diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:04:04 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-15 02:04:04 -0700 |
| commit | 9b745b4701b91ddeb01a787ee974a02de68cf89f (patch) | |
| tree | ed7a20e58b3b7fc57098ed06c1bd07151a6c3661 /23238-8.txt | |
Diffstat (limited to '23238-8.txt')
| -rw-r--r-- | 23238-8.txt | 6540 |
1 files changed, 6540 insertions, 0 deletions
diff --git a/23238-8.txt b/23238-8.txt new file mode 100644 index 0000000..2d6b764 --- /dev/null +++ b/23238-8.txt @@ -0,0 +1,6540 @@ +The Project Gutenberg EBook of Sexueele Zeden in Woord en Beeld, by +D. Ph. Van Vloten Elderinck + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Sexueele Zeden in Woord en Beeld + Liefde en Zinnelijkheid + +Author: D. Ph. Van Vloten Elderinck + +Release Date: October 29, 2007 [EBook #23238] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + + + + + + + + + DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD + + Door + + D. Ph. Van Vloten Elderinck. + + Met 94 afbeeldingen in den tekst en 39 losse platen. + + + + LIEFDE EN ZINNELIJKHEID. + + + + + + + Gebr. Graauw, + + Amsterdam--Haarlem--Weltevreden N. O. I. + + + + + + + + + +VOORWOORD. + + +"De Sexueele Zeden in Woord en Beeld".... wij gevoelen het levendig, +deze titel kan aanleiding geven tot misverstand aangaande den inhoud, +althans omtrent den geest waarin het aangekondigde onderwerp is +behandeld. + +Wat toch onze Nederlandsche literatuur bezit aan werken op het gebied +van het sexueele leven, is voor een groot gedeelte openlijke of +verkapte pornografie, en voor de rest dorre archiefstudie of resultaat +van natuur-wetenschappelijk onderzoek. + +Dit werk evenwel is noch het een, noch het ander. + +Het werk is gehouden op de hoogte van zijn grootsch en schoon +onderwerp--wat met de waardigheid van dat onderwerp in strijd is te +achten en wat gezonde fatsoensbegrippen aanstoot zou kunnen geven is +op dezen onderzoekingstocht in het wonderland der sexueele zeden als +minderwaardig en onbelangrijk voorbijgegaan. Een vluchtig doorbladeren +van dit deel zal ook degenen, die ten deze de hoogste eischen stellen, +met één oogopslag moeten overtuigen dat het qui s'excuse s'accuse +hier niet van toepassing is. + +Aan den anderen kant is de inhoud gedeeltelijk wel geput uit bronnen +als archieven en dergelijke; en ook de resultaten der physiologische +wetenschappen, voor zoover bruikbaar voor het gestelde doel, zijn er +in verwerkt; maar steeds is naar literair-smakelijke vormen gezocht +om er de gevonden schatten in op te dragen. + +Het gebied, dat in dit werk wordt betreden, is onuitputtelijk rijk +en veelzijdig--in het sexueele leven leeft de mensch zich uit +in zijn vurigste instincten, die den een--individuën zoowel als +gemeenschappen--opheffen naar de hoogste bergtoppen van zedelijke +volmaking, den ander daarentegen heenvoeren naar de diepste afgronden +van menschelijke ontaarding. In die bonte veelheid van feiten en +verschijnselen is steeds gezocht naar het typische en het interessante, +maar vooral ook naar het wezenlijke. Zoo moest dit werk, dat een zoo +belangwekkend stuk beschavingsgeschiedenis der menschheid behandelt, +in velerlei opzicht worden tot een eersteling in onze nationale +literatuur. + +Dit wat het Woord betreft. Een enkele opmerking nog over het +Beeld. Daaraan is--een vluchtig doorbladeren van dit eerste deel kan +het alweer getuigen--evenveel zorg besteed, als aan den literairen +inhoud. Zoo gaat het feitenmateriaal, in dit werk opgehoopt, als van +regel tot regel aanvullend en toelichtend vergezeld van het schoone +van wat de Kunst--die ideëele spiegel der werkelijkheid--op het gebied +van ons onderwerp heeft voortgebracht. + +Dit is in hoofdtrekken het program, waarnaar dit werk met veelzijdige +hulp--waarvoor hier nogmaals zij dank gezegd--is opgebouwd. Moge het +een trouwe en eerlijke weerspiegeling worden bevonden van de grootsche +werkelijkheid, die het zoekt weer te geven. + + +Amsterdam. De Schrijver. + + + + + + + +INHOUD. + + +Hoofdstuk I Liefde +Hoofdstuk II Zinnelijkheid +Hoofdstuk III Mannelijke en Vrouwelijke Zinnelijkheid +Hoofdstuk IV Schoonheids-Idealen +Hoofdstuk V Schaamte +Hoofdstuk VI De Toenadering der Sexen +Hoofdstuk VII De Rol der Zintuigen in het Liefdeleven +Hoofdstuk VIII De Kleeding als Bondgenoote der Zinnelijkheid +Hoofdstuk IX Kuischheid + + + + + + +I. + +LIEFDE. + + + Erregt an des Lenzes Erwarmung, + Indes du die Welten umfliegst, + Ruht Alles in deiner Umarmung: + O heilige Liebe, du siegst! + + Graaf Platen. + + +Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is +Liefde. Wat is Liefde?--Dichterzielen en romantische naturen kennen +een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen +tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel +rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij +elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met +afschuw van zich stoot. + +Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten +allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en +Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste +beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en +verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden +dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven. + +Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De +Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel, +samengesteld uit waarheden. + +Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders +heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan +eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een +der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch +voorbereidt tot de functie der voortplanting. Tusschen beide uitersten +bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder +de menschelijke neigingen. + +Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen +kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er +van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van +het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die +nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde +niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste +vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de +werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht. + +Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied, +waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen +ziel. + +Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo, +wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke +en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft, +zet het heelal in vuurgloed--men voelt haar branden in het merg van +het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen. + +Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige. + +Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het +graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde, +is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij +dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen. + +Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van +den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid. + +De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar +vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt. + +"Maar een damp was opgegaan uit de aarde," citeert Rosegger (in: +_Mann und Weib_), "en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah +formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten +blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat +de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem +over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen; +en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe +met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij +bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal +been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar +manninne heeten." Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien +hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters +liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte +liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren, +dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de +roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe +zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te +verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd +heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen +te wringen--de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloed van +het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde +heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels +der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva. + +De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo +in zijn "praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door +de bleeke verte des verledens". Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen +van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja +de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van +zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom +haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een +welp der herten op de bergen der specerijen. + +Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten +stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon +op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het +aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht: _Over den +ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken_ +(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van +Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt, +dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen +vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet +te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem +voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn +mededinger en overwint deze; alleen Sigrún's broeder Dagr ontkomt +den dood en zweert Helgi trouw. De twee gelieven zijn nu vereenigd, +maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar +broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem +een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond +te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien +door een van Sigrún's dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt: +Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat +de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den +helden terugkeer geschonken?--Helgi antwoordt: Het is geen bedrog, +wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij +ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is +ons helden geen terugkeer geschonken.--Daarop gaat de dienstmaagd +naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus: +Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden; +ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij +de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.--Sigrún +gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen, +mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar, +Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de +lijken; ijskoud zijn de handen van Hogni's schoonzoon, hoe zal ik, +o koning, u kunnen helpen?--Helgi antwoordt: Uw schuld is 't, Sigrún +van Sevafjoll, dat Helgi's lichaam met lijkendauw besproeid is: +bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt +bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat +ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen; +voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol +bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der +mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.--Sigrún spreidt terstond in +den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid, +rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen, +o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.--In den morgen +rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en +komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze +spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den +dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren, +en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die +mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering +van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid +en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden +der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven +majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen. + +Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige +middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde +gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de +volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een +minnaar, die verandert, verandert niet--hij heeft slechts geveinsd +te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan +tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door +wellust. + +Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in +theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De +minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van +dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware +liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar +zijn. "De vrome sluiers," zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in +haar vertaling van Hudry-Menos' _Leven en streven der vrouw_, "die +het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap +geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger, +dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het +samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd +voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan, +met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de +vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw +een reëelen man en een ideëelen echtgenoot." + +De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde, +in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich +uitgeput haar te bezingen. "De liefde," verklaart Madame de Staël, +"verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel +heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in +den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag +gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele +dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde +leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op, +evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp +der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou +men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de +scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor." + +Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff +(in: _Journal II_) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk +al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de +liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij, +overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte, +daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend +heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de +mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime +gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde +volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan +illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat, +dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld, +die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn. + +"Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en +mij troosten", zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in +een harer brieven aan Abelardus). "En jij alleen hebt den plicht dat +dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven +aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd, +want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn." + +De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet +nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (_La femme au +XIXme_ siècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft +zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de +liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan +ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter +niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil, +dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden, +haar liefde, minder onstuimig, is teederder. + +Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom +vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop +moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij +het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle +vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich +geen rekenschap van geven. + +Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der +liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend +voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om +zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde +bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe +toewijding alle teederheid haars harten op haar gezin overbrengt; +hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt +om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de +liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor +haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel +leven, treurig of liefelijk zijn. + +Door gebrek aan liefde te sterven--zingt in zijn heroïeke taal Victor +Hugo--is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men +aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat +zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een +grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben +losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn +nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een +goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde +is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De +gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend +hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten +elkander te zien, of elkander te schrijven--zij zullen een menigte +geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij +zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen, +het licht van de zon, de zuchten van den wind, den lichtglans der +sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig +genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten. + +De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding +het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche +eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens +gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk +mysterie eener heilige twee-eenheid. + +De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk--zij is +troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft +een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd +het oneindig kleine en het oneindig groote. + +Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde, +bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd +elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid +voldoende zijn. + +Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te +beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan +louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven +is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel +in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en +voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de +toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde, +zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.-- + +Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde +bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door +denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog +staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel +schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift +stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen +wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in Mantegazza's +_Physiologie der Liefde_. + +Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door +geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst, +een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der +zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen +duizend nieuwe golven aan. + +De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het +kwadraat van den cirkel te willen vinden. + +De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig +Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen +aller godsdiensten tezamen. + +Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des +harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren, +waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de +zieke of de arts. + +De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping +der vrouw hem monogaam te maken. + +Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat +de eigenliefde sterker was dan de liefde. + +Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst, +dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak, +dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde +echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven +allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht +nalaten aan onze kinderen. + +Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en +innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en +bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere +zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen +die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit +het oog, uit het hart. + +Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen +schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen +luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet +smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt. + +Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de +fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het +betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden +met vaste en zekere hand gesteld door de liefde. + +Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan +niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets +dan een nietswaardig, mislukt surrogaat. + +Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven +liefde. + +Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend, +dat is een der dagelijksche wonderen der liefde. + +Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben +is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch, +het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk. + + + +Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig +aangeduid als _Platonische liefde_. Inderdaad vindt men in de dialogen +van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof +van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde, +speciaal in den dialoog die den titel draagt _Het Gastmaal_. Op een +feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een +dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten +om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus, +Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het +woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar +zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes +bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone +opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken +lust. Tenslotte neemt Socrates, Plato's leermeester, het woord; deze +prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijke +wijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd, +als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk +stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den +even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid +kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het +hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner +phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden, +rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort. + +De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer +kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het +onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde +bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe +grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer +hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld; +zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij +voornamelijk bij de vrouw. + +Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der +liefde zoo doorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn +ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons +geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw, +waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste +openbaringen,--Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde, +Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij +ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn +zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. "Andere +dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen +nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens +elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn +machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs +in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen +en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in +zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen." Shakespeare geeft +in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen: +de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de +woest-zinnelijke liefde in Cleopatra. + +Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van +minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook +vloekzangen op de liefde. + +De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de +meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en +ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid, +deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst +aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar +het toeval dat wil. + +Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een +der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon +bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid +der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo, +in het bijzonder tot liefde der vrouw, dat zij grootmoedig is en +edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde +den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der +vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt +ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak +slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge +het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De +liefde kent geen middenweg--zij verderft of zij redt. In dit dilemma +ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is, +dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde +het meeste licht, maar ook de meeste duisternis. + +In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een +verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan; +vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek +van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets. + +Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen, +is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk, +gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag +het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat +in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is. + +De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde, +en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel +van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het +product de door de natuur gewilde liefde. + + + + + +II. + +ZINNELIJKHEID. + + +Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot +elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te +stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, +dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde +het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste +het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast +deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die +hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als +twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, +in elk geval geheel verschillende grootheden. + +Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden +wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen +wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de +twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen +mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij +niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets +dan leelijks, inferieurs en schandelijks. + +Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire +overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de +voorstelling veler menschen leven. De vraag, wat liefde is en wat +zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de +liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de +zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt +en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden +omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een +zeer ingrijpenden invloed. + +In werkelijkheid vloeien beide factoren--indien men aan het denkbeeld +van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden--zoo onontwarbaar +ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een +bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, +dat rekenkundig uitgedrukt elke liefde _altijd_ een zeker percentage +bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheid +_veelal_ een grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En +vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, +dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in +laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van +het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het +door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in +dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid +die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan. + +De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, +dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, +en dat zinnelijkheid steeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate +waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde +uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele +eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even +onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate +aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- +en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche +spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol +doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den +noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke +krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen +harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde +doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van +beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt. + +Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de +natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan +toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch +het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze +reproductie, waarvan het voortbestaan van het menschdom afhangt, +vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende +sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, +maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken. + +En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, +ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer +kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en +hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn +pijlbundel zwaait. + +Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, +waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide +onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur +gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw. + +"Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, +zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid in _Man +en Vrouw_), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der +menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot +aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige +organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan +al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige +wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende +soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen +worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des +te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet +op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, +met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de +bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander +vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts +de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en +tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog +de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een +belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het +spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; +deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze +aan elkander--bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde."-- + +De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het +doel van de liefde. + +Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, +ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de +mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken +tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe +dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende +geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, +van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid +van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan +van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met +prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden +verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen, de gedempte +liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen +zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid +der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen +der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der +eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken +in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen +zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien +zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met +de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven. + +Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de +algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van +liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend +voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het +zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het +veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare +paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging +hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, +huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn +het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen +aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het +minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere +plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, +schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder +blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen +zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang--de gansche +natuur is één algemeene levenverwekking. + +De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter +en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten +en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging +van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding +der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot +de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de +verrichtingen der dierlijkheid--zij dekt het laagste met het hoogste. + +Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar +het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de +schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw +elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen +van het woelige leven. + +Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als +levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, +uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende +mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, +minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is +hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende +geslachten--zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, +maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij +het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is +in den mensch. + +Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, +doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een +karikatuur van de liefde. + +Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd +te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke +liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide +geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de +man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der +vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna +onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die +van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat +als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid +van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de +man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm +van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten +verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, +gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen. + +Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt +mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer +neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. "In +tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen +vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge +meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op +de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust +te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote +hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog +sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen +des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen +geheel weg uit haar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de +liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt." + +Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten +op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke +bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn +zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling +van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af +een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man +overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid +hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt als het +hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, "niets dan +een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, +dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon +zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van +welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu +hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct +dat hier werkt." + + + +De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst +doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de +menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat +eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking +tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen +erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de +geslachtelijke aantrekking doet gelden--afgezien dan van betrekkingen +tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer +ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, +waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde +zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor +korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde +van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die +phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare +neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het +leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke +liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil +bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving--zinnelijkheid is +daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur. + +In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch +voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het +blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen +zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele +terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid +doorgaat. + +In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft +voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt +gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel. + +Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht +niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het +vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid +met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken +zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt +dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, +die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies +der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn +dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde +zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men +geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijze te kennen +waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat +de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt +zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt +in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen +van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van +de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, +haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt--zelfs +de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk +lokmiddel harer zinnelijkheid. + +Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er +geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, +daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min +of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het +in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman +R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan +te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen +god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz., +beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen +is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, +die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er +aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het +verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, +aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs +den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, +om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren +van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing +komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen +en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, +herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te +smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten +phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, +dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te +vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen. + +Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en +kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige +zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen +phallusdienst is de phallus in de vrouwelijke phantasie blijven +voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan, +waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt +door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare +steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde +kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend +te zien. + +De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven, +heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren +verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop +tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de +zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der +zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en +zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij +den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze +graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater +geworden. + +Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne +en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren +de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen +dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden +zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een +onverbrekelijk verband--zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift +die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift +zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm. + +Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil, +dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het +liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den +man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De +scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met +die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor +een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid +zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar +de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, het Engelsche +bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds +vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten +als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk +geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van +het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle +gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten +tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat +tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt, +Thorwaldsen en zoovele anderen. + +Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als +bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan +voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid +van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die +vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets +bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en +verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen +aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen +een menschdom in een toestand van "oorspronkelijke reinheid"; de +"oorspronkelijke" of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde +dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueel +verschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen +van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen +laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden +kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen +zij onvermijdelijk kat-in-'t-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel +voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een +droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw. + + + +Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel +van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der +sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij +den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering +treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der +vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die +voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en +te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan +het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw: +de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij +wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake +geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de +geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te +laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn +inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk +Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharao's hof, uit de leer +der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van +de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het +hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van +het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen +oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van +andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in +de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren +invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake +het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt +de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan +het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is +vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de +vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang, +en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen +zij dat zij naakt waren. + +De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw +ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt +gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster +is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige, +de eigenlijke oorzaak van 's menschen verdorvenheid; zij is zelf +zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster +van den man. + +Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel +goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek +als grondwet van hun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der +vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de +eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen +Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt: +Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze +godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld. + +De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden +haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien +godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De +Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in +het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de +paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt +de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt +even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche +Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts +den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid +schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar +uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden +vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten +wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat +dus een geheel andere ethische kern. + +De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid +der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door +een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen--slang, vrouw +en man--is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter +een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van +vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat +tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld +onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den +achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare +leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen +wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door. + +De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even +origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige +onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het +plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer +gelegd: "En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze", +zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij +de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook +de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede +hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw +en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan +de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en +dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des +goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven +en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hier +schijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de +schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I +zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts +mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam; +en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam +haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op +dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt. + +Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van +het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele +verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na +de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen +baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf +op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld, +dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop +naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een +huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen +en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten. + +De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan +zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod +een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat +land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en +een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat +de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving +van den hof Eden hadden bevolkt. + +Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt, +dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg, +Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap +te hebben. Uit Adam's gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die +wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde +als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen +geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen +de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden +overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over +de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei +gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was +het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adam's tweede vrouw, Eva, in +de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis +des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee +symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne +aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo +bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op--men kan +dit toeschrijven aan de ongemeene vruchtbaarheid van Adam's eerste +vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf +schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers +2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich +vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen +geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest +zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld +zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht, +en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel +kunnen verbeteren maar niet verslechteren. + +Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij +uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af +te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend, +n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste. + +Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven +aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de +verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van +zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw +moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de +halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn +gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis +verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat +op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn +epos der schepping tamelijk verward gemaakt. + +Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties +voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang +een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar +doen uitkomen, dat Eva's verleidster niemand anders was dan haar +wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier +den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in +het ongeluk te storten. + +Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was, +wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was +die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom +is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol +als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze +beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou +Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou +zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft +dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adam's zijde +genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw, +en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool +van Jezus' wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de +nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen. + +Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en +deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting +van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te +heilig geacht, en het huwelijk werd hem om die reden verboden,--de +vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de +man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van +alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen, +dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche +invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in +de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan +het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans, +in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan, +dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van +Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek, +door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door +vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed +gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld, +kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog +iederen dag, elk uur worden er Adam's en Eva's geboren, die door de +"zwakheid" van den man tegenover de "verleiding" der vrouw een tastbaar +Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen. + + + + + + +III. + +MANNELIJKE EN VROUWELIJKE ZINNELIJKHEID. + + +Zinnelijkheid is bestaanbaar zonder liefde, maar liefde en +zinnelijkheid gaan als regel onafscheidelijk samen--de natuur wil +niet, dat de sexen in Platonische sympathie of in Vestaalsche reinheid +naast elkander blijven voortleven. + +Hieruit vloeit voort, dat beide sexen vatbaar moeten zijn voor +zinnelijkheid. En dit is inderdaad het geval. De begeerte naar +lichamelijke gemeenschap met de andere sexe is aanwezig bij de +vrouw zoowel als bij den man. De aard van beider zinnelijkheid is +echter verschillend. Uit dit verschil ontstaat de strijd der sexen, +waarbij de eene partij, de man, schijnbaar de actieve rol vervult van +aanvaller, terwijl aan de andere partij, de vrouw, eveneens schijnbaar, +de passieve rol is toebedeeld van de tegenstrevende, die met alle +middelen van de krijgskunst der liefde moet worden overmand. Later +zullen wij zien, dat dit in werkelijkheid precies andersom is. + +De vraag wordt dikwijls opgeworpen, wie zinnelijker is, de man +of de vrouw. En het antwoord is in den regel: de vrouw. Om dit te +bewijzen heeft men inderdaad in de geschiedenis van alle tijden de +Messalina-naturen, wier zinnelijkheid aan het ongehoorde grensde, +maar voor het grijpen. En mag men de nieuwste romanliteratuur (Zola, +Strindberg) gelooven, dan is van elk tweetal vrouwen de eene een +onverzadigbare Venuspriesteres en de andere een hysterische vampier, +die den man niet los laat alvorens hem het laatste merg uit het +gebeente is gezogen. + +Nu is er inderdaad veel, wat de meening, als zou de vrouw zinnelijker +zijn dan de man, en dat de vrouw veel meer en veel intenser +behoefte zou hebben aan geslachtsleven en geslachtsgenot, schijnt +te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de vrouwelijke ijdelheid, +zoo geheel en al in dienst gesteld van de behaagzucht en dus blijkbaar +beheerscht door het vrouwelijk geslachtsinstinct. Dit zou ongetwijfeld +wijzen op een sterker zinnelijkheid der vrouw, als de vrouw maar +in even sterke mate zinnelijk was als zij coquet en behaagzuchtig +is. Maar dit is juist niet het geval. Integendeel, de coquetste vrouwen +zijn absoluut niet de zinnelijkste en sterk-zinnelijke vrouwen zijn +dikwijls allerminst coquet of behaagziek. Het zijn juist de coquetten, +die het minst voor de bekoringen der zinnelijkheid bezwijken en dan +ook in het spelen met vuur het verst durven gaan en op het laatste +moment altijd nog de kracht blijken te bezitten zichzelf het "halt" +toe te roepen. Coquetterie ontketent alleen anderer zinnelijkheid, +maar blijft zelf koel en onbewogen, zij vergeet zich niet en laat +zich niet meeslepen, zij blijft elk oogenblik gereed en bij machte +het contact te verbreken en de aansluipende zinnelijke bekoring van +zich af te schudden. + +Een verdere reden, waarom bij de vrouw een sterker zinnelijkheid +verondersteld wordt dan bij den man, is deze, dat in het geslachtelijk +liefdeleven de vrouw de partij is, voor wier rekening de heele nasleep +van gevolgen komt--over de vrees daarvoor, zoo redeneert men, kan +alleen de onweerstaanbare drang eener overmachtige zinnelijkheid haar +heenhelpen. Slechts wie door begeerte geheel en al wordt overheerscht, +zoo oordeelt men, kan bereid zijn zoo groote offers te brengen ter +harer bevrediging. + +Ook uit de geslachtelijke onvermoeibaarheid van de vrouw, uit haar +physiologisch onbeperkt uithoudingsvermogen in het sexueel verkeer, +in vergelijking waarmee de man een impotente zwakkeling schijnt, is men +gewoon een zooveel grootere zinnelijkheid bij de vrouw af te leiden. + +Doch bij al zulke beoordeelingen van de vrouwelijke natuur is het bijna +altijd de man, die aan het woord is. En waar de man zich beijvert om +bewijzen te leveren voor de macht van de zinnelijkheid over de vrouw, +daar geeft hij niets dan een beeld van zichzelven; ook in dit opzicht +ziet de mensch, anderen beoordeelende, overal niets dan zichzelf. De +neiging van den man om de vrouw een felle, nimmer sluimerende en +nauwelijks te beheerschen zinnelijkheid toe te schrijven, wijst er +dan ook veeleer op, dat inderdaad de man zelf zich machteloos voelt +tegenover dezen machtigste aller menschelijke hartstochten. + +Trouwens, elke vergelijking van de zinnelijkheid van man en vrouw +moet noodzakelijk tot valsche conclusies leiden. Beide zijn niet te +vergelijken. De zinnelijkheid van de vrouw is in wezen een geheel +andere, dan die van den man, waar nog bij komt, dat de zinnelijkheid +iets geheel individueels is--ieder individu is weer anders in dit +opzicht dan alle anderen, evenals ieder individu weer een ander +aangezicht en een andere stem heeft dan alle anderen. Veel van +wat bij de vrouw wordt uitgelegd als uitingen van erotischen lust, +is in werkelijkheid geheel iets anders. Bij den man zijn liefde en +zinnelijkheid onafscheidelijk verbonden; zuiver mannelijke liefde is +in wezen niets dan zinnelijke begeerte; alle denken en voelen van den +man ten opzichte van de vrouw concentreert zich tot het verlangen +haar sexueel te bezitten. Bij de liefde der vrouw is dit in veel +mindere mate het geval; de zinnelijke begeerte speelt in de liefde +der vrouw een zeer ondergeschikte rol, is haar bijzaak. De liefde van +den man is als regel zuiver physiek, en streeft allereerst naar het +lichamelijk bezit. De liefde der vrouw kan psychisch zijn in een mate, +als bij den man slechts hoogst zelden het geval is. + +In het zieleleven der vrouw opent een ontluikende liefde een geheel +ander, een oneindig verder, grootscher en schooner verschiet, dan +bij den man. De liefde van den man, in wezen louter zinnelijkheid, +drijft hem louter tot het zoeken van bevrediging dier zinnelijkheid; +het voorloopig einddoel zijner liefde is, het voorwerp daarvan physiek +te bezitten; verder reikt zijn blik niet. De natuur heeft dat zoo +gewild: de rol van den man in de vereeuwiging van het leven is daarmee +geëindigd, met komende geslachten heeft de man slechts erotische +betrekkingen--het natuurlijke einddoel van de liefde van den man is +bevrediging zijner zinnelijkheid. Maar bij de vrouw kan het anders +zijn. Wat voor den man het fel-begeerde einddoel is, is voor haar een +aanvankelijk ternauwernood klaar bewuste bijzaak, die bovendien eer +afschrikt dan aantrekt. Haar blik reikt verder. Zonder zich duidelijk +rekenschap te geven van het hoe, ziet de vrouw, hoe ook meegesleept +door het zoet geheim van het minnen, zich in de verte al moeder. Het +natuurlijke einddoel van de liefde der vrouw is moederschap. Dit +spiegelt zich reeds af in de voorliefde van het kleine meisje voor de +pop; reeds als klein kind moet de vrouw, zooals Victor Hugo opmerkt, +een voorwerp hebben om te verzorgen, te vertroetelen, te kleeden, +te ontkleeden. Het eerste kind is de voortzetting van de laatste pop. + +De hier geschetste verschijnselen in de zinnelijkheid van man en vrouw +geven natuurlijk slechts gemiddelden aan. Er zijn mannen die boven +het hier gegeven beeld uitgaan, en er zijn vrouwen, die er beneden +blijven. Evenwel wekt elke afwijking van dit beeld naar boven of +naar beneden den indruk van onnatuur, en, is die afwijking sterk, +van abnormiteit en ontaarding. Zoo is bijvoorbeeld de vrouw, die van +nature of door de zeden is verruwd tot mannelijk-heftige zinnelijkheid, +schaamteloozer en bruter in haar zinnelijkheid, dan de normale man. De +geschiedenis en de literatuur, voor zoover deze laatste geen vrucht +is van louter phantasie, leveren daarvan overvloedig voorbeelden, die +ieder trouwens in eigen omgeving in ruime mate kan waarnemen. Alwin +Schultz zegt van het hofleven ten tijde der minnezangers: De mannen +zijn veel schaamachtiger dan de vrouwen. En hij staaft deze bewering +met tal van feiten, o.a. merkt hij omtrent de gemeenschappelijke baden +op, dat zelfs de deftigste adellijke dames er bij die gelegenheden +vermaak in schepten, zich van alle kleeding te ontdoen en zoo den +aanblik harer intiemste bekoorlijkheden aan alle aanwezige mannen +prijs te geven. Terwijl de mannen in elk geval nog een schaamgordel +aandeden, tooiden de vrouwen zich met hare sierlijkste kapsels en met +prachtvolle armbanden en halssnoeren. Zoo pronkten zij op de meest +coquette manier met hare naaktheid. + +Waar wij dus de bewering, dat de vrouw van nature zinnelijker zou zijn +dan de man, moeten afwijzen, op grond hiervan dat het liefdeleven der +vrouw in wezen een geheel andere richting gaat dan dat van den man, +dan is daarmee nog volstrekt niet gezegd, dat bij de vrouwen nooit +een dermate felle en hevige zinnelijkheid voorkomt, dat ze die van +den normalen man nog te boven gaat. Zoo iets te beweren zou onzinnig +zijn. Want ten allen tijde en onder alle lagen der bevolking zijn +er onverzadigbare Messalina-typen geweest, wier vurige zinnelijkheid +aan het buitensporige grensde. Maar normaal is zulks bij de vrouwen +in geenen deele; het Messalina-type is en blijft de uit zedenbederf +of uit ziekelijke ontaarding ontstane uitzondering. + +Het is er ver van af, dat met de hier bedoelde sexueele abnormiteit +algemeene zedelijke minderwaardigheid noodzakelijk zou moeten gepaard +gaan. Integendeel, ongewoon hevige zinnelijkheid gaat dikwijls +vergezeld van algemeene genialiteit, die op zichzelf ook in strijd +met den norm en dus abnorm is. + +Degenen, die van meening zijn, dat de vrouw in het algemeen zinnelijker +is, meer en sterker behoefte heeft aan sexueel verkeer dan de man, +vinden hun krachtigste argumenten in de geschiedenis. Deze weet +inderdaad op haast iedere bladzijde te verhalen van buitensporig +zinnelijke vrouwen. De vrouwen, die zij ons leert kennen, zijn zelfs +voor het meerendeel sterk erotische naturen. Dit verleidt licht tot +generaliseeren--die weinige historische figuren neemt men als vanzelf +als typen van de vrouwelijke sexe in het algemeen. De geschiedenis +evenwel leert ons alleen het bijzondere kennen; zij is altijd +sterk partijdig, in zooverre dat zij het gewone, het normale, het +alledaagsche, als niet interessant, liefst stilzwijgend voorbijgaat, +om zich geheel te verliezen in het ongewone, het opvallende en +abnormale. Alleen de koortsig kloppende pols interesseert haar. Zoowel +op dit als op elk ander gebied is hetgeen de geschiedenis ons bericht +niet de regel, maar de uitzondering. En reeds hierin ligt een bewijs, +dat de fel-zinnelijke vrouwen der geschiedenis niet het type aangeven +van de vrouw in het algemeen, maar de afwijkingen van het type, +nog afgezien van wat hierbij op rekening kan worden gesteld van +onwillekeurige overdrijving. + +De zinnelijke vrouwen der moderne roman-literatuur zijn louter +scheppingen van de verhitte phantasie van den zinnelijken +man. Veeleer dan photografieën naar de werkelijkheid zijn het louter +anthropomorfismen. Evenals in de religies de mensch zich een God +schept naar zijn eigen beeld, zoo schept in het materieele de man +zich ook de vrouw naar zijn eigen beeld. De hevige zinnelijkheid, die +men de vrouw toeschrijft, is weinig meer dan de eigen zinnelijkheid, +die aan het woord is. Men ziet de vrouw niet gelijk zij werkelijk is, +maar zooals men haar wenscht. + +De literatuur van alle tijden bewijst overigens op treffende wijze, +de grootere zinnelijkheid van den man. In de literatuur van mannen over +vrouwen, speelt altijd het zinnelijke de hoofdrol, in de literatuur van +vrouwen over mannen is dit hoogstzelden het geval. Tegenover duizenden +van gloeiende zinnelijkheid trillende werken van mannen staan slechts +eenige zeer weinige zoodanige werken afkomstig van vrouwen. Daaruit +blijkt, hoe de vrouw het geheele stoffelijke en geestelijke leven +van den man vult en dat in het leven der vrouw daarentegen de man +maar een betrekkelijk geringe plaats inneemt, en dan nog minder in +sexueel dan wel in ander, voornamelijk economisch opzicht. + +In de beeldende kunst valt precies hetzelfde verschijnsel waar te +nemen. Ook hier weer tegenover honderdduizenden heet-zinnelijke +kunstgewrochten van mannenhand nauwelijks eenige weinige zoodanige +scheppingen van vrouwen. De in beeld gebrachte phantasie van den +man is als regel erotisch, en juist de zinnelijkheid heeft den man +bezield tot zijn meest artistieke scheppingen. + +En van welk ander standpunt men de zinnelijkheid van beide geslachten +waarneemt, steeds blijkt, hoeveel grooter de macht der zinnelijkheid is +over den man dan over de vrouw. Er is bijvoorbeeld geen enkele reden +om aan te nemen, dat in de menschenwereld de zinnelijke verhoudingen +anders zouden zijn dan in de dierenwereld. Evenals bij de woestheid van +stier en hengst vergeleken koe en merrie paradijs-reine wezens zijn, +evenzoo is het ten deze gesteld in de menschenwereld. Dat er naast +duizendtallen sexueele gewelddaden door mannen gepleegd aan vrouwen +nauwelijks een enkele verkrachting van mannen door vrouwen is te +stellen, is in geenen deele louter hieraan toe te schrijven, dat de +man physiek krachtiger is dan de vrouw; de zinnelijkheid van den man +is zooveel heviger, en hij is die zooveel minder meester dan de vrouw. + +Behalve in graad verschilt de zinnelijkheid van den man ook in aard +ten eenenmale van die van de vrouw, gelijk wij boven reeds hebben +opgemerkt. Op elke bladzijde dezer geschiedenis zal dit in onderdeelen +blijken. Hier volstaan wij voorloopig met eenige algemeene opmerkingen. + +In het leven der liefde _poseert_ de man als actieve partij, +als aanvaller, en de vrouw als de zich gevende, passieve partij; +de man speelt de rol van overwinnaar, hij schijnt op te treden met +energie en onweerstaanbaar krachtsvertoon, hij schijnt de meester +in het koninkrijk van de liefde en de vrouw de overwonnene, die tot +de geslachtelijke overgave is genoodzaakt. Zoo is de schijn. En de +werkelijkheid is precies andersom. De lijdelijkheid van de vrouw +in het liefdeleven is gelijk aan de lijdelijkheid van de magneet, +en de aanvallende activiteit van den man aan die van het ijzer. De +verhouding tusschen ijzer en magneet geeft treffend de verhouding weer +tusschen man en vrouw in het leven der liefde--eenerzijds schijnbare +lijdelijkheid, die in werkelijkheid onweerstaanbaar aantrekkenden +invloed uitoefent; anderzijds een even schijnbare activiteit, +die in werkelijkheid zwicht voor onzichtbaar op hem werkende +natuurkrachten. In de zinnelijke liefde is de vrouw de meerdere, de +gebiedster, de heerscheres, rondom haar golft een stroom van bekoring, +die den man aantrekt en vasthoudt en den schijnbaren veroveraar in +werkelijkheid de slaaf maakt van de schijnbaar overwonnene. Als in +zooveel andere dingen speelt ook in het liefdeleven de natuur een +slechts voor geoefende oogen herkenbaar spel van schijn en wezen, +waarbij de werkelijkheid precies de omkeering is van wat men meent +te zien plaats vinden. De natuur heeft de vrouw de rol toebedeeld, +zich tegenover den man passief te gedragen en hem tegelijkertijd op +de meest geraffineerde manier te verlokken, te verleiden en aan haar +voeten te trekken. De zegevierende aanvaller is in werkelijkheid de +krijgsgevangene van de schijnbaar voor zijn aanval bezwekene. Zoo is +den man in het leven der liefde het zware, moeilijke en onaangename +werk overgelaten en zelfs de eer van de hoofdrol te vervullen, komt +hem niet toe. + +Tot het gehoorzaam volbrengen van deze ondankbare taak dwingt +de natuur den man met behulp van diens heftige zinnelijkheid. Om +deze te bevredigen moet de man tot de vrouw komen en hare gunst +verwerven, en dit telkens weer, zoo dikwijls zijn geslachtsverlangen +om bevrediging roept, dat is, zoolang de natuur ter bereiking van +_haar_ doel den man kan gebruiken. De vrouw heeft niets te doen dan +eenvoudig de magnetische kracht der bekoring, die van haar uitgaat, +te laten werken. Hoe zinnelijker nu de man is, des te lichter is de +verlokkingstaak van de vrouw en des te grooter is haar overwicht +over den man, die niettemin nog altijd de rol van aanvallende, +actieve partij blijft vervullen. De zooveel vuriger zinnelijkheid +van den man ontheft de vrouw van de noodzakelijkheid hare schijnbare +geslachtelijke koelheid af te leggen. + +Zoo is de zinnelijkheid van de vrouw in aard altijd tegenovergesteld +aan die van den man, ook dan wanneer de macht der zinnelijkheid +over beiden even groot is. Hieruit ontspringen alle geslachtelijke +verhoudingen tusschen man en vrouw, van begin tot einde, zoowel in +het huwelijksleven als in het stadium van het eerste minnen. + +De natuurlijke rol van de vrouw in het leven der liefde is veel +samengestelder en ingewikkelder dan de natuurlijke rol van den +man. In overeenstemming daarmee is ook de zinnelijkheid van de vrouw +gecompliceerder dan de zinnelijkheid van den man. Stellen wij ons de +schaal van de mannelijke zinnelijkheid voor als ééndeelig, dan is die +der vrouwelijke wel honderddeelig. In het stoffelijke en geestelijke +leven der vrouw speelt het geslachtelijke bij voortduring en zonder +onderbreking een rol, het treedt nooit tijdelijk op den achtergrond, +zooals bij den man, bij wien de zinnelijkheid vrijwel uitsluitend +bestaat in bevrediging der geslachtsdrift en in erotisch genot haar +einddoel ziet. Bij de vrouw staat het geheele leven onder den invloed +van den geslachtszin, maar van de eigenlijke geslachtsdrift is de +vrouw veel onafhankelijker dan de man, zij is die meer meester en +ook openbaart de geslachtslust zich bij haar minder snel en minder +stormachtig dan bij den man. Terwijl de geslachtsdrift van den man ten +allen tijde licht ontvlambaar is, heeft de geslachtsprikkelbaarheid +bij de vrouw een meer periodiek--bij tusschenpoozen optredend en dan +weer insluimerend--karakter, hetgeen blijkbaar in verband staat met +de menstruatie en in aard overeenkomt met den periodieken paartijd +bij de dieren. In die tusschenpoozen van sluimerende geslachtelijke +prikkelbaarheid is de vrouw sexueel in die mate ongevoelig, dat +velen, waaronder Lombroso, de vrouw een natuurlijke geslachtelijke +gevoeligheid meenen te moeten ontzeggen. In vele gevallen heeft +het inderdaad den schijn, of de zinnelijkheid der vrouw eenvoudig +bestaat in het opwekken der zinnelijkheid van den man. Haar eigen +geslachtelijke bevrediging zou dan gelegen zijn in de wetenschap +begeerd te worden en die begeerte bevrediging te schenken. In +elk geval eindigt de eigenlijke geslachtsfunctie der vrouw niet, +zij begint integendeel nauwelijks met de bevrediging der sexueele +zinnelijkheid. Uit dit feit vloeien voor het geheele verkeer der +sexen een menigte consequenties voort, die zich bij alle verhoudingen +tusschen man en vrouw doen gelden en het geheele gebied der sexueele +zeden beheerschen. + +Bij de vrouw staat het geheele stoffelijk en geestelijk leven +onder den directen invloed der sexualiteit en de zinnelijkheid +is van die sexualiteit slechts een der factoren. Bij den man is +de geheele sexualiteit geconcentreerd op de bevrediging der zucht +naar geslachtsgenot. De mate, waarin de man onder den invloed staat +van zijn zinnelijkheid, schijnt verschillend naar ras, klimaat en +andere uitwendige omstandigheden, en individueel weer naar leeftijd, +temperament en lichamelijke gesteldheid, maar altijd vertoont de +mannelijke zinnelijkheid, zoo niet als eenig dan toch als hoofdkenmerk: +verlangen naar sexueel verkeer. Met de bevrediging sluimert de geheele +mannelijke zinnelijkheid voor korteren of langeren tijd in. + +Dit verschil in zinnelijkheid bij man en vrouw heeft tengevolge, dat +de wederzijdsche sexueele waardeering eveneens verschillend is. De +geliefde vrouw is voor den man in hoofdzaak, zoo niet uitsluitend, +een voorwerp van erotisch genot, zijn liefde jegens haar hangt af +van de mate van sexueele bekoring, die zij op hem uitoefent. Verzwakt +die bekoring, dan verzwakt ook zijn liefde, werkt een andere bekoring +sterker op hem in, dan verplaatst zich ook zijn liefde. Vandaar het +verschijnsel bij den man in het algemeen, dat men zijn polygamischen +aard noemt, de onbestendigheid in zijn zinnelijkheid, zijn spoedig +verzadigd zijn van het eene liefdesobject en zijn voortdurende +ontvankelijkheid voor nieuwe prikkels, een verschijnsel, dat in het +liefdeleven der menschen een der belangrijkste factoren is. + +Tegenover het polygamische karakter der mannelijke zinnelijkheid +staat wel iets dergelijks bij de vrouw, maar het doet zich bij haar +meer sporadisch voor en daarenboven in veel zwakkere mate, weer een +natuurlijk gevolg hiervan, dat in de vrouwelijke zinnelijkheid de +bevrediging van den geslachtslust een meer ondergeschikte plaats +inneemt. Iedere man, zou men kunnen zeggen, begeert alle vrouwen; +zijn zinnelijkheid is bijna keusloos, de zinnelijkheid vervult zijn +gansche wezen in die mate, dat ter bevrediging ieder object hem welkom +is, zonder dat eerst liefde of zelfs maar genegenheid, hoe vluchtig +ook, eenigerlei toenadering behoeft te hebben bewerkt--de prostitutie +bewijst zulks. Bij de vrouw is dit als regel weer geheel anders. Tot +de vrijwillige sexueele overgave komt de vrouw alleen door gevoelens, +die met de zinnelijkheid wel in verband staan, maar daar tevens boven +staan. Uit zinnelijken drang geeft de vrouw zich niet aan den eersten +den besten onbekende, hare gecompliceerde zinnelijkheid zou daarbij +geen bevrediging vinden. De zinnelijke man daarentegen stelt zich +wel met de eerste de beste tevreden en zijn zinnelijkheid van zooveel +lager orde kan daarbij ten volle de bevrediging vinden, die hij zoekt. + +Er is nog een verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke +zinnelijkheid, dat misschien meer nog dan de reeds opgesomde +verschillen, tusschen beider sexueel bestaan een diepe scheiding +maakt en aan het zinneleven der vrouw een eigenaardige kleur geeft, +die bij den man volkomen gemist wordt. De zinnelijkheid van den man +is zuiver materieel en louter animaal, onderscheidt zich in wezen in +het minst niet van die der mannetjesdieren; in het zinnelijke is hij +niets dan het fel-begeerige geslachtsdier. Het liefdeleven van de vrouw +daarentegen is als doortrokken van mystiek. Ook bijgeloof speelt er +een zeer groote rol in, en indien de vrouw godsdienstig is aangelegd, +is ook haar zinnelijkheid sterk vermengd met religieuse gevoelens +en opvattingen. Ook in de zinnelijkheid blijkt de vrouw bovenal +gevoelsmensch. Alle streven om de zinnelijkheid te idealiseeren en tot +iets bovenzinnelijks te verheffen, de sexueele zeden te verfijnen en +te veredelen, gaat uit van de vrouw en het is hare mystieke opvatting, +ook van het liefde- en zinneleven, die haar daarbij onbewust drijft. De +zinnelijkheid van de vrouw zoekt naar verfijning, is delicaat en teer, +die van den man daarbij vergeleken bruut, gewelddadig en plomp. + +Het mystieke karakter der vrouwelijke zinnelijkheid blijkt uit de +geschiedenis der godsdiensten. De tempels zijn de eerste bordeelen +geweest en ongeveer elke religie heeft onder een of anderen vorm +gekend wat men noemt gewijde prostitutie. Of latere tijden zich +beijveren zulks te stempelen tot ontaarding als anderszins, +verandert niets aan de feiten. En die feiten zijn, zoowel bij +het Christendom als bij andere godsdiensten, dat vrouwen, die +(aanvankelijk voorzeker uit zuiveren zielsdrang) zich in tempels, +kloosters als anderszins afzonderden om haar leven te wijden aan +mystieke kuischheid, temidden van haar streven om zich te verheffen +tot bovenaardsche reinheid typische voorbeelden konden worden van +de meest felle vrouwelijke zinnelijkheid. Wij verwijzen hier slechts +naar de Vestaalsche maagden der oudheid en naar vele nonnenkloosters +der middeleeuwen. De berichten omtrent de grove zinnelijkheid en de +geslachtelijke buitensporigheden van vele dezer "klooster"-zusters +vormen op zichzelf een reusachtige bibliotheek. Zoo schrijft de +vermaarde kroniekschrijver Gailer van Kaisersberg van den tijd der +hervorming: "dat de meisjes toenmaals in het klooster gingen, omdat +men daar het best het vleesch kon dienen." Vele z.g. vrouwen"kloosters" +der 15e-18e eeuw waren niets anders dan plaatsen van losbandig vermaak +voor den adel en de patriciërs, en in vele daarvan was des nachts +geen nonnencel zonder bezoeker. De kronieken leeren ons, dat kloosters +toenmaals de eigenlijke hoogescholen waren der galanterie en der meest +uitgezochte zinnelijke genietingen. Door den zuiverenden invloed van de +wederkeerige controle der concurreerende godsdiensten onderling, en ook +op grond van de noodzaak om tegenover de toenemende godsdienstloosheid +een vertoon te kunnen maken van hooger zedelijkheid, is daar eerst +in den modernen tijd algemeen verandering in gekomen. Later komen +wij uitvoerig hierop terug. + +Het bijgeloovige karakter der vrouwelijke zinnelijkheid valt +o.a. duidelijk te onderscheiden in een der gruwzaamste ontaardingen +van den menschelijken geest, die de geschiedenis heeft aan te +wijzen, n.l. de middeleeuwsche heksengeschiedenissen. Voornamelijk +de vrouwen en de vrouwelijke zinnelijkheid spelen daarin een rol, +en daaronder weer hoofdzakelijk de zich in mystiek verdiepende +vrouwen. De ondergrond toch van alle heksenvrees en heksengeloof +was de opvatting der Christelijke kerk, dat door de vrouw de zonde +in de wereld gekomen is en door de zonde de dood. Van deze opvatting +uitgaande is het maar een kleine stap om tot de overtuiging te komen, +dat de schoot der vrouw de ingang is naar de hel, en dat de vrouw in +voortdurende gemeenschap staat met den duivel. Bij deze voorstelling +kwam nog een tweede. De vrouw wordt gaarne voorgesteld als een +ondoorgrondelijk raadsel, namelijk in hare bekorende macht over den +man. Door deze onweerstaanbare macht die iets geheimzinnigs schijnt te +hebben--hoewel zij louter gelegen is in de onverzadigbare mannelijke +zinnelijkheid--werd de vrouw in de phantasie der mannen, en ook +dikwijls der vrouwen zelf, een demonisch wezen in menschengedaante, +en in de onweerstaanbare bekoring die de vrouw uitoefent op den +zinnelijken man, zag men iets duivelachtigs, iets, waarvan Satan zich +bedient om de zielen ten verderve te voeren. Zoo ontstond de heks en +al wat zich daaromheen heeft afgespeeld, waarop wij later gelegenheid +zullen hebben breedvoerig terug te komen. Hier willen wij omtrent dit +verschijnsel alleen nog dit opmerken. Bij al deze heksengeschiedenissen +en alle daaraan verwante verschijnselen, zooals de hysterische +epidemiën in de kloosters, heeft men klaarblijkelijk alleen te doen +met niets dan een soort erotischen godsdienstwaanzin. Men overlaadde +den geest zoodanig met voorstellingen van sexueele reinheid en met +schrikbeelden voor het zondigen daartegen, dat men tenslotte onderging +in sexueele onreinheid. De bijtwoede en de besmettelijke waanidee van +door den duivel te zijn onteerd, die dikwijls heele nonnenkloosters +aanstak, waren eenvoudig manzieke aanvallen, niets dan nymphomane +excessen, voortgekomen uit met geweld onderdrukten geslachtslust, die +door het steeds denken aan sexueele reinheid wel werd aangewakkerd, +maar niet gedood. De man als bevrediger der geslachtslust was het, die +in deze onreine deliriën der naar bovenzinnelijke reinheid strevende +vrouwen rondspookte, razende geeuwhonger naar geslachtsverkeer en niets +anders was de duivel, die in het bloed dezer alle geslachtsverkeer +schuwende nonnen woedde. Duizenden naar vlekkelooze reinheid hakende +nonnen minden onbewust in Jezus alleen den man, en haar geheele leven +van geslachtelijke onthouding was één voortgezette geestelijke ontucht. + +Van abnormaal-hevige zinnelijkheid kan bij den man nauwelijks +gesproken worden. De macht van den man over zijn zinnelijkheid is +uiterst gering, zijn geslachtelijke prikkelbaarheid zeer groot. Men +kan in het algemeen dan ook zeggen, dat de man als regel steeds, +waar hij daartoe de gelegenheid heeft, zijn zinnelijkheid botviert +tot de grens zijner geslachtelijke potentie. + +Bij de vrouw is dit weer geheel anders. Haar macht over de +zinnelijkheid van haar eigen lichaam is ongeëvenaard grooter dan bij +den man, en juist door haar geslachtelijke koelheid is zij in sexueele +dingen bijna altijd de meerdere van den man. Om deze reden kan men wel +spreken van abnormaal-hevige zinnelijkheid bij de vrouw. Individueele +voorbeelden daarvan zullen wij in de verdere deelen van dit werk +bij menigte leeren kennen. Hier volstaan wij met eenige typische +bijzonderheden in dit opzicht. + +Gewoonlijk wordt bordeelbezoek uit zinnelijkheid alleen toegeschreven +aan mannen. In het bordeel zoo meent men, is het de man, die het +tekort aan bevrediging zijner zinnelijkheid komt aanvullen, terwijl +de vrouw die zinnelijkheid alleen exploiteert, ter geldwinning. Dit +is echter niet geheel juist. Deze plaatsen ter bevrediging der grofste +zinnelijkheid, wisten reeds de Romeinsche vrouwen der oudheid evenzeer +te vinden; zij bezochten incognito de bordeelen en gaven zich daar af +met de bezoekers als gewone publieke vrouwen. De geschiedenis vermeldt +zoo iets uit verschillende tijden, als een geliefkoosde sport van bij +voorkeur voorname dames, en volstrekt niet alleen onder de Heidensche, +ook onder de Christelijke beschaving kwam zulks voor. Uit de 14e, +15e en 16e eeuw bijvoorbeeld vermelden talrijke kronieken, dat +vrouwen, als eerbaar bekend staande en uit de deftigste familiën, +in bordeelen verrast werden, dikwijls door haar eigen mannen. Uit +de dorre registers der 18e-eeuwsche Parijsche politie zijn ten deze +kort geleden interessante bijzonderheden bekend geworden, die voor +de kennis der sexueele zeden van het grootste gewicht zijn. Daaruit +verneemt men bijvoorbeeld dat talrijke dames der hoogste standen +geregelde bezoeksters waren van beruchte huizen van ontucht; ook, +dat vele harer koppelaarsters in haar dienst hadden, die onbekende +manspersonen, reizigers, officieren, geestelijken enz., bij haar hadden +te brengen. En voor eenige jaren is plotseling als door een toeval, +officieel het bewijs geleverd, dat ditzelfde ook nog plaats vindt +in onzen tijd. De burgemeester van Philadelphia, het geïntrigeer +tegen hem van de grootkapitalisten dier stad moede, liet, om zich +te wreken, in den zomer van 1903 zekeren avond een razzia houden +in alle deftige bordeelen, met het resultaat, dat onder de naar de +politiebureaux geleide bezoekers en bezoeksters dier inrichtingen, +een groot aantal dames der geldaristocratie van Philadelphia werden +aangetroffen. En, hoewel op minder opzienbarende wijze, worden in +alle groote bevolkingscentra der oude en nieuwe wereld van tijd tot +tijd gevallen ruchtbaar, waaruit blijkt, dat ook de vrouw het bordeel +weet te vinden, om haar onbevredigde zinnelijkheid den vrijen teugel +te vieren, haar zinnelijke energie ten volle uit te leven. + +Wat bekend is van de "naakte bals", levert het bewijs, dat daarbij +steeds de vrouwen, en wel deftige dames uit de hoogbeschaafde en +welgestelde kringen den boventoon voerden. Zulke bals zijn vele +eeuwen lang een gezochte vermakelijkheid geweest, die vooral voor de +vrouwen een onweerstaanbare bekoring bleken te hebben. En zij zijn +hoogstwaarschijnlijk heden nog evenzeer en even algemeen in zwang +als voorheen. Met zekerheid weet men dit zoowel van Berlijn, Weenen, +Parijs en München als van de half-aziatische metropolen Petrograd, +Moskou, Budapest en andere. En ook weet men, dat daarbij nog evenzeer +als voorheen steeds het vrouwelijk element de overhand heeft en in +de meest phantastische uitspattingen den toon aangeeft. + +Een ander karakteristiek voorbeeld van de hevig-zinnelijke natuur +sommiger vrouwen is haar veelvuldig opgemerkte voorliefde voor +erotische, obscene en zelfs plat-pornografische lectuur. In de 17e +eeuw heerschte, naar Philander von Sittenwald bericht, bij de vrouwen +algemeen de mode, zulke de zinnelijkheid prikkelende werken te laten +inbinden in den vorm van kerkboeken, teneinde zonder opzien te wekken +overal, tot zelfs in de kerk toe, er zich ongehinderd in te kunnen +verlustigen. Deze zelfde truc wordt nog heden veel toegepast. Nog +tegenwoordig brengen in Amerika, Engeland en elders, de handelaars +in zinnelijke prikkellectuur hun waar veelal in den handel in den +uiterlijken vorm van stichtelijke werken, gezangboeken, kerkboeken, +zakbijbels en dergelijke, wetende dat in dien oogenschijnlijk +onschuldigen vorm een ruime afzet bij de vrouwelijke jeugd en ook +bij oudere vrouwen verzekerd is. Een Engelsch verzamelaar is in het +bezit van een uitgebreide dusdanige damesbibliotheek, waarvan elk +exemplaar de duidelijkste sporen draagt van veelvuldig gebruik, terwijl +tallooze kantteekeningen in fijn en sierlijk damesschrift de indrukken +weergeven, die de inhoud alzoo op de lezeressen gemaakt heeft. Uit +die kantteekeningen vooral blijkt, dat de opgewonden vrouwelijke +phantasie in het zinnelijke ook de meest ontuchtige orgiën, die de +man zich kan droomen, nog verre weet te overtreffen. Veelzeggend is +in dit opzicht ook de sarcastisch-paradoxale vraag van Otto Weiss: +of jonge meisjes boeken mogen schrijven, die ze zelf niet mogen lezen. + + + +De slotsom van elke vergelijking tusschen de zinnelijkheid van man en +vrouw kan geen andere zijn dan deze, dat zij volstrekt onvergelijkbare +grootheden zijn; dat de zinnelijkheid van den man in zijn bruutheid +tamelijk eenvormig is, terwijl daarentegen de zinnelijkheid van de +vrouw oneindig gecompliceerd is en vol van de verrassendste nuancen, +en daarom ook veel interessanter; en dat tenslotte de zinnelijkheid van +de vrouw, hetzij door verfijning boven, hetzij in grove dierlijkheid +beneden de mannelijke zinnelijkheid staat, doch nimmer daaraan +gelijk is. + + + + + +IV. + +SCHOONHEIDS-IDEALEN. + + +De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen +op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich +op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid, +waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit +te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de +vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een +persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen, +dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt. + +Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid +betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en +een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk +vanzelf spreekt, wordt hier alleen bedoeld zuiver sexueele keuze op +louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen +van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier +dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de +persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand +als anderszins. + +De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de +andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats +gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate +door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die +eigenschappen en hoedanigheden? + +Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de +liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend +moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit +is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel +ook ten deze zeer verschillend. + +Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn +wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt +het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel +gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder +individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft. + +Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe +te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt, +dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare +geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar +streven om in dat begeerlijke bezit te geraken. + +Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan +het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid +voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich +zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën +van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele +millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste +kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder, +dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd +vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd, +dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal +moeten zijn--iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid +in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste +liefdesgeluk hem ten deel zal vallen. + +De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van +onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het +hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen, +daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van +het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze +zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de +gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat +ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen +van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvan zijn +ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder +individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig +surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal. + +Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere +aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen +gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke +aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke, +lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele +uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijke _schoon_ +wordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen. + +Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft +zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een +eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche +anthropoloog Cordier zegt hiervan: "De schoonheid is geen monopolie +van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen +van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en +algemeene waarde hebben". + +De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst +op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De +zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor +lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking +tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang +van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie, +iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus. + +Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de +mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te +bepalen, welke concrete eischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt +aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het +leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de +aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen +en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en +om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig +uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen, +volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust +en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die +zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen, +treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man; +doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid; +steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom +spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt +aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet +ten aanzien van den man. + +De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht +uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw +wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon, +een machtige zinnelijke bekoring uit. + +De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een +enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt +logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen +de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen +ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde +vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar +geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke +aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid +van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is +en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een +menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen +schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn, +leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid. + +Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen +een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit +opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden +die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te +gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen +tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring +hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling +van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het +tegenovergestelde is het geval--tusschen de schoonheids-idealen wordt +aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in +zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk +gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd +en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van +dat type. + +Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon +heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het +algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief, +eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder +individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een +reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij +den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere +beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen +van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit +de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd, +dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het +krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid, +en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige +van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent +de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De +kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de +zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen. + +Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene +karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig +vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen, +maar deze zijn evenals alles wat bestaat onderworpen aan gestadige +vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke +en stoffelijke factoren. + +In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en +stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst +dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende +schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden +van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van +algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in +schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene +geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood +der middeleeuwen--het tijdperk der Renaissance. + +In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst +de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke +activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal +in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere, +met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt +in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als +zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap; +niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met +nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar +de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt +van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno +zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de +malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle +armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te +verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst +en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens. + +Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche +kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche +weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke +figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het +gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt +is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten, +men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en +meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En +daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid--dat is +levenverwekking--angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen, +visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat +men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat. + +En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat +het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld +beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een +der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu +en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de +eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het +geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den +afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde +richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel niet +herstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger +gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval, +en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt. + +Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk +genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien +men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid +wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en +voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst +bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te +voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te +verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en +met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan +uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot +bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling +van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger +prikkelen zonder hem te verzadigen. Men verfoeit en minacht den +eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder +toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte +of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan, +anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor +boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven. + +Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende +schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug +op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect +betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om +hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen. + +De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk +alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen +volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van +den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot +de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas +flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de +vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar +geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan +het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De +overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man +niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de +onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend +vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid. + +En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in +het leven der geslachten en volken. Het leven van de individueele +deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een +volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig, +rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan +met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een +volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak +in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd +door impotente begeerte. + +Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge +mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der +zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele +geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit +geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het +misschien in mindere mate, van die der vrouw. + +Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de +oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur +der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de +mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der +liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche +en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg +zijn de drie Gratiën--de personificaties van het vurig zinnelijk +verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke +betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft +in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is +de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als +zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch +minnen berustende geslachtsgemeenschap. + +De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde +is uit Azië tot de Grieken gekomen--de Aphrodite der Grieken is de +esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar +de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg +zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden +der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel, +als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De +kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge +vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie +en bekoorlijkheid. + +In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds +zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja +(gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst +voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de +bijlage: De drie Gratiën). + +Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een +god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de +Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor +en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle +levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite, +een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele, +bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeest van goden en +menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en +een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel, +op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god +der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook +wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne +brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche), +de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld +als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels. + +Appulejus geeft in zijn "Metamorphosen" van de verhouding van Eros +(Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling. + +Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste +was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare +gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd +leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters +bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen +zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig +rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden +werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en +voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van +Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen +zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid +en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil +men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en +hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging. + +Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën +is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken, +alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros +(Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan +evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche +sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest +de volgende voorstelling. + +Er was eens een oude dichter, zoo'n wezenlijk goede oude dichter. Op +een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer +los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en +wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden. + +--Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij, +want hij was een goedmoedige dichter. + +--Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep +eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan +de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm +de vensters deed rammelen. + +--Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de +deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het +water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude; +was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker +zijn omgekomen. + +--Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kom +binnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben, +want je bent een lieve jongen! + +Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon +het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch +alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek +van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij +een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven; +de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander. + +De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen +knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde +de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te +drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen, +hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen. + +--Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je? + +--Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn +boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het +maantje schijnt! + +--Maar je boog is bedorven! zeide de dichter. + +--Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek +hem.--O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist +goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande +hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter +precies in het hart. + +--Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid +en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te +schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen, +zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten +appel gegeven had. + +De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies +in het hart geraakt.--Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is +die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich +voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar +kwaad doen. + + + +Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd +de godin der vrouwelijke schoonheid--liefde en schoonheid waren voor +het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar +mannelijke tegenhanger, Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de +vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid +in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde +bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid. + +Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest +artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere), +de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling +Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed +zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite +zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der +onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen +de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde, +aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te +bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou +bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote +pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook +keizer Hadrianus' gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was +een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld. + +Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde +staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit +staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los +van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid, +die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken +hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de +oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen--de Pallasbeelden +van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in +beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid. + +In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere +figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der +Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en +vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het +esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij +zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid +geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven +aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der +oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De +kunstproducten uit dien tijd, toen niets heilig was dan het schoone, +zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere +tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen +van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu: +Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici +te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici, +verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan +de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet +alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van +hunne gewrochten naar het levend model--bij hen zijn de godinnen niet +schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals +Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota +enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest, +waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het +Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische +Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten +denken--godin en prostituee--door de Ouden op één lijn werden gesteld, +zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt +hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne, +het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens +elkaar stonden. + +Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der +kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen +van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik +duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor +den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de +moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen +van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in +de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de +godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria, +behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke +schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen +der Renaissance-Maria's wekken alles behalve bovenaardsche en +bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de +Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende +jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven, +dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene, +die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte +ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel +geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit +voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar +ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te +decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance +het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke +schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden +vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden +verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde +portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche +galerij). Als madonna met het goddelijk kind op den arm demonstreert +zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om +zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen +was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem +die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij +alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al +deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen +van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij +vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph +gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen, +maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van +Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen, +daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts +hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper. + +Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance +komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets +erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling +van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalena's der +Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht +zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van +de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur. + +Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan +het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En +opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het +schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd +de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de +schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph +en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson +en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn +de geliefkoosde onderwerpen van de kunst--steeds de trouwe spiegel van +het geestesleven van een tijdvak of van een volk--der Renaissance. En +ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische +motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno, +Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en +half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon +te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze +godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals +men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der +vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van +de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de +origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer. + +In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende +esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal +van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk +gevolg van dit slankheidsideaal is de vereering der lichaamsvormen +van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen +en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze +vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van +meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met +alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven +alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw +meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over +de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene +beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu +zoowel als voorheen. + +Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van +die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij +komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig +neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten +als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten, +bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel +niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar +aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder +schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, van wie niet +blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet +aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet +louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven, +maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden. + +De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter +of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft +maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van +Milo. Photo Bruckmann, München. + +Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en +werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen, +en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor +interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De +kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid +wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg +kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste +uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier +eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat +aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van +schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit +de oudheid. Volgens den kanon van Polycletus moet het gezicht een +tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde +den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de +lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een +anderen weg ingeslagen--men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal +individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken +vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam +berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen +en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men +de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld +de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus +en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding. + +Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben +natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden +doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde +door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling +van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen, +de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het +bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten +wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve +ideale typen. + +En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele +menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op +te sporen. + +Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt +nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke +kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon +moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet +meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld, +vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen +der lichaamsdeelen. + +De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype +gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe +aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon +dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later +een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet +te worden vertegenwoordigd door zijn "Speerdrager" (te Napels). De +Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenland's beeldhouwwerken +die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst +niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de +schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen +golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen +betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage) +is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor +de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel +van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet +als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden. + +Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en +dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo +behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en +okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele +volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor +de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om +hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet +uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen, +wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk +van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere +kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon +blindelings nagevolgd. + +Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten +tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten +te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne +metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek, +en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De +kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende +eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle +onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals +en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten, +breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met +langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm, +ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de +langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel +verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid. + +Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en +lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen +moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende +naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde, +geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen +aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken +zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie, +en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in +zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders +ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft +dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig +of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden, +iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de +hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk +ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen, +die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben +opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het +esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het +zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert +om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de +vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide, +smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer +recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen. + +Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog +te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het +levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale +scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt, +wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven +de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door +gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in +de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede +vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet, +die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel +afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend, +dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd +aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg. + + + +Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar +zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de +hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars +bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de +bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon +kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel +ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan +ook aannemen, dat de stelling "alle vrouwen zijn schoon" eigenlijk +niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte +mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch +zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe, +een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle +vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er +spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken +zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden, +wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen. + +Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden, +stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de +geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft +bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien +het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt +oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen, +zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel +niet kunnen bevredigen. + +Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit, +dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi +vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel +in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid +is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone +vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt +sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk +schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en +dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en +hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving +van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos +staat tegenover de bekoring der schoonheid. + +Op de vraag, wie het schoonste product der schepping mag worden +genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk +het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid +bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij +voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie +is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie, +waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te +kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in +het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk +te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om +dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet +uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte +te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen +misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede. + +Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in +het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de +vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van, +of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte +van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw +doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs +eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur, +afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die +voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (in _Das +Buch der Frauen_) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch +dier. "Onder de vrouwen", zegt zij, "is het nu juist niet gebruikelijk +zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt +en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem +komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij, +wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe +komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook +in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist +al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en +fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische +groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert, +om z'n in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge +meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de +mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben, +schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets +anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En +hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer +droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en +zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit +louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet +even ernstig en plechtig als hij--en dit beetje spel is wat haar in +haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen, +afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in +eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één +enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de +man is, des te meer behoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder +de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan +vele en velerlei indrukken van buiten af." + +De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt +niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor +sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken, +het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen +voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn, +die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een +oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen +zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid +te betwisten. + +Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel +ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig +zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der +ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van +het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het +geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel, +staat de man op zijn voeten--hij is het beeld van massieve, majestueuse +schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in +de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren +duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging +zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage: +De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het +mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de +onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het +merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En +zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt +nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend +oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar +voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van +oude mannen werkelijk mooi. + +Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den +prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven, +dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin +het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd, +onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs +de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan +zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer--en +op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het +schoone geslacht misgunnen--daaruit nog een even kleineerende als +hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: "Bij het +meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal +noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor +enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op +kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat, +op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er +zich toe laat verleiden voor het heele verdere leven de zorg voor +haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij +waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het +gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander +levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in +staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in +dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want +evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar +deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen +der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo +ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar +schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden." + +Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer +gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde +begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch +en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der +liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal +van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel +deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden, +ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheid om over vrouwen te +oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief +antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een +onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn +oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: "De in elkaar +geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe +kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de +geslachtsdrift, de _schoone_ sexe genoemd worden. De heele schoonheid +dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats +van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe +met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen +aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst +hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en +voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter +te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat +persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan +is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe +heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij +door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect +de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom +ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te +zien om den man in haar macht te krijgen." + +Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen +heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen +zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid +wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat +datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk +is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling +over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de +menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij +zegt: "De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een +of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden +aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht." En +niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen, +dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven +milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als +onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode +geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers) +waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw; +een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het +een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen +bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden. + +Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert +wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon +werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De +wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil, +dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en +nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna +mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin +onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen. + +Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele +duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit +tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen +had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het +begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog +niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan +honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van +die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch +moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras +zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen +tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en +altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter +niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in +het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste +plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven, +zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat +voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten, +maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak +beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonder uitzondering voor alle +tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van +den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid, +en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon +van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit +de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het +kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak +en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden. + +Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon +en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is +veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander +tijdperk af. + +Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is +daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch +schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het +erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op +slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is +niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het +vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën, +voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan +het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van +de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de +krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds +een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is +deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid +alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten +naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten. + +Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een +vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde +vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet +de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de +dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek, +die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan +het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in +het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd +door een drom stomme vereerders. + +En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal +voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover +elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht +tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit +heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In +kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen +geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig +voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische +geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke +modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend +als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de +opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En een tweede, +toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem +van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie +overeenkomende afzondering gehouden. + +Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of +mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid +vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de +voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en +onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie, +blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan, +ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde, +ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht +en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen +hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die +van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en +de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men, +hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in +grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de +volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid +uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst. + +Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en +schitterend in de werken van P.P. Rubens. + +Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische +orgiën, vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte +zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk +van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid, +oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte +grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven, +kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn +werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen, +de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt +levenverwekking. Rubens' vrouwenfiguren hebben slechts één doel: +zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen +in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En +zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te +bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van +onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd +weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen +andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen +schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of +de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude +kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt +bij hem overal zoo edele en heerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor +ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de +geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging +van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De +boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij +is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom +ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de +boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens +te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid +van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts +vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet +hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke +borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen, +en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens +en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw, +maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister: +haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die +schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt +hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast. + +Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde, +weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van +den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van +Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels +bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die +wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale +ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben +zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens +bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier +primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een +natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men +achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze +oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme +was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was; +ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen +type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het +grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen +op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij +weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur. + +Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen +esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat +deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke +wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die +beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen; +maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het +meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers +dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min +of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijk niet te +denken--het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap +van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd. + +Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets +anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien +tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets +behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor +haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die +toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een +paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen +baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken, +en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons +deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen +kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke +blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw +symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname +vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der +geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen +trap van beschaving staan--voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig +voorgesteld door corpulentie. + +De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van +erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap +Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen, +dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij +nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de +streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat +ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen +te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en +vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen +het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn. + +Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in +de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid +der vrouw een voorname rol. "De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten +daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en +daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere +meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan +haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld +te brengen." De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie +(dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer +de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt, +moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want +eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er +minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband +tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw +verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg +van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo +tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen +eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde +landen de paleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de +voorname huizen en de villa's der gegoede burgers zijn, dat zijn bij +de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en +vleeschmassa's hunner vrouwen--uiterlijke blijken van macht en rijkdom. + +Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het +Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg +het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van +de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar +niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon +misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met +schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe +ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen +kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische +schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor +het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig +ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte +postuur en haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke +fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden. + +Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid +een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische +schoonheid. "Niet alle schoonheid, zegt Gervantes in _Don Quichote_, +inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort +en overigens koel laat." Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal +een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid +op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed, +zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk, +terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden +smaak indruk maakt. + + + + + +V. + +SCHAAMTE. + + +De welopgevoede Europeesche mensch schaamt zich zijn +naaktheid. Tegenover de logica en tegenover de natuur is die schaamte +onredelijk, even onredelijk als de angst en de afschuw dien de +menschen koesteren voor een geraamte, terwijl zij toch weten dat +zij zelf zulk een geraamte in zich omdragen. Toch schijnt zij als +een neiging in de ziel van ieder mensch te zijn gelegd en doet zij +zich gelden met een kracht, die soms de kracht der zinnelijkheid zelf +schijnt te overtreffen. + +Waarom schamen wij ons? + +Niet om daarin een soort beveiliging te vinden tegen de macht der +zinnelijkheid, maar om ons nog machteloozer tegenover deze natuurdrift +te maken! Ook het sexueele schaamtegevoel staat in directen dienst +der zinnelijkheid. Het is in ons de verraderlijke bondgenoot van de +andere sexe. De schaamte prikkelt en onderhoudt de zinnelijkheid. Het +is hier weer hetzelfde spel van schijn en wezen, dat het geheele +sexueele zijn van den mensch omgeeft, en dat er naar streeft steeds +den schijn te wekken van het tegenovergestelde der werkelijkheid. + +"Het eerste wat men de vrouwen geleerd heeft, zegt Diderot (_Sur les +femmes_) is: het vijgenblad, dat haar oudste stammoeder haar heeft +nagelaten, smaakvol en coquet te dragen. Alles wat zij de eerste +kinderjaren te hooren krijgt komt neer op de vermaning: Mijn dochter, +let toch op je vijgenblad! Je vijgenblad zit goed, je vijgenblad +zit slecht." + +Volgens Debay (_Physiologie des trente beautés de la femme_) is het +schaamtegevoel een natuurlijk instinct van de vrouw, dat haar zoeken +doet naar middelen om de teugellooze begeerte van den man van haar +af te leiden. Debay heeft hier zeer kernachtig het tegenovergestelde +van de werkelijkheid geformuleerd! + +Het geldt bij het geheele blanke menschenras als iets vanzelfsprekends, +dat beide geslachten buitenshuis alleen gezicht, hals en handen +onbedekt laten, al het overige wordt met kleederen aan het gezicht +onttrokken en wie meer laat zien doet iets onbetamelijks en +onfatsoenlijks. Diezelfde menschen, die hun eigen en anderer naakt +lichaam onfatsoenlijk vinden, bewonderen het naakte lichaam in de +kunst. En ook schaamt men zich niet voor zijn naaktheid als men alleen +is. Uit een en ander schijnt reeds te blijken, dat de schaamte met +de naaktheid op zichzelf niets uitstaande heeft. + +Waar in dit hoofdstuk het woord schaamte wordt gebezigd, wordt het +steeds bedoeld in zijn beteekenis van naaktheidsschaamte. Het woord +schaamte toch duidt een heele reeks zeer uiteenloopende gewaarwordingen +aan. + +De schaamte in dezen zin is een dier vele schijnbare +tegenstrijdigheden, zooals het sexueele leven van den mensch er +zoovele te zien geeft. Het is een uiterst veranderlijke, ten volle +individueele gewaarwording, die met naaktheid en zedelijkheid niets +gemeens heeft. Men kan naakt gaan zonder begrip te hebben van schaamte +daarvoor. Het is geheel iets anders, of een Europeesch philosoof +dan wel een inboorling van Brazilië of van den Bismarck-Archipel +zijn naaktheid toont. De naaktheid is het niet die van nature het +schaamgevoel kwetst, zoo min bij de nog op primitieven trap van +beschaving staande volken als bij onze Europeesche kinderen in de +eerste levensjaren. + +De oorsprong van het schaamtegevoel is gelegen in de natuurlijke +neiging van het vrouwtje om voor den blik van het mannetje hare +geslachtskenmerken te verbergen, nu eens om zich voor een ongewenschte +benadering te beschermen, dan weer om de begeerte sterker te +prikkelen of uit vrees afkeer en walging op te wekken. Het verborgene +trekt sterker aan dan het zichtbare, het onbekende prikkelt de +nieuwsgierigheid, terwijl het bekende onverschillig laat. In deze zucht +tot verbergen heeft zoodoende de Natuur de vrouw van een zinnelijk +machtsmiddel temeer tegenover den man voorzien. En de vrouw heeft +ten allen tijde van dit machtsmiddel een ruim gebruik gemaakt. Door +het hanteeren van het wapen der dusgenaamde schaamte heeft de vrouw +het vermogen meer en langer interessant te zijn voor de mannelijke +zinnelijkheid, en deze op te voeren tot de gewenschte hoogte, dan van +eenvoudige naaktheid redelijkerwijze ware te verwachten. En gelijk in +de natuur neigingen zoowel als organen meerdere functiën vervullen, +zoo ook met het sexueele schaamtegevoel: het werpt hinderpalen en +beletselen op tegen te groote agressiviteit van den man, en werkt +als stimulans bij te geringe agressiviteit van den man. + +Algemeen zijn physiologen zoowel als psychologen het er over eens, +dat het schaamtegevoel geen oorspronkelijk instinct bij den mensch +is, maar een verworven eigenschap. Daarvoor pleit ten eerste het +verschijnsel, dat het schaamtegevoel zich onder de menschen in alle +denkbare richtingen heeft ontwikkeld, zoodat de manieren waarop, +of juister nog, de lichaamsdeelen waarvoor men zich schaamt, zeer +verschillend zijn. Er is nauwelijks een lichaamsdeel op te noemen, +waarop niet hier of daar in de wereld het schaamtegevoel zich heeft +neergezet. Een natuurlijk instinct nu is niet zoo verplaatsbaar. Een +tweede bewijs tegen het aangeboren zijn van het schaamtegevoel is +het volkomen ontbreken daarvan bij jonge kinderen. Het kind, dat nog +vrij is van de sexueele zinnelijkheid, kent de schaamte niet. Eerst +met het ontwaken van de zinnelijkheid, ontwaakt ook de schaamte. Bij +ieder menschelijk wezen herhaalt zich zoo de Paradijslegende--de +zinnelijkheid roept de schaamte voor de naaktheid wakker. + +De natuur is altijd naakt, de onschuld is het evenzeer; bij ieder +vergrijp jegens de natuur en bij iedere ontwijding der onschuld +werpt de mensch het beeld der liefde nieuwe hulsels om de schouders, +zegt Mantegazza. + +En als met de intrede der geslachtelijke rijpheid het schaamtegevoel +zich doet gelden, dan schaamt het kind zich juist precies voor +dezelfde lichaamsdeelen als waarvoor het zijn omgeving zich ziet +schamen. Evenals het kind moet leeren spreken, moet het zich leeren +schamen en het komt daarin onder gewone omstandigheden nooit buiten +de desbetreffende opvattingen van zijn naaste omgeving. Zoo kan men +evenals van een moedertaal ook spreken van een moederschaamte en even +verschillend als de talen is ook het schaamtegevoel. + +Schaamte is in hinderlaag liggende zinnelijkheid. Zij staat in +directen dienst van de zinnelijke lokking. Als zoodanig is zij het +sterkst ontwikkeld bij de vrouwelijke sexe, wier rol in het sexueele +leven juist bestaat in aanlokken. De pure naaktheid lokt minder +dan de zich beschaamd verbergende naaktheid. Omdat schaamte ten +slotte hierop uitloopt, dat zij de vrouw begeerlijker maakt, daarom +zorgt de vrouw onmiddellijk bij het tot rijpheid komen, dat zij zich +schaamt, naar dit in haar omgeving betaamt, nooit anders. Die schaamte +geldt dan altijd in de allereerste plaats lichaamsdeelen, die op de +mannelijke omgeving de sterkste erotische aantrekking blijken uit +te oefenen. Waar dit de voet is, daar zit de schaamte in den voet, +waar het 't aangezicht is, daar zit de schaamte in het aangezicht, en +zoo voort. De vrouwelijke schaamte gaat op en neer met de mannelijke +zinnelijkheid. Waar de schaamte haar doel voorbij schiet, d.w.z. als +zij zoo goed slaagt in haar wel schijnbaar, maar niet werkelijk beoogd +doel: het erotisch offensief der mannen te keeren--daar wordt zij +onmiddellijk gecorrigeerd en in de gewenschte richting gewijzigd en +men haast zich het zoo schaamachtig verborgene desnoods openlijk aan +de blikken prijs te geven. Wat het sterkst de mannelijke zinnelijkheid +prikkelt, dat wordt bewust of onbewust als regel toegepast. Is dit de +ingetogen schaamte, dan schaamt men zich ingetogen; wordt met luchtige +opvattingen meer effect verkregen, dan worden die luchtige opvattingen +gehuldigd. De schaamte is grootendeels modezaak en het is dan ook de +mode die uitmaakt hoe en waarvoor men zich schamen moet. Blijkbaar +denken ook de vrouwen er zelf ongeveer zoo over. "De reden, waarom de +menschen zich hun naaktheid schamen," zegt Marie Bashkirtseff in haar +_Journaal_, "is deze, dat zij hun kleine gebreken kennen. Was men er +zeker van, geen vlekje op de huid noch een slechtgevormde spier of +een misvormden voet te hebben, dan zou men zonder zich te schamen, +naakt loopen. Men geeft zich hiervan geen voldoende rekenschap, en +toch is dit en niets anders de oorzaak van onze schaamachtigheid. Hoe +zou men ook kunnen aarzelen iets werkelijk schoons, iets waarop men +trotsch kan zijn, te vertoonen? Wie heeft ooit sinds den tijd van +koning Candaules, die zijn gasten met de onverhulde heerlijkheid zijner +schoone vrouw verrukte, een schat of schoonheid bezeten en zich daarop +niet beroemd? Even licht als men tevreden is met zijn aangezicht, +even angstvallig en behoedzaam is men ten opzichte van de gebreken +van het overig lichaam. Wie zich volmaakt weet kent de schaamte niet, +de schoonheid is almachtig, ook tegenover de schaamte. Schaamte is +vrees voor kritiek op de schoonheid van het lichaam." + +De sexueele schaamte is een erotisch lokmiddel. Dit lokmiddel is +als zoodanig oorspronkelijk alleen der vrouw eigen en bij haar een +natuurlijke neiging. Het ligt geheel in de lijn van de vrouwelijke +rol in het geslachtsleven, die in schijnbaar afweren bij werkelijk +lokken bestaat. Ook thans nog is het sexueele schaamtegevoel sterker +ontwikkeld bij de vrouw dan bij den man. In den loop der tijden is +de schaamte tot gewoonte geworden, een gewoonte zoo sterk, dat zij +zich ook nog doet gelden in die momenten, waarin zij het minst op +haar plaats lijkt. In de sexueele zeden en de sexueele moraal neemt +deze gewoonte gewoonlijk het karakter aan van een deugd, waardoor +haar voortbestaan ook van dien kant voldoende is gewaarborgd. + +Naaktheid wordt door natuurvolken nimmer als naaktheid gevoeld, zij +weten niet dat zij naakt gaan; bij hen is de naaktheid natuurlijk +en schaamte daarvoor is hun onbekend. Eerst als men het bekleeden +van het lichaam heeft leeren kennen, ontstaat de schaamte over +naaktheid. Waar naaktheid gewoonte is, werkt zij niet erotisch. Waar +bekleeding gewoonte is, werkt reeds de minste ontblooting in hooge mate +erotisch. En de bekleeding zelf werkt ook erotisch. Waar dit wordt +ontdekt of begrepen, daar begint men zich onmiddellijk te gewennen +aan kleeding en kiest terstond het dubbele erotische voordeel der +kleeding boven de naaktheid. + +Men schuwt derhalve in beginsel de naaktheid niet uit schaamte, +maar wijl daarvan onvoldoende erotische aantrekking uitgaat. Men +grijpt naar kleeding niet uit schaamte voor de naaktheid, maar om de +naaktheid begeerlijker te houden. + +Er is allerlei naaktheid: de nooit bekleed zijnde of natuurlijke +naaktheid en de ontbloote of zinnelijke naaktheid. Verder nog +artistieke naaktheid, die welke de kunst phantaseert. + +Aangezien de rol der vrouw in het liefdeleven bestaat in het passief +uitoefenen van erotische aantrekking op de andere sexe, is de kleeding +voor het vrouwelijk geslacht in meerdere mate een erotische kwestie +dan voor den man, wiens rol van actieven aard is. Overal en ten allen +tijde interesseert dan ook de vrouw zich veel meer voor kleeding dan de +man. De hartstocht der vrouw voor kleeding is daarom, zij het veelal +onbewust, van zinnelijken aard. Door haar kleeding verhoogt zij hare +zinnelijke aantrekkingskracht, terwijl de natuurlijke zinnelijke +bekoring der naaktheid er eveneens door verhoogd wordt. Ook als +zoodanig vervult het sexueele schaamtegevoel getrouw zijn dubbele +functie--het is tegelijkertijd het buitenste bolwerk der bedreigde +kuischheid, en de uiterste voorpost in het gebied van de tegenpartij. + +Het schaamtegevoel brengt er toe de naaktheid te bedekken. Daardoor +ontneemt het echter aan de naaktheid niet haar zinnelijke bekoring, +maar onderhoudt die juist. De gewoonte, naaktheid te zien, verstompt +zeer snel voor den zinnelijken prikkel daarvan. Door het schaamtegevoel +blijft dus de zinnelijke bekoring van de naaktheid behouden. + +Het schaamtegevoel doet tevens voorwendsels aan de hand, om de +natuurlijke zinnelijke bekoring van het lichaam tot in het onbegrensde +te verhoogen. En wel door de kleeding. De kleeding, schijnbaar +het middel om de naaktheid te bedekken, staat in werkelijkheid +geheel en al in dienst der zinnelijke lokking, en vervult die +rol onberekenbaar beter, zekerder en aanhoudender, dan de bloote +naaktheid zou kunnen. Het schaamtegevoel, dat gebiedt de naaktheid te +bedekken, stelt daarmee tevens instaat, de gebreken dier naaktheid te +verbergen, de werkelijkheid te corrigeeren, omtrent die werkelijkheid +in elke gewenschte richting volkomen om den tuin te leiden, al wat +de zinnelijkheid maar verlangen kan te fingeeren. + +Zoo bezit speciaal de vrouw in het schaamtegevoel het voorwendsel +om zich met alle ten dienste staande middelen begeerlijker te +maken. Zoodoende dient haar het schaamtegevoel niet om het andere +geslacht op kuischen afstand te houden en de gevaarlijke aandacht +der licht ontvlambare zinnelijkheid van het andere geslacht af te +leiden, maar juist om de phantasie van de andere sexe te prikkelen +en nieuwsgierigheid op te wekken naar het schijnbaar zoo angstvallig +verborgene. + +De schaamte prikkelt de zinnelijkheid ook door de aarzeling, die zij +bij het verleenen van de eerste tot de laatste gunst doet betoonen. Het +is toch het eigenaardige in het wezen van het geslachtsleven, dat +elk beletsel, elk uitstel, iedere tegenstand de begeerte verhoogt +en versterkt. De geslachtslust vereischt voor zijn bevrediging, +zelfs dat aanvankelijk de bevrediging hopeloos schijnt. Alleen +wanneer de voldoening stap voor stap nader komt, en de vesting +stelling na stelling onder allerlei moeielijkheden wordt genomen, +waarbij de eindoverwinning lang onzeker blijft, alleen dan wordt de +eindelijke zege zoo genoten dat zij bevrediging schenkt. Naarmate de +citadel gemakkelijker capituleert, wordt de overwinning minder op prijs +gesteld. En tot dit gansche spel van zich stap voor stap en van gunst +tot gunst te laten veroveren, wordt de passieve partij voor een groot +gedeelte in staat, gesteld door het schaamtegevoel, dat aan dit spel +tevens de natuurlijkheid verleent, die het effect ervan nog verhoogt. + +Schrijvers als Bachofen en anderen hebben uit de geschriften der +klassieke oudheid een menigte mededeelingen verzameld, waaruit blijkt, +dat bij tal van volken de geslachtelijke schaamte zich zelfs niet +uitstrekte tot de handeling der geslachtsgemeenschap. Wij leeren +daaruit volken kennen, die reeds een zekere mate van beschaving +bezaten, en wier sexueele zeden op volgens onze begrippen nog +zoo lagen trap stonden, dat zij in het openbaar en voor aller +oogen geslachtsgemeenschap hadden. Zenobius verhaalt, dat de +Berg-Massageten het iets heel gewoons vonden, op de publieke straat +geslachtsgemeenschap te hebben. Strabo en Herodotus vermelden hetzelfde +van andere Tartaarsche rassen. Apollonius, Xenophon en Diodorus hebben +zulke zeden waargenomen bij de bergbevolking ter zuidkust van de +Zwarte Zee. Wij mogen hieruit besluiten, dat er menschenmaatschappijen +hebben bestaan, in wier beschaving schaamtegevoel voor sexueele dingen +onbekend was. + +De schaamte heeft ook nog een anderen psychologischen ondergrond, +ten minste bij den geciviliseerden mensch. Deze schaamt zich min +of meer voor zijn geslachtelijke neigingen, wijl ze weinig in +overeenstemming schijnen met zijn bewustzijn van waardigheid en +superieuriteit. Het zwichten voor de zinnelijkheid schokt het met +zooveel zorg gekweekte besef van verre verheven te zijn boven den +"alledaagschen" mensch. Het zich vatbaar weten voor de paardrift brengt +den eigenwaan aan het wankelen, want het dwingt tot de vernederende +erkenning dat men zich trots alle zelfverheffing nog evenmin als +wie ook heeft kunnen emancipeeren van de dierlijkheid. De maskers der +beschaving en der inbeelding vallen af, de gedroomde meerderwaardigheid +blijkt denkbeeldig; men blijkt nog altijd evenzeer dier te zijn +als wie ook onder de verachten uit de omgeving. En dit alles wekt +bij den geciviliseerden mensch een gevoel van vernedering en van +schaamte tegenover zichzelven en tegenover anderen. Men voelt zijn +waardigheid wankelen onder het besef dat men zwak is, hoe sterk men +ook moge schijnen; dat men willoos tegenover de begeerte het andere +geslacht naloopt, terwijl men den schijn aanneemt zooiets beneden +zich te achten; dat men in het openbaar van esthetiek spreekt en +van zelfbeheersching en zelfbedwang en deze in het geheim in het +gezicht slaat. Nergens zoozeer als op het gebied der zinnelijkheid +wordt de mensch, wat hij zich ook inbeeldt, zoo vernederend met +den neus neergedrukt op het feit van zijn zwakte tegenover de +natuur. Op geen enkel ander gebied drijft de natuur zoo den spot met +'s menschen hoogmoed en trots, en wordt zijn fierheid ieder oogenblik +zoozeer geknakt en verootmoedigd. Op geen ander gebied bevindt de +mensch zich zoozeer een willoos werk- en speeltuig van redelooze +natuurkrachten. En zelfs al slaagde hij erin, deze voor een tijd +of voor altijd te overwinnen, dan zou hij wel iets hebben verloren, +maar niet iets hebben gewonnen. + +Al deze overwegingen kunnen tot een zekeren afkeer van de +geslachtelijke dingen leiden, tot minachting en tot schaamte over het +feit, dat men niettemin dat verachte niet missen kan en niet missen +wil, dat men doet wat men niet zou willen doen en evenmin zou willen +laten, en dat men ten slotte evenzeer als het dier zijn schatting +betaalt aan de natuur die in haar eischen geen verschil kent tusschen +den mensch en het dier, en den mensch alleen den schralen troost laat +van de mogelijkheid, bedoelde schatting te betalen in het geheim. + +Een ander merkwaardig verschijnsel bij het schaamtegevoel is de zeer +verschillende localisatie van zijn hoofdzetel. Geen neiging is aan +het lichaam zoo verplaatsbaar als de schaamte, geen aandrift kiest +zich zoo grillig zijn zitplaats als deze. + +Het schaamtegevoel toch heeft volstrekt niet zijn zetel in de +eigenlijke erotische sferen van het lichaam. De Mohammedaansche vrouw +schaamt zich vooral voor haar aangezicht. In ongekleeden staat verrast +is zij er alleen op bedacht haar aangezicht te verbergen. En zoo +vertoont het schaamtegevoel naar tijd, ras en zeden, de zonderlingste +wisselingen en ook daaruit blijkt dat het geen natuurlijk instinct is, +maar een uitvloeisel van zede, gewoonte en opvoeding. De plaats aan +het lichaam, waar de schaamte haar hoofdzetel heeft, is louter een +kwestie van mode. Een absoluut schaamtegevoel bestaat niet, het is +veranderlijk en van allerlei invloeden afhankelijk. + +In vele streken was of is het schaamtegevoel bijvoorbeeld +gelocaliseerd op den voet. De ontblooting van den voet gold daar +voor de vrouw als iets, wat de grenzen der coquetterie overschreed, +dus als onfatsoenlijk en onbetamelijk. Wijl het schaamtegevoel altijd +zetelt aan gedeelten van het lichaam waarvan sterke erotische bekoring +uitgaat, of waaraan tenminste bijzondere erotische beteekenis wordt +gehecht, mag men aannemen, dat daar, waar het schaamtegevoel der +vrouw was neergestreken op den voet, de mannen op een óf anderen +grond zich speciaal erotisch bezighielden met den voet. Wat toch +voor de eene sexe erotische bekoring heeft, wordt door de andere +sexe onmiddellijk schaamachtig verborgen gehouden. Vermoedelijk +heeft men bij deze erotische belangstelling voor den voet der +vrouw te doen met een verschijnsel van masochistisch servilisme, +d.i. erotisch genieten in zelfvernedering voor de vrouw. En de vrouw, +als gewoonlijk zonder zich al te veel rekenschap te geven van het +wezen van het verschijnsel, was er met des te meer ijver op bedacht, +het erotisch te exploiteeren. Men schaamde zich voor den voet minstens +even sterk als voor de geheimste verborgenheden der genitale sferen. De +coquetteerende voet werd zorgvuldig bekleed en verborgen gehouden en +kwam slechts als bijzondere gunst uit zijn schuilhoek te voorschijn. + +De galante abbé Brantôme bericht: "In den vroegeren tijd had een mooie +voet zooveel verleidelijks, dat kuische Romeinsche vrouwen en allen +die kuisch wilden schijnen, beschroomd waren, hem openlijk den blikken +prijs te geven, zoodat zij hem zooveel zij konden onder haar lang kleed +verborgen hielden, waardoor haar gang zoo terughoudend en afgemeten +was, dat hij nooit onder het kleed zichtbaar werd; en ook thans nog +doen in navolging van dien ouden tijd desgelijks nog in Italië vele +vrouwen". Gravin d'Aulnoy deelt van de Spaansche vrouwen der 17e eeuw +mede: "Hare rokken zijn van voren en aan de zijden zoo lang, dat zij +slepen, van achteren echter slepen zij niet. Zij dragen ze tot op +den grond reikend, zoodat ze er bij het loopen op trappen, opdat men +hare voeten niet zien kan, want deze lichaamsdeelen zoeken zij op het +zorgvuldigst te verbergen. Naar ik verneem komt een dame eerst dan, als +zij een heer reeds alle mogelijke tegemoetkomingen heeft betoond, er +toe hem haar voet te toonen, als uiterste blijk van haar genegenheid; +dit noemt men hier (in Spanje) de laatste gunst der liefde. Men moet +toegeven, dat niemand zulke snoezige voetjes heeft, haar schoentjes +zijn niet grooter dan onze poppenschoentjes. Die schoentjes zijn van +kleurig marroquin, zonder hak, en omsluiten den voet even nauw als +een handschoen. Als zij loopen, schijnt het of zij zweven; in geen +eeuw zouden wij Françaises die manier van loopen kunnen leeren". Deze +zelfde gravin vertelt ook, dat zij eens een voorname dame bezocht, die +nog te bed lag, en alvorens op te staan, haar verzocht de deur af te +sluiten, om verzekerd te zijn niet te worden verrast op bloote voeten. + +Een Duitsch auteur der 18de eeuw schrijft hieromtrent: "Zoo vrijgevig +de Spaanschen waren met het exposeeren van de schoonheden van het +bovendeel van haar lichaam, zoo angstvallig verborgen zij de onderste +uiteinden. Eerbare vrouwen hielden haar beenen en voeten voor zoo +ongenaakbaar en heilig, dat zij liever haar leven zouden gelaten hebben +dan ze prijs te geven aan de blikken van een vreemd manspersoon. Opdat +de voet nooit door een spiedenden blik kon worden ontwijd, droegen de +Spaanschen een kleed dat zoo lang was, dat de voeten bij het loopen +steeds geheel onzichtbaar bleven. Behalve de uiterste gunstbewijzen, +die een vrouw vermag te schenken, was dit de grootste, dat de geliefde +den minnaar haar voet toonde. De voeten en beenen der koninginnen waren +zoo hoogheilig, dat het reeds een misdaad was er aan te denken; men +begrijpt dus wat het zou geweest zijn er van te spreken. Toen prinses +Maria Anna van Oostenrijk als bruid van Philips IV naar Spanje kwam, +bood men haar in een stad waar groote fabrieken van zijden kousen +waren, een aantal paren der kostbaarste dameskousen aan. De majordomus +der toekomstige koningin wierp ze echter met verachting van zich +met den uitroep, dat een koningin van Spanje geen kousen noodig had, +daar zij immers geen beenen mocht hebben. De koninklijke bruid, dit +hoorende, barstte in tranen uit en gaf te kennen dat ze naar Weenen +terug wilde, want dat men er haar onkundig van had gelaten, dat een +koningin van Spanje de beenen moesten worden afgezet. De zaak werd +haar toen duidelijk gemaakt en men verhaalde het geval aan den koning, +die zich niet weerhouden kon er om te lachen--het was een der drie +keeren dat hij in zijn leven gelachen heeft." + +De geschiedenis der sexueele zeden kent ook een geval, dat de +voetschaamte tengevolge heeft gehad dat van een geheel ras bij iedere +vrouw de voeten van kindsbeen af volkomen worden verminkt. Dit is +het geval bij de Chineezen. Deze zede is vooral in de Zuidelijke +deelen van het uitgestrekte Hemelsche Rijk in zwang en inzonderheid +bij de vrouwen der hoogere standen, zooals trouwens elke erotische +zede het volledigst en tot haar uitersten in de hoogere kringen tot +ontwikkeling kan komen--overal toch kan de vrouw haar erotische rol +alleen dan ten volle vervullen, als zij niet behoeft te werken en +zich kan laten bedienen. De voetverminking begint bij het vierde of +het zevende levensjaar. Met verbanden worden de voeten zoo omwikkeld, +dat ze bijna worden afgebonden. Daardoor wordt de groei niet alleen +gestuit, maar de geheele voet schrompelt ineen tot een vormeloozen +stomp. Zooveel mogelijk ontziet men daarbij den grooten teen. Hoe +lang deze zede al bestaat, is niet bekend. Marco Polo en Ibn Batuta, +die in de 13de en 14e eeuw China hebben bezocht, maken er met geen +woord gewag van; maar volgens de Chineesche annalen is het gebruik al +overoud. Waarschijnlijk is het 't allereerst in zwang gekomen onder +de allervoornaamste vrouwen, die de reizigers natuurlijk niet te +zien kregen--bij ongeciviliseerde en halfbeschaafde rassen worden de +erotische pronkjuweelen altijd voor vreemdelingen angstvallig verborgen +gehouden. Omtrent de bedoeling dezer verminking verkeerde men vroeger +geheel en al in het onzekere. De oorzaak is natuurlijk hierin gelegen, +dat de Chineezen deze, volgens onze begrippen afschuwelijke voeten, +schoon vinden en de Chineesche vrouw verminkt haar voeten omdat zij +daardoor over een erotisch machtsmiddel temeer beschikt. + +Matignon schrijft hieromtrent in de "Archives d'Anthropologie +criminelle" (1898): "Het trok mijn aandacht, hoe groote liefhebbers +de Chineezen zijn van pornografische afbeeldingen. En op ongeveer +alle Chineesche pornografieën ziet men de mannelijke partij een +vrouwelijken voet liefkoozen. Als een bewoner van het Hemelsche +Rijk een vrouwenvoet in de hand neemt, dan is, vooral als hij +bijzonder klein is, het effect hetzelfde als bij den Europeaan het +betasten van een jeugdigen frisschen boezem. Alle Chineezen die ik +hieromtrent ondervroeg, antwoordden mij eenstemmig: Heerlijk, een +kleine voet! Jullie Europeanen kunnen niet begrijpen, hoe heerlijk, +hoe verleidelijk, hoe onweerstaanbaar dat is! De aanraking van een +kleinen vrouwen voet brengt den Chinees letterlijk in een erotischen +roes en voert zijn zinnelijk verlangen op tot den hoogsten graad. Niet +zelden klagen Chineesche christenen in de biecht over hun zwakheid +tegenover de vleeschelijke bekoring, die den aanblik van vrouwenvoeten +op hen uitoefent." + +Morache deelt mede, dat in China geloofd wordt, dat het verminken +der voeten sterke vetafzetting aan den schaamheuvel, mons veneris, +veroorzaakt; en ook aan de schaamlippen, zoodat zeer kleine voeten +zeer weelderige ontwikkeling der geslachtelijke heerlijkheden +aankondigt. Ook zou men in China gelooven, dat het niet kunnen loopen +een verhoogden bloedsaandrang naar de schaamstreek veroorzaakt, zoodat +kleine voeten het erotisch temperament en bijgevolg het vermogen +geslachtsgenot te schenken, in sterke mate verhoogen. In elk geval +weet men thans met volkomen zekerheid, dat de voetverminking der +Chineesche vrouwen een erotischen grond heeft. Het schaamtevoel der +Chineesche zetelt dan ook in hoofdzaak in haar voeten. + +Wij hebben boven reeds gezien, dat de localisatie van het +schaamtegevoel in den voet niet uitsluitend bij de Chineezen is +voorgekomen, maar elders is terug te vinden. Zoo is voorheen ook in +Rusland de vrouwenvoet een voorwerp van erotische aanbidding der mannen +geweest. P. Jacoby verhaalt omtrent Oost-Rusland: "Op heete dagen +kan men de vrouwen hier zich onbeschroomd zien bewegen met ontblooten +boezem, ja zoo goed als geheel ongekleed. Maar men zal ze nooit met +bloote voeten zien en ook de naaste mannelijke bloedverwanten krijgt +nooit den voet en het onderdeel van den voet der vrouwen te zien. Deze +vrouwen hebben haar schaamte in de voeten en ook haar coquetterie. Den +voet eener vrouw te ontblooten is hier voor den man de inleiding tot +het uiterste en de aanraking van de voetbekleeding veroorzaakt bij hen +dezelfde gewaarwordingen als bij den Europeaan het aanraken van een +van het lichaam nog warm corset. De schoonheid der vrouw concentreert +zich voor deze mannen in den voet. In de minnezangen der Mordwijnen is +de voet de vrouwelijke bekoorlijkheid, die het meest geprezen en het +vurigst bezongen wordt. Den voet tegenover een persoon van het andere +geslacht te ontblooten geldt als een hoogst ongepaste sexueele daad en +is zooveel als het symbool der sexueele overgave. Daardoor is de kous +en de voetbekleeding daar een zinnebeeld van het huwelijk, evenzoo +als elders de trouwring. Tegenwoordig nog is er in Oost-Rusland een +traditioneel lied, dat jonge meisjes zingen bij het raden naar haar +toekomstigen echtgenoot. Het thema van dat liedje is: kom en trek mijn +kousen uit. Bij de volken in het Russische Noorden en Oosten moet de +bruid zulks in den huwelijksnacht herhaaldelijk voor den bruidegom +doen, elders is het de taak van den bruidegom; en dat heeft dan niet +de beteekenis van een echtelijk gunstbewijs, maar van een echtelijke +ceremonie. Bij de welgestelde burgerij en den kleinen adel stoppen +de ouders van een bruidspaar geld in de kousen hunner kinderen als +een cadeautje voor de andere partij, waarbij dan stilzwijgend wordt +aangenomen, dat de jonggetrouwden elkander de kousen uittrekken als +teeken van sexueele overgave en bezitneming." + +Het verminken van den voet met erotische oogmerken is ook onder de +geciviliseerde volken zeer algemeen, hoewel men de zaak hier niet zoo +tot het uiterste drijft als de Chineezen. Om de illusie te kunnen +wekken van een kleinen voet te hebben persen ook de Europeesche +vrouwen haar voeten gaarne in te nauw schoeisel. Met het gevolg, dat +ook in Europa de vrouwen inplaats van fraaie, meest misvormde voeten +hebben, met over elkander geschoven teenen en ontsierd door leelijke en +pijnlijke eksteroogen. Vandaar schaamt ook de Europeesche vrouw zich +haar voeten bloot te toonen, doch hierbij heeft men bij uitzondering +te doen met schaamte die niet zinnelijke bekoring beoogt. De meeste +vrouwen weten zeer wel dat zij leelijke voeten hebben; en zoo graag +zij met het snoezig, bevallige laarsje coquetteeren, zoozeer schuwen +zij het, den voet ontbloot te toonen. Aan badplaatsen behooren +badpantoffels dan ook tot de onontbeerlijke bestanddeelen van het +badtoilet. De ontgoocheling der ontblooting is wel het sterkste bij +den voet. + + + +Doordat het schaamtegevoel zich zoo verschillend uit, worden +volksstammen, die zich anders schamen dan wij, veelal voorgesteld als +geen schaamte te bezitten. Met dit oordeel moet men echter uiterst +voorzichtig zijn. Zelfs bij natuurvolken, die nog staan op den +laagsten trap van geestelijke ontwikkeling, zijn sporen van een meer +of minder ontwikkeld schaamgevoel te vinden. Zeer algemeen wordt gemis +van kleeding, naakt-gaan, met gebrek aan schaamtegevoel verward. De +geheele of nagenoeg geheele naaktheid van vele volksstammen is zeer wel +vereenigbaar met een hoog-ontwikkeld schaamtegevoel; omgekeerd is het +zich bedelven onder kleeding volstrekt geen waarborg voor het bestaan +van het meest elementaire begrip van betamelijkheid en decentie. + +Aan den anderen kant schijnt het schaamtegevoel, waar het eenmaal +bestaan heeft, wel voor verzwakking vatbaar, maar niet voor algeheele +uitroeiïng. Zelfs bij de meest verdierlijkte prostituées blijkt altijd +nog eenig spoor van schaamte overgebleven, hoe ook hare gedragingen +het tegendeel schijnen te verkondigen. "Slaat men ze slechts wat +nauwkeuriger en in bepaalde omstandigheden gade, zegt Parent-Duchatelet +(in _Zedenbederf der Parijsche vrouwenwereld_), dan blijkt, dat zelfs +de grootste moreele ontaarding dit gevoel toch niet geheel en al heeft +kunnen vernietigen en dat er bij velen ten minste nog sporen van zijn +overgebleven. Komt b.v. een vreemde in de visitatiekamer der prefectuur +of der gevangenissen, op het oogenblik dat zij ontkleed staan voor +het onderzoek, dan ziet men ze oogenblikkelijk de armen over de borst +kruisen en zich zooveel mogelijk bedekken. Schaamteloos gedragen zij +zich alleen jegens hare minderen, dat zijn hare mannelijke bezoekers, +maar voor anderen leggen zij dikwijls een bijna normaal vrouwelijk +schaamtegevoel aan den dag. Niet zelden ziet men ze blozen, wanneer +ze gedwongen zijn zich voor meerdere mannen te ontblooten. Bij het +reglementaire onderzoek wenden zij zich gaarne altijd tot denzelfden +arts, zij komen alleen op de uren waarop zij zeker zijn dezen te zullen +vinden. En wie zulks heeft meegemaakt, weet welk een diepen indruk het +onderzoek en de demonstratie harer geslachtsziekten voor een talrijk +auditorium op deze vrouwen maakt. Allen, zonder uitzondering, ook de +meest schaamteloozen, worden tijdens zulk een onderzoek slag op slag +vuurrood en blijkbaar is het voor haar een marteling." + +Ook uit deze schaamte der schaamteloozen van beroep blijkt de +zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel. Zoodra de naaktheid +blijkt onverschillig te laten of zelfs walging en afkeer te wekken, +keert het schaamtegevoel onmiddellijk terug, als een poging der natuur +om het gebroken evenwicht te herstellen. + +Een andere eigenaardige kant van het schaamtegevoel bij de +geciviliseerde volken is, dat het zich niet uit tegenover alle +soortgenooten, maar voornamelijk tegenover standgenooten. Vooral +is dit het geval met het vrouwelijk schaamtegevoel. Tegenover den +huisknecht werkt bij de voorname dame het schaamtegevoel haast even +weinig als tegenover den huishond. Men acht het beneden zich, men +schaamt zich, tegenover zoo iets als de knecht zich precies zoo te +schamen als jegens den maatschappelijk gelijke. Duidelijk straalt +hier weer de zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel in door: +schaamte veronderstelt de mogelijkheid van begeerd te worden, en alleen +reeds de gedachte daaraan beleedigt den maatschappelijk meerdere. + +Zeer sterke voorbeelden van gemis aan schaamte bij voorname +vrouwen jegens personeel zijn bekend uit alle tijden en streken, +waar bijvoorbeeld slavernij of lijfeigenschap heeft bestaan, voor +zoover daarvan tenminste kultuurhistorische bijzonderheden bekend +zijn. Slaven en lijfeigenen, die geen personen maar slechts dingen +waren, kende men geen schaamte toe, en men schaamde zich ook niet +voor hen. Een der meest krasse voorbeelden daarvan verhaalt Masson +in zijn _Mémoires secrets sur la Russie_. Een Russische edelvrouw +ging met een Française wandelen in een voor het publiek toegankelijk +park. Twee lijfeigenen, lakeien, volgden op eenigen afstand. Onderweg +moest de Russin aan een natuurlijke behoefte voldoen. Zij wenkte +hare lijfeigenen, ging een weinig van den weg af, liet zich door +de beide mannen de rokken lichten, en verrichtte, op hen steunend, +de affaire. Op de ontstelde vraag van de Française, die iets van +mannenoogen stotterde, antwoordde de Russin met eenige bevreemding, +dat het toch maar slaven en geen mannen waren. + +Ditzelfde beneden zich achten van schaamte tegenover den mindere +openbaart zich op velerlei manieren bij ongeveer allen voor wie +bediend te worden door gewoonte tot een recht is geworden. Tegenover +huisknecht of dienstmaagd acht men het zelden noodig pikante geheimpjes +al te zeer te verbergen. Bij het toilet onttrekt men zich zorgvuldig +aan de blikken van standgenooten, maar bekommert zich weinig om het +personeel, en voor het kamermeisje heeft men in het geheel niets te +verbergen. Evenzoo ten opzichte van het negligé en tal van andere +dingen. + +Er ligt voor vele naturen, in het bijzonder voor zinnelijk verruwde +gemoederen, een hevig erotisch genot in het beleedigen van anderer +schaamtegevoel. Dit verschijnsel wordt veel meer bij mannen waargenomen +dan bij vrouwen, en de meest algemeene vorm waaronder het optreedt, +is het bezigen van woorden en uitdrukkingen, die op geslachtelijke +dingen betrekking hebben, het vermaakscheppen in wat men verstaat +onder liederlijke taal, het zingen van vuile liederen, het vertellen +van pornografische aardigheden. Een ander veelvuldig voorkomende +vorm is het schrijven van woorden of uitdrukkingen van sexueelen +aard op plaatsen waar ze velen noodzakelijk onder de oogen moeten +komen. Voor velen schijnt het een sadistisch genot, vrouwen luid een +obsceen woord toe te roepen. + +Een andere vorm is de dusgenaamde exhibitie. Deze bestaat hierin, +dat men met erotische oogmerken om anderer schaamtegevoel te kwetsen, +lichaamsdeelen, waarop het schaamtegevoel gelocaliseerd is en wat +de schaamte dus gebied te verbergen, exhibiteert (tentoonstelt, +zien laat). Dit kan geschieden zoowel in natura als met afbeeldingen +en voorstellingen. + +Waar zulks uit strafrechtelijk oogpunt gewaagd kan worden, grijpt +de neiging tot exhibitie alle mogelijkheden aan--ontblooting +der genitaliën en der nates, naaktloopen, openlijke onanie +en dergelijke. Doch zulks nadert dan reeds het gebied van het +geslachtelijk abnormale. + +Exhibitie bezielt ook de vrouwen, die elke gelegenheid aangrijpen om +kunstenaars als model te dienen of die zich telkens en telkens weer +door artsen laten onderzoeken. Ook de voorstellingen van worstelaars, +athleten enz. hebben een sterk exhibitischen bijsmaak. De echte +exhibitie is trouwens mannen misschien nog meer eigen dan vrouwen. + +Min of meer schijnt ieder mensch, man zoowel als vrouw, van nature +neiging te bezitten tot exhibitie; de vrouw die met haar decolleté +coquetteert, en de man, die een zoo nauwen pantalon draagt dat alle +lijnen daarin scherp uitkomen, exhibiteeren. De medische wetenschap +leert, dat de exhibitie bij sommige individuen ten volle den +bijslaap kan vervangen en geslachtelijke bevrediging ten gevolge kan +hebben. Ongetwijfeld speelt hierbij echter geslachtelijke nerveusiteit +een groote rol. + +Het exhibiteeren veronderstelt opzet om het schaamtegevoel te +beleedigen, of om uiting te geven aan een werkelijke of voorgewende +erotische spanning. Niet dus het eenvoudig zichtbaar laten of toonen +is exhibitie. Een en dezelfde handeling bijvoorbeeld kan voor de een +exhibitie zijn, terwijl zij het voor de ander niet is. Zulks hangt +geheel af van de opvattingen van het milieu en de daarin gehuldigde +sexueele moraal. "Een zielszieke, zegt Stoll, die met ontbloote penis +voor het raam staat om de aandacht van passeerende vrouwspersonen +te trekken, en kerels, die, als er geen politie in de nabijheid is, +voor voorbijgaande meisjes en vrouwen hun penis ontblooten en daarmee +onanistische manipulaties bedrijven, plegen exhibitie, maar de Negers +van de kust van Mozambique, die vroeger geen andere schaambedekking +hadden dan een soort suspensoir om den penis, worden door de vrouwen +van hun stam in het minst niet van exhibitische bedoelingen verdacht, +daar zij van der jeugd af aan den aanblik daarvan gewoon zijn." De +prostituée der Europeesche bordeelen, die in laag uitgesneden robe +haar borsten tentoonstelt voor een ieder, die de oogen maar op wil +slaan, beoogt exhibitie; de meisjes van de tallooze volksstammen in +tropische gewesten die gewoon zijn het bovenlichaam geheel onbedekt +te laten, doet weliswaar hetzelfde in nog sterker mate als bedoelde +prostituées, maar met geen zweem van exhibitische oogmerken. De +danseres onzer Europeesche balletten, die bij hare evoluties voor +de tooneelkijkers van kaalhoofdige schouwburg-habitués haar beenen +opgooit en bij oogenblikken in de wolken van gaas en kant de lijnen +van haar dijgewricht ter observatie geeft, simuleert exhibitie; +maar der inboorlinge van het Gazellenschiereiland op Nieuw-Pommeren, +die geheel naakt en zelfs met geëpileerd schaamhaar ter markt komt, +is elke gedachte aan exhibitie vreemd. In de landen der strengste +Mohammedaansche orthodoxie zou een vrouw, die zich ongesluierd op +straat vertoonde, in de oogen harer geloofsgenooten exhibitie begaan, +gelijk dit bij de Egyptische danseressen dan ook inderdaad het geval +is, als zij bij haar optreden haar gezicht vertoonen. Daarentegen +zou het belachelijke onzin zijn bij de Europeesche, die hetzelfde +doet: haar gelaat onbedekt laten, exhibitische bedoelingen te +veronderstellen, terwijl het zoo geliefkoosde decolleté en het +ontblooten der armen (anders dan bij den arbeid) weer niets dan +exhibitie is. Zoo hangt het geheel van de heerschende sexueele zeden +en opvattingen af, of het toonen van welk lichaamsdeel ook, exhibitie +bedoelt of niet. Met lichaamsdeelen die sexueel volkomen indifferent +zijn, kan elders de grofste exhibitie worden bedreven. + + + + + + +VI. + +DE TOENADERING DER SEXEN. + + +Bij ieder normaal ontwikkeld menschelijk wezen leeft physiologisch en +psychologisch een krachtige drang naar de andere sexe. Natuurwetten +hebben de geslachtelijke scheiding doen ontstaan en, sexueel gesproken, +den geheelen mensch gesplitst in twee helften: man en vrouw. Diezelfde +natuurwetten hebben echter een sterk verlangen naar toenadering bij +beide sexen achtergelaten. Zonder dat verlangen zou de voortplanting +onmogelijk zijn geworden en in de natuur drijft en dringt juist alles +tot voortplanting en instandhouding der eenmaal ontstane soort. + +Ten behoeve dier toenadering is de mensch van nature toegerust met +een reeks neigingen, waartegen ook de machtigste wilskracht op den +duur niets vermag. Alle voorwaarden zijn in den mensch aanwezig om +hem in een eventueelen strijd tegen het sexueel verlangen, vroeg of +laat te doen bezwijken. De macht der individualiteit is altijd minder +sterk dan de macht der sexualiteit. + +Aangenomen mag worden dat het sexueel verlangen gemiddeld bij beide +geslachten in even sterke mate aanwezig is. Het openbaart zich bij +beide geslachten echter niet op dezelfde wijze. + +Het onderscheid tusschen den mannelijken en den vrouwelijken +aard openbaart zich reeds bij de ei- en de zaadcel. Ja, zelfs +komt die aard bij deze scherper uit dan in menig ander stadium der +ontwikkeling. Reeds in deze eerste levensbeginselen komt de speciaal +mannelijke en de speciaal vrouwelijke rol in het geslachtsleven ten +duidelijkste uit. De jacht van de zaadcel op de eicel is een beeld van +het geheele leven der sexen. De eicel is passief, en afwachtend en haar +eenige taak is aantrekkingskracht uit te stralen, de zaadcel tot zich +te trekken, als de magneet het ijzer. De zaadcellen daarentegen zijn +bewegelijk, onrustig, uiterst gevoelig voor de bekoring, die uitstraalt +van het vrouwelijk element. Zij worden de eicel op afstanden, die +vele honderdduizenden malen hun eigen lengte kunnen bedragen gewaar, +en stormen er trillend van begeerte als in een razenden wedloop +op af. Talloozen komen onderweg om, uitgeput door de bovenmatige +inspanning die het hun kost hun dik kopje met het dunne zweepachtige +staartje kronkelend voort te bewegen. Maar velen bereiken toch nog +het zoo vurig begeerde doel en omzwermen het eitje als een wolk vurige +aanbidders. Evenwel, velen zijn geroepen, maar slechts een enkele is +uitverkoren. Voor dien uitverkorene opent zich het kleine genadepoortje +in den vliezigen celwand, en de bevoorrechte glipt het vrouwelijk +cellichaam binnen, om er levenverwekkend mee samen te smelten. + + + +Precies hetzelfde speelt zich af in het verkeer der sexen, dat aan +de handeling der bevruchting voorafgaat. De vrouwelijke aard bestaat +in uitstraling van zinnelijke bekoring naar de geheele omringende +mannenwereld. Die bekoring is deels onbewust, deels bewust. Het +vrouwelijk wezen op zich zelf al oefent op de mannenziel een machtige +bekoring uit--voor den man is iedere vrouw als omgeven door een +wolk van zinnelijke aantrekking. Die natuurlijke aantrekking weet +de vrouw met tallooze hulpmiddelen nog oneindig te versterken. De +zoo door natuurlijke en kunstmatige bekoringen aangelokte mannen +omzwerven de vrouwen als een drom vurige aanbidders, evenals de +zaadcellen de eicellen. En ook hier weer zijn velen geroepen, maar +een eenige slechts is uitverkoren. De jacht van den man op de vrouw, +waarbij de man begint als jager, om te eindigen als de gevangene van +het doel zijner jacht, zal zich als het tenslotte komt tot het door +de nature beoogde einddoel, weer precies zoo tusschen zaad- en eicel +op de geschetste wijze herhalen, echter in veel sneller tempo en met +veel grooter zekerheid dat het doel werkelijk zal worden bereikt. Want +in het liefdespel der sexen worden vele eenmaal aangeknoopte banden +weer verbroken, beide partijen kunnen tot het laatste oogenblik de +verbintenis alsnog doen eindigen, maar het door zaadcellen bedreigde +eicelletje is reddeloos verloren, de drang der natuur kan op dat punt +niet meer worden gestuit. + + + +Wij willen hier het even liefelijke als dramatische spel der +wederzijdsche toenadering van nog een paar andere kanten beschouwen. + +Van nature gevoelen de beide sexen zich tot elkander aangetrokken. Dit +is een algemeene wet der natuur. Geheimzinnige krachten voeren de +sexen tot elkander. Het is als een zesde zintuig, dat den mensch +voortdurend de andere sexe doet zoeken, begeeren en vinden. + +De zinnelijkheid is voor het individu veelal eenvoudig doel, maar in de +ordening der natuur is zij het middel tot bestendiging van het leven, +en zij werkt bij alle menschelijke wezens, zonder uitzondering. En de +zinnelijkheid werkt zoo, dat ze den mensch met onweerstaanbare aandrang +er toe aandrijft, gemeenschap met de andere sexe te begeeren. Dit +doet den mensch hunkerend rondzoeken naar bevrediging, en zijn +begeeren, aanvankelijk gericht op de gansche andere sexe, vestigt +zich tenslotte op een bepaald persoon, en wel op die, welke het meest +overeenkomt met zijn erotisch ideaal, m.a.w. op de persoonlijkheid, +die het meest voldoet aan zijn zinnelijken smaak--verondersteld blijft +hierbij natuurlijk, dat geen andere factoren de keus bepalen. Is het +individu, welks keus is bepaald, een man, dan is het volgende wat hem +te doen staat, het voorwerp van zijn keuze op een of andere wijze van +dit feit in kennis te stellen. Bij den man is de keuze en het kenbaar +maken daarvan vrij en van zijn min of meer tactvol optreden kan dan +afhangen of zijn keus de verlangde gemeenschap tengevolge heeft of +niet. De vrouw daarentegen gevoelt in hetzelfde geval zich genoopt +haar keus te verzwijgen. Zij mag alleen kiezen uit wat zich haar +aanbiedt. Zij heeft ten deze niet de vrijheid, die de man heeft. Van +haar wordt een afwachtende houding verwacht. Vandaar is er bij de vrouw +van een vrije geslachtelijke keuze geen sprake. Wijl dit verschijnsel +in het zinneleven der dieren ook kan worden waargenomen, schijnt het +normaal en door de natuur gewild. Hoe dit zij, in de sexueele zeden +van alle tijden en volken vinden wij den man het recht toegekend--en +in toepassing brengen--zijn keus kenbaar te maken en openlijk naar +het bezit van het voorwerp zijner keuze te dingen; terwijl de keus +der vrouw beperkt is tot het recht om een desbetreffend aanbod +te accepteeren of van de hand te wijzen. Bij beide sexen heeft +zich deze verhouding ontwikkeld tot de hoogste wet in het sexueele +leven. De vrouw, die haar keus op dezelfde wijze als de man kenbaar +zou maken, zou daarmee tegen alle sexueele gebruiken zondigen. En +wat haar wellicht nog het meest in haar passieve rol doet berusten, +dat is dit andere verschijnsel, dat het bezit van de zich aanbiedende +vrouw in den regel door den man weinig of niet wordt begeerd, en in +elk geval niet hoog wordt gewaardeerd. Zoo werkt alles er toe mede +dit zoo in stand te houden. + +De vrouwelijke passiviteit in het liefdeleven openbaart zich in +velerlei vormen en graden en soms is, oogenschijnlijk tenminste, het +verschil met de mannelijke activiteit zeer gering. Er zijn vrouwen, +die als Mohammed tot den berg weten te gaan, als de berg niet tot +Mohammed komt. Tal van vrouwen erkennen dit openlijk en eischen het +recht daartoe voor de vrouwenwereld op. Zoo schrijft Frieda von +Bülow in _Einsame Frauen_: "Men zegt: de man moet kiezen en der +vrouw het hof maken, de vrouw moet afwachten. Dit generaliseeren +is domme onzin, zooals zooveel wat zich voor wijsheid uitgeeft. Er +zijn mannen die beslist het hof gemaakt en ook gekozen moeten worden +en uit zichzelf nooit den moed zullen vinden zich aan een vrouw te +verklaren. Daarentegen zijn er vrouwen, met wier aard lijdelijkheid +geheel en al in strijd is en die zich daar volstrekt niet in zouden +kunnen schikken. Ik zelf bijvoorbeeld ben gewoon mij altijd zelf mijn +tafelburen en mijn cavalier bij den dans uit te kiezen. Mannen, wier +omgang mij van te voren niet aanstaat, laat ik ook niet de gelegenheid +mij te naderen." + +Intusschen, al moet men toegeven, dat er vrouwen zijn, die de kunst +verstaan gracieus de rollen om te keeren en toch ten volle vrouw te +blijven, valt toch niet te ontkennen, dat dit uitzonderingen zijn op +den algemeenen regel. De meeste vrouwen geven er de voorkeur aan zich +het hof te laten maken en weten zich uitmuntend in hare dusgenaamde +passiviteit, die in werkelijkheid zeer actief is, te schikken en +daarin te berusten. + +Uit den aard der zaak is de rol der vrouw in het liefdeleven +gecompliceerder, dus interessanter, dan die van den man. Om deze reden +zal elke studie van den sexueelen omgang zich meer met de vrouw bezig +houden dan met den man. De rol der vrouw is wel schijnbaar passief en +afwachtend, maar in werkelijkheid is zij even actief en offensief als +de rol van den man. Maar bij de vrouw is de erotische activiteit van +geheel anderen aard--zij trekt den man, bewust of onbewust, tot zich, +zij wekt den zinnelijken honger der mannen op en prikkelt die door +te dralen met de bevrediging en op honderd andere manieren en zoo is +de passieve vrouw in het liefdeleven de eigenlijke hoofdpersoon. De +man is de betooverde, die handelt onder den invloed van sexueele +dwanggevoelens. + +De toenadering der beide sexen voltrekt zich, wanneer het door +de natuur aangewezen pad wordt bewandeld, niet plotseling, maar +integendeel zeer langzaam en geleidelijk. Vóór het komt tot de +handeling die de natuur wil, en die beide sexen al of niet klaar +bewust willen, doorloopen beide partijen velerlei phases, die elk +voor zich de bron kunnen zijn van aangename gewaarwordingen en van +die zielstoestanden, die men in het algemeen noemt geluk. Langzaam en +geleidelijk brengen geheimzinnige krachten met onuitputtelijk geduld +beide helften van het geslachtelijk geheel in elkanders sfeer van +sexueele aantrekking, laden ze beide met de levenwekkende electriciteit +van den hartstocht, en voeren ze zoo tot elkander als twee wolken die +den bliksem dragen. Tot tenslotte op een gegeven moment plotseling +het contact tot stand komt en het tusschen beide partijen tot een +verklaring komt, die over beider toekomst beslist. + +Aanvankelijk is er bij beide sexen schuwheid jegens elkander, de +ontluikende bloemen schijnen elkander eer te ontwijken dan te zoeken; +tusschen beide bestaat een onbewuste schroomvalligheid, die zich uit +in onhandige verlegenheid. + +Het eerste ochtendgloren van het mysterie der liefde hult zich in +onbestemde nevelen, en jonge onbedorven zielen worden aanvankelijk +gescheiden gehouden door een zwijgend misverstand. Het eerste ontluiken +der liefde is als een half-onbewuste worsteling, waarbij de jongeling +beschroomdheid aan den dag legt en het meisje stoutmoedigheid--in deze +eerste phase, waarin beide sexen elkander pogen te naderen, nemen zij +als het ware elkanders hoedanigheid aan. Er is eerst vereering op een +afstand, zwijgende aanschouwing, onbegrepen vergoding, waarvan men +het niet waagt te spreken, waarvan men zich alleen bewust is, dat het +iets is en dat men het moet verbergen. Zoo kan het liefdeleven in zijn +eindelooze verscheidenheid een aanzienlijk deel van het bestaan der +individuën vullen, alvorens de natuur _haar_ doel met dit alles ziet +bereikt. En vooral dit voorspel, dat dit gezamenlijk bezwijken voor +den machtigen drang der natuur voorafgaat, is voor ons in dit werk +van belang en hiermede zullen wij ons dan ook in hoofdzaak bezighouden. + +Bij het tot elkander voeren der geslachten bedient de natuur zich van +ongeveer alle zintuigen, gelijk wij in een afzonderlijk hoofdstuk, +hierover handelend, zullen trachten aan te toonen. Ieder individu is +met al zijn zintuigen gevoelig voor de bekoring die tot hem uitgaat +van het andere geslacht. Deze bekoring neemt gewoonlijk den vorm aan +eener opzettelijk aangewende lokking. Dit lokken geschiedt niettemin +slechts tot op zekere hoogte opzettelijk, het zetelt niet in den +overleggenden wil, evenmin als dit het geval is met de aantrekking +die van de magneet uitgaat naar het ijzer. De lokking, die het eene +geslacht uitoefent op het andere, is een bloot natuurlijke functie, +die echter, evenals iedere natuurlijke functie, door den mensch min +of meer kan worden beheerscht, geoefend en versterkt. + +Het groote natuurlijke en daarom op zichzelf onbewuste lokmiddel der +vrouw is de _maagdelijkheid_. De bekoring der maagdelijke onschuld +op de sexueele psyche van den man is onweerstaanbaar, en de jacht +van de mannelijke zinnelijkheid geldt in de eerste plaats de virga +intacta. "De maagdelijkheid", zegt Hippel in _Ueber die Ehe_, "is de +Meimaand van het jaar, de bloesem der boomen, de dageraad van den dag; +de maagdelijkheid is een zoo teere zaak, dat men er ternauwernood +van kan spreken, zonder ze te bezoedelen". + +Onder de Alexandersagen komt een sprookje voor van heerlijke bloemen +in het woud, uit wier roode en witte kelken, als in de lente de +sneeuw gesmolten is, liefelijke feeën te voorschijn treden, die +den ganschen zomer bij vogelenzang en bloemengeur hun heerlijke +jeugd genieten. Maar als de herfst komt, als de bronnen ophouden te +vlieten, bloemen en bladeren verwelken en verdorren, dan verdwijnen +deze liefelijke kinderen der bloemen en hun kort leven vergaat. De +wonderkinderen van dit sprookje zijn de maagdelijke vrouw, zooals de +mannelijke phantasie zich die gaarne droomt. + +De maagdelijke vrouw straalt een onuitsprekelijke bekoring uit. In de +voorstelling veler volken en godsdiensten is de maagd een wezen van +bovenmenschelijke reinheid, toegerust met bovennatuurlijke krachten. Er +is nauwelijks iets, dat in de sexueele zeden een zoo groote rol speelt +als de maagdelijkheid. + +De eeredienst der maagdelijkheid, zegt Ploss in _Das Weib in der +Natur- und Völkerkunde_, is een esthetisch dogma, dat uitgaat van +de opvatting, dat de sexueele ongereptheid der jonge vrouw een zeer +bijzondere zedelijke waarde heeft. In deze waardeering van de intacte +sexualiteit der vrouw valt door de gansche beschavingsgeschiedenis heen +een naturalistische en een idealistische opvatting waar te nemen. Zelfs +bij de natuurvolken vallen sporen van een zekeren graad van eerbied en +zedelijk ontzag voor de maagdelijkheid te bespeuren. Bij de beschaafde +rassen geldt het als iets natuurlijks, in de ongereptheid en reinheid +van den maagdelijken toestand het ideaal der kuische en heerlijke +vrouwelijkheid te vereeren. Reeds in het oudste Germaansche recht +werd de maagdelijkheid als iets eerbiedwaardigs beschouwd, en de +Christelijke godsdienst kende aan een kuisch maagdelijk leven een zoo +hooge beteekenis toe, dat vele gehuwd geweest zijnde vrouwen later tot +heiligen zijn verheven, omdat zij ook in den echtelijken staat haar +maagdelijkheid ongeschonden hadden bewaard. En hoewel bij de Germanen, +sinds zij tot het Christendom overgingen, de oorspronkelijke eerbied +voor de vrouw in het algemeen allengs verminderde, wijl de geestelijke +met het oog op den zondeval in het Paradijs hen leerde de vrouw als +een onrein wezen, als de verleidster van den man te beschouwen, toch +bleef bij hen de eerbied voor de maagdelijke reinheid ongeschokt. In +den Christelijken godsdienst, hoewel die de _vrouw_ als de oorzaak van +de eerste zonde en daarmee van alle zonde beschouwt, heeft de vereering +der moeder Gods als de onbevlekte maagd Maria de _maagdelijke vrouw_ +omgeven met een wolk van hemelschen luister. En nog allerlei andere +dingen hebben er toe bijgedragen, dat de ideale beteekenis van het +begrip maagdelijkheid in onze hedendaagsche beschaving behouden +is gebleven. + +De legende van de heilige Ursula en haar elfduizend maagden, zegt +Mantegazza, is door de geleerden en de geschiedvorschers slecht +uitgelegd. Zij beteekent, dat de maagdelijke vrouw een gansch legioen +kleinere maagdelijkheden in zich omdraagt, die de een na de ander +bemind en veroverd willen worden. Zelfs in het oogenblik des doods +blijft er in de vrouw nog veel maagdelijks over. + +De oude beschavingen kenden aan de maagdelijkheid allerlei mystieke +beteekenissen toe. Aan den hemel der oudheid reeds schitterde het +sterrenbeeld van de Maagd als personificatie van Dice, de strenge +godin van de straffe, onbuigzame gerechtigheid, die in de gouden eeuw +als Astrea, Sterrenmaagd, op aarde leefde en in de ijzeren eeuw als +de laatste der godheden naar den hemel ging. + +Door de Maria-vereering kreeg vooral in de sexueele zeden der +Christenheid de maagdelijkheid der vrouw een verheven-mystieke +beteekenis. In de eerste tijden van het Christendom hebben de +kerkvaders zich beijverd om de opvattingen omtrent de virginiteit der +christenvrouw een heiliger en verhevener karakter te verleenen, dan +zij had bij de concurreerende heidensche religies. Ook in dit opzicht +moest met alle middelen het Christendom worden voorgesteld als een +geheel nieuwe leer, van hooger orde en direct van bovenaardschen +oorsprong. En zoo werd bij elke gelegenheid, die zich voordeed, +de christelijke maagdelijkheid voorgesteld als bij uitstek rein en +verheven, stralende met den luister van hemelsche heerlijkheid. De +kerkvaders hebben geen woorden genoeg om de reinheid der christelijke +maagden te verheerlijken en op de Vestaalsche maagden der Romeinen +te smalen en deze verdacht te maken en hare echtheid of wel hare +belangeloosheid te betwijfelen. "Hoe zou men de Vestaalsche maagden +kunnen prijzen?" vraagt Ambrosius; "maagdelijkheid als kostwinning +is geen maagdelijkheid, alleen die, welke ontspruit uit liefde voor +de deugd; het is geen maagdelijkheid, die in het openbaar wordt +gekocht of gehuurd". En aan keizer Valentinianus II schreef hij: +"Gij bezit hoogstens een zevental Vestaalschen, en die waren nog +jonge kinderen, toen zij zich aan Vesta wijdden. En dat zijn dan +alle maagden, waarop het heidendom bogen kan. Zeven ongelukkigen, +die men met het vooruitzicht op pracht, weelde, tallooze slaven +en groote inkomsten heeft verleid tot haar maagdelijkheid, en die +daarin alleen staande blijven door de hoop dat zij in weerwil van haar +gelofte toch niet als maagd zullen behoeven te sterven".--"Kan men", +zoo vraagt dezelfde Ambrosius in het eerste boek van zijn werk _De +Virginitate_, "de Vestaalsche maagden en de priesteressen van Pallas +Athene vergelijken met onze christelijke maagden? Wat beteekent +een maagdelijkheid zonder zuiverheid van zeden, wat is de waarde +van een maagdelijkheid die als een drukkenden last tegen belooning +wordt aanvaard voor een bepaalden termijn, inplaats dat men uit +innerlijken aandrang haar vrijwillig zich oplegt? Maagdelijkheid, +die men zich heeft voorgenomen op een zeker tijdstip te verbreken, +staat niet hooger dan gewone lichtzinnigheid. En wat te denken van +een godsdienst, die op die manier van de jeugd schijn-kuischheid +koopt en bij de ouderen onkuischheid toelaat! Neen, de Vestaalsche +maagden zijn niet waarlijk maagdelijk, want zij zijn het gedwongen, +en evenmin eerbaar, daar zij haar maagdelijkheid verlagen tot een +beroep, en wijl zij zich elken dag prijsgeven aan de onreine blikken +van het bedorven en losbandige volk". + +Door deze mystieke opvatting der maagdelijkheid werd deze in +de christenkerk weldra een hooge en verdienstelijke wijding. De +kerk werd de reine bruid, aan wie men zich wijdde, Christus werd +de hemelsche bruidegom, met wien men zich door een mystiek huwelijk +wenschte te verbinden. De maagdelijkheid werd daardoor minder begeerd +om haar zelf, dan wel als een verheven toestand, die recht gaf uit de +hoogte neer te zien op anderen. Zij werd een heroïeke deugd, die hare +beoefenaarsters recht verleende om te worden beschouwd als wezens van +hoogere orde. Inderdaad droegen de christelijke vrouwen der eerste +eeuwen, die zich tot levenslange maagdelijkheid hadden verbonden, +een onderscheidingsteeken, n.l. een kap, die vrijwel overeenkwam met +de Romeinsche mitra. + + + +Naast de esthetische en idealistische vereering der maagdelijkheid +is er nog een andere, een louter zinnelijke vereering, die weinig +of niets moois heeft en niets anders is dan een naturalisme van +de grofste soort. Deze vorm van vereering is intusschen de meest +algemeene, wijl hij eigen is aan de grof-aangelegde en zeer zinnelijke +naturen, die in aantal overal en altijd verreweg in de meerderheid +zijn. Ook deze naturen stellen maagdelijkheid op hoogen prijs, doch +hunne motieven daarvoor zijn van zeer nuchteren aard en alles behalve +idealistisch. Wel blijft daarin dikwijls een min of meer esthetische +afkeer van de reeds door anderen bezoedelde vrouw meespreken, +maar de eigenlijke en wezenlijke grond van hun voorliefde voor den +maagdelijken staat van de vrouw, die zij met huwelijksoogmerken het +hof maken is, dat zij gaarne zekerheid hebben, dat er niet reeds met +anderen uitersten al of niet met gevolgen zijn voorgevallen waarbij +dikwijls nog komt de onbehagelijke vrees, steeds met de voorgangers +vergeleken te worden. + +De hooge waarde, die er op idealistische en naturalistische gronden +aan de maagdelijkheid wordt gehecht, brengt mede, dat verlies daarvan +voor de vrouw gelijk staat met verlies van haar voornaamste natuurlijk +lokmiddel. De ontmaagde vrouw daalt sterk in sexueele waarde. Vandaar +zijn er reeds tamelijk vroeg in de geschiedenis bepalingen gemaakt, +die de vrouw het recht gaven vergoeding te eischen van dengene, +die haar zonder haar te trouwen van dezen schat had beroofd. In de +volgende deelen van dit werk zullen wij daarvan tal van interessante +gevallen en niet minder interessante verwikkelingen, daaruit soms +voortvloeiende, leeren kennen. + +Een verder gevolg van de buitensporige beteekenis die er gehecht wordt +aan den maagdelijken staat der vrouw is, dat zij verlies daarvan +zoo mogelijk zoekt te verbergen. Dit leidt er toe, dat er zeer +veel maagdelijkheid wordt gesimuleerd. Er zijn altijd meer maagden, +dan er maagdelijkheid is; de vrouw blijft maagd, niet totdat zij in +werkelijkheid den maagdelijken staat komt te verliezen, maar zoolang +het tegendeel niet kan worden bewezen, d.i. zoolang er zich geen +gevolgen voordoen. + +Dit feit is aan de mannenwereld niet onbekend, en in de geschiedenis +der sexueele zeden wemelt het van gebruiken, voorzorgsmaatregelen enz., +die er op zijn berekend zich aangaande het bestaan der maagdelijkheid +zekerheid te verschaffen. Zoo rustte in vele landen eeuwenlang op het +huwende meisje de verplichting, het bewijs te leveren, dat zij als +ongerepte jonkvrouw het huwelijksbed had beklommen. In vele streken +bestond dat bewijs hierin, dat des daags na het huwelijk het bruidshemd +met de bloedige sporen der ontmaagding zegevierend uit het venster +moest worden gehangen. Alleen dit gold als een bewijs, dat de laatste +gunst het eerst aan den echtgenoot was verleend en wel eerst in den +bruidsnacht. En hoe overvloediger de sporen in het linnen aanwezig +waren, met des te meer trots werd het kennissen en buren getoond, +want des te grooter was de roem der kuischheid van de bruid. + +In de Pentateuch geeft Mozes herhaaldelijk tal van voorschriften +en ritueel-hygiënsche beschouwingen ten aanzien der maagdelijkheid +der meisjes van het volk Israël. De man had volgens de Mozaïsche +wetten het recht bij zijn bruid maagdelijkheid te verlangen. En +uit Deuteronomium XXII : 13 v.v. blijkt ten duidelijkste, dat hij +reeds methoden aangaande het constateeren der maagdelijkheid heeft +aangegeven, die wij later in de verschillendste oorden der wereld als +een gevestigd gebruik terugvinden, nl. het vertoonen van het met bloed +bevlekte bruidslinnen. De methode door Mozes aangegeven komt neer op +het volgende. Ingeval een man na het huwelijk zich beklaagde haar niet +meer maagdelijk te hebben bevonden, dan hadden haar ouders het recht +het tegendeel te bewijzen en wel door aan de raad der oudsten het met +bloed bevlekte bruidslaken te toonen. Waren zij daartoe in staat, +dan werd de klagende echtgenoot gekastijd en beboet, hij moest de +vrouw in kwestie bij zich houden en haar ouders kregen de opgelegde +boete. Kon het verlangde bewijs echter niet worden vertoond, dan +werd de klacht van de echtgenoot als gegrond beschouwd en de vrouw +werd gesteenigd, "omdat zij eene dwaasheid in Israël gedaan had, +hoereerende in haars vaders huis". Uit dezen rechtsgang valt af te +leiden, dat de ouders het bewuste linnen, waarvan te eeniger tijd +het leven van hun dochter zou kunnen afhangen, langen tijd als een +belangrijk document zullen hebben bewaard. En ook dit valt er uit af +te leiden, dat een zich schuldig wetende bruid alles zal hebben gedaan +om haar bruidegom in den bruidsnacht aan haar ongerepte maagdelijkheid +te doen gelooven. Verder blijkt uit de Mozaïsche methode, dat zij zich +niet in het minst verheft boven het primitieve weten van dien tijd +en op geheel onjuiste voorstellingen berust omtrent de anatomische +bijzonderheden van den maagdom. + +Dit gebruik bestaat in onzen tijd nog in verschillende Slavische +landen en o.a. ook in Rumenië in sommige plattelandstreken, +waaromtrent een auteur, met de zeden van dat land grondig bekend, +het volgende mededeelt: "De man houdt de ontdekkingen, die hij in den +bruidsnacht gedaan heeft ten aanzien van de eerbaarheid zijner bruid, +voorloopig voor zich. Eerst na verloop van drie dagen, wanneer er +bezoeken worden afgelegd bij de verwanten der vrouw, mag de zaak ter +sprake worden gebracht. Deze tocht op den derden huwelijksdag heet de +"groote weg", wijl hij den ouders eer of veel schande brengt. Is het +meisje ongerept bevonden, dan heerscht daarover in den familiekring +de uitbundigste vreugde, waarbij het bevlekte linnen als teeken van +het onbevlekt verleden der bruid op een schotel wordt rondgereikt; +elk der aanwezigen bewijst daaraan eer door een geldstuk in de schaal +te leggen. In deftiger kringen wordt de bezichtiging van het bruidshemd +alleen toegestaan aan de wederzijdsche schoonouders". + +Door Brantôme, Aretin en tal van andere novellisten en schrijvers wordt +gewag gemaakt van het bestaan van deze en soortgelijke gebruiken in +Spanje, Italië, in verschillende Duitsche landen en elders. Steeds +blijkt daarbij, dat bij den minderen man het tepronkstellen van +het bebloede bruidshemd zoo openlijk mogelijk en met allerlei +feestelijkheden plaats had, terwijl bij de voorname lieden deze +ceremonie in den huiselijken kring werd verricht, uitsluitend in het +bijzijn van de ouders en verdere nauwe verwanten en vrienden. Daarbij +tegenwoordig te mogen zijn gold dan ook als een groote eer. + +In de meeste streken hebben dit soort gebruiken mettertijd meer en +meer een symbolischen vorm aangenomen, vooral toen de anatomische +bijzonderheden der lichamelijke maagdelijkheid meer en meer +algemeen bekend werden. De eerste stap tot symboliseeren van het +grof-naturalistische maagdelijkheidsbewijs bestond in den regel +hierin, dat men wel het werkelijk bruidshemd vertoonde, maar met +sterk geretoucheerde sporen van het bloedbad, dat men zoo gaarne wilde +hebben aangericht. Daartoe moest men trouwens ook om andere redenen al +dikwijls zijn toevlucht nemen. Het geheele gebruik toch berust op een +dwaling en het moet toch reeds vroeg algemeen bekend zijn geweest, +dat het verlies der maagdelijkheid volstrekt niet noodzakelijk +gepaard behoeft te gaan met het nalaten van de zoo vurig begeerde +sporen, en dat uitblijven daarvan nog hoegenaamd geen recht geeft +de maagdelijkheid in twijfel te trekken. Het gebruik zelf verraadt +algemeene losheid van zeden--de wensch naar zichtbare bewijzen ten +deze veronderstelt twijfel aan de gegeven verzekering en acht de +mogelijkheid van verzwegen voorechtelijke geslachtsgemeenschap niet +buitengesloten! + +Intusschen komt in de hooge vereering der vrouwelijke ongereptheid bij +volkomen onverschilligheid voor de maagdelijkheid van de mannelijke +partij de dubbele moraal, die er in het sexueele leven gesteld wordt +voor man en vrouw, scherp uit. Met die vereering toch wordt aan de +vrouw geslachtsverkeer vóór het huwelijk ontzegd, en als het plaats +heeft gehad, zeer zwaar aangerekend, terwijl voor den man ten deze +de grootste vrijheid als vanzelfsprekend wordt beschouwd. + +Natuurlijk hebben ten allen tijde de eenmaal ten sexueelen val +gekomen vrouwen getracht, dit feit te verbergen. En ten tijde, dat +bovengeschetste bruidshemdsgebruiken in zwang waren, hebben zulke +vrouwen gezocht naar middelen om in den bruidsnacht den man de illusie +van de maagdelijkheid zijner bruid te doen behouden. Wat verloren was +gegaan trachtte men kunstmatig te herstellen. Daaruit heeft zich in den +bloeitijd van dit soort sexueele gebruiken een heele reparatiekunst +ontwikkeld, waarvan apothekers, handelaars in wonderdoende kruiden +en kwakzalvers de voornaamste beoefenaars waren. En met behulp van +allerlei samentrekkende zalven en preparaten schijnt men er werkelijk +in te zijn geslaagd de verloren maagdelijkheid telkens in voldoende +mate te vernieuwen om den eerstvolgenden geliefde of den echtgenoot +niet alleen de illusie te laten, dat hij de eerste was die de bloem +der onschuld plukte, maar hem daarvan ook de zichtbare bewijzen in den +vorm van duidelijke en onmiskenbare sporen te leveren. Zoo kon men met +behulp van wat schijnheiligheid en der niet al te dure middelen der +kwakzalvers zoo lang maagd blijven als men verkoos, zoodat dit soort +vereering der maagdelijkheid allerminst de maagdelijkheid hoog hield. + +De vereering der maagdelijkheid draagt derhalve allerminst een +verheven karakter. Integendeel, in de geschiedenis der sexueele +zeden treft men steeds weer het eigenaardig verschijnsel aan, dat in +tijden van algemeene losheid van zeden de virginiteit het hoogst staat +aangeschreven en het vurigst wordt begeerd. Hetzelfde doet zich voor in +alle zedelooze kringen en ook valt zulks op te merken bij loszinnige +individuën. De vrouwelijke zoowel als de mannelijke sybariet verlangt +iets, wat maar eenmaal en door één kan genoten worden. Hun begeerte +haakt naar niets zoo sterk als naar het nog ongerepte. En voor dezulken +is de maagdelijkheid niet iets, wat met heiligen eerbied vervult, +maar als het kostelijkste gerecht dat voor den genotmensch bestaat. Dit +soort verheerlijking van de maagdelijkheid der vrouw kan zelfs leiden, +en leidt dan ook dikwijls, tot een ziekelijke ontaarding, waarvoor men +den naam van ontmaagdingsmanie heeft uitgevonden, een manie, die in +de nieuwere geschiedenis vooral in Engeland heeft gewoed, gelijk bij +de Pall Mall-onthullingen, waarop wij later terugkomen, is gebleken. + +Wat den man in de maagdelijk-onschuldige schoonheid nog extra +bekoort, is de onwetendheid daarvan bij de vrouw. Jeugdige onschuld, +opgeluisterd door argeloosheid heeft een onuitsprekelijke bekoring, en +niets is heerlijker en meer betooverend dan een schitterende onschuld, +die in haar handen de sleutel heeft van een hemel. + + + +De verdere natuurlijke lokmiddelen der vrouwelijke sexe zijn de +jeugd en uiterlijk lichaamsschoon. Deze zijn van minder algemeenen +aard, wijl daarin de individueele smaak meespreekt. Ten opzichte der +maagdelijkheid bestaat geen verschil van smaak, ten opzichte van jeugd +en schoonheid wel en in zeer sterke mate. De rol der schoonheid van +lichaamsvormen in het sexueele leven hebben wij reeds behandeld in +een afzonderlijk hoofdstuk in dit deel. + +Tot de bijkomstige erotische lok- en machtsmiddelen der vrouw behoort +in de eerste plaats de tegenstand. Tegenstand prikkelt in hooge mate +de mannelijke begeerte. De vrouw weet dit en doet er haar voordeel +mee. Als zij de zinnelijkheid van den man op zich gericht weet, +dan hult zij zich in het masker der schaamachtigheid, neemt den +schijn aan van onverschilligheid en onwil en ontvlucht de gehoopte +omhelzing. Juist deze tegenstand, zij moge echt zijn of gespeeld, +prikkelt de erotische veroveringszucht van den man en blaast in +vele gevallen de aanvankelijk slechts vluchtige begeerte aan tot +een niet meer te beheerschen hartstocht. Het strookt geheel met den +actieven aard van den man, dat juist het stuiten op tegenstand de +waarde van het bezit voor hem verhoogt. In het spel der liefde is +dit stuiten op tegenstand voor den echt-mannelijken man een ware +behoefte; hij verlangt en behoeft tegenstand, en geen tegemoetkoming +van de vrouw. En zoo gedraagt de vrouw zich in het sexueele leven +in den regel terughoudend, tegenstrevend, beschaamd en defensief, +en wordt daardoor de veroveraarster van den man, dien zij in schijn +de rol ven aanvaller en veroveraar laat. Doch zoo als ongeveer +alles in het leven der liefde, kan ook dit lokmiddel der liefde +weer leiden tot allerlei misverstand. Want er is in de liefde een +lokkende tegenstand, die ontwijkt om te prikkelen tot meer intensieve +vervolging, en er is een ernstig gemeende, wezenlijke tegenstand, +die inderdaad bedoelt af te wijzen. Daar de vrouw in het spel der +liefde en der zinnelijkheid altijd begint met hare naar haar gunst +dingende erotische krijgsgevangen af te wijzen, behoort er in vele +gevallen groote kennis van den vrouwelijken aard toe om zich omtrent +den aard der afwijzing niet te vergissen. + +De vrouw bezit in hooge mate het vermogen om door zelfbeheersching hare +overwinningen tot volkomenheid te brengen. Den in sexueel opzicht zoo +oneindig veel zwakkeren man ontbreekt dit vermogen nagenoeg geheel. Om +een man te veroveren heeft de vrouw alleen maar te beschikken over +wat uiterlijke knapheid, zelfs het enkele vrouw-zijn is voor de vrouw +al voldoende een man sexueel te binden. Het allerminste kamermeisje +kan de Apollo van Belvédère of een gepurperden koning in vijf minuten +veroveren, zegt Mantegazza, terwijl Apollo door de minste deerne kan +worden afgewezen. Daarin bestaat de eigenaardige macht der vrouw. De +mannen zijn in den strijd der liefde evenals vliegen met alles te +vangen--het is nog steeds Mantegazza, die hier aan het woord is--en +het is veel moeilijker een muis te vangen dan een man, want voor +een muis heeft men tenminste nog een slim ingerichte val noodig, +terwijl dikwijls de pantoffel eener vrouw voldoende is om een man te +vangen. Het is dan ook gemakkelijker een vesting bij overrompeling +in te nemen, dan een vrouw. Als men gelooft, dat de verovering door +overrompeling is gelukt, dan heeft men wel den schijn, maar niet het +wezen, wel de vrouw, maar niet haar liefde bezeten. Alle zintuigen der +vrouw staan voortdurend als schildwachten en luisterposten uitgezet +en slaan bij het minste onraad alarm; en nu kunnen deze schildwachten +wel eens door list of sluwheid om den tuin worden geleid, maar nooit +het hart der vrouw, dit wordt door te veel versterkingen verdedigd en +beschermd, het is niet te nemen, noch door list, noch door verrassing; +het moet zichzelf overgeven en dit doet het nooit anders dan na +een langdurig beleg. En wanneer het eindelijk op het punt staat te +bezwijken, dan moet er nog een laatsten, geweldigen stormloop worden +ondernomen om het te nemen. Het geeft zich eerst over, als het al zijn +kracht tot verzet en verweer volkomen heeft uitgeput en de laatste +verschansingen heeft zien bezwijken. De overgave der vrouw is altijd +eervol, fier ontrolt zij bij het bezwijken de vanen en treedt in volle +wapenrusting den veroveraar tegemoet, die dan weldra in werkelijkheid +haar krijgsgevangene blijkt. Geen der vele onneembare vestingen van +Europa kan zich beroemen nog nimmer door bestorming, uithongering +of verraad te zijn ingenomen; maar vele zwakke vrouwen hebben de +zwaarste aanvallen afgeslagen, en de man wreekt zich over zijn vele +nederlagen tegenover de vrouw, door haar een zwak, hulpbehoevend, +onzelfstandig schepsel te noemen." + +De vrouw is met hare natuurlijke lokmiddelen niet te vreden. Steeds +zoekt zij ze kunstmatig te versterken en er nieuwe aan toe te +voegen. Alle zintuigen bieden haar daarvoor aangrijpingspunten. Wij +zullen daarom allereerst een blik werpen op de rol der zintuigen in +het liefdeleven. + + + + + + +VII. + +DE ROL DER ZINTUIGEN IN HET LIEFDELEVEN. + + +De zintuigen vervullen in het liefdeleven de rol van koppelaars; +zij staan allen in meerdere of mindere mate in directen dienst van +de zinnelijkheid, de smaak misschien uitgezonderd. + +Elk der zintuigen heeft in het liefdeleven een zeer bepaalde +functie. Gezamenlijk dienen zij de natuur in het tot elkander voeren +der sexen. + +Zeer bescheiden is daarbij de taak van den _smaakzin_. Tot deze +nemen echter dikwijls impotente individuen de toevlucht, om door +smaakprikkels geslachtsprikkels op te wekken of te versterken. Het +geloof in het bestaan van genotmiddelen, die het vermogen bezitten +erotische gevoelens wakker te roepen, is nu en dan in de geschiedenis +zeer algemeen geweest, waarbij echter steeds het bijgeloof een +zekere rol speelde. Wij herinneren hierbij aan de vele eeuwenlang +algemeen in zwang geweest zijnde minnedranken, waarmee men deels +door middel van den smaak, deels door tooverwerking bij een bepaald +persoon liefde jegens zich meende te kunnen opwekken. Natuurlijk +waren van zulke minnedranken die genotmiddelen, welke geslachtsdrift +gezegd werden op te wekken, dusgenaamde _aphrodisiaca_, steeds de +hoofdbestanddeelen. Van een bepaalde natuurlijke functie van den smaak +in het leven der liefde blijkt echter weinig of niets. Waar men den +smaak in dienst tracht te stellen van de zinnelijkheid, heeft dit +in elk geval steeds iets opzettelijks en gewilds, waarbij men tracht +natuurlijke gevoelens kunstmatig op te wekken. + +Geheel anders staat het reeds met de beteekenis van het _gehoor_ in +het zinneleven. Dit blijkt reeds uit het feit, dat met het intreden der +geslachtelijke rijpheid de menschelijke stem zich wijzigt, waarmee de +natuur als het ware dit feit hoorbaar kenbaar maakt. Verder blijkt dit +uit het verschil tusschen de mannen- en de vrouwenstem, een verschil +dat nog de sexe verraadt waar die zich opzettelijk verborgen tracht +te houden. Talrijke geluiden oefenen voorts een krachtige erotische +werking uit. De stem, zang en muziek zijn in de eerste plaats +lokmiddelen der liefde. In het dierenleven, deze spiegel van het +menschelijk leven in natuurlijke dingen, vindt men dit terug in de +loktonen beider seksen bij een menigte diersoorten. En ook getuigen +van de macht van het gehoor op de zinnelijkheid, de gemakkelijke +zegepralen in de liefde van groote zangers en zangeressen, ook al zijn +deze door de natuur stiefmoederlijk bedeeld met lichaamsschoon. De +oude Atheners beschouwden muziek, inzonderheid fluitspel, als het +machtigste hulpmiddel tot opwekking en prikkeling der zinnelijkheid; +en bij hen bestond eeuwenlang een afzonderlijke klasse van prostituees: +de fluitspeelsters, die gewoon waren ware orgiën van geslachtelijke +buitensporigheden aan te richten. + +Sterker misschien nog is de invloed van den _reukzin_ op de +zinnelijkheid. Deze vermag, hoewel bij verschillende individuen in +zeer verschillende mate, rechtstreeks onopzettelijk den geslachtslust +op te wekken en te prikkelen. Häckel beweert zelfs, dat de reuk de +quintessence van alle geslachtelijke liefde is. Zwaardemaker heeft +ontdekt dat alle erotisch werkende geuren behooren tot een en dezelfde +groep van scheikundige stoften, n.l. tot de caprylen. Bij vele dieren +spelen verschillende natuurlijke geuren in hun geslachtsleven een zeer +belangrijke rol, bijvoorbeeld bij het muskusdier en den bever. Bij +den mensch kunnen, vooral bij zeer zinnelijke naturen, de erotisch +werkende caprylgeuren van allerlei lichaamsafscheidingen krachtig op +de geslachtelijke instincten inwerken. + +In het sexueele leven spelen de erotische geuren dan ook een groote +rol. Tegenover de lichamelijke uitwasemingen van de andere sekse +bezitten vooral mannen maar een zeer gering weerstandsvermogen. Vele +anders moeilijk te verklaren sexueele connecties berusten +op den onweerstaanbaren invloed van geslachtsgeuren. De meeste +plotselinge liefdesbetrekkingen tusschen in stand of in leeftijd zeer +uiteenloopende individuen zijn aan de erotische prikkelbaarheid van +den reukzin toe te schrijven. Vele mannen schijnen ongevoelig voor het +uiterlijk schoon of andere eigenschappen der vrouwen, terwijl zij zich +in sterke mate voelen aangetrokken door de vrouwelijke atmosfeer. En +evenals er erotische reukprikkels zijn die aantrekking uitoefenen, +zijn er ook geuren die afstooten; m.a.w. er zijn sympathieke en +antipathieke geslachtsgeuren. + +Het ligt in den aard der vrouw alle ter harer beschikking staande +erotische machtsmiddelen over den man tot den hoogsten graad van +volkomenheid op te voeren. Alles in haar drijft haar aan om hare +magnetische aantrekkingskracht op den man te versterken en hem aan +zijn natuurlijken plicht van aanvallen--aanvallen waarin steeds zij +overwinnares zal zijn--met alle kracht te herinneren. Het ligt dus +voor de hand, dat ook der mannen zwakheid tegen erotische geuren +door de vrouw wordt benut om hem te dwingen tot het geslachtelijk +offensief, dat haar de sexueele zegepraal moet brengen. En zoo zien +wij dan ook ten alle tijde en overal de vrouwen zich hullen in wolken +van kunstmatige erotische geuren, teneinde te trachten de natuur +te verbeteren, ze aan te vullen, te versterken. Hoe bewuster met +dit rondom zich spreiden van prikkelende geuren beoogd wordt den man +aan te lokken, des te sterker en overvloediger wordt van zulke geuren +gebruik gemaakt, zoo dat de aanwending daarvan dan ook haar hoogtepunt +bereikt bij de prostituees, die ter bereiking van hare oogmerken in +de eerste plaats zoeken naar snelwerkende zinnelijke prikkels. + +De vrouw bedient zich zeer algemeen van zulke geuren, de man +daarentegen zelden en dan nog in veel mindere mate. Dit bewijst, dat de +vrouw weet van het aanwenden van geuren effect te kunnen verwachten, +en dat de man evenzoo weet, dat erotische geuren op de vrouw weinig +of geen uitwerking hebben. De vrouw parfumeert zich niet wijl zij zelf +zooveel behagen schept in welriekende geuren, maar in de eerste plaats +om hare geslachtelijke aantrekking te verhoogen, den man te lokken +en te boeien. Met het zich hullen in de geuren van muskus, amber, +patschouli, ylan-ylan, heliotroop, reseda, viooltjes, beoogt de vrouw, +bewust of onbewust, hetzelfde als met haar opschik en haar toilet, haar +kleeding en hare verdere lokmiddelen. De vrouw parfumeert zich om te +behagen. En daar zij zelf weinig of niet vatbaar is voor de zinnelijke +bekoring door middel van den reukzin, kunnen erotische geuren door den +man niet met vrucht worden toegepast. Vandaar parfumeeren mannen zich +niet met het doel, bij de vrouw erotische voorstellingen op te wekken. + +Men meent te hebben waargenomen, dat elk parfum verschillende sexueele +voorstellingen opwekt; dat de eene erotische geur het geslachtsinstinct +in andere richting leidt dan de andere. Ook schijnt op elk individu +een bepaald sexueel parfum krachtiger erotische prikkeling uit te +oefenen dan de overige. + +De erotische voorstellingen, opgewekt door den reukzin, zijn in +het algemeen van lager orde. Zinnelijkheid, daardoor opgewekt, +begeert gewoonlijk niets dan onmiddellijke bevrediging der +geslachtsdrift. Vandaar dat erotische geuren tot de gebruikelijke +lokmiddelen der prostituees behooren. De aard van den geur, +die de zinnelijkheid heeft opgewekt, is veelal van invloed op de +hevigheid der zinnelijke bekoring. Bij wie daarvoor ontvankelijk +zijn, werken bijvoorbeeld directe lichaamsuitwasemingen der andere +sexe veel krachtiger op de animale begeerten, dan de kunstmatige +erotische parfums dit doen op dezulken bij wie daardoor geslachtelijke +voorstellingen worden wakker geroepen. Esthetisch is de zinnelijkheid, +opgewekt door geuren, nimmer. + +Het zintuig der zinnelijkheid bij uitnemendheid is het _gevoel_. Het +gevoel heeft zijn zetel in de huid, en zoo is de geheele huid in +zekeren zin geslachtsapparaat, zij is, zooals Bölsche opmerkt, +"de groote koppelaarster, de allesbeheerschende middelaarster in +liefdeszaken." Bij onesthetische naturen bestaan de blijken van liefde +allereerst in bevoeling, aanraking, betasting. Maar ook in het algemeen +oefent aanraking der huid, in het bijzonder elke liefkoozende en zacht +wrijvende of krieuwelende aanraking, een sterk sexueele werking uit. + +De huid is intusschen niet overal in gelijke mate geslachtelijk +prikkelbaar. De gedeelten die dit vermogen in hooge mate bezitten +heeten de erogene (geslachtelijk in hooge mate prikkelbare) +zones. Deze prikkelbaarheid is uit den aard der zaak geconcentreerd +in de geslachtszone en daar weer het sterkst in de eigenlijke zetel +van het wellustgevoel, n.l. de eikel bij den man en de clitoris bij +de vrouw, bij wie tevens het slijmvlies van vagina en vulva een hooge +mate van sexueele sensibililiteit bezit. + +In het liefdeleven der sexen spelen intusschen die erogene zones +de hoofdrol, wier prikkelbaarheid minder intens is, en ook is haar +esthetische waarde hooger. Iedere aanraking van personen tusschen wie +een geslachtelijke connectie bestaat is een merkwaardige sexueele +zede op zichzelf, zooveel het ineenstrengelen der handen en het +gearmd gaan, als de kus en de omhelzing. Alle zinnelijke liefde uit +en openbaart zich allereerst in den drang, de geliefde of begeerde +tegenpartij in het minnespel aan te raken--het wezen der menschelijke +geslachtsliefde bestaat in een neiging tot alzijdige lichamelijke +aanraking, en niet zelden is bij sterk zinnelijke naturen aanraking +voldoende voor geslachtelijke bevrediging--bij sommigen kan reeds +een hartstochtelijke kus die bevrediging teweegbrengen. + +De invloed van het gevoel op de zinnelijkheid is zoo sterk, dat ter +opwekking van erotische voorstellingen en sexueele verlangens het +volstrekt geen vereischte is, dat de aanraking plaats heeft tusschen +de individuen welke die voorstellingen of verlangens gelden. Aanraking +van een geheel onbekend persoon, onverschillig of deze van gelijke +of andere sexe is, kan de minnende plotseling aan het geliefde wezen +herinneren en dit in al zijn begeerlijkheid voor oogen stellen. Zelfs +de aanraking van het eigen lichaam kan met behulp van de phantasie +geslachtelijke opwinding veroorzaken, een feit, waarop de mogelijkheid +der onanie berust. Tenslotte kan de huid ook door allerlei stoffen +zooals bont, wol, fluweel en zijde geslachtelijk worden geprikkeld, +een verschijnsel, hetwelk berust op een geheel complex van factoren, +die wij hier niet nader kunnen nagaan, maar die blijkens de romans +van Sacher-Masoch en de verdere Masochistische literatuur in het +zinneleven van vele individuen een groote rol spelen. + +Het gevoelszintuig werkt evenwel niet alleen door liefkoozende en +streelende aanraking op de zinnelijkheid. Integendeel, ook pijnlijke +aanraking kan een erotische uitwerking hebben. En wel zonder dat er +een reden is om aan abnormaliteit te denken. + +In de geschiedenis der sexueele zeden speelt de dusgenaamde +_flagellatie_ een zeer groote rol. Flagellatie bestaat in slaan of +geeselen van het ontbloote lichaam met erotische oogmerken. Dit is de +letterlijke beteekenis van dezen term, terwijl het opzettelijk zich +daaraan overgeven _flagellantisme_ genoemd wordt. Bij uitbreiding +spreekt men gewoonlijk echter van flagellatie in al die gevallen, +waarbij uit lichamelijk leed erotisch genot wordt geput. Dit +verschijnsel doet zich zoowel actief voor als passief. Bij de actieve +flagellatie werkt het slaan erotisch op dengene die slaat; dit is +veel waargenomen bij degenen voor wie slaan gewoonte is geworden, +bijvoorbeeld onderwijzers. Passieve flagellatie is die, waarbij +de geslagene erotisch genot ondervindt, en dit leidt tot het op het +eerste gezicht abnormale en ongerijmde verschijnsel dat lichaamssmart +niet gemeden en geschuwd, maar integendeel begeerd en gezocht wordt. + +Havelock Ellis, die dit verschijnsel het eerst en ook het grondigst +heeft onderzocht, somt tal van voorbeelden op om te bewijzen, +dat de vrouw een zekere neiging bezit smart te zoeken en door +smart te genieten, een opvatting die evenwel weinig ingang heeft +gevonden. Vermoedelijk berust de gewaarwording van erotisch genot bij +slaan enz. eenvoudig op de prikkel, die daardoor wordt uitgeoefend +op de huidzenuwen; dit heeft bloedsaandrang naar het getroffen +lichaamsgedeelte ten gevolge, wat via de ruggemergscentra een +prikkel uitoefent op het zenuwstelsel der geslachtsorganen. Hiermee +wordt aan het geheele verschijnsel alle romantische kleur en alle +geheimzinnigheid ontnomen en onderscheidt het flagellantisme zich +alleen in graad van de erotische gevoeligheid voor liefkozingen en +streelende aanrakingen. + +Niettemin zijn er tijden geweest, waarin de flagellatie het meest +geliefkoosde aphrodisiacum was, dat nog baat scheen te geven als +alle andere zonder effect bleven. Eigenlijk treft men de flagellatie +aan in alle tijden in wier intiem leven men tot dusver heeft kunnen +doordringen. Blijkbaar behoort zij dus tot het gebied der sexueele +zeden. + +Het meest algemeen schijnt de flagellatie in zwang te zijn geweest in +de 18e eeuw. Zij was toen ongetwijfeld een normaal hoofdbestanddeel +van het geheele geslachtsleven. In alle rangen en standen der +samenleving werden roede en zweep in dienst gesteld van de liefde, +en men sprak daarvan openlijk met de meeste vrijmoedigheid. Men zag er +een bijzondere delicatesse van het sexueele genieten in. Vele mannen +bezochten geregeld inrichtingen, waar gelegenheid bestond zoowel om +zichzelf met de roede te laten behandelen, of als om zich te laven aan +het schouwspel dat anderen, en dan bij voorkeur meisjes en kinderen, +op die wijze werden bewerkt. In alle ook maar eenigszins naar de +eischen des tijds ingerichte bordeelen waren bovendien dusgenaamde +erotische folterkamers, voorzien van alle instrumenten, die dezen +zonderlingen vorm van genot en deze paradoxale voorbereiding tot genot, +konden dienen. + +Waar men echter het flagellantisme aantreft als een gezocht en +gebruikelijk bestanddeel der sexueele zeden, vindt men vrijwel altijd +tevens een in zinnelijkheid geheel opgaand, erotisch ontaard milieu, +dat de zinnelijkheid zoekt op te drijven tot een niet te verzadigen +en niets-ontziende begeerte, die aan vermogen meer eischt dan de +natuur in staat is vrijwillig te schenken. Dan wordt de natuur, +wijl slaan op zekere lichaamsdeelen de geslachtscentra prikkelt, met +de zweep gedwongen meer te geven dan zij eigenlijk kan. Evenwel is +dit blijkbaar slechts een der oorzaken, die tot het flagellantisme +leiden. Vermoedelijk doet zich, waar het tenminste mannen betreft, +daarbij ook gelden een zeker pervers genot in eigen vernedering. De +diepste vernedering voor den man nu in sexueele dingen is zijn +mannelijken aard af te leggen en zich door de vrouw als physiek de +mindere te zien behandelen, zich physiek aan de vrouw te onderwerpen +en zich weerloos door haar geweld te laten aandoen. Hierop doelt +blijkbaar een Engelsche schrijver over de sexueele zeden der 18e +eeuw, waar hij zegt: "Vele lieden, die maar een gebrekkige kennis +hebben van de menschelijke natuur, gelooven, dat de hartstocht voor +de flagellatie alleen voorkomt bij grijsaards en bij dezulken, die +door sexueele uitspattingen zijn uitgeput. Dit is echter volstrekt +niet het geval. Er zijn evenveel jongelingen en mannen in de volle +kracht des levens, die door dezen hartstocht zijn aangegrepen, als +ouden van dagen en verzwakte personen". + +Gewoonlijk wordt Engeland beschouwd als het land, waar deze +ontaarding der gezonde zinnelijkheid ten allen tijde het meest werd +aangetroffen. Een feit is het, dat vooral Engelsche schrijvers zich +met dit verschijnsel hebben beziggehouden. Ook is er geen land waar +het gebruik van de roede en van lijfstraffen in het algemeen zoo wordt +verheerlijkt als in Engeland. Niettemin schijnt het minstens voorbarig, +op deze twee gronden de flagellatie als een specifiek Engelsche +geslachtszonde aan te merken. En dit te minder, waar het bekend is, +dat in de 17e en 18e eeuw vooral deze ontaarding der zinnelijkheid ook +in andere landen zeer algemeen voorkwam en men er zich speciaal in +tallooze kloosters van het verste Zuiden tot in het hoogste Noorden +aan overgaf. Alles wijst er op, dat het flagellantisme alleen daar +bloeien kan, waar de natuurlijke prikkels beginnen te verstompen, +zoodat de natuur alleen nog maar door de zweep er toe kan worden +gebracht de overspannen begeerte te bevredigen. Hiervoor spreekt ook +het bekende feit, dat prostituees zich gaarne en met pervers genot +door hare souteneurs laten mishandelen. + +De manie van het flagellantisme kan zoowel hetero-sexueel zijn als +homo-sexueel, wat trouwens met alle geslachtelijke perversies het +geval is. Sommige navorschers der sexueele zeden, zooals Iwan Block +en Lawes, zijn van meening, dat het vrouwelijk geslacht meer tot +actieve zoowel als tot passieve flagellomanie geneigd is dan het +mannelijke, iets wat trouwens a priori waarschijnlijk is--wat de +passieve flagellatie betreft wijl onderwerping en dulding meer in +den aard der vrouw ligt, dan in dien van den man; en wat de actieve +flagellatie aangaat wijl machtsmisbruik een gewoon verschijnsel is bij +den machtelooze, die in de gelegenheid komt macht uit te oefenen--en +dit is in sexueel opzicht het geval als de door zinnelijkheid ontaarde +man zich willoos en onmachtig aan de vrouw overlevert, bereid om in +ruil voor geslachtsgenot alles van haar te dulden. + +In den tegenwoordigen tijd wordt het flagellantisme waarschijnlijk +niet of bijna niet meer beoefend met de zweep of de roede. Tegenwoordig +zijn het de masseuses aan wier handen flagellomane individuën zich ter +"verpleging" overgeven. + + + +Minstens van even groote beteekenis als de gevoelszin is voor het +sexueele leven de _gezichtszin_. Dit is tevens het zintuig, dat als +aangewezen is om de zinnelijkheid te veredelen en te idealiseeren en +de esthetische waarde van den gezichtszin voor het liefdeleven is +grooter dan die van de overige zinnen tezamen. De gezichtszin wekt +de begeerte tot bezit op door middel van schoonheidsprikkels--het +oog roept de zinnelijkheid wakker door de bekoring der schoone vormen. + +Het is de natuurlijke taak der vrouw, de bij den man sluimerende +zinnelijkheid op haar persoon te vestigen. Dit kan op groote schaal +het best en daarom met de meeste kans op succes geschieden door te +werken op den gezichtszin. Deze manier van lokking levert de meeste +kans een groot aantal te bekoren; zij verschaft dus een ruime keuze. En +doordat de gezichtszin fijnere, edeler instincten wakker roept, levert +de lokking, die zich wendt tot den gezichtszin, tevens de meeste kans +op tot bekoring der beste, meest begeerenswaardige exemplaren; lokking, +gericht op den gezichtszin, verschaft daardoor niet alleen een ruime +keuze, maar tevens keus uit het beste. Om deze redenen trachten alle +vrouwen in de eerste plaats schoon te zijn, d.w.z. te beantwoorden +aan de heerschende _schoonheids-idealen_ voor de vrouw. Om haar +schoonheid te verhoogen en gebreken daarin te verbergen vindt het +vrouwelijk geslacht dan ook altijd weer nieuwe hulpmiddelen uit. + +Tot die hulpmiddelen behoort in de allereerste plaats de +kleeding. C. H. Stratz neemt als vaststaande aan, dat het +oorspronkelijk doel der kleeding niet lichaamsbedekking geweest +is, maar _lichaamsversiering_. Reeds vroeg zal de ondervinding +de vrouwen hebben geleerd, dat bedekking en verberging der +bekoorlijkheden de zinnelijkheid meer prikkelt, dan openlijk +tentoonstellen daarvan. Tegenwoordig is bij de meeste volken het +bedekken van het lichaam wel schijnbaar de hoofdzaak, vooral in de +gematigde en koude luchtstreken, maar overal is niettemin voor het +vrouwelijk geslacht verhooging der schoonheid ter verhooging der +sexueele aantrekkingskracht de ware en eigenlijke hoofdzaak bij haar +kleeding. Het is voor de vrouw bij het kiezen harer kleeding vrijwel +onverschillig wat bedekt of niet bedekt wordt, mits de kleeding haar +slechts goed, d. i. verleidelijk en verlokkend staat. Bij den man +is dit geheel anders. In de mannenwereld dient de kleeding behalve +tot lichaamsbedekking allereerst tot aanduiding van standsverschil; +door zijn kleeding vestigt de man de aandacht op zijn stand in de +maatschappij; hij demonstreert er zijn werkelijken of denkbeeldigen +welstand mee, maar sexueele oogmerken spelen in de mannenkleeding geen +noemenswaardige rol. Vandaar overal een veel grootere eenvormigheid +in de mannen- dan in de vrouwenkleeding, Natuurlijk staat dit +rechtstreeks in verband met de schijnbare activiteit en de even +schijnbare passiviteit van man en vrouw in het leven der liefde. + +De vrouw is in het liefdeleven de aantrekkende magneet, en alle +middelen waarmee zij die aantrekking van nature vermag uit te oefenen, +tracht zij--natuurlijk veelal zonder zich daarvan duidelijk bewust te +zijn--kunstmatig te versterken. Daar zekere geuren de geslachtelijke +aantrekking blijken te versterken, hult zij zich in wolken van +erotische geuren. Daar opzichtigheid en opschik in nog hoogere mate +sexueele aantrekking uitoefenen, hult zij zich tevens in wolken van +opzichtigen opschik. Iedere vrouw, die zich opschikt en mooi kleedt, +heeft daarmee de al of niet bewuste bedoeling hare natuurlijke +geslachtelijke aantrekkingskracht te verhoogen. + +Om het oog der mannen te bekoren en zoodoende hun zinnelijkheid op te +wekken, versierden de vrouwen zich aanvankelijk met elk veelkleurig en +fraai voorwerp, dat zij maar machtig konden worden. Daaruit ontwikkelde +zich de kleeding, die ook daar waar bescherming van het lichaam tegen +koude of warmte een gebiedende noodzakelijkheid is, toch, vooral wat +de vrouwen betreft, in de eerste plaats wordt dienstbaar gemaakt aan +schoonheid, ter verhooging van de sexueele aantrekkingskracht. De +leiding gaat daarbij sinds onheugelijke tijden uit van een factor, +die deze neiging tegelijkertijd aanwakkert, exploiteert en bevredigt: +de mode. Wat deze op een gegeven oogenblik mooi verklaart, daaraan +onderwerpen zich nagenoeg alle vrouwen, ook al gemakshalve, wijl dat +haar ontslaat van de moeite, zelf uit te vinden, wat mooi is. Bij +deze onderwerping blijkt steeds, hoezeer het schijnbare hoofddoel +der kleeding: bescherming van het lichaam tegen koude of warmte, in +werkelijkheid bijzaak is. Als de mode zulks voorschrijft, ontblooten +alle vrouwen gewillig boezem, schouders, armen enz. + +Bij vele dusgenaamde onbeschaafde volksstammen dragen alleen gehuwde +vrouwen kleederen. De mannen beschouwen haar als een bezit, dat zij +angstvallig en ijverzuchtig aan alle nieuwsgierige en begeerige blikken +wenschen te onttrekken. Bij zulke stammen is het dan tevens regel, +dat zelfs volwassen jongedochters geheel naakt loopen. Daarentegen zijn +er ook stammen bij welke de ongehuwde vrouwelijke leden zich kleeden, +met het bewuste doel, hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen +en zich begeerenswaardiger te maken, terwijl de gehuwde vrouwen zulks +niet meer noodig achten en ongekleed gaan. Hier gaat men derhalve +uit van de--zielkundig juiste--opvatting, dat van verbergende, +bedekkende kleeding, wijl zij de nieuwsgierigheid opwekt en de +phantasie in werking brengt, machtiger bekoring uitgaat dan van +de algeheele naaktheid, die niets meer te raden overlaat, en wier +bekoring door de gewoonte zeer snel afneemt, zooals iedereen weet, +die een tijdlang onder naaktlevende wilden vertoefd heeft. Datzelfde +beginsel is thans ongeveer overal doorgedrongen, niet alleen in wat men +noemt de beschaafde wereld, maar ook overal waar men die beschaving, +zij het in nog zoo geringe mate, heeft leeren kennen. + +Bekleeding en bedekking van het lichaam sluiten echter de mogelijkheid +in, dat zich ook in het verleidelijkste en bekoorlijkste hulsel, +inplaats van een begeerenswaardige Venus, een Megera verbergt. Deze +mogelijkheid matigt en vermindert weer de aantrekkingskracht +der bekleeding. De kleeding moet daarom niet slechts verbergen, +maar tegelijkertijd zooveel mogelijk aanduidingen geven van wat zij +verbergt, en het hoogste raffinement der vrouwenkleeding bestaat dan +ook hierin: zoo weinig mogelijk te toonen, doch op een wijze dat er +zooveel mogelijk valt te raden, volgens den paradox: _in kleederen +naakt_. Een nauwsluitend tricotcostuum of een kleed van dunne, zich +aan het lichaam leggende stoffen verbergt alles, doch laat tevens +alles raden en oefent daardoor een machtige erotische werking uit, +wat reeds de Ouden wisten. Dit feit, dat een doelmatige gedeeltelijke +bedekking of ontblooting sexueel sterker behaagt en bekoort dan de +volle naaktheid, is een onderdeel van een veel omvattender verschijnsel +in het leven der sexen. De mannelijke zinnelijkheid wenscht geen +dadelijke, lijdelijke overgave, zij verlangt integendeel verzet, +tegenstand, zij wil de zege stuk voor stuk bevechten, wat zich aanbiedt +wordt weinig of niet meer begeerd, wat zich al te licht prijsgeeft +trekt niet aan, stoot eer af. Evenzoo is het met de zich vrijelijk +aan den blik prijsgevende naaktheid. De berekende schijnbeschaamdheid +der half bekleede Venus van Medici is verleidelijker en aanlokkender +voor de mannelijke zinnelijkheid dan de onbekommerde naaktheid van +de Venus van het Vatikaan. + +Is het doel der bovenkleeding verlokking in het algemeen, dat +der onderkleeding is in hoofdzaak persoonlijke verlokking van +den begunstigden man. Hoe dichter de vrouwelijke kleeding de huid +nadert, des te ingewikkelder en gecompliceerder en teven des te +meer zinnenbedwelmend wordt zij. Kanten, borduursels, linten, +strikken, de meest phantastische stoffen, de geraffineerdste +kleurencontrasten. Natuurlijk ligt in dat alles een diepere +bedoeling. De schatten van vinding en phantasie, die de linnenkast +eener welgestelde dame vertegenwoordigt, verraadt te duidelijk, +hoezeer men zich in die schijnbaar zoo onbeduidende bijzaak +als de onderkleeding heeft verdiept. De artistieke pracht en +de erotische doelmatigheid van elk onderdeel van het vrouwelijk +dessous bewijzen voldoende, dat hiermee iets anders wordt beoogd dan +lichaamsbekleeding. Het dessous is weer een dier middelen waarmee +de vrouw zich kwijt van de taak haar door de natuur toegewezen: zich +tegenover den man schijnbaar passief te gedragen en hem toch op het +geraffineerdst te bekoren en te verlokken en hem bij voortduring +door haar erotische overmacht aan zich onderworpen te houden. Zoo +zien wij dan ook, dat geen vrouw die zichzelf respecteert zich bij +de keus harer onderkleeding alleen door hygiënische overwegingen +laat leiden; integendeel, de dame van heden kleedt zich, wat haar +dessous betreft, 's winters vrijwel precies zoo als in den zomer, +hoezeer zij zoodoende haar gezondheid in gevaar brengt. Heel het +vrouwelijk dessous is een wolk van erotische verlokking. Moet de +vrouw bij haar bovenkleeding zich om tal van redenen beperken, bij +haar onderkleeding kan zij vrijelijk en ongehinderd haar lokkende +zinnelijkheid uitleven; de onderkleeding immers ligt buiten het +gebied der openbare zedelijkheid. Hierbij kan men alle beschikbare +phantasie te hulp roepen en kan men zich alles veroorloven. En zoo +is aan de vrouwelijke onderkleeding alles verleidelijk, pikant, een +ware orgie van vormen en kleuren. Wij zullen het thema der kleeding +in het volgend hoofdstuk uitwerken. + +Behalve de kleeding zijn er nog tal van andere factoren, die der vrouw +de mogelijkheid openen om door middel van den gezichtszin erotischen +invloed uit te oefenen en overal en in alle tijden zien wij de vrouwen +zich in ruime mate van die mogelijkheid bedienen. En tevens met +voorliefde. De blikken te bekoren is voor de vrouw eenerzijds voor +haar ijdelheid het meest streelend, en anderzijds is dit tegelijk +het zekerst en het veiligst. De oogen een verrukkelijk schouwspel te +bereiden is bovendien de eerste gunst, die de vrouw den man bewijst, +het is de gebruikelijke ouverture van alle vrouwelijke flirt, en het +gansche spel der vrouwelijke coquetterie bestaat voornamelijk hierin, +door pikante poses, verleidelijke houdingen en schijnbaar achteloos +aan den blik prijsgeven van intieme bekoorlijkheden den man te +behagen. Door zoo op den gezichtszin te werken kan de vrouw, zonder +haar schijnbaar passieve rol in het leven der liefde af te leggen, +toch actief optreden, en dat met onweerstaanbare macht. De sexueele +gevoeligheid van den gezichtszin biedt de vrouw de mogelijkheid, +de mannelijke zinnelijkheid reeds op een afstand te doen ontvlammen +en tot de begeerde uitbarsting te brengen. + +De gezichtszin staat bij sommige, vooral mannelijke individuen +dermate onder den invloed der zinnelijkheid, dat het zien alleen +van een individu der andere sexe de verbeelding zoodanig prikkelt, +dat bevrediging der geslachtsdrift plaats vindt. Hammond beschrijft +dit als volgt: "Bijvoorbeeld een man ziet een vrouw, die zinnelijke +bekoring op hem uitoefent. Hij concentreert al zijn aandacht op haar, +laat zijn verbeelding werken, stelt zich voor dat hij haar nadert, +trapsgewijze brengt hij dan met zijn phantasie alle stadiën van den +coïtus voor zijn geestesoog, tot het tenslotte tot orgasme komt. Er +zijn mannen, die alleen dezen vorm van zinnelijke prikkeling kennen, +doch dan deze methode meermalen op een dag kunnen toepassen". In +enkele gevallen is het zien van een afbeelding eener vrouw of het +denken aan een vrouw, al voldoende, orgasme te veroorzaken. Tot +de natuurlijke cohabitatie zijn zulke personen in den regel ten +volle impotent. Dit verschijnsel is ongetwijfeld een gevolg van het +feit, dat het schoonheids-ideaal, dat op de zinnelijkheid inwerkt, +en deze in actie brengt, het individu overweldigt door middel van +den gezichtszin. Alle zinnelijkheid verlangt in de eerste plaats te +zien. De masturbant beschouwt bij zijn practijken veelal een vrouw of +een afbeelding, of zijn verbeelding plaatst hem deze voor oogen. En +ook bij het gewone en normale geslachtsleven speelt deze ideëele +coïtus een belangrijke rol: men cohabiteert met een persoon en denkt +daarbij aan een andere. + +Het zintuig van het gezicht, het oog, speelt in het liefdeleven nog een +andere rol. Liefde wordt allereerst verklaard met het oog. Het is de +blik die de vonk schiet welke de hartstocht der liefde tot uitbarsting +brengt, evenals een bliksemstraal de met electriciteit geladen +onweerswolken. De blikken dergenen, die door duistere sympathiën +zich tot elkaar voelen aangetrokken en tot elkander worden gevoerd, +ontmoeten elkander en toonen elkander de diepte der ziel, waarin +reeds de geheimzinnige en geurige bloem der liefde tot ontluiking +is gekomen. Zoo is het dat de echte liefde wordt verklaard. Het +overige is vooreerst maar het overige en komt later. Het oog vermag +in de liefde onuitsprekelijke dingen te zeggen. Het is de blik die +de eerste liefdesverklaring stamelt. + + + + + + +VIII. + +DE KLEEDING ALS BONDGENOOTE DER ZINNELIJKHEID. + + +De kleeding heeft onder het voorwendsel het lichaam bescherming te +verleenen tegen allerlei uitwendige invloeden, een geheel andere +functie te vervullen. Kleeding is lichaamsversiering in dienst der +zinnelijkheid en der ijdelheid. + +Is voor den man in het algemeen de kleeding een der middelen om zijn +maatschappelijke positie te demonstreeren, voor de vrouw is de kleeding +gedurende een groot deel van haar leven een direct erotisch probleem, +een vraagstuk, waarmee zij zich in den sexueelen strijd om het bestaan +aanhoudend moet bezighouden. Vandaar dat wij ons hier uit den aard +der zaak voornamelijk bij de kleeding der vrouw moeten bepalen. + +Het allervoornaamste, zoo niet het eenige doel van het decoratief +vertoon van de kleeding der vrouw is: verhooging der erotische bekoring +van het vrouwelijk lichaam. De vrouw kleedt zich, niet om bekleed te +zijn, maar om te bekoren en te behagen. De rest is bijzaak. + +Tot op zekere hoogte is ook bij de mannen de kleeding een erotisch +probleem, maar zij is dit in veel geringere mate en op geheel andere +wijze. De man heeft in het liefdeleven de oogenschijnlijk actieve rol +van aanvallende partij; daarbij kan de kleeding, die zijn stand en +zijn welstand al of niet overeenkomstig de werkelijkheid te kennen +geeft, hem behulpzaam zijn in den eersten stormloop. En ook streeft +de man er bij de keuze van kleeding naar, dat ze hem zoo voordeelig +mogelijk late uitkomen. Maar bij de vrouw is de kleeding het groote +middel om hare natuurlijke sexueele aantrekkingskracht onberekenbaar +te verhoogen en tot op gevorderden leeftijd intact te houden. En dit +geldt niet alleen van de geraffineerde pronk en van den opzettelijken +opschik, maar van elke lichaamsbedekking der vrouw in het algemeen. + +Men weet thans, en de vergelijkende volkenkunde levert daarvoor dag +aan dag nieuwe bewijzen, dat het een dwaling is, als men spreekt +van een den mensch van den beginne af aangeboren schaamtegevoel, +dat hem er toe zou hebben gedreven zekere deelen van het lichaam te +bedekken. Wij weten verder, dat integendeel elke vorm van kleeding +oorspronkelijk nooit eenig ander doel heeft gehad dan om te strekken +ter versiering ten behoeve van oogmerken, die in laatste instantie +bevrediging der zinnelijkheid beoogen. + +De vrouw is, en wordt nog om haar hartstocht voor kleeding, waarmee de +tegenwoordige vrouw als erfelijk is belast, veel gesmaad en bespot. De +mannen maken zich gaarne vroolijk over al die linten en strikken, +al dat kant en bont, al dien blinkenden en kleurigen opschik, die +sinds duizenden jaren in het leven der schoone sexe een zoo voorname +rol spelen, en zij zien er minachtend en geringschattend op neer +en verbeelden zich daarboven verheven te zijn. Ten onrechte, want +de vrouw neemt al die hulpmiddelen te baat, wijl ondervinding haar +heeft geleerd en nog dagelijks leert, dat juist die hulpmiddelen op +den man een onweerstaanbare uitwerking hebben. De vrouw kleedt en +tooit zich en schikt zich op, niet in de eerste plaats, omdat zij +zelf daar zoo op gesteld is, maar omdat zij den man daartegen zwak +weet. Als de man den spot drijft met de zucht naar opschik der vrouw, +bespot hij eenvoudig zijn eigen voorliefde voor de opgeschikte vrouw. + +Gewoonlijk beschouwt men het geheimzinnige hulsel, waarin de vrouw +hare natuurlijke bekoorlijkheden verbergt, als een lustig spel der +grillige phantasie, waaraan de vrouwelijke ijdelheid zich te buiten +gaat. Evenwel is hier allerminst sprake van een spel. De kleeding +is voor de vrouw de oorlogsrusting in haar lijdelijk offensief in +den strijd der liefde. Van de doelmatigheid dier wapenrusting hangt +haar overwinning af. Zich opschikken is het zwak der vrouwen dat haar +sterk maakt--het is voor haar een erotisch machtsmiddel. + +Dat het erotisch probleem der kleeding op zoo uiteenloopende wijze +is opgelost, is te verklaren als volgt. Bij het versieren van het +lichaam gaat de mensch, op welken trap van beschaving hij zich ook +bevindt--zoowel op den hoogsten als op den laagsten trap--steeds +er naar uit, de speciale eigenschappen van het ras, die natuurlijk +als voordeelen boven andere rassen worden aangemerkt, zoo scherp +en zoo gunstig mogelijk te laten uitkomen. Voor een zoo volmaakt +mogelijk exemplaar van zijn ras te worden aangezien, daarnaar +streeft onwillekeurig ieder mensch. De meest in 't oog springende +ras-eigenschappen der Europeanen, speciaal der Europeesche vrouwen, +zijn: betrekkelijk lange beenen, een natuurlijke taillevorming +met merkbare insnoering van den middel, verder een breed bekken, +ronde heupen en stevige borsten, als halve bollen op de borstkas +staande. Deze speciale eigenschappen der Europeesche rassen hebben +de richting bepaald, waarin de kleeding zich in dit werelddeel heeft +ontwikkeld. Uit het streven om de lengte der beenen te laten uitkomen, +ontstond de rok, die het mogelijk maakt met een oogopslag de verhouding +daarvan tot het bovenlichaam op te nemen. Evenzoo danken gordels en +ceinturen hun ontstaan aan de zucht om er de aandacht op te vestigen, +dat men in taillevorming niet achterstond. Toen de kleeding zich zoover +had ontwikkeld, dat ze zich gesplitst had in een geheel afzonderlijke +onder- en bovenkleeding, werden ten behoeve van ditzelfde oogmerk +de achtereenvolgende vormen van het corset uitgedacht, als een +hulpmiddel om de verdere vrouwelijke eigenschappen van het blanke +ras--breed bekken en staande borsten--aan het geheel bekleede lichaam +toch nog te kunnen tentoonstellen. Dat dit geen hypothese is, leert +een vergelijking met een menigte andere rassen, bij welke een breed +bekken, taille-insnoering en een opgerichte boezem niet tot de speciale +raskenmerken behooren. Bij zulke rassen, het Chineesche bijvoorbeeld, +is in de kleeding geen spoor te ontdekken van een streven om de taille +in te snoeren of den boezem kunstmatig omhoog te persen. + +Het corset is dus een hulpmiddel in dienst der erotische instincten +der vrouwen van het blanke ras, en dit verklaart, waarom men deze +vrouwen er tot dusver nog niet toe heeft kunnen krijgen, en er +wellicht nimmer toe zal krijgen, van het corset afstand te doen, en +waarom zelfs eenmaal van dit folterwerktuig bekeerde dames het onder +een andere benaming al of niet onder eenigszins gewijzigden vorm, +al spoedig weer binnen smokkelen. + +In het algemeen is de kleeding ontstaan uit de ervaring, dat +het verhulde lichaam meer en langduriger bekoort dan het naakte +lichaam. Hierover is al nader uitgewijd in het hoofdstuk dat handelt +over den invloed der zintuigen in het liefdeleven en in dat over +de schaamte. + +Een natuurlijk gevolg van de zucht om de bijzondere raseigenschappen +te laten uitkomen en voor een volmaakt vertegenwoordigster van het +ras te kunnen doorgaan, is gelijk van zelf spreekt: overdrijving. Wie +een verlangde eigenschap in den hoogsten graad bezit of schijnt te +bezitten, valt het eerst en het meest in het oog. Zoodoende zoekt de +kleeding gewoonlijk een bijzondere ontwikkeling van de bovengenoemde +raseigenschappen voor te wenden. Daarbij wordt in den regel weinig of +geen rekening gehouden met de natuurlijke harmonie, grondslag en eerste +eisch van elke ware schoonheid. Maar, esthetische overwegingen komen +bij de kleeding zoo goed als niet aan het woord. Met de kleeding toch +worden geen esthetische, maar practisch-erotische oogmerken beoogd. En +nu moge het waar zijn, dat hoogstzelden vrouwen met de breedste +heupen, den weelderigsten boezem en de omvangrijkste callipygische +bekoorlijkheden als werkelijke schoonheden en esthetische idealen +worden aangemerkt, toch leert de ondervinding maar al te duidelijk, +dat in werkelijkheid toch diegenen de voorkeur genieten, bij wie deze +raseigenschappen het krachtigst ontwikkeld zijn. De vrouw wil niet in +de eerste plaats schoon genoemd zijn, maar zij wil bovenal gezocht en +begeerd zijn, en zoo strekt de kleeding niet om de schoonheid der vrouw +te verhoogen, maar om hare zinnelijke aantrekkingskracht te verhoogen. + +De passieve rol van de vrouw in het geslachtsleven dwingt haar, +als zij in haar passiviteit toch actief wil optreden--d.w.z. als +zij schijnbaar lijdelijk wil blijven en toch erotische actie wil +voeren--de kleeding als bondgenoote te aanvaarden. + +Deze bondgenoote toch stelt haar meer dan iets anders in staat, +verdekt offensief op te treden. Zij mag er met zekerheid meer effect +van verwachten dan zelfs van de meest verleidelijke coquetterie, +het andere groote actieve middel der vrouw; deze wordt tot een nauw +verstaanbaar gefluister, vergeleken bij de beeldrijke lofrede, +die de vrouw door haar kleeding op zich kan laten houden tot den +man. De kleeding is, kort gezegd, de hoogste troef in het spel der +verlokking. Door de pracht in haar kleeding en door steeds up to +date daarmee te zijn, kan de vrouw bovendien haar welstand ten toon +spreiden. Door daarbij een goede keuze en eenigen smaak aan den dag +te leggen kan zij tenslotte met haar kleeding zelfs hooggespannen +verwachtingen wekken omtrent hare geestelijke kwaliteiten. Zoo +is de kleeding voor de vrouw een onuitputtelijk arsenaal en haar +operatiebasis in den sexueelen strijd om het bestaan. + +Het zou der vrouw geringe moeite kosten al datgene, wat zij met haar +kleeding vermag, op de edelste en meest esthetische manier te doen, +en haar natuurlijk schoon met behulp der kleeding eenige malen te +verdubbelen. In plaats daarvan is als regel de bekleeding der vrouw, +met esthetisch oog bezien, een toonbeeld hetzij van leelijkheid, hetzij +van dwaasheid. De kleeding, die zou kunnen dienen het vrouwenschoon +te verhoogen, doet eigenlijk niet anders dan dat schoon onkenbaar +maken. Wat de bestaande schoonheid kon versterken en vermeerderen, +verwoest haar. De natuurlijke schoonheid wordt bedekt met leelijkheid; +om mooi te zijn, maakt men zich leelijk! + +De oplossing van deze tegenstrijdigheid is eenvoudig. + +De kleeding is voor de vrouw geen doel, maar middel. Het doel is niet +schoon te zijn, maar begeerd te worden. Niet de roem der schoonheid +is het doel in den sexueelen wedstrijd, maar de verovering van den +man. En daarbij staan de kansen niet het gunstigst voor het schoone +en harmonische, maar voor het opzichtige en buitensporige. De vrouw +moet in de eerste plaats den bruidssluier machtig worden. Daartoe is +het niet voldoende schoon te zijn. Integendeel, het welslagen is zeer +weinig gewaarborgd, als de oplossing van dit vraagstuk wordt gezocht +in de richting van het esthetisch zuiver schoone; zekerheid bijna van +slagen daarentegen is er, als men de kunst verstaat de aandacht op +zich te vestigen, en door iets opvallends boven de eindelooze massa van +mededingsters weet uit te steken. Het zwakste punt van de te veroveren +vesting, den man, is diens zinnelijkheid. Op dit punt moet hij dus +bij voorkeur worden aangetast. Aanvallen in dezen zin, zoo, dat de +schijn van lijdelijkheid blijft bewaard, kan de vrouw het best met haar +kleeding. Daarin dus zoekt zij zonder te spreken de verleidelijkste +zinnelijke beloften te doen. Het slagen is zeker voor wie daarin +slaagt. Ieder costuum moet aan de mannenwereld de verzekering geven: +ik ben datgene, of ik ben _nog_ datgene, wat de vrouw in de eerste +plaats zijn moet--instrument der zinnelijkheid. Alles moet daarbij +voor de brute logica van der vrouwen strijd om het bestaan wijken. + +Geen der schijnbare dwaasheden in de vrouwenkleeding is dan ook +dwaasheid. Integendeel, alles is daarbij altijd verwonderlijk doelmatig +ingericht op het verlangde effect. + +De leiding heeft daarbij de mode! + +De mode is het, die het bovengeschetste probleem op telkens nieuwe +wijze oplost. Deze voert de vrouwen, die haar uniform aannemen, +naar een vrijwel zekere overwinning. In dienst der mode bereiken de +vrouwen bijna zeker haar doel--zij het verminkt. + +De mode is tegelijk de machtigste vriendin en de boosaardigste vijandin +van de vrouw en de bekendste en daarom de meest en het luidst gesmade +misdadigster tegen de heerlijke schoonheid der vrouw. Het is volstrekt +geen phrase als men zegt, dat de meeste modes meer vrouwen te gronde +richten dan eenige oorlog mannen het leven gekost heeft. Wel vergiet +de mode geen bloed, zij doodt niet direct, maar des te meer gewonden +en verminkten vallen er op hare slagvelden. Maar juist daarom is de +mode barbaarscher nog dan de oorlog. Want de nakomelingen, die uit +de verminkte en verzwakte slachtoffers der mode geboren worden, +moeten mede boeten. Aan tienduizenden onschuldigen worden door +een vergald leven de zonden der ouders gewroken. En het schijnbaar +zonderlingste daarbij is, dat er waarschijnlijk nog nimmer een mode +geweest is, die niet, behalve tegen de gezondheid, tevens tegen +de schoonheid zondigde. De mode is doorgaans met alle begrippen +van schoonheid volkomen in strijd en heden ten dage is de naar de +regelen der mode bekleede vrouw zoover als maar mogelijk schijnt van +eenig natuurlijk schoonheidsideaal verwijderd. Woorden als "chique" +vervangen bij de aangekleede vrouw het begrip schoon; een chique vrouw, +ontkleed, is niet zelden de meest afschrikkende tegenstelling van +het vrouwen-schoonheidsideaal, zooals ons dat in de Aphrodite's der +oudheid nog altijd op het heerlijkst belichaamd is. En een evenbeeld +eener Aphrodite, naar de regelen van welke mode ook aangekleed, +volkomen onherkenbaar zijn. + +Het schijnt ten allen tijde de opzettelijke bedoeling van de +mode te zijn geweest, alles wat de natuur aan vrouwenschoon laat +ontstaan, te misvormen en te vernielen. En ook heeft de mode de +vrouw verlaagd. Iedere mode toch streeft er alleen naar, de vrouw +als geslachtswezen kunstmatig meer presentabel te maken. Zij vestigt +daarom als met schreeuwende reclame de aandacht op alles wat de +vrouw tot vrouw maakt. Niet de innerlijke en uiterlijke harmonie, +het psychische en geestelijke wezen in de vrouw komt in de kleeding +tot uiting, maar wel beijvert de mode zich de intieme lichamelijke +_bekoorlijkheden_ der vrouw aan te prijzen en te laten uitkomen, +zoo, dat ieders aandacht er dadelijk bij wordt bepaald, dat zij +lichamelijk over de middelen beschikt, die haar als geslachtswezen +bruikbaar maken. De mode verlaagt de vrouw door dit alles tot een +levende reclamezuil der zinnelijkheid. + +En doordat de mode om haar doel te bereiken gedurig moet zoeken naar +iets nieuws dat opzien verwekt, maakt zij de vrouw van tijd tot tijd +tot een afzichtelijk monster, dat eer schrik aanjaagt dan bekoring +uitoefent. + +De mode heeft de vrouw nooit anders dan misvormd en daarvan ook +in ruime mate blijvende sporen nagelaten. Iedere modegril is een +nieuwe zonde tegen de natuurlijke schoonheid. Altijd zoekt de mode +het in het abnormale, dwaze en onredelijke. Dit geldt zoowel van +de constante plaatselijke of nationale modedrachten--met eenige +weinige uitzonderingen--als van de zeer veranderlijke grootsteedsche +en mondaine modes. Wat de mode dicteert is als regel onnatuurlijk en +in zijn zotte onzinnigheid belachelijk. + +Niets bijvoorbeeld is schooner en heerlijker dan de blos der +gezondheid, het frissche bloeiende rood der wangen. De mode veracht +die natuurlijke schoonheid, en verklaart haar voor ordinair, boersch, +de eerste de beste boerin ziet er immers ook zoo uit! En bovendien, +de dame, die in de wereld verkeert, zich angstvallig wacht voor +elke inspanning, in de salons haar leven slijt en meer kunstlicht +dan daglicht ziet, kan onmogelijk anders dan vale, bleeke wangen +hebben. De mode weet echter raad, zij verklaart de bleeke, vale tint, +waarmee boudoir, salon en balzaal het aangezicht kenteekenen, voor +voornaam, deftig en interessant. Zoo wordt het ziekteverschijnsel +tot schoonheidsregel verheven en de kleur der gezondheid wordt +veracht, geschuwd, zelfs kunstmatig verwijderd en vervangen door de +doodsch-vale modekleur. Bleekheid wordt interessant en pikant, zij +schijnt te spreken van smachtend verlangen en aan de liefde gewijde +nachten. En als de bleekheid niet vanzelf wil komen, dan wordt zij +kunstmatig op het aangezicht gebracht. + +Op dezelfde wijze heeft de mode bij elk deel van het vrouwelijk +lichaam als met voorbedachten rade gestreefd naar ontaarding en +misvorming. Van den schedel tot aan de voeten heeft zij de vrouw +verminkt, van haar natuurlijk schoon beroofd en voor het geroofde +ergerlijke reclame-achtige surrogaten in de plaats gesteld. + +Bepalen wij ons een oogenblik bij den voet. De voet is een +der meest delicate schoonheden van het vrouwelijk lichaam. De +heerlijke volmaaktheid van dit lichaamsdeel maakt het tot een klein +scheppingswonder op zichzelf. De voet is echter niet uitsluitend +sieraad, hij heeft een functie, en deze is, het geheele lichaam een +bevallige en vlugge bewegelijkheid te verleenen--zonder krachtigen +voet geen gracieusen en zekeren gang. Nu geldt terecht een kleine voet +als schoon. Maar de mode, wier wezen bestaat in karikatuur-achtige +overdrijving, is niet tevreden met klein; schoonheid moet niet +twijfelachtig zijn, maar zich duidelijk manifesteeren. De voet +moet derhalve niet slechts klein zijn, maar zeer klein, abnormaal, +wanstaltig klein. Zoo luidt de wet der mode voor alle vrouwen en +naar het schijnt voor alle tijden. En negen tienden der vrouwen +wringen haar leven lang haar voeten in te kleine schoenen, waarin +de voeten zoo onnatuurlijk worden samengeperst, dat het eenvoudig +onmogelijk is behoorlijk rechtop te staan, om maar niet te spreken +van een paar uur flink loopen. Zoo verandert de sierlijke rythmus +van het gaan in een onbeholpen, erbarmelijk gewaggel in eendachtige +lompheid. En deze inbreuk op de harmonische schoonheid is nog het +_geringste_ nadeel, want de onmogelijkheid, behoorlijk te kunnen +loopen, is vrij wat ernstiger. Maar, zoo fluistert de _verdwaasde_ +mode, waarom behoeft een dame eigenlijk te loopen? En zij troost haar +verminkte slachtoffers met de dwaasheid, dat toeren te voet voor een +dame ongepast en onbetamelijk zijn. Er zijn zelfs tijden geweest, dat +loopen voor een vrouw ronduit onfatsoenlijk werd genoemd. Abnormaal +kleine voeten getuigen er tevens van, dat de bezitster zich de +weelde heeft kunnen verlooven zich van het vermogen van het gaan +te berooven--daarom zijn zulke verminkte voeten tevens het symbool +geworden van maatschappelijke voornaamheid, waardoor men zich nog +met des te vuriger ijver aan deze zelfverminking overgeeft. + +Zoo zijn er nog tallooze mode-dwaasheden, waardoor het vrouwenschoon +voor altijd wordt vernietigd. Het lichaam van iedere vrouw, die +bij voortduring concessies doet aan de Draconische wetten der mode, +vertoont onuitwischbare sporen van de aangerichte verwoesting--ze is +in den volsten zin des woords voor haar gansche leven geteekend. Aan +de voeten liggen de teenen niet meer regelmatig naast elkander, maar +ze zijn tot een afzichtelijk kluwen over elkaar gewrongen. En dan de +taille-snoering! Deze vult dag aan dag de ziekenkamers en de zalen der +vrouwenklinieken met een talloos leger van slachtoffers, die allen met +de afschuwelijke insnoering van het corset, het Kaïnsteeken der mode, +zijn gestriemd. + +Hierbij schijnt het inderdaad, of een booze geest een afschuwelijk spel +van dwaasheden drijft met de vrouw. De grootste trots en het schoonste +sieraad van het opgroeiend meisje zijn hare borsten. Honderden +hoogstaande vrouwen hebben ons dit geheime welgevallen geschetst. Vol +schuchterheid ontwaart zij de eerste ronding, met onschuldig welbehagen +volgt zij den langzamen aanwas, en met klimmende verrukking ziet zij +de beide halfronden van vrouwelijke heerlijkheid zich verheffen in +maagdelijke volheid. Ze weet instinctief, dat dit het verhevenste +sieraad is van de jonge vrouw, dat het haar dagelijks begeerlijker +maakt voor den geliefde. En hoewel ze dit alles gevoelt en weet, +toch snoert zij zich in en perst zich ineen, dag aan dag, week aan +week. Het onvermijdelijk gevolg blijft niet uit en doet zich weldra +gevoelen. Zij voelt de vastheid en elasticiteit van den mishandelden +jongen boezem verminderen en verdwijnen, nog vóór hij zich in volrijpe +schoonheid heeft kunnen ontplooien. Maar zij gaat door met zich in te +snoeren--de mode gebiedt het. En zij troost zich met de drogreden, +dat men het immers toch niet ziet. De ergerlijke, ja misdadige +zotternij van de mode springt hier wel het duidelijkst in het oog: +om den schijn van schoonheid van een jongen boezem te fingeeren, +wordt de werkelijk bestaande schoonheid verwoest. Dit staat inderdaad +gelijk met den leugen te verkiezen boven de waarheid, uit louter lust +tot liegen. Het is de werkelijkheid prijsgeven en opofferen voor iets +wat diezelfde werkelijkheid verzwakt nabootst. + +Zoo is de mode de boosaardigste vijandin, die de vrouwenwereld heeft +en tevens de meest bedriegelijke schijnvriendin. + +Maar in weerwil van dat alles schijnt de heerschappij van de mode +nog ongeschokt, neen, zich nog altijd hechter te vestigen. + +De reden daarvan is, dat zij de vindingrijkste en meest succesvolle +bondgenoote is van de vrouw in haar strijd om het bestaan. Daardoor +kan de mode de gansche vrouwenwereld slaafsch aan zich onderwerpen +en oppermachtig over haar heerschen als een despotieke gebiedster, +die geenerlei inbreuk op haar tiranieke wetten duldt. + +Het hoofddoel der kleeding is voor de vrouw zinnelijk begeerlijk te +zijn. Zinnelijk nu werken op den gezonden doorsnee-man van nature die +vormen, die getuigen van bijzondere geschiktheid voor de functie, +die aan de vrouw is toebedeeld: een breed bekken en weelderige +borsten. Een breed bekken verzekert een krachtige ontwikkeling van +het wordende kind, en een goed-ontwikkelde boezem belooft voor dat +kind een overvloedige voedselbron te zijn. De kleeding moet de vrouw +daarbij te hulp komen, zij moet de vormen in de gewenschte richting +corrigeeren. Om die reden is de vrouwenkleeding in hoofdzaak een +erotisch probleem, dat de mode ten koste desnoods van alles, helpt +oplossen. + +De mode streeft volstrekt niet, wij zeiden het reeds, naar schoonheid; +zij streeft alleen naar het telkens weer op nieuwe manier versterken +der zinnelijke bekoring van de vrouw. Het is een dwaling te meenen, +dat de mode dwaas is; zij doet alleen dwaas voor zoover dit ter +bereiking harer oogmerken noodig is. Hare dwaasheid is berekend. Hare +buitensporigheden zijn wel overwogen. Er heerscht in het rijk +der mode allerminst willekeur, niet de caprice roept modes in het +leven, maar de eisch der strengste doelmatigheid. De mode is dwaas +uit overleg, en met volmaakte kennis van de zwakke punten van den +tegenstander. De dwaasheden der mode blameeren minder de vrouw, dan +den man; zij getuigen niet van voorliefde voor het dwaze bij de vrouw, +maar bij den man. Want de mode kleedt de vrouw alleen hierom dwaas, +wijl dit het welslagen van het beoogde doel verzekert. + +In de mode heerscht niet het toeval, evenmin de gril van het oogenblik; +alles in de mode is nuchteren berekening, vooral hare vermeende +onbestendigheid. In die onbestendigheid toch ligt voor een belangrijk +gedeelte het geheim van haar succes. De mode immers bedoelt aandacht +te trekken. Het meest trekt de aandacht het nieuwe. Daarom, ieder +oogenblik wat nieuws, ieder seizoen nieuwe vormen, om het der vrouw +mogelijk te maken in steeds nieuwe combinaties al hare bekoorlijkheden +en al hare lichamelijke, geestelijke en materieele eigenschappen en +bezittingen ten toon te spreiden. Zoo is de mode veranderlijk niet +uit grilligheid, maar uit berekening. Als de zinnelijke bekoring +eener modedracht begint te verminderen, dan heeft de mode al weer een +nieuwe gereed, Zoo vult zij de "beschaafde" wereld aanhoudend met +nieuwe vrouwen, die er geheel anders uitzien dan die van gisteren, +en waarvan weer opnieuw het maximum van zinnelijke lokking uitgaat. + +Hoe ten volle mode en kleeding in directen dienst staan der +zinnelijkheid blijkt allereerst uit het antwoord op de vraag, +waar de modes eigenlijk vandaan komen. Hieromtrent worden wij +voldoende ingelicht door de zedemeesters van alle tijden. Steeds +hooren wij dezen in alle toonaarden jammeren en met de grootste +zedelijke verontwaardiging ontsteld verzekeren, dat de meeste en +succesvolste scheppingen der mode door de beroepspriesteressen van +Venus zijn uitgedacht. Deze bewering is volkomen juist, het bewijs +er voor is zonder eenige moeite te leveren. Maar in het feit zelf +ligt niets verwonderlijks, het is een zeer natuurlijk en volkomen +logisch gevolg van het bovengeschetste doel van de kleeding. Het is de +dagelijks en ieder uur beoefende taak der bedoelde priesteressen van +Venus: geslachtswerktuig en niets anders dan dat te zijn; om goede +zaken te maken zijn zij gedwongen op het geraffineerdst te werk +te gaan. Omdat haar geest zich daar voortdurend bij moet bepalen, +vinden zij natuurlijk de beste oplossingen van de vraag: hoe met de +kleeding de krachtigste bekoring uit te oefenen en zij zijn steeds +de eersten om de uitwerking van nieuwe vindingen te beproeven. Het +succes dat deze klasse van vrouwen daarmee heeft, blijft bij de rest +niet onopgemerkt en ook der op eerbaarheid gestelde vrouw blijft +niets over dan het voorbeeld te volgen, willen zij niet riskeeren in +de niets ontziende concurrentie ten onder te gaan, d. w. z. over het +hoofd gezien en terzijde geschoven te worden. + +Het is de taak der mode, haar eenige taak eigenlijk, de +geslachtsverschillen te laten uitkomen, op hunne aanwezigheid +opmerkzaam te maken, alle lijnen, die sexeverschillen markeeren, +als te onderstreepen en zoo noodig te corrigeeren. + +Voor het blanke menschenras is de boezem het voornaamste uiterlijke +geslachtskenmerk der vrouw. Daarvan gaat naar den man de krachtigste +bekoring uit. Stratz merkt terecht hieromtrent op: "Bijzonder +sterk en eigenaardig is de bekoring, die de vrouwelijke borsten +op ons uitoefenen. Terwijl de natuurvolken daarvoor ten eenenmale +onverschillig zijn en zelfs bij de Japanners en Chineezen, die toch +ook geheel bekleed gaan, de boezem geen zinnelijke beteekenis schijnt +te hebben, zijn de borsten bij de op hoogeren trap staande volken van +het Kaukasische ras het zinnebeeld der vrouwelijke aantrekkingskracht +geworden en zij gelden, als zij goed zijn ontwikkeld, als het hoogste +sieraad van het vrouwelijk lichaam." + +Naar een teekening van Hans Holbein den Jongere (1497-1543), +Museum, Bazel. Natuurlijk is dit de mode niet onbekend. Zij maakt +integendeel het meeste werk van den boezem. Hare vernuftigste en +meest geraffineerde scheppingen gelden altijd den boezem. Zij doet de +middelen aan de hand om deze al of niet voorhanden schoonheid op het +duidelijkst te laten uitkomen, en waar ze geheel ontbreekt, ze voor te +wenden. Dit begint al bij het jonge meisje, want een vroege krachtige +ontwikkeling van de buste heeft ten alle tijde gegolden voor een +benijdenswaardig geschenk der natuur. Het tot puberteit komende meisje +vestigt met haar kleeding dan ook het eerst de aandacht op haar boezem; +daarmee opent zij haar lijdelijk offensief tegen de mannenwereld; +met den boezem begint het tentoonstellen der vrouwelijkheid. En van +dat oogenblik blijft steeds de boezem de stelling van waar uit de +erotische strijd wordt gevoerd, het geheele leven door, tot in den +ouderdom toe. Nog altijd een mooien gevulden, weelderigen boezem te +hebben, dat is de grootste triumf der volrijpe vrouw. En wijl het de +mode nooit te doen is om werkelijkheid, maar alleen om schijn, en zij +met de werkelijkheid zelfs geen rekening wenscht te houden, verwoest +zij, naar we boven zagen, eerst de werkelijkheid, om vervolgens met +schijn het door haar vernielde weer aan te vullen. Zij handelt als +een berekenend speculant, die kunstmatig gebrek schept om zich een +vlotter afzetgebied te verzekeren. Alle mode is voor de ontwerpers +trouwens niets dan koopmanschap. + +Vandaar is dus het verlokkend presenteeren van den boezem ten allen +tijde het voornaamste probleem geweest, dat de mode zich ter oplossing +zag voorgelegd. En zij heeft dat probleem in den loop der tijden op +honderden verschillende manieren weten op te lossen. Het liefst, +wijl het meeste effect verzekerend, bedient zij zich daarbij van +gedeeltelijke ontblooting, de decolletage. Het decolleté bedoelt +niets anders, dan bekoring uit te oefenen op den man. Wel oefent +het bekleede lichaam krachtiger erotische aantrekking uit dan +het naakte lichaam. Maar bij het decolleteeren staat men voor een +dier gecompliceerde gevallen, die aan toepassing der homeopathie +doen denken. Zoo blijft er voor den leugenaar als laatste middel +over om te misleiden: de waarheid te zeggen, wijl niemand die dan +van hem gelooft. Langs een gelijksoortigen omweg gaat de erotische +bekoring met behulp van decolleté. Het bekleede lichaam werkt op den +Europeeschen mensch veel zinnelijker, dan het naakte lichaam. Door de +bekleeding is in de plaats van de onverschilligheid der wilden voor +het alledaagsche naakte een brandende nieuwsgierigheid gekomen voor +het zich in kleederen verbergende lichaam. Treffend zou dit blijken +als een vrouw in negligé, maar geheel bekleed, zich op straat zou +begeven in gezelschap van een andere met ontbloote armen, beenen +enz.--aller blikken zouden zich wenden naar het negligé, de slechts +gedeeltelijk bekleede gezellin zou ternauwernood worden opgemerkt. + +Het bekleede lichaam prikkelt de phantasie, die, eenmaal aan +het werk, zich het verborgene en onbekende in de gloeiendste +en heerlijkste kleuren afmaait. De steeds weer opnieuw opgewekte +nieuwsgierigheid en de steeds opnieuw in werking gebrachte verbeelding +verschaffen het bekleede lichaam een nimmer verzwakkende zinnelijke +bekoring. Het decolleteeren nu schijnt een tegemoetkoming aan +deze nieuwsgierigheid. Niet echter om die nieuwsgierigheid te +bevredigen--daarmee ware niets gewonnen--maar integendeel om haar +nog sterker te prikkelen. + +Zoo blijkt uit het decolleté hoe diep en hoe grondig de mode zich in +het haar ter oplossing gegeven thema heeft ingedacht. Zij maakt met de +strategie van een wereldveroverend veldheer geniaal gebruik van elke +voor de hand liggende en meer nog van elke niet voor de hand liggende +gunstige omstandigheid. Met de decolletage benut zij het feit, dat +gedeeltelijke en beperkte tegemoetkoming niet leidt tot bevrediging +der nieuwsgierigheid, maar tot nog grootere nieuwsgierigheid: +zij exploiteert met de ten deele ontbloote boezems met weergalooze +handigheid het verschijnsel, dat een enkel woord van een geheim de +nieuwsgierigheid om alles te weten opvoert tot de uiterste grens +van spanning. + +Dat het decolleteeren geen ander dan het hier geschetste doel beoogt, +en dat men dit ten allen tijde ook zeer goed geweten heeft, valt direct +te bewijzen met tal van verbodsbepalingen dienaangaande. Zoo waren +er in tijden, waarin het decolleté niet alleen binnenshuis maar ook +daarbuiten mode was, veelal allerlei voorschriften, hetzij wettelijke +verordeningen, hetzij decreeten van den goeden toon, die de aanwending +van dit lokmiddel aan zekere regelen onderwierpen. Herhaaldelijk komt +men daarbij voorschriften tegen die aan ongehuwde vrouwen een lager +decolleté toestaan dan aan getrouwde vrouwen. Weduwen worden dan +in dit opzicht als gehuwd aangemerkt totdat de wettelijke termijn, +binnen welke zij geen nieuw huwelijk mochten aangaan, verstreken +was. Daarna mochten zij zich weer decolleteeren als jonge meisjes. Met +deze regeling werd natuurlijk zonder meer erkend, dat het decolleté +mannenvangst beoogde, en dat dit recht eigenlijk alleen aan ongehuwde +vrouwen toekwam. + +De bedoeling van het decolleté is ontegenzeggelijk alleen deze, den +boezem prijs te geven aan de blikken der mannen teneinde zinnelijke +bekoring uit te oefenen. Of daarbij precies doelbewust dan wel +werktuigelijk en uit navolgingssleur wordt gehandeld, is natuurlijk +vrijwel om het even. + +Nu laat de zinnelijkheid zich het allerminst bekoren door openlijk +vertoon, zonder meer. Er is een vorm van decolleté, die slechts +weinig bekoort en waarbij de bekorende kracht in elk geval slechts +van korten duur is: het toonen van den boezem in zijn eenvoudige +naaktheid, zooals men het gezicht en de handen bloot laat. Er zijn +tijden geweest, waarin dit de mode was. En steeds bleek dan, dat er +in een ommezien van tijd ook van dit, als kostbaarste sieraad der +vrouw en als het heerlijkst erotisch wonder der schepping zoo vaak +bezongen uitgangspunt van zinnelijke aantrekkingskracht, niet meer +bekoring uitging, dan van gezicht of handen. Naaktheid heeft geen +blijvende bekoorlijkheid. Deze vorm van decolleté beantwoordde dan ook +allerminst aan het gestelde doel en is dan ook waarschijnlijk zelden of +nooit als direct middel ter bekoring bedoeld. Daarvoor zijn een menigte +andere manieren van ontblooting uitgedacht--gedeeltelijke ontblooting, +waarbij het zichtbaar gedeelte de nieuwsgierigheid naar de rest had +te prikkelen; en de bedekte ontblooting, waarbij het kleed los den +boezem bedekte en op elk gewenscht oogenblik opengeworpen kon worden, +evenals de rok kan worden opgenomen om het been te toonen. + +Zoo heeft het decolleté zoolang de mode de vrouwenkleeding beheerscht, +regelmatig heen en weer geschommeld tusschen een minimale en een +maximale ontblooting. Bij dat maximum werd het kleed zoover opengelegd, +dat vrijwel de geheele voorkant van het bovenlichaam aan de blikken +werd prijsgegeven. Koningin Isabella van Beieren bracht in de 16e +eeuw een mode in zwang, waarbij het kleed van den hals tot aan den +middel openhing, en aan haar hof moet deze mode onmiddellijk met een +waren hartstocht zijn aangenomen. In de 16e eeuw heerschte deze mode +herhaaldelijk en er werden toen nog allerlei middelen bedacht, om het +erotisch effect nog te verhoogen: rondom de borsten werden schitterende +versierselen gelegd; ook werden wel beide tepels verbonden door met +diamanten bezette borstketens. + +Van langen duur zijn zulke modes echter nimmer geweest. Tegen een +zoo ver en zoo consequent doorgevoerden zin voor openbaarheid staken +steeds onmiddellijk zware stormen van oppositie op. En wel uit +de vrouwenwereld zelf. Misschien uit mededoogen met de bedreigde +zedelijkheid. Vermoedelijk en waarschijnlijk echter om nog een +andere reden, die dan tevens de eigenlijke reden was. Een zoo ver +gaand decolleté konden natuurlijk slechts de zeer weinige zeer ruim +met boezemschoon bedeelde vrouwen zich veroorloven. Zij die op dit +punt niet bijzonder op de vrijgevigheid der natuur hadden te roemen +of die reeds tot meer respectabelen dan bekoorlijken leeftijd waren +geklommen, gevoelden jegens zulke modes heel gauw onoverkomelijke +"gemoedsbezwaren", die zich dan lucht gaven in een categorisch non +possumus. Deze categorie van vrouwen nu maakt ten allen tijde de groote +meerderheid uit en door haar aantal reeds weten zij dan weldra een haar +zoozeer ongunstige en dus onwelgevallige mode in miscrediet te brengen. + +De allereerste eisch voor een mode om wat haar hoofdlijnen betreft +langen tijd te kunnen heerschen is, dat zij alle vrouwen in staat +stelt erotische aantrekking uit te oefenen. Een mode, die de volle +werkelijkheid onthult, voldoet wel het minst aan dien eisch. Haar +bestaan is daarom altijd van korten duur. En de mode is daar om alle +vrouwen in den strijd om het sexueel bestaan een kans te geven. Om +die reden schommelde het decolleté meestal tusschen grenzen, waarbij +de mannelijke nieuwsgierigheid in voldoende mate geprikkeld werd, +zonder dat omtrent de werkelijkheid iets bepaalds viel waar te nemen, +en die elke mogelijkheid openlieten om de natuur te corrigeeren en +aan te vullen naar den eisch van het schoonheidsideaal van den dag. + +De mode heeft het van tijd tot tijd ook wenschelijk en voor haar +doel nuttig geacht heel niet te decolleteeren, tenminste in het +openbaar. Zoo is het geweest in ongeveer de geheele 19e eeuw. Maar +nooit werd daarmee dan tevens het werken met de erotische bekoring +van den boezem prijsgegeven. Integendeel, het probleem werd dan in +tegenovergestelde richting even bevredigend opgelost. Wat getoond moest +worden bleef angstvallig bedekt, maar daarbij werd even angstvallig +zorg gedragen, dat het verborgene zijn aanwezigheid even duidelijk +verried als wanneer het onbedekt ware gelaten. Het beginsel, waardoor +de mode zich bij het oplossen van dit ingewikkelde vraagstuk liet +leiden, was dit: de vrouw moet geheel bekleed zijn en toch het effect +maken van niet bekleed te zijn. Hoe weergaloos geniaal dit schijnbaar +absurde probleem is opgelost, daarvan getuigen heele reeksen van +modes uit den modernen tijd. Het meerendeel der moderne vrouwenmodes, +waarbij letterlijk niets onbedekt wordt gelaten, maakt niettemin +een veel zinnelijker effect dan vele openlijk losbandige modes uit +vroegere tijden met al hare verregaande ontblootingen, en zij zijn +samen te vatten in de formule: in kleederen naakt. + +Niet minder merkwaardig is het spel, dat de mode in den loop +des tijds heeft gedreven met de bekleeding van het onderlichaam, +den rok. Bij dit kleedingstuk, dat een heele reeks bekoorlijkheden +drastisch moet demonstreeren, komt in alle tijden nog duidelijker uit, +dat het hoofddoel der vrouwelijke kleeding is: zinnelijke bekoring +uit te oefenen op de andere sexe en der vrouw de jacht op den man +te vergemakkelijken. Het pronken met den boezem laat nog plaats voor +andere opvattingen; de boezem der vrouw is van majestueuse schoonheid, +zijn aanblik kan verheven gedachten wekken, waaraan zinnelijkheid +vreemd is. Maar de bekoorlijkheden waar de rok de aandacht der andere +sexe bij heeft te bepalen, zijn van geheel anderen, van direct en +uitsluitend zinnelijken aard. De rok heeft der mode ten allen tijde +groote moeilijkheden bereid. Met eenvoudige niet-bedekking kon hier +gevoegelijk niet worden gewerkt. Daarom zocht men het steeds in het +opzichtige en buitensporige, en de meeste en allerergste modedwaasheden +betreffen dan ook den rok. + +De meest in het oog springende dwaasheden, die met den +vrouwenrok alzoo zijn begaan, bestaan in zijn buitensporige +verlenging, zijn buitensporige verwijding en zijn buitensporige +vernauwing. Buitensporige verkorting is daarentegen ondoelmatig +gebleken. + +Het zoeken van de mode, om het erotisch probleem van den rok op +te lossen in diens lengte, heeft als uiterste opgeleverd den rok +met sleep. De sleep is telkens, als de mode hem invoerde, langen +tijd in zwang gebleven. Hij beantwoordde niet alleen aan de eerste +eischen, die de mode stelt aan ieder kleedingstuk van de vrouw, +maar hij bleek tevens uitermate geschikt om hem te laten getuigen +van den welstand der draagster. De sleep toch belet elke vrije +beweging. Alleen rijke en voorname vrouwen kunnen zich de weelde +veroorloven kleederen te dragen die dwingen tot nietsdoen, en als met +geweld tot welke bezigheid ook, ongeschikt maken. Een sleep met zich +mee te voeren gaf dus rijkdom, macht, aanzien te kennen. Zoo was de +sleep het symbool van voornaamheid en deftigheid. En hij beantwoordde +tevens bij uitstek aan het hoofddoel, dat met elk kleedingstuk der +vrouw in de eerste plaats wordt beoogd. Hoe langer de rok is, des +te vaker ziet de vrouw zich gedwongen hem op te nemen, en des te +hooger ook moet hij worden opgenomen. Er is geen beter voorwendsel +om op ongezocht schijnende wijze de beenen te toonen, dan te lange +rokken te dragen. Bij den sleeprok heeft de vindingrijke mode dus de +omgekeerde methode te baat genomen als bij den boezem: zij ontbloot +niet, maar geeft te veel, en schept daardoor de "noodzakelijkheid" +dat te veel ieder oogenblik buiten werking te stellen. Of en wanneer +die noodzakelijkheid zich voordoet, daarover beslist de draagster, +en natuurlijk valt dan die noodzakelijkheid telkens zeer opmerkelijk +samen met de directe utiliteit dier manoeuvre. + +Uit een en ander valt zonder veel moeite de conclusie te trekken, dat +het stelselmatig en overdreven angstvallig verbergen der beenen door +de vrouwenkleeding niet geschiedt ter wille der schaamachtigheid, die +delicate intimiteiten aan het gezicht zoekt te onttrekken, maar juist +ter wille van het tegendeel. Men bedekt overdreven om voorwendsels aan +de hand te doen tot onthulling en dat juist dan te doen als daarvan +effect mag worden verwacht. Vandaar is de korte, voetvrije rok als +erotisch lokmiddel veel minder bruikbaar dan de te lange rok, want +hij biedt geen gelegenheid tot doeltreffend manoeuvreeren. + +De oplossing van het probleem door een buitensporig verwijden rok +schiep nog meer mogelijkheden om de beenen--niet te bedekken. Deze +vorm van rokken is vooral in de 18e en 19e eeuw onder de benamingen +hoepel-, baleinrok en crinoline in de mode geweest. Deze rokken komen +ons heden verregaand afschuwelijk voor. Zij maakten de vrouwen tot +wangedrochten. Maar dat zij zoo lang in de mode bleven bewijst op +zichzelf reeds, dat zij niettemin volkomen beantwoordden aan hun doel. + +Zooals van zoovele buitensporigheden der mode, wordt de uitvinding +van den wijduitstaande rok toegeschreven aan een vorstelijke minnares, +en wel aan mevr. de Montespan. Als bewijs daarvoor beroept men zich op +een brief van hertogin Elisabeth Charlotte van 22 Juli 1718, waarin +het heet: "Madame de Montespan heeft den hoepelrok uitgevonden om +te verbergen dat zij zwanger was (de Montespan stierf in 1707). Want +telkens als zij dien rok aanhad was het alsof op haar voorhoofd stond +geschreven dat zij weer zwanger was; ten hove zeide men dan tegen +elkander: Madame de Montespan draagt haar hoepelrok, ze is dus weer +zwanger. Ik geloof echter, dat zij zich maar zoo hield in de hoop +weer wat meer consideratie te ondervinden." + +Dat de wijde rok niet is uitgevonden door Mevr. de Montespan blijkt +evenwel ten duidelijkste hieruit, dat zulke rokken veel vroeger reeds +in Engeland gedragen werden. Daarentegen is het niet onwaarschijnlijk, +dat er datgene mee werd beoogd, wat in bovenaangehaald citaat +aan de minnares van Lodewijk XIV werd toegedicht: zwangerschap +te verbergen. Reeds hierom is dit waarschijnlijk wijl in dien +dartelen tijd ongeveer elke dame zich dagelijks aan het gevaar eener +buitenechtelijke zwangerschap blootstelde, terwijl zwangerschap, +zooals gewoonlijk in tijden van zinnelijke ontaarding, als iets +belachelijks, als iets doms en bespottelijks gold. Zoodoende was er +de dames alles aan gelegen haar fataal malheur op het gladde ijs der +galanterie zoo lang mogelijk te verbergen. Hierop zullen wij later +ruimschoots gelegenheid hebben uitvoeriger terug te komen. + +In elk geval valt hiermee moeilijk te verklaren, dat deze rok, in +weerwil van zijn tallooze ongemakken en zijn verregaande leelijkheid, +toch tot driemaal toe geruimen tijd in de mode is herrezen. Daarvoor +moeten nog andere redenen zijn geweest. En het is niet moeilijk die te +ontdekken. De wijd uitstaande stijve rok was een vorm van bedekking, +die de vrouwen tot veelvuldige en telkens langdurige en verstgaande +onthulling van wat zij niet wenschte te verbergen niet slechts +verleidde, maar direct noodzaakte. De hoepelrok-dragende dame moest +bij het gaan, door de vele hindernissen die zich daarbij noodzakelijk +moesten voordoen, eenige dozijnen keeren per uur zich op de meest +drastisch werkende wijze ten toon stellen. Dit beteekende, dat zij +even zooveel malen zich de vurig begeerde gelegenheid ongezocht zag +geboden om met hare meest intieme bekoorlijkheden op het verleidelijkst +te pronken. De constructie dezer rokken was zoo, dat zij als het ware +van zelf een zich openend en weer sluitend decolleté van onderen naar +boven deden ontstaan. + +De voorliefde der vrouwenwereld voor deze gedrochtelijke rokken +berustte dus eenvoudig op hunne erotische doelmatigheid. Voor +een kleedingstuk, dat haar steeds een als betooverd gevolg van +exemplaren der andere sexe garandeert, trotseert de vrouw met vreugde +en heroïeke zelfopoffering alle ongemakken, iederen last. En de mode +heeft nog geen zekerder werkend toestel kunnen vinden dan deze soort +rokken. Zijn zonderlinge vorm moest elk oogenblik onvermijdelijk even +zonderlinge ontblootingen, d.w.z. gelegenheden daartoe, veroorzaken. En +de noodzakelijke voorwaarde, dat die ontblootingen steeds konden +doorgaan voor _onopzettelijk_, ongewild en _ongezocht_, was daarbij in +ruime mate aanwezig. Al die opzettelijke ongelukjes hadden het extra +verlokkende en verleidelijke van het toevallige en momenteele. En welke +ongehoorde perspectieven de wijduitstaande rok elk oogenblik beloofde, +bijvoorbeeld bij het opgaan der trappen, bij het instappen in een +rijtuig en bij tallooze andere gelegenheden, kan men zich heden ten +dage eerst duidelijk voorstellen als men weet dat in dien tijd van een +dessous nog eigenlijk geen sprake was. Onder de baleinrok werd slechts +een zeer kort onderrokje gedragen en een pantalon was in de geheele +17e en 18e eeuw een diep veracht kleedingstuk. Het gold voor de vrouw +als iets zeer onbetamelijks en schandelijks, een pantalon te dragen, +deze werd alleen welvoegelijk geacht voor oude vrouwen. Alleen bij +het rijden droegen de dames een pantalon. Door dit alles schonk de +hoepel- of baleinrok de vrouw de zekerheid, dat ten allen tijde vurige +blikken in hoopvolle verwachting op haar waren gevestigd, blikken, +die in spanning het oogenblik verbeidden, dat een gelukkig toeval, +of een ondeugende streek van den wind de zoozeer begeerde openbaring +zou bewerken. Iets pikanters valt trouwens nauwelijks te bedenken. Niet +in den roes der overgave, maar in de meest onschuldige en onverwachte +situaties en op de meest ongezocht schijnende manieren konden met +behulp van dezen rok de intiemste bekoorlijkheden voor een ondeelbaar +oogenblik aan de nieuwsgierigen blikken worden prijsgegeven. En deze +openbaring van een oogenblik was, naar de ervaring dag aan dag leerde, +voldoende om den blik der mannen in den geest ook verder te doen +doordringen en hun verbeelding heen te leiden naar het laatste. Het +was de tot de uiterste grens opgevoerde tegemoetkoming der vrouw aan +de wenschen van den man, de echt vrouwelijk gemaskeerde toenadering, +waarbij niets werd nagelaten en toch niets kon worden bewezen en +de schijn nog in ten volle bevredigende mate gehandhaafd bleef. De +hoepelrok, hoe monsterachtig en hoe wanstaltig ook, hulde de vrouw +in een wolk van erotische bekoring met onweerstaanbaar aantrekkend +vermogen. Aan den eersten en hoogsten eisch, aan welk kleedingstuk +der vrouw ook gesteld, werd door dezen rok op bijna, ideëel volmaakte +wijze voldaan. En daarom was hij voor de vrouw een inderdaad ideëel +kleedingstuk, een der doelmatigste en dus schoonste geschenken der +mode aan de vrouw. + +De nauwe rok heeft hetzelfde probleem in tegenovergestelde richting, +maar niet minder bevredigend, opgelost. De mode wijzigt zich naar de +algemeene inzichten en opvattingen van het oogenblik. In den eenen +tijd worden groteske middelen vereischt, in den anderen tijd kan de +mode met meer natuurlijke volstaan. Met den nauwen rok wordt niets +onthuld en alles getoond. De vormen blijven bedekt, maar het oog kan +al hun lijnen volgen, ook de intiemste en meest delicate, niets wordt +werkelijk gezien, maar alles valt te raden; men ziet de werkelijkheid, +maar nog gehuld in den sluier der illusie. + +Kortgeleden heeft de mode een vergeefsche poging gewaagd, nog een stap +verder te gaan, en de vrouwen een kleedingstuk te geven, dat het midden +hield tusschen rok en pantalon. De _erotische_ bekoring, zooals de +vrouw die wenscht, bleek van dat kleedingstuk echter gering. Ondanks +de grootste reclame is het de mode niet mogen gelukken het ingang te +doen vinden. + +Op precies dezelfde manier als de bekleeding met bovenkleeding slechts +een middel is om de nieuwsgierigheid naar het verborgene te prikkelen, +en die nieuwsgierigheid nog te versterken door gedeeltelijke of +momenteele onthullingen--op precies dezelfde manier woekert de mode in +de kleeding der vrouw met elk ander kleedingstuk. Ook het schijnbaar +geringste en meest ondergeschikte heeft zijn hooge erotische beteekenis +en zijn bepaalde erotische functie--van den hoogen hak der schoen +(die zelfs een sterk geprononceerde erotische beteekenis heeft, wijl +hij het lichaam een stand geeft, waarbij de boezem naar voren en de +callipygische heerlijkheden naar achteren zich scherper afteekenen) tot +de versierselen van het hoofdhaar, alles staat bij de vrouw in directen +en regelrechten dienst der passieve verlokking, alles heeft dit eene +doel: de andere sexe toe te roepen: vergeet-mij-niet. Daartegenover +staat, dat de vrouw, zoodra zij er zich van bewust wordt dat zij +in sexueel opzicht heeft afgedaan, dikwijls volkomen onverschillig +wordt voor kleeding en voor allen opschik, en dan niet zelden aan +de verzorging harer uiterlijke verschijning evenveel te weinig zorg +besteedt als vroeger te veel. Dit ligt trouwens in den aard der vrouw, +die overhelt tot uitersten. + +Ongeveer altijd kiest de mode een bepaald centrum van bekoorlijkheden +van het vrouwelijk lichaam uit, om daarop allermeest de attentie te +doen vallen. En heeft zij eenmaal een keus gedaan, dan ontziet zij +verder geen middel om haar doel zoo volkomen mogelijk te bereiken. Dat +is een kwarteeuw geleden gebleken, toen het een tijdlang de mode was +inzonderheid te pronken met callipygische bekoorlijkheden. Met behulp +van den cul de Paris of de tournure was toen eensklaps elke vrouw +uiterlijk herschapen in een Venus Kallipygos. Deze mode viel ook daarom +zoo in den smaak, wijl zij onmiddellijk zoozeer in de gunst viel ook +der oudere dames. Het onthaal dat een nieuwe mode vindt, de opgang, +dien zij maakt, en de levensduur, die haar is beschoren, hangen in +niet geringe mate af van de dames van middelbaren leeftijd; deze toch +hebben het vrijwel in haar macht, een mode die haar niet aanstaat, +in korten tijd in miscrediet te brengen. En een nieuwe mode staat +deze dames het best aan, als zij ook haar eenige gelegenheid biedt +om nog eenige laatste triumfen te vieren. En de mode der tournure +was haar bijzonder gunstig. Alle schoonheden zijn vergankelijk, +enkele der heerlijkste schoonheden bloeien alleen in de jeugd, andere +zijn duurzamer, het duurzaamste zijn de bekoorlijkheden van Venus +Kallipygos; de volheid dier bekoorlijkheden is op den leeftijd der +rijpheid zelfs het grootst. Vandaar de geestdrift waarmee deze mode +door de in leeftijd reeds ietwat gevorderde dames geaccepteerd en +met alle argumenten--behalve de ware--verdedigd werd. + +Deze mode was zooveel als een omkeering der decolletage. De rol, die +anders de borsten speelden, werd nu door haar tegenvoeters vervuld; +het uitstralingscentrum van erotische aantrekking was van de noordpool +verplaatst naar de zuidpool. + +Wat bij deze wel doeltreffende maar weinig delicate mode eenigszins +zou kunnen verwonderen, is dit, dat zij viel midden in een periode +van zeer hooggestemde fatsoensbegrippen, waarvan wij in het hoofdstuk +over de Sexueele moraal (volgend deel) nader komen te spreken. En +in werkelijkheid was de callipygische mode bij het schaamtelooze af +indecent; in tweeërlei opzicht zocht zij het lager bij den grond +dan de modes, die bij uitnemendheid als onkiesch en onbetamelijk +gelden, die namelijk, welke de vrouwen met den ontblooten boezem laten +pronken. Weliswaar kan men in het algemeen zeggen, dat het lichaam geen +enkele bekoorlijkheid bezit, die op zichzelf verachtelijk of van lagere +orde is. Voor callipygische schoonheden behoeft de bezitster zich +evenmin te schamen als voor welke andere natuurlijke schoonheid. Maar +zoo zeker als dit is, even zeker is het, dat de aard der effecten +van alle schoonheden in het minst niet gelijk staat. Het effect van +den vrouwelijken boezem kan rein zijn. De boezem is niet slechts het +heerlijkst erotisch wonder aan de vrouw, maar tevens het verhevenste +erotisch wonder. Hij vertegenwoordigt niet louter het genot, maar hij +is ook het symbool van de verheven bestemming der vrouw. Hij getuigt +meer nog dan van de heerlijkheid der vrouw, van de gloriën van het +moederschap. De equatoriale bekoorlijkheden daarentegen zijn direct en +uitsluitend zinnelijk; zij zijn provoceerend erotisch, zij voeren de +phantasie zonder omwegen regelrecht heen naar het laatste en vestigen +de aandacht zonder meer op de geslachtsgemeenschap. En onder die +bekoorlijkheden van lager orde zijn de callipygische ontegenzeggelijk +de brutaalste en grofste. Daarmee te pronken is wel de duidelijkste +en meest directe provocatie van den erotischen stormloop der mannen, +en het minst delicate erotisch gastmaal, dat de mode aan de zinnelijke +mannenoogen ooit heeft voorgezet. + +Een der jongste vindingen der altijd met weer nieuwe vindingen +verrassende mode is de blouse. Deze heeft weer de algemeene +taak zóó te verbergen, dat niets verborgen blijft. Ook de blouse +beantwoordt volkomen aan dezen eisch. En wel op zeer bijzondere en +zeer geraffineerde wijze. Zij verraadt niet, zooals de bovenkleeding +in het algemeen, den plastischen vorm, maar die velerlei kleine +verborgenheden en heimelijkheden waarnaar de man zoo nieuwsgierig is +en die zijn nieuwsgierigheid, hoe ook bevredigd, altijd weer sterker +prikkelen. In de eerste plaats veroorlooft de blouse effectvol te +woekeren met de pikante linnen- en kantwonderen, daaronder als in +hinderlaag opgesteld. Gelijk het retroussé in staat stelt de met +kant afgezette jupon, en van tijd tot tijd zelfs de dartele volants +van nog intiemer kleedingstuk hun werk te laten doen, evenzoo is +de blouse bestemd met de niet minder pikante ondertaille en verdere +chemiserieën te manoeuvreeren. + +De blouse is gedurende haar betrekkelijk kort maar glorierijk bestaan +al herhaaldelijk verbeterd en daardoor voor haar edel doel telkens +geschikter gemaakt. De laatste vinding is geweest haar laag uit +te snijden en de uitsnijding weer te vullen met à jour entredeux, +die alles lieten zien wat zij verborgen. Daarmee was met de blouse +alles bereikt, wat met haar te bereiken viel. De man kon op zijn +gemak alle voor hem zoo interessante en voor de vrouw zoo vleiende +waarnemingen ongehinderd doen. Het was als een naar alle regelen der +kunst opgemaakte etalage. En waar de draagster het van pas oordeelde +eenige toenadering te toonen, daar behoefde zij zich slechts ongezocht +een weinig voorover te buigen, om den begunstigde nog meer zekerheid +te verschaffen omtrent de hem interesseerende punten. En zulks kon +geschieden zonder iets te riskeeren, verdere tegemoetkoming was ook +bij den besten wil niet meer doenlijk, want deze blouses hadden en +hebben steeds rugsluiting. Dit is echter een voordeel te meer van deze +etalageblouse. De heerlijkheden, die de beschouwer te zien krijgt, +maken hem door hun onbereikbaarheid nog begeeriger en hongeriger en +wekken tenslotte ook den kooplust. + +De mode, die de vrouwenwereld tallooze diensten bewijst, is niettemin +de boosaardigste en wreedaardigste vijandin van de vrouw, gelijk wij +boven al hebben uiteengezet. Met haar voortoovering van schijnschoon +heeft zij in ontelbare gevallen wezenlijk schoon voor altijd +verwoest. Doch alle strijd tegen de mode is tot dusver nutteloos +en doelloos gebleken, en haar almacht over de vrouw is nog altijd +ongeschokt, zij is voor iederen strijder een onvatbare vijandin. Op één +punt verslagen, herrijst zij als een onsterfelijke fenix onmiddellijk +weer uit haar asch. Ook heden nog dient de kleeding in de allereerste +plaats erotische doeleinden. Elk vrouwenkleed is er op berekend om +den man er toe te brengen in gedachten de draagster te ontkleeden en +te genieten. Met haar kleeding wil de groote meerderheid der vrouwen +eenvoudig de begeerte der andere sexe wekken, bewust of onbewust +(maar meestal bewust), direct gevolg van de wet der passiviteit, +die haar een afwachtende houding heeft opgelegd, welke wet zij +tegelijkertijd naleeft en overtreedt. Het is pikant en streelend voor +de vrouwelijke eigenliefde, zich ten alle tijde door velen bewonderd +en in den geest genoten te weten, en dit genot verzekert haar alleen +de mode, die daarbij nog de kansen verhoogt op meer tastbare successen. + + + +De vrijheid om met de kleeding erotisch te manoeuvreeren is ten allen +tijde aangemerkt als een standsvoorrecht. In vroegere tijden werd aan +de vrouwen uit het volk eenvoudig verboden zich te kleeden, zooals +de vrouwen der hoogere standen. Er zijn tallooze verbodsbepalingen +uitgevaardigd, die aan "gewone" vrouwen het dragen van een of ander +erotisch zeer effectvol kleedingstuk ontzegden. Nimmer daarentegen +is ergens aan de vrouwen het dragen verboden van kleeding die haar +verleelijkten en ontsierden. Gelijk de economische machtsmiddelen +in het algemeen beschouwd werden als een uitsluitend voor de hoogere +standen bestemde gave der natuur, zoo zijn ten allen tijde de erotische +machtsmiddelen aangemerkt als het speciale voorrecht van de beter +gesitueerde vrouw. + +Met de komst der burgerlijke gelijkheid voor de wet was dit voorrecht +niet meer in stand te houden met wettelijke maatregelen. Maar het +streven om het te handhaven bestaat nog evenzeer als voorheen en +met andere middelen wordt het dan ook nog evenzeer gehandhaafd +als vroeger. Het voornaamste middel daartoe is de kostbaarheid der +materialen. Door deze op te voeren tot een zekere hoogte wordt een +groot deel der vrouwenwereld van het deelnemen aan den erotischen +kruistocht tegen de mannenwereld automatisch uitgesloten. Een tweede +middel is de snelle wisseling der mode. Door beide middelen vereenigd +beschikt de rijkste steeds over de verst-dragende en nieuwste wapens +in den sexueelen strijd. + +Een derde middel is nog de zorgvuldige beïnvloeding der kleedingzeden +in de richting van het standsvoorrecht. Bij het toepassen van dit +middel komt vooral ook de kerk te hulp. De toepassing van het middel +ligt opgesloten in de machtspreuk, dat het de meid niet past evenzoo +gekleed te gaan als mevrouw. In die formule uit zich niet in de eerste +plaats de vrees voor uitwissching der standsgrenzen, maar het bedreigde +voorrecht van in erotische kleeding den boventoon te voeren. Angst +voor geslachtelijk de mindere te zijn van de maatschappelijk mindere, +is er in aan het woord. + +In den jongsten tijd is b.v. het gedecolleteerde balkleed beschouwd +als de uitrusting, waarop uitsluitend de hoogere standen recht +hebben. Het zou de hevigste verontwaardiging wekken, als het +dienstmeisje gedecolleteerd naar bals zou gaan, terwijl men het heel +natuurlijk vindt dat zelfs jonge meisjes uit eigen kring zich in de +meest schaamtelooze drachten voor de mannen te pronk stellen. George +Hirth schrijft hieromtrent in zijn werk: _Wege zur Kunst_: "De kunst, +jonge meisjes in gedachten te ontkleeden en te genieten, leert men het +best op hof- of dergelijke bals, waarbij voor de vrouwen ontblooting +van een groot deel van het bovenlichaam obligatoir is. En het is +verbazend, hoe gauw jonge vrouwen der hoogste standen zich met deze +voor ons mannen zoo prikkelende tepronkstelling verzoenen. Niettemin +zouden diezelfde vrouwen met verachting den neus ophalen, als op bals +van het mindere volk de vrouwen een even diepen blik lieten slaan in +haar erotische verborgenheden." + +Dat bij de minder welgestelde klassen het decolleté en zoovele andere +erotische manoeuvres met de kleeding bijna niet voorkomen, heeft +natuurlijk een andere oorzaak, dan dat zij het uitsluitend recht +der bemiddelden op het toepassen van deze erotische kunstmiddelen +zouden erkennen. De ware oorzaak is, dat deze modes een zeer hoog +minimum van luxe in de kleeding vereischen, een luxe die verre boven +haar pecunaire draagkracht gaat. De mode is echter een industrie, en +als elke industrie streeft zij er voortdurend naar, haar afzetgebied +te vergrooten en uit te breiden. En weinige industrieën hebben het +zoozeer in haar macht, haar afzetgebied zoo oneindig en nog altijd +meer uit te breiden, als de mode. Zoo zij hare wonderproducten +slechts financieel binnen het bereik brengt der massa, dan is die +massa onmiddellijk bereid die producten te koopen. Veel heeft de +mode al in die richting gedaan. Met een variant op een stelling van +een vermaard philosoof kan men zeggen, dat met de goedkoopte van de +scheppingen der mode alle Chineesche muren van standsverschil, voor +het uiterlijk tenminste, zijn weggevallen. Sinds het meisje uit het +volk zich goedkoop naar de mode kan kleeden, is zij een even gedweëe +slavin dezer tiranieke heerscheres gebleken, als haar beter met +geldelijke middelen toegeruste sexegenooten. Haar offervaardigheid +jegens dezen afgod is zelfs nog grooter, want veelal moet zij zich +in diens dienst verder nagenoeg alles ontzeggen. Gewillig offert zij +hem haar eersten en laatsten stuiver. + + + +De kleeding als uiterlijk kenmerk der sexe is reeds vroeg een onderwerp +geweest, waarmee ook de wetgever zich inliet. En daarbij doet zich +het eigenaardig verschijnsel voor, dat de wetten zich meer inlieten +met den aard der kleeding, dan met het gekleed-zijn zelf. Blijkbaar +heeft zich maar hoogstzelden de noodzakelijkheid voorgedaan--en dan +nog slechts in enkele alleenstaande gevallen--dat een gemeenschap haar +leden de verplichting moest opleggen zich te kleeden. De voordeelen +der kleeding in sexueel zoowel als in ander opzicht, zijn ten allen +tijde zoo ten volle begrepen, dat alleen dwepers, krankzinnigen en +andere geestelijk-abnormalen de voorkeur hebben gegeven aan naakt +loopen. Anders schijnt het echter gesteld met de kleederdracht, die +voor de eigen sexe de algemeen gebruikelijke was. Ten alle tijde +schijnt het noodig te zijn geweest, den mannen te verbieden zich +te verkleeden als vrouw, en omgekeerd. Reeds Mozes vaardigde een +dusdanig verbod uit: Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw, +en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, +is den Heere uwen God een gruwel (Deut. 22: 5). + + + + + +IX. + +KUISCHHEID. + + +Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De +zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste +neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid +een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De +aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild +en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan +honger stillen en dorst lesschen. + +In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid, +zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander +beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar +met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden. + +Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten, +dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien +niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te +onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te +dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat +de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen. + +Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste +aller menschelijke hartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het +gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor +het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls +zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid +een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele +zeden. + +Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen +geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate +dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn +vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het +voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends +voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele +geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige +sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als +iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt +door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische +verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat, +de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke +past dan de huwelijksstaat--een maagdelijk priesterschap alleen mag de +geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover +gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar +opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde +aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in +tallooze andere ethische wereldbeschouwingen. + +Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele +leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel +zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie. + +Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer +bekend. De dochter van Zeus' zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij +een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven, door den +oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere +werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden +gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te +Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig +vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in +hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den +Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken +staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid +stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht +aan de vrijwillige sexueele onthouding. + +Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets +minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting +in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke +voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den +onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een +voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den +satan, enz. + +Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel +van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke +waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den +man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en +voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen +hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen +en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste +ook evenveel minder worden gevoeld--ook in de wereld der ideeën hangt +de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost. + +Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden, +gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke +zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de +vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds +in de leer van de erfzonde wordt de vrouw kortweg tot de bron van +alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de +wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer +luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De +kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij +geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen +tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging, +dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel. + +Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde +in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man, +willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen +tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn +onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat, +niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks +toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten, +waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zoo +ontstond de voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de +vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in +de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon, +welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert +tot hoogere zedelijke volkomenheid. + +In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom, +is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het +geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal +is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk +kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden +vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster +van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid +en schaamden zich. + +In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen +zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid +geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid. + +Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor +de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in +de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort, +dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn, +en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de +zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het +allereerst gedood worden. + +De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting +van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke, +om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk +hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het +eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm +bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige +stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der +moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel +verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit. + +De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd +tegen de zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie +juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht +onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde +natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste +natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen. + +Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal +der ascese mogelijk is. "Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende +religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke +zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met +den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs +impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer +sexueele geheelonthouding voorschrijft." Maar alvorens de zinnelijkheid +ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang +tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit +het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen +Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een +Gode welgevallig werk toescheen. + +Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu +en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang +in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van +zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te +onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke +waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij +echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te +bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel, +dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te +komen tot een daad. + +De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia, +die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar +eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween +spoedig geheel. + +Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij +een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de +levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer +bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het +hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het +gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt +beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot +op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke +minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid +vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid--het +zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid--zien als iets +minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee +eigenlijk onvereenigbaar is. + +Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de +Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken +geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere +sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo +ingrijpend en tevens zoo massaal opgetreden verschijnsel, voorzeker +een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden, +is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest +aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel +ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan +hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen. + +De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch +individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen +en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen +doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in +den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel +bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het +andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd. + +Al 's menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij +rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe +algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt, +met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een +dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch +toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven door verschillende +andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe +algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter +wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere +neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken. + +Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige +weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben +in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat +verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in +de beide voornaamste neigingen, die 's menschen handelingen regeeren, +worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der +zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat +daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke +oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud. + +Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen +ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar +emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners +krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde +omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor +den mensch sterker kunnen wezen dan de zinnelijkheid; en dat als +noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de +zinnelijkheid het onderspit delft. + +De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht, +waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die +zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen +slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in +de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei +beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het +middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme, +waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen +op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de +Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat +hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De +aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit +zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen, +want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom +onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische +stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen +communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde +reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd, +waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden +ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle +leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er +geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker +zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het +verzekerd stoffelijk bestaan dat 't gemeenschapsleven bood, moest +noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd. + +De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit +godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische +omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard +met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid +niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste +plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den +toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk +verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht +tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat +niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig +mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook +niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen, +die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept +behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden. + +Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook +duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate +de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om +in zijn tegendeel--van een factor van ontwikkeling werd het een rem +voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en +levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid +met zijn bederf te vergiftigen. Wijl namelijk deze communistische +vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in +vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon +worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte +noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te +vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds +machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over +den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig +geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te +leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven, +en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de +gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen +zijn gewoonlijk van tweeërlei aard--eenerzijds verfijning van het +leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap +en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige +doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden +kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden +gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de +beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters +in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere +beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen, +aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede +der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder +edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en +wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een +nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet. + +Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met +de geheele kerkelijke hierarchie. + +Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt +gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar +met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen +weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief +voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit +de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke +voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks +deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te +houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie +daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen +verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt +nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie +een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning, +moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein. + +Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid +der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed +en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste +straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der +zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men +zich over aan gelijkgeslachtelijke en onnatuurlijke zinnelijkheid. Te +bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen +van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs +verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders +bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want +al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de +oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men +steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle +partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat +reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid +betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat +de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en +zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar +heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat, +hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel +voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat +verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu +eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines +toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van +inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit +een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici +der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde +geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de +strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde, +en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde +en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het +meerendeel der priesters en monniken als volgt: "Schendt een priester +zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door +de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een +priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid +schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen +worden verbroken, wanneer de priester huwde." Hij maakte alleen dit +voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke +omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen +en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd +de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de +pecunaire belangen der kerk opgelost--den priester werd de ongehuwde +staat vergemakkelijkt en verlicht, en het vermogen der kerk bleef in +de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook +rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest +daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld. + +Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door +geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van +geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt +daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij, +die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van +kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar +zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn +en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik +tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije +keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en +elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk. + +Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste +geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze +bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan +te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen +regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen +teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere +afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt +zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke +bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht +en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus +en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden +vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de +gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters +de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde +genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets +kosten--men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen, +waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de +meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En +het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van +kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden. + +Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken +de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te +weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te +wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder groot kwaad was +dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is +de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde +te Straatsburg, uit het jaar 1261: "Aangezien een non, die door den +aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar +kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient +als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek", enz. + +De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot +ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de +andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen, +en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te +houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord +waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters +waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo +werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de +afschuwelijkste zedenverwildering. + +Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op +voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat +in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en +propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en +steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden, +waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst +moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen, +datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de +gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege +wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid. + +Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft +geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot +geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo +moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen, +dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen +zich poederden, en dat men Jezus Christus' lichaam prostitueerde aan +de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom +weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom--de eeuwige +eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen +ook in het Christendom voortleven. + +De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks +beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De +zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen +door de liefde. + + + + + + + + +End of the Project Gutenberg EBook of Sexueele Zeden in Woord en Beeld, by +D. Ph. Van Vloten Elderinck + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD *** + +***** This file should be named 23238-8.txt or 23238-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/2/3/2/3/23238/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
