diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 78378-0.txt | 3143 | ||||
| -rw-r--r-- | 78378-h/78378-h.htm | 4363 | ||||
| -rw-r--r-- | 78378-h/images/lordlister.png | bin | 0 -> 36856 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78378-h/images/lordlister0045-front.jpg | bin | 0 -> 101037 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 78378-h/images/p0045-01.png | bin | 0 -> 14420 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
8 files changed, 7522 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/78378-0.txt b/78378-0.txt new file mode 100644 index 0000000..deb9ad6 --- /dev/null +++ b/78378-0.txt @@ -0,0 +1,3143 @@ +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 *** + + + + + LORD LISTER + GENAAMD RAFFLES + DE GROOTE ONBEKENDE. + + NO. 45 HET GESTOLEN DIENSTMEISJE. + + + + + + + + +HET GESTOLEN DIENSTMEISJE + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN ONTMOETING IN DEN TOWER. + + +„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer +bewonderde, gevierde, maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief +van Londen, tot zijn vriend Charly Brand, „het is zulk heerlijk +zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”. + +Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een +sigaret rookte, stond op en antwoordde: + +„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur +Baxter zult hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw +gevangenname met 500 pond heeft verhoogd”. + +Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek. + +„Waarom lach je?” vroeg de secretaris. + +„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een +hoogere premie heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst +van een gevaarlijk moordenaar; op mijn persoon, die nog nimmer eenig +mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg zou kunnen dooden en die +er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, die +onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven, +een welverdiende straf te bezorgen. + +„Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere +prijs is uitgeloofd voor een harer onderdanen. + +„Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell +wilde betalen, niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij...” + +Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek +peinzend naar buiten. + +„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit. + +„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de +gelegenheid zal zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om +tot den een of anderen armen drommel te zeggen, die het geld best kan +gebruiken: + +„Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een +kostbaar voorwerp, dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van +politie en zeg daar: hier is John Raffles!” + +„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret +aanstekend. + +„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij +niet eerder zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie +Baxter, dan wanneer hij den armen drommel de 4000 pond heeft +uitbetaald.” + +Charly Brand lachte en sprak: + +„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft +gekregen, met een van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het +geheele hoofdbureau van politie een poets zult bakken, die meer dan +4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen”. + +Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei: + +„Ik kan je geen ongelijk geven. + +„Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou +voor dien armen man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur +Baxter brengen, je het geld laten uitbetalen en wij maken er samen een +reis van naar het vasteland. + +„Maar laat ons nu gaan!” + +John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn +stok met zwaren gouden knop, die door middel van een geheime veer +geopend kon worden en die van binnen een waar arsenaal van kunstig +bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte. + +Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al +in de deur stond: + +„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?” + +„Natuurlijk!” lachte Lord Lister. + +„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo +ga. Ik had korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze +wederzijdsche vriend een oude fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen, +een wijf van minstens zeventig jaar, die in de buurt van Piccadilly +rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen +nam, onder de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C. +Raffles was en haar naar Scotland Yard liet brengen. Schitterend, +nietwaar?” + +„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt +wel een beetje onwaarschijnlijk!” + +„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth +van Engeland niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin +van gebochelde mannen hield!” + +„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de +geschiedenis?” + +„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend +op, „ik lees graag over de bijzonderheden van historische personen.” + +„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond +als iemand met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op +nahield. Hoe kun je dat verklaren?” + +„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik +jou zou willen verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin +Elisabeth vond in haar half dozijn gebochelde hofnarren. + +„Maar kom nu mee! + +„En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze +wandeling maken naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen +haar breede voeten heeft gezet. Laat ons naar den Tower gaan!” + +„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent +geworden! Je hebt een eigenaardige gave om droge onderwerpen op +interessante wijze te behandelen. + +„Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader! + +„Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels, +ijzersterke zenuwen en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad +genoeg om niet alleen een vrouw, maar zelfs een man nieuwsgierig te +maken.” + +„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.” + +„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!” + +Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die, +volgens Londensch gebruik, midden op de straat stond. + +„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het +rijtuig, terwijl Charly Brand hem volgde. + +Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris: + +„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te +vertellen.” + +„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab! +Een mooi beest, nietwaar?” + +„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met +koningin Elisabeth van Engeland?” + +Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde: + +„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—” + +Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar. + +„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn +met diamanten versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn +borstzak. + +Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte +Carlo afhandig gemaakt. + +Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens. + +Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de +diamanten in bonte kleurenpracht schitterden. + +„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel +overeenkomst met die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina, +die haar gunsteling Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit +étui vereerde.” + +„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand. + +„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten +van Catharina en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.” + +„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben +tamelijk goed op de hoogte.” + +„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat +de warmte invloed op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele +Theems zal je goed doen!” + +„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste +kalmte. + +Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij +de Towerbrug over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den +conciërge kaarten om toegang te krijgen. + +Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede, +vroegere slotgracht voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in +een grasveld, dat als exercitieveld dienst doet voor de Iersche garde, +welke in den Tower verblijf houdt. + +Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een +afdeeling van dit regiment in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes +en de grijze kepi’s, naar buiten om te gaan exerceeren. + +John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier +de rijzige, krachtige, gespierde gestalten. + +Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke +wandelstokjes in de handen, waarmee zij speelden als dames met haar +waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig lijkende voorwerpen waren echter +zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten. + +In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van +het beste Indische peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en +een verguld looden knop als handvat, een gruwelijk martelwerktuig. + +John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika +werden zij veelvuldig gebruikt bij het drillen der recruten. + +Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik, +kuchend en snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met +zijn kleine, door dikke vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig +insect naar zijn manschappen. + +Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als +mishandelde honden naar den kleinen kapitein keken. + +Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar, +alsof hij elk oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een +slag wilde geven. + +„Dat is de menschenbeul van het regiment,” sprak Raffles tot Charly +Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval van oorlog +meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen! + +„Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren +zal behandelen!” + +Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het +exercitieterrein beneden hen. + +Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein. + +Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een +vischwijf, gaf hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen. + +Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn +meening niet flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de +gemeenste scheldwoorden, zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald +afkomstig moesten zijn van de vrouw van dezen bullebak. + +„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch +dragonder dergelijke scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!” + +Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche +soldaten zoo onbarmhartig tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote, +sterke kerel in elkaar zakte. + +„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat +ik niet het een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in +te gooien.” + +„Nette voornemens”, lachte Charly Brand. + +„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!” + +Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn +vriend, toen de Engelsche kapitein een tweede der manschappen op +dezelfde wijze met zijn stok sloeg. + +Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn +kameraden keek, waaraan hij niet behoefde mee te doen. + +John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot +hem. + +Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden: + +„Kom eens hier, mijn vriend.” + +„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een +superieur in burgerkleeding te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig +het militair saluut. + +Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak: + +„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar +beneden, die het bevel voert over de eerste compagnie?” + +De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie +bedeeld werd, antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam +van den gevreesden officier op luiden toon uit te spreken: + +„Kapitein McGovern.” + +„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook +toevallig, waar de woning van dien heer is?” + +„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie +en moest dikwijls den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein +woont Hamilton Road 16.” + +„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn +vrienden woont in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw +een draak is.” + +„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle +woede, die hij dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn +manschappen. Wij noemen hem in het regiment den menschenbeul.” + +„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met +Charly Brand naar den Tower. + +Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale +optreden. + +Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn +vrind meerdere malen mompelde: + +„Hamilton Road 16.” + +Hij scheen een plan te maken. + +Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar +de kazernes terug. + +In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op +het trottoir. + +Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar +konden passeeren. + +Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de +bovenbedoelde kapitein met zijn compagnie aan. + +„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die +vermoedde, dat Raffles een plan smeedde tegen den kapitein. + +En hij had zich niet vergist. + +Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo +stevig vast, dat hij niet kon uitwijken. + +Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen +liep. + +Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet +zoo! + +Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde +botsing met den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen +den officier gestooten, dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn +stok ophief om ermee te slaan. + +Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een +korte Engelsche vloek kwam van zijn lippen. + +Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af, +zoodat de slag doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het +folterwerktuig uit de hand, voordat deze het kon verhinderen en gaf hem +er een flinken klap mee in het gezicht. + +Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen. + +John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een +prettige gebeurtenis! Er was niemand onder hen, die den kapitein niet +van ganscher harte een flink pak slaag gunde. + +Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met +gezwinden pas over de brug verdwenen en buiten het bereik van de +Iersche gard. + +Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats. + +„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier +toe. + +Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik, +toen de kapitein met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het +rijtuig om den hoek van den Tower. + +„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, terwijl hij den stok +door de lucht zwaaide. + +„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien +menschenbeul vandaag nog een betere les te geven”. + +„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand. + +„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend, +„inspecteur van politie Baxter zal werk krijgen!” + + + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VREEMDE HELDENMOED. + + +Kapitein McGovern kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis. + +Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van +den kapper afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit +een onooglijk rattestaartje, dat zij handig wist te verbergen onder de +blonde pruik. + +Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de +gesloten vensters, op straat hoorbaar was. + +Toen McGovern zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n +schreden. Het maakte den indruk, alsof een afgeranselde hond met den +staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde. + +Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de +linkerhand een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was +opgezwollen door den slag van Raffles. + +Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde. + +Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw, +die tegen een jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde. +Het meisje was haar uit een weeshuis bezorgd. + +De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn. + +Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs +vermoeiend was voor een gespierden man. + +Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En +toch was zij al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te +maken. + +De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer, +had een Japansche ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe +door haar lorgnet naar het werkende meisje. + +Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond +om het kind een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het +hoofd te slingeren, opdat het werk wat vlugger zou gaan. + +Kapitein McGovern opende de deur der kamer en sprak met zachte, +bedrukte stem, die geheel en al in tegenstelling was met zijn +commandotoon op het exercitieveld: + +„Eulalia, hier ben ik!” + +Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op, +zette haar lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot +als een nijdige krokodil, die in zijn rust wordt gestoord. + +„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?” + +„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!” + +Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep: + +„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je +dienst is immers pas over een uur afgeloopen!” + +„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!” + +Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak: + +„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!” + +In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en +schreeuwde: + +„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te +luisteren, wat ik hier met dezen heer te spreken heb! + +„Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen +avondboterham! Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel +te slecht gewerkt!” + +Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene. + +„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd? +Vertel!” + +„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een +afschuwelijk geval! Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op +weg naar huis. + +„Vier van hen sloeg ik neer. + +„De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau. + +„Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere verdediging een slag, +lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen. + +„Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen. +Ik voel mij ziek! Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat +thee voor mij zetten!” + +Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende +blikken naar hem keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem +staan, tikte hem met haar lorgnet op den schouder en sprak op zalvenden +toon: + +„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer +opwekken, zooals je dat al zoo vaak hebt gedaan?” + +Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker +weer krampachtig tegen de pijnlijke wang drukte: + +„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat +ik de zuivere waarheid spreek! + +„Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je +lieve handen als een barmhartige Samaritaan verplegen”. + +„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad +vermelden, opdat de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper +officier van het roemrijke Engelsche leger je bent! + +„O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik +steeds, dat je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een +geboren veldheer bent, dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent +als Kitchener en dat jouw genie Engeland de zege zal doen behalen over +het gehate Duitschland. + +„O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt +doorstaan! + +„Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de +wond, die je hebt opgedaan, verbinden. + +„O Harry, welk een held ben je!” + +Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om +de hulp in te roepen van den huisdokter. + +Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen +zij zag, dat hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn +wang, in den schommelstoel zat, zette zij de handen op de heupen en +riep: + +„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er +gebeurt? Waarom zit je daar in dien schommelstoel? + +„Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die +luie vuilpoets, die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van +luiheid! + +„Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid +aan te zetten?” + +Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij +scheen die beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de +schouders en bukte zich, in afwachting van de muilpeer. + +„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!” + +„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor +een held uit te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers +je in dezen toestand zagen, zou geen hunner schrijven: De Engelsche +Moltke is ontdekt. Het is kapitein McGovern, van de Iersche koninklijke +garde— + +„Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te +kijken! Er uit en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog +eens doen.” + +Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein +de kamer uit en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der +gang. + +Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat +hij een kom met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot +tijd den zakdoek doopte om er zijn gelaat mee te betten. + +Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly +Brand heen en weer liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe +blikken bekeken. + +Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand: + +„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!” + +Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer +stapte, die de woning binnenging. + +„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!” + +„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand. + +„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste +plaats had hij een verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg +hij een cylinder, die, behalve de Engelsche doktoren, niemand draagt. + +„Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen +dokter dadelijk herkennen aan de gewichtige gelaatsuitdrukking, +waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht te verbergen. + +„Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!” + +Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen, +vanwaar zij het huis nauwkeurig konden gadeslaan. + +Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend +en het kleine, armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de +hand. + +„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben +nieuwsgierig, of de dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft +voorgeschreven. Blijf hier eens zitten. + +„Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat +recept.” + +Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na. + +Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald. + +Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het +vermagerde, bleeke, hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij +kende de geheele lijdensgeschiedenis van het arme schepseltje. + +„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel +ongelukkiger uit dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde +schepsels, die ik ooit in de straten van Eastend of Whitechapel heb +gezien.” + +Vol medelijden wilde hij haar aanspreken. + +Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel +voor zijn voeten neer. + +Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg +haar de naastbijzijnde woning binnen. + +Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem, +voor water te zorgen. + +Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het +uitgeputte schepseltje. + +Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar +Raffles. + +„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem. + +„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de +apotheek gaan om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets +versterkends meebrengen. Je voelt je erg naar, nietwaar?” + +„Ja”, hijgde het meisje. + +„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder. + +„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan. + +„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij +verzocht den portier, ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand +lastig werd gevallen. + +Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek. + +Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij +aan het meisje gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en +beval haar, van het poeder, dat zich daarin bevond, elken dag een +lepeltje vol in een glas water te roeren en een eetlepel vol te nemen +van den flesch Tokayer. + +In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien. + +En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de +handen, waarin zij zich bevond. + +Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles +weerde haar met een snelle beweging af. + +Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar +zij zich zeer zwak gevoelde, tot aan de deur. + +Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam. + +De dokter was reeds heengegaan. + +Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly +Brand zat, merkte deze op, dat het gelaat van zijn vriend een +eigenaardige uitdrukking had. + +„Wat heb je?” vroeg hij. + +„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op +ernstigen toon. „Ik heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen, +een van die ongelukkige blanke slavinnen en verder heb ik den kapitein +een recept voorgeschreven, dat hem nog betere diensten zal bewijzen dan +de slag met den stok.” + +„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand. + +„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij +die zoo dikwijls op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende +straf te doen toekomen, kreeg ik het recept van den dokter in handen. + +„Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden. + +„Ik heb het recept nog in mijn zak. + +„In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een +eenigszins andere uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister. + +„Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking. + +„Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het +gelaat van den kapitein flink is opgezwollen. Mijn zalf zal hem +daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken lang mooi zal zijn. +Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten weer zal +tuchtigen. + +„Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.” + +„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend. + +„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle +stem wij op straat hoorden, geen blaren op de tong krijgt.” + +Plotseling sprong Raffles op. + +„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie +kunnen bijwonen!” + +Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van +den kapitein. + +Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje +verscheen, dat de deur opende en vroeg wat hij verlangde. + +„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij +verzocht mij, den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had +voorgeschreven.” + +„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje. + +„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den +donkeren achtergrond. Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie +er was. + +„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende. + +„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij +doet precies alsof hem een nieuw ongeluk was overkomen. + +„Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!” + +Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul. + +„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word +krankzinnig—men wil mij vermoorden!” + +Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit +geschreeuw hoorden. + +Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man: + +„Heb je je ingesmeerd?” + +„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon. + +„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal +reuzenblaren krijgen!” + +„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan +vreemde heeren. Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je +heldenmoed denken!” + +„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf +gegeven, ik word vermoord! Roep den dokter!” + +„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier +is de zalf! En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal +je uitkraamt, zal ik voor jouw oogen mijn heele gezicht ermee +insmeeren!” + +Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste +eksteroog. + +„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu +krijgt zij ook blaren!” + +In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde +de kapitein weer als een waanzinnige en riep om den dokter. + +Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg +hij gezelschap, want ook zijn vrouw begon. + +De zalf werkte uitstekend! + +Raffles hoorde haar schreeuwen: + +„Help! Harry! Help!” + +Daarop greep hij Charly’s arm. + +„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur +Baxter dit recept niet eens voor kan schrijven!” + +Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden +dokter ter hulp te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande +huisdeur bewees haar, dat er werkelijk een paar vreemde heeren in haar +huis waren geweest. + +Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met +Dr. Griffin. + +Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde +de telephoon. + +Hij nam de hoorn op en riep: + +„Hier Dr. Griffin, wie is daar?” + +„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!” + +De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand. + +„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem. + +„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?... hebt gij mijn naam nooit +gehoord?... John Raffles heet ik—verstaat gij mij nu?” + +„Jawel”, antwoordde de dokter, „wat wenscht gij?” + +„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug. + +„Het recept, dat gij kapitein McGovern hebt voorgeschreven, is in +gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij +geweest, een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het +tweetal van mij”. + +De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met +open mond naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij +opnieuw werd opgebeld. + +Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem +der kapiteinsvrouw, die in de grootste wanhoop riep: + +„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u +belieft!” + +Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de +woning van den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw +van het wanhopige echtpaar, zoodat het was, alsof alle katten en katers +uit de buurt een welluidend concert gaven. + + + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +TWEE TANDEN. + + +De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen +politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken +Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater +door te brengen. + +„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef. + +„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een +scheeven blik aanziende. + +„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken +niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.” + +Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet. + +Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef +stilstaan: + +„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel +genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die +lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —” + +Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste +avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de +inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien. + +„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het. + +Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens +verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig +spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem +strak aankeek. + +„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.” + +„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit. + +De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den +neus. + +„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!” + +„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd +je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat +je Raffles werkelijk hadt gezien.” + +De Vloo lachte luidkeels en riep: + +„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik +zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen +kosten.” + +„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen! +Gevangen nemen!” + +„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem +niet!” + +„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel +eens zal krijgen!” + +De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het +krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te +lezen. + +Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit, +evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen. + +Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst +voorhoofd aankeek. + +„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo +kinderachtig!” + +„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens +even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —” + +„Houd op met dien vervloekten Raffles!” + +„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste +streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —” + +Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij +verder sprak: + +„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!” + +„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt +gij toch voor nonsens!” + +Marholm hield zijn buik vast. + +„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!” + +Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere +wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in +de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie, +en Raffles. + +Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de +dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen. + +Met woedende blikken las hij het volgende: + + + „Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten + bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks + afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit: + + Raffles deelt ons mede— — —” + + +En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het +recept van den Ierschen kapitein. + +Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen, +kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring. + +Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn +kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt. + +Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en +sprak: + +„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den +grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!” + +„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij +niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig +aanhanger worden van Lord Lister.” + +Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den +ambtelijken plooi. + +„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik +heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.” + +„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze +Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren— +—een geniale kerel!” + +„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past +geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de +gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.” + +„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde +de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen +aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.— + +Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden, +zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het +Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had +gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar. + +Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne +bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche +garde bedreven beulswerk. + +Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in +de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te +knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over +Raffles’ daden. + +„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme, +kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul, +en het bij een nette familie onderdak brengen.” + +„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees +en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet +verlaten. Zou ze het nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen +en naar den ouden dienst terugbrengen”. + +„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is +het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik +van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust, +beste Charly!” + +„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het +toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen. +Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de +voorschriften zal kennen.” + +„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang +verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods +met geweld, in betere omstandigheden brengen.” + +Charly Brand haalde de schouders op en hernam: + +„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets +voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.” + +„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard +ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet +eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — — + +„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we +opbreken.”— + +Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want +er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op +den Hamilton Road begaf. + +Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens +iemand wakker was. + +Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles: + +„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik +ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever +hierdoor naar binnen gaan. + +„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit +het huis kom.” + +De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis +en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een +schutting was afgesloten. + +John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn +vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde +verdween. + +Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de +poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die +hem boven op het huis zou brengen. + +Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het +dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was. + +Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis +maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen +zien. + +Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de +aandacht te trekken. + +Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het +midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de +trap kon bereiken.— — — + +Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde! + +Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet +bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een +houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een +doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en +bleef onder aan de trap bewusteloos liggen. + +Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en +beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer. + +De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat +oogenblik hun pijnen vergaten. + +„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan +haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat. + +„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de +bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.” + +„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is +eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen +moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem +je revolver en ga naar de gang.” + +Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten. + +„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust +te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat +is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te +sluiten?” + +De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden: + +„Ik heb alles gesloten, Harry, maar... nu weet ik het!—Ik vergat het +dakvenster op zolder dicht te maken!... Harry, sta op! Door het +dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!” + +Maar de kapitein wilde niet. + +Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— — + +Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje +geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van +haar heer en gebieder het angstzweet stond. + +„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw +hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend. + +„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om +je te verdedigen?— — + +„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard! + +„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland, +die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen! + +„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den +inbreker dat je een held bent!” + +„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met +zwakke stem te antwoorden. + +Nu begon zij te krijschen: + +„Wat?... Wat?... Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd +met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik +een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!” + +Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de +revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar +de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer. + +Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een +waterkaraf. + +Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog +voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur. + +Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit. + +Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht +wederkeerig steun bij haar. + +Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen. + +Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John +Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen. + +„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend. + +„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem. + +Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine +dienstmeisje ook naderbij gekomen. + +Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind +van de gang. + +Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep: + +„Groote hemel, die arme man is dood!” + +Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en +vroeg: + +„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat +scheelt u?” + +Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed. + +Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar +steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij +sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw +los. + +„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een +waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug, +wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer. + +Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met +stoelen, tafels en andere meubelstukken. + +Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was, +stond een oogenblik sprakeloos. + +Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg +ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken. + +In den hoek onder de trap hing een waschlijn. + +Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen +Raffles tot een pakje samen te binden. + +Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur +en schreeuwde: + +„Doe open! Doe open!” + +„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij! +Spaar mijn leven!” + +„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers! +Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem +met de waschlijn vastgebonden!” + +„Is dat werkelijk waar?” + +„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu +de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.” + +„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?” + +„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een +bijl en sla ze stuk!” + +„Heeft hij je geen kwaad gedaan?” + +„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos +neer. Kom hier, Harry! Kom hier!” + +Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat +hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk. + +Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid +had gesproken. + +Nu kwam zijn moed terug. + +Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep: + +„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer +ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je +neer!” + +Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor. + +Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één +enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— — +—hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig. + +Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren +en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water. + +„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem +gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!” + +En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen, +schoot de kapitein zijn revolver op hem af. + +Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein: + +„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!” + +„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers, +dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een +ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!” + +„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal +ik hem eens anders toonen!” + +In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde +vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar +geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij +sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam. + +„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein, +terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam. + +Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon +doen dan zich bedaard te houden. + +„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!” + +Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie. + +„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?” + +Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en +wijsvinger en hield het in de hoogte: + +„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den +gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de +vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee +tanden!” + +„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg +mevrouw verbaasd. + +„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon. + +„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een, +toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet +gezien?” + +„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn +oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?” + +„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik +heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die +beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche +regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand +het waagt zich met mij te meten. + +„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste +plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn +geheele gebit verloren. + +„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn +liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — — + +„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij +sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.” + +Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen. + +„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste +roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd +rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den +naam: Eulalia!” + +Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein +rillend en bevend naar haar man. + +Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand +de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson. + +Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg: + +„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?” + +„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van +zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in +goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt. + +„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen en jou de andere +aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een +herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!— + +„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die +souvenirs benijden.— — + +„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn +revolvers bewaak en roep de politie.” + +Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het +dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven, +terwijl Raffles haar toefluisterde: + +„Maak de huisdeur open!” + +Hij had zich niet in het meisje vergist. + +In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel +van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had +gegeven. + +Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar +de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het +naaste politiebureau waarschuwde. + +John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak +bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een +geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde. + +In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly +Brand afgesproken fluitsignaal hooren. + +Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de +overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde +met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis. + +Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand. + +„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds +opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is, +hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!” + +Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den +grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende +knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp +Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door, +waarmede Raffles gebonden was. + +Dit alles speelde zich af in een paar seconden. + +Eindelijk was de Groote Onbekende vrij. + +Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje +bij den arm en sprak: + +„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik +neem je mee!” + +„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op +de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!” + +Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide +vreemde heeren met haar voorhadden. + +„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit +slechte handen redden.” + +Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten. + +Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe: + +„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag +leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig +creatuur!” + +Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend, +het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker, +terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de +ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond. + +Nu naderde ook reeds de politie. + +„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de +manschappen aanvoerde. + +„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern. + +„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee +tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!” + +Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen +buit te bekijken. + +„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige +oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons +niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten. + +„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?” + +„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw. + +„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten +toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze +schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!” + +„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als +altijd te laat gekomen!” + +„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten +wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!” + +„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de +huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een +revolver onder den neus duwt?” + +„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem +bevrijd!” + +„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik +met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem +gevlucht. + +„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het +ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— — +—” + +Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden +hun ooren niet gelooven! + +„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van +u gestolen?” + +„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon, +„een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als +een ekster!” + +„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij +blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!” + +„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder. + +„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder +dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man? +En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die +narigheid denken!” + +„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de +sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!” + +Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn. + +Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd. + +Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den +sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid, +terwijl haar stem oversloeg: + +„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw +vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein +Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke +garde in den Tower! + +„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn +hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen! + +„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond +zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was +alles onecht) dan het dienstmeisje.” + +De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die +op den achtergrond stond, merkte op: + +„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het +tafelzilver en de beurs van den kapitein.” + +„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft +200 pond sterling gekost!” + +„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel +niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de +eenige parel, die hier te vinden was. + +„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer +gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan +even handig met hem omgaan als gij!” + +„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te +vervelen. + +Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende +verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden: + +„Waar is Raffles? Waar is Raffles?” + +Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een +toestel voor magnesiumlicht. + +Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’ +gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen +was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen. + +De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem +volgden verscheiden andere. + +Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers +uitgezonden. + +De sergeant van politie lachte spottend en sprak: + +„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang +vandoor!” + +„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times. + +„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten. + +De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het +eerst waren geweest. + +„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van +onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en +wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen! + +„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die +twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.” + +Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar +hun bureau terug. + +Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn +woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles, +wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden: + +„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht +nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!” + +Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met +hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun +redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren +tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern +en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te +krijgen. + + + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HET GESTOLEN DIENSTMEISJE. + + +Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab +genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden. + +Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon +van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen, +welke Lord Lister tot haar richtte. + +Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen. + +Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare +inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met +rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood. + +„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik +herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je +morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de +stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren +kennen dan tot dusverre. + +„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?” + +„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar, +toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis. + +„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het +bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen. + +„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden +dienst verlost zou worden. + +„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het +zwaarste werk verrichten!” + +„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger +schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen. +Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren? +Heb je soms slecht geleerd op school?” + +„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind. +Hij haatte mij!” + +„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man +daartoe?” + +Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek +bedeesd voor zich. + +Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met +den weesvader. + +Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar +schouder en vroeg: + +„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?” + +„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje. + +„Een nette kerel!” lachte Charly Brand. + +„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles. + +„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen +altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—” + +Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos +bedekt. + +„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen, +die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat +zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?” + +„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den +weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en +opgesloten zijn!” + +„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?” + +Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken. + +„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende +vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje. + +Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en +antwoordde: + +„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—” + +„Nu, en toen?” + +„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem terug. Toen begon hij +vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou +nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij +had het zoo goed met mij gemeend! + +„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!” + +Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg: + +„Heb je geen familie in Londen?” + +„Niemand, sir!” + +„En hoe heette je vader?” + +„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje. + +„En je moeder?” + +„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de +City.” + +„Sprak zij nooit over je vader?” + +„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij +die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel +voorname familie was.” + +John Raffles floot zachtjes. + +Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken. + +„Waar zijn die portretten gebleven?” + +„In het weeshuis.” + +„Weet je dat zeker?” + +„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een +klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de +politie er mij bracht. + +„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien +jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!” + +„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?” + +„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den +naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.” + +„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe +zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den +nacht bij die menschen doorbrengen. + +„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.” + +Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige +inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op. + +Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een +nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer. + +„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen +en weer loopen van zijn vriend keek. + +„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe +ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en +weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen. + +„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te +keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt. + +„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen +schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient +dan die Iersche kapitein. + +„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen. +Heb je lust, met mij mee te gaan?” + +„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van +den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.” + +„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een +bad had genomen.” + + + +Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis, +dat midden in de City lag, naderden. + +„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in +het gebouw wilt doen.” + +„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl +hij aan de bel trok om den portier te wekken. + +Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een +onvriendelijke stem riep: + +„Wie is daar?” + +„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader +dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!” + +Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een +oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen. + +Hij hield een lantaarn in de hand. + +„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den +portier eenige shillingstukken in de hand drukte. + +De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het +gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach +sprak hij: + +„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons +zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”. + +En op vertrouwelijken toon fluisterde hij: + +„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner thuis gekomen +en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!” + +Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange, +met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader. + +De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in +een net ingerichte vestibule. + +Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te +nemen. + +Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan. + +Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van +een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden. + +Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam +Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur. + +Dit scheen te helpen. + +Een slaapdronken stem in de kamer vroeg: + +„Wat is er?” + +„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!” + +„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden. + +„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?” + +Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon: + +„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!” + +Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe +iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken. + +Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader +stond met lijkbleek gelaat op den drempel. + +„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen. + +Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had. + +„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles, +„het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in +dienst is gekomen bij kapitein McGovern”. + +„Wat is er met het meisje?” + +Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader, +toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was. + +„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en +hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende +akten noodig”. + +„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?” + +„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die +documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”. + +De weesvader ging een stap achteruit. + +„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?” + +„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor, +nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke +toebehooren aan Anna Marie Thomson”. + +Angstig vroeg de weesvader: + +„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?” + +Raffles haalde de schouders op. + +Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon: + +„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!” + +Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde +de Groote Onbekende hem toe: + +„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!” + +De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde: + +„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet +uitgaan!” + +„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet +meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!” + +De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en +Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar +uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket +met de brieven en portretten te halen. + +Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak, +terwijl hij Charly Brand de documenten gaf. + +Daarop sprak hij tot den weesvader: + +„Vooruit! Er is haast bij!” + +„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden. + +„Dat behoeft niet in den nacht.” + +„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens +kousen.” + +„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en +opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels +maar afnemen.” + +Voordat de beambte een afwerende beweging kon maken, had Raffles zijn +bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn +afzakkende pantalon vasthouden. + +Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht. + +Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen, +door te vragen: + +„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?” + +„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je +brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!” + +Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de +huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten. + +Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen +als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe +een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon: + +„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een +beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!” + +Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en +hij zuchtte: + +„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten +sleept midden in den nacht!” + +Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep: + +„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik +geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een +geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange +tuchthuisstraf wordt veroordeeld! + +„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het +politiebureau!” + +De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen +de arrestant werd binnengebracht. + +Lord Lister groette kortaf. + +Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde +hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als: +detective Johnson van Scotland Yard. + +De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende +bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en +bekwaamheid. + +„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk +protocol op te maken van het verhoor.” + +„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar +Scotland Yard?” vroeg de officier van politie. + +„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een +tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis. + +„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de +bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op +papier te brengen!” + +„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn +secretaris binnen. + +„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon, +terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den +goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult +gij een zachte straf krijgen.” + +De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met +de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn +gelaat. + +Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles +overvallen en dus op niets voorbereid geweest. + +Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven, +bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had +gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had +gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen. + +Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes +werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te +worden. + +De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en +sprak tot Raffles: + +„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den +kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten +transporteeren!” + +„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van +mij mee te geven aan inspecteur Baxter.” + +De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een +dienstcouvert en schreef daarop: + + + „Aan den heer Inspecteur Baxter, + + Scotland Yard.” + + +Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op +en sloot het in het couvert. + +Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen. + +Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem: + +„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval +is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!” + +„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles. + +„Allright!” + +Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar +Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid +heen en weer liep. + +Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in +Hydepark. + +Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn +studeerkamer stond. + +Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op +zijn schrijftafel en sprak: + +„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een +afgezakte pantalon laten loopen. + +„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten +bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde +dienstmeisje is.” + +Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks +had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij +sprong verbaasd op en riep: + +„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar +zijn!” + +Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn +schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak +photographieën te voorschijn. + +Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een +portret in cabinetformaat. + +„Lees eens Charly, wat hier staat.” + + + „Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het + Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke + campagne in Afrika. + + In trouwe vriendschap + + Lord Cramesford.” + + +Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven: + + + „Gevallen in den slag bij Ladysmith”. + + +Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem +een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje +overhandigde. + +Vol verbazing riep Charly uit. + +„Dat is hetzelfde portret!” + +Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven, +stond hierop: + + + „Aan mijn lieve, dierbare Anny, + + van haar trouwen + Lord Robert Cramesford”. + + +„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen. + +„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het +werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer +te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde +dingen, waartoe ik gebracht word. + +„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de +slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend +uit mijn jeugd. + +„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het +dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken +smadelijken veldtocht mee moesten maken. + +„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde +voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval +een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken +zou ordenen. + +„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld. + +„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond +uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de +universeele erfgenaam is geworden. + +„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde. + +„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die +blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen. + +„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste +inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn +dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn +voorbijgegaan. + +„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben +uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou +misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige +geval er mij niet levendig aan had herinnerd.” + +„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand. +„Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je +leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze +wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein moest door jou gestraft +worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het +arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen +met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren! +Eigenlijk is— — —” + +John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn +schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden +vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door +Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven. + +De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in +den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was +geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig +huwelijk. + +Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen, +om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het +geliefde meisje te kunnen huwen. + +Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en +uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten, +kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit +elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van +den jongen edelman. + + + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +DE WEESVADER IN VERHOOR. + + +Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur +van politie Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van +Scotland Yard. + +Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk +door op deze wijze. + +Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap. + +Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „Lustige Witwe” +had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène +speelde met de schoone weduwe. + +Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep: + +„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar +juist den weesvader van de stad Londen als gevangene af.” + +Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de +Vloo aan en antwoordde: + +„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als +gevangene in Scotland Yard?” + +„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan +sommige van zijn collega’s op het vasteland!” + +Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de +woorden: + +„Ben je klaar met je preek?” + +„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader +zelf, die hiernaast in de kamer is. + +„Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens +prikkellectuur leest. Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes +is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke boeken geen misdadigers maken!” + +„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is +met dien weesvader.” + +„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds +een bekentenis afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!” + +„Wie heeft hem gevangen genomen?” + +„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die +hem op het bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is +hij!” + +Hij overhandigde Baxter het couvert. + +Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit. + +Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij +uitte een vloek en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij. + +„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend. + +Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge. + +Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en +kermde: + +„Raffles!—Raffles!” + +„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel +las hij het en riep toen luidkeels lachend uit: + +„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie +aanvragen voor John Raffles. + +„Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten +van Scotland Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij +gelezen, wat Raffles schrijft?” + +„Neen, neen,” zuchtte Baxter. + +„Luister dan. Hij schrijft: + + + „Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed + exemplaar der menschelijke boosdoeners, zooals de phantasie van een + schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. Hij is weesvader + van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij + een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid! + + Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de + strafgevangenissen, blijf ik met voortdurende hoogachting voor u en + uw werk, + + JOHN C. RAFFLES.” + + +Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne +Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar +heen draaide. + +De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte +tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een +fijnproever van zijn tabak. + +Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak +hij: + +„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man +niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een +dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze +verzameling te completeeren.” + +Baxter riep op woedenden toon: + +„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om, +dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij +zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn +oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de +wereld heeft geblameerd. + +„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan +deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in +vrijheid was gebleven!” + +„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons +beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan +beambte van politie zijn!” + +De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en +weer. + +„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den +honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!” + +De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde: + +„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo +onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is +heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten +spelen!” + +„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik +morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen +als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest +geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een +genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor +mijn persoon aan den dag te leggen”. + +„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor +u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!” + +„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer +hooren!” + +„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren +van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf +wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”. + +De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet +had verstaan en op diens vraag: + +„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze: + +„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!” + +„Hier wordt niet gedacht!” + +„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo. + +„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu +de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik +eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”. + +„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees +daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op +welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men +geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man +van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!” + +„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen, +waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!” + +„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in +ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een +blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen +en verachten! + +„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij +beiden bijzonder goed kunnen gebruiken. + +„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van +verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het +Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”. + +„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het +dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel +wat anders te doen!” + +„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen: +„Dan slaapt men!” + +„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen +resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel +Londen omverpraat... + +„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”. + +Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging +daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van +twee politie-agenten, op zijn verhoor. + +Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den +arrestant vol minachting aan en sprak: + +„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u +eindelijk gevangen hebben genomen”. + +De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig. + +„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde +Baxter. + +„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in +hechtenis heeft genomen.” + +„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?” + +Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene +haperend en op huilenden toon: + +„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”. + +„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te +spreken!” schreeuwde Baxter. + +„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt +gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en +later hebt gij er spijt van! + +„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo +dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen! + +„Maar......”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij +vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij, +politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met +Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij +behoort! + +„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het +tegen mij heeft uitgehouden!” + +„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde. + +De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel +niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot +een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook +gekleurde tanden kon zien. + +„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier +zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten +tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —” + +Hij zweeg en de Vloo vulde aan: + +„Dan ontslaat gij mij!” + +„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op +zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die +tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven. + +„De weesvader van— — —” + +„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!” + +„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?” + +Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo: + +„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben +gevonden. Want— —” + +Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder. + +„...... In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij +verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan +schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op +te zuigen.” + +Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en +terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen, +schreeuwde hij tot Marholm: + +„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den +leverancier. Ik maak ze niet!” + +„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal +onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!” + +Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu +het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren. + +Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de +inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk +de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter. + +Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht. + + + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +HAAR VADER. + + +Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan +over de nieuwste gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den +weesvader en ook op het gebeurde met de tanden van den Grooten +Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde, betrekking +hadden. + +Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn +woorden ongewijzigd weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen. + +De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en +bespotten hem, daar hij eindelijk zijn meester had gevonden. + +Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te +rusten—aan de ontbijttafel kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een +pak couranten naar hem toe en riep: + +„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou +op allerlei manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want, +zooals hier in de Times staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan +de reporters verteld, dat hij een ervan als trophee aan zijn +horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche voor zijn +vrouw wordt gemaakt.” + +Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het +artikel zou opwinden. In plaats hiervan echter lachte deze en zei: + +„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo +hongerig als een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt +gezorgd.” + +„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan +tafel ging zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op +het spel!” + +„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch +alleen die van den kapitein.” + +„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet +je eerlijk zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou +heeft openbaar gemaakt, geen Londensche straatjongen meer respect voor +je zal hebben. + +„In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden. + +„Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al +tot eerelid benoemd. De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen, +zich jouw tanden laten toonen en hem voor zijn heldendaad een hooge +onderscheiding gegeven.” + +„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er +overigens voor nieuws? Staat er iets over den weesvader in de krant?” + +„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij +degene bent, die den kerel ontmaskerd hebt!” + +„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?” + +„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland +Yard!” + +„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft +zich ditmaal weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem, +dat hij per slot van rekening toch weer de kous op den kop zal krijgen. + +„Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem +omgaan en ik hoop van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie +zal blijven. + +„Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent +de eigenlijke toedracht der zaken openbaar maken. + +„Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen, +dat hij mij een onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets +dergelijks voor mijn tanden wordt uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn +mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!” + +Charly Brand lachte vroolijk en sprak: + +„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?” + +„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles. + +„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er +vannacht al over, op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!” + +Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde +op zijn gemak in zijn fauteuil achterover. + +Hij dacht eenige seconden na en rookte. + +Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— — + +Eindelijk stond Raffles op en sprak: + +„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar +voorstellen aan haar grootvader, Lord Cramesford.” + +Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug. + +De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in +betrekking was en die zijn huishouding bestuurde, had haar een +eenvoudige, maar keurige japon gekocht, zoodat Lord Lister verbaasd +opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het meisje nu +maakte. + +Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak: + +„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat +je je beter voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op +krachten zijn gekomen. Heb je nog iets op je hart?” + +„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem. + +„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.” + +Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde: + +„Ik weet niet, wat u bedoelt.” + +„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?” + +Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met +trillende lippen sprak zij: + +„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen...” + +„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop +de photographie lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had +gegeven. + +Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of +zij uitte een blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar +lippen. + +Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit: + +„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!” + +John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij +tot haar: + +„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?” + +„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!” + +„Lees eens, wat op het portret staat!” + +Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door +Raffles gemaakte aanteekening omtrent het overlijden. + +Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer, +terwijl zij krampachtig snikte. + +John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem: + +„Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood +beloofde ik je vader plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen +flauw vermoeden had, op dezelfde wijze te zorgen als hijzelf. + +„Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben +geweest en dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!” + +Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem +neerknielende, greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen. + +John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug. + +Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag. + +Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij haar op, zette haar +in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken. + +Na een lange pauze vervolgde Lord Lister: + +„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je +zijn naam nooit had gehoord.” + +„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te +zien, lette ik niet op den inhoud van het geschrevene.” + +„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde +regiment. + +„Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der +meest geachte.” + +John Raffles zweeg. + +In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een +beeldschoone, eenigszins lichtzinnige jonge man, die echter een hart +van goud had gehad en geen vlieg ooit kwaad had gedaan. + +„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader +hooren!” smeekte Anna Marie. + +„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie +behoort nu nog tot de meest gegoede van Engeland. + +„Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is +kamerheer van den koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan +opzoeken en hoop, dat de oude heer jou, het eenige kind van zijn +jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken en tot zich +nemen.” + +Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek. + +John Raffles zag dit en vroeg: + +„Waarover maak je je ongerust?” + +„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den +ouden Lord. Laat mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken. + +„De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft +tegen mij gezegd, toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en +handig ben!” + +„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het +uitstekende ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename +van een Lord, zou ik je voorstel dadelijk aannemen!” + +„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij +hebt mijn vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen +Lady, ik ben maar een dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de +keuken bezig te zijn.” + +„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je +wensch niet vervullen. Zelfs al zou de oude Lord je niet willen +erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady laten opvoeden en evengoed +voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou je willen +hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?” + +Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje: + +„Neen, neen, een belofte moet men houden!” + +„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne +nemende, „moet je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een +voornaam Engelsch officier, zou van zijn dochter nooit een dienstmeisje +hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij mee.” + +Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje +gadegeslagen. + +De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat +Raffles de kamer verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol +ontroering: + +„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—” + +Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde: + +„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den +Bijbel, dat luidt: „Bemin je naasten als jezelf!” + +„Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar +handelden, maar—helaas—” + +En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug, +nam de kranten op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd +met lezen te verdrijven, en zuchtte: + +„Helaas!” + + + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +TAND OM TAND. + + +Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug. + +Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven. + +Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een +heftigheid, die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan, +terwijl hij riep: + +„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de +wereld verdwenen was!” + +„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging +zitten en, om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak. + +Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij: + +„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de +manier, waarop die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde, +mij, den eenigen vriend van zijn oudsten zoon, was schandelijk! + +„Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en +wees mij met het arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam +vragen, de deur”. + +Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het +hoofd. + +Na eenige seconden vroeg hij: + +„En wat denk je nu te doen?” + +John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei: + +„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van +haar grootvader, een nette opvoeding kan laten geven. + +„Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het +vaderlijke erfdeel toevertrouwen!— + +„Wat zeggen de avondbladen, Charly?” + +„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”. + +Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad +geworpen of hij riep lachend uit: + +„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen +als water! De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van +musea, gekke Amerikanen en nog een massa andere menschen, den kapitein +ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben geboden”. + +„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op +welke wijze jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!” + +John Raffles lachte opnieuw en antwoordde: + +„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”. + +Charly vroeg op verbaasden toon: + +„Wil jij je tanden verkoopen?” + +„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan, +dat de dochter van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van +Engeland zal worden”. + +„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?” + +Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en +antwoordde: + +„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie +naar de kranten en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve +bladzijde beslaan. + + + TANDEN VAN RAFFLES + + biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan! + + Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein McGovern + heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten + behoeve van liefdadige doeleinden aan de meestbiedenden door + notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen. + + Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot + dezen wenden. + + +„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten +bezorgen en meteen notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige +van mijn tanden zal sturen, die hij tegen de hoogste prijzen aan +liefhebbers moet verkoopen!— + +„Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar +een paar dozijn porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet +je mij brengen. Ik zal ze met een brief aan Smithson zenden. + +„Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen +enkele tandarts in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik +zal ze alle hebben verbruikt”. + +Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en +blijft een genie!” + +John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg: + +„Heb je daar ooit aan getwijfeld?” + +Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak: + +„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden +eens keurig netjes in orde! + +„Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.” + + + +Kapitein McGovern zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper, +toen het nieuwe dienstmeisje hem een visitekaartje bracht met de +woorden: + +„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.” + +Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel. + +De kapitein stond op en sprak: + +„Breng den journalist hier!” + +Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten, +meerendeels familieleden van zijn vrouw: + +„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover +dezen heer, want hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde, +een mensch, die door zijn woorden iemand tot een beroemdheid kan maken. +Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.” + +Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant +gekleed heer, de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten +zich tot den kapitein wendde: + +„Ik ben de vertegenwoordiger van de New-York Herald en kreeg bevel van +mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke +geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen +mededeelen. Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze +aangelegenheid verzenden.” + +Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den +honderdsten keer in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over +den bokserslag en zijn zege over Raffles. + +„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden! +Een heb ik aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan +haar armband!” + +„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op +bescheiden toon. + +Opnieuw boog McGovern gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak: +„Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!” + +„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan +de tand hing, in diamanten gevat. + +Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan +het horloge was bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden +verslaggever. + +Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak: + +„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!” + +„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg: + +„Hoe kent gij ze?” + +„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en +scherp, „ik zal mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —” + +Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin: + +„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde +en opdat gij de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als +souvenir achterlaten! + +„Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie +het titelblad.) + +Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een +woord te zeggen, week de kapitein voor Raffles terug. + +Als verlamd zaten de gasten om de tafel. + +Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een +geweldige vuistslag neer op het gelaat van McGovern, zoodat zijn valsch +gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel. + +„Tand om tand!” herhaalde John Raffles. + +Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende +buiging voor de gasten en sprak: + +„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!” + +Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles +verdwenen. + +Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie +geschreeuwd en het duurde niet lang of van het politiebureau in +dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis binnen. + +Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was. + +Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en +begrepen, dat de held van de Iersche garde alles gelogen had. + +„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets +was gebeurd. Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde +advertentie. Daarin stond, dat John Raffles zijn tanden had +teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende +zou laten verkoopen.” + +„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den +kapitein. + +„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!” +jammerde McGovern. + +Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis. + + + +Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen +honderden personen, wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar +tanden van Raffles, kon antwoorden: + +„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij +zelf gestuurd— —” + +Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000 +pond sterling voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend: + +„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!” + +John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht +aan de Engelsche pers: + +„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten +verzekeren, dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal +nu vragen of de tanden werkelijk uit mijn mond kwamen. + +„Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit +alleen kapitein McGovern van de Iersche garde. + +„Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van +zoo’n held van den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding +laat behouden, die ik den kapitein heb ontnomen.” + + + +Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij: + +„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren! + +„Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de +zes gebochelde hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien, +dat ik van goede scherts houd en er dankbaar voor ben, dat hij mij van +zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord Edward Lister, genaamd John +C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein heeft +afgenomen.” + +Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij +zuchtend tot de vloo: + +„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de +Groote Onbekende, John C. Raffles willen zijn!” + + + + + + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 *** diff --git a/78378-h/78378-h.htm b/78378-h/78378-h.htm new file mode 100644 index 0000000..0ab8605 --- /dev/null +++ b/78378-h/78378-h.htm @@ -0,0 +1,4363 @@ +<!DOCTYPE HTML> +<!-- This HTML file has been automatically generated from an XML source on 2026-04-06T15:49:15Z using SAXON HE 9.9.1.8 . --> +<html lang="nl"> +<head> +<title>Lord Lister No. 45: Het gestolen dienstmeisje | Project Gutenberg</title> +<meta charset="utf-8"> +<meta name="generator" content="tei2html.xsl, see https://github.com/jhellingman/tei2html"> +<meta name="author" content="Kurt Matull (1872–1920)"> +<meta name="author" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]"> +<link rel="coverpage" href="images/lordlister0045-front.jpg"> +<link rel="icon" href="images/lordlister0045-front.jpg" type="image/x-cover"> +<meta name="DC.Title" content="Lord Lister No. 45: Het gestolen dienstmeisje"> +<meta name="DC.Creator" content="Kurt Matull (1872–1920)"> +<meta name="DC.Creator" content="Theo von Blankensee [Pseudoniem van Mathias Blank (1881–1928)]"> +<meta name="DC.Contributor" content="Alfred Gustav Christian Roloff (1879–1951)"> +<meta name="DC.Language" content="nl-1900"> +<meta name="DC.Format" content="text/html"> +<meta name="DC.Publisher" content="Project Gutenberg"> +<meta name="DC:Subject" content="Detective and mystery stories -- Periodicals"> +<meta name="DC:Subject" content="Dime novels -- Periodicals"> +<style> /* <![CDATA[ */ +html { +line-height: 1.3; +} +body { +margin: 0; +} +main { +display: block; +} +h1 { +font-size: 2em; +margin: 0.67em 0; +} +hr { +height: 0; +overflow: visible; +} +pre { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +a { +background-color: transparent; +} +abbr[title] { +border-bottom: none; +text-decoration: underline; +} +b, strong { +font-weight: bolder; +} +code, kbd, samp { +font-family: monospace; +font-size: 1em; +} +small { +font-size: 80%; +} +sub, sup { +font-size: 67%; +line-height: 0; +position: relative; +vertical-align: baseline; +} +sub { +bottom: -0.25em; +} +sup { +top: -0.5em; +} +img { +border-style: none; +} +body { +font-family: serif; +font-size: 100%; +text-align: left; +margin-top: 2.4em; +} +div.front, div.body { +margin-bottom: 7.2em; +} +div.back { +margin-bottom: 2.4em; +} +.div0 { +margin-top: 7.2em; +margin-bottom: 7.2em; +} +.div1 { +margin-top: 5.6em; +margin-bottom: 5.6em; +} +.div2 { +margin-top: 4.8em; +margin-bottom: 4.8em; +} +.div3 { +margin-top: 3.6em; +margin-bottom: 3.6em; +} +.div4 { +margin-top: 2.4em; +margin-bottom: 2.4em; +} +.div5, .div6, .div7 { +margin-top: 1.44em; +margin-bottom: 1.44em; +} +.div0:last-child, .div1:last-child, .div2:last-child, .div3:last-child, +.div4:last-child, .div5:last-child, .div6:last-child, .div7:last-child { +margin-bottom: 0; +} +blockquote div.front, blockquote div.body, blockquote div.back { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.divBody .div1:first-child, .divBody .div2:first-child, .divBody .div3:first-child, .divBody .div4:first-child, +.divBody .div5:first-child, .divBody .div6:first-child, .divBody .div7:first-child { +margin-top: 0; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .h1, .h2, .h3, .h4, .h5, .h6 { +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .h3 { +font-size: 1.2em; +} +h3.label { +font-size: 1em; +margin-bottom: 0; +} +h4, .h4 { +font-size: 1em; +} +.alignleft { +text-align: left; +} +.alignright { +text-align: right; +} +.alignblock { +text-align: justify; +} +p.tb, hr.tb, .par.tb, li.tb { +margin: 1.6em auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument, .par.argument, .par.note, .par.tocArgument { +font-size: 0.9em; +text-indent: 0; +} +p.argument, p.tocArgument, .par.argument, .par.tocArgument { +margin: 1.58em 10%; +} +.opener, .address { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline { +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline { +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed { +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph { +font-size: 0.9em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl { +display: block; +text-align: right; +} +.trailer { +clear: both; +margin-top: 3.6em; +} +span.abbr, abbr { +white-space: nowrap; +} +span.parNum { +font-weight: bold; +} +span.corr, span.gap { +border-bottom: 1px dotted red; +} +span.num, span.trans { +border-bottom: 1px dotted gray; +} +span.measure { +border-bottom: 1px dotted green; +} +.ex { +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc { +font-variant: small-caps; +} +.asc { +font-variant: small-caps; +text-transform: lowercase; +} +.uc { +text-transform: uppercase; +} +.tt { +font-family: monospace; +} +.underline { +text-decoration: underline; +} +.overline, .overtilde { +text-decoration: overline; +} +.rm { +font-style: normal; +} +.red { +color: red; +} +hr { +clear: both; +border: none; +border-bottom: 1px solid black; +width: 45%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +margin-top: 1em; +text-align: center; +} +hr.dotted { +border-bottom: 2px dotted black; +} +hr.dashed { +border-bottom: 2px dashed black; +} +.aligncenter { +text-align: center; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +font-size: 1.44em; +line-height: 1.5; +} +h1.label, h2.label { +font-size: 1.2em; +margin-bottom: 0; +} +h5, h6 { +font-size: 1em; +font-style: italic; +} +p, .par { +text-indent: 0; +} +p.firstlinecaps:first-line, .par.firstlinecaps:first-line { +text-transform: uppercase; +} +.hangq { +text-indent: -0.32em; +} +.hangqq { +text-indent: -0.42em; +} +.hangqqq { +text-indent: -0.84em; +} +p.dropcap:first-letter, .par.dropcap:first-letter { +float: left; +clear: left; +margin: 0 0.05em 0 0; +padding: 0; +line-height: 0.8; +font-size: 420%; +vertical-align: super; +} +blockquote, p.quote, div.blockquote, div.argument, .par.quote { +font-size: 0.9em; +margin: 1.58em 5%; +} +.pageNum a, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover, a.hidden:hover, a.hidden { +text-decoration: none; +} +.advertisement, .advertisements { +background-color: #FFFEE0; +border: black 1px dotted; +color: #000; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +span.accent { +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.accent, span.accent span.top, span.accent span.base { +line-height: 0.40em; +} +span.accent span.top { +font-weight: bold; +font-size: 5pt; +} +span.accent span.base { +display: block; +} +.footnotes .body, .footnotes .div1 { +padding: 0; +} +.fnarrow { +color: #AAAAAA; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +} +.fnarrow:hover, .fnreturn:hover { +color: #660000; +} +.fnreturn { +color: #AAAAAA; +font-size: 80%; +font-weight: bold; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +a { +text-decoration: none; +} +a:hover { +text-decoration: underline; +background-color: #e9f5ff; +} +a.noteRef, a.pseudoNoteRef { +font-size: 67%; +vertical-align: super; +text-decoration: none; +margin-left: 0.1em; +} +.externalUrl { +font-size: small; +font-family: monospace; +color: gray; +} +.displayfootnote { +display: none; +} +div.footnotes { +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep { +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote, .par.footnote { +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .fnlabel, .par.footnote .fnlabel { +float: left; +margin-left: -0.1em; +min-width: 1.0em; +padding-right: 0.4em; +height: 1ex; +} +.apparatusnote { +text-decoration: none; +} +.apparatusnote:target, .fndiv:target { +background-color: #eaf3ff; +} +table.tocList { +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +border-width: 0; +border-collapse: collapse; +} +td.tocText { +padding-top: 2em; +padding-bottom: 1em; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum { +text-align: right; +min-width: 10%; +border-width: 0; +white-space: nowrap; +} +td.tocDivNum { +padding-left: 0; +padding-right: 0.5em; +vertical-align: top; +} +td.tocPageNum { +padding-left: 0.5em; +padding-right: 0; +vertical-align: bottom; +} +td.tocDivTitle { +width: auto; +} +p.tocPart, .par.tocPart { +margin: 1.58em 0; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter, .par.tocChapter { +margin: 1.58em 0; +} +p.tocSection, .par.tocSection { +margin: 0.7em 5%; +} +table.tocList td { +vertical-align: top; +} +table.tocList td.tocPageNum { +vertical-align: bottom; +} +table.inner { +display: inline-table; +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +td.itemNum { +text-align: right; +min-width: 5%; +padding-right: 0.8em; +} +td.innerContainer { +padding: 0; +margin: 0; +} +.index { +font-size: 80%; +} +.index p { +text-indent: -1em; +margin-left: 1em; +} +.indexToc { +text-align: center; +} +.transcriberNote { +background-color: #DDE; +border: black 1px dotted; +color: #000; +font-family: sans-serif; +font-size: 80%; +margin: 2em 5%; +padding: 1em; +} +.missingTarget { +text-decoration: line-through; +color: red; +} +.correctionTable { +width: 75%; +} +.width20 { +width: 20%; +} +.width40 { +width: 40%; +} +p.smallprint, li.smallprint, .par.smallprint { +color: #666666; +font-size: 80%; +} +span.musictime { +vertical-align: middle; +display: inline-block; +text-align: center; +} +span.musictime, span.musictime span.top, span.musictime span.bottom { +padding: 1px 0.5px; +font-size: xx-small; +font-weight: bold; +line-height: 0.7em; +} +span.musictime span.bottom { +display: block; +} +audio { +height: 20px; +margin-left: 0.5em; +margin-right: 0.5em; +} +ul { +list-style-type: none; +} +.splitListTable { +margin-left: 0; +} +.splitListTable td { +vertical-align: top; +} +.numberedItem { +text-indent: -3em; +margin-left: 3em; +} +.numberedItem .itemNumber { +float: left; +position: relative; +left: -3.5em; +width: 3em; +display: inline-block; +text-align: right; +} +.itemGroupTable { +border-collapse: collapse; +margin-left: 0; +} +.itemGroupTable td { +padding: 0; +margin: 0; +vertical-align: middle; +} +.itemGroupBrace { +padding: 0 0.5em !important; +} +div.figure, div.figureGroup { +text-align: center; +} +table.figureGroupTable { +width: 80%; +border-collapse: collapse; +} +.figure, .figureGroup { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft { +float: left; +margin: 10px 10px 10px 0; +} +.floatRight { +float: right; +margin: 10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead, .par.figureHead { +font-size: 100%; +text-align: center; +} +.figAnnotation { +font-size: 80%; +position: relative; +margin: 0 auto; +} +.figTopLeft, .figBottomLeft { +float: left; +} +.figTopRight, .figBottomRight { +float: right; +} +.figure p, .figure .par, .figureGroup p, .figureGroup .par { +font-size: 80%; +margin-top: 0; +text-align: center; +} +img { +border-width: 0; +} +td.galleryFigure { +text-align: center; +vertical-align: middle; +} +td.galleryCaption { +text-align: center; +vertical-align: top; +} +tr, td, th { +vertical-align: top; +} +tr.bottom, td.bottom, th.bottom { +vertical-align: bottom; +} +td.label, tr.label td { +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td { +font-style: italic; +} +td.leftbrace, td.rightbrace { +vertical-align: middle; +} +span.sum { +padding-top: 2px; +border-top: solid black 1px; +} +table.inlineTable { +display: inline-table; +} +table.borderOutside { +border-collapse: collapse; +} +table.borderOutside td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +} +table.borderOutside .cell-head-top, table.borderOutside .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderOutside .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-left, table.borderOutside .cell-head-left { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderOutside .cell-right, table.borderOutside .cell-head-right { +border-right: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside { +border-collapse: collapse; +} +table.verticalBorderInside td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border-left: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-head-top, table.verticalBorderInside .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.verticalBorderInside .cell-left, table.verticalBorderInside .cell-head-left { +border-left: 0 solid black; +} +table.borderAll, +table.rtlBorderAll { +border-collapse: collapse; +} +table.borderAll td, +table.rtlBorderAll td { +padding-left: 4px; +padding-right: 4px; +border: 1px solid black; +} +table.borderAll .cell-head-top, table.borderAll .cell-top, +table.rtlBorderAll .cell-head-top, table.rtlBorderAll .cell-top { +border-top: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-head-bottom, +table.rtlBorderAll .cell-head-bottom { +border-bottom: 1px solid black; +} +table.borderAll .cell-bottom, +table.rtlBorderAll .cell-bottom { +border-bottom: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-left, +table.borderAll .cell-head-left { +border-left: 2px solid black; +} +table.borderAll .cell-right, +table.borderAll .cell-head-right { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cell-left, +table.rtlBorderAll .cell-head-left { +border-right: 2px solid black; +} +table.rtlBorderAll .cell-right, +table.rtlBorderAll .cell-head-right { +border-left: 2px solid black; +} +tr.borderTop td, tr.borderTop th, th.borderTop, td.borderTop { +border-top: 1px solid black !important; +} +tr.borderRight td, tr.borderRight th, th.borderRight, td.borderRight { +border-right: 1px solid black !important; +} +tr.borderLeft td, tr.borderLeft th, th.borderLeft, td.borderLeft { +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderBottom td, tr.borderBottom th, th.borderBottom, td.borderBottom { +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderHorizontal td, tr.borderHorizontal th, th.borderHorizontal, td.borderHorizontal { +border-top: 1px solid black !important; +border-bottom: 1px solid black !important; +} +tr.borderVertical td, tr.borderVertical th, th.borderVertical, td.borderVertical { +border-right: 1px solid black !important; +border-left: 1px solid black !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.borderAll { +border: 1px solid black !important; +} +tr.noBorderTop td, tr.noBorderTop th, th.noBorderTop, td.noBorderTop { +border-top: none !important; +} +tr.noBorderRight td, tr.noBorderRight th, th.noBorderRight, td.noBorderRight { +border-right: none !important; +} +tr.noBorderLeft td, tr.noBorderLeft th, th.noBorderLeft, td.noBorderLeft { +border-left: none !important; +} +tr.noBorderBottom td, tr.noBorderBottom th, th.noBorderBottom, td.noBorderBottom { +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderHorizontal td, tr.noBorderHorizontal th, th.noBorderHorizontal, td.noBorderHorizontal { +border-top: none !important; +border-bottom: none !important; +} +tr.noBorderVertical td, tr.noBorderVertical th, th.noBorderVertical, td.noBorderVertical { +border-right: none !important; +border-left: none !important; +} +tr.borderAll td, tr.borderAll th, th.borderAll, td.noBorderAll { +border: none !important; +} +.cellDoubleUp { +border-width: 0 !important; +width: 1em; +} +.cellDummy { +border-width: 0 !important; +} +td.alignDecimalIntegerPart { +text-align: right; +border-right: none !important; +padding-right: 0 !important; +margin-right: 0 !important; +} +td.alignDecimalFractionPart { +text-align: left; +border-left: none !important; +padding-left: 0 !important; +margin-left: 0 !important; +} +td.alignDecimalNotNumber { +text-align: center; +} +table.alignedText, table.alignedVerse { +border-collapse: collapse; +width: 100%; +} +table.alignedText td.first, table.alignedText td.second { +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedVerse { +vertical-align: top; +} +table.alignedText td.first, table.alignedVerse td.first { +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedText td.second, table.alignedVerse td.second { +padding-left: 10px; +} +table.alignedVerse td.first, table.alignedVerse td.second { +width: 45%; +} +table.alignedVerse td.lineNumbers { +width: 10%; +} +td.alignedDiv1 { +padding-top: 5.6em; +} +td.alignedDiv2 { +padding-top: 4.8em; +} +td.alignedDiv3 { +padding-top: 3.6em; +} +td.alignedDiv4 { +padding-top: 2.4em; +} +td.alignedDiv5, td.alignedDiv6, td.alignedDiv7 { +padding-top: 1.44em; +} +table.alignedText p:not(.first) { +margin-top: 0; +} +.alignedVerseHead { +margin: 1em 0 1em 0; +display: inline-block; +} +.alignedVerseSpacer { +height: 1.4em; +} +body { +padding: 1.58em 16%; +} +.pageNum { +font-variant: normal; +text-transform: none; +display: inline; +font-size: 12.8px; +font-style: normal; +margin: 0; +padding: 0; +position: absolute; +right: 1%; +text-align: right; +letter-spacing: normal; +} +.marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +left: 1%; +position: absolute; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +} +.right-marginnote { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +height: 0; +right: 3%; +position: absolute; +text-indent: 0; +text-align: right; +width: 11% +} +.cut-in-left-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: left; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: left; +padding: 0.8em 0.8em 0.8em 0; +} +.cut-in-right-note { +font-variant: normal; +text-transform: none; +font-size: 12.8px; +left: 1%; +float: right; +text-indent: 0; +width: 14%; +text-align: right; +padding: 0.8em 0 0.8em 0.8em; +} +span.tocPageNum, span.flushright { +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +text-indent: 0; +} +.pglink::after { +content: "\0000A0\01F4D8"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.catlink::after { +content: "\0000A0\01F4C7"; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.exlink::after, .wplink::after, .biblink::after, .qurlink::after, .seclink::after { +content: "\0000A0\002197\00FE0F"; +color: blue; +font-size: 80%; +font-style: normal; +font-weight: normal; +} +.pglink:hover { +background-color: #DCFFDC; +} +.catlink:hover { +background-color: #FFFFDC; +} +.exlink:hover, .wplink:hover, .biblink:hover, .qurlink:hover, .seclin:hover { +background-color: #FFDCDC; +} +body { +background: #FFFFFF; +font-family: serif; +} +body, a.hidden { +color: black; +} +h1, h2, .h1, .h2 { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-weight: normal; +} +p.byline { +text-align: center; +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.div2 p.byline, .div3 p.byline, .div4 p.byline, .div5 p.byline, .div6 p.byline, .div7 p.byline { +text-align: left; +} +.figureHead, .noteRef, .pseudoNoteRef, .marginnote, .right-marginnote, p.legend, .verseNum { +color: #660000; +} +.rightnote, .pageNum, .lineNum, .pageNum a { +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteRef:hover, a.pseudoNoteRef:hover { +color: red; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6 { +font-weight: normal; +} +table { +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocText { +text-align: center; +font-variant: small-caps; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.5; +} +.tableCaption { +text-align: center; +} +.arab { font-family: Scheherazade, serif; } +.aran { font-family: 'Awami Nastaliq', serif; } +.grek { font-family: 'Charis SIL', serif; } +.hebr { font-family: 'SBL Hebrew', Shlomo, 'Ezra SIL', serif; } +.syrc { font-family: 'Serto Jerusalem', serif; } +/* CSS rules generated from rendition elements in TEI file */ +.imprint { +color: gray; text-align: center; +} +div.advertisement img { +} +.center { +text-align: center; +} +.large { +font-size: large; +} +.xl { +font-size: x-large; +} +.xxl { +font-size: xx-large; +} +.xxxl { +font-size: 300%; +} +/* CSS rules generated from @rend attributes in TEI file */ +.xd33e1756 { +text-align:center; vertical-align:middle; font-size:x-large; width:33%; +} +.xd33e1757 { +text-align:center; vertical-align:middle; +} +.cover-imagewidth { +width:559px; +} +.xd33e121 { +font-size:x-large; +} +.xd33e123 { +font-size:small; +} +.xd33e127 { +font-size:xx-large; +} +.xd33e1730 { +float:right; +} +.xd33e1753 { +text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000; font-weight:bold; +} +.tbl\.wanted\.header { +width:100%; +} +.xd33e1760 { +font-size:xx-large; +} +.lordlisterwidth { +width:307px; +} +.xd33e1775 { +text-align:center; font-size:xx-large; color:#d40000; +} +.xd33e1777 { +font-size:large; +} +.xd33e1780 { +font-size:large; +} +.xd33e1783 { +text-align:center; +} +.xd33e1785 { +text-align:center; font-size:x-large; +} +.xd33e1789 { +text-align:center; font-size:large; +} +.warrant\.en { +font-size:small; border:2pt solid black; padding-left:1em; padding-right:1em; margin:1em; +} +.xd33e1800 { +font-size:x-large; text-align:center; +} +.xd33e1804 { +font-weight:bold; text-align:center; +} +.warrant\.nl { +display:none; font-size:small; +} +.xd33e1912 { +text-align:center; font-weight:bold; font-size:large; +} +.xd33e2024 { +font-size:xx-large; +} +.xd33e2026 { +font-size:medium; +} +/* ]]> */ </style> +</head> +<body> +<div style='text-align:center'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***</div> +<div class="front"> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure cover-imagewidth"><img src="images/lordlister0045-front.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="559" height="720"></div><p> +<span class="pageNum" id="pb1">[<a href="#pb1">1</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 last-child imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first xd33e121">☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜ +</p> +<p class="xd33e123">UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM. +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div id="ch1" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch1.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<div class="figure"><img src="images/p0045-01.png" alt="HET GESTOLEN DIENSTMEISJE" width="720" height="221"></div> +<h2 class="super xd33e127">HET GESTOLEN DIENSTMEISJE</h2> +<h2 class="label">EERSTE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Een ontmoeting in den Tower.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer bewonderde, gevierde, +maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief van Londen, tot zijn vriend Charly +Brand, „het is zulk heerlijk zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”. +</p> +<p>Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een sigaret rookte, +stond op en antwoordde: +</p> +<p>„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur Baxter zult +hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw gevangenname met 500 pond heeft +verhoogd”. +</p> +<p>Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek. +</p> +<p>„Waarom lach je?” vroeg de secretaris. +</p> +<p>„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een hoogere premie +heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst van een gevaarlijk moordenaar; +op mijn persoon, die nog nimmer eenig mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg +zou kunnen dooden en die er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, +die onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven, een welverdiende +straf te bezorgen. +</p> +<p><span>„</span>Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere prijs is uitgeloofd +voor een harer onderdanen. +</p> +<p><span>„</span>Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell wilde betalen, +niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij …” +</p> +<p>Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek peinzend naar +buiten. +</p> +<p>„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit. +</p> +<p>„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de gelegenheid zal +zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om tot den een of anderen armen +drommel te zeggen, die het geld best kan gebruiken: +</p> +<p><span>„</span>Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een kostbaar voorwerp, +dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van politie en zeg daar: hier is John +Raffles!” +</p> +<p>„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret aanstekend. +</p> +<p>„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij niet eerder +zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie Baxter, dan wanneer hij +den armen drommel de 4000 pond heeft uitbetaald.” +</p> +<p>Charly Brand lachte en sprak: +<span class="pageNum" id="pb2">[<a href="#pb2">2</a>]</span></p> +<p>„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft gekregen, met een +van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het geheele hoofdbureau van politie +een poets zult bakken, die meer dan 4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen<span id="xd33e158">”.</span> +</p> +<p>Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei: +</p> +<p>„Ik kan je geen ongelijk geven. +</p> +<p><span>„</span>Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou voor dien armen +man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur Baxter brengen, je het geld laten +uitbetalen en wij maken er samen een reis van naar het vasteland. +</p> +<p><span>„</span>Maar laat ons nu gaan!” +</p> +<p>John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn stok met zwaren +gouden knop, die door middel van een geheime veer geopend kon worden en die van binnen +een waar arsenaal van kunstig bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte. +</p> +<p>Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al in de deur +stond: +</p> +<p>„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?” +</p> +<p>„Natuurlijk!” lachte Lord Lister. +</p> +<p>„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo ga. Ik had +korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze wederzijdsche vriend een oude +fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen, een wijf van minstens zeventig jaar, die +in de buurt van <span class="corr" id="xd33e176" title="Bron: Picadilly">Piccadilly</span> rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen nam, onder +de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C. Raffles was en haar naar Scotland +Yard liet brengen. Schitterend, nietwaar?” +</p> +<p>„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt wel een beetje +onwaarschijnlijk!” +</p> +<p>„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth van Engeland +niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin van gebochelde mannen hield!” +</p> +<p>„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de geschiedenis?” +</p> +<p>„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend op, „ik lees +graag over de bijzonderheden van historische personen.” +</p> +<p>„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond als iemand +met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op nahield. Hoe kun je dat verklaren?” +</p> +<p>„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik jou zou willen +verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin Elisabeth vond in haar half +dozijn gebochelde hofnarren. +</p> +<p><span>„</span>Maar kom nu mee! +</p> +<p><span>„</span>En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze wandeling maken +naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen haar breede voeten heeft gezet. +Laat ons naar den Tower gaan!” +</p> +<p>„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent geworden! Je hebt een +eigenaardige gave om droge onderwerpen op interessante wijze te behandelen. +</p> +<p><span>„</span>Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader! +</p> +<p><span>„</span>Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels, ijzersterke zenuwen +en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad genoeg om niet alleen een vrouw, maar +zelfs een man nieuwsgierig te maken.” +</p> +<p>„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.” +</p> +<p>„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!” +</p> +<p>Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die, volgens Londensch +gebruik, midden op de straat stond. +</p> +<p>„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het rijtuig, terwijl +Charly Brand hem volgde. +</p> +<p>Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris: +</p> +<p>„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te vertellen.” +</p> +<p>„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab! Een mooi beest, +nietwaar?” +</p> +<p>„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met koningin Elisabeth +van Engeland?” +</p> +<p>Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde: +</p> +<p>„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—” +</p> +<p>Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar. +</p> +<p>„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn met diamanten +versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn borstzak. +</p> +<p>Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte Carlo afhandig +<span id="xd33e214"></span>gemaakt. +</p> +<p>Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens. +</p> +<p>Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de diamanten in bonte +kleurenpracht schitterden. +</p> +<p>„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel overeenkomst met +die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina, die haar gunsteling <span class="pageNum" id="pb3">[<a href="#pb3">3</a>]</span>Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit étui vereerde.” +</p> +<p>„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand. +</p> +<p>„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten van Catharina +en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.” +</p> +<p>„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben tamelijk goed +op de hoogte.” +</p> +<p>„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat de warmte invloed +op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele Theems zal je goed doen!” +</p> +<p>„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste kalmte. +</p> +<p>Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij de Towerbrug +over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den <span id="xd33e230">conciërge</span> kaarten om toegang te krijgen. +</p> +<p>Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede, vroegere slotgracht +voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in een grasveld, dat als <span class="corr" id="xd33e235" title="Bron: excercitieveld">exercitieveld</span> dienst doet voor de Iersche garde, welke in den Tower verblijf houdt. +</p> +<p>Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een afdeeling van dit regiment +in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes en de grijze kepi’s, naar buiten om te +gaan <span class="corr" id="xd33e240" title="Bron: excerceeren">exerceeren</span>. +</p> +<p>John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier de rijzige, +krachtige, gespierde gestalten. +</p> +<p>Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke wandelstokjes in de +handen, waarmee zij speelden als dames met haar waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig +lijkende voorwerpen waren echter zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten. +</p> +<p>In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van het beste Indische +peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en een verguld looden knop als handvat, +een gruwelijk martelwerktuig. +</p> +<p>John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika werden zij veelvuldig +gebruikt bij het drillen der recruten. +</p> +<p>Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik, kuchend en +snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met zijn kleine, door dikke +vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig insect naar zijn manschappen. +</p> +<p>Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als mishandelde honden +naar den kleinen kapitein keken. +</p> +<p>Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar, alsof hij elk +oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een slag wilde geven. +</p> +<p>„Dat is de menschenbeul van het regiment<span id="xd33e253">,”</span> sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval +van oorlog meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen! +</p> +<p><span>„</span>Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren zal behandelen!” +</p> +<p>Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het exercitieterrein +beneden hen. +</p> +<p>Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein. +</p> +<p>Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een vischwijf, gaf +hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen. +</p> +<p>Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn meening niet +flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de gemeenste scheldwoorden, +zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald afkomstig moesten zijn van de vrouw van +dezen bullebak. +</p> +<p>„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch dragonder dergelijke +scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!” +</p> +<p>Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche soldaten zoo onbarmhartig +tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote, sterke kerel in elkaar zakte. +</p> +<p>„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat ik niet het +een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in te gooien.” +</p> +<p>„Nette voornemens”, lachte Charly Brand. +</p> +<p>„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!” +</p> +<p>Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn vriend, toen de +Engelsche kapitein een tweede der manschappen op dezelfde wijze met zijn stok sloeg. +</p> +<p>Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn kameraden keek, +waaraan hij niet behoefde mee te doen. +</p> +<p>John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot hem. +</p> +<p>Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden: +<span class="pageNum" id="pb4">[<a href="#pb4">4</a>]</span></p> +<p>„Kom eens hier, mijn vriend.” +</p> +<p>„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een superieur in burgerkleeding +te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig het militair saluut. +</p> +<p>Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak: +</p> +<p>„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar beneden, die het bevel +voert over de eerste compagnie?” +</p> +<p>De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie bedeeld werd, +antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam van den gevreesden officier +op luiden toon uit te spreken: +</p> +<p>„Kapitein <span class="corr" id="xd33e283" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span>.” +</p> +<p>„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook toevallig, waar de +woning van dien heer is?” +</p> +<p>„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie en moest dikwijls +den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein woont Hamilton Road 16.” +</p> +<p>„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn vrienden woont +in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw een draak is.” +</p> +<p>„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle woede, die hij +dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn manschappen. Wij noemen hem in het regiment +den menschenbeul.” +</p> +<p>„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met Charly Brand naar +den Tower. +</p> +<p>Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale optreden. +</p> +<p>Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn vrind meerdere +malen mompelde: +</p> +<p>„Hamilton Road 16.” +</p> +<p>Hij scheen een plan te maken. +</p> +<p>Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar de kazernes +terug. +</p> +<p>In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op het trottoir. +</p> +<p>Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar konden passeeren. +</p> +<p>Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de bovenbedoelde +kapitein met zijn compagnie aan. +</p> +<p>„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die vermoedde, dat +Raffles een plan smeedde tegen den kapitein. +</p> +<p>En hij had zich niet vergist. +</p> +<p>Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo stevig vast, +dat hij niet kon uitwijken. +</p> +<p>Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen liep. +</p> +<p>Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet zoo! +</p> +<p>Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde botsing met +den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen den officier gestooten, +dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn stok ophief om ermee te slaan. +</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een korte Engelsche +vloek kwam van zijn lippen. +</p> +<p>Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af, zoodat de slag +doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het folterwerktuig uit de hand, +voordat deze het kon verhinderen en gaf hem er een flinken klap mee in het gezicht. +</p> +<p>Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen. +</p> +<p>John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een prettige gebeurtenis! +Er was niemand onder hen, die den kapitein niet van ganscher harte een flink pak slaag +gunde. +</p> +<p>Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met gezwinden pas +over de brug verdwenen en buiten het bereik van de Iersche gard. +</p> +<p>Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats. +</p> +<p>„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier toe. +</p> +<p>Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik, toen de kapitein +met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het rijtuig om den hoek van den Tower. +</p> +<p>„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, <span class="corr" id="xd33e317" title="Bron: terwij">terwijl</span> hij den stok door de lucht zwaaide. +</p> +<p>„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien menschenbeul vandaag +nog een betere les te geven”. +</p> +<p>„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand. +</p> +<p>„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend, „inspecteur +van politie Baxter zal werk krijgen!” +<span class="pageNum" id="pb5">[<a href="#pb5">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch2.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">TWEEDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Vreemde heldenmoed.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Kapitein <span class="corr" id="xd33e332" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis. +</p> +<p>Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van den kapper +afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit een onooglijk rattestaartje, +dat zij handig wist te verbergen onder de blonde pruik. +</p> +<p>Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de gesloten vensters, +op straat hoorbaar was. +</p> +<p>Toen <span class="corr" id="xd33e339" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span> zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n schreden. Het maakte den indruk, +alsof een afgeranselde hond met den staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde. +</p> +<p>Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de linkerhand +een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was opgezwollen door den slag +van Raffles. +</p> +<p>Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde. +</p> +<p>Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw, die tegen een +jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde. Het meisje was haar uit een +weeshuis bezorgd. +</p> +<p>De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn. +</p> +<p>Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs vermoeiend was +voor een gespierden man. +</p> +<p>Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En toch was zij +al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te maken. +</p> +<p>De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer, had een Japansche +ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe door haar lorgnet naar het werkende +meisje. +</p> +<p>Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond om het kind +een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het hoofd te slingeren, opdat het +werk wat vlugger zou gaan. +</p> +<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e353" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span> opende de deur der kamer en sprak met zachte, bedrukte stem, die geheel en al in +tegenstelling was met zijn commandotoon op het exercitieveld: +</p> +<p>„Eulalia, hier ben ik!” +</p> +<p>Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op, zette haar +lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot als een nijdige krokodil, +die in zijn rust wordt gestoord. +</p> +<p>„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?” +</p> +<p>„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!” +</p> +<p>Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep: +</p> +<p>„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je dienst is immers +pas over een uur afgeloopen!” +</p> +<p>„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!” +</p> +<p>Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak: +</p> +<p>„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!” +</p> +<p>In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en schreeuwde: +</p> +<p>„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te luisteren, wat +ik hier met dezen heer te spreken heb! +</p> +<p><span>„</span>Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen avondboterham! +Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel te slecht gewerkt!” +</p> +<p>Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene. +</p> +<p>„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd? Vertel!” +</p> +<p>„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een afschuwelijk geval! +Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op weg naar huis. +</p> +<p><span>„</span>Vier van hen sloeg ik neer. +<span class="pageNum" id="pb6">[<a href="#pb6">6</a>]</span></p> +<p><span>„</span>De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau. +</p> +<p><span>„</span>Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere <span class="corr" id="xd33e384" title="Bron: verdeiging">verdediging</span> een slag, lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen. +</p> +<p><span>„</span>Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen. Ik voel mij ziek! +Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat thee voor mij zetten!” +</p> +<p>Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende blikken naar hem +keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem staan, tikte hem met haar lorgnet +op den schouder en sprak op zalvenden toon: +</p> +<p>„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer opwekken, zooals +je dat al zoo vaak hebt gedaan?” +</p> +<p>Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker weer krampachtig +tegen de pijnlijke wang drukte: +</p> +<p>„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat ik de zuivere +waarheid spreek! +</p> +<p><span>„</span>Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je lieve handen als +een barmhartige Samaritaan verplegen”. +</p> +<p>„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad vermelden, opdat +de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper officier van het roemrijke Engelsche +leger je bent! +</p> +<p><span>„</span>O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik steeds, dat +je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een geboren veldheer bent, +dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent als Kitchener en dat jouw genie Engeland +de zege zal doen behalen over het gehate Duitschland. +</p> +<p><span>„</span>O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt doorstaan! +</p> +<p><span>„</span>Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de wond, die je hebt +opgedaan, verbinden. +</p> +<p><span>„</span>O Harry, welk een held ben je!” +</p> +<p>Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om de hulp in +te roepen van den huisdokter. +</p> +<p>Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen zij zag, dat +hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn wang, in den schommelstoel +zat, zette zij de handen op de heupen en riep: +</p> +<p>„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er gebeurt? Waarom +zit je daar in dien schommelstoel? +</p> +<p><span>„</span>Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die luie vuilpoets, +die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van luiheid! +</p> +<p><span>„</span>Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid aan te zetten?” +</p> +<p>Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij scheen die +beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de schouders en bukte zich, +in afwachting van de muilpeer. +</p> +<p>„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!” +</p> +<p>„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor een held uit +te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers je in dezen toestand zagen, +zou geen hunner schrijven: De Engelsche Moltke is ontdekt. Het is kapitein <span class="corr" id="xd33e425" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span>, van de Iersche koninklijke garde— +</p> +<p><span>„</span>Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te kijken! Er uit +en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog eens doen.” +</p> +<p>Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein de kamer uit +en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der gang. +</p> +<p>Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat hij een kom +met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot tijd den zakdoek doopte om +er zijn gelaat mee te betten. +</p> +<p>Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly Brand heen en weer +liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe blikken bekeken. +</p> +<p>Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand: +</p> +<p>„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!” +</p> +<p>Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer stapte, die +de woning binnenging. +</p> +<p>„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!” +</p> +<p>„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand. +</p> +<p>„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste plaats had hij een +verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg hij een cylinder, die, behalve +de Engelsche doktoren, niemand draagt. +</p> +<p><span>„</span>Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen dokter dadelijk +herkennen aan <span class="pageNum" id="pb7">[<a href="#pb7">7</a>]</span>de gewichtige gelaatsuitdrukking, waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht +te verbergen. +</p> +<p><span>„</span>Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!” +</p> +<p>Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen, vanwaar zij het huis +nauwkeurig konden gadeslaan. +</p> +<p>Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend en het kleine, +armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de hand. +</p> +<p>„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben nieuwsgierig, of de +dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft voorgeschreven. Blijf hier eens +zitten. +</p> +<p><span>„</span>Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat recept.” +</p> +<p>Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na. +</p> +<p>Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald. +</p> +<p>Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het vermagerde, bleeke, +hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij kende de geheele lijdensgeschiedenis +van het arme schepseltje. +</p> +<p>„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel ongelukkiger uit +dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde schepsels, die ik ooit in de straten +van Eastend of Whitechapel heb gezien.” +</p> +<p>Vol medelijden wilde hij haar aanspreken. +</p> +<p>Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel voor zijn voeten +neer. +</p> +<p>Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg haar de naastbijzijnde +woning binnen. +</p> +<p>Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem, voor water te +zorgen. +</p> +<p>Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het uitgeputte schepseltje. +</p> +<p>Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar Raffles. +</p> +<p>„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem. +</p> +<p>„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de apotheek gaan +om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets versterkends meebrengen. Je +voelt je erg naar, nietwaar?” +</p> +<p>„Ja”, hijgde het meisje. +</p> +<p>„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder. +</p> +<p>„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan. +</p> +<p>„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij verzocht den portier, +ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand lastig werd gevallen. +</p> +<p>Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek. +</p> +<p>Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij aan het meisje +gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en beval haar, van het poeder, +dat zich daarin bevond, elken dag een lepeltje vol in een glas water te roeren en +een eetlepel vol te nemen van den flesch Tokayer. +</p> +<p>In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien. +</p> +<p>En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de handen, waarin +zij zich bevond. +</p> +<p>Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles weerde haar met +een snelle beweging af. +</p> +<p>Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar zij zich zeer +zwak gevoelde, tot aan de deur. +</p> +<p>Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam. +</p> +<p>De dokter was reeds heengegaan. +</p> +<p>Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly Brand zat, merkte +deze op, dat het gelaat van zijn vriend een eigenaardige uitdrukking had. +</p> +<p>„Wat heb je?” vroeg hij. +</p> +<p>„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op ernstigen toon. „Ik +heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen, een van die ongelukkige blanke +slavinnen en verder heb ik den kapitein een recept voorgeschreven, dat hem nog betere +diensten zal bewijzen dan de slag met den stok.” +</p> +<p>„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand. +</p> +<p>„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij die zoo dikwijls +op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende straf te doen toekomen, kreeg +ik het recept van den dokter in handen. +</p> +<p><span>„</span>Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden. +</p> +<p><span>„</span>Ik heb het recept nog in mijn zak. +</p> +<p><span>„</span>In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een eenigszins andere +uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister. +</p> +<p><span>„</span>Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking. +</p> +<p><span>„</span>Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het gelaat van den +kapitein flink <span class="pageNum" id="pb8">[<a href="#pb8">8</a>]</span>is opgezwollen. Mijn zalf zal hem daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken +lang mooi zal zijn. Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten +weer zal tuchtigen. +</p> +<p><span>„</span>Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.” +</p> +<p>„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend. +</p> +<p>„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle stem wij op straat +hoorden, geen blaren op de tong krijgt.” +</p> +<p>Plotseling sprong Raffles op. +</p> +<p>„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie kunnen bijwonen!” +</p> +<p>Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van den kapitein. +</p> +<p>Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje verscheen, dat +de deur opende en vroeg wat hij verlangde. +</p> +<p>„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij verzocht mij, +den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had voorgeschreven.” +</p> +<p>„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje. +</p> +<p>„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den donkeren achtergrond. +Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie er was. +</p> +<p>„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende. +</p> +<p>„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij doet precies alsof +hem een nieuw ongeluk was overkomen. +</p> +<p><span>„</span>Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!” +</p> +<p>Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul. +</p> +<p>„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word krankzinnig—men +wil mij vermoorden!” +</p> +<p>Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit geschreeuw +hoorden. +</p> +<p>Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man: +</p> +<p>„Heb je je ingesmeerd?” +</p> +<p>„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon. +</p> +<p>„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal reuzenblaren krijgen!” +</p> +<p>„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan vreemde heeren. +Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je heldenmoed denken!” +</p> +<p>„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf gegeven, ik word +vermoord! Roep den dokter!” +</p> +<p>„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier is de zalf! +En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal je uitkraamt, zal ik voor +jouw oogen mijn heele gezicht ermee insmeeren!” +</p> +<p>Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste eksteroog. +</p> +<p>„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu krijgt zij +ook blaren!” +</p> +<p>In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde de kapitein +weer als een waanzinnige en riep om den dokter. +</p> +<p>Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg hij gezelschap, +want ook zijn vrouw begon. +</p> +<p>De zalf werkte uitstekend! +</p> +<p>Raffles hoorde haar schreeuwen: +</p> +<p>„Help! Harry! Help!” +</p> +<p>Daarop greep hij Charly’s arm. +</p> +<p>„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur Baxter dit recept +niet eens voor kan schrijven!” +</p> +<p>Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden dokter ter hulp +te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande huisdeur bewees haar, dat er +werkelijk een paar vreemde heeren in haar huis waren geweest. +</p> +<p>Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met Dr. Griffin. +</p> +<p>Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde de telephoon. +</p> +<p>Hij nam de hoorn op en riep: +</p> +<p>„Hier <span id="xd33e550">Dr.</span> Griffin, wie is daar?” +</p> +<p>„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!” +</p> +<p>De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand. +</p> +<p>„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem. +</p> +<p>„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?… hebt gij mijn naam nooit gehoord?… John Raffles +heet ik—verstaat gij mij nu?” +</p> +<p>„Jawel”, <span class="corr" id="xd33e560" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> de dokter, „wat wenscht gij?” +</p> +<p>„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug. +</p> +<p>„Het recept, dat gij kapitein <span class="corr" id="xd33e566" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> hebt voorgeschreven, <span class="pageNum" id="pb9">[<a href="#pb9">9</a>]</span>is in gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij geweest, +een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het tweetal van mij”. +</p> +<p>De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met open mond +naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij opnieuw werd opgebeld. +</p> +<p>Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem der kapiteinsvrouw, +die in de grootste wanhoop riep: +</p> +<p>„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u belieft!” +</p> +<p>Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de woning van +den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw van het wanhopige echtpaar, +zoodat het was, alsof alle katten en katers uit de buurt een welluidend concert gaven. +</p> +</div> +</div> +<div id="ch3" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch3.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">DERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Twee tanden.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen politie-inspecteur Baxter, +vergezeld door zijn secretaris, den dikken Marholm, langs het <span id="xd33e581">Strand</span> wandelde, om den avond in het Lyceumtheater door te brengen. +</p> +<p>„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef. +</p> +<p>„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een scheeven blik +aanziende. +</p> +<p>„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken niets van onzen +vriend John Raffles hebben gehoord.” +</p> +<p>Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet. +</p> +<p>Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef stilstaan: +</p> +<p>„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel genoeglijk, denkt aan +geen onaangename dingen en slechts aan „<span lang="de">die lustige <span class="corr" id="xd33e593" title="Bron: Wittwe">Witwe</span></span>”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —” +</p> +<p>Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste avondbladen op +het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de inspecteur van politie zijn zin +niet kon voltooien. +</p> +<p>„<i>Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!</i>” klonk het. +</p> +<p>Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens verdrongen; het was +hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig spook voor hem opdook en met zijn +ironisch glimlachje om de lippen hem strak aankeek. +</p> +<p>„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.” +</p> +<p>„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit. +</p> +<p>De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den neus. +</p> +<p>„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!” +</p> +<p>„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd je flauwe grappen +voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat je Raffles werkelijk hadt gezien.” +</p> +<p>De Vloo lachte luidkeels en riep: +</p> +<p>„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik zwijgen en wel +om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen kosten.” +</p> +<p>„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen! Gevangen nemen!” +</p> +<p>„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem niet!” +</p> +<p>„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel eens zal krijgen!” +</p> +<p>De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het krantenbericht, +terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te lezen. +<span class="pageNum" id="pb10">[<a href="#pb10">10</a>]</span></p> +<p>Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit, evenals veel andere +voorbijgangers, die het stuk lazen. +</p> +<p>Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst voorhoofd aankeek. +</p> +<p>„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo kinderachtig!” +</p> +<p>„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens even—die Raffles!— +—O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —” +</p> +<p>„Houd op met dien vervloekten Raffles!” +</p> +<p>„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste streken!— —Ik +kan werkelijk niet— —ik— —” +</p> +<p>Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij verder sprak: +</p> +<p>„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!” +</p> +<p>„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt gij toch voor +nonsens!” +</p> +<p>Marholm hield zijn buik vast. +</p> +<p>„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!” +</p> +<p>Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere wandelaars, +die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in de krant iets grappigs +stond omtrent hem, den inspecteur van politie, en Raffles. +</p> +<p>Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de dichtstbijzijnde +lantaarn eveneens het artikel te lezen. +</p> +<p>Met woedende blikken las hij het volgende: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten bericht, waarvan wij +de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks afzender zeer zeker het volle vertrouwen +van onze lezers bezit: +</p> +<p><span class="ex">Raffles deelt ons mede</span>— — —”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het recept van den +Ierschen kapitein. +</p> +<p>Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen, kende den drilstok +der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring. +</p> +<p>Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn kamer met zijn +kameraden die menschen-bestrijding vervloekt. +</p> +<p>Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en sprak: +</p> +<p>„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den grooten onbekende +is, die mij uitstekend bevallen!” +</p> +<p>„Ik maak u mijn compliment,” lachte de <span id="xd33e647">Vloo</span>, „ik zie, dat mijn hoop mij niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig +aanhanger worden van Lord Lister.” +</p> +<p>Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den ambtelijken plooi. +</p> +<p>„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik heb geen lust, +de „<span lang="de">Lustige Witwe</span>” te verzuimen.” +</p> +<p>„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze Raffles! Ik geloof +zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren— —een geniale kerel!” +</p> +<p>„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past geen detective +van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de gevaarlijkste misdadiger, die +zich ooit in <span lang="en">Old England</span> ophield.” +</p> +<p>„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde de Vloo, „maar +dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen aan den dag mijn jas aan den +kapstok, als ik met hem kon ruilen”.— +</p> +<p>Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden, zat Raffles in +de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het Hydepark gelegen villa, die +hij ongeveer een half jaar geleden had gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch +katoenhandelaar. +</p> +<p>Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne bestraffing van +den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche garde bedreven beulswerk. +</p> +<p>Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in de kamer aanwezig +was en bezig was, de courantenberichten uit te knippen en deze te plakken in het door +hem aangelegde archief over Raffles’ daden. +</p> +<p>„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme, kleine meisje willen +bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul, en het bij een nette familie onderdak +brengen.” +</p> +<p>„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees en mag volgens +de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet verlaten. Zou ze het <span class="pageNum" id="pb11">[<a href="#pb11">11</a>]</span>nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen en naar den ouden dienst terugbrengen”. +</p> +<p>„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is het verblijf +van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik van plan ben het verborgen +te houden!— —Maak je daarover niet ongerust, beste Charly!” +</p> +<p>„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het toch altijd +nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen. Vrijwillig zal ze in geen +geval meegaan, daar ze zeer zeker de voorschriften zal kennen.” +</p> +<p>„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang verschaffen tot het +huis van den kapitein en het arme kind, desnoods met geweld, in betere omstandigheden +brengen.” +</p> +<p>Charly Brand haalde de schouders op en hernam: +</p> +<p>„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets voorneemt, +je het ook ten uitvoer brengt.” +</p> +<p>„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard ook ken ik +niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet eens noodig acht, een plan +voor de uitvoering te overwegen.— — — +</p> +<p><span>„</span>Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we opbreken.”— +</p> +<p>Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want er scheen een +onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op den Hamilton Road begaf. +</p> +<p>Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens iemand wakker +was. +</p> +<p>Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles: +</p> +<p>„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik ontdekte, dat zich +op den zolder een dakvenster bevindt, liever hierdoor naar binnen gaan. +</p> +<p><span>„</span>Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit het huis kom.” +</p> +<p>De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch <span class="corr" id="xd33e691" title="Bron: één-familiehuis-huis">één-familie-huis</span> en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde<span id="xd33e694"></span> door een schutting was afgesloten. +</p> +<p>John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn vriend als een +donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde verdween. +</p> +<p>Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de poort was aangebracht +en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die hem boven op het huis zou brengen. +</p> +<p>Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het dak met pannen +bedekt en tamelijk schuin was. +</p> +<p>Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis maakte het voor +Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen zien. +</p> +<p>Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de aandacht te trekken. +</p> +<p>Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het midden van het +huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de trap kon bereiken.— — — +</p> +<p>Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde! +</p> +<p>Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet bemerkt en viel +hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een houvast te vinden en maakte +opnieuw een buiteling, waardoor hij met een doffen slag neerviel. Daarna rolde hij +langs de treden naar beneden en bleef onder aan de trap bewusteloos liggen. +</p> +<p>Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en beiden keken angstig +naar de gesloten deur van de slaapkamer. +</p> +<p>De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat oogenblik hun pijnen +vergaten. +</p> +<p>„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan haar man, die +sidderend van angst overeind in bed zat. +</p> +<p>„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de bliksem is ingeslagen. +Er is buiten een hevig onweer.” +</p> +<p>„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is eerst in aantocht; +ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen moet zijn gevallen. Bewijs nu je +dapperheid als Engelsch officier. Neem je revolver en ga naar de gang.” +</p> +<p>Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten. +</p> +<p>„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust te stellen, +„hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat is een onmogelijkheid, +of heb je soms vergeten, de huisdeur te sluiten?” +</p> +<p>De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden: +</p> +<p>„Ik heb alles gesloten, Harry, maar … nu weet ik het!—Ik vergat het dakvenster op +zolder dicht te maken!… Harry, sta op! Door het dakvenster moet een inbreker naar +binnen zijn geklommen!” +<span class="pageNum" id="pb12">[<a href="#pb12">12</a>]</span></p> +<p>Maar de kapitein wilde niet. +</p> +<p>Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— — +</p> +<p>Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje geleek, rees in +de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van haar heer en gebieder het angstzweet +stond. +</p> +<p>„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw hem toe, haar +echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend. +</p> +<p>„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om je te verdedigen?— +— +</p> +<p><span>„</span>O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard! +</p> +<p><span>„</span>En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland, die eindelijk +het gehate Duitschland zou overwinnen! +</p> +<p><span>„</span>Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den inbreker dat je een +held bent!” +</p> +<p>„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met zwakke stem te +antwoorden. +</p> +<p>Nu begon zij te krijschen: +</p> +<p>„Wat?… Wat?… Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd met twaalf misdadigers +en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen +man te hebben! O! O!” +</p> +<p>Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de revolver, die op het +nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar de deur, rillende van koude, ondanks +het warme weer. +</p> +<p>Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een waterkaraf. +</p> +<p>Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog voordat de kapitein +het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur. +</p> +<p>Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit. +</p> +<p>Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht wederkeerig steun bij +haar. +</p> +<p>Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen. +</p> +<p>Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John Raffles in +een bloedplas op den steenen vloer liggen. +</p> +<p>„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend. +</p> +<p>„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem. +</p> +<p>Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine dienstmeisje ook naderbij +gekomen. +</p> +<p>Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind van de gang. +</p> +<p>Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep: +</p> +<p>„Groote hemel, die arme man is dood!” +</p> +<p>Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en vroeg: +</p> +<p>„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat scheelt u?” +</p> +<p>Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed. +</p> +<p>Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar steunende. Maar nauwelijks +hadden zij zijn gelaat gezien of zij sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten +in woest geschreeuw los. +</p> +<p>„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een waanzinnige zijn +vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug, wierp de deur achter zich dicht +en grendelde deze drie keer. +</p> +<p>Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met stoelen, tafels +en andere meubelstukken. +</p> +<p>Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was, stond een oogenblik +sprakeloos. +</p> +<p>Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg ter redding en +een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken. +</p> +<p>In den hoek onder de trap hing een waschlijn. +</p> +<p>Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen Raffles tot een +pakje samen te binden. +</p> +<p>Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur en schreeuwde: +</p> +<p>„Doe open! Doe open!” +</p> +<p>„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij! Spaar mijn leven!” +</p> +<p>„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers! Kom er uit, Harry, +de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem met de waschlijn vastgebonden!” +</p> +<p>„Is dat werkelijk waar?” +</p> +<p>„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu de politie +roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.” +</p> +<p>„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?” +</p> +<p>„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een bijl en sla +ze stuk!” +</p> +<p>„Heeft hij je geen kwaad gedaan?” +</p> +<p>„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos neer. Kom hier, +Harry! Kom hier!” +<span class="pageNum" id="pb13">[<a href="#pb13">13</a>]</span></p> +<p>Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat hij een revolver +in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk. +</p> +<p>Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid had gesproken. +</p> +<p>Nu kwam zijn moed terug. +</p> +<p>Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep: +</p> +<p>„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer ben je aan het +verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je neer!” +</p> +<p>Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor. +</p> +<p>Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één enkelen blik +de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— — —hij dacht een oogenblik +na, maar de toestand was wanhopig. +</p> +<p>Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren en verzocht, +daar zijn mond bebloed was, een beetje water. +</p> +<p>„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem gericht houdende, +„eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!” +</p> +<p>En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen, schoot de kapitein +zijn revolver op hem af. +</p> +<p>Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein: +</p> +<p>„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!” +</p> +<p>„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers, dat ik mij niet +verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een ongeluk mee kunnen begaan, want +schieten kunt gij niet!” +</p> +<p>„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal ik hem eens +anders toonen!” +</p> +<p>In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde vuren, toen het +kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar geheimzinnigen vriend had herkend, +de revolver van den kapitein op zij sloeg, zoodat het schot krakend in den muur <span class="corr" id="xd33e790" title="Bron: trecht">terecht</span> kwam. +</p> +<p>„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein, terwijl zij met +een bezem haar man te hulp kwam. +</p> +<p>Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon doen dan zich +bedaard te houden. +</p> +<p>„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!” +</p> +<p>Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie. +</p> +<p>„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?” +</p> +<p>Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en wijsvinger en hield +het in de hoogte: +</p> +<p>„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den gevaarlijken strijd +met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de vuistslag, dien ik hem gaf en die hem +neervelde, kostte hem twee tanden!” +</p> +<p>„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg mevrouw verbaasd. +</p> +<p>„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon. +</p> +<p>„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een, toen wij de deur +van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet gezien?” +</p> +<p>„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn oogen. Heb jij hem +werkelijk neergeslagen?” +</p> +<p>„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik heb hem neergeveld! +Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die beroemde bokserslag is. Dat is de +slag, dien men in het Iersche regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd +is, dat niemand het waagt zich met mij te meten. +</p> +<p><span>„</span>Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste plek had getroffen, +had hij in plaats van deze twee tanden, zijn geheele gebit verloren. +</p> +<p><span>„</span>Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn liefde voor jou, +Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — — +</p> +<p><span>„</span>Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij sluimert, want dan +sta ik niet voor mij zelf in.” +</p> +<p>Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen. +</p> +<p>„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste roofdier. Je beenderen +zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd rukken en er zou niets van je overblijven +dan een grafsteen met den naam: Eulalia!” +</p> +<p>Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein rillend en bevend +naar haar man. +</p> +<p>Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand de bloedige +tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson. +</p> +<p>Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg: +</p> +<p>„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?” +</p> +<p>„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van zijn tijgerjachten +in Indië van elk neergeschoten beest een tand in goud laten zetten, welke hij nu aan +zijn horlogeketting draagt. +</p> +<p><span>„</span>Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen <span class="pageNum" id="pb14">[<a href="#pb14">14</a>]</span>en jou de andere aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een herinnering +aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!— +</p> +<p><span>„</span>Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die souvenirs benijden.— +— +</p> +<p><span>„</span>Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn revolvers bewaak en +roep de politie.” +</p> +<p>Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het dienstmeisje den Grooten +Onbekende water te drinken had gegeven, terwijl Raffles haar toefluisterde: +</p> +<p>„Maak de huisdeur open!” +</p> +<p>Hij had zich niet in het meisje vergist. +</p> +<p>In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel van dankbaarheid +voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had gegeven. +</p> +<p>Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar de huisdeur +en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het naaste politiebureau waarschuwde. +</p> +<p>John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak bij hem staanden +kapitein op Japansche boksersmanier zulk een geweldigen stomp in den buik, dat deze +als een bal op den grond rolde. +</p> +<p>In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly Brand afgesproken +fluitsignaal hooren. +</p> +<p>Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de overzijde op +den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde met een paar reuzensprongen +naar den ingang van het huis. +</p> +<p>Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand. +</p> +<p>„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds opgebeld! En daar +het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is, hebben wij de jachthonden over +eenige minuten op ons dak!” +</p> +<p>Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den grond lag en +geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende knieën bij de telefoon stond, +haalde Charly Brand een vlijmscherp Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de +waschlijn door, waarmede Raffles gebonden was. +</p> +<p>Dit alles speelde zich af in een paar seconden. +</p> +<p>Eindelijk was de <span id="xd33e850">Groote</span> Onbekende vrij. +</p> +<p>Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje bij den arm +en sprak: +</p> +<p>„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik neem je mee!” +</p> +<p>„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op de straat een +politie-patrouille aankomen. Vooruit!” +</p> +<p>Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide vreemde heeren +met haar voorhadden. +</p> +<p>„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit slechte handen +redden.” +</p> +<p>Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten. +</p> +<p>Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe: +</p> +<p>„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag leeren kennen, +dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig creatuur!” +</p> +<p>Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend, het stoepje +naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker, terwijl het geschreeuw om +hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot +achterna zond. +</p> +<p>Nu naderde ook reeds de politie. +</p> +<p>„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de manschappen +aanvoerde. +</p> +<p>„Raffles was hier!” schreeuwde <span class="corr" id="xd33e867" title="Bron: Govern">McGovern</span>. +</p> +<p>„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee tanden verloren. +Kijk, hier heb ik ze!” +</p> +<p>Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen buit te bekijken. +</p> +<p>„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige oogenblikken, „maar +de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons niets, die kunnen wij niet achter de +tralies zetten. +</p> +<p><span>„</span>Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?” +</p> +<p>„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw. +</p> +<p>„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten toon, „wij +komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze schuld zijn, dat Raffles ontvlucht +is!” +</p> +<p>„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als altijd te laat +gekomen!” +</p> +<p>„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten wil niet! +Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!” +</p> +<p>„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de huisdeur opengaat +en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een revolver onder den neus duwt?” +<span class="pageNum" id="pb15">[<a href="#pb15">15</a>]</span></p> +<p>„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem bevrijd!” +</p> +<p>„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik met een waschlijn +had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem gevlucht. +</p> +<p><span>„</span>En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het ongelooflijkste! +De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— — —” +</p> +<p>Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden hun ooren +niet gelooven! +</p> +<p>„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van u gestolen?” +</p> +<p>„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon, „een vies, +vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als een ekster!” +</p> +<p>„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij blij zijn, dat +gij dat schepsel kwijt zijt!” +</p> +<p>„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder. +</p> +<p>„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder dienstmeisje beginnen? +Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man? En wie moet boodschappen voor mij +doen? O, ik wil niet eens aan al die narigheid denken!” +</p> +<p>„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de sergeant. „Mijn vrouw +doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!” +</p> +<p>Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn. +</p> +<p>Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd. +</p> +<p>Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den sergeant van politie +en schreeuwde in de grootste opgewondenheid, terwijl haar stem oversloeg: +</p> +<p>„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw vergelijken! Weet +gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein Eulalia Mac Govern! Mijn man +is kapitein van de Iersche koninklijke garde in den Tower! +</p> +<p><span>„</span>Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn hemel! Wie zal +morgen de laarzen van mijn man poetsen! +</p> +<p><span>„</span>Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond zich zelden +meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was alles onecht) dan het +dienstmeisje.” +</p> +<p>De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die op den achtergrond +stond, merkte op: +</p> +<p>„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het tafelzilver +en de beurs van den kapitein.” +</p> +<p>„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft 200 pond sterling +gekost!” +</p> +<p>„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel niet. Hij +heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de eenige parel, die hier te +vinden was. +</p> +<p><span>„</span>Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer gevangen hebt, den +inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan even handig met hem omgaan als +gij!” +</p> +<p>„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te vervelen. +</p> +<p>Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende verslaggevers, die per +auto waren aangekomen en schreeuwden: +</p> +<p>„Waar is Raffles? Waar is Raffles?” +</p> +<p>Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een toestel voor magnesiumlicht. +</p> +<p>Het was een verslaggever van de <i lang="en">Times</i>, die op het bericht van Raffles’ gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid +was, hierheen was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen. +</p> +<p>De tweede heer was een nieuwtjesjager van de <i lang="en">Daily News</i> en op hem volgden verscheiden andere. +</p> +<p>Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers uitgezonden. +</p> +<p>De sergeant van politie lachte spottend en sprak: +</p> +<p>„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang vandoor!” +</p> +<p>„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de <i lang="en">Times</i>. +</p> +<p>„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten. +</p> +<p>De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het eerst waren geweest. +</p> +<p>„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van onschatbare waarde! +Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en wie weet wat nog meer, maar Raffles +heeft haar toch gestolen! +</p> +<p><span>„</span>Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die twee tanden roemrijk +in den slag heeft veroverd.” +</p> +<p>Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar hun bureau terug. +<span class="pageNum" id="pb16">[<a href="#pb16">16</a>]</span></p> +<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e949" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn woorden stenografeerden, van +zijn vreeselijk gevecht met John Raffles, wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde +met de woorden: +</p> +<p>„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht nog graag wil +missen, den bokserslag toe te brengen!” +</p> +<p>Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met hun auto’s, die +in een lange rij voor het huis stonden, naar hun redacties, om het nieuwste sensatiebericht +van Raffles: twee verloren tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein +Mac Govern en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te krijgen. +<span class="pageNum" id="pb17">[<a href="#pb17">17</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch4" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch4.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">VIERDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Het gestolen dienstmeisje.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab genomen en was +naar zijn villa in het Hydepark gereden. +</p> +<p>Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon van angst en +verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen, welke Lord Lister tot haar +richtte. +</p> +<p>Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen. +</p> +<p>Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare inrichting van het +huis en waagde het niet plaats te nemen op den met rood damast bekleeden stoel, dien +John Raffles haar aanbood. +</p> +<p>„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik herhaal je, dat +ik alleen het beste voor jou wil en dat je morgenochtend reeds verzorgd zult worden +door een familie buiten de stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere +menschen leeren kennen dan tot dusverre. +</p> +<p><span>„</span>Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?” +</p> +<p>„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar, toen mijn moeder +stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis. +</p> +<p><span>„</span>Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het bestuur van het +weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen. +</p> +<p><span>„</span>O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden dienst verlost +zou worden. +</p> +<p><span>„</span>Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het zwaarste werk verrichten!” +</p> +<p>„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger schepseltje als jij +bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen. Waarom heeft het bestuur van het +weeshuis je niet een vak laten leeren? Heb je soms slecht geleerd op school?” +</p> +<p>„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind. Hij haatte mij!” +</p> +<p>„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man daartoe?” +</p> +<p>Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek bedeesd voor +zich. +</p> +<p>Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met den weesvader. +</p> +<p>Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar schouder en vroeg: +</p> +<p>„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?” +</p> +<p>„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje. +</p> +<p>„Een nette kerel!” lachte Charly Brand. +</p> +<p>„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles. +</p> +<p>„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met <span class="corr" id="xd33e992" title="Bron: haar">hen</span> altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—” +</p> +<p>Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos bedekt. +</p> +<p>„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de <span class="corr" id="xd33e998" title="Bron: vreeselijk">vreeselijke</span> dingen, die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat zulk +een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?” +</p> +<p>„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den weesvader te beklagen. +Wij zouden verschrikkelijk geslagen en opgesloten zijn!” +</p> +<p>„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de <span class="corr" id="xd33e1004" title="Niet in bron">weesvader je?”</span> +</p> +<p>Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken. +</p> +<p>„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende vriendelijk en hij +streelde zacht het blonde haar van het meisje. +</p> +<p>Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en antwoordde: +</p> +<p>„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—” +</p> +<p>„Nu, en toen?” +</p> +<p>„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem <span class="pageNum" id="pb18">[<a href="#pb18">18</a>]</span>terug. Toen begon hij vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen +zou nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij had het +zoo goed met mij gemeend! +</p> +<p><span>„</span>Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!” +</p> +<p>Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg: +</p> +<p>„Heb je geen familie in Londen?” +</p> +<p>„Niemand, sir!” +</p> +<p>„En hoe heette je vader?” +</p> +<p>„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje. +</p> +<p>„En je moeder?” +</p> +<p>„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de City.” +</p> +<p>„Sprak zij nooit over je vader?” +</p> +<p>„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij die zien. Mijn +vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel voorname familie was.” +</p> +<p>John Raffles floot zachtjes. +</p> +<p>Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken. +</p> +<p>„Waar zijn die portretten gebleven?” +</p> +<p>„In het weeshuis.” +</p> +<p>„Weet je dat zeker?” +</p> +<p>„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een klein verzegeld +pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de politie er mij bracht. +</p> +<p><span>„</span>De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien jaar zou zijn. +Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!” +</p> +<p>„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?” +</p> +<p>„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den naam niet +wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.” +</p> +<p>„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe zijn en zal +ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den nacht bij die menschen doorbrengen. +</p> +<p><span>„</span>Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.” +</p> +<p>Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige inlichtingen te hebben +gegeven, de zorg voor het meisje op. +</p> +<p>Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een nieuwe sigaret +aan en liep peinzend eenige keeren op en neer. +</p> +<p>„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen en weer loopen +van zijn vriend keek. +</p> +<p>„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe ontzettend veel ellende +de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en weet niet, op welke wijze men de zwakken +zal helpen. +</p> +<p><span>„</span>Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te keeren, die elk +oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt. +</p> +<p><span>„</span>Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen schurk, die +nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient dan die Iersche kapitein. +</p> +<p><span>„</span>Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen. Heb je lust, +met mij mee te gaan?” +</p> +<p>„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van den kapitein +en je val hebben je krachten uitgeput.” +</p> +<p>„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een bad had genomen.” +</p> +<hr class="tb dashed"><p> +</p> +<p>Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis, dat midden in +de City lag, naderden. +</p> +<p>„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in het gebouw +wilt doen.” +</p> +<p>„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl hij aan de bel +trok om den portier te wekken. +</p> +<p><span class="corr" id="xd33e1068" title="Bron: Een">Er</span> verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een onvriendelijke stem riep: +</p> +<p>„Wie is daar?” +</p> +<p>„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader dadelijk spreken +voor een dringende aangelegenheid!” +</p> +<p>Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een oude man met +grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen. +</p> +<p>Hij hield een lantaarn in de hand. +</p> +<p>„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den portier eenige +shillingstukken in de hand drukte. +</p> +<p>De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het gelaat van den +ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach sprak hij: +</p> +<p>„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons zal gelukken, +den weesvader wakker te krijgen”. +</p> +<p>En op vertrouwelijken toon fluisterde hij: +</p> +<p>„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner <span class="pageNum" id="pb19">[<a href="#pb19">19</a>]</span>thuis gekomen en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!” +</p> +<p>Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange, met tegels +geplaveide gang naar de woning van den weesvader. +</p> +<p>De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in een net ingerichte +vestibule. +</p> +<p>Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te nemen. +</p> +<p>Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan. +</p> +<p>Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van een man, die +zich in de aangrenzende kamer moest bevinden. +</p> +<p>Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam Lord Lister +naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur. +</p> +<p>Dit scheen te helpen. +</p> +<p>Een slaapdronken stem in de kamer vroeg: +</p> +<p>„Wat is er?” +</p> +<p>„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!” +</p> +<p>„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden. +</p> +<p>„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?” +</p> +<p>Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon: +</p> +<p>„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!” +</p> +<p>Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe iemand zijn bed +uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken. +</p> +<p>Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader stond met +lijkbleek gelaat op den drempel. +</p> +<p>„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen. +</p> +<p>Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had. +</p> +<p>„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles, „het handelt hier +om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in dienst is gekomen bij kapitein +<span class="corr" id="xd33e1105" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span>”. +</p> +<p>„Wat is er met het meisje?” +</p> +<p>Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader, toen hij hoorde, +dat het niet om hem te doen was. +</p> +<p>„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en hebben, om haar +identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende akten noodig”. +</p> +<p>„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?” +</p> +<p>„Ja”, <span class="corr" id="xd33e1115" title="Bron: antwoorde">antwoordde</span> Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die documenten, wij zullen ook +zoo vrij zijn, u mee te nemen”. +</p> +<p>De weesvader ging een stap achteruit. +</p> +<p>„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?” +</p> +<p>„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor, nadat gij u +hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke toebehooren aan Anna Marie Thomson”. +</p> +<p>Angstig vroeg de weesvader: +</p> +<p>„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?” +</p> +<p>Raffles haalde de schouders op. +</p> +<p>Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon: +</p> +<p>„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!” +</p> +<p>Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde de Groote Onbekende +hem toe: +</p> +<p>„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!” +</p> +<p>De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde: +</p> +<p>„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet uitgaan!” +</p> +<p>„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet meer weesvader, +gij zijt mijn gevangene!” +</p> +<p>De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en Raffles hem moesten +steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar uit een kast de akten en het door +Raffles gewenschte, verzegelde pakket met de brieven en portretten te halen. +</p> +<p>Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak, terwijl hij Charly +Brand de documenten gaf. +</p> +<p>Daarop sprak hij tot den weesvader: +</p> +<p>„Vooruit! Er is haast bij!” +</p> +<p>„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden. +</p> +<p>„Dat behoeft niet in den nacht.” +</p> +<p>„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens kousen.” +</p> +<p>„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en opdat gij geen +poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels maar afnemen.” +</p> +<p>Voordat de beambte een afwerende beweging kon <span class="pageNum" id="pb20">[<a href="#pb20">20</a>]</span>maken, had Raffles zijn bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen +zijn afzakkende pantalon vasthouden. +</p> +<p>Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht. +</p> +<p>Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen, door te vragen: +</p> +<p>„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?” +</p> +<p>„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je brandewijn. En nu +vooruit! Kom mee!” +</p> +<p>Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de huisdeur open te +sluiten en nam den arrestant mee naar buiten. +</p> +<p>Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen als John Raffles +en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe een flinken slag met de bretels +en sprak op aanmoedigenden toon: +</p> +<p>„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een beetje flink, +anders zal ik je een handje helpen!” +</p> +<p>Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en hij zuchtte: +</p> +<p>„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten sleept midden +in den nacht!” +</p> +<p>Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep: +</p> +<p>„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik geef je alleen +maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een geringere straf krijgt, anders +verzeker ik je, dat je tot levenslange tuchthuisstraf wordt veroordeeld! +</p> +<p><span>„</span>En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het politiebureau!” +</p> +<p>De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen de arrestant +werd binnengebracht. +</p> +<p>Lord Lister groette kortaf. +</p> +<p>Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde hij onmiddellijk +de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als: detective Johnson van Scotland +Yard. +</p> +<p>De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende bewijs voor de +identiteit van den detective, voor handigheid en bekwaamheid. +</p> +<p>„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk protocol op +te maken van het verhoor.” +</p> +<p>„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar Scotland Yard?” vroeg +de officier van politie. +</p> +<p>„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een tweede arrestatie +uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis. +</p> +<p><span>„</span>Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de bekentenis van den weesvader, +die hij hier zal uitspreken, dadelijk op papier te brengen!” +</p> +<p>„<i>Allright</i>” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn secretaris binnen. +</p> +<p>„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon, terwijl hij +hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den goeden raad, dien ik u heb gegeven. +Als gij nu uw misdaden bekent, zult gij een zachte straf krijgen.” +</p> +<p>De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met de rechtermouw,—want +hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn gelaat. +</p> +<p>Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles overvallen en dus op +niets voorbereid geweest. +</p> +<p>Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven, bekende hij, dat +hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had gehad met verscheiden weesmeisjes +en er een bijzonder vermaak in had gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen. +</p> +<p>Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes werden vastgebonden +om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te worden. +</p> +<p>De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en sprak tot Raffles: +</p> +<p>„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den kerel onmiddellijk +onder veilig geleide naar Scotland Yard laten transporteeren!” +</p> +<p>„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van mij mee te geven +aan inspecteur Baxter.” +</p> +<p>De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een dienstcouvert en schreef +daarop: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Aan den heer Inspecteur Baxter, +</p> +<p>Scotland Yard.”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op en sloot het +in het couvert. +</p> +<p>Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen. +</p> +<p>Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem: +<span class="pageNum" id="pb21">[<a href="#pb21">21</a>]</span></p> +<p>„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval is, maak ik +alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!” +</p> +<p>„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles. +</p> +<p>„<i lang="en">Allright!</i>” +</p> +<p>Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar Charly Brand, die +op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid heen en weer liep. +</p> +<p>Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in Hydepark. +</p> +<p>Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn studeerkamer stond. +</p> +<p>Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op zijn schrijftafel +en sprak: +</p> +<p>„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een afgezakte pantalon +laten loopen. +</p> +<p><span>„</span>Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten bekijken om te weten +te komen, wie de vader van het door mij geroofde dienstmeisje is.” +</p> +<p>Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks had hij een +blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij sprong verbaasd op en +riep: +</p> +<p>„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar zijn!” +</p> +<p>Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn schrijftafel, +nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak photographieën te voorschijn. +</p> +<p>Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een portret in cabinetformaat. +</p> +<p>„Lees eens Charly, wat hier staat.” +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het Schotsche regiment lanciers. +Ter herinnering aan onze gezamenlijke campagne in Afrika. +</p> +<p>In trouwe vriendschap +</p> +<p class="signed">Lord Cramesford.”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Gevallen in den slag bij Ladysmith”.</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem een tweede photographie +en wel die uit het pakket van het dienstmeisje overhandigde. +</p> +<p>Vol verbazing riep Charly uit. +</p> +<p>„Dat is hetzelfde portret!” +</p> +<p>Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven, stond hierop: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Aan mijn lieve, dierbare Anny, +</p> +<p class="signed">van haar trouwen +<br>Lord Robert Cramesford”.</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen. +</p> +<p>„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het werktuig ben +van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer te brengen. Ik kan geen andere +verklaring geven omtrent zooveel vreemde dingen, waartoe ik gebracht word. +</p> +<p><span>„</span>Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de slavernij van +schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend uit mijn jeugd. +</p> +<p><span>„</span>Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het dikwijls verwenscht, +dat wij in Engelschen dienst een dergelijken smadelijken veldtocht mee moesten maken. +</p> +<p><span>„</span>Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde voor de kogels +der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval een van ons beiden op het +slagveld mocht blijven, de ander diens zaken zou ordenen. +</p> +<p><span>„</span>Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld. +</p> +<p><span>„</span>Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond uit den ouden +Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de universeele erfgenaam is geworden. +</p> +<p><span>„</span>Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde. +</p> +<p><span>„</span>Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die blijkbaar doelde +op een hartsgeheim, te vervullen. +</p> +<p><span>„</span>Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste inlichting verstrekken. +Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn dood zonder menschelijke dwalingen of +verwikkelingen te zijn voorbijgegaan. +</p> +<p><span>„</span>Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben uitgesproken. Ik +wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou misschien nooit meer aan die gelofte +hebben gedacht, als het huidige geval er mij niet levendig aan had herinnerd.” +</p> +<p>„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand. „Ik zou werkelijk +ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je leiden. Als de tanden van een raderwerk +passen de gevolgen van onze wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein <span class="pageNum" id="pb22">[<a href="#pb22">22</a>]</span>moest door jou gestraft worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen +en het arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen met +een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren! Eigenlijk is— — —” +</p> +<p>John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn schrijftafel plaats +genomen en begon de brieven van zijn overleden vriend te lezen, die deze aan zijn +beminde, de moeder van het door Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven. +</p> +<p>De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in den laatsten +brief, die een dag voor den dood van den afzender was geschreven, hoopte deze op een +spoedig wederzien en op een gelukkig huwelijk. +</p> +<p>Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen, om afstand te +doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het geliefde meisje te kunnen huwen. +</p> +<p>Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en uit allen sprak +zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten, kussen en vragen naar het welzijn +van de kleine Anna Marie, dat men uit elken regel las, hoe diep de liefde zich had +genesteld in het hart van den jongen edelman. +<span class="pageNum" id="pb23">[<a href="#pb23">23</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch5.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">VIJFDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">De weesvader in verhoor.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur van politie +Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van Scotland Yard. +</p> +<p>Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk door op deze +wijze. +</p> +<p>Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap. +</p> +<p>Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „<span lang="de">Lustige <span class="corr" id="xd33e1292" title="Bron: Wittwe">Witwe</span></span>” had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène speelde met +de schoone weduwe. +</p> +<p>Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep: +</p> +<p>„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar juist den weesvader +van de stad Londen als gevangene af.” +</p> +<p>Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de Vloo aan en +antwoordde: +</p> +<p>„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als gevangene in Scotland +Yard?” +</p> +<p>„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan sommige van zijn +collega’s op het vasteland!” +</p> +<p>Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de woorden: +</p> +<p>„Ben je klaar met je preek?” +</p> +<p>„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader zelf, die +hiernaast in de kamer is. +</p> +<p><span>„</span>Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens prikkellectuur leest. +Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke +boeken geen misdadigers maken!” +</p> +<p>„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is met dien weesvader.” +</p> +<p>„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds een bekentenis +afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!” +</p> +<p>„Wie heeft hem gevangen genomen?” +</p> +<p>„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die hem op het +bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is hij!” +</p> +<p>Hij overhandigde Baxter het couvert. +</p> +<p>Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit. +</p> +<p>Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij uitte een vloek +en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij. +</p> +<p>„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend. +</p> +<p>Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge. +</p> +<p>Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en kermde: +</p> +<p>„Raffles!—Raffles!” +</p> +<p>„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel las hij het en +riep toen luidkeels lachend uit: +</p> +<p>„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie aanvragen voor John +Raffles. +</p> +<p><span>„</span>Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten van Scotland +Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij gelezen, wat Raffles schrijft?” +</p> +<p>„Neen, neen,” zuchtte Baxter. +</p> +<p>„Luister dan. Hij schrijft: +</p> +<blockquote> +<p class="first">„Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed exemplaar der menschelijke +boosdoeners, zooals de phantasie van een schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. +Hij is weesvader van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij +<i>een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid</i>! +<span class="pageNum" id="pb24">[<a href="#pb24">24</a>]</span></p> +<p>Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de strafgevangenissen, blijf +ik met voortdurende hoogachting voor u en uw werk, +</p> +<p class="signed">JOHN C. RAFFLES.”</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne Virginia-tabak +te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar heen draaide. +</p> +<p>De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte tot de zwaveldamp +was vervlogen en genoot met de kalmte van een fijnproever van zijn tabak. +</p> +<p>Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak hij: +</p> +<p>„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man niet een verhoor +afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een dergelijk walgelijk individu stuurt, +om, naar hij ons schrijft, onze verzameling te completeeren.” +</p> +<p>Baxter riep op woedenden toon: +</p> +<p>„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om, dat deze booswicht +eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij zweeg, klemde zijn lippen vast +op elkaar en rolde woest met zijn oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles +mij weer tegenover de wereld heeft geblameerd. +</p> +<p><span>„</span>Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan deze weesvader, +als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in vrijheid was gebleven!<span id="xd33e1347">”</span> +</p> +<p>„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons beroep van detective +op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan beambte van politie zijn!” +</p> +<p>De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en weer. +</p> +<p>„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den honderdsten keer! Je +groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!” +</p> +<p>De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde: +</p> +<p>„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo onuitstaanbaar voor +u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is heusch geen genot om bij u, inspecteur, +voor secretaris te moeten spelen!” +</p> +<p>„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik morgen mijn +einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen als den besten en bekwaamsten +van al mijn beambten en het meest geschikt voor het baantje van secretaris. En dit +alleen om je een genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied +voor mijn persoon aan den dag te leggen”. +</p> +<p>„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor u moest hebben, +inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!” +</p> +<p>„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer hooren!” +</p> +<p>„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren van John Raffles! +Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf wel voor, dat er voortdurend +over hem wordt gesproken”. +</p> +<p>De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet had verstaan +en op diens vraag: +</p> +<p>„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze: +</p> +<p>„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!” +</p> +<p>„Hier wordt niet gedacht!” +</p> +<p>„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo. +</p> +<p>„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu de noodige +maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik eindelijk weer wat nachtrust +kan nemen”. +</p> +<p>„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees daar juist een +geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op welke wijze hij dezen keer +de schurken naar den duivel jaagt. Men geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene +misdadiger, niet een man van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!” +</p> +<p>„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen, waarin mijn beambten +het lezen verboden wordt!” +</p> +<p>„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in ons vrije Engeland! +En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een blik wierpt in die boeken, want +daardoor leert men de schurken kennen en verachten! +</p> +<p><span>„</span>Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij beiden bijzonder +goed kunnen gebruiken. +</p> +<p><span>„</span>Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van verdacht, thuis dezelfde +boeken te lezen, want, behalve waar het Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”. +</p> +<p>„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het dan ook zij, +lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel wat anders te doen!” +<span class="pageNum" id="pb25">[<a href="#pb25">25</a>]</span></p> +<p>„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen: „Dan slaapt +men!” +</p> +<p>„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen resultaat. Ik geloof, +Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel Londen omverpraat … +</p> +<p><span>„</span>En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”. +</p> +<p>Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging daar binnen. In +deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van twee politie-agenten, op zijn +verhoor. +</p> +<p>Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den arrestant vol +minachting aan en sprak: +</p> +<p>„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u eindelijk gevangen +hebben genomen”. +</p> +<p>De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig. +</p> +<p>„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde Baxter. +</p> +<p>„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in hechtenis heeft +genomen.” +</p> +<p>„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?” +</p> +<p>Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene haperend en op huilenden +toon: +</p> +<p>„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”. +</p> +<p>„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te spreken!” schreeuwde +Baxter. +</p> +<p>„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt gij, schurken, +allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en later hebt gij er spijt van! +</p> +<p><span>„</span>Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo dom zijt geweest, +u te laten gevangen nemen! +</p> +<p><span>„</span>Maar.…..”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij vergeet maar al +te vaak, dat gij te doen hebt met mij, politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! +Gij vergeet, dat ik met Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng +waar gij behoort! +</p> +<p><span>„</span>Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het tegen mij heeft +uitgehouden!” +</p> +<p>„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde. +</p> +<p>De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel niet bang, +maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot een breeden grijnslach, +zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook gekleurde tanden kon zien. +</p> +<p>„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier zijt om in +een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten tijd zeer slecht en als +dat zoo door blijft gaan— —” +</p> +<p>Hij zweeg en de Vloo vulde aan: +</p> +<p>„Dan ontslaat gij mij!” +</p> +<p>„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op zijn gemak +verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die tijd in overvloed heeft, +gereed om te gaan schrijven. +</p> +<p>„De weesvader van— — —” +</p> +<p>„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!” +</p> +<p>„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?” +</p> +<p>Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo: +</p> +<p>„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben gevonden. Want— +—” +</p> +<p>Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder. +</p> +<p>„.….. In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij verstrekt, van zulk +een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft +de eigenaardigheid, te veel inkt op te zuigen.” +</p> +<p>Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en terwijl de beide +politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen, schreeuwde hij tot Marholm: +</p> +<p>„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den leverancier. Ik maak +ze niet!” +</p> +<p>„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal onbruikbaar zijn!—Gij +kunt wel beginnen, inspecteur!” +</p> +<p>Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu het bericht omtrent +de gevangenname van den weesvader te dicteeren. +</p> +<p>Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de inspecteur van +politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk de handelende persoon in deze +zaak was geweest en niet Baxter. +</p> +<p>Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht. +<span class="pageNum" id="pb26">[<a href="#pb26">26</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch6" class="div1 chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch6.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">ZESDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Haar vader.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan over de nieuwste +gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den weesvader en ook op het gebeurde +met de tanden van den Grooten Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde, +betrekking hadden. +</p> +<p>Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn woorden ongewijzigd +weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen. +</p> +<p>De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en bespotten hem, +daar hij eindelijk zijn meester had gevonden. +</p> +<p>Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te rusten—aan de ontbijttafel +kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een pak couranten naar hem toe en riep: +</p> +<p>„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou op allerlei +manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want, zooals hier in de <i>Times</i> staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan de reporters verteld, dat hij een +ervan als trophee aan zijn horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche +voor zijn vrouw wordt gemaakt.” +</p> +<p>Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het artikel zou opwinden. +In plaats hiervan echter lachte deze en zei: +</p> +<p>„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo hongerig als +een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt gezorgd.” +</p> +<p>„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan tafel ging +zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op het spel!” +</p> +<p>„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch alleen die van +den kapitein.” +</p> +<p>„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet je eerlijk +zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou heeft openbaar gemaakt, +geen Londensche straatjongen meer respect voor je zal hebben. +</p> +<p><span>„</span>In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden. +</p> +<p><span>„</span>Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al tot eerelid benoemd. +De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen, zich jouw tanden laten toonen en +hem voor zijn heldendaad een hooge onderscheiding gegeven.” +</p> +<p>„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er overigens voor nieuws? +Staat er iets over den weesvader in de krant?” +</p> +<p>„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij degene bent, die +den kerel ontmaskerd hebt!” +</p> +<p>„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?” +<span class="pageNum" id="pb27">[<a href="#pb27">27</a>]</span></p> +<p>„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard!” +</p> +<p>„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft zich ditmaal +weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem, dat hij per slot van rekening +toch weer de kous op den kop zal krijgen. +</p> +<p><span>„</span>Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem omgaan en ik hoop +van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie zal blijven. +</p> +<p><span>„</span>Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent de eigenlijke +toedracht der zaken openbaar maken. +</p> +<p><span>„</span>Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen, dat hij mij een +onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets dergelijks voor mijn tanden wordt +uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!” +</p> +<p>Charly Brand lachte vroolijk en sprak: +</p> +<p>„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?” +</p> +<p>„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles. +</p> +<p>„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er vannacht al over, +op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!” +</p> +<p>Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde op zijn gemak +in zijn fauteuil achterover. +</p> +<p>Hij dacht eenige seconden na en rookte. +</p> +<p>Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— — +</p> +<p>Eindelijk stond Raffles op en sprak: +</p> +<p>„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar voorstellen +aan haar grootvader, Lord Cramesford.” +</p> +<p>Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug. +</p> +<p>De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in betrekking was +en die zijn huishouding bestuurde, had haar een eenvoudige, maar keurige japon gekocht, +zoodat Lord Lister verbaasd opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het +meisje nu maakte. +</p> +<p>Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak: +</p> +<p>„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat je je beter +voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op krachten zijn gekomen. +Heb je nog iets op je hart?” +</p> +<p>„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem. +</p> +<p>„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.” +</p> +<p>Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde: +</p> +<p>„Ik weet niet, wat u bedoelt.” +</p> +<p>„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?” +</p> +<p>Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met trillende lippen +sprak zij: +</p> +<p>„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen …” +</p> +<p>„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop de photographie +lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had gegeven. +</p> +<p>Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of zij uitte een +blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar lippen. +</p> +<p>Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit: +</p> +<p>„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!” +</p> +<p>John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij tot haar: +</p> +<p>„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?” +</p> +<p>„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!” +</p> +<p>„Lees eens, wat op het portret staat!” +</p> +<p>Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door Raffles gemaakte +aanteekening omtrent het overlijden. +</p> +<p>Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer, terwijl zij +krampachtig snikte. +</p> +<p>John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem: +</p> +<p><span>„</span>Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood beloofde ik je vader +plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen flauw vermoeden had, op dezelfde +wijze te zorgen als hijzelf. +</p> +<p><span>„</span>Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben geweest en +dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!” +</p> +<p>Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem neerknielende, +greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen. +</p> +<p>John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug. +</p> +<p>Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag. +</p> +<p>Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij <span class="pageNum" id="pb28">[<a href="#pb28">28</a>]</span>haar op, zette haar in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken. +</p> +<p>Na een lange pauze vervolgde Lord Lister: +</p> +<p>„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je zijn naam +nooit had gehoord.” +</p> +<p>„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te zien, lette +ik niet op den inhoud van het geschrevene.” +</p> +<p>„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde regiment. +</p> +<p><span>„</span>Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der meest geachte.” +</p> +<p>John Raffles zweeg. +</p> +<p>In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een beeldschoone, eenigszins +lichtzinnige jonge man, die echter een hart van goud had gehad en geen vlieg ooit +kwaad had gedaan. +</p> +<p>„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader hooren!” smeekte +Anna Marie. +</p> +<p>„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie behoort nu nog tot +de meest gegoede van Engeland. +</p> +<p><span>„</span>Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is kamerheer van den +koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan opzoeken en hoop, dat de oude heer +jou, het eenige kind van zijn jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken +en tot zich nemen.” +</p> +<p>Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek. +</p> +<p>John Raffles zag dit en vroeg: +</p> +<p>„Waarover maak je je ongerust?” +</p> +<p>„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den ouden Lord. Laat +mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken. +</p> +<p><span>„</span>De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft tegen mij gezegd, +toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en handig ben!” +</p> +<p>„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het uitstekende +ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename van een Lord, zou ik je +voorstel dadelijk aannemen!” +</p> +<p>„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij hebt mijn +vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen Lady, ik ben maar een +dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de keuken bezig te zijn.” +</p> +<p>„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je wensch niet vervullen. +Zelfs al zou de oude Lord je niet willen erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady +laten opvoeden en evengoed voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou +je willen hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?” +</p> +<p>Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje: +</p> +<p>„Neen, neen, een belofte moet men houden!” +</p> +<p>„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne nemende, „moet +je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een voornaam Engelsch officier, zou van +zijn dochter nooit een dienstmeisje hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij +mee.” +</p> +<p>Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje gadegeslagen. +</p> +<p>De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat Raffles de kamer +verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol ontroering: +</p> +<p>„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—” +</p> +<p>Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde: +</p> +<p>„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den Bijbel, dat luidt: +„Bemin je naasten als jezelf!” +</p> +<p><span>„</span>Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar handelden, maar—helaas—” +</p> +<p>En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug, nam de kranten +op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd met lezen te verdrijven, +en zuchtte: +</p> +<p>„Helaas!” +<span class="pageNum" id="pb29">[<a href="#pb29">29</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7" class="div1 last-child chapter"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#ch7.toc">Inhoud</a>]</span><div class="divHead"> +<h2 class="label">ZEVENDE HOOFDSTUK.</h2> +<h2 class="main">Tand om tand.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug. +</p> +<p>Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven. +</p> +<p>Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een heftigheid, +die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan, terwijl hij riep: +</p> +<p>„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de wereld verdwenen +was!” +</p> +<p>„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging zitten en, +om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak. +</p> +<p>Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij: +</p> +<p>„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de manier, waarop +die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde, mij, den eenigen vriend van +zijn oudsten zoon, was schandelijk! +</p> +<p><span>„</span>Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en wees mij met het +arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam vragen, de deur”. +</p> +<p>Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het hoofd. +</p> +<p>Na eenige seconden vroeg hij: +</p> +<p>„En wat denk je nu te doen?” +</p> +<p>John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei: +</p> +<p>„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van haar grootvader, +een nette opvoeding kan laten geven. +</p> +<p><span>„</span>Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het vaderlijke erfdeel +toevertrouwen!— +</p> +<p>„Wat zeggen de avondbladen, Charly?” +</p> +<p>„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”. +</p> +<p>Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad geworpen of hij +riep lachend uit: +</p> +<p>„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen als water! +De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van musea, gekke Amerikanen en +nog een massa andere menschen, den kapitein ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben +geboden”. +</p> +<p>„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op welke wijze +jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!” +</p> +<p>John Raffles lachte opnieuw en antwoordde: +</p> +<p>„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”. +</p> +<p>Charly vroeg op verbaasden toon: +</p> +<p>„Wil jij je tanden verkoopen?” +</p> +<p>„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan, dat de dochter +van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van Engeland zal worden”. +</p> +<p>„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?” +</p> +<p>Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en antwoordde: +</p> +<p>„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie naar de kranten +en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve bladzijde beslaan. +</p> +<blockquote> +<p class="first h2"><i>TANDEN VAN RAFFLES</i> +</p> +<p class="center"><i>biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan!</i> +<span class="pageNum" id="pb30">[<a href="#pb30">30</a>]</span></p> +<p>Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein <span class="corr" id="xd33e1604" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten behoeve van liefdadige +doeleinden aan de meestbiedenden door notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen. +</p> +<p>Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot dezen wenden.</p> +</blockquote><p> +</p> +<p>„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten bezorgen en meteen +notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige van mijn tanden zal sturen, die +hij tegen de hoogste prijzen aan liefhebbers moet verkoopen!— +</p> +<p><span>„</span>Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar een paar dozijn +porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet je mij brengen. Ik zal ze met +een brief aan Smithson zenden. +</p> +<p><span>„</span>Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen enkele tandarts +in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik zal ze alle hebben verbruikt”. +</p> +<p>Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en blijft een +genie!” +</p> +<p>John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg: +</p> +<p>„Heb je daar ooit aan getwijfeld?” +</p> +<p>Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak: +</p> +<p>„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden eens keurig +netjes in orde! +</p> +<p><span>„</span>Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.” +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p>Kapitein <span class="corr" id="xd33e1629" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span> zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper, toen het nieuwe dienstmeisje +hem een visitekaartje bracht met de woorden: +</p> +<p>„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.” +</p> +<p>Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel. +</p> +<p>De kapitein stond op en sprak: +</p> +<p>„Breng den journalist hier!” +</p> +<p>Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten, meerendeels familieleden +van zijn vrouw: +</p> +<p>„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover dezen heer, want +hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde, een mensch, die door zijn woorden +iemand tot een beroemdheid kan maken. Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.” +</p> +<p>Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant gekleed heer, +de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten zich tot den kapitein wendde: +</p> +<p>„Ik ben de vertegenwoordiger van de <i lang="en">New-York Herald</i> en kreeg bevel van mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke +geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen mededeelen. +Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze aangelegenheid verzenden.” +</p> +<p>Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den honderdsten keer +in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over den bokserslag en zijn zege +over Raffles. +</p> +<p>„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden! Een heb ik +aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan haar armband!” +</p> +<p>„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op bescheiden toon. +</p> +<p>Opnieuw boog <span class="corr" id="xd33e1650" title="Bron: Mac Govern">McGovern</span> gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak: „Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!” +</p> +<p>„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan de tand hing, +in diamanten gevat. +</p> +<p>Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan het horloge was +bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden verslaggever. +</p> +<p>Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak: +</p> +<p>„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!” +</p> +<p>„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg: +</p> +<p>„Hoe kent gij ze?” +</p> +<p>„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en scherp, „ik zal +mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —” +</p> +<p>Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin: +</p> +<p>„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde en opdat gij +de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als souvenir achterlaten! +</p> +<p><span>„</span>Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie het titelblad.) +</p> +<p>Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een woord te zeggen, +week de kapitein voor Raffles terug. +</p> +<p>Als verlamd zaten de gasten om de tafel. +</p> +<p>Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een geweldige vuistslag +neer op het gelaat van <span class="corr" id="xd33e1670" title="Bron: Mc. Govern">McGovern</span>, zoodat zijn valsch gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel. +<span class="pageNum" id="pb31">[<a href="#pb31">31</a>]</span></p> +<p>„Tand om tand!” herhaalde John Raffles. +</p> +<p>Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende buiging voor +de gasten en sprak: +</p> +<p>„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!” +</p> +<p>Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles verdwenen. +</p> +<p>Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie geschreeuwd en het duurde +niet lang of van het politiebureau in dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis +binnen. +</p> +<p>Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was. +</p> +<p>Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en begrepen, dat de held +van de Iersche garde alles gelogen had. +</p> +<p>„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets was gebeurd. +Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde advertentie. Daarin stond, dat John +Raffles zijn tanden had teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende +zou laten verkoopen.” +</p> +<p>„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den kapitein. +</p> +<p>„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!” jammerde <span class="corr" id="xd33e1686" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span>. +</p> +<p>Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis. +</p> +<hr class="tb dashed"><p> +</p> +<p>Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen honderden personen, +wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar tanden van Raffles, kon antwoorden: +</p> +<p>„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij zelf gestuurd— +—” +</p> +<p>Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000 pond sterling +voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend: +</p> +<p>„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!” +</p> +<p>John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht aan de Engelsche +pers: +</p> +<p>„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten verzekeren, +dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal nu vragen of de tanden +werkelijk uit mijn mond kwamen. +</p> +<p><span>„</span>Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit alleen kapitein +<span class="corr" id="xd33e1703" title="Bron: Mc Govern">McGovern</span> van de Iersche garde. +</p> +<p><span>„</span>Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van zoo’n held van +den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding laat behouden, die ik den kapitein +heb ontnomen.” +</p> +<hr class="tb dashed"><p> +</p> +<p>Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij: +</p> +<p>„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren! +</p> +<p><span>„</span>Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de zes gebochelde +hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien, dat ik van goede scherts houd +en er dankbaar voor ben, dat hij mij van zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord +Edward Lister, genaamd John C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein +heeft afgenomen.” +</p> +<p>Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij zuchtend tot de vloo: +</p> +<p>„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de Groote Onbekende, +John C. Raffles willen zijn!” +</p> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div class="div1 notice"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first center">De volgende aflevering (No. 46) bevat: +</p> +<p class="center xxl">„Vereeniging ter bevordering van goede zeden”. +<span class="pageNum" id="pb32">[<a href="#pb32">32</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="div1 advertisement"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first"><span class="xxl underline">Pakkend!</span> <span class="xxl underline xd33e1730">Sensationeel!</span> +</p> +<p class="xl">Boeiend zijn de avonturen van den beroemden Amerikaanschen Detective +</p> +<p class="xxxl center">NICK CARTER, +</p> +<p class="xl">het mooiste wat ooit op het gebied van Detective-verhalen verschenen is. +</p> +<hr class="tb"><p> +</p> +<p class="center">Elke aflevering bevat een afgerond verhaal. +</p> +<p class="large center"><b>Prijs per aflevering 10 CENT.</b> +</p> +<p class="center">Te bekomen in den boekhandel en bij den Uitgever +</p> +<p class="large center">Roman-Boekhandel voorheen A. EICHLER te Amsterdam.</p> +</div> +</div> +<p><span class="pageNum" id="pb33">[<a href="#pb33">33</a>]</span></p> +<div class="div1 cover"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first underline xd33e1753">Belooning: 1000 pond sterling. +</p> +<div class="table"> +<table class="tbl.wanted.header"> +<tr> +<td class="xd33e1756 cell-left cell-top xd33e1760">Wie kent hem? +</td> +<td rowspan="2" class="rowspan xd33e1757 cell-top cell-bottom"> +<div class="figure lordlisterwidth"><img src="images/lordlister.png" alt="Portret van Lord Lister." width="307" height="404"></div> +</td> +<td class="xd33e1756 cell-right cell-top xd33e1760">Wie heeft hem gezien? +</td> +</tr> +<tr> +<td class="xd33e1756 cell-left cell-bottom">Dat vraagt men in Scotland Yard! +</td> +<td class="xd33e1756 cell-right cell-bottom">Dat vraagt heel Londen!</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +<p class="xd33e1775">Lord Lister <span class="underline xd33e1777">genaamd</span> John C. Raffles, <span class="xd33e1780">de geniaalste aller dieven</span> +</p> +<p class="xd33e1783">brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; +ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt +en behoeftigen ondersteunt. +</p> +<p class="xd33e1785">Man van eer in alle opzichten +</p> +<p class="xd33e1783">spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing +op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat: +</p> +<p class="xd33e1789">Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren. +</p> +<p class="xd33e1783">Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, <b>Lord Lister</b>, genaamd <b>John C. Raffles</b>, den geniaalsten aller dieven, te vatten! +</p> +<div lang="en" class="div2 section warrant.en"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><table class="alignedText"> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p class="first xd33e1800">WARRANT OF ARREST. +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p class="first"><span class="underline">Vertaling</span>: +</p> +<p class="xd33e1912">Bevel tot aanhouding. +</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p>Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension +of the man described as under: +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p>Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt: +</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p class="xd33e1804">DESCRIPTION: +</p> +<div class="table"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Name</span>: </td> +<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, alias John C. <span class="corr" id="xd33e1814" title="Bron: Sinclair">Raffles</span>. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Age</span>: </td> +<td class="cell-right">32 to 35 years. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Height</span>: </td> +<td class="cell-right">5 feet nine inches. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Weight</span>: </td> +<td class="cell-right">176 pounds. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Figure</span>: </td> +<td class="cell-right">Tall. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Complexion</span>: </td> +<td class="cell-right">Dark. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Hair</span>: </td> +<td class="cell-right">Black. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Beard</span>: </td> +<td class="cell-right">A slight moustache. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Eyes</span>: </td> +<td class="cell-right">Black. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Language</span>: </td> +<td class="cell-right cell-bottom">English, French, German, Russian, etc.</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p class="xd33e1804">Beschrijving: +</p> +<div class="table"> +<table> +<tr> +<td class="cell-left cell-top"><span class="ex">Naam</span>: </td> +<td class="cell-right cell-top">Lord Edward Lister, genaamd John C<span id="xd33e1926">.</span> Raffles. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Leeftijd</span>: </td> +<td class="cell-right">32–35 jaar. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Lengte</span>: </td> +<td class="cell-right">ongeveer 1,76 meter. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Gewicht</span>: </td> +<td class="cell-right">80 kilo. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Gestalte</span>: </td> +<td class="cell-right">slank. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Gelaatskleur</span>: </td> +<td class="cell-right">donker. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Haar</span>: </td> +<td class="cell-right">zwart. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Baardgroei</span>: </td> +<td class="cell-right">kleine snor. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left"><span class="ex">Oogen</span>: </td> +<td class="cell-right">zwart. +</td> +</tr> +<tr> +<td class="cell-left cell-bottom"><span class="ex">Spreekt</span> </td> +<td class="cell-right cell-bottom">Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.</td> +</tr> +</table> +</div><p> +</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p><span class="ex">Special notes</span>: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other +day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p><span class="ex">Bijzondere kenteekenen</span>: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een +ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam +onbekend. +</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p>Charged with robbery. +</p> +<p>A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p>Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 +pond sterling. +</p> +</td> +</tr> +<tr> +<td class="first" lang="en"> +<p class="xd33e1804">Headquarters—Scotland Yard. +</p> +<p class="dateline"><span class="ex">London</span>, 1<sup>st</sup> October 1908. +</p> +<p class="signed"><b>Police Inspector</b>,<br> +<span class="ex">Horny.</span> +</p> +</td> +<td class="second" lang="nl"> +<p><b><i>Het Hoofdbureau van Politie <span class="corr" id="xd33e2002" title="Bron: Scotland-Yard">Scotland Yard</span>.</i></b> +</p> +<p class="dateline"><span class="ex">Londen</span>, 1. <span class="corr" id="xd33e2010" title="Bron: Oktober">October</span> 1908. +</p> +<p class="signed"><b><span class="corr" id="xd33e2015" title="Bron: Inspekteur">Inspecteur</span> van Politie</b><br> +(get.) <span class="ex">Horny</span>. +</p> +</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +</div> +<div class="div1 imprint"><span class="pageNum">[<a title="Ga naar de inhoudsopgave" href="#toc">Inhoud</a>]</span><div class="divBody"> +<p class="first xd33e2024">Roman-Boekhandel <span class="xd33e2026">voorheen</span> A. Eichler +</p> +<p class="xd33e121">Singel 236—Amsterdam. +</p> +</div> +</div> +<div class="div1" id="toc"> +<h2 class="main">Inhoudsopgave</h2> +<table> +<tr id="ch1.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">I. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1">Een ontmoeting in den Tower.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch1">1</a></td> +</tr> +<tr id="ch2.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">II. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2">Vreemde heldenmoed.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch2">5</a></td> +</tr> +<tr id="ch3.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">III. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3">Twee tanden.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch3">9</a></td> +</tr> +<tr id="ch4.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">IV. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4">Het gestolen dienstmeisje.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch4">17</a></td> +</tr> +<tr id="ch5.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">V. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5">De weesvader in verhoor.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch5">23</a></td> +</tr> +<tr id="ch6.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VI. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6">Haar vader.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch6">26</a></td> +</tr> +<tr id="ch7.toc" class="tocLevel0"> +<td class="tocDivNum">VII. </td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7">Tand om tand.</a></td> +<td class="tocPageNum"><a class="pageref" href="#ch7">29</a></td> +</tr> +</table> +</div> +<div class="transcriberNote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Codering</h3> +<p>Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het +einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel +zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van +dit boek.</p> +<h3 class="main">Documentgeschiedenis</h3> +<ul> +<li>2026-04-04 Begonnen. +</li> +</ul> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende 146 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table class="correctionTable"> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +<th>Bewerkingsafstand</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><i title="101 gevallen">Passim. +</i></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">„</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e158">2</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.”</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”.</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e176">2</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Picadilly</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Piccadilly</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e214">2</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">had </td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">4</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e230">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">concierge</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">conciërge</td> +<td class="bottom">1 / 0</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e235">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">excercitieveld</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">exercitieveld</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e240">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">excerceeren</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">exerceeren</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e253">3</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,”</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e283">4</a>, <a class="pageref" href="#xd33e332">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e566">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e949">16</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1604">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1650">30</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Mac Govern</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e317">4</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">terwij</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">terwijl</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e339">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1105">19</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1686">31</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1703">31</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Mc Govern</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e353">5</a>, <a class="pageref" href="#xd33e425">6</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1629">30</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1670">30</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Mc. Govern</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e384">6</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdeiging</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">verdediging</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e550">8</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">dr.</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Dr.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e560">8</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1115">19</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoorde</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">antwoordde</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e581">9</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">strand</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Strand</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e593">9</a>, <a class="pageref" href="#xd33e1292">23</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="de">Wittwe</td> +<td class="width40 bottom" lang="de">Witwe</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e647">10</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vloo</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Vloo</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e691">11</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">één-familiehuis-huis</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">één-familie-huis</td> +<td class="bottom">4</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e694">11</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">,</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Verwijderd</i>] +</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e790">13</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">trecht</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">terecht</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e850">14</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">groote</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Groote</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e867">14</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Govern</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">McGovern</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e992">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">haar</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">hen</td> +<td class="bottom">3</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e998">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vreeselijk</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">vreeselijke</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1004">17</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">weesvader je?”</td> +<td class="bottom">14</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1068">18</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Een</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Er</td> +<td class="bottom">2</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1347">24</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">”</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1814">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="en">Sinclair</td> +<td class="width40 bottom" lang="en">Raffles</td> +<td class="bottom">7</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e1926">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl"> +[<i>Niet in bron</i>] +</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">.</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2002">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland-Yard</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Scotland Yard</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2010">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Oktober</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">October</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20"><a class="pageref" href="#xd33e2015">33</a></td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspekteur</td> +<td class="width40 bottom" lang="nl">Inspecteur</td> +<td class="bottom">1</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div style='text-align:center'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***</div> +</body> +</html> diff --git a/78378-h/images/lordlister.png b/78378-h/images/lordlister.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..e9e45f1 --- /dev/null +++ b/78378-h/images/lordlister.png diff --git a/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg b/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..0a9189c --- /dev/null +++ b/78378-h/images/lordlister0045-front.jpg diff --git a/78378-h/images/p0045-01.png b/78378-h/images/p0045-01.png Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..54d29fd --- /dev/null +++ b/78378-h/images/p0045-01.png diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6c72794 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This book, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..fcd067e --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for eBook #78378 +(https://www.gutenberg.org/ebooks/78378) |
