summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/78378-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '78378-0.txt')
-rw-r--r--78378-0.txt3143
1 files changed, 3143 insertions, 0 deletions
diff --git a/78378-0.txt b/78378-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..deb9ad6
--- /dev/null
+++ b/78378-0.txt
@@ -0,0 +1,3143 @@
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***
+
+
+
+
+ LORD LISTER
+ GENAAMD RAFFLES
+ DE GROOTE ONBEKENDE.
+
+ NO. 45 HET GESTOLEN DIENSTMEISJE.
+
+
+
+
+
+
+
+
+HET GESTOLEN DIENSTMEISJE
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN ONTMOETING IN DEN TOWER.
+
+
+„Ik heb lust om een wandeling te maken”, sprak Raffles, de zoozeer
+bewonderde, gevierde, maar tevens overal gezochte gentleman-meesterdief
+van Londen, tot zijn vriend Charly Brand, „het is zulk heerlijk
+zomerweer, dat het bijna onmogelijk is om thuis te blijven”.
+
+Charly Brand, die bij het venster zat in een schommelstoel en een
+sigaret rookte, stond op en antwoordde:
+
+„Ik hoop, dat je gisteren de nieuwste publicatie van politie-inspecteur
+Baxter zult hebben gelezen, waarbij deze de belooning op jouw
+gevangenname met 500 pond heeft verhoogd”.
+
+Raffles lachte luidkeels, zoodat zijn vriend hem vol verbazing aankeek.
+
+„Waarom lach je?” vroeg de secretaris.
+
+„Ik amuseer mij erover”, sprak Raffles, „dat men op mijn persoon een
+hoogere premie heeft gesteld dan ooit te verdienen was aan de vangst
+van een gevaarlijk moordenaar; op mijn persoon, die nog nimmer eenig
+mensch kwaad heb gedaan, die zelfs geen vlieg zou kunnen dooden en die
+er zich alleen mee bezig houd, ellendelingen en gemeene schurken, die
+onder bescherming der wet hun medemenschen eer, have en goed ontrooven,
+een welverdiende straf te bezorgen.
+
+„Ik geloof, dat nog nimmer door de Engelsche Regeering een hoogere
+prijs is uitgeloofd voor een harer onderdanen.
+
+„Zelfs op koning Karel was de premie, welke de Lord Protector Cromwell
+wilde betalen, niet meer dan een ellendige 1000 pond en bij mij...”
+
+Hij knipte de asch van zijn sigaret door het geopende venster en keek
+peinzend naar buiten.
+
+„Bij jou zijn het 4000 pond”, riep Charly uit.
+
+„Vierduizend pond”, herhaalde zijn vriend, „ik hoop, dat ik in de
+gelegenheid zal zijn, wanneer ik eenmaal mijn einde voel naderen, om
+tot den een of anderen armen drommel te zeggen, die het geld best kan
+gebruiken:
+
+„Mijn lieve vriend, neem mij mee en breng mij voorzichtig als een
+kostbaar voorwerp, dat 4000 pond waard is, naar het hoofdbureau van
+politie en zeg daar: hier is John Raffles!”
+
+„Ik houd je er toe in staat”, sprak zijn secretaris, een nieuwe sigaret
+aanstekend.
+
+„Ja zeker”, antwoordde Raffles, „ik geef je mijn eerewoord, dat ik mij
+niet eerder zal overgeven aan den hooggeachten inspecteur van politie
+Baxter, dan wanneer hij den armen drommel de 4000 pond heeft
+uitbetaald.”
+
+Charly Brand lachte en sprak:
+
+„Ik geloof, dat jij, als de arme kerel de 4000 pond sterling heeft
+gekregen, met een van je beroemde Rafflesstreken den heer Baxter en het
+geheele hoofdbureau van politie een poets zult bakken, die meer dan
+4000 pond waard is, want je zult in rook verdwijnen”.
+
+Lord Lister sloeg hem schertsend op den schouder en zei:
+
+„Ik kan je geen ongelijk geven.
+
+„Misschien zal ik nog eens, wanneer wij het geld noodig hebben, jou
+voor dien armen man laten doorgaan. Je kunt mij dan naar inspecteur
+Baxter brengen, je het geld laten uitbetalen en wij maken er samen een
+reis van naar het vasteland.
+
+„Maar laat ons nu gaan!”
+
+John Raffles nam zijn cylinder, die op de schrijftafel stond en zijn
+stok met zwaren gouden knop, die door middel van een geheime veer
+geopend kon worden en die van binnen een waar arsenaal van kunstig
+bewerkte inbrekerswerktuigen bevatte.
+
+Ook Charly Brand greep naar zijn hoed en sprak tot zijn vriend, die al
+in de deur stond:
+
+„Wil je zonder vermomming de straat op gaan?”
+
+„Natuurlijk!” lachte Lord Lister.
+
+„Baxter en zijn detectives herkennen mij het allerminst, wanneer ik zoo
+ga. Ik had korten tijd geleden het genoegen om te zien, hoe onze
+wederzijdsche vriend een oude fruitvrouw, een Iersche met zeere oogen,
+een wijf van minstens zeventig jaar, die in de buurt van Piccadilly
+rotte sinaasappelen verkocht, met behulp van zijn detectives gevangen
+nam, onder de beschuldiging”—hij lachte hartelijk—„dat zij John C.
+Raffles was en haar naar Scotland Yard liet brengen. Schitterend,
+nietwaar?”
+
+„Als jij het mij niet vertelde, zou ik het niet gelooven. Het klinkt
+wel een beetje onwaarschijnlijk!”
+
+„En zij had een bochel, zooals de hofnar van wijlen koningin Elisabeth
+van Engeland niet eens had. Je weet immers, Charly, dat die koningin
+van gebochelde mannen hield!”
+
+„Merkwaardig,” antwoordde Charly Brand, „bestudeer jij de
+geschiedenis?”
+
+„Dat was immers vroeger mijn geliefkoosde studie,” merkte zijn vriend
+op, „ik lees graag over de bijzonderheden van historische personen.”
+
+„Het is vreemd,” sprak de secretaris, „dat Elisabeth, die bekend stond
+als iemand met veel schoonheidsgevoel, er een dergelijke gril op
+nahield. Hoe kun je dat verklaren?”
+
+„Mijn beste jongen, ik heb te veel achting voor je onschuld, dan dat ik
+jou zou willen verklaren, welke bijzondere aantrekkelijkheden koningin
+Elisabeth vond in haar half dozijn gebochelde hofnarren.
+
+„Maar kom nu mee!
+
+„En omdat wij juist over koningin Elisabeth spreken, willen wij onze
+wandeling maken naar de plek, waar die dame met de ijzersterke zenuwen
+haar breede voeten heeft gezet. Laat ons naar den Tower gaan!”
+
+„Het is jammer, dat jij niet professor in de geschiedenis bent
+geworden! Je hebt een eigenaardige gave om droge onderwerpen op
+interessante wijze te behandelen.
+
+„Verklaar mij die geschiedenis van koningin Elisabeth toch eens nader!
+
+„Je vertelt mij daar allerlei moois omtrent mannen met bochels,
+ijzersterke zenuwen en een half dozijn hofnarren—dat is inderdaad
+genoeg om niet alleen een vrouw, maar zelfs een man nieuwsgierig te
+maken.”
+
+„Als wij in het rijtuig zitten, zal ik het je vertellen.”
+
+„Prachtig!” riep Charly Brand, „zoo gauw mogelijk een huurrijtuig!”
+
+Hij snelde de trap af, opende de huisdeur en riep een cab aan, die,
+volgens Londensch gebruik, midden op de straat stond.
+
+„Naar den Tower!” riep Raffles den koetsier toe en sprong in het
+rijtuig, terwijl Charly Brand hem volgde.
+
+Nadat zij eenigen afstand hadden afgelegd, sprak de secretaris:
+
+„Je beloofdet mij, mij het een en ander over die ijzersterke zenuwen te
+vertellen.”
+
+„Ja,” antwoordde John Raffles, „kijk eens naar het paard voor deze cab!
+Een mooi beest, nietwaar?”
+
+„Jawel,” knikte de jonge man, „maar wat heeft dat paard te maken met
+koningin Elisabeth van Engeland?”
+
+Raffles boog zich naar hem toe en fluisterde:
+
+„Heb je nooit gehoord, dat in den Tower—”
+
+Het rumoer op straat maakte het verdere onverstaanbaar.
+
+„Een sigaret?” vroeg John Raffles na een korte pauze, terwijl hij zijn
+met diamanten versierd sigarettenétui te voorschijn haalde uit zijn
+borstzak.
+
+Dit étui had hij twee jaar geleden den grootvorst Wladimir in Monte
+Carlo afhandig gemaakt.
+
+Charly Brand nam een sigaret, Lord Lister eveneens.
+
+Daarop liet hij de stralen der zon op het étui vallen, zoodat de
+diamanten in bonte kleurenpracht schitterden.
+
+„De dame, die dit waardevolle voorwerp eenmaal weggaf, heeft veel
+overeenkomst met die Engelsche koningin. Het was de bekende Catharina,
+die haar gunsteling Iwanoff voor zijn staatkundige bekwaamheden dit
+étui vereerde.”
+
+„Ik weet niet, wat je vandaag bezielt!” sprak Charly Brand.
+
+„Misschien wil je mij nu een beetje gaan vertellen van de intimiteiten
+van Catharina en haar kamerdienaar, den lateren vorst Iwanoff.”
+
+„Als het je genoegen doet,” antwoordde zijn vriend lachend, „ik ben
+tamelijk goed op de hoogte.”
+
+„Dank je, ik heb nu genoeg,” antwoordde Charly Brand, „ik geloof, dat
+de warmte invloed op je heeft. De wandeling in den Tower aan de koele
+Theems zal je goed doen!”
+
+„Wij zullen er het beste van hopen!” sprak John Raffles met de grootste
+kalmte.
+
+Het verdere gedeelte van den tocht legden zij zwijgend af en, nadat zij
+de Towerbrug over gereden hadden, stapten zij uit en namen bij den
+conciërge kaarten om toegang te krijgen.
+
+Met langzame schreden gingen zij de brug over, welke over de breede,
+vroegere slotgracht voert; deze gracht is nu gedempt en herschapen in
+een grasveld, dat als exercitieveld dienst doet voor de Iersche garde,
+welke in den Tower verblijf houdt.
+
+Juist toen zij midden op de brug waren gekomen, marcheerde een
+afdeeling van dit regiment in de bekende nauwe broeken, de roode jasjes
+en de grijze kepi’s, naar buiten om te gaan exerceeren.
+
+John Raffles monsterde met de belangstelling van een gewezen officier
+de rijzige, krachtige, gespierde gestalten.
+
+Op eenigen afstand liepen de officieren met lichte, sierlijke
+wandelstokjes in de handen, waarmee zij speelden als dames met haar
+waaiers. Deze dunne, zoo onschuldig lijkende voorwerpen waren echter
+zeer gevreesde tuchtigingsinstrumenten.
+
+In de hand van een wreedaardig officier was een dergelijk stokje van
+het beste Indische peperriet, voorzien van een dunne stalen stang en
+een verguld looden knop als handvat, een gruwelijk martelwerktuig.
+
+John Raffles kende ze maar al te goed. Ook in zijn regiment in Afrika
+werden zij veelvuldig gebruikt bij het drillen der recruten.
+
+Een kleine, dikke kapitein van de Iersche garde liep op dit oogenblik,
+kuchend en snuivend als een Nijlpaard, langs de wandelaars en keek met
+zijn kleine, door dikke vetplooien omgeven oogen, als een boosaardig
+insect naar zijn manschappen.
+
+Raffles merkte op, dat de lieden, die hij commandeerde, schuw als
+mishandelde honden naar den kleinen kapitein keken.
+
+Onophoudelijk zwaaide hij zijn stok door de lucht en het leek er naar,
+alsof hij elk oogenblik een der soldaten wegens een verkeerden pas een
+slag wilde geven.
+
+„Dat is de menschenbeul van het regiment,” sprak Raffles tot Charly
+Brand, „ik zou wel durven zweren, dat die kerel in geval van oorlog
+meerdere kogels van zijn eigen manschappen zou krijgen!
+
+„Laat ons eens kijken, hoe dat sujet zijn luidjes bij het exerceeren
+zal behandelen!”
+
+Zij bleven op de brug staan en keken over de leuning kalm naar het
+exercitieterrein beneden hen.
+
+Dicht bij Raffles exerceerde de compagnie van den kleinen kapitein.
+
+Met harde stem, die een hatelijken klank had als het schelden van een
+vischwijf, gaf hij zijn bevelen en liet hij zijn manschappen oefenen.
+
+Af en toe liet hij een van hen naar voren treden, die zich volgens zijn
+meening niet flink genoeg bewoog en overlaadde hem met een vloed van de
+gemeenste scheldwoorden, zoodat Raffles beweerde, dat deze bepaald
+afkomstig moesten zijn van de vrouw van dezen bullebak.
+
+„Ik verzeker je”, sprak hij tot Charly, „dat zelfs een Pruisisch
+dragonder dergelijke scheldwoorden niet kent. Nu—kijk eens!”
+
+Charly Brand zag, hoe de officier, met zijn stok een der Iersche
+soldaten zoo onbarmhartig tegen de scheenbeenen sloeg, dat de groote,
+sterke kerel in elkaar zakte.
+
+„Een walgelijk sujet!” sprak de Groote Onbekende, „het spijt mij, dat
+ik niet het een of andere voorwerp bij de hand heb om hem de hersens in
+te gooien.”
+
+„Nette voornemens”, lachte Charly Brand.
+
+„Kijk eens, nu heeft hij een tweede slachtoffer!”
+
+Charly Brand zag een gevaarlijke uitdrukking in de oogen van zijn
+vriend, toen de Engelsche kapitein een tweede der manschappen op
+dezelfde wijze met zijn stok sloeg.
+
+Dicht bij hem stond een soldaat, die ook naar het exerceeren van zijn
+kameraden keek, waaraan hij niet behoefde mee te doen.
+
+John Raffles haalde een shillingstuk uit den zak en wendde zich tot
+hem.
+
+Hij sprak hem op den toon der officieren aan met de woorden:
+
+„Kom eens hier, mijn vriend.”
+
+„Met genoegen, Sir”, antwoordde de soldaat en, vermoedend, met een
+superieur in burgerkleeding te doen te hebben, maakte hij onwillekeurig
+het militair saluut.
+
+Lord Lister drukte hem het shillingstuk in de hand en sprak:
+
+„Jij kunt mij wel inlichtingen geven. Hoe heet de kapitein daar
+beneden, die het bevel voert over de eerste compagnie?”
+
+De gevraagde wierp een blik over de leuning en toen hij had gezien, wie
+bedeeld werd, antwoordde hij zoo zacht, alsof hij bang was, den naam
+van den gevreesden officier op luiden toon uit te spreken:
+
+„Kapitein McGovern.”
+
+„Zoo, zoo”, knikte de Groote Onbekende, „weet je misschien ook
+toevallig, waar de woning van dien heer is?”
+
+„Ja, Sir”, antwoordde de soldaat, „ik stond vroeger in zijn compagnie
+en moest dikwijls den oppasser helpen kleeden kloppen. De kapitein
+woont Hamilton Road 16.”
+
+„Zoo, zoo”, sprak Raffles, „ik herinner mij dat adres. Een van mijn
+vrienden woont in het huis er vlak naast en vertelde mij dat zijn vrouw
+een draak is.”
+
+„Ja, Sir, dat is waar. Thuis mag de kapitein geen mond opendoen. Alle
+woede, die hij dan moet opkroppen, lucht hij tegenover zijn
+manschappen. Wij noemen hem in het regiment den menschenbeul.”
+
+„Dank je wel”, sprak de Groote Onbekende groetend en begaf zich met
+Charly Brand naar den Tower.
+
+Het stond hem tegen, nog langer toeschouwer te zijn van dit brutale
+optreden.
+
+Zwijgend liepen zij de hofpleinen over en Charly Brand hoorde, hoe zijn
+vrind meerdere malen mompelde:
+
+„Hamilton Road 16.”
+
+Hij scheen een plan te maken.
+
+Toen zij na eenigen tijd den Tower verlieten, keerden de soldaten naar
+de kazernes terug.
+
+In breede rijen vulden zij de straat en ook nu liepen de officieren op
+het trottoir.
+
+Dit trottoir was op de brug zoo smal, dat slechts twee personen elkaar
+konden passeeren.
+
+Juist toen John Raffles de brug betrad, kwam van de andere zijde de
+bovenbedoelde kapitein met zijn compagnie aan.
+
+„Om ’s hemels wil, bega geen domheden”, verzocht Charly Brand, die
+vermoedde, dat Raffles een plan smeedde tegen den kapitein.
+
+En hij had zich niet vergist.
+
+Lord Lister greep plotseling den arm van zijn vriend en hield dien zoo
+stevig vast, dat hij niet kon uitwijken.
+
+Charly Brand liep aan de zijde, waar de kapitein naast zijn manschappen
+liep.
+
+Deze verwachtte, dat de ander voor hem zou uitwijken, maar dit was niet
+zoo!
+
+Charly Brand, die vergeefsche moeite deed om de door Raffles bedoelde
+botsing met den kapitein te vermijden, werd als een bal zoo ruw tegen
+den officier gestooten, dat deze met een vloek op zij tuimelde en zijn
+stok ophief om ermee te slaan.
+
+Op hetzelfde oogenblik had Lord Lister zijn vriend losgelaten en een
+korte Engelsche vloek kwam van zijn lippen.
+
+Hij weerde den stok met een handige beweging van den linkerarm af,
+zoodat de slag doelloos neerkwam, rukte den kapitein bliksemsnel het
+folterwerktuig uit de hand, voordat deze het kon verhinderen en gaf hem
+er een flinken klap mee in het gezicht.
+
+Geen enkele der soldaten maakte een beweging om den chef te verdedigen.
+
+John Raffles had dit voorzien. Dit voorval was voor de brave kerels een
+prettige gebeurtenis! Er was niemand onder hen, die den kapitein niet
+van ganscher harte een flink pak slaag gunde.
+
+Voordat de kapitein iets had kunnen zeggen, waren beide vrienden met
+gezwinden pas over de brug verdwenen en buiten het bereik van de
+Iersche gard.
+
+Zonder aarzelen namen zij in een daar wachtende cab plaats.
+
+„Rijd zoo gauw mogelijk naar Hyde Park!” riep John Raffles den koetsier
+toe.
+
+Deze gaf het paard een slag met de zweep en juist op het oogenblik,
+toen de kapitein met een der soldaten aan kwam hollen, verdween het
+rijtuig om den hoek van den Tower.
+
+„Een mooi souvenir!” sprak de Groote Onbekende, terwijl hij den stok
+door de lucht zwaaide.
+
+„Mijn museum wordt weer een interessant stuk rijker. Ik hoop, dien
+menschenbeul vandaag nog een betere les te geven”.
+
+„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand.
+
+„Ik zal hem een nachtelijk bezoek brengen”, antwoordde Raffles lachend,
+„inspecteur van politie Baxter zal werk krijgen!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VREEMDE HELDENMOED.
+
+
+Kapitein McGovern kwam dien dag een uur eerder dan anders thuis.
+
+Zijn vrouw was een broodmager persoon, met geverfd, blond haar, dat van
+den kapper afkomstig was, want haar eigen haardos bestond slechts uit
+een onooglijk rattestaartje, dat zij handig wist te verbergen onder de
+blonde pruik.
+
+Zij twistte juist met haar eenige dienstbode, zoodat het, ondanks de
+gesloten vensters, op straat hoorbaar was.
+
+Toen McGovern zijn woning naderde, vertraagde hij onwillekeurig z’n
+schreden. Het maakte den indruk, alsof een afgeranselde hond met den
+staart tusschen de beenen naar huis terugkeerde.
+
+Inplaats van de ooren liet hij zijn onderlip hangen, terwijl hij met de
+linkerhand een natten zakdoek tegen de wang hield, die pijnlijk was
+opgezwollen door den slag van Raffles.
+
+Zacht sloot hij de huisdeur open, ging de gang binnen en luisterde.
+
+Uit de aangrenzende kamer weerklonk de scheldende stem van zijn vrouw,
+die tegen een jong, armoedig dienstmeisje, bijna nog een kind, raasde.
+Het meisje was haar uit een weeshuis bezorgd.
+
+De kleine maakte den indruk, totaal verhongerd en verwaarloosd te zijn.
+
+Zij lag op de knieën en wreef den parketvloer, een werk, dat zelfs
+vermoeiend was voor een gespierden man.
+
+Iedereen kon zien, dat dergelijk werk te zwaar was voor het meisje. En
+toch was zij al uren lang ijverig bezig, den parketvloer glimmend te
+maken.
+
+De vrouw van den kapitein zat in een schommelstoel midden in de kamer,
+had een Japansche ochtendjapon aan, las een roman en keek af en toe
+door haar lorgnet naar het werkende meisje.
+
+Als een automatische kijfmachine opende zij elke vijf minuten haar mond
+om het kind een stortvloed van de gemeenste scheldwoorden naar het
+hoofd te slingeren, opdat het werk wat vlugger zou gaan.
+
+Kapitein McGovern opende de deur der kamer en sprak met zachte,
+bedrukte stem, die geheel en al in tegenstelling was met zijn
+commandotoon op het exercitieveld:
+
+„Eulalia, hier ben ik!”
+
+Met een ruk richtte de broodmagere vrouw zich in den schommelstoel op,
+zette haar lorgnon op den haviksneus en staarde naar haar echtgenoot
+als een nijdige krokodil, die in zijn rust wordt gestoord.
+
+„Wie is daar?” riep zij met schelle stem. „Jij zelf?”
+
+„Ja, ik ben het, geliefde Eulalia!”
+
+Nu stond zij op, liep vol waardigheid naar de deur en riep:
+
+„Wat heb je nu al thuis te doen! Je houdt mij maar van het werk af. Je
+dienst is immers pas over een uur afgeloopen!”
+
+„Ik heb mij bezeerd, lieve Eulalia!”
+
+Een langgerekt: „Zoo!” weerklonk en zij sprak:
+
+„Kom hier, Harry, maar denk erom, dat je niet op het gewrevene loopt!”
+
+In het volgende oogenblik wendde zij zich tot het dienstmeisje en
+schreeuwde:
+
+„Wil jij het wel eens laten om je vuile ooren open te zetten en af te
+luisteren, wat ik hier met dezen heer te spreken heb!
+
+„Vooruit, klein beest, werk! Maak voort, canaille, of je krijgt geen
+avondboterham! Het middageten krijg je in geen geval, want je hebt veel
+te slecht gewerkt!”
+
+Nu wendde zij zich weer tot den binnengekomene.
+
+„Wat zie je er uit, Harry!” gilde zij. „Wat is er met je gebeurd?
+Vertel!”
+
+„Een verschrikkelijke geschiedenis!” zuchtte de kapitein, „een
+afschuwelijk geval! Een bende van twaalf misdadigers overviel mij op
+weg naar huis.
+
+„Vier van hen sloeg ik neer.
+
+„De andere nam ik zelf gevangen en bracht ze naar het politiebureau.
+
+„Maar helaas! Ik kreeg, ondanks mijn dappere verdediging een slag,
+lieve Eulalia, en daarom moest ik naar huis komen.
+
+„Ik geloof, dat het goed zou zijn, als je dokter Griffin liet roepen.
+Ik voel mij ziek! Ik kan nauwelijks op de been blijven; je moet wat
+thee voor mij zetten!”
+
+Kermend viel hij in den schommelstoel, terwijl zij met wantrouwende
+blikken naar hem keek. Daarop ging zij in haar volle lengte voor hem
+staan, tikte hem met haar lorgnet op den schouder en sprak op zalvenden
+toon:
+
+„Lieg je niet een beetje, Harry? Wil je misschien mijn medelijden weer
+opwekken, zooals je dat al zoo vaak hebt gedaan?”
+
+Hij hief bezwerend zijn rechterhand op en riep, terwijl hij de linker
+weer krampachtig tegen de pijnlijke wang drukte:
+
+„Neen, neen Eulalia, ik bezweer je bij den Heiligen Sint Patrick, dat
+ik de zuivere waarheid spreek!
+
+„Ik had een vreeselijken strijd te doorstaan. Jij moet mij nu met je
+lieve handen als een barmhartige Samaritaan verplegen”.
+
+„Nu”, antwoordde zij, „dan zullen morgen de kranten je heldendaad
+vermelden, opdat de wereld eindelijk te weten komt, welk een dapper
+officier van het roemrijke Engelsche leger je bent!
+
+„O, geliefde Harry, gedurende de twintig jaren van ons huwelijk hoop ik
+steeds, dat je eindelijk de wereld zult bewijzen, dat je inderdaad een
+geboren veldheer bent, dat je heldenmoed bezit en evenveel waard bent
+als Kitchener en dat jouw genie Engeland de zege zal doen behalen over
+het gehate Duitschland.
+
+„O Harry, hoe trotsch ben ik op jou, als je werkelijk dezen strijd hebt
+doorstaan!
+
+„Ik zal dadelijk onzen goeden Dr. Griffin laten roepen. Hij moet de
+wond, die je hebt opgedaan, verbinden.
+
+„O Harry, welk een held ben je!”
+
+Zij ruischte de kamer uit en begaf zich naar de telefoon in de gang, om
+de hulp in te roepen van den huisdokter.
+
+Nadat dit was geschied, ging zij weer naar den kapitein terug en toen
+zij zag, dat hij nog steeds in dezelfde houding, met de hand aan zijn
+wang, in den schommelstoel zat, zette zij de handen op de heupen en
+riep:
+
+„Zeg eens, jij hondsvod, ellendige kerel, zie je dan niet, wat er
+gebeurt? Waarom zit je daar in dien schommelstoel?
+
+„Je staart voor je op den vloer en kunt je mond niet opendoen om die
+luie vuilpoets, die meid, aan het werk te houden? Dat kind stinkt van
+luiheid!
+
+„Heb ik je soms daarom tot man genomen, om de dienstboden tot luiheid
+aan te zetten?”
+
+Zij maakte een handbeweging alsof zij hem een oorvijg wilde geven. Hij
+scheen die beweging te kennen, want hij verborg het hoofd tusschen de
+schouders en bukte zich, in afwachting van de muilpeer.
+
+„Vergeef mij,” fluisterde hij, „houd rekening met mijn toestand!”
+
+„Wat?” riep zij uit en haar houding werd dreigender, „jij durft je voor
+een held uit te geven en over je wonden te klagen? Als de verslaggevers
+je in dezen toestand zagen, zou geen hunner schrijven: De Engelsche
+Moltke is ontdekt. Het is kapitein McGovern, van de Iersche koninklijke
+garde—
+
+„Marsch! Ga nu de kamer uit, opdat ik niet langer naar je behoef te
+kijken! Er uit en loop niet op het gewrevene, ik wil het werk niet nog
+eens doen.”
+
+Voorzichtig, alsof hij op rauwe eieren liep, sloop de dappere kapitein
+de kamer uit en begaf zich naar de studeerkamer aan de andere zijde der
+gang.
+
+Daar ging hij kermend, als een zwaar gewonde, op de divan liggen, nadat
+hij een kom met water naast zich had gezet, waarin hij van tijd tot
+tijd den zakdoek doopte om er zijn gelaat mee te betten.
+
+Hij noch zijn vrouw bemerkten, dat voor het huis Raffles en Charly
+Brand heen en weer liepen en de deur, zoowel als de ramen, met scherpe
+blikken bekeken.
+
+Raffles hoorde het kijven op straat en sprak tot Charly Brand:
+
+„De kapitein en zijn vrouw schijnen nette menschen te zijn!”
+
+Op dit oogenblik hield een rijtuig voor het huis stil, waaruit een heer
+stapte, die de woning binnenging.
+
+„Prachtig!” lachte Raffles, „nu heeft hij een dokter laten halen!”
+
+„Hoe weet je dat?” vroeg Charly Brand.
+
+„Heel eenvoudig,” sprak Raffles nog steeds lachend, „in de eerste
+plaats had hij een verbandkistje bij zich en in de tweede plaats droeg
+hij een cylinder, die, behalve de Engelsche doktoren, niemand draagt.
+
+„Verder kun je, ook zonder verbandkistje en hoogen hoed, een Engelschen
+dokter dadelijk herkennen aan de gewichtige gelaatsuitdrukking,
+waarachter hij zijn onkunde voor de wereld tracht te verbergen.
+
+„Laten wij eens afwachten, hoe lang het onderzoek zal duren!”
+
+Zij gingen voor dat doel een klein café aan den overkant binnen,
+vanwaar zij het huis nauwkeurig konden gadeslaan.
+
+Zij moesten bijna een half uur wachten, toen werd de huisdeur geopend
+en het kleine, armoedige dienstmeisje verscheen met een recept in de
+hand.
+
+„Nu wordt er naar de apotheek gestuurd,” sprak Raffles. „Ik ben
+nieuwsgierig, of de dokter hem een purgeermiddel of iets anders heeft
+voorgeschreven. Blijf hier eens zitten.
+
+„Voor de grap, die ik met hem wil uithalen, stel ik belang in dat
+recept.”
+
+Hij verliet het café en liep het dienstmeisje vlug na.
+
+Reeds een paar huizen verder had hij haar ingehaald.
+
+Nauwelijks had hij, de menschenkenner, een blik geworpen op het
+vermagerde, bleeke, hongerige gezicht van het dienstmeisje, of hij
+kende de geheele lijdensgeschiedenis van het arme schepseltje.
+
+„Groote hemel!” sprak hij tot zichzelf, „dat meisje ziet er veel
+ongelukkiger uit dan een van de talrijke vervallen, verwaarloosde
+schepsels, die ik ooit in de straten van Eastend of Whitechapel heb
+gezien.”
+
+Vol medelijden wilde hij haar aanspreken.
+
+Op hetzelfde oogenblik zakte het meisje plotseling in elkaar en viel
+voor zijn voeten neer.
+
+Zonder aarzelen tilde de Groote Onbekende de bewustelooze op en droeg
+haar de naastbijzijnde woning binnen.
+
+Hij riep den portier, gaf hem eenige shillingstukken en verzocht hem,
+voor water te zorgen.
+
+Nadat de man dit had gebracht, bevochtigde Raffles het gelaat van het
+uitgeputte schepseltje.
+
+Met een diepen zucht opende de stumperd de oogen en keek verbaasd naar
+Raffles.
+
+„Waar ben ik?” vroeg zij met zachte stem.
+
+„Blijf hier een oogenblik liggen”, antwoordde Raffles, „ik zal naar de
+apotheek gaan om het recept te bezorgen. Meteen zal ik voor jou iets
+versterkends meebrengen. Je voelt je erg naar, nietwaar?”
+
+„Ja”, hijgde het meisje.
+
+„Hoe heet je?” vroeg de Groote Onbekende verder.
+
+„Anna Marie”, antwoordde zij en trachtte op te staan.
+
+„Blijf liggen totdat ik terugkom”, beval Lord Lister haar en hij
+verzocht den portier, ervoor te zorgen, dat het meisje door niemand
+lastig werd gevallen.
+
+Daarop snelde hij met het recept naar de apotheek.
+
+Reeds na een paar minuten kwam hij met een potje zalf terug, dat hij
+aan het meisje gaf. Tegelijkertijd overhandigde hij haar een pakje en
+beval haar, van het poeder, dat zich daarin bevond, elken dag een
+lepeltje vol in een glas water te roeren en een eetlepel vol te nemen
+van den flesch Tokayer.
+
+In geen geval moest zij het pakje aan haar meesteres laten zien.
+
+En verder zou hij voor haar blijven zorgen en haar bevrijden uit de
+handen, waarin zij zich bevond.
+
+Het jonge meisje wilde hem dankbaar de handen kussen, maar Raffles
+weerde haar met een snelle beweging af.
+
+Hij deed het pakje in den zak van haar schort en bracht haar zalf, daar
+zij zich zeer zwak gevoelde, tot aan de deur.
+
+Het rijtuig stond er niet meer, toen Raffles voor het huis aankwam.
+
+De dokter was reeds heengegaan.
+
+Nu begaf Raffles zich weer naar het café; toen hij tegenover Charly
+Brand zat, merkte deze op, dat het gelaat van zijn vriend een
+eigenaardige uitdrukking had.
+
+„Wat heb je?” vroeg hij.
+
+„Ik heb zooeven rare dingen beleefd”, antwoordde Lord Lister op
+ernstigen toon. „Ik heb een arm, verhongerd schepseltje leeren kennen,
+een van die ongelukkige blanke slavinnen en verder heb ik den kapitein
+een recept voorgeschreven, dat hem nog betere diensten zal bewijzen dan
+de slag met den stok.”
+
+„Wat voor een recept?” vroeg Charly Brand.
+
+„Heel eenvoudig”, lachte Raffles. „Door een toeval, zooals de hemel mij
+die zoo dikwijls op mijn levensweg stuurt, om schurken hun welverdiende
+straf te doen toekomen, kreeg ik het recept van den dokter in handen.
+
+„Het was een verkoelende zalf, die op de wang gesmeerd moest worden.
+
+„Ik heb het recept nog in mijn zak.
+
+„In plaats daarvan heb ik mij een zalf klaar laten maken, die een
+eenigszins andere uitwerking heeft—een Spaansche trekpleister.
+
+„Jammer, dat ik geen getuige kan zijn van de uitwerking.
+
+„Ik verzeker je, mijn beste Charly, dat door den slag met den stok het
+gelaat van den kapitein flink is opgezwollen. Mijn zalf zal hem
+daarenboven blaren bezorgen, waarmee hij vier weken lang mooi zal zijn.
+Ik geloof niet, dat hij zoo heel gauw de arme Iersche soldaten weer zal
+tuchtigen.
+
+„Hij heeft zijn portie gekregen, Charly.”
+
+„Een echte Rafflesstreek!” lachte zijn vriend.
+
+„Het spijt mij alleen, dat het kijvende vrouwspersoon, wier schelle
+stem wij op straat hoorden, geen blaren op de tong krijgt.”
+
+Plotseling sprong Raffles op.
+
+„Een idee, een prachtig idee, lieve Charly! Wij zullen de comedie
+kunnen bijwonen!”
+
+Haastig betaalde hij den kellner en liep met Charly naar het huis van
+den kapitein.
+
+Hij moest eenige seconden wachten, voordat het kleine dienstmeisje
+verscheen, dat de deur opende en vroeg wat hij verlangde.
+
+„Ik ben Dr. Halfart en ontmoette zooeven mijn collega, Dr. Griffin. Hij
+verzocht mij, den patiënt zelf in te wrijven met de zalf, welke hij had
+voorgeschreven.”
+
+„Ik zal het mevrouw gaan zeggen”, antwoordde het dienstmeisje.
+
+„Dat is niet noodig!” klonk de stem van de vrouw des huizes op den
+donkeren achtergrond. Zij stond vol nieuwsgierigheid te luisteren, wie
+er was.
+
+„Hoe bedoelt u dat, mevrouw?” vroeg Raffles, een buiging makende.
+
+„Ik heb er zelf al voor gezorgd. Hoor eens, hoe mijn man kermt, hij
+doet precies alsof hem een nieuw ongeluk was overkomen.
+
+„Ach, wij vrouwen kunnen veel beter pijn verdragen dan de mannen!”
+
+Op dit oogenblik weerklonk uit de studeerkamer een vervaarlijk gebrul.
+
+„Ik verbrand, ik verbrand! De zalf—de zalf—ik word krankzinnig, ik word
+krankzinnig—men wil mij vermoorden!”
+
+Het was de vrouw van den kapitein hoogst onaangenaam, dat vreemden dit
+geschreeuw hoorden.
+
+Toornig opende zij de kamerdeur en vroeg haar man:
+
+„Heb je je ingesmeerd?”
+
+„Ja, ik ben ingesmeerd, helaas ja!” antwoordde hij op huilerigen toon.
+
+„Hij is flink gezalfd!” fluisterde Raffles, tot Charly, „hij zal
+reuzenblaren krijgen!”
+
+„Schreeuw niet zoo!” krijschte de vrouw van den kapitein, „buiten staan
+vreemde heeren. Een collega van Dr. Griffin! Wat moeten zij van je
+heldenmoed denken!”
+
+„Help! Help!” riep de kapitein, „hij heeft mij een verkeerde zalf
+gegeven, ik word vermoord! Roep den dokter!”
+
+„Ellendeling!” riep de liefhebbende echtgenoote uit. „Daar, kijk! hier
+is de zalf! En opdat je zelf kunt zien, wat voor een krankzinnigentaal
+je uitkraamt, zal ik voor jouw oogen mijn heele gezicht ermee
+insmeeren!”
+
+Op dit oogenblik trapte Raffles zijn vriend op zijn pijnlijkste
+eksteroog.
+
+„Prachtig!” fluisterde hij. „Het noodlot is werkelijk rechtvaardig. Nu
+krijgt zij ook blaren!”
+
+In de studeerkamer bleef alles een paar seconden stil, toen schreeuwde
+de kapitein weer als een waanzinnige en riep om den dokter.
+
+Maar een paar minuten had hij het genoegen, alleen te razen, toen kreeg
+hij gezelschap, want ook zijn vrouw begon.
+
+De zalf werkte uitstekend!
+
+Raffles hoorde haar schreeuwen:
+
+„Help! Harry! Help!”
+
+Daarop greep hij Charly’s arm.
+
+„Nu wordt het tijd, dat wij verdwijnen. Jammer, dat ik inspecteur
+Baxter dit recept niet eens voor kan schrijven!”
+
+Toen de vrouw van den kapitein naar de gang snelde om den vermeenden
+dokter ter hulp te roepen, was deze verdwenen en alleen de openstaande
+huisdeur bewees haar, dat er werkelijk een paar vreemde heeren in haar
+huis waren geweest.
+
+Als een furie snelde zij naar de telephoon om aansluiting te vragen met
+Dr. Griffin.
+
+Deze was juist thuis gekomen en toen hij zijn kamer binnenging, belde
+de telephoon.
+
+Hij nam de hoorn op en riep:
+
+„Hier Dr. Griffin, wie is daar?”
+
+„Goeden dag, dokter!” klonk het lachend terug. „Hier John Raffles!”
+
+De telephoon viel den armen dokter bijna uit de hand.
+
+„Wie daar?” vroeg hij met trillende stem.
+
+„Mijn Hemel, dokter, kent gij mij niet?... hebt gij mijn naam nooit
+gehoord?... John Raffles heet ik—verstaat gij mij nu?”
+
+„Jawel”, antwoordde de dokter, „wat wenscht gij?”
+
+„Ik heb u vervangen”, klonk het lachend terug.
+
+„Het recept, dat gij kapitein McGovern hebt voorgeschreven, is in
+gewone gevallen heel goed, maar hier deugde het niet! Ik ben zoo vrij
+geweest, een zalf te laten klaarmaken, die krachtig werkt! Groet het
+tweetal van mij”.
+
+De dokter was bij het hooren van deze woorden zoo verbaasd, dat hij met
+open mond naar de telefoon staarde en verschrikt opkeek, toen hij
+opnieuw werd opgebeld.
+
+Hij onderscheidde dadelijk, nog voordat hij antwoord kon geven, de stem
+der kapiteinsvrouw, die in de grootste wanhoop riep:
+
+„Er is een ontzettend ongeluk gebeurd! Kom dadelijk bij ons, als het u
+belieft!”
+
+Eenige seconden later reed Dr. Griffin opnieuw in zijn rijtuig naar de
+woning van den kapitein en reeds op straat hoorde hij het geschreeuw
+van het wanhopige echtpaar, zoodat het was, alsof alle katten en katers
+uit de buurt een welluidend concert gaven.
+
+
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE TANDEN.
+
+
+De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen
+politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken
+Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater
+door te brengen.
+
+„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.
+
+„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een
+scheeven blik aanziende.
+
+„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken
+niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.”
+
+Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.
+
+Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef
+stilstaan:
+
+„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel
+genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die
+lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”
+
+Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste
+avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de
+inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien.
+
+„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het.
+
+Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens
+verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig
+spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem
+strak aankeek.
+
+„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”
+
+„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.
+
+De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den
+neus.
+
+„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”
+
+„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd
+je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat
+je Raffles werkelijk hadt gezien.”
+
+De Vloo lachte luidkeels en riep:
+
+„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik
+zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen
+kosten.”
+
+„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen!
+Gevangen nemen!”
+
+„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem
+niet!”
+
+„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel
+eens zal krijgen!”
+
+De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het
+krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te
+lezen.
+
+Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit,
+evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen.
+
+Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst
+voorhoofd aankeek.
+
+„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo
+kinderachtig!”
+
+„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens
+even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”
+
+„Houd op met dien vervloekten Raffles!”
+
+„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste
+streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —”
+
+Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij
+verder sprak:
+
+„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”
+
+„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt
+gij toch voor nonsens!”
+
+Marholm hield zijn buik vast.
+
+„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”
+
+Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere
+wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in
+de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie,
+en Raffles.
+
+Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de
+dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen.
+
+Met woedende blikken las hij het volgende:
+
+
+ „Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten
+ bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks
+ afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit:
+
+ Raffles deelt ons mede— — —”
+
+
+En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het
+recept van den Ierschen kapitein.
+
+Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen,
+kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.
+
+Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn
+kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.
+
+Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en
+sprak:
+
+„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den
+grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!”
+
+„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij
+niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig
+aanhanger worden van Lord Lister.”
+
+Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den
+ambtelijken plooi.
+
+„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik
+heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.”
+
+„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze
+Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren—
+—een geniale kerel!”
+
+„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past
+geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de
+gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.”
+
+„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde
+de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen
+aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—
+
+Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden,
+zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het
+Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had
+gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar.
+
+Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne
+bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche
+garde bedreven beulswerk.
+
+Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in
+de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te
+knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over
+Raffles’ daden.
+
+„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme,
+kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul,
+en het bij een nette familie onderdak brengen.”
+
+„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees
+en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet
+verlaten. Zou ze het nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen
+en naar den ouden dienst terugbrengen”.
+
+„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is
+het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik
+van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust,
+beste Charly!”
+
+„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het
+toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen.
+Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de
+voorschriften zal kennen.”
+
+„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang
+verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods
+met geweld, in betere omstandigheden brengen.”
+
+Charly Brand haalde de schouders op en hernam:
+
+„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets
+voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.”
+
+„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard
+ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet
+eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — —
+
+„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we
+opbreken.”—
+
+Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want
+er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op
+den Hamilton Road begaf.
+
+Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens
+iemand wakker was.
+
+Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:
+
+„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik
+ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever
+hierdoor naar binnen gaan.
+
+„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit
+het huis kom.”
+
+De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis
+en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een
+schutting was afgesloten.
+
+John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn
+vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde
+verdween.
+
+Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de
+poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die
+hem boven op het huis zou brengen.
+
+Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het
+dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was.
+
+Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis
+maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen
+zien.
+
+Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de
+aandacht te trekken.
+
+Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het
+midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de
+trap kon bereiken.— — —
+
+Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!
+
+Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet
+bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een
+houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een
+doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en
+bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.
+
+Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en
+beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer.
+
+De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat
+oogenblik hun pijnen vergaten.
+
+„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan
+haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat.
+
+„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de
+bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.”
+
+„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is
+eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen
+moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem
+je revolver en ga naar de gang.”
+
+Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.
+
+„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust
+te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat
+is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te
+sluiten?”
+
+De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:
+
+„Ik heb alles gesloten, Harry, maar... nu weet ik het!—Ik vergat het
+dakvenster op zolder dicht te maken!... Harry, sta op! Door het
+dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!”
+
+Maar de kapitein wilde niet.
+
+Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —
+
+Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje
+geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van
+haar heer en gebieder het angstzweet stond.
+
+„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw
+hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.
+
+„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om
+je te verdedigen?— —
+
+„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!
+
+„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland,
+die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen!
+
+„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den
+inbreker dat je een held bent!”
+
+„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met
+zwakke stem te antwoorden.
+
+Nu begon zij te krijschen:
+
+„Wat?... Wat?... Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd
+met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik
+een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!”
+
+Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de
+revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar
+de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer.
+
+Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een
+waterkaraf.
+
+Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog
+voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.
+
+Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.
+
+Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht
+wederkeerig steun bij haar.
+
+Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.
+
+Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John
+Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen.
+
+„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.
+
+„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.
+
+Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine
+dienstmeisje ook naderbij gekomen.
+
+Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind
+van de gang.
+
+Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:
+
+„Groote hemel, die arme man is dood!”
+
+Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en
+vroeg:
+
+„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat
+scheelt u?”
+
+Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.
+
+Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar
+steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij
+sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw
+los.
+
+„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een
+waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug,
+wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer.
+
+Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met
+stoelen, tafels en andere meubelstukken.
+
+Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was,
+stond een oogenblik sprakeloos.
+
+Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg
+ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.
+
+In den hoek onder de trap hing een waschlijn.
+
+Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen
+Raffles tot een pakje samen te binden.
+
+Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur
+en schreeuwde:
+
+„Doe open! Doe open!”
+
+„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij!
+Spaar mijn leven!”
+
+„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers!
+Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem
+met de waschlijn vastgebonden!”
+
+„Is dat werkelijk waar?”
+
+„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu
+de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”
+
+„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”
+
+„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een
+bijl en sla ze stuk!”
+
+„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”
+
+„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos
+neer. Kom hier, Harry! Kom hier!”
+
+Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat
+hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.
+
+Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid
+had gesproken.
+
+Nu kwam zijn moed terug.
+
+Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:
+
+„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer
+ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je
+neer!”
+
+Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.
+
+Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één
+enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— —
+—hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig.
+
+Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren
+en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water.
+
+„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem
+gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”
+
+En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen,
+schoot de kapitein zijn revolver op hem af.
+
+Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:
+
+„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”
+
+„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers,
+dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een
+ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!”
+
+„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal
+ik hem eens anders toonen!”
+
+In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde
+vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar
+geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij
+sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam.
+
+„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein,
+terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam.
+
+Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon
+doen dan zich bedaard te houden.
+
+„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”
+
+Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.
+
+„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”
+
+Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en
+wijsvinger en hield het in de hoogte:
+
+„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den
+gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de
+vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee
+tanden!”
+
+„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg
+mevrouw verbaasd.
+
+„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.
+
+„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een,
+toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet
+gezien?”
+
+„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn
+oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?”
+
+„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik
+heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die
+beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche
+regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand
+het waagt zich met mij te meten.
+
+„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste
+plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn
+geheele gebit verloren.
+
+„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn
+liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —
+
+„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij
+sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.”
+
+Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.
+
+„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste
+roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd
+rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den
+naam: Eulalia!”
+
+Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein
+rillend en bevend naar haar man.
+
+Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand
+de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.
+
+Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:
+
+„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”
+
+„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van
+zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in
+goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt.
+
+„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen en jou de andere
+aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een
+herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—
+
+„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die
+souvenirs benijden.— —
+
+„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn
+revolvers bewaak en roep de politie.”
+
+Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het
+dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven,
+terwijl Raffles haar toefluisterde:
+
+„Maak de huisdeur open!”
+
+Hij had zich niet in het meisje vergist.
+
+In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel
+van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had
+gegeven.
+
+Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar
+de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het
+naaste politiebureau waarschuwde.
+
+John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak
+bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een
+geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde.
+
+In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly
+Brand afgesproken fluitsignaal hooren.
+
+Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de
+overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde
+met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis.
+
+Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.
+
+„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds
+opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is,
+hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!”
+
+Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den
+grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende
+knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp
+Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door,
+waarmede Raffles gebonden was.
+
+Dit alles speelde zich af in een paar seconden.
+
+Eindelijk was de Groote Onbekende vrij.
+
+Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje
+bij den arm en sprak:
+
+„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik
+neem je mee!”
+
+„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op
+de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!”
+
+Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide
+vreemde heeren met haar voorhadden.
+
+„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit
+slechte handen redden.”
+
+Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.
+
+Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:
+
+„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag
+leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig
+creatuur!”
+
+Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend,
+het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker,
+terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de
+ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond.
+
+Nu naderde ook reeds de politie.
+
+„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de
+manschappen aanvoerde.
+
+„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern.
+
+„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee
+tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!”
+
+Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen
+buit te bekijken.
+
+„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige
+oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons
+niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten.
+
+„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”
+
+„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.
+
+„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten
+toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze
+schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!”
+
+„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als
+altijd te laat gekomen!”
+
+„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten
+wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”
+
+„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de
+huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een
+revolver onder den neus duwt?”
+
+„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem
+bevrijd!”
+
+„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik
+met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem
+gevlucht.
+
+„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het
+ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— —
+—”
+
+Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden
+hun ooren niet gelooven!
+
+„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van
+u gestolen?”
+
+„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon,
+„een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als
+een ekster!”
+
+„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij
+blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!”
+
+„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.
+
+„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder
+dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man?
+En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die
+narigheid denken!”
+
+„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de
+sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”
+
+Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.
+
+Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.
+
+Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den
+sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid,
+terwijl haar stem oversloeg:
+
+„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw
+vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein
+Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke
+garde in den Tower!
+
+„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn
+hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen!
+
+„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond
+zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was
+alles onecht) dan het dienstmeisje.”
+
+De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die
+op den achtergrond stond, merkte op:
+
+„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het
+tafelzilver en de beurs van den kapitein.”
+
+„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft
+200 pond sterling gekost!”
+
+„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel
+niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de
+eenige parel, die hier te vinden was.
+
+„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer
+gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan
+even handig met hem omgaan als gij!”
+
+„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te
+vervelen.
+
+Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende
+verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden:
+
+„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”
+
+Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een
+toestel voor magnesiumlicht.
+
+Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’
+gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen
+was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.
+
+De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem
+volgden verscheiden andere.
+
+Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers
+uitgezonden.
+
+De sergeant van politie lachte spottend en sprak:
+
+„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang
+vandoor!”
+
+„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times.
+
+„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.
+
+De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het
+eerst waren geweest.
+
+„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van
+onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en
+wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen!
+
+„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die
+twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.”
+
+Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar
+hun bureau terug.
+
+Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn
+woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles,
+wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden:
+
+„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht
+nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!”
+
+Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met
+hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun
+redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren
+tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern
+en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te
+krijgen.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GESTOLEN DIENSTMEISJE.
+
+
+Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab
+genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden.
+
+Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon
+van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen,
+welke Lord Lister tot haar richtte.
+
+Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.
+
+Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare
+inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met
+rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood.
+
+„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik
+herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je
+morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de
+stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren
+kennen dan tot dusverre.
+
+„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”
+
+„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar,
+toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.
+
+„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het
+bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.
+
+„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden
+dienst verlost zou worden.
+
+„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het
+zwaarste werk verrichten!”
+
+„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger
+schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen.
+Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren?
+Heb je soms slecht geleerd op school?”
+
+„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind.
+Hij haatte mij!”
+
+„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man
+daartoe?”
+
+Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek
+bedeesd voor zich.
+
+Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met
+den weesvader.
+
+Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar
+schouder en vroeg:
+
+„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”
+
+„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.
+
+„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.
+
+„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.
+
+„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen
+altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”
+
+Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos
+bedekt.
+
+„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen,
+die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat
+zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”
+
+„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den
+weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en
+opgesloten zijn!”
+
+„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?”
+
+Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.
+
+„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende
+vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje.
+
+Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en
+antwoordde:
+
+„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”
+
+„Nu, en toen?”
+
+„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem terug. Toen begon hij
+vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou
+nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij
+had het zoo goed met mij gemeend!
+
+„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”
+
+Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:
+
+„Heb je geen familie in Londen?”
+
+„Niemand, sir!”
+
+„En hoe heette je vader?”
+
+„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.
+
+„En je moeder?”
+
+„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de
+City.”
+
+„Sprak zij nooit over je vader?”
+
+„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij
+die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel
+voorname familie was.”
+
+John Raffles floot zachtjes.
+
+Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.
+
+„Waar zijn die portretten gebleven?”
+
+„In het weeshuis.”
+
+„Weet je dat zeker?”
+
+„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een
+klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de
+politie er mij bracht.
+
+„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien
+jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”
+
+„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”
+
+„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den
+naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”
+
+„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe
+zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den
+nacht bij die menschen doorbrengen.
+
+„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”
+
+Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige
+inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op.
+
+Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een
+nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.
+
+„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen
+en weer loopen van zijn vriend keek.
+
+„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe
+ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en
+weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen.
+
+„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te
+keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.
+
+„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen
+schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient
+dan die Iersche kapitein.
+
+„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen.
+Heb je lust, met mij mee te gaan?”
+
+„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van
+den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.”
+
+„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een
+bad had genomen.”
+
+
+
+Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis,
+dat midden in de City lag, naderden.
+
+„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in
+het gebouw wilt doen.”
+
+„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl
+hij aan de bel trok om den portier te wekken.
+
+Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een
+onvriendelijke stem riep:
+
+„Wie is daar?”
+
+„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader
+dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!”
+
+Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een
+oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.
+
+Hij hield een lantaarn in de hand.
+
+„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den
+portier eenige shillingstukken in de hand drukte.
+
+De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het
+gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach
+sprak hij:
+
+„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons
+zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”.
+
+En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:
+
+„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner thuis gekomen
+en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”
+
+Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange,
+met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader.
+
+De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in
+een net ingerichte vestibule.
+
+Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te
+nemen.
+
+Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.
+
+Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van
+een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.
+
+Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam
+Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.
+
+Dit scheen te helpen.
+
+Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:
+
+„Wat is er?”
+
+„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”
+
+„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.
+
+„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”
+
+Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:
+
+„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”
+
+Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe
+iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.
+
+Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader
+stond met lijkbleek gelaat op den drempel.
+
+„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.
+
+Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.
+
+„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles,
+„het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in
+dienst is gekomen bij kapitein McGovern”.
+
+„Wat is er met het meisje?”
+
+Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader,
+toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was.
+
+„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en
+hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende
+akten noodig”.
+
+„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”
+
+„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die
+documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”.
+
+De weesvader ging een stap achteruit.
+
+„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”
+
+„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor,
+nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke
+toebehooren aan Anna Marie Thomson”.
+
+Angstig vroeg de weesvader:
+
+„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”
+
+Raffles haalde de schouders op.
+
+Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:
+
+„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”
+
+Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde
+de Groote Onbekende hem toe:
+
+„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”
+
+De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:
+
+„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet
+uitgaan!”
+
+„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet
+meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!”
+
+De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en
+Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar
+uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket
+met de brieven en portretten te halen.
+
+Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak,
+terwijl hij Charly Brand de documenten gaf.
+
+Daarop sprak hij tot den weesvader:
+
+„Vooruit! Er is haast bij!”
+
+„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.
+
+„Dat behoeft niet in den nacht.”
+
+„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens
+kousen.”
+
+„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en
+opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels
+maar afnemen.”
+
+Voordat de beambte een afwerende beweging kon maken, had Raffles zijn
+bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn
+afzakkende pantalon vasthouden.
+
+Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.
+
+Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen,
+door te vragen:
+
+„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”
+
+„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je
+brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!”
+
+Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de
+huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.
+
+Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen
+als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe
+een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon:
+
+„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een
+beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!”
+
+Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en
+hij zuchtte:
+
+„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten
+sleept midden in den nacht!”
+
+Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:
+
+„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik
+geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een
+geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange
+tuchthuisstraf wordt veroordeeld!
+
+„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het
+politiebureau!”
+
+De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen
+de arrestant werd binnengebracht.
+
+Lord Lister groette kortaf.
+
+Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde
+hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als:
+detective Johnson van Scotland Yard.
+
+De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende
+bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en
+bekwaamheid.
+
+„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk
+protocol op te maken van het verhoor.”
+
+„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar
+Scotland Yard?” vroeg de officier van politie.
+
+„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een
+tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.
+
+„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de
+bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op
+papier te brengen!”
+
+„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn
+secretaris binnen.
+
+„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon,
+terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den
+goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult
+gij een zachte straf krijgen.”
+
+De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met
+de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn
+gelaat.
+
+Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles
+overvallen en dus op niets voorbereid geweest.
+
+Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven,
+bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had
+gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had
+gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.
+
+Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes
+werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te
+worden.
+
+De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en
+sprak tot Raffles:
+
+„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den
+kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten
+transporteeren!”
+
+„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van
+mij mee te geven aan inspecteur Baxter.”
+
+De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een
+dienstcouvert en schreef daarop:
+
+
+ „Aan den heer Inspecteur Baxter,
+
+ Scotland Yard.”
+
+
+Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op
+en sloot het in het couvert.
+
+Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.
+
+Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem:
+
+„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval
+is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”
+
+„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.
+
+„Allright!”
+
+Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar
+Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid
+heen en weer liep.
+
+Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in
+Hydepark.
+
+Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn
+studeerkamer stond.
+
+Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op
+zijn schrijftafel en sprak:
+
+„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een
+afgezakte pantalon laten loopen.
+
+„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten
+bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde
+dienstmeisje is.”
+
+Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks
+had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij
+sprong verbaasd op en riep:
+
+„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar
+zijn!”
+
+Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn
+schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak
+photographieën te voorschijn.
+
+Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een
+portret in cabinetformaat.
+
+„Lees eens Charly, wat hier staat.”
+
+
+ „Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het
+ Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke
+ campagne in Afrika.
+
+ In trouwe vriendschap
+
+ Lord Cramesford.”
+
+
+Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:
+
+
+ „Gevallen in den slag bij Ladysmith”.
+
+
+Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem
+een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje
+overhandigde.
+
+Vol verbazing riep Charly uit.
+
+„Dat is hetzelfde portret!”
+
+Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven,
+stond hierop:
+
+
+ „Aan mijn lieve, dierbare Anny,
+
+ van haar trouwen
+ Lord Robert Cramesford”.
+
+
+„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.
+
+„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het
+werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer
+te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde
+dingen, waartoe ik gebracht word.
+
+„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de
+slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend
+uit mijn jeugd.
+
+„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het
+dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken
+smadelijken veldtocht mee moesten maken.
+
+„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde
+voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval
+een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken
+zou ordenen.
+
+„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.
+
+„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond
+uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de
+universeele erfgenaam is geworden.
+
+„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.
+
+„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die
+blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen.
+
+„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste
+inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn
+dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn
+voorbijgegaan.
+
+„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben
+uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou
+misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige
+geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”
+
+„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand.
+„Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je
+leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze
+wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein moest door jou gestraft
+worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het
+arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen
+met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren!
+Eigenlijk is— — —”
+
+John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn
+schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden
+vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door
+Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.
+
+De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in
+den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was
+geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig
+huwelijk.
+
+Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen,
+om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het
+geliefde meisje te kunnen huwen.
+
+Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en
+uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten,
+kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit
+elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van
+den jongen edelman.
+
+
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+DE WEESVADER IN VERHOOR.
+
+
+Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur
+van politie Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van
+Scotland Yard.
+
+Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk
+door op deze wijze.
+
+Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap.
+
+Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „Lustige Witwe”
+had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène
+speelde met de schoone weduwe.
+
+Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep:
+
+„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar
+juist den weesvader van de stad Londen als gevangene af.”
+
+Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de
+Vloo aan en antwoordde:
+
+„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als
+gevangene in Scotland Yard?”
+
+„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan
+sommige van zijn collega’s op het vasteland!”
+
+Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de
+woorden:
+
+„Ben je klaar met je preek?”
+
+„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader
+zelf, die hiernaast in de kamer is.
+
+„Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens
+prikkellectuur leest. Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes
+is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke boeken geen misdadigers maken!”
+
+„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is
+met dien weesvader.”
+
+„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds
+een bekentenis afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!”
+
+„Wie heeft hem gevangen genomen?”
+
+„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die
+hem op het bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is
+hij!”
+
+Hij overhandigde Baxter het couvert.
+
+Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit.
+
+Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij
+uitte een vloek en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij.
+
+„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend.
+
+Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge.
+
+Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en
+kermde:
+
+„Raffles!—Raffles!”
+
+„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel
+las hij het en riep toen luidkeels lachend uit:
+
+„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie
+aanvragen voor John Raffles.
+
+„Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten
+van Scotland Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij
+gelezen, wat Raffles schrijft?”
+
+„Neen, neen,” zuchtte Baxter.
+
+„Luister dan. Hij schrijft:
+
+
+ „Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed
+ exemplaar der menschelijke boosdoeners, zooals de phantasie van een
+ schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. Hij is weesvader
+ van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij
+ een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid!
+
+ Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de
+ strafgevangenissen, blijf ik met voortdurende hoogachting voor u en
+ uw werk,
+
+ JOHN C. RAFFLES.”
+
+
+Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne
+Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar
+heen draaide.
+
+De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte
+tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een
+fijnproever van zijn tabak.
+
+Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak
+hij:
+
+„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man
+niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een
+dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze
+verzameling te completeeren.”
+
+Baxter riep op woedenden toon:
+
+„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om,
+dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij
+zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn
+oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de
+wereld heeft geblameerd.
+
+„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan
+deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in
+vrijheid was gebleven!”
+
+„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons
+beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan
+beambte van politie zijn!”
+
+De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en
+weer.
+
+„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den
+honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”
+
+De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:
+
+„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo
+onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is
+heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten
+spelen!”
+
+„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik
+morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen
+als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest
+geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een
+genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor
+mijn persoon aan den dag te leggen”.
+
+„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor
+u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”
+
+„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer
+hooren!”
+
+„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren
+van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf
+wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”.
+
+De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet
+had verstaan en op diens vraag:
+
+„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:
+
+„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”
+
+„Hier wordt niet gedacht!”
+
+„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.
+
+„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu
+de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik
+eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”.
+
+„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees
+daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op
+welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men
+geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man
+van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”
+
+„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen,
+waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!”
+
+„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in
+ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een
+blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen
+en verachten!
+
+„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij
+beiden bijzonder goed kunnen gebruiken.
+
+„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van
+verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het
+Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.
+
+„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het
+dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel
+wat anders te doen!”
+
+„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen:
+„Dan slaapt men!”
+
+„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen
+resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel
+Londen omverpraat...
+
+„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.
+
+Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging
+daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van
+twee politie-agenten, op zijn verhoor.
+
+Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den
+arrestant vol minachting aan en sprak:
+
+„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u
+eindelijk gevangen hebben genomen”.
+
+De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.
+
+„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde
+Baxter.
+
+„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in
+hechtenis heeft genomen.”
+
+„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”
+
+Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene
+haperend en op huilenden toon:
+
+„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.
+
+„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te
+spreken!” schreeuwde Baxter.
+
+„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt
+gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en
+later hebt gij er spijt van!
+
+„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo
+dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen!
+
+„Maar......”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij
+vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij,
+politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met
+Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij
+behoort!
+
+„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het
+tegen mij heeft uitgehouden!”
+
+„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.
+
+De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel
+niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot
+een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook
+gekleurde tanden kon zien.
+
+„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier
+zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten
+tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —”
+
+Hij zweeg en de Vloo vulde aan:
+
+„Dan ontslaat gij mij!”
+
+„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op
+zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die
+tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven.
+
+„De weesvader van— — —”
+
+„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”
+
+„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”
+
+Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:
+
+„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben
+gevonden. Want— —”
+
+Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.
+
+„...... In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij
+verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan
+schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op
+te zuigen.”
+
+Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en
+terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen,
+schreeuwde hij tot Marholm:
+
+„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den
+leverancier. Ik maak ze niet!”
+
+„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal
+onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!”
+
+Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu
+het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren.
+
+Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de
+inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk
+de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter.
+
+Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+HAAR VADER.
+
+
+Den volgenden dag hadden de Londensche couranten kolommen vol staan
+over de nieuwste gebeurtenissen, die zoowel op John Raffles, als op den
+weesvader en ook op het gebeurde met de tanden van den Grooten
+Onbekende ten huize van den kapitein der Iersche garde, betrekking
+hadden.
+
+Bijna de heele pers vierde den kapitein als nationale held en gaf zijn
+woorden ongewijzigd weer, alsof ze met de waarheid overeenkwamen.
+
+De humoristische bladen gaven satyrieke teekeningen van Raffles en
+bespotten hem, daar hij eindelijk zijn meester had gevonden.
+
+Toen Lord Lister ’s middags—hij had tot 1 uur geslapen om uit te
+rusten—aan de ontbijttafel kwam, snelde Charly Brand opgewonden met een
+pak couranten naar hem toe en riep:
+
+„Je bent voor de geheele wereld geblameerd, beste Edward! Men maakt jou
+op allerlei manier belachelijk om het verlies van je twee tanden, want,
+zooals hier in de Times staat te lezen, heeft deze Iersche kapitein aan
+de reporters verteld, dat hij een ervan als trophee aan zijn
+horlogeketting zal dragen, terwijl van de andere een broche voor zijn
+vrouw wordt gemaakt.”
+
+Charly Brand had verwacht, dat John Raffles zich eveneens over het
+artikel zou opwinden. In plaats hiervan echter lachte deze en zei:
+
+„Dat heb ik wel verwacht, mijn beste Charly, doch voor alles ben ik zoo
+hongerig als een wolf en hoop, dat je voor een uitgebreid ontbijt hebt
+gezorgd.”
+
+„Ik begrijp je kalmte niet”, zei Charly Brand, terwijl John Raffles aan
+tafel ging zitten. „Ik vind het onverklaarbaar, je goede naam staat op
+het spel!”
+
+„Onzin!” lachte John Raffles, „mijn naam staat niet op het spel, doch
+alleen die van den kapitein.”
+
+„Je hebt altijd eene eigenaardige opvatting, beste Edward, doch ik moet
+je eerlijk zeggen, dat na de artikelen, die de geheele pers omtrent jou
+heeft openbaar gemaakt, geen Londensche straatjongen meer respect voor
+je zal hebben.
+
+„In plaats van jou is nu die soldatenbeul de nationale held geworden.
+
+„Zooals de couranten melden, hebben alle boks- en worstelclubs hem al
+tot eerelid benoemd. De koning heeft hem zelfs in audiëntie ontvangen,
+zich jouw tanden laten toonen en hem voor zijn heldendaad een hooge
+onderscheiding gegeven.”
+
+„Naar ik hoop de olifantsorde”, lachte Lord Lister. „Wat is er
+overigens voor nieuws? Staat er iets over den weesvader in de krant?”
+
+„Jawel”, antwoordde Charly Brand. „Doch niemand vermoedt, dat jij
+degene bent, die den kerel ontmaskerd hebt!”
+
+„Haha”, lachte Raffles, „wie heeft hem dan in hechtenis genomen?”
+
+„Volgens de berichten de inspecteur van politie Baxter van Scotland
+Yard!”
+
+„Zonder mij zou die man bepaald niemand in hechtenis nemen. Hij heeft
+zich ditmaal weer behoorlijk met roem overladen! Doch ik verzeker hem,
+dat hij per slot van rekening toch weer de kous op den kop zal krijgen.
+
+„Een merkwaardig persoon. Maar ik mag hem wel! Men kan best met hem
+omgaan en ik hoop van ganscher harte, dat hij nog jarenlang in functie
+zal blijven.
+
+„Ik zal daarom, opdat zijn goede naam onbevlekt blijft, niets omtrent
+de eigenlijke toedracht der zaken openbaar maken.
+
+„Daarentegen moet ik—wat den kapitein betreft—den koning mededeelen,
+dat hij mij een onderscheiding moet doen toekomen, wanneer iets
+dergelijks voor mijn tanden wordt uitgereikt. Zij zijn namelijk in mijn
+mond gegroeid en niet in dien van den kapitein!”
+
+Charly Brand lachte vroolijk en sprak:
+
+„Wil je dan tot elken prijs dien kerel de tanden laten behouden?”
+
+„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles.
+
+„De kapitein kan zich gerust dien tand laten trekken. Ik dacht er
+vannacht al over, op welke wijze ik ze terug zou kunnen halen!”
+
+Weldra had hij zijn ontbijt geëindigd, stak een sigaret aan en leunde
+op zijn gemak in zijn fauteuil achterover.
+
+Hij dacht eenige seconden na en rookte.
+
+Charly Brand stoorde hem niet en las de kranten verder.— —
+
+Eindelijk stond Raffles op en sprak:
+
+„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar
+voorstellen aan haar grootvader, Lord Cramesford.”
+
+Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug.
+
+De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in
+betrekking was en die zijn huishouding bestuurde, had haar een
+eenvoudige, maar keurige japon gekocht, zoodat Lord Lister verbaasd
+opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het meisje nu
+maakte.
+
+Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak:
+
+„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat
+je je beter voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op
+krachten zijn gekomen. Heb je nog iets op je hart?”
+
+„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem.
+
+„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.”
+
+Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde:
+
+„Ik weet niet, wat u bedoelt.”
+
+„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?”
+
+Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met
+trillende lippen sprak zij:
+
+„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen...”
+
+„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop
+de photographie lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had
+gegeven.
+
+Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of
+zij uitte een blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar
+lippen.
+
+Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit:
+
+„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!”
+
+John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij
+tot haar:
+
+„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?”
+
+„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!”
+
+„Lees eens, wat op het portret staat!”
+
+Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door
+Raffles gemaakte aanteekening omtrent het overlijden.
+
+Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer,
+terwijl zij krampachtig snikte.
+
+John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem:
+
+„Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood
+beloofde ik je vader plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen
+flauw vermoeden had, op dezelfde wijze te zorgen als hijzelf.
+
+„Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben
+geweest en dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!”
+
+Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem
+neerknielende, greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen.
+
+John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug.
+
+Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag.
+
+Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij haar op, zette haar
+in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken.
+
+Na een lange pauze vervolgde Lord Lister:
+
+„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je
+zijn naam nooit had gehoord.”
+
+„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te
+zien, lette ik niet op den inhoud van het geschrevene.”
+
+„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde
+regiment.
+
+„Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der
+meest geachte.”
+
+John Raffles zweeg.
+
+In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een
+beeldschoone, eenigszins lichtzinnige jonge man, die echter een hart
+van goud had gehad en geen vlieg ooit kwaad had gedaan.
+
+„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader
+hooren!” smeekte Anna Marie.
+
+„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie
+behoort nu nog tot de meest gegoede van Engeland.
+
+„Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is
+kamerheer van den koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan
+opzoeken en hoop, dat de oude heer jou, het eenige kind van zijn
+jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken en tot zich
+nemen.”
+
+Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek.
+
+John Raffles zag dit en vroeg:
+
+„Waarover maak je je ongerust?”
+
+„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den
+ouden Lord. Laat mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken.
+
+„De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft
+tegen mij gezegd, toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en
+handig ben!”
+
+„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het
+uitstekende ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename
+van een Lord, zou ik je voorstel dadelijk aannemen!”
+
+„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij
+hebt mijn vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen
+Lady, ik ben maar een dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de
+keuken bezig te zijn.”
+
+„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je
+wensch niet vervullen. Zelfs al zou de oude Lord je niet willen
+erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady laten opvoeden en evengoed
+voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou je willen
+hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?”
+
+Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje:
+
+„Neen, neen, een belofte moet men houden!”
+
+„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne
+nemende, „moet je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een
+voornaam Engelsch officier, zou van zijn dochter nooit een dienstmeisje
+hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij mee.”
+
+Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje
+gadegeslagen.
+
+De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat
+Raffles de kamer verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol
+ontroering:
+
+„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—”
+
+Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde:
+
+„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den
+Bijbel, dat luidt: „Bemin je naasten als jezelf!”
+
+„Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar
+handelden, maar—helaas—”
+
+En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug,
+nam de kranten op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd
+met lezen te verdrijven, en zuchtte:
+
+„Helaas!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+TAND OM TAND.
+
+
+Eerst tegen den avond keerde Raffles naar huis terug.
+
+Charly Brand was reeds ongerust over zijn lang wegblijven.
+
+Opgewonden trad Lord Lister zijn studeerkamer binnen en wierp met een
+heftigheid, die Charly niet van hem gewend was, zijn hoed op de divan,
+terwijl hij riep:
+
+„Charly, men zou werkelijk gaan gelooven, dat alle eergevoel uit de
+wereld verdwenen was!”
+
+„Wat is je overkomen?” vroeg zijn secretaris, terwijl Lord Lister ging
+zitten en, om tot kalmte te komen, een sigaret aanstak.
+
+Nadat hij eenige trekjes had gedaan, sprak hij:
+
+„Ik was een dwaas! Ik had het eigenlijk wel kunnen vermoeden. Maar de
+manier, waarop die ouwe, uitgeteerde Lord Cramesford mij behandelde,
+mij, den eenigen vriend van zijn oudsten zoon, was schandelijk!
+
+„Eindelijk, toen ik tegen zijn houding opkwam, werd hij ordinair en
+wees mij met het arme, ongelukkige meisje, voor wie ik een tehuis kwam
+vragen, de deur”.
+
+Lord Lister rookte weer haastig en Charly Brand schudde zwijgend het
+hoofd.
+
+Na eenige seconden vroeg hij:
+
+„En wat denk je nu te doen?”
+
+John Raffles sprong op, liep de kamer eenige malen door en zei:
+
+„Ik hoop zooveel te verdienen, dat ik het meisje, ook zonder hulp van
+haar grootvader, een nette opvoeding kan laten geven.
+
+„Maar ik zal een der beste advocaten van Londen haar aanspraken op het
+vaderlijke erfdeel toevertrouwen!—
+
+„Wat zeggen de avondbladen, Charly?”
+
+„Ik heb ze nog niet gelezen, maar hier zijn ze”.
+
+Raffles nam de kranten en had nauwelijks een blik in het eerste blad
+geworpen of hij riep lachend uit:
+
+„O, Charly, luister eens! Ik verzeker je, dat ik nu geld zal verdienen
+als water! De „Times” meldt, dat theaterdirecteuren, eigenaars van
+musea, gekke Amerikanen en nog een massa andere menschen, den kapitein
+ongehoorde sommen voor mijn tanden hebben geboden”.
+
+„Dat voorzag ik al!” lachte Charly Brand. „Ik begreep echter niet, op
+welke wijze jij daarbij geld kunt verdienen. Hij toch alleen!”
+
+John Raffles lachte opnieuw en antwoordde:
+
+„Ik zal den menschen mijn tanden verkoopen”.
+
+Charly vroeg op verbaasden toon:
+
+„Wil jij je tanden verkoopen?”
+
+„Natuurlijk! En ik verzeker je, dat ik daar zooveel geld uit zal slaan,
+dat de dochter van mijn overleden vriend een der rijkste meisjes van
+Engeland zal worden”.
+
+„Maar wil je dan zonder tanden gaan loopen?”
+
+Raffles tikte met zijn vinger tegen het voorhoofd van zijn vriend en
+antwoordde:
+
+„Jij bent een goed schaap!—Breng nu eens vlug de volgende advertentie
+naar de kranten en laat ze zoo groot drukken, dat ze een halve
+bladzijde beslaan.
+
+
+ TANDEN VAN RAFFLES
+
+ biedt John C. Raffles persoonlijk aan liefhebbers te koop aan!
+
+ Bij het ongeluk in het huis van den Ierschen kapitein McGovern
+ heeft John C. Raffles eenige tanden verloren! Deze wil hij ten
+ behoeve van liefdadige doeleinden aan de meestbiedenden door
+ notaris Smithson, Strand 116, laten verkoopen.
+
+ Belangstellenden kunnen zich morgen in den loop van den dag tot
+ dezen wenden.
+
+
+„Ziezoo”, sprak Raffles, „je moet deze advertentie aan de kranten
+bezorgen en meteen notaris Smithson melden, dat ik hem morgen eenige
+van mijn tanden zal sturen, die hij tegen de hoogste prijzen aan
+liefhebbers moet verkoopen!—
+
+„Ga verder naar gebroeders Brill, de bekende tandartsen en koop daar
+een paar dozijn porceleinen kunsttanden ad 5 pence per stuk. Die moet
+je mij brengen. Ik zal ze met een brief aan Smithson zenden.
+
+„Als er zooveel kooplustigen komen als ik vermoed, zal morgen geen
+enkele tandarts in Engeland nog kunsttanden in voorraad hebben, want ik
+zal ze alle hebben verbruikt”.
+
+Charly Brand barstte los in schaterlachen en sprak: „Edward, je bent en
+blijft een genie!”
+
+John Raffles keek hem aan, zonder zijn ernst te verliezen en vroeg:
+
+„Heb je daar ooit aan getwijfeld?”
+
+Daarop verhelderde een glimlach zijn gelaat en hij sprak:
+
+„Ga nu heen, mijn beste, brave jongen en maak dat zaakje met de tanden
+eens keurig netjes in orde!
+
+„Ik ben van plan, de mijne terug te gaan halen.”
+
+
+
+Kapitein McGovern zat met zijn vrouw en eenige vrienden aan het souper,
+toen het nieuwe dienstmeisje hem een visitekaartje bracht met de
+woorden:
+
+„Deze heer is van de krant en wenscht u te spreken.”
+
+Onmiddellijk verstomde het gesprek aan de weelderig gedekte tafel.
+
+De kapitein stond op en sprak:
+
+„Breng den journalist hier!”
+
+Toen het dienstmeisje was heengegaan, sprak hij tot zijn gasten,
+meerendeels familieleden van zijn vrouw:
+
+„Weest allen zoo vriendelijk, uiterst voorkomend te zijn tegenover
+dezen heer, want hij is vertegenwoordiger van de koningin der aarde,
+een mensch, die door zijn woorden iemand tot een beroemdheid kan maken.
+Hij komt mij waarschijnlijk opnieuw interviewen.”
+
+Allen wachtten in eerbiedig zwijgen, toen de vreemdeling, een elegant
+gekleed heer, de eetkamer binnentrad en met een buiging voor de gasten
+zich tot den kapitein wendde:
+
+„Ik ben de vertegenwoordiger van de New-York Herald en kreeg bevel van
+mijn directie om u, kapitein, te verzoeken, mij de wonderlijke
+geschiedenis van uw overwinning over Raffles voor mijn blad te willen
+mededeelen. Ik moet nog dezen nacht een kabeltelegram over deze
+aangelegenheid verzenden.”
+
+Gestreeld boog de held voor den vreemdeling en begon, wel voor den
+honderdsten keer in de laatste twee dagen, zijn opgesmukt verhaal over
+den bokserslag en zijn zege over Raffles.
+
+„Ziet gij”, sprak hij, toen zijn verhaal uit was, „hier zijn de tanden!
+Een heb ik aan mijn horlogeketting en mijn vrouw heeft den andere aan
+haar armband!”
+
+„Mag ik de tanden eens van dichtbij zien?” vroeg de vreemdeling op
+bescheiden toon.
+
+Opnieuw boog McGovern gevleid, wendde zich tot zijn vrouw en sprak:
+„Geef mij je armband eens, lieve Eulalia!”
+
+„Hier is ze”, sprak zij en gaf hem het zware, gouden sieraad, waaraan
+de tand hing, in diamanten gevat.
+
+Daarop haakte de kapitein zijn zwaren gouden horlogeketting, waaraan
+het horloge was bevestigd, los en gaf beide dingen aan den vermeenden
+verslaggever.
+
+Deze bekeek de tanden nauwkeurig en sprak:
+
+„Ja, het zijn de tanden, ik herken ze!”
+
+„Wat?” riepen alle gasten en de kapitein vroeg:
+
+„Hoe kent gij ze?”
+
+„Wel”, sprak de vreemdeling en zijn stem klonk plotseling hard en
+scherp, „ik zal mijn eigen tanden toch wel kennen, maar— —”
+
+Hij zweeg een oogenblik en trok den valschen baard van zijn kin:
+
+„Gij kent mijn bokserslag immers nog wel, kapitein van de Iersche garde
+en opdat gij de kranten nog meer berichten kunt zenden, wil ik een als
+souvenir achterlaten!
+
+„Tand om tand!” voegde hij er bij, op den kapitein toesnellende. (Zie
+het titelblad.)
+
+Zoo bleek als een doode, verstijfd van schrik en niet in staat om een
+woord te zeggen, week de kapitein voor Raffles terug.
+
+Als verlamd zaten de gasten om de tafel.
+
+Bliksemsnel, voordat de kapitein zich kon verdedigen, kwam een
+geweldige vuistslag neer op het gelaat van McGovern, zoodat zijn valsch
+gebit onder de tafel vloog en hij zelf als een meelzak neerviel.
+
+„Tand om tand!” herhaalde John Raffles.
+
+Glimlachend nam de Groote Onbekende het gebit op, maakte een spottende
+buiging voor de gasten en sprak:
+
+„Ik zou ook graag een paar tanden als sieraad willen hebben!”
+
+Voordat de gasten tot bezinning waren gekomen, was John Raffles
+verdwenen.
+
+Eenige oogenblikken later werd er als dolzinnig om de politie
+geschreeuwd en het duurde niet lang of van het politiebureau in
+dezelfde straat kwamen eenige agenten het huis binnen.
+
+Verbaasd en hoofdschuddend hoorden zij, wat er gebeurd was.
+
+Weer kwamen de verslaggevers en nu vernamen zij de waarheid en
+begrepen, dat de held van de Iersche garde alles gelogen had.
+
+„Ah!” riep de redacteur van de Times, „ik vermoedde al, dat hier iets
+was gebeurd. Want een half uur geleden kreeg ik een vreemde
+advertentie. Daarin stond, dat John Raffles zijn tanden had
+teruggehaald en ze morgen bij notaris Smithson aan den meestbiedende
+zou laten verkoopen.”
+
+„Mijn armband heeft hij ook meegenomen!” klaagde de vrouw van den
+kapitein.
+
+„En mijn horloge met ketting en de onderscheiding van den koning!”
+jammerde McGovern.
+
+Lachend verlieten de beambten van politie en de verslaggevers het huis.
+
+
+
+Den volgenden dag lachte geheel Londen en bij notaris Smithson kwamen
+honderden personen, wien hij met een goed geweten, op hun vraag naar
+tanden van Raffles, kon antwoorden:
+
+„Ja, zij komen uit den mond van den Grooten Onbekende. Hij heeft ze mij
+zelf gestuurd— —”
+
+Toen hij dien avond Charly Brand een bedrag overhandigde van 90,000
+pond sterling voor 211 verkochte tanden, sprak hij lachend:
+
+„Jammer, dat het laatste dozijn niet vol is geworden!”
+
+John Raffles echter verzond nog dienzelfden nacht het volgende bericht
+aan de Engelsche pers:
+
+„Ik heb tanden verkocht en notaris Smithson kon met een gerust geweten
+verzekeren, dat ze van mij waren. Het waren er 211! Elk der koopers zal
+nu vragen of de tanden werkelijk uit mijn mond kwamen.
+
+„Helaas neen, zulk een grooten mond, die 211 tanden kan bevatten, bezit
+alleen kapitein McGovern van de Iersche garde.
+
+„Ik hoop, dat Zijne Majesteit mij voor het feit, de Iersche garde van
+zoo’n held van den kouden grond te hebben bevrijd, de onderscheiding
+laat behouden, die ik den kapitein heb ontnomen.”
+
+
+
+Toen de koning deze nieuwe daad van Raffles las, sprak hij:
+
+„De koningen van Engeland hebben tegenwoordig geen hofnarren!
+
+„Deze gentleman is voor mij en de Engelsche politie meer waard dan de
+zes gebochelde hofnarren van koningin Elisabeth en opdat hij zal zien,
+dat ik van goede scherts houd en er dankbaar voor ben, dat hij mij van
+zulk een officier afhelpt, verleen ik Lord Edward Lister, genaamd John
+C. Raffles, de onderscheiding, die hij den gewezen kapitein heeft
+afgenomen.”
+
+Toen Baxter dit las en naar zijn leeg knoopsgat keek, sprak hij
+zuchtend tot de vloo:
+
+„Marholm, gij hebt gelijk! Als ik niet inspecteur Baxter was, zou ik de
+Groote Onbekende, John C. Raffles willen zijn!”
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78378 ***