+font-style: italic;
+margin-bottom: 2em;
+}
+.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline {
+text-align: left;
+}
+.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum {
+color: #660000;
+}
+.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a {
+color: #AAAAAA;
+}
+a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover {
+color: red;
+}
+h1, h2, h3, h4, h5, h6 {
+font-weight: normal;
+}
+table {
+margin-left: auto;
+margin-right: auto;
+}
+td.tocText {
+text-align: center;
+font-variant: small-caps;
+font-size: 1.2em;
+line-height: 1.5;
+}
+.tableCaption {
+text-align: center;
+}
+.arab { font-family: Scheherazade, serif; }
+.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; }
+.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; }
+.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; }
+.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; }
+/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */
+.imprint {
+color: gray; text-align: center;
+}
+div.advertisement img {
+}
+.center {
+text-align: center;
+}
+.large {
+font-size: large;
+}
+.xl {
+font-size: x-large;
+}
+.xxl {
+font-size: xx-large;
+}
+.xxxl {
+font-size: 300%;
+}
+/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */
+.xd33e1756 {
+text-align:center; vertical-align:middle; font-size:x-large; width:33%;
+}
+.xd33e1757 {
+text-align:center; vertical-align:middle;
+}
+.cover-imagewidth {
+width:559px;
+}
+.xd33e121 {
+font-size:x-large;
+}
+.xd33e123 {
+font-size:small;
+}
+.xd33e127 {
+font-size:xx-large;
+}
+.xd33e1730 {
+float:right;
+}
+.xd33e1753 {
+text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000; font-weight:bold;
+}
+.tbl\.wanted\.header {
+width:100%;
+}
+.xd33e1760 {
+font-size:xx-large;
+}
+.lordlisterwidth {
+width:307px;
+}
+.xd33e1775 {
+text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000;
+}
+.xd33e1777 {
+font-size:large;
+}
+.xd33e1780 {
+font-size:large;
+}
+.xd33e1783 {
+text-align:center;
+}
+.xd33e1785 {
+text-align:center; font-size:x-large;
+}
+.xd33e1789 {
+text-align:center; font-size:large;
+}
+.warrant\.en {
+font-size:small; border:2pt solid black; padding-left:1em; padding-right:1em; margin:1em;
+}
+.xd33e1800 {
+font-size:x-large; text-align:center;
+}
+.xd33e1804 {
+font-weight:bold; text-align:center;
+}
+.warrant\.nl {
+display:none; font-size:small;
+}
+.xd33e1912 {
+text-align:center; font-weight:bold; font-size:large;
+}
+.xd33e2024 {
+font-size:xx-large;
+}
+.xd33e2026 {
+font-size:medium;
+}
+/* ]]> */ </style>
+</head>
+<body>
+<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***</div>
+<div class="front">
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"></p>
+<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/lordlister0045-front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="559" height="720"></div><p>
+<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first xd33e121">☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
+</p>
+<p class="xd33e123">UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="body">
+<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<div class="figure"><img src="images/p0045-01.png" alt="HET GESTOLEN DIENSTMEISJE" width="720" height="221"></div>
+<h2 class="super xd33e127">HET GESTOLEN DIENSTMEISJE</h2>
+<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Een ontmoeting in den Tower.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer bewonderde, gevierde,
+maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief van Londen, tot zijn vriend Charly
+Brand, „het is zulk heerlijk zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”.
+</p>
+<p>Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een sigaret rookte,
+stond op en antwoordde:
+</p>
+<p>„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur Baxter zult
+hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw gevangenname met 500 pond heeft
+verhoogd”.
+</p>
+<p>Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek.
+</p>
+<p>„Waarom lach je?” vroeg de secretaris.
+</p>
+<p>„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een hoogere premie
+heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst van een gevaarlijk moordenaar;
+op mijn persoon, die nog nimmer eenig mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg
+zou kunnen dooden en die er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken,
+die onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven, een welverdiende
+straf te bezorgen.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere prijs is uitgeloofd
+voor een harer onderdanen.
+</p>
+<p><span>„</span>Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell wilde betalen,
+niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij …”
+</p>
+<p>Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek peinzend naar
+buiten.
+</p>
+<p>„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit.
+</p>
+<p>„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de gelegenheid zal
+zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om tot den een of anderen armen
+drommel te zeggen, die het geld best kan gebruiken:
+</p>
+<p><span>„</span>Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een kostbaar voorwerp,
+dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van politie en zeg daar: hier is John
+Raffles!”
+</p>
+<p>„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret aanstekend.
+</p>
+<p>„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij niet eerder
+zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie Baxter, dan wanneer hij
+den armen drommel de 4000 pond heeft uitbetaald.”
+</p>
+<p>Charly Brand lachte en sprak:
+<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p>
+<p>„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft gekregen, met een
+van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het geheele hoofdbureau van politie
+een poets zult bakken, die meer dan 4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen<span id="xd33e158">”.</span>
+</p>
+<p>Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei:
+</p>
+<p>„Ik kan je geen ongelijk geven.
+</p>
+<p><span>„</span>Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou voor dien armen
+man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur Baxter brengen, je het geld laten
+uitbetalen en wij maken er samen een reis van naar het vasteland.
+</p>
+<p><span>„</span>Maar laat ons nu gaan!”
+</p>
+<p>John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn stok met zwaren
+gouden knop, die door middel van een geheime veer geopend kon worden en die van binnen
+een waar arsenaal van kunstig bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte.
+</p>
+<p>Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al in de deur
+stond:
+</p>
+<p>„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?”
+</p>
+<p>„Natuurlijk!” lachte Lord Lister.
+</p>
+<p>„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo ga. Ik had
+korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze wederzijdsche vriend een oude
+fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen, een wijf van minstens zeventig jaar, die
+in de buurt van <span class="corr" id="xd33e176" title="Bron: Picadilly">Piccadilly</span> rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen nam, onder
+de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C. Raffles was en haar naar Scotland
+Yard liet brengen. Schitterend, nietwaar?”
+</p>
+<p>„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt wel een beetje
+onwaarschijnlijk!”
+</p>
+<p>„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth van Engeland
+niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin van gebochelde mannen hield!”
+</p>
+<p>„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de geschiedenis?”
+</p>
+<p>„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend op, „ik lees
+graag over de bijzonderheden van historische personen.”
+</p>
+<p>„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond als iemand
+met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op nahield. Hoe kun je dat verklaren?”
+</p>
+<p>„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik jou zou willen
+verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin Elisabeth vond in haar half
+dozijn gebochelde hofnarren.
+</p>
+<p><span>„</span>Maar kom nu mee!
+</p>
+<p><span>„</span>En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze wandeling maken
+naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen haar breede voeten heeft gezet.
+Laat ons naar den Tower gaan!”
+</p>
+<p>„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent geworden! Je hebt een
+eigenaardige gave om droge onderwerpen op interessante wijze te behandelen.
+</p>
+<p><span>„</span>Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader!
+</p>
+<p><span>„</span>Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels, ijzersterke zenuwen
+en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad genoeg om niet alleen een vrouw, maar
+zelfs een man nieuwsgierig te maken.”
+</p>
+<p>„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.”
+</p>
+<p>„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!”
+</p>
+<p>Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die, volgens Londensch
+gebruik, midden op de straat stond.
+</p>
+<p>„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het rijtuig, terwijl
+Charly Brand hem volgde.
+</p>
+<p>Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris:
+</p>
+<p>„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te vertellen.”
+</p>
+<p>„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab! Een mooi beest,
+nietwaar?”
+</p>
+<p>„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met koningin Elisabeth
+van Engeland?”
+</p>
+<p>Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde:
+</p>
+<p>„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—”
+</p>
+<p>Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar.
+</p>
+<p>„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn met diamanten
+versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn borstzak.
+</p>
+<p>Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte Carlo afhandig
+<span id="xd33e214"></span>gemaakt.
+</p>
+<p>Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens.
+</p>
+<p>Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de diamanten in bonte
+kleurenpracht schitterden.
+</p>
+<p>„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel overeenkomst met
+die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina, die haar gunsteling <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit étui vereerde.”
+</p>
+<p>„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand.
+</p>
+<p>„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten van Catharina
+en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.”
+</p>
+<p>„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben tamelijk goed
+op de hoogte.”
+</p>
+<p>„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat de warmte invloed
+op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele Theems zal je goed doen!”
+</p>
+<p>„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste kalmte.
+</p>
+<p>Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij de Towerbrug
+over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den <span id="xd33e230">conciërge</span> kaarten om toegang te krijgen.
+</p>
+<p>Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede, vroegere slotgracht
+voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in een grasveld, dat als <span class="corr" id="xd33e235" title="Bron: excercitieveld">exercitieveld</span> dienst doet voor de Iersche garde, welke in den Tower verblijf houdt.
+</p>
+<p>Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een afdeeling van dit regiment
+in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes en de grijze kepi’s, naar buiten om te
+gaan <span class="corr" id="xd33e240" title="Bron: excerceeren">exerceeren</span>.
+</p>
+<p>John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier de rijzige,
+krachtige, gespierde gestalten.
+</p>
+<p>Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke wandelstokjes in de
+handen, waarmee zij speelden als dames met haar waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig
+lijkende voorwerpen waren echter zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten.
+</p>
+<p>In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van het beste Indische
+peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en een verguld looden knop als handvat,
+een gruwelijk martelwerktuig.
+</p>
+<p>John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika werden zij veelvuldig
+gebruikt bij het drillen der recruten.
+</p>
+<p>Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik, kuchend en
+snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met zijn kleine, door dikke
+vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig insect naar zijn manschappen.
+</p>
+<p>Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als mishandelde honden
+naar den kleinen kapitein keken.
+</p>
+<p>Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar, alsof hij elk
+oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een slag wilde geven.
+</p>
+<p>„Dat is de menschenbeul van het regiment<span id="xd33e253">,”</span> sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval
+van oorlog meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen!
+</p>
+<p><span>„</span>Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren zal behandelen!”
+</p>
+<p>Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het exercitieterrein
+beneden hen.
+</p>
+<p>Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein.
+</p>
+<p>Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een vischwijf, gaf
+hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen.
+</p>
+<p>Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn meening niet
+flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de gemeenste scheldwoorden,
+zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald afkomstig moesten zijn van de vrouw van
+dezen bullebak.
+</p>
+<p>„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch dragonder dergelijke
+scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!”
+</p>
+<p>Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche soldaten zoo onbarmhartig
+tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote, sterke kerel in elkaar zakte.
+</p>
+<p>„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat ik niet het
+een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in te gooien.”
+</p>
+<p>„Nette voornemens”, lachte Charly Brand.
+</p>
+<p>„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!”
+</p>
+<p>Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn vriend, toen de
+Engelsche kapitein een tweede der manschappen op dezelfde wijze met zijn stok sloeg.
+</p>
+<p>Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn kameraden keek,
+waaraan hij niet behoefde mee te doen.
+</p>
+<p>John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot hem.
+</p>
+<p>Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden:
+<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p>
+<p>„Kom eens hier, mijn vriend.”
+</p>
+<p>„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een superieur in burgerkleeding
+te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig het militair saluut.
+</p>
+<p>Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak:
+</p>
+<p>„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar beneden, die het bevel
+voert over de eerste compagnie?”
+</p>
+<p>De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie bedeeld werd,
+antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam van den gevreesden officier
+op luiden toon uit te spreken:
+</p>
+<p>„Kapitein <span class="corr" id="xd33e283" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span>.”
+</p>
+<p>„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook toevallig, waar de
+woning van dien heer is?”
+</p>
+<p>„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie en moest dikwijls
+den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein woont Hamilton Road 16.”
+</p>
+<p>„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn vrienden woont
+in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw een draak is.”
+</p>
+<p>„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle woede, die hij
+dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn manschappen. Wij noemen hem in het regiment
+den menschenbeul.”
+</p>
+<p>„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met Charly Brand naar
+den Tower.
+</p>
+<p>Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale optreden.
+</p>
+<p>Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn vrind meerdere
+malen mompelde:
+</p>
+<p>„Hamilton Road 16.”
+</p>
+<p>Hij scheen een plan te maken.
+</p>
+<p>Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar de kazernes
+terug.
+</p>
+<p>In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op het trottoir.
+</p>
+<p>Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar konden passeeren.
+</p>
+<p>Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de bovenbedoelde
+kapitein met zijn compagnie aan.
+</p>
+<p>„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die vermoedde, dat
+Raffles een plan smeedde tegen den kapitein.
+</p>
+<p>En hij had zich niet vergist.
+</p>
+<p>Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo stevig vast,
+dat hij niet kon uitwijken.
+</p>
+<p>Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen liep.
+</p>
+<p>Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet zoo!
+</p>
+<p>Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde botsing met
+den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen den officier gestooten,
+dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn stok ophief om ermee te slaan.
+</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een korte Engelsche
+vloek kwam van zijn lippen.
+</p>
+<p>Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af, zoodat de slag
+doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het folterwerktuig uit de hand,
+voordat deze het kon verhinderen en gaf hem er een flinken klap mee in het gezicht.
+</p>
+<p>Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen.
+</p>
+<p>John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een prettige gebeurtenis!
+Er was niemand onder hen, die den kapitein niet van ganscher harte een flink pak slaag
+gunde.
+</p>
+<p>Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met gezwinden pas
+over de brug verdwenen en buiten het bereik van de Iersche gard.
+</p>
+<p>Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats.
+</p>
+<p>„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier toe.
+</p>
+<p>Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik, toen de kapitein
+met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het rijtuig om den hoek van den Tower.
+</p>
+<p>„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, <span class="corr" id="xd33e317" title="Bron: terwij">terwijl</span> hij den stok door de lucht zwaaide.
+</p>
+<p>„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien menschenbeul vandaag
+nog een betere les te geven”.
+</p>
+<p>„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand.
+</p>
+<p>„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend, „inspecteur
+van politie Baxter zal werk krijgen!”
+<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Vreemde heldenmoed.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Kapitein <span class="corr" id="xd33e332" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis.
+</p>
+<p>Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van den kapper
+afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit een onooglijk rattestaartje,
+dat zij handig wist te verbergen onder de blonde pruik.
+</p>
+<p>Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de gesloten vensters,
+op straat hoorbaar was.
+</p>
+<p>Toen <span class="corr" id="xd33e339" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span> zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n schreden. Het maakte den indruk,
+alsof een afgeranselde hond met den staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde.
+</p>
+<p>Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de linkerhand
+een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was opgezwollen door den slag
+van Raffles.
+</p>
+<p>Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde.
+</p>
+<p>Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw, die tegen een
+jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde. Het meisje was haar uit een
+weeshuis bezorgd.
+</p>
+<p>De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn.
+</p>
+<p>Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs vermoeiend was
+voor een gespierden man.
+</p>
+<p>Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En toch was zij
+al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te maken.
+</p>
+<p>De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer, had een Japansche
+ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe door haar lorgnet naar het werkende
+meisje.
+</p>
+<p>Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond om het kind
+een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd te slingeren, opdat het
+werk wat vlugger zou gaan.
+</p>
+<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e353" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span> opende de deur der kamer en sprak met zachte, bedrukte stem, die geheel en al in
+tegenstelling was met zijn commandotoon op het exercitieveld:
+</p>
+<p>„Eulalia, hier ben ik!”
+</p>
+<p>Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op, zette haar
+lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot als een nijdige krokodil,
+die in zijn rust wordt gestoord.
+</p>
+<p>„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?”
+</p>
+<p>„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!”
+</p>
+<p>Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep:
+</p>
+<p>„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je dienst is immers
+pas over een uur afgeloopen!”
+</p>
+<p>„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!”
+</p>
+<p>Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak:
+</p>
+<p>„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!”
+</p>
+<p>In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en schreeuwde:
+</p>
+<p>„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te luisteren, wat
+ik hier met dezen heer te spreken heb!
+</p>
+<p><span>„</span>Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen avondboterham!
+Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel te slecht gewerkt!”
+</p>
+<p>Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene.
+</p>
+<p>„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd? Vertel!”
+</p>
+<p>„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een afschuwelijk geval!
+Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op weg naar huis.
+</p>
+<p><span>„</span>Vier van hen sloeg ik neer.
+<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p>
+<p><span>„</span>De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau.
+</p>
+<p><span>„</span>Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere <span class="corr" id="xd33e384" title="Bron: verdeiging">verdediging</span> een slag, lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen. Ik voel mij ziek!
+Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat thee voor mij zetten!”
+</p>
+<p>Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende blikken naar hem
+keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem staan, tikte hem met haar lorgnet
+op den schouder en sprak op zalvenden toon:
+</p>
+<p>„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer opwekken, zooals
+je dat al zoo vaak hebt gedaan?”
+</p>
+<p>Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker weer krampachtig
+tegen de pijnlijke wang drukte:
+</p>
+<p>„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat ik de zuivere
+waarheid spreek!
+</p>
+<p><span>„</span>Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je lieve handen als
+een barmhartige Samaritaan verplegen”.
+</p>
+<p>„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad vermelden, opdat
+de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper officier van het roemrijke Engelsche
+leger je bent!
+</p>
+<p><span>„</span>O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik steeds, dat
+je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een geboren veldheer bent,
+dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent als Kitchener en dat jouw genie Engeland
+de zege zal doen behalen over het gehate Duitschland.
+</p>
+<p><span>„</span>O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt doorstaan!
+</p>
+<p><span>„</span>Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de wond, die je hebt
+opgedaan, verbinden.
+</p>
+<p><span>„</span>O Harry, welk een held ben je!”
+</p>
+<p>Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om de hulp in
+te roepen van den huisdokter.
+</p>
+<p>Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen zij zag, dat
+hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn wang, in den schommelstoel
+zat, zette zij de handen op de heupen en riep:
+</p>
+<p>„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er gebeurt? Waarom
+zit je daar in dien schommelstoel?
+</p>
+<p><span>„</span>Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die luie vuilpoets,
+die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van luiheid!
+</p>
+<p><span>„</span>Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid aan te zetten?”
+</p>
+<p>Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij scheen die
+beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de schouders en bukte zich,
+in afwachting van de muilpeer.
+</p>
+<p>„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!”
+</p>
+<p>„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor een held uit
+te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers je in dezen toestand zagen,
+zou geen hunner schrijven: De Engelsche Moltke is ontdekt. Het is kapitein <span class="corr" id="xd33e425" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span>, van de Iersche koninklijke garde—
+</p>
+<p><span>„</span>Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te kijken! Er uit
+en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog eens doen.”
+</p>
+<p>Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein de kamer uit
+en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der gang.
+</p>
+<p>Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat hij een kom
+met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot tijd den zakdoek doopte om
+er zijn gelaat mee te betten.
+</p>
+<p>Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly Brand heen en weer
+liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe blikken bekeken.
+</p>
+<p>Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand:
+</p>
+<p>„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!”
+</p>
+<p>Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer stapte, die
+de woning binnenging.
+</p>
+<p>„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!”
+</p>
+<p>„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand.
+</p>
+<p>„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste plaats had hij een
+verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg hij een cylinder, die, behalve
+de Engelsche doktoren, niemand draagt.
+</p>
+<p><span>„</span>Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen dokter dadelijk
+herkennen aan <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>de gewichtige gelaatsuitdrukking, waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht
+te verbergen.
+</p>
+<p><span>„</span>Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!”
+</p>
+<p>Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen, vanwaar zij het huis
+nauwkeurig konden gadeslaan.
+</p>
+<p>Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend en het kleine,
+armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de hand.
+</p>
+<p>„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben nieuwsgierig, of de
+dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft voorgeschreven. Blijf hier eens
+zitten.
+</p>
+<p><span>„</span>Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat recept.”
+</p>
+<p>Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na.
+</p>
+<p>Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald.
+</p>
+<p>Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het vermagerde, bleeke,
+hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij kende de geheele lijdensgeschiedenis
+van het arme schepseltje.
+</p>
+<p>„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel ongelukkiger uit
+dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde schepsels, die ik ooit in de straten
+van Eastend of Whitechapel heb gezien.”
+</p>
+<p>Vol medelijden wilde hij haar aanspreken.
+</p>
+<p>Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel voor zijn voeten
+neer.
+</p>
+<p>Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg haar de naastbijzijnde
+woning binnen.
+</p>
+<p>Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem, voor water te
+zorgen.
+</p>
+<p>Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het uitgeputte schepseltje.
+</p>
+<p>Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar Raffles.
+</p>
+<p>„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem.
+</p>
+<p>„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de apotheek gaan
+om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets versterkends meebrengen. Je
+voelt je erg naar, nietwaar?”
+</p>
+<p>„Ja”, hijgde het meisje.
+</p>
+<p>„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder.
+</p>
+<p>„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan.
+</p>
+<p>„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij verzocht den portier,
+ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand lastig werd gevallen.
+</p>
+<p>Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek.
+</p>
+<p>Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij aan het meisje
+gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en beval haar, van het poeder,
+dat zich daarin bevond, elken dag een lepeltje vol in een glas water te roeren en
+een eetlepel vol te nemen van den flesch Tokayer.
+</p>
+<p>In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien.
+</p>
+<p>En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de handen, waarin
+zij zich bevond.
+</p>
+<p>Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles weerde haar met
+een snelle beweging af.
+</p>
+<p>Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar zij zich zeer
+zwak gevoelde, tot aan de deur.
+</p>
+<p>Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam.
+</p>
+<p>De dokter was reeds heengegaan.
+</p>
+<p>Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly Brand zat, merkte
+deze op, dat het gelaat van zijn vriend een eigenaardige uitdrukking had.
+</p>
+<p>„Wat heb je?” vroeg hij.
+</p>
+<p>„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op ernstigen toon. „Ik
+heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen, een van die ongelukkige blanke
+slavinnen en verder heb ik den kapitein een recept voorgeschreven, dat hem nog betere
+diensten zal bewijzen dan de slag met den stok.”
+</p>
+<p>„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand.
+</p>
+<p>„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij die zoo dikwijls
+op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende straf te doen toekomen, kreeg
+ik het recept van den dokter in handen.
+</p>
+<p><span>„</span>Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik heb het recept nog in mijn zak.
+</p>
+<p><span>„</span>In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een eenigszins andere
+uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister.
+</p>
+<p><span>„</span>Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het gelaat van den
+kapitein flink <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>is opgezwollen. Mijn zalf zal hem daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken
+lang mooi zal zijn. Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten
+weer zal tuchtigen.
+</p>
+<p><span>„</span>Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.”
+</p>
+<p>„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend.
+</p>
+<p>„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle stem wij op straat
+hoorden, geen blaren op de tong krijgt.”
+</p>
+<p>Plotseling sprong Raffles op.
+</p>
+<p>„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie kunnen bijwonen!”
+</p>
+<p>Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van den kapitein.
+</p>
+<p>Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje verscheen, dat
+de deur opende en vroeg wat hij verlangde.
+</p>
+<p>„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij verzocht mij,
+den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had voorgeschreven.”
+</p>
+<p>„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje.
+</p>
+<p>„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den donkeren achtergrond.
+Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie er was.
+</p>
+<p>„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende.
+</p>
+<p>„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij doet precies alsof
+hem een nieuw ongeluk was overkomen.
+</p>
+<p><span>„</span>Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!”
+</p>
+<p>Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul.
+</p>
+<p>„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word krankzinnig—men
+wil mij vermoorden!”
+</p>
+<p>Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit geschreeuw
+hoorden.
+</p>
+<p>Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man:
+</p>
+<p>„Heb je je ingesmeerd?”
+</p>
+<p>„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon.
+</p>
+<p>„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal reuzenblaren krijgen!”
+</p>
+<p>„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan vreemde heeren.
+Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je heldenmoed denken!”
+</p>
+<p>„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf gegeven, ik word
+vermoord! Roep den dokter!”
+</p>
+<p>„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier is de zalf!
+En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal je uitkraamt, zal ik voor
+jouw oogen mijn heele gezicht ermee insmeeren!”
+</p>
+<p>Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste eksteroog.
+</p>
+<p>„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu krijgt zij
+ook blaren!”
+</p>
+<p>In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde de kapitein
+weer als een waanzinnige en riep om den dokter.
+</p>
+<p>Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg hij gezelschap,
+want ook zijn vrouw begon.
+</p>
+<p>De zalf werkte uitstekend!
+</p>
+<p>Raffles hoorde haar schreeuwen:
+</p>
+<p>„Help! Harry! Help!”
+</p>
+<p>Daarop greep hij Charly’s arm.
+</p>
+<p>„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur Baxter dit recept
+niet eens voor kan schrijven!”
+</p>
+<p>Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden dokter ter hulp
+te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande huisdeur bewees haar, dat er
+werkelijk een paar vreemde heeren in haar huis waren geweest.
+</p>
+<p>Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met Dr. Griffin.
+</p>
+<p>Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde de telephoon.
+</p>
+<p>Hij nam de hoorn op en riep:
+</p>
+<p>„Hier <span id="xd33e550">Dr.</span> Griffin, wie is daar?”
+</p>
+<p>„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!”
+</p>
+<p>De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand.
+</p>
+<p>„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem.
+</p>
+<p>„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?… hebt gij mijn naam nooit gehoord?… John Raffles
+heet ik—verstaat gij mij nu?”
+</p>
+<p>„Jawel”, <span class="corr" id="xd33e560" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> de dokter, „wat wenscht gij?”
+</p>
+<p>„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug.
+</p>
+<p>„Het recept, dat gij kapitein <span class="corr" id="xd33e566" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> hebt voorgeschreven, <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>is in gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij geweest,
+een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het tweetal van mij”.
+</p>
+<p>De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met open mond
+naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij opnieuw werd opgebeld.
+</p>
+<p>Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem der kapiteinsvrouw,
+die in de grootste wanhoop riep:
+</p>
+<p>„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u belieft!”
+</p>
+<p>Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de woning van
+den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw van het wanhopige echtpaar,
+zoodat het was, alsof alle katten en katers uit de buurt een welluidend concert gaven.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Twee tanden.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen politie-inspecteur Baxter,
+vergezeld door zijn secretaris, den dikken Marholm, langs het <span id="xd33e581">Strand</span> wandelde, om den avond in het Lyceumtheater door te brengen.
+</p>
+<p>„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.
+</p>
+<p>„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een scheeven blik
+aanziende.
+</p>
+<p>„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken niets van onzen
+vriend John Raffles hebben gehoord.”
+</p>
+<p>Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.
+</p>
+<p>Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef stilstaan:
+</p>
+<p>„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel genoeglijk, denkt aan
+geen onaangename dingen en slechts aan „<span lang="de">die lustige <span class="corr" id="xd33e593" title="Bron: Wittwe">Witwe</span></span>”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”
+</p>
+<p>Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste avondbladen op
+het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de inspecteur van politie zijn zin
+niet kon voltooien.
+</p>
+<p>„<i>Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!</i>” klonk het.
+</p>
+<p>Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens verdrongen; het was
+hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig spook voor hem opdook en met zijn
+ironisch glimlachje om de lippen hem strak aankeek.
+</p>
+<p>„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”
+</p>
+<p>„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.
+</p>
+<p>De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den neus.
+</p>
+<p>„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”
+</p>
+<p>„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd je flauwe grappen
+voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat je Raffles werkelijk hadt gezien.”
+</p>
+<p>De Vloo lachte luidkeels en riep:
+</p>
+<p>„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik zwijgen en wel
+om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen kosten.”
+</p>
+<p>„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen! Gevangen nemen!”
+</p>
+<p>„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem niet!”
+</p>
+<p>„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel eens zal krijgen!”
+</p>
+<p>De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het krantenbericht,
+terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te lezen.
+<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p>
+<p>Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit, evenals veel andere
+voorbijgangers, die het stuk lazen.
+</p>
+<p>Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst voorhoofd aankeek.
+</p>
+<p>„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo kinderachtig!”
+</p>
+<p>„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens even—die Raffles!—
+—O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”
+</p>
+<p>„Houd op met dien vervloekten Raffles!”
+</p>
+<p>„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste streken!— —Ik
+kan werkelijk niet— —ik— —”
+</p>
+<p>Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij verder sprak:
+</p>
+<p>„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”
+</p>
+<p>„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt gij toch voor
+nonsens!”
+</p>
+<p>Marholm hield zijn buik vast.
+</p>
+<p>„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”
+</p>
+<p>Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere wandelaars,
+die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in de krant iets grappigs
+stond omtrent hem, den inspecteur van politie, en Raffles.
+</p>
+<p>Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de dichtstbijzijnde
+lantaarn eveneens het artikel te lezen.
+</p>
+<p>Met woedende blikken las hij het volgende:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten bericht, waarvan wij
+de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks afzender zeer zeker het volle vertrouwen
+van onze lezers bezit:
+</p>
+<p><span class="ex">Raffles deelt ons mede</span>— — —”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het recept van den
+Ierschen kapitein.
+</p>
+<p>Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen, kende den drilstok
+der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.
+</p>
+<p>Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn kamer met zijn
+kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.
+</p>
+<p>Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en sprak:
+</p>
+<p>„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den grooten onbekende
+is, die mij uitstekend bevallen!”
+</p>
+<p>„Ik maak u mijn compliment,” lachte de <span id="xd33e647">Vloo</span>, „ik zie, dat mijn hoop mij niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig
+aanhanger worden van Lord Lister.”
+</p>
+<p>Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den ambtelijken plooi.
+</p>
+<p>„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik heb geen lust,
+de „<span lang="de">Lustige Witwe</span>” te verzuimen.”
+</p>
+<p>„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze Raffles! Ik geloof
+zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren— —een geniale kerel!”
+</p>
+<p>„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past geen detective
+van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de gevaarlijkste misdadiger, die
+zich ooit in <span lang="en">Old England</span> ophield.”
+</p>
+<p>„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde de Vloo, „maar
+dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen aan den dag mijn jas aan den
+kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—
+</p>
+<p>Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden, zat Raffles in
+de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het Hydepark gelegen villa, die
+hij ongeveer een half jaar geleden had gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch
+katoenhandelaar.
+</p>
+<p>Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne bestraffing van
+den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche garde bedreven beulswerk.
+</p>
+<p>Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in de kamer aanwezig
+was en bezig was, de courantenberichten uit te knippen en deze te plakken in het door
+hem aangelegde archief over Raffles’ daden.
+</p>
+<p>„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme, kleine meisje willen
+bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul, en het bij een nette familie onderdak
+brengen.”
+</p>
+<p>„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees en mag volgens
+de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet verlaten. Zou ze het <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen en naar den ouden dienst terugbrengen”.
+</p>
+<p>„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is het verblijf
+van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik van plan ben het verborgen
+te houden!— —Maak je daarover niet ongerust, beste Charly!”
+</p>
+<p>„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het toch altijd
+nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen. Vrijwillig zal ze in geen
+geval meegaan, daar ze zeer zeker de voorschriften zal kennen.”
+</p>
+<p>„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang verschaffen tot het
+huis van den kapitein en het arme kind, desnoods met geweld, in betere omstandigheden
+brengen.”
+</p>
+<p>Charly Brand haalde de schouders op en hernam:
+</p>
+<p>„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets voorneemt,
+je het ook ten uitvoer brengt.”
+</p>
+<p>„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard ook ken ik
+niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet eens noodig acht, een plan
+voor de uitvoering te overwegen.— — —
+</p>
+<p><span>„</span>Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we opbreken.”—
+</p>
+<p>Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want er scheen een
+onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op den Hamilton Road begaf.
+</p>
+<p>Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens iemand wakker
+was.
+</p>
+<p>Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:
+</p>
+<p>„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik ontdekte, dat zich
+op den zolder een dakvenster bevindt, liever hierdoor naar binnen gaan.
+</p>
+<p><span>„</span>Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit het huis kom.”
+</p>
+<p>De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch <span class="corr" id="xd33e691" title="Bron: één-familiehuis-huis">één-familie-huis</span> en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde<span id="xd33e694"></span> door een schutting was afgesloten.
+</p>
+<p>John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn vriend als een
+donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde verdween.
+</p>
+<p>Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de poort was aangebracht
+en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die hem boven op het huis zou brengen.
+</p>
+<p>Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het dak met pannen
+bedekt en tamelijk schuin was.
+</p>
+<p>Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis maakte het voor
+Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen zien.
+</p>
+<p>Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de aandacht te trekken.
+</p>
+<p>Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het midden van het
+huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de trap kon bereiken.— — —
+</p>
+<p>Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!
+</p>
+<p>Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet bemerkt en viel
+hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een houvast te vinden en maakte
+opnieuw een buiteling, waardoor hij met een doffen slag neerviel. Daarna rolde hij
+langs de treden naar beneden en bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.
+</p>
+<p>Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en beiden keken angstig
+naar de gesloten deur van de slaapkamer.
+</p>
+<p>De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat oogenblik hun pijnen
+vergaten.
+</p>
+<p>„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan haar man, die
+sidderend van angst overeind in bed zat.
+</p>
+<p>„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de bliksem is ingeslagen.
+Er is buiten een hevig onweer.”
+</p>
+<p>„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is eerst in aantocht;
+ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen moet zijn gevallen. Bewijs nu je
+dapperheid als Engelsch officier. Neem je revolver en ga naar de gang.”
+</p>
+<p>Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.
+</p>
+<p>„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust te stellen,
+„hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat is een onmogelijkheid,
+of heb je soms vergeten, de huisdeur te sluiten?”
+</p>
+<p>De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:
+</p>
+<p>„Ik heb alles gesloten, Harry, maar … nu weet ik het!—Ik vergat het dakvenster op
+zolder dicht te maken!… Harry, sta op! Door het dakvenster moet een inbreker naar
+binnen zijn geklommen!”
+<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p>
+<p>Maar de kapitein wilde niet.
+</p>
+<p>Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —
+</p>
+<p>Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje geleek, rees in
+de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van haar heer en gebieder het angstzweet
+stond.
+</p>
+<p>„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw hem toe, haar
+echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.
+</p>
+<p>„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om je te verdedigen?—
+—
+</p>
+<p><span>„</span>O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!
+</p>
+<p><span>„</span>En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland, die eindelijk
+het gehate Duitschland zou overwinnen!
+</p>
+<p><span>„</span>Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den inbreker dat je een
+held bent!”
+</p>
+<p>„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met zwakke stem te
+antwoorden.
+</p>
+<p>Nu begon zij te krijschen:
+</p>
+<p>„Wat?… Wat?… Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd met twaalf misdadigers
+en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen
+man te hebben! O! O!”
+</p>
+<p>Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de revolver, die op het
+nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar de deur, rillende van koude, ondanks
+het warme weer.
+</p>
+<p>Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een waterkaraf.
+</p>
+<p>Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog voordat de kapitein
+het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.
+</p>
+<p>Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.
+</p>
+<p>Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht wederkeerig steun bij
+haar.
+</p>
+<p>Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.
+</p>
+<p>Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John Raffles in
+een bloedplas op den steenen vloer liggen.
+</p>
+<p>„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.
+</p>
+<p>„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.
+</p>
+<p>Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine dienstmeisje ook naderbij
+gekomen.
+</p>
+<p>Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind van de gang.
+</p>
+<p>Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:
+</p>
+<p>„Groote hemel, die arme man is dood!”
+</p>
+<p>Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en vroeg:
+</p>
+<p>„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat scheelt u?”
+</p>
+<p>Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.
+</p>
+<p>Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar steunende. Maar nauwelijks
+hadden zij zijn gelaat gezien of zij sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten
+in woest geschreeuw los.
+</p>
+<p>„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een waanzinnige zijn
+vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug, wierp de deur achter zich dicht
+en grendelde deze drie keer.
+</p>
+<p>Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met stoelen, tafels
+en andere meubelstukken.
+</p>
+<p>Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was, stond een oogenblik
+sprakeloos.
+</p>
+<p>Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg ter redding en
+een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.
+</p>
+<p>In den hoek onder de trap hing een waschlijn.
+</p>
+<p>Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen Raffles tot een
+pakje samen te binden.
+</p>
+<p>Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur en schreeuwde:
+</p>
+<p>„Doe open! Doe open!”
+</p>
+<p>„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij! Spaar mijn leven!”
+</p>
+<p>„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers! Kom er uit, Harry,
+de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem met de waschlijn vastgebonden!”
+</p>
+<p>„Is dat werkelijk waar?”
+</p>
+<p>„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu de politie
+roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”
+</p>
+<p>„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”
+</p>
+<p>„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een bijl en sla
+ze stuk!”
+</p>
+<p>„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”
+</p>
+<p>„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos neer. Kom hier,
+Harry! Kom hier!”
+<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p>
+<p>Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat hij een revolver
+in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.
+</p>
+<p>Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid had gesproken.
+</p>
+<p>Nu kwam zijn moed terug.
+</p>
+<p>Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:
+</p>
+<p>„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer ben je aan het
+verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je neer!”
+</p>
+<p>Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.
+</p>
+<p>Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één enkelen blik
+de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— — —hij dacht een oogenblik
+na, maar de toestand was wanhopig.
+</p>
+<p>Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren en verzocht,
+daar zijn mond bebloed was, een beetje water.
+</p>
+<p>„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem gericht houdende,
+„eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”
+</p>
+<p>En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen, schoot de kapitein
+zijn revolver op hem af.
+</p>
+<p>Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:
+</p>
+<p>„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”
+</p>
+<p>„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers, dat ik mij niet
+verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een ongeluk mee kunnen begaan, want
+schieten kunt gij niet!”
+</p>
+<p>„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal ik hem eens
+anders toonen!”
+</p>
+<p>In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde vuren, toen het
+kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar geheimzinnigen vriend had herkend,
+de revolver van den kapitein op zij sloeg, zoodat het schot krakend in den muur <span class="corr" id="xd33e790" title="Bron: trecht">terecht</span> kwam.
+</p>
+<p>„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein, terwijl zij met
+een bezem haar man te hulp kwam.
+</p>
+<p>Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon doen dan zich
+bedaard te houden.
+</p>
+<p>„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”
+</p>
+<p>Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.
+</p>
+<p>„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”
+</p>
+<p>Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en wijsvinger en hield
+het in de hoogte:
+</p>
+<p>„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den gevaarlijken strijd
+met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de vuistslag, dien ik hem gaf en die hem
+neervelde, kostte hem twee tanden!”
+</p>
+<p>„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg mevrouw verbaasd.
+</p>
+<p>„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.
+</p>
+<p>„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een, toen wij de deur
+van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet gezien?”
+</p>
+<p>„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn oogen. Heb jij hem
+werkelijk neergeslagen?”
+</p>
+<p>„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik heb hem neergeveld!
+Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die beroemde bokserslag is. Dat is de
+slag, dien men in het Iersche regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd
+is, dat niemand het waagt zich met mij te meten.
+</p>
+<p><span>„</span>Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste plek had getroffen,
+had hij in plaats van deze twee tanden, zijn geheele gebit verloren.
+</p>
+<p><span>„</span>Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn liefde voor jou,
+Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —
+</p>
+<p><span>„</span>Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij sluimert, want dan
+sta ik niet voor mij zelf in.”
+</p>
+<p>Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.
+</p>
+<p>„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste roofdier. Je beenderen
+zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd rukken en er zou niets van je overblijven
+dan een grafsteen met den naam: Eulalia!”
+</p>
+<p>Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein rillend en bevend
+naar haar man.
+</p>
+<p>Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand de bloedige
+tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.
+</p>
+<p>Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:
+</p>
+<p>„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”
+</p>
+<p>„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van zijn tijgerjachten
+in Indië van elk neergeschoten beest een tand in goud laten zetten, welke hij nu aan
+zijn horlogeketting draagt.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>en jou de andere aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een herinnering
+aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—
+</p>
+<p><span>„</span>Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die souvenirs benijden.—
+—
+</p>
+<p><span>„</span>Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn revolvers bewaak en
+roep de politie.”
+</p>
+<p>Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het dienstmeisje den Grooten
+Onbekende water te drinken had gegeven, terwijl Raffles haar toefluisterde:
+</p>
+<p>„Maak de huisdeur open!”
+</p>
+<p>Hij had zich niet in het meisje vergist.
+</p>
+<p>In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel van dankbaarheid
+voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had gegeven.
+</p>
+<p>Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar de huisdeur
+en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het naaste politiebureau waarschuwde.
+</p>
+<p>John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak bij hem staanden
+kapitein op Japansche boksersmanier zulk een geweldigen stomp in den buik, dat deze
+als een bal op den grond rolde.
+</p>
+<p>In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly Brand afgesproken
+fluitsignaal hooren.
+</p>
+<p>Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de overzijde op
+den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde met een paar reuzensprongen
+naar den ingang van het huis.
+</p>
+<p>Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.
+</p>
+<p>„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds opgebeld! En daar
+het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is, hebben wij de jachthonden over
+eenige minuten op ons dak!”
+</p>
+<p>Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den grond lag en
+geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende knieën bij de telefoon stond,
+haalde Charly Brand een vlijmscherp Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de
+waschlijn door, waarmede Raffles gebonden was.
+</p>
+<p>Dit alles speelde zich af in een paar seconden.
+</p>
+<p>Eindelijk was de <span id="xd33e850">Groote</span> Onbekende vrij.
+</p>
+<p>Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje bij den arm
+en sprak:
+</p>
+<p>„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik neem je mee!”
+</p>
+<p>„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op de straat een
+politie-patrouille aankomen. Vooruit!”
+</p>
+<p>Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide vreemde heeren
+met haar voorhadden.
+</p>
+<p>„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit slechte handen
+redden.”
+</p>
+<p>Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.
+</p>
+<p>Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:
+</p>
+<p>„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag leeren kennen,
+dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig creatuur!”
+</p>
+<p>Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend, het stoepje
+naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker, terwijl het geschreeuw om
+hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot
+achterna zond.
+</p>
+<p>Nu naderde ook reeds de politie.
+</p>
+<p>„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de manschappen
+aanvoerde.
+</p>
+<p>„Raffles was hier!” schreeuwde <span class="corr" id="xd33e867" title="Bron: Govern">McGovern</span>.
+</p>
+<p>„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee tanden verloren.
+Kijk, hier heb ik ze!”
+</p>
+<p>Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen buit te bekijken.
+</p>
+<p>„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige oogenblikken, „maar
+de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons niets, die kunnen wij niet achter de
+tralies zetten.
+</p>
+<p><span>„</span>Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”
+</p>
+<p>„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.
+</p>
+<p>„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten toon, „wij
+komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze schuld zijn, dat Raffles ontvlucht
+is!”
+</p>
+<p>„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als altijd te laat
+gekomen!”
+</p>
+<p>„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten wil niet!
+Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”
+</p>
+<p>„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de huisdeur opengaat
+en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een revolver onder den neus duwt?”
+<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p>
+<p>„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem bevrijd!”
+</p>
+<p>„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik met een waschlijn
+had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem gevlucht.
+</p>
+<p><span>„</span>En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het ongelooflijkste!
+De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— — —”
+</p>
+<p>Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden hun ooren
+niet gelooven!
+</p>
+<p>„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van u gestolen?”
+</p>
+<p>„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon, „een vies,
+vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als een ekster!”
+</p>
+<p>„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij blij zijn, dat
+gij dat schepsel kwijt zijt!”
+</p>
+<p>„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.
+</p>
+<p>„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder dienstmeisje beginnen?
+Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man? En wie moet boodschappen voor mij
+doen? O, ik wil niet eens aan al die narigheid denken!”
+</p>
+<p>„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de sergeant. „Mijn vrouw
+doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”
+</p>
+<p>Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.
+</p>
+<p>Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.
+</p>
+<p>Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den sergeant van politie
+en schreeuwde in de grootste opgewondenheid, terwijl haar stem oversloeg:
+</p>
+<p>„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw vergelijken! Weet
+gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein Eulalia Mac Govern! Mijn man
+is kapitein van de Iersche koninklijke garde in den Tower!
+</p>
+<p><span>„</span>Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn hemel! Wie zal
+morgen de laarzen van mijn man poetsen!
+</p>
+<p><span>„</span>Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond zich zelden
+meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was alles onecht) dan het
+dienstmeisje.”
+</p>
+<p>De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die op den achtergrond
+stond, merkte op:
+</p>
+<p>„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het tafelzilver
+en de beurs van den kapitein.”
+</p>
+<p>„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft 200 pond sterling
+gekost!”
+</p>
+<p>„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel niet. Hij
+heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de eenige parel, die hier te
+vinden was.
+</p>
+<p><span>„</span>Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer gevangen hebt, den
+inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan even handig met hem omgaan als
+gij!”
+</p>
+<p>„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te vervelen.
+</p>
+<p>Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende verslaggevers, die per
+auto waren aangekomen en schreeuwden:
+</p>
+<p>„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”
+</p>
+<p>Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een toestel voor magnesiumlicht.
+</p>
+<p>Het was een verslaggever van de <i lang="en">Times</i>, die op het bericht van Raffles’ gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid
+was, hierheen was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.
+</p>
+<p>De tweede heer was een nieuwtjesjager van de <i lang="en">Daily News</i> en op hem volgden verscheiden andere.
+</p>
+<p>Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers uitgezonden.
+</p>
+<p>De sergeant van politie lachte spottend en sprak:
+</p>
+<p>„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang vandoor!”
+</p>
+<p>„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de <i lang="en">Times</i>.
+</p>
+<p>„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.
+</p>
+<p>De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het eerst waren geweest.
+</p>
+<p>„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van onschatbare waarde!
+Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en wie weet wat nog meer, maar Raffles
+heeft haar toch gestolen!
+</p>
+<p><span>„</span>Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die twee tanden roemrijk
+in den slag heeft veroverd.”
+</p>
+<p>Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar hun bureau terug.
+<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p>
+<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e949" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn woorden stenografeerden, van
+zijn vreeselijk gevecht met John Raffles, wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde
+met de woorden:
+</p>
+<p>„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht nog graag wil
+missen, den bokserslag toe te brengen!”
+</p>
+<p>Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met hun auto’s, die
+in een lange rij voor het huis stonden, naar hun redacties, om het nieuwste sensatiebericht
+van Raffles: twee verloren tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein
+Mac Govern en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te krijgen.
+<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Het gestolen dienstmeisje.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab genomen en was
+naar zijn villa in het Hydepark gereden.
+</p>
+<p>Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon van angst en
+verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen, welke Lord Lister tot haar
+richtte.
+</p>
+<p>Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.
+</p>
+<p>Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare inrichting van het
+huis en waagde het niet plaats te nemen op den met rood damast bekleeden stoel, dien
+John Raffles haar aanbood.
+</p>
+<p>„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik herhaal je, dat
+ik alleen het beste voor jou wil en dat je morgenochtend reeds verzorgd zult worden
+door een familie buiten de stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere
+menschen leeren kennen dan tot dusverre.
+</p>
+<p><span>„</span>Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”
+</p>
+<p>„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar, toen mijn moeder
+stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.
+</p>
+<p><span>„</span>Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het bestuur van het
+weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.
+</p>
+<p><span>„</span>O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden dienst verlost
+zou worden.
+</p>
+<p><span>„</span>Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het zwaarste werk verrichten!”
+</p>
+<p>„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger schepseltje als jij
+bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen. Waarom heeft het bestuur van het
+weeshuis je niet een vak laten leeren? Heb je soms slecht geleerd op school?”
+</p>
+<p>„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind. Hij haatte mij!”
+</p>
+<p>„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man daartoe?”
+</p>
+<p>Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek bedeesd voor
+zich.
+</p>
+<p>Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met den weesvader.
+</p>
+<p>Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar schouder en vroeg:
+</p>
+<p>„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”
+</p>
+<p>„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.
+</p>
+<p>„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.
+</p>
+<p>„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.
+</p>
+<p>„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met <span class="corr" id="xd33e992" title="Bron: haar">hen</span> altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”
+</p>
+<p>Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos bedekt.
+</p>
+<p>„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de <span class="corr" id="xd33e998" title="Bron: vreeselijk">vreeselijke</span> dingen, die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat zulk
+een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”
+</p>
+<p>„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den weesvader te beklagen.
+Wij zouden verschrikkelijk geslagen en opgesloten zijn!”
+</p>
+<p>„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de <span class="corr" id="xd33e1004" title="Niet in bron">weesvader je?”</span>
+</p>
+<p>Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.
+</p>
+<p>„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende vriendelijk en hij
+streelde zacht het blonde haar van het meisje.
+</p>
+<p>Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en antwoordde:
+</p>
+<p>„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”
+</p>
+<p>„Nu, en toen?”
+</p>
+<p>„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>terug. Toen begon hij vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen
+zou nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij had het
+zoo goed met mij gemeend!
+</p>
+<p><span>„</span>Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”
+</p>
+<p>Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:
+</p>
+<p>„Heb je geen familie in Londen?”
+</p>
+<p>„Niemand, sir!”
+</p>
+<p>„En hoe heette je vader?”
+</p>
+<p>„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.
+</p>
+<p>„En je moeder?”
+</p>
+<p>„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de City.”
+</p>
+<p>„Sprak zij nooit over je vader?”
+</p>
+<p>„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij die zien. Mijn
+vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel voorname familie was.”
+</p>
+<p>John Raffles floot zachtjes.
+</p>
+<p>Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.
+</p>
+<p>„Waar zijn die portretten gebleven?”
+</p>
+<p>„In het weeshuis.”
+</p>
+<p>„Weet je dat zeker?”
+</p>
+<p>„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een klein verzegeld
+pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de politie er mij bracht.
+</p>
+<p><span>„</span>De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien jaar zou zijn.
+Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”
+</p>
+<p>„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”
+</p>
+<p>„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den naam niet
+wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”
+</p>
+<p>„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe zijn en zal
+ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den nacht bij die menschen doorbrengen.
+</p>
+<p><span>„</span>Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”
+</p>
+<p>Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige inlichtingen te hebben
+gegeven, de zorg voor het meisje op.
+</p>
+<p>Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een nieuwe sigaret
+aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.
+</p>
+<p>„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen en weer loopen
+van zijn vriend keek.
+</p>
+<p>„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe ontzettend veel ellende
+de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en weet niet, op welke wijze men de zwakken
+zal helpen.
+</p>
+<p><span>„</span>Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te keeren, die elk
+oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.
+</p>
+<p><span>„</span>Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen schurk, die
+nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient dan die Iersche kapitein.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen. Heb je lust,
+met mij mee te gaan?”
+</p>
+<p>„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van den kapitein
+en je val hebben je krachten uitgeput.”
+</p>
+<p>„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een bad had genomen.”
+</p>
+<hr class="tb dashed"><p>
+</p>
+<p>Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis, dat midden in
+de City lag, naderden.
+</p>
+<p>„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in het gebouw
+wilt doen.”
+</p>
+<p>„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl hij aan de bel
+trok om den portier te wekken.
+</p>
+<p><span class="corr" id="xd33e1068" title="Bron: Een">Er</span> verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een onvriendelijke stem riep:
+</p>
+<p>„Wie is daar?”
+</p>
+<p>„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader dadelijk spreken
+voor een dringende aangelegenheid!”
+</p>
+<p>Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een oude man met
+grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.
+</p>
+<p>Hij hield een lantaarn in de hand.
+</p>
+<p>„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den portier eenige
+shillingstukken in de hand drukte.
+</p>
+<p>De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het gelaat van den
+ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach sprak hij:
+</p>
+<p>„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons zal gelukken,
+den weesvader wakker te krijgen”.
+</p>
+<p>En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:
+</p>
+<p>„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>thuis gekomen en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”
+</p>
+<p>Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange, met tegels
+geplaveide gang naar de woning van den weesvader.
+</p>
+<p>De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in een net ingerichte
+vestibule.
+</p>
+<p>Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te nemen.
+</p>
+<p>Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.
+</p>
+<p>Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van een man, die
+zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.
+</p>
+<p>Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam Lord Lister
+naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.
+</p>
+<p>Dit scheen te helpen.
+</p>
+<p>Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:
+</p>
+<p>„Wat is er?”
+</p>
+<p>„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”
+</p>
+<p>„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.
+</p>
+<p>„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”
+</p>
+<p>Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:
+</p>
+<p>„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”
+</p>
+<p>Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe iemand zijn bed
+uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.
+</p>
+<p>Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader stond met
+lijkbleek gelaat op den drempel.
+</p>
+<p>„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.
+</p>
+<p>Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.
+</p>
+<p>„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles, „het handelt hier
+om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in dienst is gekomen bij kapitein
+<span class="corr" id="xd33e1105" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span>”.
+</p>
+<p>„Wat is er met het meisje?”
+</p>
+<p>Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader, toen hij hoorde,
+dat het niet om hem te doen was.
+</p>
+<p>„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en hebben, om haar
+identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende akten noodig”.
+</p>
+<p>„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”
+</p>
+<p>„Ja”, <span class="corr" id="xd33e1115" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die documenten, wij zullen ook
+zoo vrij zijn, u mee te nemen”.
+</p>
+<p>De weesvader ging een stap achteruit.
+</p>
+<p>„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”
+</p>
+<p>„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor, nadat gij u
+hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke toebehooren aan Anna Marie Thomson”.
+</p>
+<p>Angstig vroeg de weesvader:
+</p>
+<p>„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”
+</p>
+<p>Raffles haalde de schouders op.
+</p>
+<p>Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:
+</p>
+<p>„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”
+</p>
+<p>Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde de Groote Onbekende
+hem toe:
+</p>
+<p>„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”
+</p>
+<p>De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:
+</p>
+<p>„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet uitgaan!”
+</p>
+<p>„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet meer weesvader,
+gij zijt mijn gevangene!”
+</p>
+<p>De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en Raffles hem moesten
+steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar uit een kast de akten en het door
+Raffles gewenschte, verzegelde pakket met de brieven en portretten te halen.
+</p>
+<p>Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak, terwijl hij Charly
+Brand de documenten gaf.
+</p>
+<p>Daarop sprak hij tot den weesvader:
+</p>
+<p>„Vooruit! Er is haast bij!”
+</p>
+<p>„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.
+</p>
+<p>„Dat behoeft niet in den nacht.”
+</p>
+<p>„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens kousen.”
+</p>
+<p>„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en opdat gij geen
+poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels maar afnemen.”
+</p>
+<p>Voordat de beambte een afwerende beweging kon <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>maken, had Raffles zijn bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen
+zijn afzakkende pantalon vasthouden.
+</p>
+<p>Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.
+</p>
+<p>Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen, door te vragen:
+</p>
+<p>„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”
+</p>
+<p>„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je brandewijn. En nu
+vooruit! Kom mee!”
+</p>
+<p>Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de huisdeur open te
+sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.
+</p>
+<p>Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen als John Raffles
+en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe een flinken slag met de bretels
+en sprak op aanmoedigenden toon:
+</p>
+<p>„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een beetje flink,
+anders zal ik je een handje helpen!”
+</p>
+<p>Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en hij zuchtte:
+</p>
+<p>„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten sleept midden
+in den nacht!”
+</p>
+<p>Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:
+</p>
+<p>„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik geef je alleen
+maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een geringere straf krijgt, anders
+verzeker ik je, dat je tot levenslange tuchthuisstraf wordt veroordeeld!
+</p>
+<p><span>„</span>En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het politiebureau!”
+</p>
+<p>De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen de arrestant
+werd binnengebracht.
+</p>
+<p>Lord Lister groette kortaf.
+</p>
+<p>Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde hij onmiddellijk
+de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als: detective Johnson van Scotland
+Yard.
+</p>
+<p>De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende bewijs voor de
+identiteit van den detective, voor handigheid en bekwaamheid.
+</p>
+<p>„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk protocol op
+te maken van het verhoor.”
+</p>
+<p>„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar Scotland Yard?” vroeg
+de officier van politie.
+</p>
+<p>„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een tweede arrestatie
+uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.
+</p>
+<p><span>„</span>Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de bekentenis van den weesvader,
+die hij hier zal uitspreken, dadelijk op papier te brengen!”
+</p>
+<p>„<i>Allright</i>” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn secretaris binnen.
+</p>
+<p>„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon, terwijl hij
+hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den goeden raad, dien ik u heb gegeven.
+Als gij nu uw misdaden bekent, zult gij een zachte straf krijgen.”
+</p>
+<p>De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met de rechtermouw,—want
+hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn gelaat.
+</p>
+<p>Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles overvallen en dus op
+niets voorbereid geweest.
+</p>
+<p>Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven, bekende hij, dat
+hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had gehad met verscheiden weesmeisjes
+en er een bijzonder vermaak in had gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.
+</p>
+<p>Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes werden vastgebonden
+om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te worden.
+</p>
+<p>De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en sprak tot Raffles:
+</p>
+<p>„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den kerel onmiddellijk
+onder veilig geleide naar Scotland Yard laten transporteeren!”
+</p>
+<p>„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van mij mee te geven
+aan inspecteur Baxter.”
+</p>
+<p>De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een dienstcouvert en schreef
+daarop:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Aan den heer Inspecteur Baxter,
+</p>
+<p>Scotland Yard.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op en sloot het
+in het couvert.
+</p>
+<p>Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.
+</p>
+<p>Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem:
+<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p>
+<p>„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval is, maak ik
+alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”
+</p>
+<p>„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.
+</p>
+<p>„<i lang="en">Allright!</i>”
+</p>
+<p>Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar Charly Brand, die
+op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid heen en weer liep.
+</p>
+<p>Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in Hydepark.
+</p>
+<p>Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn studeerkamer stond.
+</p>
+<p>Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op zijn schrijftafel
+en sprak:
+</p>
+<p>„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een afgezakte pantalon
+laten loopen.
+</p>
+<p><span>„</span>Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten bekijken om te weten
+te komen, wie de vader van het door mij geroofde dienstmeisje is.”
+</p>
+<p>Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks had hij een
+blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij sprong verbaasd op en
+riep:
+</p>
+<p>„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar zijn!”
+</p>
+<p>Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn schrijftafel,
+nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak photographieën te voorschijn.
+</p>
+<p>Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een portret in cabinetformaat.
+</p>
+<p>„Lees eens Charly, wat hier staat.”
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het Schotsche regiment lanciers.
+Ter herinnering aan onze gezamenlijke campagne in Afrika.
+</p>
+<p>In trouwe vriendschap
+</p>
+<p class="signed">Lord Cramesford.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Gevallen in den slag bij Ladysmith”.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem een tweede photographie
+en wel die uit het pakket van het dienstmeisje overhandigde.
+</p>
+<p>Vol verbazing riep Charly uit.
+</p>
+<p>„Dat is hetzelfde portret!”
+</p>
+<p>Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven, stond hierop:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Aan mijn lieve, dierbare Anny,
+</p>
+<p class="signed">van haar trouwen
+<br>Lord Robert Cramesford”.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.
+</p>
+<p>„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het werktuig ben
+van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer te brengen. Ik kan geen andere
+verklaring geven omtrent zooveel vreemde dingen, waartoe ik gebracht word.
+</p>
+<p><span>„</span>Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de slavernij van
+schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend uit mijn jeugd.
+</p>
+<p><span>„</span>Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het dikwijls verwenscht,
+dat wij in Engelschen dienst een dergelijken smadelijken veldtocht mee moesten maken.
+</p>
+<p><span>„</span>Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde voor de kogels
+der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval een van ons beiden op het
+slagveld mocht blijven, de ander diens zaken zou ordenen.
+</p>
+<p><span>„</span>Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.
+</p>
+<p><span>„</span>Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond uit den ouden
+Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de universeele erfgenaam is geworden.
+</p>
+<p><span>„</span>Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.
+</p>
+<p><span>„</span>Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die blijkbaar doelde
+op een hartsgeheim, te vervullen.
+</p>
+<p><span>„</span>Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste inlichting verstrekken.
+Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn dood zonder menschelijke dwalingen of
+verwikkelingen te zijn voorbijgegaan.
+</p>
+<p><span>„</span>Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben uitgesproken. Ik
+wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou misschien nooit meer aan die gelofte
+hebben gedacht, als het huidige geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”
+</p>
+<p>„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand. „Ik zou werkelijk
+ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je leiden. Als de tanden van een raderwerk
+passen de gevolgen van onze wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>moest door jou gestraft worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen
+en het arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen met
+een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren! Eigenlijk is— — —”
+</p>
+<p>John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn schrijftafel plaats
+genomen en begon de brieven van zijn overleden vriend te lezen, die deze aan zijn
+beminde, de moeder van het door Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.
+</p>
+<p>De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in den laatsten
+brief, die een dag voor den dood van den afzender was geschreven, hoopte deze op een
+spoedig wederzien en op een gelukkig huwelijk.
+</p>
+<p>Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen, om afstand te
+doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het geliefde meisje te kunnen huwen.
+</p>
+<p>Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en uit allen sprak
+zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten, kussen en vragen naar het welzijn
+van de kleine Anna Marie, dat men uit elken regel las, hoe diep de liefde zich had
+genesteld in het hart van den jongen edelman.
+<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">De weesvader in verhoor.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur van politie
+Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van Scotland Yard.
+</p>
+<p>Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk door op deze
+wijze.
+</p>
+<p>Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap.
+</p>
+<p>Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „<span lang="de">Lustige <span class="corr" id="xd33e1292" title="Bron: Wittwe">Witwe</span></span>” had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène speelde met
+de schoone weduwe.
+</p>
+<p>Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep:
+</p>
+<p>„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar juist den weesvader
+van de stad Londen als gevangene af.”
+</p>
+<p>Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de Vloo aan en
+antwoordde:
+</p>
+<p>„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als gevangene in Scotland
+Yard?”
+</p>
+<p>„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan sommige van zijn
+collega’s op het vasteland!”
+</p>
+<p>Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de woorden:
+</p>
+<p>„Ben je klaar met je preek?”
+</p>
+<p>„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader zelf, die
+hiernaast in de kamer is.
+</p>
+<p><span>„</span>Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens prikkellectuur leest.
+Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke
+boeken geen misdadigers maken!”
+</p>
+<p>„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is met dien weesvader.”
+</p>
+<p>„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds een bekentenis
+afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!”
+</p>
+<p>„Wie heeft hem gevangen genomen?”
+</p>
+<p>„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die hem op het
+bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is hij!”
+</p>
+<p>Hij overhandigde Baxter het couvert.
+</p>
+<p>Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit.
+</p>
+<p>Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij uitte een vloek
+en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij.
+</p>
+<p>„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend.
+</p>
+<p>Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge.
+</p>
+<p>Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en kermde:
+</p>
+<p>„Raffles!—Raffles!”
+</p>
+<p>„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel las hij het en
+riep toen luidkeels lachend uit:
+</p>
+<p>„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie aanvragen voor John
+Raffles.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten van Scotland
+Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij gelezen, wat Raffles schrijft?”
+</p>
+<p>„Neen, neen,” zuchtte Baxter.
+</p>
+<p>„Luister dan. Hij schrijft:
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first">„Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed exemplaar der menschelijke
+boosdoeners, zooals de phantasie van een schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden.
+Hij is weesvader van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij
+<i>een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid</i>!
+<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p>
+<p>Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de strafgevangenissen, blijf
+ik met voortdurende hoogachting voor u en uw werk,
+</p>
+<p class="signed">JOHN C. RAFFLES.”</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne Virginia-tabak
+te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar heen draaide.
+</p>
+<p>De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte tot de zwaveldamp
+was vervlogen en genoot met de kalmte van een fijnproever van zijn tabak.
+</p>
+<p>Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak hij:
+</p>
+<p>„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man niet een verhoor
+afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een dergelijk walgelijk individu stuurt,
+om, naar hij ons schrijft, onze verzameling te completeeren.”
+</p>
+<p>Baxter riep op woedenden toon:
+</p>
+<p>„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om, dat deze booswicht
+eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij zweeg, klemde zijn lippen vast
+op elkaar en rolde woest met zijn oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles
+mij weer tegenover de wereld heeft geblameerd.
+</p>
+<p><span>„</span>Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan deze weesvader,
+als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in vrijheid was gebleven!<span id="xd33e1347">”</span>
+</p>
+<p>„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons beroep van detective
+op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan beambte van politie zijn!”
+</p>
+<p>De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en weer.
+</p>
+<p>„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den honderdsten keer! Je
+groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”
+</p>
+<p>De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:
+</p>
+<p>„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo onuitstaanbaar voor
+u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is heusch geen genot om bij u, inspecteur,
+voor secretaris te moeten spelen!”
+</p>
+<p>„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik morgen mijn
+einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen als den besten en bekwaamsten
+van al mijn beambten en het meest geschikt voor het baantje van secretaris. En dit
+alleen om je een genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied
+voor mijn persoon aan den dag te leggen”.
+</p>
+<p>„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor u moest hebben,
+inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”
+</p>
+<p>„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer hooren!”
+</p>
+<p>„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren van John Raffles!
+Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf wel voor, dat er voortdurend
+over hem wordt gesproken”.
+</p>
+<p>De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet had verstaan
+en op diens vraag:
+</p>
+<p>„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:
+</p>
+<p>„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”
+</p>
+<p>„Hier wordt niet gedacht!”
+</p>
+<p>„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.
+</p>
+<p>„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu de noodige
+maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik eindelijk weer wat nachtrust
+kan nemen”.
+</p>
+<p>„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees daar juist een
+geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op welke wijze hij dezen keer
+de schurken naar den duivel jaagt. Men geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene
+misdadiger, niet een man van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”
+</p>
+<p>„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen, waarin mijn beambten
+het lezen verboden wordt!”
+</p>
+<p>„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in ons vrije Engeland!
+En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een blik wierpt in die boeken, want
+daardoor leert men de schurken kennen en verachten!
+</p>
+<p><span>„</span>Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij beiden bijzonder
+goed kunnen gebruiken.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van verdacht, thuis dezelfde
+boeken te lezen, want, behalve waar het Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.
+</p>
+<p>„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het dan ook zij,
+lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel wat anders te doen!”
+<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p>
+<p>„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen: „Dan slaapt
+men!”
+</p>
+<p>„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen resultaat. Ik geloof,
+Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel Londen omverpraat …
+</p>
+<p><span>„</span>En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.
+</p>
+<p>Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging daar binnen. In
+deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van twee politie-agenten, op zijn
+verhoor.
+</p>
+<p>Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den arrestant vol
+minachting aan en sprak:
+</p>
+<p>„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u eindelijk gevangen
+hebben genomen”.
+</p>
+<p>De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.
+</p>
+<p>„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde Baxter.
+</p>
+<p>„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in hechtenis heeft
+genomen.”
+</p>
+<p>„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”
+</p>
+<p>Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene haperend en op huilenden
+toon:
+</p>
+<p>„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.
+</p>
+<p>„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te spreken!” schreeuwde
+Baxter.
+</p>
+<p>„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt gij, schurken,
+allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en later hebt gij er spijt van!
+</p>
+<p><span>„</span>Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo dom zijt geweest,
+u te laten gevangen nemen!
+</p>
+<p><span>„</span>Maar.…..”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij vergeet maar al
+te vaak, dat gij te doen hebt met mij, politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard!
+Gij vergeet, dat ik met Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng
+waar gij behoort!
+</p>
+<p><span>„</span>Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het tegen mij heeft
+uitgehouden!”
+</p>
+<p>„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.
+</p>
+<p>De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel niet bang,
+maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot een breeden grijnslach,
+zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook gekleurde tanden kon zien.
+</p>
+<p>„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier zijt om in
+een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten tijd zeer slecht en als
+dat zoo door blijft gaan— —”
+</p>
+<p>Hij zweeg en de Vloo vulde aan:
+</p>
+<p>„Dan ontslaat gij mij!”
+</p>
+<p>„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op zijn gemak
+verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die tijd in overvloed heeft,
+gereed om te gaan schrijven.
+</p>
+<p>„De weesvader van— — —”
+</p>
+<p>„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”
+</p>
+<p>„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”
+</p>
+<p>Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:
+</p>
+<p>„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben gevonden. Want—
+—”
+</p>
+<p>Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.
+</p>
+<p>„.….. In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij verstrekt, van zulk
+een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft
+de eigenaardigheid, te veel inkt op te zuigen.”
+</p>
+<p>Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en terwijl de beide
+politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen, schreeuwde hij tot Marholm:
+</p>
+<p>„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den leverancier. Ik maak
+ze niet!”
+</p>
+<p>„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal onbruikbaar zijn!—Gij
+kunt wel beginnen, inspecteur!”
+</p>
+<p>Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu het bericht omtrent
+de gevangenname van den weesvader te dicteeren.
+</p>
+<p>Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de inspecteur van
+politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk de handelende persoon in deze
+zaak was geweest en niet Baxter.
+</p>
+<p>Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht.
+<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Haar vader.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan over de nieuwste
+gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den weesvader en ook op het gebeurde
+met de tanden van den Grooten Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde,
+betrekking hadden.
+</p>
+<p>Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn woorden ongewijzigd
+weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen.
+</p>
+<p>De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en bespotten hem,
+daar hij eindelijk zijn meester had gevonden.
+</p>
+<p>Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te rusten—aan de ontbijttafel
+kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een pak couranten naar hem toe en riep:
+</p>
+<p>„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou op allerlei
+manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want, zooals hier in de <i>Times</i> staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan de reporters verteld, dat hij een
+ervan als trophee aan zijn horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche
+voor zijn vrouw wordt gemaakt.”
+</p>
+<p>Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het artikel zou opwinden.
+In plaats hiervan echter lachte deze en zei:
+</p>
+<p>„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo hongerig als
+een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt gezorgd.”
+</p>
+<p>„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan tafel ging
+zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op het spel!”
+</p>
+<p>„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch alleen die van
+den kapitein.”
+</p>
+<p>„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet je eerlijk
+zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou heeft openbaar gemaakt,
+geen Londensche straatjongen meer respect voor je zal hebben.
+</p>
+<p><span>„</span>In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden.
+</p>
+<p><span>„</span>Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al tot eerelid benoemd.
+De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen, zich jouw tanden laten toonen en
+hem voor zijn heldendaad een hooge onderscheiding gegeven.”
+</p>
+<p>„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er overigens voor nieuws?
+Staat er iets over den weesvader in de krant?”
+</p>
+<p>„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij degene bent, die
+den kerel ontmaskerd hebt!”
+</p>
+<p>„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?”
+<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p>
+<p>„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard!”
+</p>
+<p>„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft zich ditmaal
+weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem, dat hij per slot van rekening
+toch weer de kous op den kop zal krijgen.
+</p>
+<p><span>„</span>Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem omgaan en ik hoop
+van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie zal blijven.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent de eigenlijke
+toedracht der zaken openbaar maken.
+</p>
+<p><span>„</span>Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen, dat hij mij een
+onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets dergelijks voor mijn tanden wordt
+uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!”
+</p>
+<p>Charly Brand lachte vroolijk en sprak:
+</p>
+<p>„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?”
+</p>
+<p>„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles.
+</p>
+<p>„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er vannacht al over,
+op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!”
+</p>
+<p>Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde op zijn gemak
+in zijn fauteuil achterover.
+</p>
+<p>Hij dacht eenige seconden na en rookte.
+</p>
+<p>Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— —
+</p>
+<p>Eindelijk stond Raffles op en sprak:
+</p>
+<p>„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar voorstellen
+aan haar grootvader, Lord Cramesford.”
+</p>
+<p>Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug.
+</p>
+<p>De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in betrekking was
+en die zijn huishouding bestuurde, had haar een eenvoudige, maar keurige japon gekocht,
+zoodat Lord Lister verbaasd opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het
+meisje nu maakte.
+</p>
+<p>Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak:
+</p>
+<p>„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat je je beter
+voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op krachten zijn gekomen.
+Heb je nog iets op je hart?”
+</p>
+<p>„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem.
+</p>
+<p>„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.”
+</p>
+<p>Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde:
+</p>
+<p>„Ik weet niet, wat u bedoelt.”
+</p>
+<p>„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?”
+</p>
+<p>Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met trillende lippen
+sprak zij:
+</p>
+<p>„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen …”
+</p>
+<p>„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop de photographie
+lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had gegeven.
+</p>
+<p>Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of zij uitte een
+blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar lippen.
+</p>
+<p>Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit:
+</p>
+<p>„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!”
+</p>
+<p>John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij tot haar:
+</p>
+<p>„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?”
+</p>
+<p>„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!”
+</p>
+<p>„Lees eens, wat op het portret staat!”
+</p>
+<p>Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door Raffles gemaakte
+aanteekening omtrent het overlijden.
+</p>
+<p>Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer, terwijl zij
+krampachtig snikte.
+</p>
+<p>John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem:
+</p>
+<p><span>„</span>Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood beloofde ik je vader
+plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen flauw vermoeden had, op dezelfde
+wijze te zorgen als hijzelf.
+</p>
+<p><span>„</span>Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben geweest en
+dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!”
+</p>
+<p>Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem neerknielende,
+greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen.
+</p>
+<p>John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug.
+</p>
+<p>Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag.
+</p>
+<p>Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>haar op, zette haar in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken.
+</p>
+<p>Na een lange pauze vervolgde Lord Lister:
+</p>
+<p>„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je zijn naam
+nooit had gehoord.”
+</p>
+<p>„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te zien, lette
+ik niet op den inhoud van het geschrevene.”
+</p>
+<p>„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde regiment.
+</p>
+<p><span>„</span>Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der meest geachte.”
+</p>
+<p>John Raffles zweeg.
+</p>
+<p>In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een beeldschoone, eenigszins
+lichtzinnige jonge man, die echter een hart van goud had gehad en geen vlieg ooit
+kwaad had gedaan.
+</p>
+<p>„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader hooren!” smeekte
+Anna Marie.
+</p>
+<p>„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie behoort nu nog tot
+de meest gegoede van Engeland.
+</p>
+<p><span>„</span>Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is kamerheer van den
+koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan opzoeken en hoop, dat de oude heer
+jou, het eenige kind van zijn jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken
+en tot zich nemen.”
+</p>
+<p>Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek.
+</p>
+<p>John Raffles zag dit en vroeg:
+</p>
+<p>„Waarover maak je je ongerust?”
+</p>
+<p>„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den ouden Lord. Laat
+mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken.
+</p>
+<p><span>„</span>De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft tegen mij gezegd,
+toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en handig ben!”
+</p>
+<p>„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het uitstekende
+ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename van een Lord, zou ik je
+voorstel dadelijk aannemen!”
+</p>
+<p>„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij hebt mijn
+vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen Lady, ik ben maar een
+dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de keuken bezig te zijn.”
+</p>
+<p>„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je wensch niet vervullen.
+Zelfs al zou de oude Lord je niet willen erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady
+laten opvoeden en evengoed voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou
+je willen hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?”
+</p>
+<p>Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje:
+</p>
+<p>„Neen, neen, een belofte moet men houden!”
+</p>
+<p>„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne nemende, „moet
+je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een voornaam Engelsch officier, zou van
+zijn dochter nooit een dienstmeisje hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij
+mee.”
+</p>
+<p>Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje gadegeslagen.
+</p>
+<p>De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat Raffles de kamer
+verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol ontroering:
+</p>
+<p>„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—”
+</p>
+<p>Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde:
+</p>
+<p>„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den Bijbel, dat luidt:
+„Bemin je naasten als jezelf!”
+</p>
+<p><span>„</span>Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar handelden, maar—helaas—”
+</p>
+<p>En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug, nam de kranten
+op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd met lezen te verdrijven,
+en zuchtte:
+</p>
+<p>„Helaas!”
+<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div id="ch7" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead">
+<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2>
+<h2 class="main">Tand om tand.</h2>
+</div>
+<div class="divBody">
+<p class="first">Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug.
+</p>
+<p>Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven.
+</p>
+<p>Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een heftigheid,
+die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan, terwijl hij riep:
+</p>
+<p>„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de wereld verdwenen
+was!”
+</p>
+<p>„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging zitten en,
+om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak.
+</p>
+<p>Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij:
+</p>
+<p>„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de manier, waarop
+die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde, mij, den eenigen vriend van
+zijn oudsten zoon, was schandelijk!
+</p>
+<p><span>„</span>Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en wees mij met het
+arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam vragen, de deur”.
+</p>
+<p>Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het hoofd.
+</p>
+<p>Na eenige seconden vroeg hij:
+</p>
+<p>„En wat denk je nu te doen?”
+</p>
+<p>John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei:
+</p>
+<p>„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van haar grootvader,
+een nette opvoeding kan laten geven.
+</p>
+<p><span>„</span>Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het vaderlijke erfdeel
+toevertrouwen!—
+</p>
+<p>„Wat zeggen de avondbladen, Charly?”
+</p>
+<p>„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”.
+</p>
+<p>Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad geworpen of hij
+riep lachend uit:
+</p>
+<p>„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen als water!
+De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van musea, gekke Amerikanen en
+nog een massa andere menschen, den kapitein ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben
+geboden”.
+</p>
+<p>„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op welke wijze
+jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!”
+</p>
+<p>John Raffles lachte opnieuw en antwoordde:
+</p>
+<p>„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”.
+</p>
+<p>Charly vroeg op verbaasden toon:
+</p>
+<p>„Wil jij je tanden verkoopen?”
+</p>
+<p>„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan, dat de dochter
+van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van Engeland zal worden”.
+</p>
+<p>„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?”
+</p>
+<p>Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en antwoordde:
+</p>
+<p>„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie naar de kranten
+en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve bladzijde beslaan.
+</p>
+<blockquote>
+<p class="first h2"><i>TANDEN VAN RAFFLES</i>
+</p>
+<p class="center"><i>biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan!</i>
+<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p>
+<p>Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein <span class="corr" id="xd33e1604" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten behoeve van liefdadige
+doeleinden aan de meestbiedenden door notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen.
+</p>
+<p>Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot dezen wenden.</p>
+</blockquote><p>
+</p>
+<p>„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten bezorgen en meteen
+notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige van mijn tanden zal sturen, die
+hij tegen de hoogste prijzen aan liefhebbers moet verkoopen!—
+</p>
+<p><span>„</span>Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar een paar dozijn
+porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet je mij brengen. Ik zal ze met
+een brief aan Smithson zenden.
+</p>
+<p><span>„</span>Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen enkele tandarts
+in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik zal ze alle hebben verbruikt”.
+</p>
+<p>Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en blijft een
+genie!”
+</p>
+<p>John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg:
+</p>
+<p>„Heb je daar ooit aan getwijfeld?”
+</p>
+<p>Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak:
+</p>
+<p>„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden eens keurig
+netjes in orde!
+</p>
+<p><span>„</span>Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.”
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e1629" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span> zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper, toen het nieuwe dienstmeisje
+hem een visitekaartje bracht met de woorden:
+</p>
+<p>„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.”
+</p>
+<p>Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel.
+</p>
+<p>De kapitein stond op en sprak:
+</p>
+<p>„Breng den journalist hier!”
+</p>
+<p>Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten, meerendeels familieleden
+van zijn vrouw:
+</p>
+<p>„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover dezen heer, want
+hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde, een mensch, die door zijn woorden
+iemand tot een beroemdheid kan maken. Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.”
+</p>
+<p>Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant gekleed heer,
+de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten zich tot den kapitein wendde:
+</p>
+<p>„Ik ben de vertegenwoordiger van de <i lang="en">New-York Herald</i> en kreeg bevel van mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke
+geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen mededeelen.
+Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze aangelegenheid verzenden.”
+</p>
+<p>Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den honderdsten keer
+in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over den bokserslag en zijn zege
+over Raffles.
+</p>
+<p>„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden! Een heb ik
+aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan haar armband!”
+</p>
+<p>„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op bescheiden toon.
+</p>
+<p>Opnieuw boog <span class="corr" id="xd33e1650" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak: „Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!”
+</p>
+<p>„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan de tand hing,
+in diamanten gevat.
+</p>
+<p>Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan het horloge was
+bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden verslaggever.
+</p>
+<p>Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak:
+</p>
+<p>„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!”
+</p>
+<p>„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg:
+</p>
+<p>„Hoe kent gij ze?”
+</p>
+<p>„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en scherp, „ik zal
+mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —”
+</p>
+<p>Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin:
+</p>
+<p>„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde en opdat gij
+de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als souvenir achterlaten!
+</p>
+<p><span>„</span>Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie het titelblad.)
+</p>
+<p>Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een woord te zeggen,
+week de kapitein voor Raffles terug.
+</p>
+<p>Als verlamd zaten de gasten om de tafel.
+</p>
+<p>Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een geweldige vuistslag
+neer op het gelaat van <span class="corr" id="xd33e1670" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span>, zoodat zijn valsch gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel.
+<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p>
+<p>„Tand om tand!” herhaalde John Raffles.
+</p>
+<p>Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende buiging voor
+de gasten en sprak:
+</p>
+<p>„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!”
+</p>
+<p>Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles verdwenen.
+</p>
+<p>Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie geschreeuwd en het duurde
+niet lang of van het politiebureau in dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis
+binnen.
+</p>
+<p>Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was.
+</p>
+<p>Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en begrepen, dat de held
+van de Iersche garde alles gelogen had.
+</p>
+<p>„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets was gebeurd.
+Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde advertentie. Daarin stond, dat John
+Raffles zijn tanden had teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende
+zou laten verkoopen.”
+</p>
+<p>„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den kapitein.
+</p>
+<p>„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!” jammerde <span class="corr" id="xd33e1686" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span>.
+</p>
+<p>Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis.
+</p>
+<hr class="tb dashed"><p>
+</p>
+<p>Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen honderden personen,
+wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar tanden van Raffles, kon antwoorden:
+</p>
+<p>„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij zelf gestuurd—
+—”
+</p>
+<p>Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000 pond sterling
+voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend:
+</p>
+<p>„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!”
+</p>
+<p>John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht aan de Engelsche
+pers:
+</p>
+<p>„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten verzekeren,
+dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal nu vragen of de tanden
+werkelijk uit mijn mond kwamen.
+</p>
+<p><span>„</span>Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit alleen kapitein
+<span class="corr" id="xd33e1703" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span> van de Iersche garde.
+</p>
+<p><span>„</span>Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van zoo’n held van
+den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding laat behouden, die ik den kapitein
+heb ontnomen.”
+</p>
+<hr class="tb dashed"><p>
+</p>
+<p>Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij:
+</p>
+<p>„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren!
+</p>
+<p><span>„</span>Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de zes gebochelde
+hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien, dat ik van goede scherts houd
+en er dankbaar voor ben, dat hij mij van zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord
+Edward Lister, genaamd John C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein
+heeft afgenomen.”
+</p>
+<p>Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij zuchtend tot de vloo:
+</p>
+<p>„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de Groote Onbekende,
+John C. Raffles willen zijn!”
+</p>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="back">
+<div class="div1 notice"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first center">De volgende aflevering (No. 46) bevat:
+</p>
+<p class="center xxl">„Vereeniging ter bevordering van goede zeden”.
+<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first"><span class="xxl underline">Pakkend!</span> <span class="xxl underline xd33e1730">Sensationeel!</span>
+</p>
+<p class="xl">Boeiend zijn de avonturen van den beroemden Amerikaanschen Detective
+</p>
+<p class="xxxl center">NICK CARTER,
+</p>
+<p class="xl">het mooiste wat ooit op het gebied van Detective-verhalen verschenen is.
+</p>
+<hr class="tb"><p>
+</p>
+<p class="center">Elke aflevering bevat een afgerond verhaal.
+</p>
+<p class="large center"><b>Prijs per aflevering 10 CENT.</b>
+</p>
+<p class="center">Te bekomen in den boekhandel en bij den Uitgever
+</p>
+<p class="large center">Roman-Boekhandel voorheen A. EICHLER te Amsterdam.</p>
+</div>
+</div>
+<p><span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p>
+<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first underline xd33e1753">Belooning: 1000 pond sterling.
+</p>
+<div class="table">
+<table class="tbl.wanted.header">
+<tr>
+<td class="xd33e1756 cell-left cell-top xd33e1760">Wie kent hem?
+</td>
+<td rowspan="2" class="rowspan xd33e1757 cell-top cell-bottom">
+<div class="figure lordlisterwidth"><img src="images/lordlister.png" alt="Portret van Lord Lister." width="307" height="404"></div>
+</td>
+<td class="xd33e1756 cell-right cell-top xd33e1760">Wie heeft hem gezien?
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="xd33e1756 cell-left cell-bottom">Dat vraagt men in Scotland Yard!
+</td>
+<td class="xd33e1756 cell-right cell-bottom">Dat vraagt heel Londen!</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+<p class="xd33e1775">Lord Lister <span class="underline xd33e1777">genaamd</span> John C. Raffles, <span class="xd33e1780">de geniaalste aller dieven</span>
+</p>
+<p class="xd33e1783">brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters;
+ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt
+en behoeftigen ondersteunt.
+</p>
+<p class="xd33e1785">Man van eer in alle opzichten
+</p>
+<p class="xd33e1783">spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing
+op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
+</p>
+<p class="xd33e1789">Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
+</p>
+<p class="xd33e1783">Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, <b>Lord Lister</b>, genaamd <b>John C. Raffles</b>, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
+</p>
+<div lang="en" class="div2 section warrant.en"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><table class="alignedText">
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="first xd33e1800">WARRANT OF ARREST.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p class="first"><span class="underline">Vertaling</span>:
+</p>
+<p class="xd33e1912">Bevel tot aanhouding.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p>Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension
+of the man described as under:
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p>Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="xd33e1804">DESCRIPTION:
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Name</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, alias John C. <span class="corr" id="xd33e1814" title="Bron: Sinclair">Raffles</span>.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Age</span>: </td>
+<td class="cell-right">32 to 35 years.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Height</span>: </td>
+<td class="cell-right">5 feet nine inches.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Weight</span>: </td>
+<td class="cell-right">176 pounds.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Figure</span>: </td>
+<td class="cell-right">Tall.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Complexion</span>: </td>
+<td class="cell-right">Dark.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Hair</span>: </td>
+<td class="cell-right">Black.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Beard</span>: </td>
+<td class="cell-right">A slight moustache.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Eyes</span>: </td>
+<td class="cell-right">Black.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Language</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-bottom">English, French, German, Russian, etc.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p class="xd33e1804">Beschrijving:
+</p>
+<div class="table">
+<table>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Naam</span>: </td>
+<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, genaamd John C<span id="xd33e1926">.</span> Raffles.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Leeftijd</span>: </td>
+<td class="cell-right">32–35 jaar.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Lengte</span>: </td>
+<td class="cell-right">ongeveer 1,76 meter.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gewicht</span>: </td>
+<td class="cell-right">80 kilo.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gestalte</span>: </td>
+<td class="cell-right">slank.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Gelaatskleur</span>: </td>
+<td class="cell-right">donker.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Haar</span>: </td>
+<td class="cell-right">zwart.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Baardgroei</span>: </td>
+<td class="cell-right">kleine snor.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left"><span class="ex">Oogen</span>: </td>
+<td class="cell-right">zwart.
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Spreekt</span> </td>
+<td class="cell-right cell-bottom">Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.</td>
+</tr>
+</table>
+</div><p>
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p><span class="ex">Special notes</span>: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other
+day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p><span class="ex">Bijzondere kenteekenen</span>: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een
+ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam
+onbekend.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p>Charged with robbery.
+</p>
+<p>A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p>Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000
+pond sterling.
+</p>
+</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="first" lang="en">
+<p class="xd33e1804">Headquarters—Scotland Yard.
+</p>
+<p class="dateline"><span class="ex">London</span>, 1<sup>st</sup> October 1908.
+</p>
+<p class="signed"><b>Police Inspector</b>,<br>
+<span class="ex">Horny.</span>
+</p>
+</td>
+<td class="second" lang="nl">
+<p><b><i>Het Hoofdbureau van Politie <span class="corr" id="xd33e2002" title="Bron: Scotland-Yard">Scotland Yard</span>.</i></b>
+</p>
+<p class="dateline"><span class="ex">Londen</span>, 1. <span class="corr" id="xd33e2010" title="Bron: Oktober">October</span> 1908.
+</p>
+<p class="signed"><b><span class="corr" id="xd33e2015" title="Bron: Inspekteur">Inspecteur</span> van Politie</b><br>
+(get.) <span class="ex">Horny</span>.
+</p>
+</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+</div>
+<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody">
+<p class="first xd33e2024">Roman-Boekhandel <span class="xd33e2026">voorheen</span> A. Eichler
+</p>
+<p class="xd33e121">Singel 236—Amsterdam.
+</p>
+</div>
+</div>
+<div class="div1" id="toc">
+<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2>
+<table>
+<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">I. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">Een ontmoeting in den Tower.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">II. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">Vreemde heldenmoed.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">5</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">III. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">Twee tanden.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">9</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch4.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">IV. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">Het gestolen dienstmeisje.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">17</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch5.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">V. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">De weesvader in verhoor.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">23</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch6.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VI. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">Haar vader.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">26</a></td>
+</tr>
+<tr id="ch7.toc" class="tocLevel0">
+<td class="tocDivNum">VII. </td>
+<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">Tand om tand.</a></td>
+<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">29</a></td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+<div class="transcriberNote">
+<h2 class="main">Colofon</h2>
+<h3 class="main">Codering</h3>
+<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het
+einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel
+zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van
+dit boek.</p>
+<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3>
+<ul>
+<li>2026-04-04 Begonnen.
+</li>
+</ul>
+<h3 class="main">Verbeteringen</h3>
+<p>De volgende 146 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p>
+<table class="correctionTable">
+<tr>
+<th>Bladzijde</th>
+<th>Bron</th>
+<th>Verbetering</th>
+<th>Bewerkingsafstand</th>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><i title="101 gevallen">Passim.
+</i></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e158">2</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e176">2</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Picadilly</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Piccadilly</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e214">2</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">had </td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">4</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e230">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">concierge</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">conciërge</td>
+<td class="bottom">1 / 0</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e235">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">excercitieveld</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">exercitieveld</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e240">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">excerceeren</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">exerceeren</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e253">3</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,”</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e283">4</a>, <a class="pageref" href="#xd33e332">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e566">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e949">16</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1604">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1650">30</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Mac Govern</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e317">4</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">terwij</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">terwijl</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e339">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1105">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1686">31</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1703">31</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Mc Govern</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e353">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e425">6</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1629">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1670">30</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Mc. Govern</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e384">6</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeiging</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">verdediging</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e550">8</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">dr.</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Dr.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e560">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1115">19</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoorde</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoordde</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e581">9</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">strand</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Strand</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e593">9</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1292">23</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="de">Wittwe</td>
+<td class="width40 bottom" lang="de">Witwe</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e647">10</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vloo</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Vloo</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e691">11</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">één-familiehuis-huis</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">één-familie-huis</td>
+<td class="bottom">4</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e694">11</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Verwijderd</i>]
+</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e790">13</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">trecht</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">terecht</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e850">14</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">groote</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Groote</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e867">14</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Govern</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e992">17</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">haar</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">hen</td>
+<td class="bottom">3</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e998">17</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vreeselijk</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">vreeselijke</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1004">17</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">weesvader je?”</td>
+<td class="bottom">14</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1068">18</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Een</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Er</td>
+<td class="bottom">2</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1347">24</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1814">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">Sinclair</td>
+<td class="width40 bottom" lang="en">Raffles</td>
+<td class="bottom">7</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1926">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">
+[<i>Niet in bron</i>]
+</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2002">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland-Yard</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland Yard</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2010">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Oktober</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">October</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+<tr>
+<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2015">33</a></td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspekteur</td>
+<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspecteur</td>
+<td class="bottom">1</td>
+</tr>
+</table>
+</div>
+</div>
+<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***</div>
+</body>
+</html>
diff --git a/78378-h/images/lordlister.png b/78378-h/images/lordlister.png
new file mode 100644
index 0000000..e9e45f1
--- /dev/null
+++ b/78378-h/images/lordlister.png
Binary files differ
diff --git a/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg b/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg
new file mode 100644
index 0000000..0a9189c
--- /dev/null
+++ b/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg
Binary files differ
diff --git a/78378-h/images/p0045-01.png b/78378-h/images/p0045-01.png
new file mode 100644
index 0000000..54d29fd
--- /dev/null
+++ b/78378-h/images/p0045-01.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6c72794
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This book, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..fcd067e
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #78378
+(https://www.gutenberg.org/ebooks/78378)