summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/23238-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '23238-8.txt')
-rw-r--r--23238-8.txt6540
1 files changed, 6540 insertions, 0 deletions
diff --git a/23238-8.txt b/23238-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..2d6b764
--- /dev/null
+++ b/23238-8.txt
@@ -0,0 +1,6540 @@
+The Project Gutenberg EBook of Sexueele Zeden in Woord en Beeld, by
+D. Ph. Van Vloten Elderinck
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Sexueele Zeden in Woord en Beeld
+ Liefde en Zinnelijkheid
+
+Author: D. Ph. Van Vloten Elderinck
+
+Release Date: October 29, 2007 [EBook #23238]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD
+
+ Door
+
+ D. Ph. Van Vloten Elderinck.
+
+ Met 94 afbeeldingen in den tekst en 39 losse platen.
+
+
+
+ LIEFDE EN ZINNELIJKHEID.
+
+
+
+
+
+
+ Gebr. Graauw,
+
+ Amsterdam--Haarlem--Weltevreden N. O. I.
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+VOORWOORD.
+
+
+"De Sexueele Zeden in Woord en Beeld".... wij gevoelen het levendig,
+deze titel kan aanleiding geven tot misverstand aangaande den inhoud,
+althans omtrent den geest waarin het aangekondigde onderwerp is
+behandeld.
+
+Wat toch onze Nederlandsche literatuur bezit aan werken op het gebied
+van het sexueele leven, is voor een groot gedeelte openlijke of
+verkapte pornografie, en voor de rest dorre archiefstudie of resultaat
+van natuur-wetenschappelijk onderzoek.
+
+Dit werk evenwel is noch het een, noch het ander.
+
+Het werk is gehouden op de hoogte van zijn grootsch en schoon
+onderwerp--wat met de waardigheid van dat onderwerp in strijd is te
+achten en wat gezonde fatsoensbegrippen aanstoot zou kunnen geven is
+op dezen onderzoekingstocht in het wonderland der sexueele zeden als
+minderwaardig en onbelangrijk voorbijgegaan. Een vluchtig doorbladeren
+van dit deel zal ook degenen, die ten deze de hoogste eischen stellen,
+met één oogopslag moeten overtuigen dat het qui s'excuse s'accuse
+hier niet van toepassing is.
+
+Aan den anderen kant is de inhoud gedeeltelijk wel geput uit bronnen
+als archieven en dergelijke; en ook de resultaten der physiologische
+wetenschappen, voor zoover bruikbaar voor het gestelde doel, zijn er
+in verwerkt; maar steeds is naar literair-smakelijke vormen gezocht
+om er de gevonden schatten in op te dragen.
+
+Het gebied, dat in dit werk wordt betreden, is onuitputtelijk rijk
+en veelzijdig--in het sexueele leven leeft de mensch zich uit
+in zijn vurigste instincten, die den een--individuën zoowel als
+gemeenschappen--opheffen naar de hoogste bergtoppen van zedelijke
+volmaking, den ander daarentegen heenvoeren naar de diepste afgronden
+van menschelijke ontaarding. In die bonte veelheid van feiten en
+verschijnselen is steeds gezocht naar het typische en het interessante,
+maar vooral ook naar het wezenlijke. Zoo moest dit werk, dat een zoo
+belangwekkend stuk beschavingsgeschiedenis der menschheid behandelt,
+in velerlei opzicht worden tot een eersteling in onze nationale
+literatuur.
+
+Dit wat het Woord betreft. Een enkele opmerking nog over het
+Beeld. Daaraan is--een vluchtig doorbladeren van dit eerste deel kan
+het alweer getuigen--evenveel zorg besteed, als aan den literairen
+inhoud. Zoo gaat het feitenmateriaal, in dit werk opgehoopt, als van
+regel tot regel aanvullend en toelichtend vergezeld van het schoone
+van wat de Kunst--die ideëele spiegel der werkelijkheid--op het gebied
+van ons onderwerp heeft voortgebracht.
+
+Dit is in hoofdtrekken het program, waarnaar dit werk met veelzijdige
+hulp--waarvoor hier nogmaals zij dank gezegd--is opgebouwd. Moge het
+een trouwe en eerlijke weerspiegeling worden bevonden van de grootsche
+werkelijkheid, die het zoekt weer te geven.
+
+
+Amsterdam. De Schrijver.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Hoofdstuk I Liefde
+Hoofdstuk II Zinnelijkheid
+Hoofdstuk III Mannelijke en Vrouwelijke Zinnelijkheid
+Hoofdstuk IV Schoonheids-Idealen
+Hoofdstuk V Schaamte
+Hoofdstuk VI De Toenadering der Sexen
+Hoofdstuk VII De Rol der Zintuigen in het Liefdeleven
+Hoofdstuk VIII De Kleeding als Bondgenoote der Zinnelijkheid
+Hoofdstuk IX Kuischheid
+
+
+
+
+
+
+I.
+
+LIEFDE.
+
+
+ Erregt an des Lenzes Erwarmung,
+ Indes du die Welten umfliegst,
+ Ruht Alles in deiner Umarmung:
+ O heilige Liebe, du siegst!
+
+ Graaf Platen.
+
+
+Het eerste en het laatste woord in het leven der sexen is
+Liefde. Wat is Liefde?--Dichterzielen en romantische naturen kennen
+een bovenzinnelijke drift, een etherischen hartstocht, die de sexen
+tot elkander voert, maar die niets sexueels heeft, die integendeel
+rein is en onstoffelijk, en de ziel in een stemming brengt, dat zij
+elke gedachte aan iets sexueels als ontwijdende heiligschennis met
+afschuw van zich stoot.
+
+Dezen hartstocht der onbevlekte reinheid noemen zij Liefde. En ten
+allen tijde hebben dichters en romantische geesten, tot op Tolstoi en
+Ellen Key in onze dagen, dezen hartstocht bezongen en in de stoutste
+beeldspraak hem extase-dronken verheerlijkt. Vele der schoonste en
+verhevenste gedachten die uit menschenbrein zijn ontsprongen, gelden
+dit zoo vurig vereerde heilige der heiligen van het gevoelsleven.
+
+Wat liefde in dezen zin is onttrekt zich aan elke definitie. De
+Liefde is het mysterie der aardsche twee-eenheid; zij is een raadsel,
+samengesteld uit waarheden.
+
+Het behoeft nauwelijks gezegd, dat deze liefde niet alleen vereerders
+heeft. Zoo zijn er ten allen tijde zulken geweest, die haar bestaan
+eenvoudig ontkenden en haar ontnuchterend terugbrachten tot een
+der middelen waardoor de natuur den geslachtelijk rijpenden mensch
+voorbereidt tot de functie der voortplanting. Tusschen beide uitersten
+bestaan honderden uiteenloopende meeningen omtrent deze sfinx onder
+de menschelijke neigingen.
+
+Eenig begrip van het wezen der liefde zooals dichters zich haar droomen
+kan men zich bij benadering vormen uit de voorstellingen die zij er
+van geven. Al die voorstellingen dragen uitermate het kenmerk van
+het poëtisch verhevene en van het nevelig onbestemde. Definities, die
+nuchteren geesten zouden kunnen bevredigen, geven zij van de liefde
+niet. Zij spreken van haar slechts in beeldspraak. En de stoutste
+vergelijkingen blijven naar hun gevoelen altijd nog ver beneden de
+werkelijke heerlijkheid van dezen wonderen hartstocht.
+
+Liefde, in dezen verheven zin, is een nimmer-eindigend hooglied,
+waarvan elk woord klinkt als het ontroerend snikken eener fel-bewogen
+ziel.
+
+Beminnen met deze liefde der dichters is het eenige, zegt Victor Hugo,
+wat de eeuwigheid kan vullen. Het oneindige behoeft het onuitputtelijke
+en dat onuitputtelijke is de liefde. Liefde, die zoo lief heeft,
+zet het heelal in vuurgloed--men voelt haar branden in het merg van
+het gebeente en men ziet haar gloeien in de diepten der hemelen.
+
+Liefde is het eenig noodige. Het overige is maar het overige.
+
+Verheven liefde is lichtend als het morgenrood en stil als het
+graf. Voor twee wezens, die elkander beminnen met de ware liefde,
+is samen te zwijgen grooter geluk nog dan samen te spreken, en bij
+dat spreken klinkt ieder woord als door de sterren gezongen.
+
+Liefde, zegt La Bruyère, ontstaat plotseling, zonder medewerking van
+den overleggenden wil, uit temperament of uit zwakheid.
+
+De Liefde, klaagt George Sand, is een vrijwillige slavernij, waarnaar
+vooral de vrouwelijke aard met kwijnend verlangen snakt en haakt.
+
+"Maar een damp was opgegaan uit de aarde," citeert Rosegger (in:
+_Mann und Weib_), "en bevochtigde den ganschen aardbodem. En Jehovah
+formeerde den mensch uit het stof der aarde, en in zijne neusgaten
+blies hij den adem des levens. En Jehovah sprak: Het is niet goed, dat
+de mensch alleen zij; ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem
+over zij. Toen deed Jehovah een diepen slaap op den mensch vallen;
+en hij nam ééne van zijne ribben, en sloot derzelver plaats toe
+met vleesch. En deze ribbe bouwde Jehovah tot eene vrouw, en hij
+bracht haar tot den mensch. Toen zeide de mensch: Deze is ditmaal
+been van mijne beenen en vleesch van mijn vleesch. Men zal haar
+manninne heeten." Dit is de eerste liefdesgeschiedenis. Sindsdien
+hebben alle menschen liefdesgeschiedenissen geleefd, alle dichters
+liefdesgeschiedenissen geschreven, en alle gevoelige harten met graagte
+liefdesgeschiedenissen vernomen. En gedurende de duizenden jaren,
+dat de menschheid bestaat, is de liefde gelijk gebleven, evenals de
+roos aan de doornstruik in de wildernis nog altijd dezelfde is. Hoe
+zeloten zich ook hebben beijverd de liefde in grove boetekleederen te
+verstikken, ze te verbannen naar de hel; hoe ook de samenleving gepoogd
+heeft het allerhoogste en allerschoonste te fatsoeneeren en in vormen
+te wringen--de liefde is zichzelven gelijk gebleven, als de gloed van
+het vuur, dat men wel kan blusschen maar niet verkoelen. Waar de liefde
+heerscht, daar vallen alle hindernissen weg, daar scheuren alle hulsels
+der beschaving, en het laatste is wat het eerste was: Adam en Eva.
+
+De liefde is sterker dan de dood, zoo jubelt het Hooglied van Salomo
+in zijn "praallooze pracht van Oostersche dichting, beschenen door
+de bleeke verte des verledens". Hare kolen zijn vurige kolen, vlammen
+van Jehovah. Vele wateren zouden de liefde niet kunnen blusschen, ja
+de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van
+zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten. Kom
+haastelijk, mijn liefste! en wees gij gelijk eene ree, of gelijk een
+welp der herten op de bergen der specerijen.
+
+Naast dit voorbeeld der vurige liefdeslyriek van het oude Oosten
+stellen wij er een uit het oude Noorden, dat in gansch anderen toon
+op nog grootscher wijze de liefde verheerlijkt. Wij ontleenen het
+aan de inaugurale rede van Prof. Frantzen te Utrecht: _Over den
+ontwikkelingsgang der erotische lyriek bij de Germaansche volken_
+(1908). Een der Edda-liederen bezingt de liefdesgeschiedenis van
+Helgi en de valkyrja Sigrún, dochter van Hogni. Als Sigrún verneemt,
+dat haar vader haar tegen haar zin heeft verloofd met een anderen
+vorst, gaat zij met haar gezellinnen naar Helgi, dien zij ontmoet
+te midden van een veldslag. Bij het vernemen van wat haar tot hem
+voert trouwt hij haar, zeilt met zijn vloot naar het land van zijn
+mededinger en overwint deze; alleen Sigrún's broeder Dagr ontkomt
+den dood en zweert Helgi trouw. De twee gelieven zijn nu vereenigd,
+maar Dagr neemt kort daarop wraak en doodt Helgi, waarop Sigrún haar
+broeder vervloekt en haar dooden geliefde prijst. Zij laat voor hem
+een grafheuvel aanleggen en op dien heuvel verschijnt op een avond
+te paard Helgi met een aantal gezellen. Hij wordt het eerst gezien
+door een van Sigrún's dienstmaagden, die den verrezene ziende zegt:
+Is het bedrog wat ik meen te aanschouwen, of het einde der wereld? dat
+de dooden rijden, dat gij uw rossen met de sporen prikkelt; of is den
+helden terugkeer geschonken?--Helgi antwoordt: Het is geen bedrog,
+wat gij meent te aanschouwen, noch het einde der dagen, ofschoon gij
+ons ziet en schoon we onze rossen met de sporen prikkelen, en ook is
+ons helden geen terugkeer geschonken.--Daarop gaat de dienstmaagd
+naar huis en boodschapt wat zij gezien heeft haar meesteres aldus:
+Ga uit, Sigrún van Sevafjoll, als gij den legervorst nu wilt vinden;
+ontsloten is de heuvel, Helgi is gekomen; zijn wonden bloeden; en hij
+de koning bad u dat ge de bloeddroppels mocht komen stelpen.--Sigrún
+gaat onmiddellijk en begroet Helgi vol vreugde: Eerst wil ik u kussen,
+mijn gedooden koning, eer gij uw bloedig harnas afwerpt; uw haar,
+Helgi, is met rijp bedekt, uw lichaam besproeid met den dauw van de
+lijken; ijskoud zijn de handen van Hogni's schoonzoon, hoe zal ik,
+o koning, u kunnen helpen?--Helgi antwoordt: Uw schuld is 't, Sigrún
+van Sevafjoll, dat Helgi's lichaam met lijkendauw besproeid is:
+bittere tranen toch schreit gij iederen avond, en elke traan valt
+bloedig dezen held op de borst, ijskoud, klam en vol smarten. Laat
+ons nu drinken kostlijke wijnen, al moeten wij missen leven en landen;
+voor mij mag niemand klaagliederen zingen, al ziet men mijn borst vol
+bloedende wonden, want nu zijn de vrouwen in het graf opgenomen; der
+mannen geliefden zijn bij ons, de dooden.--Sigrún spreidt terstond in
+den heuvel een leger en zegt dan: Ik heb u, Helgi, een leger bereid,
+rustig en vreedzaam, zoon der Ylfingen! Ik wil hier in uw armen slapen,
+o koning, zooals ik in het leven bij u placht te rusten.--In den morgen
+rijdt Helgi, vóór het kraaien der hanen met de zijnen weer heen en
+komt niet weer terug, waarop Sigrún van heimwee spoedig sterft. Deze
+spookachtige winternachtsdroom: de ontmoeting in een grafheuvel van den
+dooden held, klam van bloed, met ijskoude handen en wit bevroren haren,
+en de trouwe geliefde, die hem aan haar hart koestert en verwarmt; die
+mengeling van de hoogste zaligheid der liefde met de kille huivering
+van den dood, ontroerend door zijn schier huiveringwekkende schoonheid
+en aangrijpend door zijn realistische kracht, schittert te midden
+der oude Eddaliederen als een heerlijk gedenkstuk van de verheven
+majesteit der oud-Noorsche liefdes-idealen.
+
+Strenge eischen van bovenzinnelijke reinheid werden door sommige
+middeleeuwsche minnehoven (waarover later nader) aan de liefde
+gesteld. Zoo vaardigde het minnehof van koningin Eleonora de
+volgende decreten uit: De liefde kan der liefde niets weigeren. Een
+minnaar, die verandert, verandert niet--hij heeft slechts geveinsd
+te beminnen. Alleen de deugd maakt der liefde waardig. Niemand kan
+tweemaal beminnen. Beminnen kan niet, wie beheerscht wordt door
+wellust.
+
+Geheel het romantische ridderwezen werd trouwens beheerscht, in
+theorie tenminste, door zulke hooge opvattingen aangaande de liefde. De
+minnehoven, die een ware revolutie teweegbrachten in de begrippen van
+dien tijd betreffende het huwelijk, vaardigden een wetboek uit van ware
+liefde. Daarin werd verklaard, dat liefde en huwelijk onvereenigbaar
+zijn. "De vrome sluiers," zegt Mevr. v.d. Wissel-Herderscheê in
+haar vertaling van Hudry-Menos' _Leven en streven der vrouw_, "die
+het Christendom met afgewend gelaat over de sexueele gemeenschap
+geworpen had, werden verscheurd en de behoefte aan een inniger,
+dieper vereeniging dan die van het huwelijk brak zich baan. Het
+samengaan van de verbintenis der zielen met die der lichamen werd
+voor onmogelijk gehouden; men liet ze naast elkander bestaan,
+met verschillende personen als object: eenerzijds den vriend of de
+vriendin, anderzijds den echtgenoot of de vrouw. Zoo had een vrouw
+een reëelen man en een ideëelen echtgenoot."
+
+De literaturen aller volken wemelen van gloeiende lofzangen der liefde,
+in alle talen hebben de literaire genieën en alle verheven geesten zich
+uitgeput haar te bezingen. "De liefde," verklaart Madame de Staël,
+"verleent ieder uur zooveel zoetheid, vult elke minuut met zooveel
+heerlijkheid, dat zij, ook met de onzekerste toekomst voor oogen, in
+den roes van het oogenblik alles doet vergeten. In haar is een dag
+gelijk aan een eeuw van geluk of van lijden, zoo vol is die enkele
+dag van gedachten en gevoelens. O waarlijk, slechts door de liefde
+leeren wij de eeuwigheid verstaan! Zij heft alle tijdsbepalingen op,
+evenals elk begrip van begin of van einde; men gelooft het voorwerp
+der liefde reeds zoolang men leeft te hebben bemind, want hoe zou
+men zonder hetzelve hebben kunnen leven? En hoe schrikkelijker de
+scheiding zou zijn, des te onwaarschijnlijker komt zij ons voor."
+
+Twee wezens, die elkander beminnen, oordeelt Marie Bashkirtseff
+(in: _Journal II_) hebben de illusie van een volmaakt en heerlijk
+al; daarin, geloof ik, ligt de groote aantrekkingskracht van de
+liefde. Bij bloedverwanten, bij vrienden, in de maatschappij,
+overal ontmoet men onzuivere bedoelingen: hier is het de begeerte,
+daar afgunst, gemeenheid, onrecht, valschheid; zelfs de beste vriend
+heeft zijn verborgen berekeningen en, zooals Maupassant zegt, de
+mensch is altijd alleen, daar het hem onmogelijk is in de geheime
+gedachten ook van den besten vriend door te dringen. Maar de liefde
+volbrengt het wonder der zielengemeenschap. Men geeft zich over aan
+illusies, wat beteekent dat? Wat men gelooft dat wezenlijk bestaat,
+dat bestaat ook wezenlijk. De liefde schept een schijnbare wereld,
+die is, zooals de werkelijke wereld moest zijn.
+
+"Jij alleen kunt mij ellendig maken, jij alleen mijn hart verheugen en
+mij troosten", zoo luidt een der bekentenissen der liefde (Heloïse in
+een harer brieven aan Abelardus). "En jij alleen hebt den plicht dat
+dan ook te doen; want ik heb mij steeds zoo blindelings overgegeven
+aan je wil, dat ik op een wenk van jou mijzelven zou hebben vernietigd,
+want je verdriet te doen, waarmee dan ook, zou mij onmogelijk zijn."
+
+De liefde, de opperste gebiedster in het hart van de vrouw, doet
+nooit afstand van haar heerschappij, zegt Legouvé (_La femme au
+XIXme_ siècle). Zij kan met de jaren veranderen, maar nooit dooft
+zij geheel uit. Van haar dertigste tot haar veertigste jaar maakt de
+liefde der vrouw een nieuwe trap van ontwikkeling door, zij heeft dan
+ondervinding, maar gelooft niettemin nog aan liefde; zij handelt echter
+niet meer zoo zonder overleg, berekent meer, wat alleen zeggen wil,
+dat zij zich niet meer zoo licht vergist; zij is omzichtiger geworden,
+haar liefde, minder onstuimig, is teederder.
+
+Men verwijt de vrouwen vaak, dat zij het naderen van den ouderdom
+vreezen; deze vrees ontspringt uit de wetenschap, dat zij dan alle hoop
+moeten laten varen nog bemind te worden; vandaar haar ontsteltenis bij
+het verschijnen der eerste grijze haren en der eerste rimpels. Alle
+vrouwen zijn ontvankelijk voor deze vrees, ofschoon velen er zich
+geen rekenschap van geven.
+
+Zelfs in haar ouderdom kan de vrouw zich niet aan den invloed der
+liefde onttrekken. Zij wordt hetzij een oude coquette, die glimlachend
+voor haar spiegel staat en haar rimpels angstvallig verbergt, om
+zich voor te bereiden op een proef van de macht harer verschrompelde
+bekoorlijkheid; hetzij een vriendelijke huismoeder, die met nieuwe
+toewijding alle teederheid haars harten op haar gezin overbrengt;
+hetzij een statige matrone, die het goede doet dat haar hand vindt
+om te doen, kalm glimlachend over de illusies der jeugd. Neen, de
+liefde sterft nooit in het hart van de vrouwen; de ouderdom is voor
+haar droevig of gelukkig, al naar de herinneringen, die in haar ziel
+leven, treurig of liefelijk zijn.
+
+Door gebrek aan liefde te sterven--zingt in zijn heroïeke taal Victor
+Hugo--is schrikkelijk. Het is de verstikkingsdood van de ziel. Men
+aanschouwt een ster om twee redenen: omdat zij licht geeft en omdat
+zij ondoorgrondelijk is; de liefde is een lieflijker licht en een
+grooter verborgenheid. Uren van liefde zijn uren die zich hebben
+losgemaakt van het leven der engelen en tot menschelijke wezens zijn
+nedergedaald. De liefde is een deel van de ziel en evenals deze een
+goddelijke vonk, onverderfelijk, ondeelbaar, onvergankelijk. De liefde
+is een onsterfelijke vuursprank in ons, die niets kan dooven. De
+gelieven, die gescheiden zijn, vullen de afwezigheid met duizend
+hersenschimmen, die allen werkelijkheden zijn. Laat men hen beletten
+elkander te zien, of elkander te schrijven--zij zullen een menigte
+geheime middelen vinden om met elkander in gemeenschap te blijven. Zij
+zenden elkander het gezang van de vogelen, den geur van de bloemen,
+het licht van de zon, de zuchten van den wind, den lichtglans der
+sterren, al wat er heerlijks is in de schepping. De liefde is machtig
+genoeg om de gansche natuur met hare boodschappen te belasten.
+
+De liefde kent oogenblikken, waarin de ziel knielt, in welke houding
+het lichaam ook zij. Zoodra de liefde twee wezens tot een hemelsche
+eenheid heeft samengesmolten, is door beiden het geheim des levens
+gevonden; zij zijn dan slechts de twee elementen van het goddelijk
+mysterie eener heilige twee-eenheid.
+
+De ware liefde is microcosmos en macrocosmos tegelijk--zij is
+troosteloos of verrukt over een gevonden handschoen, en zij behoeft
+een eeuwigheid voor haar hoop en haar trouw. Zij omvat tegelijkertijd
+het oneindig kleine en het oneindig groote.
+
+Van liefde sterven is ervan leven, dus gij die lijdt door de liefde,
+bemin nog meer. Naast elkander in het graf liggen en van tijd tot tijd
+elkander in de duisternis de hand streelen, zou voor de eeuwigheid
+voldoende zijn.
+
+Hoe grootsch is het, bemind te worden! Maar grootscher is het te
+beminnen. Liefde vervult het hart met heldenmoed. Het bestaat dan
+louter uit reinheid, het haakt naar niets dan wat groot en verheven
+is. Een lage gedachte kan er evenmin in ontkiemen als een distel
+in een ijskristal. De minnende ziel bewoont het blauw des hemels en
+voelt de diepe onderaardsche schokken van het lot minder nog dan de
+toppen der bergen aardbevingen voelen. Als er niemand was die beminde,
+zou de zon uitdooven. Liefde is inademing van paradijslucht.--
+
+Het zijn niet alleen de dichterzielen die in extase zoo de liefde
+bezingen. In gelijksoortige formules vinden wij haar verheerlijkt door
+denkers, geleerden, natuurkundigen, door allen die geestelijk hoog
+staan. De hooggestemde verstandsmensch ziet in de liefde evenveel
+schoonheid als de fijn besnaarde gevoelsmensch, en hun geestdrift
+stijgt tot dezelfde in het blauw zich verliezende hoogten. Doen
+wij slechts een greep in de aphorismen op de liefde in Mantegazza's
+_Physiologie der Liefde_.
+
+Een der vele wonderen der liefde is, dat zij onbluschbaar is en door
+geven niet afneemt maar aangroeit. De liefde is een onleschbare dorst,
+een oceaan, dien niemand zou kunnen ledigen, want als de gloed der
+zon er een golf van doet opgaan in damp, voeren honderd stroomen
+duizend nieuwe golven aan.
+
+De liefde tot rede te willen brengen is hopeloozer taak dan het
+kwadraat van den cirkel te willen vinden.
+
+De Olympus der liefde telt meer helden en martelaren dan eenig
+Pantheon ter wereld en biedt meer heerlijkheden dan de paradijzen
+aller godsdiensten tezamen.
+
+Ieder vindt juist zooveel liefde als hij verdient. Het lijden des
+harten te verzachten met den balsem der liefde is een der kuren,
+waarbij moeilijk valt te zeggen wie het meest te benijden is, de
+zieke of de arts.
+
+De natuur heeft den man polygaam geschapen; het is de hooge roeping
+der vrouw hem monogaam te maken.
+
+Wanneer een beleediging de liefde kan dooden, is dat een bewijs dat
+de eigenliefde sterker was dan de liefde.
+
+Er is geen honger, dien het brood niet verzadigen kan, geen dorst,
+dien put of kelder niet in staat is te lesschen, en geen smaak,
+dien de kookkunst niet bij machte zou zijn te bevredigen. De liefde
+echter hongert en dorst zelfs bij een leven van liefde en wij sterven
+allen met een nog ongebruikt kapitaal van hartstocht, dat wij wellicht
+nalaten aan onze kinderen.
+
+Voor menschen, mannen zoowel als vrouwen, die elkander teeder en
+innig liefhebben, hebben tijdelijke scheidingen versterkende en
+bederfwerende kracht. Maar ook alleen voor gevoelige en zuivere
+zielen. Voor mannen, die men met kunstgrepen verovert en voor vrouwen
+die voor geld verkrijgbaar zijn geldt slechts het spreekwoord: Uit
+het oog, uit het hart.
+
+Voor de liefde bestaat er geen bezoedeling, geen vernedering en geen
+schande. Zij is een zoo machtig licht, dat zij alles in hemelschen
+luister doet stralen, zulk een warmtebron, dat zij alle ijs doet
+smelten, en zulk een zoetheid, dat zij alle bitterheid wegneemt.
+
+Tenslotte bepalen noch de kuischheid, noch de deugd, noch de
+fatsoensbegrippen, noch de eischen der moraal de grenzen van het
+betamelijke en gepaste tusschen man en vrouw, maar die grenzen worden
+met vaste en zekere hand gesteld door de liefde.
+
+Liefde is met geld niet te koopen. Liefde geeft zich om niet, kan
+niet gekocht worden. Wat men voor geld krijgt als liefde, is niets
+dan een nietswaardig, mislukt surrogaat.
+
+Niets verlangen en alles erlangen is het heerlijke geheim der verheven
+liefde.
+
+Alles zien met de oogen gesloten, niets zien met de oogen geopend,
+dat is een der dagelijksche wonderen der liefde.
+
+Een uur beminnen is gelijk aan de liefde der dieren, een dag liefhebben
+is algemeen menschelijk, het gansche leven liefhebben is hemelsch,
+het gansche leven een enkel wezen liefhebben is goddelijk.
+
+
+
+Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig
+aangeduid als _Platonische liefde_. Inderdaad vindt men in de dialogen
+van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof
+van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde,
+speciaal in den dialoog die den titel draagt _Het Gastmaal_. Op een
+feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een
+dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten
+om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus,
+Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het
+woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar
+zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes
+bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone
+opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken
+lust. Tenslotte neemt Socrates, Plato's leermeester, het woord; deze
+prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijke
+wijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd,
+als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk
+stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den
+even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid
+kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het
+hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner
+phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden,
+rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.
+
+De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer
+kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het
+onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde
+bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe
+grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer
+hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld;
+zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij
+voornamelijk bij de vrouw.
+
+Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der
+liefde zoo doorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn
+ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons
+geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw,
+waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste
+openbaringen,--Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde,
+Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij
+ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn
+zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. "Andere
+dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen
+nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens
+elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn
+machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs
+in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen
+en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in
+zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen." Shakespeare geeft
+in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen:
+de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de
+woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.
+
+Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van
+minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook
+vloekzangen op de liefde.
+
+De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de
+meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en
+ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid,
+deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst
+aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar
+het toeval dat wil.
+
+Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een
+der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon
+bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid
+der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo,
+in het bijzonder tot liefde der vrouw, dat zij grootmoedig is en
+edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde
+den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der
+vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt
+ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak
+slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge
+het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De
+liefde kent geen middenweg--zij verderft of zij redt. In dit dilemma
+ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is,
+dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde
+het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.
+
+In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een
+verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan;
+vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek
+van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.
+
+Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen,
+is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk,
+gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag
+het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat
+in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.
+
+De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde,
+en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel
+van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het
+product de door de natuur gewilde liefde.
+
+
+
+
+
+II.
+
+ZINNELIJKHEID.
+
+
+Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot
+elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te
+stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein,
+dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde
+het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste
+het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast
+deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die
+hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als
+twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte,
+in elk geval geheel verschillende grootheden.
+
+Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden
+wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen
+wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de
+twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen
+mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij
+niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets
+dan leelijks, inferieurs en schandelijks.
+
+Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire
+overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de
+voorstelling veler menschen leven. De vraag, wat liefde is en wat
+zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de
+liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de
+zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt
+en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden
+omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een
+zeer ingrijpenden invloed.
+
+In werkelijkheid vloeien beide factoren--indien men aan het denkbeeld
+van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden--zoo onontwarbaar
+ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een
+bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast,
+dat rekenkundig uitgedrukt elke liefde _altijd_ een zeker percentage
+bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheid
+_veelal_ een grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En
+vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren,
+dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in
+laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van
+het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het
+door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in
+dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid
+die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.
+
+De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn,
+dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid,
+en dat zinnelijkheid steeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate
+waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde
+uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele
+eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even
+onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate
+aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder-
+en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche
+spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol
+doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den
+noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke
+krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen
+harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde
+doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van
+beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.
+
+Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de
+natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan
+toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch
+het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze
+reproductie, waarvan het voortbestaan van het menschdom afhangt,
+vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende
+sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld,
+maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.
+
+En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn,
+ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer
+kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en
+hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn
+pijlbundel zwaait.
+
+Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven,
+waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide
+onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur
+gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.
+
+"Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen,
+zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid in _Man
+en Vrouw_), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der
+menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot
+aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige
+organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan
+al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige
+wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende
+soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen
+worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des
+te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet
+op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen,
+met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de
+bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander
+vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts
+de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en
+tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog
+de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een
+belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het
+spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw;
+deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze
+aan elkander--bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde."--
+
+De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het
+doel van de liefde.
+
+Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft,
+ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de
+mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken
+tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe
+dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende
+geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen,
+van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid
+van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan
+van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met
+prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden
+verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen, de gedempte
+liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen
+zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid
+der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen
+der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der
+eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken
+in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen
+zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien
+zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met
+de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.
+
+Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de
+algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van
+liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend
+voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het
+zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het
+veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare
+paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging
+hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje,
+huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn
+het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen
+aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het
+minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere
+plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen,
+schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder
+blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen
+zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang--de gansche
+natuur is één algemeene levenverwekking.
+
+De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter
+en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten
+en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging
+van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding
+der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot
+de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de
+verrichtingen der dierlijkheid--zij dekt het laagste met het hoogste.
+
+Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar
+het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de
+schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw
+elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen
+van het woelige leven.
+
+Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als
+levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid,
+uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende
+mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje,
+minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is
+hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende
+geslachten--zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel,
+maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij
+het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is
+in den mensch.
+
+Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar,
+doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een
+karikatuur van de liefde.
+
+Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd
+te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke
+liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide
+geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de
+man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der
+vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna
+onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die
+van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat
+als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid
+van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de
+man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm
+van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten
+verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate,
+gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.
+
+Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt
+mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer
+neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. "In
+tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen
+vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge
+meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op
+de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust
+te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote
+hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog
+sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen
+des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen
+geheel weg uit haar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de
+liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt."
+
+Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten
+op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke
+bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn
+zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling
+van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af
+een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man
+overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid
+hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt als het
+hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, "niets dan
+een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven,
+dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon
+zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van
+welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu
+hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct
+dat hier werkt."
+
+
+
+De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst
+doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de
+menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat
+eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking
+tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen
+erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de
+geslachtelijke aantrekking doet gelden--afgezien dan van betrekkingen
+tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer
+ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde,
+waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde
+zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor
+korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde
+van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die
+phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare
+neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het
+leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke
+liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil
+bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving--zinnelijkheid is
+daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.
+
+In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch
+voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het
+blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen
+zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele
+terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid
+doorgaat.
+
+In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft
+voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt
+gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.
+
+Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht
+niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het
+vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid
+met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken
+zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt
+dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen,
+die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies
+der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn
+dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde
+zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men
+geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijze te kennen
+waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat
+de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt
+zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt
+in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen
+van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van
+de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later,
+haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt--zelfs
+de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk
+lokmiddel harer zinnelijkheid.
+
+Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er
+geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt,
+daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min
+of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het
+in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman
+R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan
+te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen
+god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz.,
+beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen
+is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie,
+die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er
+aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het
+verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold,
+aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs
+den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was,
+om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren
+van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing
+komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen
+en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid,
+herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te
+smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten
+phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal,
+dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te
+vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.
+
+Dit geval staat trouwens allerminst op zichzelf. In vele kerken en
+kapellen der katholieke wereld vindt men sporen van gelijksoortige
+zeden. Ook na het uitsterven van den officieelen heidenschen
+phallusdienst is de phallus in de vrouwelijke phantasie blijven
+voortspoken. Nog moet er tusschen Brussel en Mons een kapel bestaan,
+waarbinnen een heiligenbeeld met zeer forschen phallus vereerd wordt
+door onvruchtbare vrouwen, die daarheen bedevaarten doen om van hare
+steriliteit te worden genezen. Bij Nivelles moet een aan Petrus gewijde
+kapel zijn, waar bedevaartgangsters heentrekken om haar echt gezegend
+te zien.
+
+De beschaving, voor zoover zij zich inlaat met het sexueele leven,
+heeft de zinnelijkheid niet verminderd; zij heeft ze alleen leeren
+verbergen, ze heeft den weg naar het einddoel verlengd en daarop
+tallooze hindernissen en belemmeringen geplaatst, maar zij heeft de
+zinnelijkheid niet verzwakt en minder nog uitgeroeid. De schaal der
+zinnelijkheid is bij den primitieven, onbeschaafden mensch eendeelig en
+zijn erotisch program bevat niets dan het directe geslachtsgenot. Bij
+den beschaafden mensch is die schaal daarentegen verdeeld in tallooze
+graden, doch zij is daardoor alleen gecompliceerder en delicater
+geworden.
+
+Terwijl de poëzie en in het algemeen de literaire kunst gaarne
+en bij voorkeur passielooze liefde verheerlijkt, idealiseeren
+de beeldende kunsten bij voorkeur de zinnelijkheid. Het wezen
+dezer kunsten is zinnelijkheid, zij zijn zichtbaar geworden
+zinnelijkheid. Tusschen kunst en zinnelijkheid bestaat een
+onverbrekelijk verband--zinnelijkheid is de scheppende natuurdrift
+die leven uit leven voortbrengt; kunst stelt die levenwekkende drift
+zichtbaar voor oogen in haar hoogsten en edelsten vorm.
+
+Ook in de zinnelijkheid der kunst weerspiegelt zich het verschil,
+dat in het liefdeleven de beide sexen spelen. De rol der vrouw in het
+liefdeleven is passief, ontvangend en verder-ontwikkelend; die van den
+man actief, verwekkend en scheppend. Evenzoo is het in de kunst. De
+scheppende artistieke kracht van de vrouw is, in vergelijking met
+die van den man uiterst gering. Niet ten onrechte wordt dit voor
+een deel gesteld op rekening harer voor scheppende werkzaamheid
+zooveel ongunstiger omstandigheden en haar mindere vrijheid. Maar
+de eenige reden kan dit niet zijn. Er zijn volken, het Engelsche
+bijvoorbeeld, waar de vrouwen, der hoogere standen tenminste, sinds
+vele eeuwen ongeveer dezelfde maatschappelijke vrijheden genieten
+als de mannen. En niettemin heeft ook het Engelsche volk eigenlijk
+geen enkele geniale vrouw voortgebracht. Daarentegen is den zonen van
+het proletariaat door alle eeuwen heen in alle landen vrijwel alle
+gelegenheid onthouden om de in hen sluimerende geestelijke krachten
+tot ontwikkeling te brengen. Niettemin zijn uit dat proletariaat
+tal van genieën opgestaan: Spinoza, Fichte, Goya, Edison, Rembrandt,
+Thorwaldsen en zoovele anderen.
+
+Een eigenaardigheid van ieder tijdvak is, dat het zich beschouwt als
+bijzonder overgegeven aan de zinnelijkheid. Daarnaast verrijst dan
+voor de verbeelding het verre verleden, toen de menschen in reinheid
+van zeden en heilige onnoozelheid kuischelijk voortleefden. Van die
+vroegere reinheid van zeden is den geschiedvorscher echter niets
+bekend. In elk tijdperk vindt hij onder veranderde omstandigheden en
+verhoudingen en in gewijzigde vormen den mensch slaafs onderworpen
+aan de zinnelijkheid. Nergens geeft de geschiedenis te aanschouwen
+een menschdom in een toestand van "oorspronkelijke reinheid"; de
+"oorspronkelijke" of wilde mensch is evenmin rein als de geciviliseerde
+dito. De zinnelijkheid is een natuurdrang. Zij moge individueel
+verschillen in graad, en min of meer onder bedwang zijn te brengen
+van een krachtigen wil, van buitenaf regelen of aan banden leggen
+laat zij zich niet. Volken en kringen met zeer strenge sexueele zeden
+kweeken dan ook heel weinig reinheid van harte, wel echter brengen
+zij onvermijdelijk kat-in-'t-donker-knijpende brave-Hendrik-gehuichel
+voort. De vermeende reinheid van den natuurstaat is niets dan een
+droombeeld eener hersenschimmige gouden eeuw.
+
+
+
+Voor de christelijke traditie, die de beschaving van een groot deel
+van den aardbol nog volkomen beheerscht, begint de geschiedenis der
+sexueele zeden met den zondeval van Adam en Eva in het paradijs. Bij
+den val van het eerste menschenpaar der bijbelsche overlevering
+treedt Eva, de vrouw, op als de verleidster. Deze voorstelling is der
+vrouwenwereld in de hoogste mate noodlottig geworden. Want aan die
+voorstelling heeft men het recht ontleend, de vrouw te beschouwen en
+te behandelen als een onrein wezen, althans als een onreiner wezen dan
+het beklagenswaardig slachtoffer van de verleidingskunst der vrouw:
+de man. Over den oorsprong der Mozaïsche paradijslegende, waarbij
+wij hier, om haar onberekenbaren invloed op de denkbeelden inzake
+geslachtelijke dingen, een oogenblik moeten stilstaan, is door de
+geleerden eeuwenlang getwist. Daarmede hebben wij ons hier niet in te
+laten. Het is ons hier natuurlijk volkomen onverschillig of Mozes zijn
+inspiraties voor het boek Genesis uit de overleveringen van het volk
+Israel of wel, tijdens zijn verblijf aan Pharao's hof, uit de leer
+der Egyptische Isispriesters en uit de bij hen opgedane kennis van
+de religieuse mythen van andere volken, heeft geput. Evenmin is het
+hier van belang of het verhaal van de schepping en den zondeval van
+het eerste menschenpaar in den ons bekenden vorm van Israelietischen
+oorsprong is en van de Joodsche religie is overgegaan in die van
+andere volken, of omgekeerd. Maar wel is van belang het feit, dat in
+de voornaamste godsdiensten der wereld dat verhaal van onberekenbaren
+invloed is geweest op de begrippen aangaande de vrouw en inzake
+het geslachtelijk verkeer in het algemeen. Dat verhaal toch stelt
+de sexueele gemeenschap voor als de eerste zonde, terwille waarvan
+het aardrijk vervloekt is, en waardoor de rein geschapen mensch is
+vervallen tot een wezen dat geneigd is tot alle kwaad. En het was de
+vrouw, die het eerst viel; zij bezweek voor de lokstem van de slang,
+en verleidde vervolgens den man. En toen zij gezondigd hadden zagen
+zij dat zij naakt waren.
+
+De strekking van dit verhaal is te laten uitkomen, dat de vrouw
+ten opzichte van de zinnelijkheid, die meteen als zonde wordt
+gekwalificeerd, zwakker is dan de man en dat zij diens verleidster
+is. De vrouw is, met andere woorden, de zedelijk minderwaardige,
+de eigenlijke oorzaak van 's menschen verdorvenheid; zij is zelf
+zonder weerstandsvermogen tegen de zinnelijkheid en de verleidster
+van den man.
+
+Deze opvatting beheerscht alle beschavingen voor welke de Bijbel
+goddelijk gezag heeft, en zij heeft in alle samenlevingen, die dit boek
+als grondwet van hun geestelijk leven hebben aanvaard, de positie der
+vrouw en de denkbeelden omtrent hare zedelijke waarde, bepaald, in de
+eerste plaats dus van het Jodendom en van het daaruit voortgekomen
+Christendom. Met den banvloek, dien Mozes God in den mond legt:
+Uw man zal heerschappij hebben over u! heeft hij de vrouw in deze
+godsdiensten voor altijd onder de heerschappij van den man gesteld.
+
+De paradijslegende komt ook in andere godsdiensten voor. Wij vinden
+haar in het Brahmanisme der Indiërs, nog voor de hervorming van dien
+godsdienst door Buddha, die circa 600 jaar vóór Christus leefde. De
+Brahmaansche paradijslegende verloopt in hoofdzaak precies zoo als in
+het Bijbelverhaal wordt geschilderd. Alleen treedt in de plaats van de
+paradijsslang de draak Tiamat. Voor diens overredende woorden bezwijkt
+de Brahmaansche Heya evenzeer als de Mozaïsche Eva, en Hadami blijkt
+even weinig bestand tegen de verleiding der vrouw als de Bijbelsche
+Adam. Hier treft de vloek voor de zonde in hoofdzaak echter slechts
+den draak. Heya wordt niet met de erfzonde beladen, maar de Godheid
+schenkt haar vergiffenis, wijl zij niet uit egoïsme zondigde, maar
+uit liefde jegens haar vriend, dien zij door het eten van de verboden
+vrucht nader tot de Godheid wilde brengen en hem boven de hemelgeesten
+wilde verheffen. De Brahmaansche variant op de paradijslegende bevat
+dus een geheel andere ethische kern.
+
+De reden waarom Mozes dit motief van verzoening, dat de barmhartigheid
+der beleedigde Godheid op den voorgrond stelt, heeft vervangen door
+een eeuwige wraakoefening aan alle schuldige partijen--slang, vrouw
+en man--is wellicht deze, dat hij als staats- en godsdienststichter
+een mannelijk en krachtig volk noodig had en geen zweem van
+vrouwenheerschappij kon dulden, en dat hij daarom de vrouw bij voorbaat
+tot een door God vervloekt en tot eeuwige dienstbaarheid veroordeeld
+onrein en minderwaardig wezen brandmerkte en haar zoodoende op den
+achtergrond zocht te dringen en van allen invloed op het openbare
+leven onverbiddelijk uit te sluiten. Hij is hierin op de meest volkomen
+wijze geslaagd, zijn vonnis over de vrouw werkt tot nu toe door.
+
+De Talmoed vult het Bijbelverhaal omtrent Adam en Eva op even
+origineele als interessante wijze aan en tracht tevens eenige
+onklaarheden daarin op te helderen. In Genesis 1 : 26 vat God het
+plan op menschen te maken en in vers 27 wordt dat besluit ten uitvoer
+gelegd: "En God schiep den mensch, man en vrouw schiep hij ze",
+zonder dat blijkt, dat hierbij een andere manier werd gevolgd dan bij
+de scheppingen op de voorgaande dagen. Hier schijnt het dus, dat ook
+de mensch is geschapen door een eenvoudig: Er zij! Maar in het tweede
+hoofdstuk vers 7 en verder wordt de schepping van den mensch opnieuw
+en uitvoeriger verhaald. Daar echter wordt onder mensch alleen verstaan
+de man, Adam. Deze wordt in den hof Eden gesteld, om dien te bouwen en
+dien te bewaren, onder verbod van te eten van den boom der kennis des
+goeds en des kwaads. En als Adam alle dieren hun namen heeft gegeven
+en zich alleen begint te gevoelen, krijgt hij Eva tot gezellin. Hier
+schijnt dus een aanmerkelijke tijd te zijn verloopen tusschen de
+schepping van de twee eerste menschen, terwijl men uit hoofdstuk I
+zou opmaken, dat zij gelijktijdig werden geformeerd. Wat eerst slechts
+mensch wordt genoemd, heet bij de schepping van Eva plotseling Adam;
+en Eva heet aanvankelijk alleen vrouw; eerst na den zondeval noemt Adam
+haar Eva, dat is: leven, of: de levengevende moeder. Alles wijst er op
+dat hier twee lezingen min of meer slordig door elkander zijn gewerkt.
+
+Een tweede leemte in de Mozaïsche ontwikkelingsgeschiedenis van
+het menschdom komt er reeds aan het licht bij de tweede sexueele
+verhouding die op aarde onder de menschen zou hebben plaats gehad. Na
+de verdrijving uit het Paradijs vernemen wij, dat Eva twee zonen
+baarde, Kaïn en Abel. Kaïn vermoordt zijn broeder en zal tot straf
+op aarde dolende en zwervende zijn. Hij wordt echter gerust gesteld,
+dat de bloedwraak niet aan hem zal worden voltrokken en hij gaat daarop
+naar het land Nod, ten oosten van Eden. Hier blijkt hij eensklaps een
+huisvrouw te hebben, die hem een zoon schenkt, onderwijl de tot dolen
+en zwerven gedoemde reeds bezig is de eerste stad op aarde te stichten.
+
+De vraag dringt zich op voor de bloedwraak van wie Kaïn bevreesd kan
+zijn geweest en vanwaar de huisvrouw kwam, die hem in het land Nod
+een zoon baarde, en wie de stad moesten bevolken welke Kaïn in dat
+land bouwde. Aan de hand van het Mozaïsch verhaal is maar één, en
+een zeer onwaarschijnlijk, antwoord op die vraag te geven, n.l. dat
+de nakomelingen van Adam in weinige jaren reeds de gansche omgeving
+van den hof Eden hadden bevolkt.
+
+Hier treedt de Talmoed echter ophelderend tusschenbeide. Deze verhaalt,
+dat Adam dadelijk bij zijn schepping reeds een gezellin kreeg,
+Lilith geheeten, met wie het hem vergund was sexueele gemeenschap
+te hebben. Uit Adam's gemeenschap met deze zijn eerste vrouw, die
+wij ons als een wezen tusschen mensch en engel, dus van hooger orde
+als de mensch, hebben voor te stellen, werd een geslacht van reuzen
+geboren, die in hun overmoed en op aansporing van Lilith zich tegen
+de hemelgeesten en daarmee indirect tegen God zelf keerden. Zij werden
+overwonnen en als demonen verbannen, evenals hun moeder, die zich over
+de nederlaag wreekte door voortaan in het verborgen, onder allerlei
+gedaanten zooveel kwaad te doen als in haar vermogen was. Zij was
+het die uit ijverzucht haar opvolgster, Adam's tweede vrouw, Eva, in
+de gedaante eener slang verleidde om te eten van den boom der kennis
+des goeds en des kwaads. Doch dan wordt weer onaannemelijk dat hiermee
+symbolisch de sexueele gemeenschap wordt bedoeld, gelijk men zoo gaarne
+aanneemt. Wel echter heldert de Lilithlegende het na korten tijd zoo
+bevolkt zijn van de omgeving van den hof Eden eenigszins op--men kan
+dit toeschrijven aan de ongemeene vruchtbaarheid van Adam's eerste
+vrouw, die als half mensch en half engel wordt voorgesteld. Mozes zelf
+schijnt op deze Lilithlegende te zinspelen, als hij in Genesis 6 vers
+2 klaagt, dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen en zich
+vrouwen namen, terwijl in vers 4 wordt medegedeeld, dat daaruit reuzen
+geboren werden en dat dit de geweldigen waren, die er van ouds geweest
+zijn. Met deze zonen Gods kunnen dan de nakomelingen van Lilith bedoeld
+zijn, geen engelen, want de mededeeling wordt gedaan als een klacht,
+en gemeenschap met engelen had het menschdom in zedelijk opzicht wel
+kunnen verbeteren maar niet verslechteren.
+
+Als Adam na de schepping van Eva ontwaakt en haar ziet, roept hij
+uit: Deze is ditmaal been van mijne beenen enz. Ook hieruit valt af
+te leiden, dat hij reeds eerder een gelijkvormig wezen had gekend,
+n.l. Lilith, doch dat deze tweede hem meer gelijk was dan de eerste.
+
+Blijkbaar heeft Mozes om maar de vrouw voor zijn boven
+aangegeven doel een trap lager te kunnen stellen dan den man, de
+verschillende legenden, waarvan hij zich bij het samenstellen van
+zijn scheppingsverhaal bediende, geweld aangedaan. De eerste vrouw
+moest als verleidster, als minderwaardige fungeeren, daarom moest de
+halfengel Lilith, de eigenlijke eerste vrouw op aarde volgens zijn
+gegevens, maar voor zijn opzet minder bruikbaar, uit zijn Genesis
+verdwijnen. Hij heeft echter niet zorgvuldig alles weggelaten, wat
+op de Lilithlegende betrekking heeft, en door die slordigheid zijn
+epos der schepping tamelijk verward gemaakt.
+
+Het paradijsdrama is door de beeldende kunst in tallooze variaties
+voorgesteld. Op vele dier voorstellingen heeft de verleidende slang
+een menschenhoofd. Waar dat het geval is wil de kunstenaar blijkbaar
+doen uitkomen, dat Eva's verleidster niemand anders was dan haar
+wraakgierige en ijverzuchtige voorgangster Lilith, die op die manier
+den vrede van het eerste menschenpaar tracht te verstoren en hen in
+het ongeluk te storten.
+
+Dat de vrucht, welke de verleidster Eva deed eten, een appel was,
+wordt in Genesis niet gezegd. Volgens de oud-Hebreeuwsche traditie was
+die vrucht geen appel, maar een vijg, of wel een noot. De appelboom
+is vermoedelijk slechts door een woordspeling aan zijn voorname rol
+als boom der kennis gekomen: malum kan zoowel appel als het booze
+beteekenen. En de noodlottige vrucht van dien eersten appelboom zou
+Adam bij het eten in de keel zijn blijven steken, wat de oorzaak zou
+zijn, dat de man een sterker vooruitspringend strottenhoofd heeft
+dan de vrouw. De schepping van Eva uit de ribbe uit Adam's zijde
+genomen, is het zinnebeeld geworden van de eenheid van man en vrouw,
+en de christelijke scholastiek heeft dit uitgelegd als een symbool
+van Jezus' wonde in de zijde, waaruit als de bruid van Christus de
+nieuwe Eva, n.l. de christelijke kerk, is voortgekomen.
+
+Op gelijke subtiele wijze is de geheele paradijslegende uitgesponnen en
+deze is daardoor de bron geworden van verachting en achteruitzetting
+van de vrouw. De priester werd voor haar later zelfs te rein en te
+heilig geacht, en het huwelijk werd hem om die reden verboden,--de
+vrouw werd daardoor vernederd tot een wezen van lagere orde dan de
+man. En in het algemeen werd de vrouw aangemerkt als de oorzaak van
+alle kwaad op aarde, als een van oorsprong onrein en gevaarlijk wezen,
+dat in gemeenschap stond met booze geesten en kwade bovenaardsche
+invloeden, die zich van haar bedienden om den onschuldig-reinen man in
+de eeuwige verdoemenis te storten. Wij herinneren in dit verband aan
+het heksengeloof der middeleeuwen, waarover later meer. En ook thans,
+in onze dagen, heeft de voorstelling nog volstrekt niet afgedaan,
+dat de bekoorlijkheden der vrouw niets zijn dan een lokmiddel van
+Satan om de zielen ten verderve te voeren. Zoo bleef de Paradijsvloek,
+door Mozes uitgesproken om redenen van staat, de vrouw de eeuwen door
+vervolgen en hij heeft over de schoone en zwakke sexe nameloos leed
+gebracht. En met deze opvatting der vrouw als dogma vooropgesteld,
+kan de man zich nog altijd boven de vrouw verheven wanen, want nog
+iederen dag, elk uur worden er Adam's en Eva's geboren, die door de
+"zwakheid" van den man tegenover de "verleiding" der vrouw een tastbaar
+Eden veroveren of een gedroomd paradijs verliezen.
+
+
+
+
+
+
+III.
+
+MANNELIJKE EN VROUWELIJKE ZINNELIJKHEID.
+
+
+Zinnelijkheid is bestaanbaar zonder liefde, maar liefde en
+zinnelijkheid gaan als regel onafscheidelijk samen--de natuur wil
+niet, dat de sexen in Platonische sympathie of in Vestaalsche reinheid
+naast elkander blijven voortleven.
+
+Hieruit vloeit voort, dat beide sexen vatbaar moeten zijn voor
+zinnelijkheid. En dit is inderdaad het geval. De begeerte naar
+lichamelijke gemeenschap met de andere sexe is aanwezig bij de
+vrouw zoowel als bij den man. De aard van beider zinnelijkheid is
+echter verschillend. Uit dit verschil ontstaat de strijd der sexen,
+waarbij de eene partij, de man, schijnbaar de actieve rol vervult van
+aanvaller, terwijl aan de andere partij, de vrouw, eveneens schijnbaar,
+de passieve rol is toebedeeld van de tegenstrevende, die met alle
+middelen van de krijgskunst der liefde moet worden overmand. Later
+zullen wij zien, dat dit in werkelijkheid precies andersom is.
+
+De vraag wordt dikwijls opgeworpen, wie zinnelijker is, de man
+of de vrouw. En het antwoord is in den regel: de vrouw. Om dit te
+bewijzen heeft men inderdaad in de geschiedenis van alle tijden de
+Messalina-naturen, wier zinnelijkheid aan het ongehoorde grensde,
+maar voor het grijpen. En mag men de nieuwste romanliteratuur (Zola,
+Strindberg) gelooven, dan is van elk tweetal vrouwen de eene een
+onverzadigbare Venuspriesteres en de andere een hysterische vampier,
+die den man niet los laat alvorens hem het laatste merg uit het
+gebeente is gezogen.
+
+Nu is er inderdaad veel, wat de meening, als zou de vrouw zinnelijker
+zijn dan de man, en dat de vrouw veel meer en veel intenser
+behoefte zou hebben aan geslachtsleven en geslachtsgenot, schijnt
+te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de vrouwelijke ijdelheid,
+zoo geheel en al in dienst gesteld van de behaagzucht en dus blijkbaar
+beheerscht door het vrouwelijk geslachtsinstinct. Dit zou ongetwijfeld
+wijzen op een sterker zinnelijkheid der vrouw, als de vrouw maar
+in even sterke mate zinnelijk was als zij coquet en behaagzuchtig
+is. Maar dit is juist niet het geval. Integendeel, de coquetste vrouwen
+zijn absoluut niet de zinnelijkste en sterk-zinnelijke vrouwen zijn
+dikwijls allerminst coquet of behaagziek. Het zijn juist de coquetten,
+die het minst voor de bekoringen der zinnelijkheid bezwijken en dan
+ook in het spelen met vuur het verst durven gaan en op het laatste
+moment altijd nog de kracht blijken te bezitten zichzelf het "halt"
+toe te roepen. Coquetterie ontketent alleen anderer zinnelijkheid,
+maar blijft zelf koel en onbewogen, zij vergeet zich niet en laat
+zich niet meeslepen, zij blijft elk oogenblik gereed en bij machte
+het contact te verbreken en de aansluipende zinnelijke bekoring van
+zich af te schudden.
+
+Een verdere reden, waarom bij de vrouw een sterker zinnelijkheid
+verondersteld wordt dan bij den man, is deze, dat in het geslachtelijk
+liefdeleven de vrouw de partij is, voor wier rekening de heele nasleep
+van gevolgen komt--over de vrees daarvoor, zoo redeneert men, kan
+alleen de onweerstaanbare drang eener overmachtige zinnelijkheid haar
+heenhelpen. Slechts wie door begeerte geheel en al wordt overheerscht,
+zoo oordeelt men, kan bereid zijn zoo groote offers te brengen ter
+harer bevrediging.
+
+Ook uit de geslachtelijke onvermoeibaarheid van de vrouw, uit haar
+physiologisch onbeperkt uithoudingsvermogen in het sexueel verkeer,
+in vergelijking waarmee de man een impotente zwakkeling schijnt, is men
+gewoon een zooveel grootere zinnelijkheid bij de vrouw af te leiden.
+
+Doch bij al zulke beoordeelingen van de vrouwelijke natuur is het bijna
+altijd de man, die aan het woord is. En waar de man zich beijvert om
+bewijzen te leveren voor de macht van de zinnelijkheid over de vrouw,
+daar geeft hij niets dan een beeld van zichzelven; ook in dit opzicht
+ziet de mensch, anderen beoordeelende, overal niets dan zichzelf. De
+neiging van den man om de vrouw een felle, nimmer sluimerende en
+nauwelijks te beheerschen zinnelijkheid toe te schrijven, wijst er
+dan ook veeleer op, dat inderdaad de man zelf zich machteloos voelt
+tegenover dezen machtigste aller menschelijke hartstochten.
+
+Trouwens, elke vergelijking van de zinnelijkheid van man en vrouw
+moet noodzakelijk tot valsche conclusies leiden. Beide zijn niet te
+vergelijken. De zinnelijkheid van de vrouw is in wezen een geheel
+andere, dan die van den man, waar nog bij komt, dat de zinnelijkheid
+iets geheel individueels is--ieder individu is weer anders in dit
+opzicht dan alle anderen, evenals ieder individu weer een ander
+aangezicht en een andere stem heeft dan alle anderen. Veel van
+wat bij de vrouw wordt uitgelegd als uitingen van erotischen lust,
+is in werkelijkheid geheel iets anders. Bij den man zijn liefde en
+zinnelijkheid onafscheidelijk verbonden; zuiver mannelijke liefde is
+in wezen niets dan zinnelijke begeerte; alle denken en voelen van den
+man ten opzichte van de vrouw concentreert zich tot het verlangen
+haar sexueel te bezitten. Bij de liefde der vrouw is dit in veel
+mindere mate het geval; de zinnelijke begeerte speelt in de liefde
+der vrouw een zeer ondergeschikte rol, is haar bijzaak. De liefde van
+den man is als regel zuiver physiek, en streeft allereerst naar het
+lichamelijk bezit. De liefde der vrouw kan psychisch zijn in een mate,
+als bij den man slechts hoogst zelden het geval is.
+
+In het zieleleven der vrouw opent een ontluikende liefde een geheel
+ander, een oneindig verder, grootscher en schooner verschiet, dan
+bij den man. De liefde van den man, in wezen louter zinnelijkheid,
+drijft hem louter tot het zoeken van bevrediging dier zinnelijkheid;
+het voorloopig einddoel zijner liefde is, het voorwerp daarvan physiek
+te bezitten; verder reikt zijn blik niet. De natuur heeft dat zoo
+gewild: de rol van den man in de vereeuwiging van het leven is daarmee
+geëindigd, met komende geslachten heeft de man slechts erotische
+betrekkingen--het natuurlijke einddoel van de liefde van den man is
+bevrediging zijner zinnelijkheid. Maar bij de vrouw kan het anders
+zijn. Wat voor den man het fel-begeerde einddoel is, is voor haar een
+aanvankelijk ternauwernood klaar bewuste bijzaak, die bovendien eer
+afschrikt dan aantrekt. Haar blik reikt verder. Zonder zich duidelijk
+rekenschap te geven van het hoe, ziet de vrouw, hoe ook meegesleept
+door het zoet geheim van het minnen, zich in de verte al moeder. Het
+natuurlijke einddoel van de liefde der vrouw is moederschap. Dit
+spiegelt zich reeds af in de voorliefde van het kleine meisje voor de
+pop; reeds als klein kind moet de vrouw, zooals Victor Hugo opmerkt,
+een voorwerp hebben om te verzorgen, te vertroetelen, te kleeden,
+te ontkleeden. Het eerste kind is de voortzetting van de laatste pop.
+
+De hier geschetste verschijnselen in de zinnelijkheid van man en vrouw
+geven natuurlijk slechts gemiddelden aan. Er zijn mannen die boven
+het hier gegeven beeld uitgaan, en er zijn vrouwen, die er beneden
+blijven. Evenwel wekt elke afwijking van dit beeld naar boven of
+naar beneden den indruk van onnatuur, en, is die afwijking sterk,
+van abnormiteit en ontaarding. Zoo is bijvoorbeeld de vrouw, die van
+nature of door de zeden is verruwd tot mannelijk-heftige zinnelijkheid,
+schaamteloozer en bruter in haar zinnelijkheid, dan de normale man. De
+geschiedenis en de literatuur, voor zoover deze laatste geen vrucht
+is van louter phantasie, leveren daarvan overvloedig voorbeelden, die
+ieder trouwens in eigen omgeving in ruime mate kan waarnemen. Alwin
+Schultz zegt van het hofleven ten tijde der minnezangers: De mannen
+zijn veel schaamachtiger dan de vrouwen. En hij staaft deze bewering
+met tal van feiten, o.a. merkt hij omtrent de gemeenschappelijke baden
+op, dat zelfs de deftigste adellijke dames er bij die gelegenheden
+vermaak in schepten, zich van alle kleeding te ontdoen en zoo den
+aanblik harer intiemste bekoorlijkheden aan alle aanwezige mannen
+prijs te geven. Terwijl de mannen in elk geval nog een schaamgordel
+aandeden, tooiden de vrouwen zich met hare sierlijkste kapsels en met
+prachtvolle armbanden en halssnoeren. Zoo pronkten zij op de meest
+coquette manier met hare naaktheid.
+
+Waar wij dus de bewering, dat de vrouw van nature zinnelijker zou zijn
+dan de man, moeten afwijzen, op grond hiervan dat het liefdeleven der
+vrouw in wezen een geheel andere richting gaat dan dat van den man,
+dan is daarmee nog volstrekt niet gezegd, dat bij de vrouwen nooit
+een dermate felle en hevige zinnelijkheid voorkomt, dat ze die van
+den normalen man nog te boven gaat. Zoo iets te beweren zou onzinnig
+zijn. Want ten allen tijde en onder alle lagen der bevolking zijn
+er onverzadigbare Messalina-typen geweest, wier vurige zinnelijkheid
+aan het buitensporige grensde. Maar normaal is zulks bij de vrouwen
+in geenen deele; het Messalina-type is en blijft de uit zedenbederf
+of uit ziekelijke ontaarding ontstane uitzondering.
+
+Het is er ver van af, dat met de hier bedoelde sexueele abnormiteit
+algemeene zedelijke minderwaardigheid noodzakelijk zou moeten gepaard
+gaan. Integendeel, ongewoon hevige zinnelijkheid gaat dikwijls
+vergezeld van algemeene genialiteit, die op zichzelf ook in strijd
+met den norm en dus abnorm is.
+
+Degenen, die van meening zijn, dat de vrouw in het algemeen zinnelijker
+is, meer en sterker behoefte heeft aan sexueel verkeer dan de man,
+vinden hun krachtigste argumenten in de geschiedenis. Deze weet
+inderdaad op haast iedere bladzijde te verhalen van buitensporig
+zinnelijke vrouwen. De vrouwen, die zij ons leert kennen, zijn zelfs
+voor het meerendeel sterk erotische naturen. Dit verleidt licht tot
+generaliseeren--die weinige historische figuren neemt men als vanzelf
+als typen van de vrouwelijke sexe in het algemeen. De geschiedenis
+evenwel leert ons alleen het bijzondere kennen; zij is altijd
+sterk partijdig, in zooverre dat zij het gewone, het normale, het
+alledaagsche, als niet interessant, liefst stilzwijgend voorbijgaat,
+om zich geheel te verliezen in het ongewone, het opvallende en
+abnormale. Alleen de koortsig kloppende pols interesseert haar. Zoowel
+op dit als op elk ander gebied is hetgeen de geschiedenis ons bericht
+niet de regel, maar de uitzondering. En reeds hierin ligt een bewijs,
+dat de fel-zinnelijke vrouwen der geschiedenis niet het type aangeven
+van de vrouw in het algemeen, maar de afwijkingen van het type,
+nog afgezien van wat hierbij op rekening kan worden gesteld van
+onwillekeurige overdrijving.
+
+De zinnelijke vrouwen der moderne roman-literatuur zijn louter
+scheppingen van de verhitte phantasie van den zinnelijken
+man. Veeleer dan photografieën naar de werkelijkheid zijn het louter
+anthropomorfismen. Evenals in de religies de mensch zich een God
+schept naar zijn eigen beeld, zoo schept in het materieele de man
+zich ook de vrouw naar zijn eigen beeld. De hevige zinnelijkheid, die
+men de vrouw toeschrijft, is weinig meer dan de eigen zinnelijkheid,
+die aan het woord is. Men ziet de vrouw niet gelijk zij werkelijk is,
+maar zooals men haar wenscht.
+
+De literatuur van alle tijden bewijst overigens op treffende wijze,
+de grootere zinnelijkheid van den man. In de literatuur van mannen over
+vrouwen, speelt altijd het zinnelijke de hoofdrol, in de literatuur van
+vrouwen over mannen is dit hoogstzelden het geval. Tegenover duizenden
+van gloeiende zinnelijkheid trillende werken van mannen staan slechts
+eenige zeer weinige zoodanige werken afkomstig van vrouwen. Daaruit
+blijkt, hoe de vrouw het geheele stoffelijke en geestelijke leven
+van den man vult en dat in het leven der vrouw daarentegen de man
+maar een betrekkelijk geringe plaats inneemt, en dan nog minder in
+sexueel dan wel in ander, voornamelijk economisch opzicht.
+
+In de beeldende kunst valt precies hetzelfde verschijnsel waar te
+nemen. Ook hier weer tegenover honderdduizenden heet-zinnelijke
+kunstgewrochten van mannenhand nauwelijks eenige weinige zoodanige
+scheppingen van vrouwen. De in beeld gebrachte phantasie van den
+man is als regel erotisch, en juist de zinnelijkheid heeft den man
+bezield tot zijn meest artistieke scheppingen.
+
+En van welk ander standpunt men de zinnelijkheid van beide geslachten
+waarneemt, steeds blijkt, hoeveel grooter de macht der zinnelijkheid is
+over den man dan over de vrouw. Er is bijvoorbeeld geen enkele reden
+om aan te nemen, dat in de menschenwereld de zinnelijke verhoudingen
+anders zouden zijn dan in de dierenwereld. Evenals bij de woestheid van
+stier en hengst vergeleken koe en merrie paradijs-reine wezens zijn,
+evenzoo is het ten deze gesteld in de menschenwereld. Dat er naast
+duizendtallen sexueele gewelddaden door mannen gepleegd aan vrouwen
+nauwelijks een enkele verkrachting van mannen door vrouwen is te
+stellen, is in geenen deele louter hieraan toe te schrijven, dat de
+man physiek krachtiger is dan de vrouw; de zinnelijkheid van den man
+is zooveel heviger, en hij is die zooveel minder meester dan de vrouw.
+
+Behalve in graad verschilt de zinnelijkheid van den man ook in aard
+ten eenenmale van die van de vrouw, gelijk wij boven reeds hebben
+opgemerkt. Op elke bladzijde dezer geschiedenis zal dit in onderdeelen
+blijken. Hier volstaan wij voorloopig met eenige algemeene opmerkingen.
+
+In het leven der liefde _poseert_ de man als actieve partij,
+als aanvaller, en de vrouw als de zich gevende, passieve partij;
+de man speelt de rol van overwinnaar, hij schijnt op te treden met
+energie en onweerstaanbaar krachtsvertoon, hij schijnt de meester
+in het koninkrijk van de liefde en de vrouw de overwonnene, die tot
+de geslachtelijke overgave is genoodzaakt. Zoo is de schijn. En de
+werkelijkheid is precies andersom. De lijdelijkheid van de vrouw
+in het liefdeleven is gelijk aan de lijdelijkheid van de magneet,
+en de aanvallende activiteit van den man aan die van het ijzer. De
+verhouding tusschen ijzer en magneet geeft treffend de verhouding weer
+tusschen man en vrouw in het leven der liefde--eenerzijds schijnbare
+lijdelijkheid, die in werkelijkheid onweerstaanbaar aantrekkenden
+invloed uitoefent; anderzijds een even schijnbare activiteit,
+die in werkelijkheid zwicht voor onzichtbaar op hem werkende
+natuurkrachten. In de zinnelijke liefde is de vrouw de meerdere, de
+gebiedster, de heerscheres, rondom haar golft een stroom van bekoring,
+die den man aantrekt en vasthoudt en den schijnbaren veroveraar in
+werkelijkheid de slaaf maakt van de schijnbaar overwonnene. Als in
+zooveel andere dingen speelt ook in het liefdeleven de natuur een
+slechts voor geoefende oogen herkenbaar spel van schijn en wezen,
+waarbij de werkelijkheid precies de omkeering is van wat men meent
+te zien plaats vinden. De natuur heeft de vrouw de rol toebedeeld,
+zich tegenover den man passief te gedragen en hem tegelijkertijd op
+de meest geraffineerde manier te verlokken, te verleiden en aan haar
+voeten te trekken. De zegevierende aanvaller is in werkelijkheid de
+krijgsgevangene van de schijnbaar voor zijn aanval bezwekene. Zoo is
+den man in het leven der liefde het zware, moeilijke en onaangename
+werk overgelaten en zelfs de eer van de hoofdrol te vervullen, komt
+hem niet toe.
+
+Tot het gehoorzaam volbrengen van deze ondankbare taak dwingt
+de natuur den man met behulp van diens heftige zinnelijkheid. Om
+deze te bevredigen moet de man tot de vrouw komen en hare gunst
+verwerven, en dit telkens weer, zoo dikwijls zijn geslachtsverlangen
+om bevrediging roept, dat is, zoolang de natuur ter bereiking van
+_haar_ doel den man kan gebruiken. De vrouw heeft niets te doen dan
+eenvoudig de magnetische kracht der bekoring, die van haar uitgaat,
+te laten werken. Hoe zinnelijker nu de man is, des te lichter is de
+verlokkingstaak van de vrouw en des te grooter is haar overwicht
+over den man, die niettemin nog altijd de rol van aanvallende,
+actieve partij blijft vervullen. De zooveel vuriger zinnelijkheid
+van den man ontheft de vrouw van de noodzakelijkheid hare schijnbare
+geslachtelijke koelheid af te leggen.
+
+Zoo is de zinnelijkheid van de vrouw in aard altijd tegenovergesteld
+aan die van den man, ook dan wanneer de macht der zinnelijkheid
+over beiden even groot is. Hieruit ontspringen alle geslachtelijke
+verhoudingen tusschen man en vrouw, van begin tot einde, zoowel in
+het huwelijksleven als in het stadium van het eerste minnen.
+
+De natuurlijke rol van de vrouw in het leven der liefde is veel
+samengestelder en ingewikkelder dan de natuurlijke rol van den
+man. In overeenstemming daarmee is ook de zinnelijkheid van de vrouw
+gecompliceerder dan de zinnelijkheid van den man. Stellen wij ons de
+schaal van de mannelijke zinnelijkheid voor als ééndeelig, dan is die
+der vrouwelijke wel honderddeelig. In het stoffelijke en geestelijke
+leven der vrouw speelt het geslachtelijke bij voortduring en zonder
+onderbreking een rol, het treedt nooit tijdelijk op den achtergrond,
+zooals bij den man, bij wien de zinnelijkheid vrijwel uitsluitend
+bestaat in bevrediging der geslachtsdrift en in erotisch genot haar
+einddoel ziet. Bij de vrouw staat het geheele leven onder den invloed
+van den geslachtszin, maar van de eigenlijke geslachtsdrift is de
+vrouw veel onafhankelijker dan de man, zij is die meer meester en
+ook openbaart de geslachtslust zich bij haar minder snel en minder
+stormachtig dan bij den man. Terwijl de geslachtsdrift van den man ten
+allen tijde licht ontvlambaar is, heeft de geslachtsprikkelbaarheid
+bij de vrouw een meer periodiek--bij tusschenpoozen optredend en dan
+weer insluimerend--karakter, hetgeen blijkbaar in verband staat met
+de menstruatie en in aard overeenkomt met den periodieken paartijd
+bij de dieren. In die tusschenpoozen van sluimerende geslachtelijke
+prikkelbaarheid is de vrouw sexueel in die mate ongevoelig, dat
+velen, waaronder Lombroso, de vrouw een natuurlijke geslachtelijke
+gevoeligheid meenen te moeten ontzeggen. In vele gevallen heeft
+het inderdaad den schijn, of de zinnelijkheid der vrouw eenvoudig
+bestaat in het opwekken der zinnelijkheid van den man. Haar eigen
+geslachtelijke bevrediging zou dan gelegen zijn in de wetenschap
+begeerd te worden en die begeerte bevrediging te schenken. In
+elk geval eindigt de eigenlijke geslachtsfunctie der vrouw niet,
+zij begint integendeel nauwelijks met de bevrediging der sexueele
+zinnelijkheid. Uit dit feit vloeien voor het geheele verkeer der
+sexen een menigte consequenties voort, die zich bij alle verhoudingen
+tusschen man en vrouw doen gelden en het geheele gebied der sexueele
+zeden beheerschen.
+
+Bij de vrouw staat het geheele stoffelijk en geestelijk leven
+onder den directen invloed der sexualiteit en de zinnelijkheid
+is van die sexualiteit slechts een der factoren. Bij den man is
+de geheele sexualiteit geconcentreerd op de bevrediging der zucht
+naar geslachtsgenot. De mate, waarin de man onder den invloed staat
+van zijn zinnelijkheid, schijnt verschillend naar ras, klimaat en
+andere uitwendige omstandigheden, en individueel weer naar leeftijd,
+temperament en lichamelijke gesteldheid, maar altijd vertoont de
+mannelijke zinnelijkheid, zoo niet als eenig dan toch als hoofdkenmerk:
+verlangen naar sexueel verkeer. Met de bevrediging sluimert de geheele
+mannelijke zinnelijkheid voor korteren of langeren tijd in.
+
+Dit verschil in zinnelijkheid bij man en vrouw heeft tengevolge, dat
+de wederzijdsche sexueele waardeering eveneens verschillend is. De
+geliefde vrouw is voor den man in hoofdzaak, zoo niet uitsluitend,
+een voorwerp van erotisch genot, zijn liefde jegens haar hangt af
+van de mate van sexueele bekoring, die zij op hem uitoefent. Verzwakt
+die bekoring, dan verzwakt ook zijn liefde, werkt een andere bekoring
+sterker op hem in, dan verplaatst zich ook zijn liefde. Vandaar het
+verschijnsel bij den man in het algemeen, dat men zijn polygamischen
+aard noemt, de onbestendigheid in zijn zinnelijkheid, zijn spoedig
+verzadigd zijn van het eene liefdesobject en zijn voortdurende
+ontvankelijkheid voor nieuwe prikkels, een verschijnsel, dat in het
+liefdeleven der menschen een der belangrijkste factoren is.
+
+Tegenover het polygamische karakter der mannelijke zinnelijkheid
+staat wel iets dergelijks bij de vrouw, maar het doet zich bij haar
+meer sporadisch voor en daarenboven in veel zwakkere mate, weer een
+natuurlijk gevolg hiervan, dat in de vrouwelijke zinnelijkheid de
+bevrediging van den geslachtslust een meer ondergeschikte plaats
+inneemt. Iedere man, zou men kunnen zeggen, begeert alle vrouwen;
+zijn zinnelijkheid is bijna keusloos, de zinnelijkheid vervult zijn
+gansche wezen in die mate, dat ter bevrediging ieder object hem welkom
+is, zonder dat eerst liefde of zelfs maar genegenheid, hoe vluchtig
+ook, eenigerlei toenadering behoeft te hebben bewerkt--de prostitutie
+bewijst zulks. Bij de vrouw is dit als regel weer geheel anders. Tot
+de vrijwillige sexueele overgave komt de vrouw alleen door gevoelens,
+die met de zinnelijkheid wel in verband staan, maar daar tevens boven
+staan. Uit zinnelijken drang geeft de vrouw zich niet aan den eersten
+den besten onbekende, hare gecompliceerde zinnelijkheid zou daarbij
+geen bevrediging vinden. De zinnelijke man daarentegen stelt zich
+wel met de eerste de beste tevreden en zijn zinnelijkheid van zooveel
+lager orde kan daarbij ten volle de bevrediging vinden, die hij zoekt.
+
+Er is nog een verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke
+zinnelijkheid, dat misschien meer nog dan de reeds opgesomde
+verschillen, tusschen beider sexueel bestaan een diepe scheiding
+maakt en aan het zinneleven der vrouw een eigenaardige kleur geeft,
+die bij den man volkomen gemist wordt. De zinnelijkheid van den man
+is zuiver materieel en louter animaal, onderscheidt zich in wezen in
+het minst niet van die der mannetjesdieren; in het zinnelijke is hij
+niets dan het fel-begeerige geslachtsdier. Het liefdeleven van de vrouw
+daarentegen is als doortrokken van mystiek. Ook bijgeloof speelt er
+een zeer groote rol in, en indien de vrouw godsdienstig is aangelegd,
+is ook haar zinnelijkheid sterk vermengd met religieuse gevoelens
+en opvattingen. Ook in de zinnelijkheid blijkt de vrouw bovenal
+gevoelsmensch. Alle streven om de zinnelijkheid te idealiseeren en tot
+iets bovenzinnelijks te verheffen, de sexueele zeden te verfijnen en
+te veredelen, gaat uit van de vrouw en het is hare mystieke opvatting,
+ook van het liefde- en zinneleven, die haar daarbij onbewust drijft. De
+zinnelijkheid van de vrouw zoekt naar verfijning, is delicaat en teer,
+die van den man daarbij vergeleken bruut, gewelddadig en plomp.
+
+Het mystieke karakter der vrouwelijke zinnelijkheid blijkt uit de
+geschiedenis der godsdiensten. De tempels zijn de eerste bordeelen
+geweest en ongeveer elke religie heeft onder een of anderen vorm
+gekend wat men noemt gewijde prostitutie. Of latere tijden zich
+beijveren zulks te stempelen tot ontaarding als anderszins,
+verandert niets aan de feiten. En die feiten zijn, zoowel bij
+het Christendom als bij andere godsdiensten, dat vrouwen, die
+(aanvankelijk voorzeker uit zuiveren zielsdrang) zich in tempels,
+kloosters als anderszins afzonderden om haar leven te wijden aan
+mystieke kuischheid, temidden van haar streven om zich te verheffen
+tot bovenaardsche reinheid typische voorbeelden konden worden van
+de meest felle vrouwelijke zinnelijkheid. Wij verwijzen hier slechts
+naar de Vestaalsche maagden der oudheid en naar vele nonnenkloosters
+der middeleeuwen. De berichten omtrent de grove zinnelijkheid en de
+geslachtelijke buitensporigheden van vele dezer "klooster"-zusters
+vormen op zichzelf een reusachtige bibliotheek. Zoo schrijft de
+vermaarde kroniekschrijver Gailer van Kaisersberg van den tijd der
+hervorming: "dat de meisjes toenmaals in het klooster gingen, omdat
+men daar het best het vleesch kon dienen." Vele z.g. vrouwen"kloosters"
+der 15e-18e eeuw waren niets anders dan plaatsen van losbandig vermaak
+voor den adel en de patriciërs, en in vele daarvan was des nachts
+geen nonnencel zonder bezoeker. De kronieken leeren ons, dat kloosters
+toenmaals de eigenlijke hoogescholen waren der galanterie en der meest
+uitgezochte zinnelijke genietingen. Door den zuiverenden invloed van de
+wederkeerige controle der concurreerende godsdiensten onderling, en ook
+op grond van de noodzaak om tegenover de toenemende godsdienstloosheid
+een vertoon te kunnen maken van hooger zedelijkheid, is daar eerst
+in den modernen tijd algemeen verandering in gekomen. Later komen
+wij uitvoerig hierop terug.
+
+Het bijgeloovige karakter der vrouwelijke zinnelijkheid valt
+o.a. duidelijk te onderscheiden in een der gruwzaamste ontaardingen
+van den menschelijken geest, die de geschiedenis heeft aan te
+wijzen, n.l. de middeleeuwsche heksengeschiedenissen. Voornamelijk
+de vrouwen en de vrouwelijke zinnelijkheid spelen daarin een rol,
+en daaronder weer hoofdzakelijk de zich in mystiek verdiepende
+vrouwen. De ondergrond toch van alle heksenvrees en heksengeloof
+was de opvatting der Christelijke kerk, dat door de vrouw de zonde
+in de wereld gekomen is en door de zonde de dood. Van deze opvatting
+uitgaande is het maar een kleine stap om tot de overtuiging te komen,
+dat de schoot der vrouw de ingang is naar de hel, en dat de vrouw in
+voortdurende gemeenschap staat met den duivel. Bij deze voorstelling
+kwam nog een tweede. De vrouw wordt gaarne voorgesteld als een
+ondoorgrondelijk raadsel, namelijk in hare bekorende macht over den
+man. Door deze onweerstaanbare macht die iets geheimzinnigs schijnt te
+hebben--hoewel zij louter gelegen is in de onverzadigbare mannelijke
+zinnelijkheid--werd de vrouw in de phantasie der mannen, en ook
+dikwijls der vrouwen zelf, een demonisch wezen in menschengedaante,
+en in de onweerstaanbare bekoring die de vrouw uitoefent op den
+zinnelijken man, zag men iets duivelachtigs, iets, waarvan Satan zich
+bedient om de zielen ten verderve te voeren. Zoo ontstond de heks en
+al wat zich daaromheen heeft afgespeeld, waarop wij later gelegenheid
+zullen hebben breedvoerig terug te komen. Hier willen wij omtrent dit
+verschijnsel alleen nog dit opmerken. Bij al deze heksengeschiedenissen
+en alle daaraan verwante verschijnselen, zooals de hysterische
+epidemiën in de kloosters, heeft men klaarblijkelijk alleen te doen
+met niets dan een soort erotischen godsdienstwaanzin. Men overlaadde
+den geest zoodanig met voorstellingen van sexueele reinheid en met
+schrikbeelden voor het zondigen daartegen, dat men tenslotte onderging
+in sexueele onreinheid. De bijtwoede en de besmettelijke waanidee van
+door den duivel te zijn onteerd, die dikwijls heele nonnenkloosters
+aanstak, waren eenvoudig manzieke aanvallen, niets dan nymphomane
+excessen, voortgekomen uit met geweld onderdrukten geslachtslust, die
+door het steeds denken aan sexueele reinheid wel werd aangewakkerd,
+maar niet gedood. De man als bevrediger der geslachtslust was het, die
+in deze onreine deliriën der naar bovenzinnelijke reinheid strevende
+vrouwen rondspookte, razende geeuwhonger naar geslachtsverkeer en niets
+anders was de duivel, die in het bloed dezer alle geslachtsverkeer
+schuwende nonnen woedde. Duizenden naar vlekkelooze reinheid hakende
+nonnen minden onbewust in Jezus alleen den man, en haar geheele leven
+van geslachtelijke onthouding was één voortgezette geestelijke ontucht.
+
+Van abnormaal-hevige zinnelijkheid kan bij den man nauwelijks
+gesproken worden. De macht van den man over zijn zinnelijkheid is
+uiterst gering, zijn geslachtelijke prikkelbaarheid zeer groot. Men
+kan in het algemeen dan ook zeggen, dat de man als regel steeds,
+waar hij daartoe de gelegenheid heeft, zijn zinnelijkheid botviert
+tot de grens zijner geslachtelijke potentie.
+
+Bij de vrouw is dit weer geheel anders. Haar macht over de
+zinnelijkheid van haar eigen lichaam is ongeëvenaard grooter dan bij
+den man, en juist door haar geslachtelijke koelheid is zij in sexueele
+dingen bijna altijd de meerdere van den man. Om deze reden kan men wel
+spreken van abnormaal-hevige zinnelijkheid bij de vrouw. Individueele
+voorbeelden daarvan zullen wij in de verdere deelen van dit werk
+bij menigte leeren kennen. Hier volstaan wij met eenige typische
+bijzonderheden in dit opzicht.
+
+Gewoonlijk wordt bordeelbezoek uit zinnelijkheid alleen toegeschreven
+aan mannen. In het bordeel zoo meent men, is het de man, die het
+tekort aan bevrediging zijner zinnelijkheid komt aanvullen, terwijl
+de vrouw die zinnelijkheid alleen exploiteert, ter geldwinning. Dit
+is echter niet geheel juist. Deze plaatsen ter bevrediging der grofste
+zinnelijkheid, wisten reeds de Romeinsche vrouwen der oudheid evenzeer
+te vinden; zij bezochten incognito de bordeelen en gaven zich daar af
+met de bezoekers als gewone publieke vrouwen. De geschiedenis vermeldt
+zoo iets uit verschillende tijden, als een geliefkoosde sport van bij
+voorkeur voorname dames, en volstrekt niet alleen onder de Heidensche,
+ook onder de Christelijke beschaving kwam zulks voor. Uit de 14e,
+15e en 16e eeuw bijvoorbeeld vermelden talrijke kronieken, dat
+vrouwen, als eerbaar bekend staande en uit de deftigste familiën,
+in bordeelen verrast werden, dikwijls door haar eigen mannen. Uit
+de dorre registers der 18e-eeuwsche Parijsche politie zijn ten deze
+kort geleden interessante bijzonderheden bekend geworden, die voor
+de kennis der sexueele zeden van het grootste gewicht zijn. Daaruit
+verneemt men bijvoorbeeld dat talrijke dames der hoogste standen
+geregelde bezoeksters waren van beruchte huizen van ontucht; ook,
+dat vele harer koppelaarsters in haar dienst hadden, die onbekende
+manspersonen, reizigers, officieren, geestelijken enz., bij haar hadden
+te brengen. En voor eenige jaren is plotseling als door een toeval,
+officieel het bewijs geleverd, dat ditzelfde ook nog plaats vindt
+in onzen tijd. De burgemeester van Philadelphia, het geïntrigeer
+tegen hem van de grootkapitalisten dier stad moede, liet, om zich
+te wreken, in den zomer van 1903 zekeren avond een razzia houden
+in alle deftige bordeelen, met het resultaat, dat onder de naar de
+politiebureaux geleide bezoekers en bezoeksters dier inrichtingen,
+een groot aantal dames der geldaristocratie van Philadelphia werden
+aangetroffen. En, hoewel op minder opzienbarende wijze, worden in
+alle groote bevolkingscentra der oude en nieuwe wereld van tijd tot
+tijd gevallen ruchtbaar, waaruit blijkt, dat ook de vrouw het bordeel
+weet te vinden, om haar onbevredigde zinnelijkheid den vrijen teugel
+te vieren, haar zinnelijke energie ten volle uit te leven.
+
+Wat bekend is van de "naakte bals", levert het bewijs, dat daarbij
+steeds de vrouwen, en wel deftige dames uit de hoogbeschaafde en
+welgestelde kringen den boventoon voerden. Zulke bals zijn vele
+eeuwen lang een gezochte vermakelijkheid geweest, die vooral voor de
+vrouwen een onweerstaanbare bekoring bleken te hebben. En zij zijn
+hoogstwaarschijnlijk heden nog evenzeer en even algemeen in zwang
+als voorheen. Met zekerheid weet men dit zoowel van Berlijn, Weenen,
+Parijs en München als van de half-aziatische metropolen Petrograd,
+Moskou, Budapest en andere. En ook weet men, dat daarbij nog evenzeer
+als voorheen steeds het vrouwelijk element de overhand heeft en in
+de meest phantastische uitspattingen den toon aangeeft.
+
+Een ander karakteristiek voorbeeld van de hevig-zinnelijke natuur
+sommiger vrouwen is haar veelvuldig opgemerkte voorliefde voor
+erotische, obscene en zelfs plat-pornografische lectuur. In de 17e
+eeuw heerschte, naar Philander von Sittenwald bericht, bij de vrouwen
+algemeen de mode, zulke de zinnelijkheid prikkelende werken te laten
+inbinden in den vorm van kerkboeken, teneinde zonder opzien te wekken
+overal, tot zelfs in de kerk toe, er zich ongehinderd in te kunnen
+verlustigen. Deze zelfde truc wordt nog heden veel toegepast. Nog
+tegenwoordig brengen in Amerika, Engeland en elders, de handelaars
+in zinnelijke prikkellectuur hun waar veelal in den handel in den
+uiterlijken vorm van stichtelijke werken, gezangboeken, kerkboeken,
+zakbijbels en dergelijke, wetende dat in dien oogenschijnlijk
+onschuldigen vorm een ruime afzet bij de vrouwelijke jeugd en ook
+bij oudere vrouwen verzekerd is. Een Engelsch verzamelaar is in het
+bezit van een uitgebreide dusdanige damesbibliotheek, waarvan elk
+exemplaar de duidelijkste sporen draagt van veelvuldig gebruik, terwijl
+tallooze kantteekeningen in fijn en sierlijk damesschrift de indrukken
+weergeven, die de inhoud alzoo op de lezeressen gemaakt heeft. Uit
+die kantteekeningen vooral blijkt, dat de opgewonden vrouwelijke
+phantasie in het zinnelijke ook de meest ontuchtige orgiën, die de
+man zich kan droomen, nog verre weet te overtreffen. Veelzeggend is
+in dit opzicht ook de sarcastisch-paradoxale vraag van Otto Weiss:
+of jonge meisjes boeken mogen schrijven, die ze zelf niet mogen lezen.
+
+
+
+De slotsom van elke vergelijking tusschen de zinnelijkheid van man en
+vrouw kan geen andere zijn dan deze, dat zij volstrekt onvergelijkbare
+grootheden zijn; dat de zinnelijkheid van den man in zijn bruutheid
+tamelijk eenvormig is, terwijl daarentegen de zinnelijkheid van de
+vrouw oneindig gecompliceerd is en vol van de verrassendste nuancen,
+en daarom ook veel interessanter; en dat tenslotte de zinnelijkheid van
+de vrouw, hetzij door verfijning boven, hetzij in grove dierlijkheid
+beneden de mannelijke zinnelijkheid staat, doch nimmer daaraan
+gelijk is.
+
+
+
+
+
+IV.
+
+SCHOONHEIDS-IDEALEN.
+
+
+De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen
+op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich
+op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid,
+waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit
+te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de
+vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een
+persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen,
+dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.
+
+Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid
+betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en
+een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk
+vanzelf spreekt, wordt hier alleen bedoeld zuiver sexueele keuze op
+louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen
+van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier
+dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de
+persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand
+als anderszins.
+
+De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de
+andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats
+gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate
+door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die
+eigenschappen en hoedanigheden?
+
+Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de
+liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend
+moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit
+is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel
+ook ten deze zeer verschillend.
+
+Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn
+wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt
+het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel
+gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder
+individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.
+
+Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe
+te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt,
+dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare
+geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar
+streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.
+
+Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan
+het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid
+voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich
+zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën
+van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele
+millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste
+kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder,
+dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd
+vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd,
+dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal
+moeten zijn--iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid
+in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste
+liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.
+
+De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van
+onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het
+hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen,
+daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van
+het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze
+zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de
+gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat
+ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen
+van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvan zijn
+ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder
+individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig
+surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.
+
+Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere
+aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen
+gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke
+aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke,
+lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele
+uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijke _schoon_
+wordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.
+
+Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft
+zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een
+eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche
+anthropoloog Cordier zegt hiervan: "De schoonheid is geen monopolie
+van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen
+van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en
+algemeene waarde hebben".
+
+De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst
+op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De
+zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor
+lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking
+tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang
+van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie,
+iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.
+
+Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de
+mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te
+bepalen, welke concrete eischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt
+aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het
+leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de
+aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen
+en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en
+om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig
+uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen,
+volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust
+en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die
+zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen,
+treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man;
+doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid;
+steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom
+spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt
+aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet
+ten aanzien van den man.
+
+De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht
+uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw
+wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon,
+een machtige zinnelijke bekoring uit.
+
+De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een
+enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt
+logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen
+de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen
+ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde
+vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar
+geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke
+aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid
+van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is
+en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een
+menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen
+schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn,
+leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.
+
+Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen
+een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit
+opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden
+die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te
+gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen
+tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring
+hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling
+van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het
+tegenovergestelde is het geval--tusschen de schoonheids-idealen wordt
+aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in
+zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk
+gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd
+en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van
+dat type.
+
+Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon
+heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het
+algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief,
+eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder
+individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een
+reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij
+den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere
+beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen
+van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit
+de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd,
+dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het
+krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid,
+en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige
+van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent
+de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De
+kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de
+zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.
+
+Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene
+karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig
+vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen,
+maar deze zijn evenals alles wat bestaat onderworpen aan gestadige
+vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke
+en stoffelijke factoren.
+
+In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en
+stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst
+dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende
+schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden
+van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van
+algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in
+schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene
+geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood
+der middeleeuwen--het tijdperk der Renaissance.
+
+In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst
+de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke
+activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal
+in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere,
+met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt
+in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als
+zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap;
+niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met
+nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar
+de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt
+van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno
+zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de
+malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle
+armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te
+verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst
+en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.
+
+Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche
+kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche
+weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke
+figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het
+gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt
+is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten,
+men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en
+meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En
+daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid--dat is
+levenverwekking--angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen,
+visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat
+men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.
+
+En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat
+het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld
+beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een
+der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu
+en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de
+eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het
+geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den
+afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde
+richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel niet
+herstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger
+gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval,
+en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.
+
+Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk
+genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien
+men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid
+wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en
+voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst
+bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te
+voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te
+verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en
+met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan
+uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot
+bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling
+van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger
+prikkelen zonder hem te verzadigen. Men verfoeit en minacht den
+eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder
+toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte
+of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan,
+anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor
+boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.
+
+Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende
+schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug
+op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect
+betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om
+hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.
+
+De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk
+alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen
+volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van
+den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot
+de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas
+flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de
+vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar
+geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan
+het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De
+overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man
+niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de
+onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend
+vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.
+
+En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in
+het leven der geslachten en volken. Het leven van de individueele
+deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een
+volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig,
+rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan
+met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een
+volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak
+in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd
+door impotente begeerte.
+
+Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge
+mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der
+zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele
+geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit
+geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het
+misschien in mindere mate, van die der vrouw.
+
+Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de
+oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur
+der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de
+mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der
+liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche
+en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg
+zijn de drie Gratiën--de personificaties van het vurig zinnelijk
+verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke
+betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft
+in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is
+de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als
+zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch
+minnen berustende geslachtsgemeenschap.
+
+De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde
+is uit Azië tot de Grieken gekomen--de Aphrodite der Grieken is de
+esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar
+de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg
+zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden
+der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel,
+als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De
+kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge
+vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie
+en bekoorlijkheid.
+
+In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds
+zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja
+(gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst
+voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de
+bijlage: De drie Gratiën).
+
+Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een
+god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de
+Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor
+en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle
+levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite,
+een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele,
+bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeest van goden en
+menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en
+een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel,
+op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god
+der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook
+wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne
+brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche),
+de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld
+als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.
+
+Appulejus geeft in zijn "Metamorphosen" van de verhouding van Eros
+(Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.
+
+Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste
+was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare
+gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd
+leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters
+bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen
+zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig
+rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden
+werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en
+voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van
+Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen
+zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid
+en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil
+men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en
+hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.
+
+Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën
+is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken,
+alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros
+(Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan
+evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche
+sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest
+de volgende voorstelling.
+
+Er was eens een oude dichter, zoo'n wezenlijk goede oude dichter. Op
+een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer
+los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en
+wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.
+
+--Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij,
+want hij was een goedmoedige dichter.
+
+--Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep
+eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan
+de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm
+de vensters deed rammelen.
+
+--Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de
+deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het
+water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude;
+was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker
+zijn omgekomen.
+
+--Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kom
+binnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben,
+want je bent een lieve jongen!
+
+Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon
+het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch
+alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek
+van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij
+een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven;
+de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.
+
+De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen
+knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde
+de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te
+drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen,
+hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.
+
+--Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?
+
+--Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn
+boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het
+maantje schijnt!
+
+--Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.
+
+--Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek
+hem.--O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist
+goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande
+hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter
+precies in het hart.
+
+--Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid
+en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te
+schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen,
+zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten
+appel gegeven had.
+
+De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies
+in het hart geraakt.--Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is
+die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich
+voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar
+kwaad doen.
+
+
+
+Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd
+de godin der vrouwelijke schoonheid--liefde en schoonheid waren voor
+het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar
+mannelijke tegenhanger, Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de
+vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid
+in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde
+bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.
+
+Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest
+artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere),
+de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling
+Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed
+zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite
+zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der
+onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen
+de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde,
+aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te
+bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou
+bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote
+pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook
+keizer Hadrianus' gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was
+een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.
+
+Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde
+staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit
+staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los
+van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid,
+die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken
+hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de
+oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen--de Pallasbeelden
+van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in
+beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.
+
+In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere
+figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der
+Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en
+vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het
+esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij
+zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid
+geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven
+aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der
+oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De
+kunstproducten uit dien tijd, toen niets heilig was dan het schoone,
+zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere
+tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen
+van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu:
+Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici
+te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici,
+verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan
+de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet
+alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van
+hunne gewrochten naar het levend model--bij hen zijn de godinnen niet
+schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals
+Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota
+enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest,
+waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het
+Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische
+Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten
+denken--godin en prostituee--door de Ouden op één lijn werden gesteld,
+zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt
+hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne,
+het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens
+elkaar stonden.
+
+Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der
+kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen
+van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik
+duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor
+den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de
+moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen
+van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in
+de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de
+godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria,
+behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke
+schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen
+der Renaissance-Maria's wekken alles behalve bovenaardsche en
+bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de
+Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende
+jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven,
+dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene,
+die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte
+ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel
+geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit
+voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar
+ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te
+decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance
+het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke
+schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden
+vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden
+verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde
+portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche
+galerij). Als madonna met het goddelijk kind op den arm demonstreert
+zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om
+zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen
+was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem
+die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij
+alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al
+deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen
+van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij
+vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph
+gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen,
+maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van
+Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen,
+daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts
+hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.
+
+Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance
+komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets
+erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling
+van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalena's der
+Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht
+zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van
+de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.
+
+Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan
+het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En
+opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het
+schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd
+de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de
+schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph
+en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson
+en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn
+de geliefkoosde onderwerpen van de kunst--steeds de trouwe spiegel van
+het geestesleven van een tijdvak of van een volk--der Renaissance. En
+ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische
+motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno,
+Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en
+half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon
+te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze
+godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals
+men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der
+vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van
+de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de
+origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.
+
+In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende
+esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal
+van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk
+gevolg van dit slankheidsideaal is de vereering der lichaamsvormen
+van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen
+en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze
+vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van
+meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met
+alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven
+alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw
+meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over
+de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene
+beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu
+zoowel als voorheen.
+
+Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van
+die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij
+komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig
+neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten
+als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten,
+bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel
+niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar
+aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder
+schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, van wie niet
+blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet
+aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet
+louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven,
+maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.
+
+De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter
+of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft
+maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van
+Milo. Photo Bruckmann, München.
+
+Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en
+werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen,
+en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor
+interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De
+kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid
+wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg
+kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste
+uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier
+eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat
+aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van
+schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit
+de oudheid. Volgens den kanon van Polycletus moet het gezicht een
+tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde
+den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de
+lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een
+anderen weg ingeslagen--men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal
+individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken
+vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam
+berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen
+en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men
+de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld
+de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus
+en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.
+
+Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben
+natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden
+doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde
+door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling
+van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen,
+de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het
+bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten
+wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve
+ideale typen.
+
+En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele
+menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op
+te sporen.
+
+Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt
+nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke
+kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon
+moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet
+meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld,
+vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen
+der lichaamsdeelen.
+
+De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype
+gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe
+aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon
+dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later
+een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet
+te worden vertegenwoordigd door zijn "Speerdrager" (te Napels). De
+Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenland's beeldhouwwerken
+die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst
+niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de
+schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen
+golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen
+betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage)
+is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor
+de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel
+van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet
+als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.
+
+Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en
+dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo
+behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en
+okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele
+volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor
+de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om
+hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet
+uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen,
+wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk
+van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere
+kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon
+blindelings nagevolgd.
+
+Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten
+tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten
+te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne
+metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek,
+en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De
+kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende
+eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle
+onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals
+en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten,
+breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met
+langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm,
+ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de
+langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel
+verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.
+
+Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en
+lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen
+moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende
+naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde,
+geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen
+aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken
+zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie,
+en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in
+zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders
+ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft
+dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig
+of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden,
+iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de
+hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk
+ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen,
+die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben
+opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het
+esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het
+zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert
+om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de
+vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide,
+smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer
+recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.
+
+Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog
+te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het
+levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale
+scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt,
+wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven
+de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door
+gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in
+de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede
+vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet,
+die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel
+afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend,
+dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd
+aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.
+
+
+
+Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar
+zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de
+hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars
+bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de
+bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon
+kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel
+ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan
+ook aannemen, dat de stelling "alle vrouwen zijn schoon" eigenlijk
+niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte
+mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch
+zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe,
+een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle
+vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er
+spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken
+zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden,
+wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.
+
+Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden,
+stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de
+geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft
+bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien
+het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt
+oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen,
+zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel
+niet kunnen bevredigen.
+
+Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit,
+dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi
+vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel
+in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid
+is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone
+vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt
+sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk
+schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en
+dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en
+hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving
+van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos
+staat tegenover de bekoring der schoonheid.
+
+Op de vraag, wie het schoonste product der schepping mag worden
+genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk
+het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid
+bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij
+voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie
+is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie,
+waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te
+kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in
+het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk
+te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om
+dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet
+uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte
+te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen
+misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.
+
+Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in
+het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de
+vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van,
+of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte
+van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw
+doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs
+eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur,
+afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die
+voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (in _Das
+Buch der Frauen_) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch
+dier. "Onder de vrouwen", zegt zij, "is het nu juist niet gebruikelijk
+zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt
+en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem
+komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij,
+wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe
+komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook
+in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist
+al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en
+fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische
+groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert,
+om z'n in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge
+meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de
+mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben,
+schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets
+anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En
+hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer
+droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en
+zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit
+louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet
+even ernstig en plechtig als hij--en dit beetje spel is wat haar in
+haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen,
+afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in
+eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één
+enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de
+man is, des te meer behoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder
+de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan
+vele en velerlei indrukken van buiten af."
+
+De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt
+niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor
+sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken,
+het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen
+voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn,
+die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een
+oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen
+zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid
+te betwisten.
+
+Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel
+ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig
+zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der
+ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van
+het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het
+geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel,
+staat de man op zijn voeten--hij is het beeld van massieve, majestueuse
+schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in
+de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren
+duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging
+zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage:
+De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het
+mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de
+onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het
+merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En
+zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt
+nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend
+oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar
+voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van
+oude mannen werkelijk mooi.
+
+Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den
+prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven,
+dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin
+het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd,
+onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs
+de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan
+zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer--en
+op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het
+schoone geslacht misgunnen--daaruit nog een even kleineerende als
+hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: "Bij het
+meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal
+noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor
+enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op
+kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat,
+op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er
+zich toe laat verleiden voor het heele verdere leven de zorg voor
+haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij
+waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het
+gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander
+levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in
+staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in
+dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want
+evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar
+deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen
+der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo
+ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar
+schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden."
+
+Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer
+gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde
+begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch
+en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der
+liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal
+van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel
+deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden,
+ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheid om over vrouwen te
+oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief
+antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een
+onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn
+oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: "De in elkaar
+geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe
+kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de
+geslachtsdrift, de _schoone_ sexe genoemd worden. De heele schoonheid
+dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats
+van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe
+met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen
+aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst
+hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en
+voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter
+te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat
+persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan
+is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe
+heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij
+door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect
+de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom
+ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te
+zien om den man in haar macht te krijgen."
+
+Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen
+heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen
+zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid
+wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat
+datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk
+is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling
+over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de
+menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij
+zegt: "De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een
+of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden
+aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht." En
+niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen,
+dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven
+milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als
+onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode
+geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers)
+waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw;
+een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het
+een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen
+bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.
+
+Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert
+wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon
+werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De
+wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil,
+dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en
+nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna
+mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin
+onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.
+
+Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele
+duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit
+tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen
+had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het
+begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog
+niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan
+honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van
+die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch
+moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras
+zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen
+tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en
+altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter
+niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in
+het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste
+plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven,
+zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat
+voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten,
+maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak
+beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonder uitzondering voor alle
+tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van
+den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid,
+en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon
+van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit
+de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het
+kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak
+en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.
+
+Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon
+en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is
+veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander
+tijdperk af.
+
+Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is
+daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch
+schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het
+erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op
+slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is
+niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het
+vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën,
+voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan
+het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van
+de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de
+krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds
+een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is
+deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid
+alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten
+naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.
+
+Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een
+vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde
+vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet
+de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de
+dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek,
+die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan
+het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in
+het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd
+door een drom stomme vereerders.
+
+En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal
+voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover
+elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht
+tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit
+heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In
+kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen
+geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig
+voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische
+geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke
+modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend
+als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de
+opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En een tweede,
+toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem
+van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie
+overeenkomende afzondering gehouden.
+
+Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of
+mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid
+vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de
+voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en
+onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie,
+blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan,
+ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde,
+ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht
+en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen
+hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die
+van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en
+de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men,
+hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in
+grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de
+volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid
+uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.
+
+Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en
+schitterend in de werken van P.P. Rubens.
+
+Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische
+orgiën, vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte
+zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk
+van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid,
+oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte
+grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven,
+kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn
+werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen,
+de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt
+levenverwekking. Rubens' vrouwenfiguren hebben slechts één doel:
+zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen
+in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En
+zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te
+bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van
+onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd
+weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen
+andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen
+schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of
+de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude
+kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt
+bij hem overal zoo edele en heerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor
+ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de
+geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging
+van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De
+boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij
+is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom
+ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de
+boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens
+te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid
+van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts
+vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet
+hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke
+borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen,
+en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens
+en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw,
+maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister:
+haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die
+schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt
+hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.
+
+Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde,
+weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van
+den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van
+Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels
+bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die
+wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale
+ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben
+zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens
+bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier
+primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een
+natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men
+achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze
+oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme
+was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was;
+ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen
+type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het
+grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen
+op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij
+weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.
+
+Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen
+esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat
+deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke
+wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die
+beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen;
+maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het
+meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers
+dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min
+of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijk niet te
+denken--het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap
+van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.
+
+Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets
+anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien
+tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets
+behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor
+haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die
+toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een
+paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen
+baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken,
+en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons
+deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen
+kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke
+blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw
+symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname
+vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der
+geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen
+trap van beschaving staan--voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig
+voorgesteld door corpulentie.
+
+De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van
+erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap
+Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen,
+dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij
+nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de
+streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat
+ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen
+te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en
+vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen
+het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.
+
+Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in
+de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid
+der vrouw een voorname rol. "De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten
+daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en
+daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere
+meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan
+haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld
+te brengen." De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie
+(dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer
+de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt,
+moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want
+eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er
+minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband
+tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw
+verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg
+van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo
+tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen
+eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde
+landen de paleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de
+voorname huizen en de villa's der gegoede burgers zijn, dat zijn bij
+de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en
+vleeschmassa's hunner vrouwen--uiterlijke blijken van macht en rijkdom.
+
+Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het
+Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg
+het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van
+de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar
+niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon
+misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met
+schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe
+ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen
+kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische
+schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor
+het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig
+ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte
+postuur en haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke
+fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.
+
+Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid
+een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische
+schoonheid. "Niet alle schoonheid, zegt Gervantes in _Don Quichote_,
+inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort
+en overigens koel laat." Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal
+een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid
+op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed,
+zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk,
+terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden
+smaak indruk maakt.
+
+
+
+
+
+V.
+
+SCHAAMTE.
+
+
+De welopgevoede Europeesche mensch schaamt zich zijn
+naaktheid. Tegenover de logica en tegenover de natuur is die schaamte
+onredelijk, even onredelijk als de angst en de afschuw dien de
+menschen koesteren voor een geraamte, terwijl zij toch weten dat
+zij zelf zulk een geraamte in zich omdragen. Toch schijnt zij als
+een neiging in de ziel van ieder mensch te zijn gelegd en doet zij
+zich gelden met een kracht, die soms de kracht der zinnelijkheid zelf
+schijnt te overtreffen.
+
+Waarom schamen wij ons?
+
+Niet om daarin een soort beveiliging te vinden tegen de macht der
+zinnelijkheid, maar om ons nog machteloozer tegenover deze natuurdrift
+te maken! Ook het sexueele schaamtegevoel staat in directen dienst
+der zinnelijkheid. Het is in ons de verraderlijke bondgenoot van de
+andere sexe. De schaamte prikkelt en onderhoudt de zinnelijkheid. Het
+is hier weer hetzelfde spel van schijn en wezen, dat het geheele
+sexueele zijn van den mensch omgeeft, en dat er naar streeft steeds
+den schijn te wekken van het tegenovergestelde der werkelijkheid.
+
+"Het eerste wat men de vrouwen geleerd heeft, zegt Diderot (_Sur les
+femmes_) is: het vijgenblad, dat haar oudste stammoeder haar heeft
+nagelaten, smaakvol en coquet te dragen. Alles wat zij de eerste
+kinderjaren te hooren krijgt komt neer op de vermaning: Mijn dochter,
+let toch op je vijgenblad! Je vijgenblad zit goed, je vijgenblad
+zit slecht."
+
+Volgens Debay (_Physiologie des trente beautés de la femme_) is het
+schaamtegevoel een natuurlijk instinct van de vrouw, dat haar zoeken
+doet naar middelen om de teugellooze begeerte van den man van haar
+af te leiden. Debay heeft hier zeer kernachtig het tegenovergestelde
+van de werkelijkheid geformuleerd!
+
+Het geldt bij het geheele blanke menschenras als iets vanzelfsprekends,
+dat beide geslachten buitenshuis alleen gezicht, hals en handen
+onbedekt laten, al het overige wordt met kleederen aan het gezicht
+onttrokken en wie meer laat zien doet iets onbetamelijks en
+onfatsoenlijks. Diezelfde menschen, die hun eigen en anderer naakt
+lichaam onfatsoenlijk vinden, bewonderen het naakte lichaam in de
+kunst. En ook schaamt men zich niet voor zijn naaktheid als men alleen
+is. Uit een en ander schijnt reeds te blijken, dat de schaamte met
+de naaktheid op zichzelf niets uitstaande heeft.
+
+Waar in dit hoofdstuk het woord schaamte wordt gebezigd, wordt het
+steeds bedoeld in zijn beteekenis van naaktheidsschaamte. Het woord
+schaamte toch duidt een heele reeks zeer uiteenloopende gewaarwordingen
+aan.
+
+De schaamte in dezen zin is een dier vele schijnbare
+tegenstrijdigheden, zooals het sexueele leven van den mensch er
+zoovele te zien geeft. Het is een uiterst veranderlijke, ten volle
+individueele gewaarwording, die met naaktheid en zedelijkheid niets
+gemeens heeft. Men kan naakt gaan zonder begrip te hebben van schaamte
+daarvoor. Het is geheel iets anders, of een Europeesch philosoof
+dan wel een inboorling van Brazilië of van den Bismarck-Archipel
+zijn naaktheid toont. De naaktheid is het niet die van nature het
+schaamgevoel kwetst, zoo min bij de nog op primitieven trap van
+beschaving staande volken als bij onze Europeesche kinderen in de
+eerste levensjaren.
+
+De oorsprong van het schaamtegevoel is gelegen in de natuurlijke
+neiging van het vrouwtje om voor den blik van het mannetje hare
+geslachtskenmerken te verbergen, nu eens om zich voor een ongewenschte
+benadering te beschermen, dan weer om de begeerte sterker te
+prikkelen of uit vrees afkeer en walging op te wekken. Het verborgene
+trekt sterker aan dan het zichtbare, het onbekende prikkelt de
+nieuwsgierigheid, terwijl het bekende onverschillig laat. In deze zucht
+tot verbergen heeft zoodoende de Natuur de vrouw van een zinnelijk
+machtsmiddel temeer tegenover den man voorzien. En de vrouw heeft
+ten allen tijde van dit machtsmiddel een ruim gebruik gemaakt. Door
+het hanteeren van het wapen der dusgenaamde schaamte heeft de vrouw
+het vermogen meer en langer interessant te zijn voor de mannelijke
+zinnelijkheid, en deze op te voeren tot de gewenschte hoogte, dan van
+eenvoudige naaktheid redelijkerwijze ware te verwachten. En gelijk in
+de natuur neigingen zoowel als organen meerdere functiën vervullen,
+zoo ook met het sexueele schaamtegevoel: het werpt hinderpalen en
+beletselen op tegen te groote agressiviteit van den man, en werkt
+als stimulans bij te geringe agressiviteit van den man.
+
+Algemeen zijn physiologen zoowel als psychologen het er over eens,
+dat het schaamtegevoel geen oorspronkelijk instinct bij den mensch
+is, maar een verworven eigenschap. Daarvoor pleit ten eerste het
+verschijnsel, dat het schaamtegevoel zich onder de menschen in alle
+denkbare richtingen heeft ontwikkeld, zoodat de manieren waarop,
+of juister nog, de lichaamsdeelen waarvoor men zich schaamt, zeer
+verschillend zijn. Er is nauwelijks een lichaamsdeel op te noemen,
+waarop niet hier of daar in de wereld het schaamtegevoel zich heeft
+neergezet. Een natuurlijk instinct nu is niet zoo verplaatsbaar. Een
+tweede bewijs tegen het aangeboren zijn van het schaamtegevoel is
+het volkomen ontbreken daarvan bij jonge kinderen. Het kind, dat nog
+vrij is van de sexueele zinnelijkheid, kent de schaamte niet. Eerst
+met het ontwaken van de zinnelijkheid, ontwaakt ook de schaamte. Bij
+ieder menschelijk wezen herhaalt zich zoo de Paradijslegende--de
+zinnelijkheid roept de schaamte voor de naaktheid wakker.
+
+De natuur is altijd naakt, de onschuld is het evenzeer; bij ieder
+vergrijp jegens de natuur en bij iedere ontwijding der onschuld
+werpt de mensch het beeld der liefde nieuwe hulsels om de schouders,
+zegt Mantegazza.
+
+En als met de intrede der geslachtelijke rijpheid het schaamtegevoel
+zich doet gelden, dan schaamt het kind zich juist precies voor
+dezelfde lichaamsdeelen als waarvoor het zijn omgeving zich ziet
+schamen. Evenals het kind moet leeren spreken, moet het zich leeren
+schamen en het komt daarin onder gewone omstandigheden nooit buiten
+de desbetreffende opvattingen van zijn naaste omgeving. Zoo kan men
+evenals van een moedertaal ook spreken van een moederschaamte en even
+verschillend als de talen is ook het schaamtegevoel.
+
+Schaamte is in hinderlaag liggende zinnelijkheid. Zij staat in
+directen dienst van de zinnelijke lokking. Als zoodanig is zij het
+sterkst ontwikkeld bij de vrouwelijke sexe, wier rol in het sexueele
+leven juist bestaat in aanlokken. De pure naaktheid lokt minder
+dan de zich beschaamd verbergende naaktheid. Omdat schaamte ten
+slotte hierop uitloopt, dat zij de vrouw begeerlijker maakt, daarom
+zorgt de vrouw onmiddellijk bij het tot rijpheid komen, dat zij zich
+schaamt, naar dit in haar omgeving betaamt, nooit anders. Die schaamte
+geldt dan altijd in de allereerste plaats lichaamsdeelen, die op de
+mannelijke omgeving de sterkste erotische aantrekking blijken uit
+te oefenen. Waar dit de voet is, daar zit de schaamte in den voet,
+waar het 't aangezicht is, daar zit de schaamte in het aangezicht, en
+zoo voort. De vrouwelijke schaamte gaat op en neer met de mannelijke
+zinnelijkheid. Waar de schaamte haar doel voorbij schiet, d.w.z. als
+zij zoo goed slaagt in haar wel schijnbaar, maar niet werkelijk beoogd
+doel: het erotisch offensief der mannen te keeren--daar wordt zij
+onmiddellijk gecorrigeerd en in de gewenschte richting gewijzigd en
+men haast zich het zoo schaamachtig verborgene desnoods openlijk aan
+de blikken prijs te geven. Wat het sterkst de mannelijke zinnelijkheid
+prikkelt, dat wordt bewust of onbewust als regel toegepast. Is dit de
+ingetogen schaamte, dan schaamt men zich ingetogen; wordt met luchtige
+opvattingen meer effect verkregen, dan worden die luchtige opvattingen
+gehuldigd. De schaamte is grootendeels modezaak en het is dan ook de
+mode die uitmaakt hoe en waarvoor men zich schamen moet. Blijkbaar
+denken ook de vrouwen er zelf ongeveer zoo over. "De reden, waarom de
+menschen zich hun naaktheid schamen," zegt Marie Bashkirtseff in haar
+_Journaal_, "is deze, dat zij hun kleine gebreken kennen. Was men er
+zeker van, geen vlekje op de huid noch een slechtgevormde spier of
+een misvormden voet te hebben, dan zou men zonder zich te schamen,
+naakt loopen. Men geeft zich hiervan geen voldoende rekenschap, en
+toch is dit en niets anders de oorzaak van onze schaamachtigheid. Hoe
+zou men ook kunnen aarzelen iets werkelijk schoons, iets waarop men
+trotsch kan zijn, te vertoonen? Wie heeft ooit sinds den tijd van
+koning Candaules, die zijn gasten met de onverhulde heerlijkheid zijner
+schoone vrouw verrukte, een schat of schoonheid bezeten en zich daarop
+niet beroemd? Even licht als men tevreden is met zijn aangezicht,
+even angstvallig en behoedzaam is men ten opzichte van de gebreken
+van het overig lichaam. Wie zich volmaakt weet kent de schaamte niet,
+de schoonheid is almachtig, ook tegenover de schaamte. Schaamte is
+vrees voor kritiek op de schoonheid van het lichaam."
+
+De sexueele schaamte is een erotisch lokmiddel. Dit lokmiddel is
+als zoodanig oorspronkelijk alleen der vrouw eigen en bij haar een
+natuurlijke neiging. Het ligt geheel in de lijn van de vrouwelijke
+rol in het geslachtsleven, die in schijnbaar afweren bij werkelijk
+lokken bestaat. Ook thans nog is het sexueele schaamtegevoel sterker
+ontwikkeld bij de vrouw dan bij den man. In den loop der tijden is
+de schaamte tot gewoonte geworden, een gewoonte zoo sterk, dat zij
+zich ook nog doet gelden in die momenten, waarin zij het minst op
+haar plaats lijkt. In de sexueele zeden en de sexueele moraal neemt
+deze gewoonte gewoonlijk het karakter aan van een deugd, waardoor
+haar voortbestaan ook van dien kant voldoende is gewaarborgd.
+
+Naaktheid wordt door natuurvolken nimmer als naaktheid gevoeld, zij
+weten niet dat zij naakt gaan; bij hen is de naaktheid natuurlijk
+en schaamte daarvoor is hun onbekend. Eerst als men het bekleeden
+van het lichaam heeft leeren kennen, ontstaat de schaamte over
+naaktheid. Waar naaktheid gewoonte is, werkt zij niet erotisch. Waar
+bekleeding gewoonte is, werkt reeds de minste ontblooting in hooge mate
+erotisch. En de bekleeding zelf werkt ook erotisch. Waar dit wordt
+ontdekt of begrepen, daar begint men zich onmiddellijk te gewennen
+aan kleeding en kiest terstond het dubbele erotische voordeel der
+kleeding boven de naaktheid.
+
+Men schuwt derhalve in beginsel de naaktheid niet uit schaamte,
+maar wijl daarvan onvoldoende erotische aantrekking uitgaat. Men
+grijpt naar kleeding niet uit schaamte voor de naaktheid, maar om de
+naaktheid begeerlijker te houden.
+
+Er is allerlei naaktheid: de nooit bekleed zijnde of natuurlijke
+naaktheid en de ontbloote of zinnelijke naaktheid. Verder nog
+artistieke naaktheid, die welke de kunst phantaseert.
+
+Aangezien de rol der vrouw in het liefdeleven bestaat in het passief
+uitoefenen van erotische aantrekking op de andere sexe, is de kleeding
+voor het vrouwelijk geslacht in meerdere mate een erotische kwestie
+dan voor den man, wiens rol van actieven aard is. Overal en ten allen
+tijde interesseert dan ook de vrouw zich veel meer voor kleeding dan de
+man. De hartstocht der vrouw voor kleeding is daarom, zij het veelal
+onbewust, van zinnelijken aard. Door haar kleeding verhoogt zij hare
+zinnelijke aantrekkingskracht, terwijl de natuurlijke zinnelijke
+bekoring der naaktheid er eveneens door verhoogd wordt. Ook als
+zoodanig vervult het sexueele schaamtegevoel getrouw zijn dubbele
+functie--het is tegelijkertijd het buitenste bolwerk der bedreigde
+kuischheid, en de uiterste voorpost in het gebied van de tegenpartij.
+
+Het schaamtegevoel brengt er toe de naaktheid te bedekken. Daardoor
+ontneemt het echter aan de naaktheid niet haar zinnelijke bekoring,
+maar onderhoudt die juist. De gewoonte, naaktheid te zien, verstompt
+zeer snel voor den zinnelijken prikkel daarvan. Door het schaamtegevoel
+blijft dus de zinnelijke bekoring van de naaktheid behouden.
+
+Het schaamtegevoel doet tevens voorwendsels aan de hand, om de
+natuurlijke zinnelijke bekoring van het lichaam tot in het onbegrensde
+te verhoogen. En wel door de kleeding. De kleeding, schijnbaar
+het middel om de naaktheid te bedekken, staat in werkelijkheid
+geheel en al in dienst der zinnelijke lokking, en vervult die
+rol onberekenbaar beter, zekerder en aanhoudender, dan de bloote
+naaktheid zou kunnen. Het schaamtegevoel, dat gebiedt de naaktheid te
+bedekken, stelt daarmee tevens instaat, de gebreken dier naaktheid te
+verbergen, de werkelijkheid te corrigeeren, omtrent die werkelijkheid
+in elke gewenschte richting volkomen om den tuin te leiden, al wat
+de zinnelijkheid maar verlangen kan te fingeeren.
+
+Zoo bezit speciaal de vrouw in het schaamtegevoel het voorwendsel
+om zich met alle ten dienste staande middelen begeerlijker te
+maken. Zoodoende dient haar het schaamtegevoel niet om het andere
+geslacht op kuischen afstand te houden en de gevaarlijke aandacht
+der licht ontvlambare zinnelijkheid van het andere geslacht af te
+leiden, maar juist om de phantasie van de andere sexe te prikkelen
+en nieuwsgierigheid op te wekken naar het schijnbaar zoo angstvallig
+verborgene.
+
+De schaamte prikkelt de zinnelijkheid ook door de aarzeling, die zij
+bij het verleenen van de eerste tot de laatste gunst doet betoonen. Het
+is toch het eigenaardige in het wezen van het geslachtsleven, dat
+elk beletsel, elk uitstel, iedere tegenstand de begeerte verhoogt
+en versterkt. De geslachtslust vereischt voor zijn bevrediging,
+zelfs dat aanvankelijk de bevrediging hopeloos schijnt. Alleen
+wanneer de voldoening stap voor stap nader komt, en de vesting
+stelling na stelling onder allerlei moeielijkheden wordt genomen,
+waarbij de eindoverwinning lang onzeker blijft, alleen dan wordt de
+eindelijke zege zoo genoten dat zij bevrediging schenkt. Naarmate de
+citadel gemakkelijker capituleert, wordt de overwinning minder op prijs
+gesteld. En tot dit gansche spel van zich stap voor stap en van gunst
+tot gunst te laten veroveren, wordt de passieve partij voor een groot
+gedeelte in staat, gesteld door het schaamtegevoel, dat aan dit spel
+tevens de natuurlijkheid verleent, die het effect ervan nog verhoogt.
+
+Schrijvers als Bachofen en anderen hebben uit de geschriften der
+klassieke oudheid een menigte mededeelingen verzameld, waaruit blijkt,
+dat bij tal van volken de geslachtelijke schaamte zich zelfs niet
+uitstrekte tot de handeling der geslachtsgemeenschap. Wij leeren
+daaruit volken kennen, die reeds een zekere mate van beschaving
+bezaten, en wier sexueele zeden op volgens onze begrippen nog
+zoo lagen trap stonden, dat zij in het openbaar en voor aller
+oogen geslachtsgemeenschap hadden. Zenobius verhaalt, dat de
+Berg-Massageten het iets heel gewoons vonden, op de publieke straat
+geslachtsgemeenschap te hebben. Strabo en Herodotus vermelden hetzelfde
+van andere Tartaarsche rassen. Apollonius, Xenophon en Diodorus hebben
+zulke zeden waargenomen bij de bergbevolking ter zuidkust van de
+Zwarte Zee. Wij mogen hieruit besluiten, dat er menschenmaatschappijen
+hebben bestaan, in wier beschaving schaamtegevoel voor sexueele dingen
+onbekend was.
+
+De schaamte heeft ook nog een anderen psychologischen ondergrond,
+ten minste bij den geciviliseerden mensch. Deze schaamt zich min
+of meer voor zijn geslachtelijke neigingen, wijl ze weinig in
+overeenstemming schijnen met zijn bewustzijn van waardigheid en
+superieuriteit. Het zwichten voor de zinnelijkheid schokt het met
+zooveel zorg gekweekte besef van verre verheven te zijn boven den
+"alledaagschen" mensch. Het zich vatbaar weten voor de paardrift brengt
+den eigenwaan aan het wankelen, want het dwingt tot de vernederende
+erkenning dat men zich trots alle zelfverheffing nog evenmin als
+wie ook heeft kunnen emancipeeren van de dierlijkheid. De maskers der
+beschaving en der inbeelding vallen af, de gedroomde meerderwaardigheid
+blijkt denkbeeldig; men blijkt nog altijd evenzeer dier te zijn
+als wie ook onder de verachten uit de omgeving. En dit alles wekt
+bij den geciviliseerden mensch een gevoel van vernedering en van
+schaamte tegenover zichzelven en tegenover anderen. Men voelt zijn
+waardigheid wankelen onder het besef dat men zwak is, hoe sterk men
+ook moge schijnen; dat men willoos tegenover de begeerte het andere
+geslacht naloopt, terwijl men den schijn aanneemt zooiets beneden
+zich te achten; dat men in het openbaar van esthetiek spreekt en
+van zelfbeheersching en zelfbedwang en deze in het geheim in het
+gezicht slaat. Nergens zoozeer als op het gebied der zinnelijkheid
+wordt de mensch, wat hij zich ook inbeeldt, zoo vernederend met
+den neus neergedrukt op het feit van zijn zwakte tegenover de
+natuur. Op geen enkel ander gebied drijft de natuur zoo den spot met
+'s menschen hoogmoed en trots, en wordt zijn fierheid ieder oogenblik
+zoozeer geknakt en verootmoedigd. Op geen ander gebied bevindt de
+mensch zich zoozeer een willoos werk- en speeltuig van redelooze
+natuurkrachten. En zelfs al slaagde hij erin, deze voor een tijd
+of voor altijd te overwinnen, dan zou hij wel iets hebben verloren,
+maar niet iets hebben gewonnen.
+
+Al deze overwegingen kunnen tot een zekeren afkeer van de
+geslachtelijke dingen leiden, tot minachting en tot schaamte over het
+feit, dat men niettemin dat verachte niet missen kan en niet missen
+wil, dat men doet wat men niet zou willen doen en evenmin zou willen
+laten, en dat men ten slotte evenzeer als het dier zijn schatting
+betaalt aan de natuur die in haar eischen geen verschil kent tusschen
+den mensch en het dier, en den mensch alleen den schralen troost laat
+van de mogelijkheid, bedoelde schatting te betalen in het geheim.
+
+Een ander merkwaardig verschijnsel bij het schaamtegevoel is de zeer
+verschillende localisatie van zijn hoofdzetel. Geen neiging is aan
+het lichaam zoo verplaatsbaar als de schaamte, geen aandrift kiest
+zich zoo grillig zijn zitplaats als deze.
+
+Het schaamtegevoel toch heeft volstrekt niet zijn zetel in de
+eigenlijke erotische sferen van het lichaam. De Mohammedaansche vrouw
+schaamt zich vooral voor haar aangezicht. In ongekleeden staat verrast
+is zij er alleen op bedacht haar aangezicht te verbergen. En zoo
+vertoont het schaamtegevoel naar tijd, ras en zeden, de zonderlingste
+wisselingen en ook daaruit blijkt dat het geen natuurlijk instinct is,
+maar een uitvloeisel van zede, gewoonte en opvoeding. De plaats aan
+het lichaam, waar de schaamte haar hoofdzetel heeft, is louter een
+kwestie van mode. Een absoluut schaamtegevoel bestaat niet, het is
+veranderlijk en van allerlei invloeden afhankelijk.
+
+In vele streken was of is het schaamtegevoel bijvoorbeeld
+gelocaliseerd op den voet. De ontblooting van den voet gold daar
+voor de vrouw als iets, wat de grenzen der coquetterie overschreed,
+dus als onfatsoenlijk en onbetamelijk. Wijl het schaamtegevoel altijd
+zetelt aan gedeelten van het lichaam waarvan sterke erotische bekoring
+uitgaat, of waaraan tenminste bijzondere erotische beteekenis wordt
+gehecht, mag men aannemen, dat daar, waar het schaamtegevoel der
+vrouw was neergestreken op den voet, de mannen op een óf anderen
+grond zich speciaal erotisch bezighielden met den voet. Wat toch
+voor de eene sexe erotische bekoring heeft, wordt door de andere
+sexe onmiddellijk schaamachtig verborgen gehouden. Vermoedelijk
+heeft men bij deze erotische belangstelling voor den voet der
+vrouw te doen met een verschijnsel van masochistisch servilisme,
+d.i. erotisch genieten in zelfvernedering voor de vrouw. En de vrouw,
+als gewoonlijk zonder zich al te veel rekenschap te geven van het
+wezen van het verschijnsel, was er met des te meer ijver op bedacht,
+het erotisch te exploiteeren. Men schaamde zich voor den voet minstens
+even sterk als voor de geheimste verborgenheden der genitale sferen. De
+coquetteerende voet werd zorgvuldig bekleed en verborgen gehouden en
+kwam slechts als bijzondere gunst uit zijn schuilhoek te voorschijn.
+
+De galante abbé Brantôme bericht: "In den vroegeren tijd had een mooie
+voet zooveel verleidelijks, dat kuische Romeinsche vrouwen en allen
+die kuisch wilden schijnen, beschroomd waren, hem openlijk den blikken
+prijs te geven, zoodat zij hem zooveel zij konden onder haar lang kleed
+verborgen hielden, waardoor haar gang zoo terughoudend en afgemeten
+was, dat hij nooit onder het kleed zichtbaar werd; en ook thans nog
+doen in navolging van dien ouden tijd desgelijks nog in Italië vele
+vrouwen". Gravin d'Aulnoy deelt van de Spaansche vrouwen der 17e eeuw
+mede: "Hare rokken zijn van voren en aan de zijden zoo lang, dat zij
+slepen, van achteren echter slepen zij niet. Zij dragen ze tot op
+den grond reikend, zoodat ze er bij het loopen op trappen, opdat men
+hare voeten niet zien kan, want deze lichaamsdeelen zoeken zij op het
+zorgvuldigst te verbergen. Naar ik verneem komt een dame eerst dan, als
+zij een heer reeds alle mogelijke tegemoetkomingen heeft betoond, er
+toe hem haar voet te toonen, als uiterste blijk van haar genegenheid;
+dit noemt men hier (in Spanje) de laatste gunst der liefde. Men moet
+toegeven, dat niemand zulke snoezige voetjes heeft, haar schoentjes
+zijn niet grooter dan onze poppenschoentjes. Die schoentjes zijn van
+kleurig marroquin, zonder hak, en omsluiten den voet even nauw als
+een handschoen. Als zij loopen, schijnt het of zij zweven; in geen
+eeuw zouden wij Françaises die manier van loopen kunnen leeren". Deze
+zelfde gravin vertelt ook, dat zij eens een voorname dame bezocht, die
+nog te bed lag, en alvorens op te staan, haar verzocht de deur af te
+sluiten, om verzekerd te zijn niet te worden verrast op bloote voeten.
+
+Een Duitsch auteur der 18de eeuw schrijft hieromtrent: "Zoo vrijgevig
+de Spaanschen waren met het exposeeren van de schoonheden van het
+bovendeel van haar lichaam, zoo angstvallig verborgen zij de onderste
+uiteinden. Eerbare vrouwen hielden haar beenen en voeten voor zoo
+ongenaakbaar en heilig, dat zij liever haar leven zouden gelaten hebben
+dan ze prijs te geven aan de blikken van een vreemd manspersoon. Opdat
+de voet nooit door een spiedenden blik kon worden ontwijd, droegen de
+Spaanschen een kleed dat zoo lang was, dat de voeten bij het loopen
+steeds geheel onzichtbaar bleven. Behalve de uiterste gunstbewijzen,
+die een vrouw vermag te schenken, was dit de grootste, dat de geliefde
+den minnaar haar voet toonde. De voeten en beenen der koninginnen waren
+zoo hoogheilig, dat het reeds een misdaad was er aan te denken; men
+begrijpt dus wat het zou geweest zijn er van te spreken. Toen prinses
+Maria Anna van Oostenrijk als bruid van Philips IV naar Spanje kwam,
+bood men haar in een stad waar groote fabrieken van zijden kousen
+waren, een aantal paren der kostbaarste dameskousen aan. De majordomus
+der toekomstige koningin wierp ze echter met verachting van zich
+met den uitroep, dat een koningin van Spanje geen kousen noodig had,
+daar zij immers geen beenen mocht hebben. De koninklijke bruid, dit
+hoorende, barstte in tranen uit en gaf te kennen dat ze naar Weenen
+terug wilde, want dat men er haar onkundig van had gelaten, dat een
+koningin van Spanje de beenen moesten worden afgezet. De zaak werd
+haar toen duidelijk gemaakt en men verhaalde het geval aan den koning,
+die zich niet weerhouden kon er om te lachen--het was een der drie
+keeren dat hij in zijn leven gelachen heeft."
+
+De geschiedenis der sexueele zeden kent ook een geval, dat de
+voetschaamte tengevolge heeft gehad dat van een geheel ras bij iedere
+vrouw de voeten van kindsbeen af volkomen worden verminkt. Dit is
+het geval bij de Chineezen. Deze zede is vooral in de Zuidelijke
+deelen van het uitgestrekte Hemelsche Rijk in zwang en inzonderheid
+bij de vrouwen der hoogere standen, zooals trouwens elke erotische
+zede het volledigst en tot haar uitersten in de hoogere kringen tot
+ontwikkeling kan komen--overal toch kan de vrouw haar erotische rol
+alleen dan ten volle vervullen, als zij niet behoeft te werken en
+zich kan laten bedienen. De voetverminking begint bij het vierde of
+het zevende levensjaar. Met verbanden worden de voeten zoo omwikkeld,
+dat ze bijna worden afgebonden. Daardoor wordt de groei niet alleen
+gestuit, maar de geheele voet schrompelt ineen tot een vormeloozen
+stomp. Zooveel mogelijk ontziet men daarbij den grooten teen. Hoe
+lang deze zede al bestaat, is niet bekend. Marco Polo en Ibn Batuta,
+die in de 13de en 14e eeuw China hebben bezocht, maken er met geen
+woord gewag van; maar volgens de Chineesche annalen is het gebruik al
+overoud. Waarschijnlijk is het 't allereerst in zwang gekomen onder
+de allervoornaamste vrouwen, die de reizigers natuurlijk niet te
+zien kregen--bij ongeciviliseerde en halfbeschaafde rassen worden de
+erotische pronkjuweelen altijd voor vreemdelingen angstvallig verborgen
+gehouden. Omtrent de bedoeling dezer verminking verkeerde men vroeger
+geheel en al in het onzekere. De oorzaak is natuurlijk hierin gelegen,
+dat de Chineezen deze, volgens onze begrippen afschuwelijke voeten,
+schoon vinden en de Chineesche vrouw verminkt haar voeten omdat zij
+daardoor over een erotisch machtsmiddel temeer beschikt.
+
+Matignon schrijft hieromtrent in de "Archives d'Anthropologie
+criminelle" (1898): "Het trok mijn aandacht, hoe groote liefhebbers
+de Chineezen zijn van pornografische afbeeldingen. En op ongeveer
+alle Chineesche pornografieën ziet men de mannelijke partij een
+vrouwelijken voet liefkoozen. Als een bewoner van het Hemelsche
+Rijk een vrouwenvoet in de hand neemt, dan is, vooral als hij
+bijzonder klein is, het effect hetzelfde als bij den Europeaan het
+betasten van een jeugdigen frisschen boezem. Alle Chineezen die ik
+hieromtrent ondervroeg, antwoordden mij eenstemmig: Heerlijk, een
+kleine voet! Jullie Europeanen kunnen niet begrijpen, hoe heerlijk,
+hoe verleidelijk, hoe onweerstaanbaar dat is! De aanraking van een
+kleinen vrouwen voet brengt den Chinees letterlijk in een erotischen
+roes en voert zijn zinnelijk verlangen op tot den hoogsten graad. Niet
+zelden klagen Chineesche christenen in de biecht over hun zwakheid
+tegenover de vleeschelijke bekoring, die den aanblik van vrouwenvoeten
+op hen uitoefent."
+
+Morache deelt mede, dat in China geloofd wordt, dat het verminken
+der voeten sterke vetafzetting aan den schaamheuvel, mons veneris,
+veroorzaakt; en ook aan de schaamlippen, zoodat zeer kleine voeten
+zeer weelderige ontwikkeling der geslachtelijke heerlijkheden
+aankondigt. Ook zou men in China gelooven, dat het niet kunnen loopen
+een verhoogden bloedsaandrang naar de schaamstreek veroorzaakt, zoodat
+kleine voeten het erotisch temperament en bijgevolg het vermogen
+geslachtsgenot te schenken, in sterke mate verhoogen. In elk geval
+weet men thans met volkomen zekerheid, dat de voetverminking der
+Chineesche vrouwen een erotischen grond heeft. Het schaamtevoel der
+Chineesche zetelt dan ook in hoofdzaak in haar voeten.
+
+Wij hebben boven reeds gezien, dat de localisatie van het
+schaamtegevoel in den voet niet uitsluitend bij de Chineezen is
+voorgekomen, maar elders is terug te vinden. Zoo is voorheen ook in
+Rusland de vrouwenvoet een voorwerp van erotische aanbidding der mannen
+geweest. P. Jacoby verhaalt omtrent Oost-Rusland: "Op heete dagen
+kan men de vrouwen hier zich onbeschroomd zien bewegen met ontblooten
+boezem, ja zoo goed als geheel ongekleed. Maar men zal ze nooit met
+bloote voeten zien en ook de naaste mannelijke bloedverwanten krijgt
+nooit den voet en het onderdeel van den voet der vrouwen te zien. Deze
+vrouwen hebben haar schaamte in de voeten en ook haar coquetterie. Den
+voet eener vrouw te ontblooten is hier voor den man de inleiding tot
+het uiterste en de aanraking van de voetbekleeding veroorzaakt bij hen
+dezelfde gewaarwordingen als bij den Europeaan het aanraken van een
+van het lichaam nog warm corset. De schoonheid der vrouw concentreert
+zich voor deze mannen in den voet. In de minnezangen der Mordwijnen is
+de voet de vrouwelijke bekoorlijkheid, die het meest geprezen en het
+vurigst bezongen wordt. Den voet tegenover een persoon van het andere
+geslacht te ontblooten geldt als een hoogst ongepaste sexueele daad en
+is zooveel als het symbool der sexueele overgave. Daardoor is de kous
+en de voetbekleeding daar een zinnebeeld van het huwelijk, evenzoo
+als elders de trouwring. Tegenwoordig nog is er in Oost-Rusland een
+traditioneel lied, dat jonge meisjes zingen bij het raden naar haar
+toekomstigen echtgenoot. Het thema van dat liedje is: kom en trek mijn
+kousen uit. Bij de volken in het Russische Noorden en Oosten moet de
+bruid zulks in den huwelijksnacht herhaaldelijk voor den bruidegom
+doen, elders is het de taak van den bruidegom; en dat heeft dan niet
+de beteekenis van een echtelijk gunstbewijs, maar van een echtelijke
+ceremonie. Bij de welgestelde burgerij en den kleinen adel stoppen
+de ouders van een bruidspaar geld in de kousen hunner kinderen als
+een cadeautje voor de andere partij, waarbij dan stilzwijgend wordt
+aangenomen, dat de jonggetrouwden elkander de kousen uittrekken als
+teeken van sexueele overgave en bezitneming."
+
+Het verminken van den voet met erotische oogmerken is ook onder de
+geciviliseerde volken zeer algemeen, hoewel men de zaak hier niet zoo
+tot het uiterste drijft als de Chineezen. Om de illusie te kunnen
+wekken van een kleinen voet te hebben persen ook de Europeesche
+vrouwen haar voeten gaarne in te nauw schoeisel. Met het gevolg, dat
+ook in Europa de vrouwen inplaats van fraaie, meest misvormde voeten
+hebben, met over elkander geschoven teenen en ontsierd door leelijke en
+pijnlijke eksteroogen. Vandaar schaamt ook de Europeesche vrouw zich
+haar voeten bloot te toonen, doch hierbij heeft men bij uitzondering
+te doen met schaamte die niet zinnelijke bekoring beoogt. De meeste
+vrouwen weten zeer wel dat zij leelijke voeten hebben; en zoo graag
+zij met het snoezig, bevallige laarsje coquetteeren, zoozeer schuwen
+zij het, den voet ontbloot te toonen. Aan badplaatsen behooren
+badpantoffels dan ook tot de onontbeerlijke bestanddeelen van het
+badtoilet. De ontgoocheling der ontblooting is wel het sterkste bij
+den voet.
+
+
+
+Doordat het schaamtegevoel zich zoo verschillend uit, worden
+volksstammen, die zich anders schamen dan wij, veelal voorgesteld als
+geen schaamte te bezitten. Met dit oordeel moet men echter uiterst
+voorzichtig zijn. Zelfs bij natuurvolken, die nog staan op den
+laagsten trap van geestelijke ontwikkeling, zijn sporen van een meer
+of minder ontwikkeld schaamgevoel te vinden. Zeer algemeen wordt gemis
+van kleeding, naakt-gaan, met gebrek aan schaamtegevoel verward. De
+geheele of nagenoeg geheele naaktheid van vele volksstammen is zeer wel
+vereenigbaar met een hoog-ontwikkeld schaamtegevoel; omgekeerd is het
+zich bedelven onder kleeding volstrekt geen waarborg voor het bestaan
+van het meest elementaire begrip van betamelijkheid en decentie.
+
+Aan den anderen kant schijnt het schaamtegevoel, waar het eenmaal
+bestaan heeft, wel voor verzwakking vatbaar, maar niet voor algeheele
+uitroeiïng. Zelfs bij de meest verdierlijkte prostituées blijkt altijd
+nog eenig spoor van schaamte overgebleven, hoe ook hare gedragingen
+het tegendeel schijnen te verkondigen. "Slaat men ze slechts wat
+nauwkeuriger en in bepaalde omstandigheden gade, zegt Parent-Duchatelet
+(in _Zedenbederf der Parijsche vrouwenwereld_), dan blijkt, dat zelfs
+de grootste moreele ontaarding dit gevoel toch niet geheel en al heeft
+kunnen vernietigen en dat er bij velen ten minste nog sporen van zijn
+overgebleven. Komt b.v. een vreemde in de visitatiekamer der prefectuur
+of der gevangenissen, op het oogenblik dat zij ontkleed staan voor
+het onderzoek, dan ziet men ze oogenblikkelijk de armen over de borst
+kruisen en zich zooveel mogelijk bedekken. Schaamteloos gedragen zij
+zich alleen jegens hare minderen, dat zijn hare mannelijke bezoekers,
+maar voor anderen leggen zij dikwijls een bijna normaal vrouwelijk
+schaamtegevoel aan den dag. Niet zelden ziet men ze blozen, wanneer
+ze gedwongen zijn zich voor meerdere mannen te ontblooten. Bij het
+reglementaire onderzoek wenden zij zich gaarne altijd tot denzelfden
+arts, zij komen alleen op de uren waarop zij zeker zijn dezen te zullen
+vinden. En wie zulks heeft meegemaakt, weet welk een diepen indruk het
+onderzoek en de demonstratie harer geslachtsziekten voor een talrijk
+auditorium op deze vrouwen maakt. Allen, zonder uitzondering, ook de
+meest schaamteloozen, worden tijdens zulk een onderzoek slag op slag
+vuurrood en blijkbaar is het voor haar een marteling."
+
+Ook uit deze schaamte der schaamteloozen van beroep blijkt de
+zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel. Zoodra de naaktheid
+blijkt onverschillig te laten of zelfs walging en afkeer te wekken,
+keert het schaamtegevoel onmiddellijk terug, als een poging der natuur
+om het gebroken evenwicht te herstellen.
+
+Een andere eigenaardige kant van het schaamtegevoel bij de
+geciviliseerde volken is, dat het zich niet uit tegenover alle
+soortgenooten, maar voornamelijk tegenover standgenooten. Vooral
+is dit het geval met het vrouwelijk schaamtegevoel. Tegenover den
+huisknecht werkt bij de voorname dame het schaamtegevoel haast even
+weinig als tegenover den huishond. Men acht het beneden zich, men
+schaamt zich, tegenover zoo iets als de knecht zich precies zoo te
+schamen als jegens den maatschappelijk gelijke. Duidelijk straalt
+hier weer de zinnelijke ondergrond van het schaamtegevoel in door:
+schaamte veronderstelt de mogelijkheid van begeerd te worden, en alleen
+reeds de gedachte daaraan beleedigt den maatschappelijk meerdere.
+
+Zeer sterke voorbeelden van gemis aan schaamte bij voorname
+vrouwen jegens personeel zijn bekend uit alle tijden en streken,
+waar bijvoorbeeld slavernij of lijfeigenschap heeft bestaan, voor
+zoover daarvan tenminste kultuurhistorische bijzonderheden bekend
+zijn. Slaven en lijfeigenen, die geen personen maar slechts dingen
+waren, kende men geen schaamte toe, en men schaamde zich ook niet
+voor hen. Een der meest krasse voorbeelden daarvan verhaalt Masson
+in zijn _Mémoires secrets sur la Russie_. Een Russische edelvrouw
+ging met een Française wandelen in een voor het publiek toegankelijk
+park. Twee lijfeigenen, lakeien, volgden op eenigen afstand. Onderweg
+moest de Russin aan een natuurlijke behoefte voldoen. Zij wenkte
+hare lijfeigenen, ging een weinig van den weg af, liet zich door
+de beide mannen de rokken lichten, en verrichtte, op hen steunend,
+de affaire. Op de ontstelde vraag van de Française, die iets van
+mannenoogen stotterde, antwoordde de Russin met eenige bevreemding,
+dat het toch maar slaven en geen mannen waren.
+
+Ditzelfde beneden zich achten van schaamte tegenover den mindere
+openbaart zich op velerlei manieren bij ongeveer allen voor wie
+bediend te worden door gewoonte tot een recht is geworden. Tegenover
+huisknecht of dienstmaagd acht men het zelden noodig pikante geheimpjes
+al te zeer te verbergen. Bij het toilet onttrekt men zich zorgvuldig
+aan de blikken van standgenooten, maar bekommert zich weinig om het
+personeel, en voor het kamermeisje heeft men in het geheel niets te
+verbergen. Evenzoo ten opzichte van het negligé en tal van andere
+dingen.
+
+Er ligt voor vele naturen, in het bijzonder voor zinnelijk verruwde
+gemoederen, een hevig erotisch genot in het beleedigen van anderer
+schaamtegevoel. Dit verschijnsel wordt veel meer bij mannen waargenomen
+dan bij vrouwen, en de meest algemeene vorm waaronder het optreedt,
+is het bezigen van woorden en uitdrukkingen, die op geslachtelijke
+dingen betrekking hebben, het vermaakscheppen in wat men verstaat
+onder liederlijke taal, het zingen van vuile liederen, het vertellen
+van pornografische aardigheden. Een ander veelvuldig voorkomende
+vorm is het schrijven van woorden of uitdrukkingen van sexueelen
+aard op plaatsen waar ze velen noodzakelijk onder de oogen moeten
+komen. Voor velen schijnt het een sadistisch genot, vrouwen luid een
+obsceen woord toe te roepen.
+
+Een andere vorm is de dusgenaamde exhibitie. Deze bestaat hierin,
+dat men met erotische oogmerken om anderer schaamtegevoel te kwetsen,
+lichaamsdeelen, waarop het schaamtegevoel gelocaliseerd is en wat
+de schaamte dus gebied te verbergen, exhibiteert (tentoonstelt,
+zien laat). Dit kan geschieden zoowel in natura als met afbeeldingen
+en voorstellingen.
+
+Waar zulks uit strafrechtelijk oogpunt gewaagd kan worden, grijpt
+de neiging tot exhibitie alle mogelijkheden aan--ontblooting
+der genitaliën en der nates, naaktloopen, openlijke onanie
+en dergelijke. Doch zulks nadert dan reeds het gebied van het
+geslachtelijk abnormale.
+
+Exhibitie bezielt ook de vrouwen, die elke gelegenheid aangrijpen om
+kunstenaars als model te dienen of die zich telkens en telkens weer
+door artsen laten onderzoeken. Ook de voorstellingen van worstelaars,
+athleten enz. hebben een sterk exhibitischen bijsmaak. De echte
+exhibitie is trouwens mannen misschien nog meer eigen dan vrouwen.
+
+Min of meer schijnt ieder mensch, man zoowel als vrouw, van nature
+neiging te bezitten tot exhibitie; de vrouw die met haar decolleté
+coquetteert, en de man, die een zoo nauwen pantalon draagt dat alle
+lijnen daarin scherp uitkomen, exhibiteeren. De medische wetenschap
+leert, dat de exhibitie bij sommige individuen ten volle den
+bijslaap kan vervangen en geslachtelijke bevrediging ten gevolge kan
+hebben. Ongetwijfeld speelt hierbij echter geslachtelijke nerveusiteit
+een groote rol.
+
+Het exhibiteeren veronderstelt opzet om het schaamtegevoel te
+beleedigen, of om uiting te geven aan een werkelijke of voorgewende
+erotische spanning. Niet dus het eenvoudig zichtbaar laten of toonen
+is exhibitie. Een en dezelfde handeling bijvoorbeeld kan voor de een
+exhibitie zijn, terwijl zij het voor de ander niet is. Zulks hangt
+geheel af van de opvattingen van het milieu en de daarin gehuldigde
+sexueele moraal. "Een zielszieke, zegt Stoll, die met ontbloote penis
+voor het raam staat om de aandacht van passeerende vrouwspersonen
+te trekken, en kerels, die, als er geen politie in de nabijheid is,
+voor voorbijgaande meisjes en vrouwen hun penis ontblooten en daarmee
+onanistische manipulaties bedrijven, plegen exhibitie, maar de Negers
+van de kust van Mozambique, die vroeger geen andere schaambedekking
+hadden dan een soort suspensoir om den penis, worden door de vrouwen
+van hun stam in het minst niet van exhibitische bedoelingen verdacht,
+daar zij van der jeugd af aan den aanblik daarvan gewoon zijn." De
+prostituée der Europeesche bordeelen, die in laag uitgesneden robe
+haar borsten tentoonstelt voor een ieder, die de oogen maar op wil
+slaan, beoogt exhibitie; de meisjes van de tallooze volksstammen in
+tropische gewesten die gewoon zijn het bovenlichaam geheel onbedekt
+te laten, doet weliswaar hetzelfde in nog sterker mate als bedoelde
+prostituées, maar met geen zweem van exhibitische oogmerken. De
+danseres onzer Europeesche balletten, die bij hare evoluties voor
+de tooneelkijkers van kaalhoofdige schouwburg-habitués haar beenen
+opgooit en bij oogenblikken in de wolken van gaas en kant de lijnen
+van haar dijgewricht ter observatie geeft, simuleert exhibitie;
+maar der inboorlinge van het Gazellenschiereiland op Nieuw-Pommeren,
+die geheel naakt en zelfs met geëpileerd schaamhaar ter markt komt,
+is elke gedachte aan exhibitie vreemd. In de landen der strengste
+Mohammedaansche orthodoxie zou een vrouw, die zich ongesluierd op
+straat vertoonde, in de oogen harer geloofsgenooten exhibitie begaan,
+gelijk dit bij de Egyptische danseressen dan ook inderdaad het geval
+is, als zij bij haar optreden haar gezicht vertoonen. Daarentegen
+zou het belachelijke onzin zijn bij de Europeesche, die hetzelfde
+doet: haar gelaat onbedekt laten, exhibitische bedoelingen te
+veronderstellen, terwijl het zoo geliefkoosde decolleté en het
+ontblooten der armen (anders dan bij den arbeid) weer niets dan
+exhibitie is. Zoo hangt het geheel van de heerschende sexueele zeden
+en opvattingen af, of het toonen van welk lichaamsdeel ook, exhibitie
+bedoelt of niet. Met lichaamsdeelen die sexueel volkomen indifferent
+zijn, kan elders de grofste exhibitie worden bedreven.
+
+
+
+
+
+
+VI.
+
+DE TOENADERING DER SEXEN.
+
+
+Bij ieder normaal ontwikkeld menschelijk wezen leeft physiologisch en
+psychologisch een krachtige drang naar de andere sexe. Natuurwetten
+hebben de geslachtelijke scheiding doen ontstaan en, sexueel gesproken,
+den geheelen mensch gesplitst in twee helften: man en vrouw. Diezelfde
+natuurwetten hebben echter een sterk verlangen naar toenadering bij
+beide sexen achtergelaten. Zonder dat verlangen zou de voortplanting
+onmogelijk zijn geworden en in de natuur drijft en dringt juist alles
+tot voortplanting en instandhouding der eenmaal ontstane soort.
+
+Ten behoeve dier toenadering is de mensch van nature toegerust met
+een reeks neigingen, waartegen ook de machtigste wilskracht op den
+duur niets vermag. Alle voorwaarden zijn in den mensch aanwezig om
+hem in een eventueelen strijd tegen het sexueel verlangen, vroeg of
+laat te doen bezwijken. De macht der individualiteit is altijd minder
+sterk dan de macht der sexualiteit.
+
+Aangenomen mag worden dat het sexueel verlangen gemiddeld bij beide
+geslachten in even sterke mate aanwezig is. Het openbaart zich bij
+beide geslachten echter niet op dezelfde wijze.
+
+Het onderscheid tusschen den mannelijken en den vrouwelijken
+aard openbaart zich reeds bij de ei- en de zaadcel. Ja, zelfs
+komt die aard bij deze scherper uit dan in menig ander stadium der
+ontwikkeling. Reeds in deze eerste levensbeginselen komt de speciaal
+mannelijke en de speciaal vrouwelijke rol in het geslachtsleven ten
+duidelijkste uit. De jacht van de zaadcel op de eicel is een beeld van
+het geheele leven der sexen. De eicel is passief, en afwachtend en haar
+eenige taak is aantrekkingskracht uit te stralen, de zaadcel tot zich
+te trekken, als de magneet het ijzer. De zaadcellen daarentegen zijn
+bewegelijk, onrustig, uiterst gevoelig voor de bekoring, die uitstraalt
+van het vrouwelijk element. Zij worden de eicel op afstanden, die
+vele honderdduizenden malen hun eigen lengte kunnen bedragen gewaar,
+en stormen er trillend van begeerte als in een razenden wedloop
+op af. Talloozen komen onderweg om, uitgeput door de bovenmatige
+inspanning die het hun kost hun dik kopje met het dunne zweepachtige
+staartje kronkelend voort te bewegen. Maar velen bereiken toch nog
+het zoo vurig begeerde doel en omzwermen het eitje als een wolk vurige
+aanbidders. Evenwel, velen zijn geroepen, maar slechts een enkele is
+uitverkoren. Voor dien uitverkorene opent zich het kleine genadepoortje
+in den vliezigen celwand, en de bevoorrechte glipt het vrouwelijk
+cellichaam binnen, om er levenverwekkend mee samen te smelten.
+
+
+
+Precies hetzelfde speelt zich af in het verkeer der sexen, dat aan
+de handeling der bevruchting voorafgaat. De vrouwelijke aard bestaat
+in uitstraling van zinnelijke bekoring naar de geheele omringende
+mannenwereld. Die bekoring is deels onbewust, deels bewust. Het
+vrouwelijk wezen op zich zelf al oefent op de mannenziel een machtige
+bekoring uit--voor den man is iedere vrouw als omgeven door een
+wolk van zinnelijke aantrekking. Die natuurlijke aantrekking weet
+de vrouw met tallooze hulpmiddelen nog oneindig te versterken. De
+zoo door natuurlijke en kunstmatige bekoringen aangelokte mannen
+omzwerven de vrouwen als een drom vurige aanbidders, evenals de
+zaadcellen de eicellen. En ook hier weer zijn velen geroepen, maar
+een eenige slechts is uitverkoren. De jacht van den man op de vrouw,
+waarbij de man begint als jager, om te eindigen als de gevangene van
+het doel zijner jacht, zal zich als het tenslotte komt tot het door
+de nature beoogde einddoel, weer precies zoo tusschen zaad- en eicel
+op de geschetste wijze herhalen, echter in veel sneller tempo en met
+veel grooter zekerheid dat het doel werkelijk zal worden bereikt. Want
+in het liefdespel der sexen worden vele eenmaal aangeknoopte banden
+weer verbroken, beide partijen kunnen tot het laatste oogenblik de
+verbintenis alsnog doen eindigen, maar het door zaadcellen bedreigde
+eicelletje is reddeloos verloren, de drang der natuur kan op dat punt
+niet meer worden gestuit.
+
+
+
+Wij willen hier het even liefelijke als dramatische spel der
+wederzijdsche toenadering van nog een paar andere kanten beschouwen.
+
+Van nature gevoelen de beide sexen zich tot elkander aangetrokken. Dit
+is een algemeene wet der natuur. Geheimzinnige krachten voeren de
+sexen tot elkander. Het is als een zesde zintuig, dat den mensch
+voortdurend de andere sexe doet zoeken, begeeren en vinden.
+
+De zinnelijkheid is voor het individu veelal eenvoudig doel, maar in de
+ordening der natuur is zij het middel tot bestendiging van het leven,
+en zij werkt bij alle menschelijke wezens, zonder uitzondering. En de
+zinnelijkheid werkt zoo, dat ze den mensch met onweerstaanbare aandrang
+er toe aandrijft, gemeenschap met de andere sexe te begeeren. Dit
+doet den mensch hunkerend rondzoeken naar bevrediging, en zijn
+begeeren, aanvankelijk gericht op de gansche andere sexe, vestigt
+zich tenslotte op een bepaald persoon, en wel op die, welke het meest
+overeenkomt met zijn erotisch ideaal, m.a.w. op de persoonlijkheid,
+die het meest voldoet aan zijn zinnelijken smaak--verondersteld blijft
+hierbij natuurlijk, dat geen andere factoren de keus bepalen. Is het
+individu, welks keus is bepaald, een man, dan is het volgende wat hem
+te doen staat, het voorwerp van zijn keuze op een of andere wijze van
+dit feit in kennis te stellen. Bij den man is de keuze en het kenbaar
+maken daarvan vrij en van zijn min of meer tactvol optreden kan dan
+afhangen of zijn keus de verlangde gemeenschap tengevolge heeft of
+niet. De vrouw daarentegen gevoelt in hetzelfde geval zich genoopt
+haar keus te verzwijgen. Zij mag alleen kiezen uit wat zich haar
+aanbiedt. Zij heeft ten deze niet de vrijheid, die de man heeft. Van
+haar wordt een afwachtende houding verwacht. Vandaar is er bij de vrouw
+van een vrije geslachtelijke keuze geen sprake. Wijl dit verschijnsel
+in het zinneleven der dieren ook kan worden waargenomen, schijnt het
+normaal en door de natuur gewild. Hoe dit zij, in de sexueele zeden
+van alle tijden en volken vinden wij den man het recht toegekend--en
+in toepassing brengen--zijn keus kenbaar te maken en openlijk naar
+het bezit van het voorwerp zijner keuze te dingen; terwijl de keus
+der vrouw beperkt is tot het recht om een desbetreffend aanbod
+te accepteeren of van de hand te wijzen. Bij beide sexen heeft
+zich deze verhouding ontwikkeld tot de hoogste wet in het sexueele
+leven. De vrouw, die haar keus op dezelfde wijze als de man kenbaar
+zou maken, zou daarmee tegen alle sexueele gebruiken zondigen. En
+wat haar wellicht nog het meest in haar passieve rol doet berusten,
+dat is dit andere verschijnsel, dat het bezit van de zich aanbiedende
+vrouw in den regel door den man weinig of niet wordt begeerd, en in
+elk geval niet hoog wordt gewaardeerd. Zoo werkt alles er toe mede
+dit zoo in stand te houden.
+
+De vrouwelijke passiviteit in het liefdeleven openbaart zich in
+velerlei vormen en graden en soms is, oogenschijnlijk tenminste, het
+verschil met de mannelijke activiteit zeer gering. Er zijn vrouwen,
+die als Mohammed tot den berg weten te gaan, als de berg niet tot
+Mohammed komt. Tal van vrouwen erkennen dit openlijk en eischen het
+recht daartoe voor de vrouwenwereld op. Zoo schrijft Frieda von
+Bülow in _Einsame Frauen_: "Men zegt: de man moet kiezen en der
+vrouw het hof maken, de vrouw moet afwachten. Dit generaliseeren
+is domme onzin, zooals zooveel wat zich voor wijsheid uitgeeft. Er
+zijn mannen die beslist het hof gemaakt en ook gekozen moeten worden
+en uit zichzelf nooit den moed zullen vinden zich aan een vrouw te
+verklaren. Daarentegen zijn er vrouwen, met wier aard lijdelijkheid
+geheel en al in strijd is en die zich daar volstrekt niet in zouden
+kunnen schikken. Ik zelf bijvoorbeeld ben gewoon mij altijd zelf mijn
+tafelburen en mijn cavalier bij den dans uit te kiezen. Mannen, wier
+omgang mij van te voren niet aanstaat, laat ik ook niet de gelegenheid
+mij te naderen."
+
+Intusschen, al moet men toegeven, dat er vrouwen zijn, die de kunst
+verstaan gracieus de rollen om te keeren en toch ten volle vrouw te
+blijven, valt toch niet te ontkennen, dat dit uitzonderingen zijn op
+den algemeenen regel. De meeste vrouwen geven er de voorkeur aan zich
+het hof te laten maken en weten zich uitmuntend in hare dusgenaamde
+passiviteit, die in werkelijkheid zeer actief is, te schikken en
+daarin te berusten.
+
+Uit den aard der zaak is de rol der vrouw in het liefdeleven
+gecompliceerder, dus interessanter, dan die van den man. Om deze reden
+zal elke studie van den sexueelen omgang zich meer met de vrouw bezig
+houden dan met den man. De rol der vrouw is wel schijnbaar passief en
+afwachtend, maar in werkelijkheid is zij even actief en offensief als
+de rol van den man. Maar bij de vrouw is de erotische activiteit van
+geheel anderen aard--zij trekt den man, bewust of onbewust, tot zich,
+zij wekt den zinnelijken honger der mannen op en prikkelt die door
+te dralen met de bevrediging en op honderd andere manieren en zoo is
+de passieve vrouw in het liefdeleven de eigenlijke hoofdpersoon. De
+man is de betooverde, die handelt onder den invloed van sexueele
+dwanggevoelens.
+
+De toenadering der beide sexen voltrekt zich, wanneer het door
+de natuur aangewezen pad wordt bewandeld, niet plotseling, maar
+integendeel zeer langzaam en geleidelijk. Vóór het komt tot de
+handeling die de natuur wil, en die beide sexen al of niet klaar
+bewust willen, doorloopen beide partijen velerlei phases, die elk
+voor zich de bron kunnen zijn van aangename gewaarwordingen en van
+die zielstoestanden, die men in het algemeen noemt geluk. Langzaam en
+geleidelijk brengen geheimzinnige krachten met onuitputtelijk geduld
+beide helften van het geslachtelijk geheel in elkanders sfeer van
+sexueele aantrekking, laden ze beide met de levenwekkende electriciteit
+van den hartstocht, en voeren ze zoo tot elkander als twee wolken die
+den bliksem dragen. Tot tenslotte op een gegeven moment plotseling
+het contact tot stand komt en het tusschen beide partijen tot een
+verklaring komt, die over beider toekomst beslist.
+
+Aanvankelijk is er bij beide sexen schuwheid jegens elkander, de
+ontluikende bloemen schijnen elkander eer te ontwijken dan te zoeken;
+tusschen beide bestaat een onbewuste schroomvalligheid, die zich uit
+in onhandige verlegenheid.
+
+Het eerste ochtendgloren van het mysterie der liefde hult zich in
+onbestemde nevelen, en jonge onbedorven zielen worden aanvankelijk
+gescheiden gehouden door een zwijgend misverstand. Het eerste ontluiken
+der liefde is als een half-onbewuste worsteling, waarbij de jongeling
+beschroomdheid aan den dag legt en het meisje stoutmoedigheid--in deze
+eerste phase, waarin beide sexen elkander pogen te naderen, nemen zij
+als het ware elkanders hoedanigheid aan. Er is eerst vereering op een
+afstand, zwijgende aanschouwing, onbegrepen vergoding, waarvan men
+het niet waagt te spreken, waarvan men zich alleen bewust is, dat het
+iets is en dat men het moet verbergen. Zoo kan het liefdeleven in zijn
+eindelooze verscheidenheid een aanzienlijk deel van het bestaan der
+individuën vullen, alvorens de natuur _haar_ doel met dit alles ziet
+bereikt. En vooral dit voorspel, dat dit gezamenlijk bezwijken voor
+den machtigen drang der natuur voorafgaat, is voor ons in dit werk
+van belang en hiermede zullen wij ons dan ook in hoofdzaak bezighouden.
+
+Bij het tot elkander voeren der geslachten bedient de natuur zich van
+ongeveer alle zintuigen, gelijk wij in een afzonderlijk hoofdstuk,
+hierover handelend, zullen trachten aan te toonen. Ieder individu is
+met al zijn zintuigen gevoelig voor de bekoring die tot hem uitgaat
+van het andere geslacht. Deze bekoring neemt gewoonlijk den vorm aan
+eener opzettelijk aangewende lokking. Dit lokken geschiedt niettemin
+slechts tot op zekere hoogte opzettelijk, het zetelt niet in den
+overleggenden wil, evenmin als dit het geval is met de aantrekking
+die van de magneet uitgaat naar het ijzer. De lokking, die het eene
+geslacht uitoefent op het andere, is een bloot natuurlijke functie,
+die echter, evenals iedere natuurlijke functie, door den mensch min
+of meer kan worden beheerscht, geoefend en versterkt.
+
+Het groote natuurlijke en daarom op zichzelf onbewuste lokmiddel der
+vrouw is de _maagdelijkheid_. De bekoring der maagdelijke onschuld
+op de sexueele psyche van den man is onweerstaanbaar, en de jacht
+van de mannelijke zinnelijkheid geldt in de eerste plaats de virga
+intacta. "De maagdelijkheid", zegt Hippel in _Ueber die Ehe_, "is de
+Meimaand van het jaar, de bloesem der boomen, de dageraad van den dag;
+de maagdelijkheid is een zoo teere zaak, dat men er ternauwernood
+van kan spreken, zonder ze te bezoedelen".
+
+Onder de Alexandersagen komt een sprookje voor van heerlijke bloemen
+in het woud, uit wier roode en witte kelken, als in de lente de
+sneeuw gesmolten is, liefelijke feeën te voorschijn treden, die
+den ganschen zomer bij vogelenzang en bloemengeur hun heerlijke
+jeugd genieten. Maar als de herfst komt, als de bronnen ophouden te
+vlieten, bloemen en bladeren verwelken en verdorren, dan verdwijnen
+deze liefelijke kinderen der bloemen en hun kort leven vergaat. De
+wonderkinderen van dit sprookje zijn de maagdelijke vrouw, zooals de
+mannelijke phantasie zich die gaarne droomt.
+
+De maagdelijke vrouw straalt een onuitsprekelijke bekoring uit. In de
+voorstelling veler volken en godsdiensten is de maagd een wezen van
+bovenmenschelijke reinheid, toegerust met bovennatuurlijke krachten. Er
+is nauwelijks iets, dat in de sexueele zeden een zoo groote rol speelt
+als de maagdelijkheid.
+
+De eeredienst der maagdelijkheid, zegt Ploss in _Das Weib in der
+Natur- und Völkerkunde_, is een esthetisch dogma, dat uitgaat van
+de opvatting, dat de sexueele ongereptheid der jonge vrouw een zeer
+bijzondere zedelijke waarde heeft. In deze waardeering van de intacte
+sexualiteit der vrouw valt door de gansche beschavingsgeschiedenis heen
+een naturalistische en een idealistische opvatting waar te nemen. Zelfs
+bij de natuurvolken vallen sporen van een zekeren graad van eerbied en
+zedelijk ontzag voor de maagdelijkheid te bespeuren. Bij de beschaafde
+rassen geldt het als iets natuurlijks, in de ongereptheid en reinheid
+van den maagdelijken toestand het ideaal der kuische en heerlijke
+vrouwelijkheid te vereeren. Reeds in het oudste Germaansche recht
+werd de maagdelijkheid als iets eerbiedwaardigs beschouwd, en de
+Christelijke godsdienst kende aan een kuisch maagdelijk leven een zoo
+hooge beteekenis toe, dat vele gehuwd geweest zijnde vrouwen later tot
+heiligen zijn verheven, omdat zij ook in den echtelijken staat haar
+maagdelijkheid ongeschonden hadden bewaard. En hoewel bij de Germanen,
+sinds zij tot het Christendom overgingen, de oorspronkelijke eerbied
+voor de vrouw in het algemeen allengs verminderde, wijl de geestelijke
+met het oog op den zondeval in het Paradijs hen leerde de vrouw als
+een onrein wezen, als de verleidster van den man te beschouwen, toch
+bleef bij hen de eerbied voor de maagdelijke reinheid ongeschokt. In
+den Christelijken godsdienst, hoewel die de _vrouw_ als de oorzaak van
+de eerste zonde en daarmee van alle zonde beschouwt, heeft de vereering
+der moeder Gods als de onbevlekte maagd Maria de _maagdelijke vrouw_
+omgeven met een wolk van hemelschen luister. En nog allerlei andere
+dingen hebben er toe bijgedragen, dat de ideale beteekenis van het
+begrip maagdelijkheid in onze hedendaagsche beschaving behouden
+is gebleven.
+
+De legende van de heilige Ursula en haar elfduizend maagden, zegt
+Mantegazza, is door de geleerden en de geschiedvorschers slecht
+uitgelegd. Zij beteekent, dat de maagdelijke vrouw een gansch legioen
+kleinere maagdelijkheden in zich omdraagt, die de een na de ander
+bemind en veroverd willen worden. Zelfs in het oogenblik des doods
+blijft er in de vrouw nog veel maagdelijks over.
+
+De oude beschavingen kenden aan de maagdelijkheid allerlei mystieke
+beteekenissen toe. Aan den hemel der oudheid reeds schitterde het
+sterrenbeeld van de Maagd als personificatie van Dice, de strenge
+godin van de straffe, onbuigzame gerechtigheid, die in de gouden eeuw
+als Astrea, Sterrenmaagd, op aarde leefde en in de ijzeren eeuw als
+de laatste der godheden naar den hemel ging.
+
+Door de Maria-vereering kreeg vooral in de sexueele zeden der
+Christenheid de maagdelijkheid der vrouw een verheven-mystieke
+beteekenis. In de eerste tijden van het Christendom hebben de
+kerkvaders zich beijverd om de opvattingen omtrent de virginiteit der
+christenvrouw een heiliger en verhevener karakter te verleenen, dan
+zij had bij de concurreerende heidensche religies. Ook in dit opzicht
+moest met alle middelen het Christendom worden voorgesteld als een
+geheel nieuwe leer, van hooger orde en direct van bovenaardschen
+oorsprong. En zoo werd bij elke gelegenheid, die zich voordeed,
+de christelijke maagdelijkheid voorgesteld als bij uitstek rein en
+verheven, stralende met den luister van hemelsche heerlijkheid. De
+kerkvaders hebben geen woorden genoeg om de reinheid der christelijke
+maagden te verheerlijken en op de Vestaalsche maagden der Romeinen
+te smalen en deze verdacht te maken en hare echtheid of wel hare
+belangeloosheid te betwijfelen. "Hoe zou men de Vestaalsche maagden
+kunnen prijzen?" vraagt Ambrosius; "maagdelijkheid als kostwinning
+is geen maagdelijkheid, alleen die, welke ontspruit uit liefde voor
+de deugd; het is geen maagdelijkheid, die in het openbaar wordt
+gekocht of gehuurd". En aan keizer Valentinianus II schreef hij:
+"Gij bezit hoogstens een zevental Vestaalschen, en die waren nog
+jonge kinderen, toen zij zich aan Vesta wijdden. En dat zijn dan
+alle maagden, waarop het heidendom bogen kan. Zeven ongelukkigen,
+die men met het vooruitzicht op pracht, weelde, tallooze slaven
+en groote inkomsten heeft verleid tot haar maagdelijkheid, en die
+daarin alleen staande blijven door de hoop dat zij in weerwil van haar
+gelofte toch niet als maagd zullen behoeven te sterven".--"Kan men",
+zoo vraagt dezelfde Ambrosius in het eerste boek van zijn werk _De
+Virginitate_, "de Vestaalsche maagden en de priesteressen van Pallas
+Athene vergelijken met onze christelijke maagden? Wat beteekent
+een maagdelijkheid zonder zuiverheid van zeden, wat is de waarde
+van een maagdelijkheid die als een drukkenden last tegen belooning
+wordt aanvaard voor een bepaalden termijn, inplaats dat men uit
+innerlijken aandrang haar vrijwillig zich oplegt? Maagdelijkheid,
+die men zich heeft voorgenomen op een zeker tijdstip te verbreken,
+staat niet hooger dan gewone lichtzinnigheid. En wat te denken van
+een godsdienst, die op die manier van de jeugd schijn-kuischheid
+koopt en bij de ouderen onkuischheid toelaat! Neen, de Vestaalsche
+maagden zijn niet waarlijk maagdelijk, want zij zijn het gedwongen,
+en evenmin eerbaar, daar zij haar maagdelijkheid verlagen tot een
+beroep, en wijl zij zich elken dag prijsgeven aan de onreine blikken
+van het bedorven en losbandige volk".
+
+Door deze mystieke opvatting der maagdelijkheid werd deze in
+de christenkerk weldra een hooge en verdienstelijke wijding. De
+kerk werd de reine bruid, aan wie men zich wijdde, Christus werd
+de hemelsche bruidegom, met wien men zich door een mystiek huwelijk
+wenschte te verbinden. De maagdelijkheid werd daardoor minder begeerd
+om haar zelf, dan wel als een verheven toestand, die recht gaf uit de
+hoogte neer te zien op anderen. Zij werd een heroïeke deugd, die hare
+beoefenaarsters recht verleende om te worden beschouwd als wezens van
+hoogere orde. Inderdaad droegen de christelijke vrouwen der eerste
+eeuwen, die zich tot levenslange maagdelijkheid hadden verbonden,
+een onderscheidingsteeken, n.l. een kap, die vrijwel overeenkwam met
+de Romeinsche mitra.
+
+
+
+Naast de esthetische en idealistische vereering der maagdelijkheid
+is er nog een andere, een louter zinnelijke vereering, die weinig
+of niets moois heeft en niets anders is dan een naturalisme van
+de grofste soort. Deze vorm van vereering is intusschen de meest
+algemeene, wijl hij eigen is aan de grof-aangelegde en zeer zinnelijke
+naturen, die in aantal overal en altijd verreweg in de meerderheid
+zijn. Ook deze naturen stellen maagdelijkheid op hoogen prijs, doch
+hunne motieven daarvoor zijn van zeer nuchteren aard en alles behalve
+idealistisch. Wel blijft daarin dikwijls een min of meer esthetische
+afkeer van de reeds door anderen bezoedelde vrouw meespreken,
+maar de eigenlijke en wezenlijke grond van hun voorliefde voor den
+maagdelijken staat van de vrouw, die zij met huwelijksoogmerken het
+hof maken is, dat zij gaarne zekerheid hebben, dat er niet reeds met
+anderen uitersten al of niet met gevolgen zijn voorgevallen waarbij
+dikwijls nog komt de onbehagelijke vrees, steeds met de voorgangers
+vergeleken te worden.
+
+De hooge waarde, die er op idealistische en naturalistische gronden
+aan de maagdelijkheid wordt gehecht, brengt mede, dat verlies daarvan
+voor de vrouw gelijk staat met verlies van haar voornaamste natuurlijk
+lokmiddel. De ontmaagde vrouw daalt sterk in sexueele waarde. Vandaar
+zijn er reeds tamelijk vroeg in de geschiedenis bepalingen gemaakt,
+die de vrouw het recht gaven vergoeding te eischen van dengene,
+die haar zonder haar te trouwen van dezen schat had beroofd. In de
+volgende deelen van dit werk zullen wij daarvan tal van interessante
+gevallen en niet minder interessante verwikkelingen, daaruit soms
+voortvloeiende, leeren kennen.
+
+Een verder gevolg van de buitensporige beteekenis die er gehecht wordt
+aan den maagdelijken staat der vrouw is, dat zij verlies daarvan
+zoo mogelijk zoekt te verbergen. Dit leidt er toe, dat er zeer
+veel maagdelijkheid wordt gesimuleerd. Er zijn altijd meer maagden,
+dan er maagdelijkheid is; de vrouw blijft maagd, niet totdat zij in
+werkelijkheid den maagdelijken staat komt te verliezen, maar zoolang
+het tegendeel niet kan worden bewezen, d.i. zoolang er zich geen
+gevolgen voordoen.
+
+Dit feit is aan de mannenwereld niet onbekend, en in de geschiedenis
+der sexueele zeden wemelt het van gebruiken, voorzorgsmaatregelen enz.,
+die er op zijn berekend zich aangaande het bestaan der maagdelijkheid
+zekerheid te verschaffen. Zoo rustte in vele landen eeuwenlang op het
+huwende meisje de verplichting, het bewijs te leveren, dat zij als
+ongerepte jonkvrouw het huwelijksbed had beklommen. In vele streken
+bestond dat bewijs hierin, dat des daags na het huwelijk het bruidshemd
+met de bloedige sporen der ontmaagding zegevierend uit het venster
+moest worden gehangen. Alleen dit gold als een bewijs, dat de laatste
+gunst het eerst aan den echtgenoot was verleend en wel eerst in den
+bruidsnacht. En hoe overvloediger de sporen in het linnen aanwezig
+waren, met des te meer trots werd het kennissen en buren getoond,
+want des te grooter was de roem der kuischheid van de bruid.
+
+In de Pentateuch geeft Mozes herhaaldelijk tal van voorschriften
+en ritueel-hygiënsche beschouwingen ten aanzien der maagdelijkheid
+der meisjes van het volk Israël. De man had volgens de Mozaïsche
+wetten het recht bij zijn bruid maagdelijkheid te verlangen. En
+uit Deuteronomium XXII : 13 v.v. blijkt ten duidelijkste, dat hij
+reeds methoden aangaande het constateeren der maagdelijkheid heeft
+aangegeven, die wij later in de verschillendste oorden der wereld als
+een gevestigd gebruik terugvinden, nl. het vertoonen van het met bloed
+bevlekte bruidslinnen. De methode door Mozes aangegeven komt neer op
+het volgende. Ingeval een man na het huwelijk zich beklaagde haar niet
+meer maagdelijk te hebben bevonden, dan hadden haar ouders het recht
+het tegendeel te bewijzen en wel door aan de raad der oudsten het met
+bloed bevlekte bruidslaken te toonen. Waren zij daartoe in staat,
+dan werd de klagende echtgenoot gekastijd en beboet, hij moest de
+vrouw in kwestie bij zich houden en haar ouders kregen de opgelegde
+boete. Kon het verlangde bewijs echter niet worden vertoond, dan
+werd de klacht van de echtgenoot als gegrond beschouwd en de vrouw
+werd gesteenigd, "omdat zij eene dwaasheid in Israël gedaan had,
+hoereerende in haars vaders huis". Uit dezen rechtsgang valt af te
+leiden, dat de ouders het bewuste linnen, waarvan te eeniger tijd
+het leven van hun dochter zou kunnen afhangen, langen tijd als een
+belangrijk document zullen hebben bewaard. En ook dit valt er uit af
+te leiden, dat een zich schuldig wetende bruid alles zal hebben gedaan
+om haar bruidegom in den bruidsnacht aan haar ongerepte maagdelijkheid
+te doen gelooven. Verder blijkt uit de Mozaïsche methode, dat zij zich
+niet in het minst verheft boven het primitieve weten van dien tijd
+en op geheel onjuiste voorstellingen berust omtrent de anatomische
+bijzonderheden van den maagdom.
+
+Dit gebruik bestaat in onzen tijd nog in verschillende Slavische
+landen en o.a. ook in Rumenië in sommige plattelandstreken,
+waaromtrent een auteur, met de zeden van dat land grondig bekend,
+het volgende mededeelt: "De man houdt de ontdekkingen, die hij in den
+bruidsnacht gedaan heeft ten aanzien van de eerbaarheid zijner bruid,
+voorloopig voor zich. Eerst na verloop van drie dagen, wanneer er
+bezoeken worden afgelegd bij de verwanten der vrouw, mag de zaak ter
+sprake worden gebracht. Deze tocht op den derden huwelijksdag heet de
+"groote weg", wijl hij den ouders eer of veel schande brengt. Is het
+meisje ongerept bevonden, dan heerscht daarover in den familiekring
+de uitbundigste vreugde, waarbij het bevlekte linnen als teeken van
+het onbevlekt verleden der bruid op een schotel wordt rondgereikt;
+elk der aanwezigen bewijst daaraan eer door een geldstuk in de schaal
+te leggen. In deftiger kringen wordt de bezichtiging van het bruidshemd
+alleen toegestaan aan de wederzijdsche schoonouders".
+
+Door Brantôme, Aretin en tal van andere novellisten en schrijvers wordt
+gewag gemaakt van het bestaan van deze en soortgelijke gebruiken in
+Spanje, Italië, in verschillende Duitsche landen en elders. Steeds
+blijkt daarbij, dat bij den minderen man het tepronkstellen van
+het bebloede bruidshemd zoo openlijk mogelijk en met allerlei
+feestelijkheden plaats had, terwijl bij de voorname lieden deze
+ceremonie in den huiselijken kring werd verricht, uitsluitend in het
+bijzijn van de ouders en verdere nauwe verwanten en vrienden. Daarbij
+tegenwoordig te mogen zijn gold dan ook als een groote eer.
+
+In de meeste streken hebben dit soort gebruiken mettertijd meer en
+meer een symbolischen vorm aangenomen, vooral toen de anatomische
+bijzonderheden der lichamelijke maagdelijkheid meer en meer
+algemeen bekend werden. De eerste stap tot symboliseeren van het
+grof-naturalistische maagdelijkheidsbewijs bestond in den regel
+hierin, dat men wel het werkelijk bruidshemd vertoonde, maar met
+sterk geretoucheerde sporen van het bloedbad, dat men zoo gaarne wilde
+hebben aangericht. Daartoe moest men trouwens ook om andere redenen al
+dikwijls zijn toevlucht nemen. Het geheele gebruik toch berust op een
+dwaling en het moet toch reeds vroeg algemeen bekend zijn geweest,
+dat het verlies der maagdelijkheid volstrekt niet noodzakelijk
+gepaard behoeft te gaan met het nalaten van de zoo vurig begeerde
+sporen, en dat uitblijven daarvan nog hoegenaamd geen recht geeft
+de maagdelijkheid in twijfel te trekken. Het gebruik zelf verraadt
+algemeene losheid van zeden--de wensch naar zichtbare bewijzen ten
+deze veronderstelt twijfel aan de gegeven verzekering en acht de
+mogelijkheid van verzwegen voorechtelijke geslachtsgemeenschap niet
+buitengesloten!
+
+Intusschen komt in de hooge vereering der vrouwelijke ongereptheid bij
+volkomen onverschilligheid voor de maagdelijkheid van de mannelijke
+partij de dubbele moraal, die er in het sexueele leven gesteld wordt
+voor man en vrouw, scherp uit. Met die vereering toch wordt aan de
+vrouw geslachtsverkeer vóór het huwelijk ontzegd, en als het plaats
+heeft gehad, zeer zwaar aangerekend, terwijl voor den man ten deze
+de grootste vrijheid als vanzelfsprekend wordt beschouwd.
+
+Natuurlijk hebben ten allen tijde de eenmaal ten sexueelen val
+gekomen vrouwen getracht, dit feit te verbergen. En ten tijde, dat
+bovengeschetste bruidshemdsgebruiken in zwang waren, hebben zulke
+vrouwen gezocht naar middelen om in den bruidsnacht den man de illusie
+van de maagdelijkheid zijner bruid te doen behouden. Wat verloren was
+gegaan trachtte men kunstmatig te herstellen. Daaruit heeft zich in den
+bloeitijd van dit soort sexueele gebruiken een heele reparatiekunst
+ontwikkeld, waarvan apothekers, handelaars in wonderdoende kruiden
+en kwakzalvers de voornaamste beoefenaars waren. En met behulp van
+allerlei samentrekkende zalven en preparaten schijnt men er werkelijk
+in te zijn geslaagd de verloren maagdelijkheid telkens in voldoende
+mate te vernieuwen om den eerstvolgenden geliefde of den echtgenoot
+niet alleen de illusie te laten, dat hij de eerste was die de bloem
+der onschuld plukte, maar hem daarvan ook de zichtbare bewijzen in den
+vorm van duidelijke en onmiskenbare sporen te leveren. Zoo kon men met
+behulp van wat schijnheiligheid en der niet al te dure middelen der
+kwakzalvers zoo lang maagd blijven als men verkoos, zoodat dit soort
+vereering der maagdelijkheid allerminst de maagdelijkheid hoog hield.
+
+De vereering der maagdelijkheid draagt derhalve allerminst een
+verheven karakter. Integendeel, in de geschiedenis der sexueele
+zeden treft men steeds weer het eigenaardig verschijnsel aan, dat in
+tijden van algemeene losheid van zeden de virginiteit het hoogst staat
+aangeschreven en het vurigst wordt begeerd. Hetzelfde doet zich voor in
+alle zedelooze kringen en ook valt zulks op te merken bij loszinnige
+individuën. De vrouwelijke zoowel als de mannelijke sybariet verlangt
+iets, wat maar eenmaal en door één kan genoten worden. Hun begeerte
+haakt naar niets zoo sterk als naar het nog ongerepte. En voor dezulken
+is de maagdelijkheid niet iets, wat met heiligen eerbied vervult,
+maar als het kostelijkste gerecht dat voor den genotmensch bestaat. Dit
+soort verheerlijking van de maagdelijkheid der vrouw kan zelfs leiden,
+en leidt dan ook dikwijls, tot een ziekelijke ontaarding, waarvoor men
+den naam van ontmaagdingsmanie heeft uitgevonden, een manie, die in
+de nieuwere geschiedenis vooral in Engeland heeft gewoed, gelijk bij
+de Pall Mall-onthullingen, waarop wij later terugkomen, is gebleken.
+
+Wat den man in de maagdelijk-onschuldige schoonheid nog extra
+bekoort, is de onwetendheid daarvan bij de vrouw. Jeugdige onschuld,
+opgeluisterd door argeloosheid heeft een onuitsprekelijke bekoring, en
+niets is heerlijker en meer betooverend dan een schitterende onschuld,
+die in haar handen de sleutel heeft van een hemel.
+
+
+
+De verdere natuurlijke lokmiddelen der vrouwelijke sexe zijn de
+jeugd en uiterlijk lichaamsschoon. Deze zijn van minder algemeenen
+aard, wijl daarin de individueele smaak meespreekt. Ten opzichte der
+maagdelijkheid bestaat geen verschil van smaak, ten opzichte van jeugd
+en schoonheid wel en in zeer sterke mate. De rol der schoonheid van
+lichaamsvormen in het sexueele leven hebben wij reeds behandeld in
+een afzonderlijk hoofdstuk in dit deel.
+
+Tot de bijkomstige erotische lok- en machtsmiddelen der vrouw behoort
+in de eerste plaats de tegenstand. Tegenstand prikkelt in hooge mate
+de mannelijke begeerte. De vrouw weet dit en doet er haar voordeel
+mee. Als zij de zinnelijkheid van den man op zich gericht weet,
+dan hult zij zich in het masker der schaamachtigheid, neemt den
+schijn aan van onverschilligheid en onwil en ontvlucht de gehoopte
+omhelzing. Juist deze tegenstand, zij moge echt zijn of gespeeld,
+prikkelt de erotische veroveringszucht van den man en blaast in
+vele gevallen de aanvankelijk slechts vluchtige begeerte aan tot
+een niet meer te beheerschen hartstocht. Het strookt geheel met den
+actieven aard van den man, dat juist het stuiten op tegenstand de
+waarde van het bezit voor hem verhoogt. In het spel der liefde is
+dit stuiten op tegenstand voor den echt-mannelijken man een ware
+behoefte; hij verlangt en behoeft tegenstand, en geen tegemoetkoming
+van de vrouw. En zoo gedraagt de vrouw zich in het sexueele leven
+in den regel terughoudend, tegenstrevend, beschaamd en defensief,
+en wordt daardoor de veroveraarster van den man, dien zij in schijn
+de rol ven aanvaller en veroveraar laat. Doch zoo als ongeveer
+alles in het leven der liefde, kan ook dit lokmiddel der liefde
+weer leiden tot allerlei misverstand. Want er is in de liefde een
+lokkende tegenstand, die ontwijkt om te prikkelen tot meer intensieve
+vervolging, en er is een ernstig gemeende, wezenlijke tegenstand,
+die inderdaad bedoelt af te wijzen. Daar de vrouw in het spel der
+liefde en der zinnelijkheid altijd begint met hare naar haar gunst
+dingende erotische krijgsgevangen af te wijzen, behoort er in vele
+gevallen groote kennis van den vrouwelijken aard toe om zich omtrent
+den aard der afwijzing niet te vergissen.
+
+De vrouw bezit in hooge mate het vermogen om door zelfbeheersching hare
+overwinningen tot volkomenheid te brengen. Den in sexueel opzicht zoo
+oneindig veel zwakkeren man ontbreekt dit vermogen nagenoeg geheel. Om
+een man te veroveren heeft de vrouw alleen maar te beschikken over
+wat uiterlijke knapheid, zelfs het enkele vrouw-zijn is voor de vrouw
+al voldoende een man sexueel te binden. Het allerminste kamermeisje
+kan de Apollo van Belvédère of een gepurperden koning in vijf minuten
+veroveren, zegt Mantegazza, terwijl Apollo door de minste deerne kan
+worden afgewezen. Daarin bestaat de eigenaardige macht der vrouw. De
+mannen zijn in den strijd der liefde evenals vliegen met alles te
+vangen--het is nog steeds Mantegazza, die hier aan het woord is--en
+het is veel moeilijker een muis te vangen dan een man, want voor
+een muis heeft men tenminste nog een slim ingerichte val noodig,
+terwijl dikwijls de pantoffel eener vrouw voldoende is om een man te
+vangen. Het is dan ook gemakkelijker een vesting bij overrompeling
+in te nemen, dan een vrouw. Als men gelooft, dat de verovering door
+overrompeling is gelukt, dan heeft men wel den schijn, maar niet het
+wezen, wel de vrouw, maar niet haar liefde bezeten. Alle zintuigen der
+vrouw staan voortdurend als schildwachten en luisterposten uitgezet
+en slaan bij het minste onraad alarm; en nu kunnen deze schildwachten
+wel eens door list of sluwheid om den tuin worden geleid, maar nooit
+het hart der vrouw, dit wordt door te veel versterkingen verdedigd en
+beschermd, het is niet te nemen, noch door list, noch door verrassing;
+het moet zichzelf overgeven en dit doet het nooit anders dan na
+een langdurig beleg. En wanneer het eindelijk op het punt staat te
+bezwijken, dan moet er nog een laatsten, geweldigen stormloop worden
+ondernomen om het te nemen. Het geeft zich eerst over, als het al zijn
+kracht tot verzet en verweer volkomen heeft uitgeput en de laatste
+verschansingen heeft zien bezwijken. De overgave der vrouw is altijd
+eervol, fier ontrolt zij bij het bezwijken de vanen en treedt in volle
+wapenrusting den veroveraar tegemoet, die dan weldra in werkelijkheid
+haar krijgsgevangene blijkt. Geen der vele onneembare vestingen van
+Europa kan zich beroemen nog nimmer door bestorming, uithongering
+of verraad te zijn ingenomen; maar vele zwakke vrouwen hebben de
+zwaarste aanvallen afgeslagen, en de man wreekt zich over zijn vele
+nederlagen tegenover de vrouw, door haar een zwak, hulpbehoevend,
+onzelfstandig schepsel te noemen."
+
+De vrouw is met hare natuurlijke lokmiddelen niet te vreden. Steeds
+zoekt zij ze kunstmatig te versterken en er nieuwe aan toe te
+voegen. Alle zintuigen bieden haar daarvoor aangrijpingspunten. Wij
+zullen daarom allereerst een blik werpen op de rol der zintuigen in
+het liefdeleven.
+
+
+
+
+
+
+VII.
+
+DE ROL DER ZINTUIGEN IN HET LIEFDELEVEN.
+
+
+De zintuigen vervullen in het liefdeleven de rol van koppelaars;
+zij staan allen in meerdere of mindere mate in directen dienst van
+de zinnelijkheid, de smaak misschien uitgezonderd.
+
+Elk der zintuigen heeft in het liefdeleven een zeer bepaalde
+functie. Gezamenlijk dienen zij de natuur in het tot elkander voeren
+der sexen.
+
+Zeer bescheiden is daarbij de taak van den _smaakzin_. Tot deze
+nemen echter dikwijls impotente individuen de toevlucht, om door
+smaakprikkels geslachtsprikkels op te wekken of te versterken. Het
+geloof in het bestaan van genotmiddelen, die het vermogen bezitten
+erotische gevoelens wakker te roepen, is nu en dan in de geschiedenis
+zeer algemeen geweest, waarbij echter steeds het bijgeloof een
+zekere rol speelde. Wij herinneren hierbij aan de vele eeuwenlang
+algemeen in zwang geweest zijnde minnedranken, waarmee men deels
+door middel van den smaak, deels door tooverwerking bij een bepaald
+persoon liefde jegens zich meende te kunnen opwekken. Natuurlijk
+waren van zulke minnedranken die genotmiddelen, welke geslachtsdrift
+gezegd werden op te wekken, dusgenaamde _aphrodisiaca_, steeds de
+hoofdbestanddeelen. Van een bepaalde natuurlijke functie van den smaak
+in het leven der liefde blijkt echter weinig of niets. Waar men den
+smaak in dienst tracht te stellen van de zinnelijkheid, heeft dit
+in elk geval steeds iets opzettelijks en gewilds, waarbij men tracht
+natuurlijke gevoelens kunstmatig op te wekken.
+
+Geheel anders staat het reeds met de beteekenis van het _gehoor_ in
+het zinneleven. Dit blijkt reeds uit het feit, dat met het intreden der
+geslachtelijke rijpheid de menschelijke stem zich wijzigt, waarmee de
+natuur als het ware dit feit hoorbaar kenbaar maakt. Verder blijkt dit
+uit het verschil tusschen de mannen- en de vrouwenstem, een verschil
+dat nog de sexe verraadt waar die zich opzettelijk verborgen tracht
+te houden. Talrijke geluiden oefenen voorts een krachtige erotische
+werking uit. De stem, zang en muziek zijn in de eerste plaats
+lokmiddelen der liefde. In het dierenleven, deze spiegel van het
+menschelijk leven in natuurlijke dingen, vindt men dit terug in de
+loktonen beider seksen bij een menigte diersoorten. En ook getuigen
+van de macht van het gehoor op de zinnelijkheid, de gemakkelijke
+zegepralen in de liefde van groote zangers en zangeressen, ook al zijn
+deze door de natuur stiefmoederlijk bedeeld met lichaamsschoon. De
+oude Atheners beschouwden muziek, inzonderheid fluitspel, als het
+machtigste hulpmiddel tot opwekking en prikkeling der zinnelijkheid;
+en bij hen bestond eeuwenlang een afzonderlijke klasse van prostituees:
+de fluitspeelsters, die gewoon waren ware orgiën van geslachtelijke
+buitensporigheden aan te richten.
+
+Sterker misschien nog is de invloed van den _reukzin_ op de
+zinnelijkheid. Deze vermag, hoewel bij verschillende individuen in
+zeer verschillende mate, rechtstreeks onopzettelijk den geslachtslust
+op te wekken en te prikkelen. Häckel beweert zelfs, dat de reuk de
+quintessence van alle geslachtelijke liefde is. Zwaardemaker heeft
+ontdekt dat alle erotisch werkende geuren behooren tot een en dezelfde
+groep van scheikundige stoften, n.l. tot de caprylen. Bij vele dieren
+spelen verschillende natuurlijke geuren in hun geslachtsleven een zeer
+belangrijke rol, bijvoorbeeld bij het muskusdier en den bever. Bij
+den mensch kunnen, vooral bij zeer zinnelijke naturen, de erotisch
+werkende caprylgeuren van allerlei lichaamsafscheidingen krachtig op
+de geslachtelijke instincten inwerken.
+
+In het sexueele leven spelen de erotische geuren dan ook een groote
+rol. Tegenover de lichamelijke uitwasemingen van de andere sekse
+bezitten vooral mannen maar een zeer gering weerstandsvermogen. Vele
+anders moeilijk te verklaren sexueele connecties berusten
+op den onweerstaanbaren invloed van geslachtsgeuren. De meeste
+plotselinge liefdesbetrekkingen tusschen in stand of in leeftijd zeer
+uiteenloopende individuen zijn aan de erotische prikkelbaarheid van
+den reukzin toe te schrijven. Vele mannen schijnen ongevoelig voor het
+uiterlijk schoon of andere eigenschappen der vrouwen, terwijl zij zich
+in sterke mate voelen aangetrokken door de vrouwelijke atmosfeer. En
+evenals er erotische reukprikkels zijn die aantrekking uitoefenen,
+zijn er ook geuren die afstooten; m.a.w. er zijn sympathieke en
+antipathieke geslachtsgeuren.
+
+Het ligt in den aard der vrouw alle ter harer beschikking staande
+erotische machtsmiddelen over den man tot den hoogsten graad van
+volkomenheid op te voeren. Alles in haar drijft haar aan om hare
+magnetische aantrekkingskracht op den man te versterken en hem aan
+zijn natuurlijken plicht van aanvallen--aanvallen waarin steeds zij
+overwinnares zal zijn--met alle kracht te herinneren. Het ligt dus
+voor de hand, dat ook der mannen zwakheid tegen erotische geuren
+door de vrouw wordt benut om hem te dwingen tot het geslachtelijk
+offensief, dat haar de sexueele zegepraal moet brengen. En zoo zien
+wij dan ook ten alle tijde en overal de vrouwen zich hullen in wolken
+van kunstmatige erotische geuren, teneinde te trachten de natuur
+te verbeteren, ze aan te vullen, te versterken. Hoe bewuster met
+dit rondom zich spreiden van prikkelende geuren beoogd wordt den man
+aan te lokken, des te sterker en overvloediger wordt van zulke geuren
+gebruik gemaakt, zoo dat de aanwending daarvan dan ook haar hoogtepunt
+bereikt bij de prostituees, die ter bereiking van hare oogmerken in
+de eerste plaats zoeken naar snelwerkende zinnelijke prikkels.
+
+De vrouw bedient zich zeer algemeen van zulke geuren, de man
+daarentegen zelden en dan nog in veel mindere mate. Dit bewijst, dat de
+vrouw weet van het aanwenden van geuren effect te kunnen verwachten,
+en dat de man evenzoo weet, dat erotische geuren op de vrouw weinig
+of geen uitwerking hebben. De vrouw parfumeert zich niet wijl zij zelf
+zooveel behagen schept in welriekende geuren, maar in de eerste plaats
+om hare geslachtelijke aantrekking te verhoogen, den man te lokken
+en te boeien. Met het zich hullen in de geuren van muskus, amber,
+patschouli, ylan-ylan, heliotroop, reseda, viooltjes, beoogt de vrouw,
+bewust of onbewust, hetzelfde als met haar opschik en haar toilet, haar
+kleeding en hare verdere lokmiddelen. De vrouw parfumeert zich om te
+behagen. En daar zij zelf weinig of niet vatbaar is voor de zinnelijke
+bekoring door middel van den reukzin, kunnen erotische geuren door den
+man niet met vrucht worden toegepast. Vandaar parfumeeren mannen zich
+niet met het doel, bij de vrouw erotische voorstellingen op te wekken.
+
+Men meent te hebben waargenomen, dat elk parfum verschillende sexueele
+voorstellingen opwekt; dat de eene erotische geur het geslachtsinstinct
+in andere richting leidt dan de andere. Ook schijnt op elk individu
+een bepaald sexueel parfum krachtiger erotische prikkeling uit te
+oefenen dan de overige.
+
+De erotische voorstellingen, opgewekt door den reukzin, zijn in
+het algemeen van lager orde. Zinnelijkheid, daardoor opgewekt,
+begeert gewoonlijk niets dan onmiddellijke bevrediging der
+geslachtsdrift. Vandaar dat erotische geuren tot de gebruikelijke
+lokmiddelen der prostituees behooren. De aard van den geur,
+die de zinnelijkheid heeft opgewekt, is veelal van invloed op de
+hevigheid der zinnelijke bekoring. Bij wie daarvoor ontvankelijk
+zijn, werken bijvoorbeeld directe lichaamsuitwasemingen der andere
+sexe veel krachtiger op de animale begeerten, dan de kunstmatige
+erotische parfums dit doen op dezulken bij wie daardoor geslachtelijke
+voorstellingen worden wakker geroepen. Esthetisch is de zinnelijkheid,
+opgewekt door geuren, nimmer.
+
+Het zintuig der zinnelijkheid bij uitnemendheid is het _gevoel_. Het
+gevoel heeft zijn zetel in de huid, en zoo is de geheele huid in
+zekeren zin geslachtsapparaat, zij is, zooals Bölsche opmerkt,
+"de groote koppelaarster, de allesbeheerschende middelaarster in
+liefdeszaken." Bij onesthetische naturen bestaan de blijken van liefde
+allereerst in bevoeling, aanraking, betasting. Maar ook in het algemeen
+oefent aanraking der huid, in het bijzonder elke liefkoozende en zacht
+wrijvende of krieuwelende aanraking, een sterk sexueele werking uit.
+
+De huid is intusschen niet overal in gelijke mate geslachtelijk
+prikkelbaar. De gedeelten die dit vermogen in hooge mate bezitten
+heeten de erogene (geslachtelijk in hooge mate prikkelbare)
+zones. Deze prikkelbaarheid is uit den aard der zaak geconcentreerd
+in de geslachtszone en daar weer het sterkst in de eigenlijke zetel
+van het wellustgevoel, n.l. de eikel bij den man en de clitoris bij
+de vrouw, bij wie tevens het slijmvlies van vagina en vulva een hooge
+mate van sexueele sensibililiteit bezit.
+
+In het liefdeleven der sexen spelen intusschen die erogene zones
+de hoofdrol, wier prikkelbaarheid minder intens is, en ook is haar
+esthetische waarde hooger. Iedere aanraking van personen tusschen wie
+een geslachtelijke connectie bestaat is een merkwaardige sexueele
+zede op zichzelf, zooveel het ineenstrengelen der handen en het
+gearmd gaan, als de kus en de omhelzing. Alle zinnelijke liefde uit
+en openbaart zich allereerst in den drang, de geliefde of begeerde
+tegenpartij in het minnespel aan te raken--het wezen der menschelijke
+geslachtsliefde bestaat in een neiging tot alzijdige lichamelijke
+aanraking, en niet zelden is bij sterk zinnelijke naturen aanraking
+voldoende voor geslachtelijke bevrediging--bij sommigen kan reeds
+een hartstochtelijke kus die bevrediging teweegbrengen.
+
+De invloed van het gevoel op de zinnelijkheid is zoo sterk, dat ter
+opwekking van erotische voorstellingen en sexueele verlangens het
+volstrekt geen vereischte is, dat de aanraking plaats heeft tusschen
+de individuen welke die voorstellingen of verlangens gelden. Aanraking
+van een geheel onbekend persoon, onverschillig of deze van gelijke
+of andere sexe is, kan de minnende plotseling aan het geliefde wezen
+herinneren en dit in al zijn begeerlijkheid voor oogen stellen. Zelfs
+de aanraking van het eigen lichaam kan met behulp van de phantasie
+geslachtelijke opwinding veroorzaken, een feit, waarop de mogelijkheid
+der onanie berust. Tenslotte kan de huid ook door allerlei stoffen
+zooals bont, wol, fluweel en zijde geslachtelijk worden geprikkeld,
+een verschijnsel, hetwelk berust op een geheel complex van factoren,
+die wij hier niet nader kunnen nagaan, maar die blijkens de romans
+van Sacher-Masoch en de verdere Masochistische literatuur in het
+zinneleven van vele individuen een groote rol spelen.
+
+Het gevoelszintuig werkt evenwel niet alleen door liefkoozende en
+streelende aanraking op de zinnelijkheid. Integendeel, ook pijnlijke
+aanraking kan een erotische uitwerking hebben. En wel zonder dat er
+een reden is om aan abnormaliteit te denken.
+
+In de geschiedenis der sexueele zeden speelt de dusgenaamde
+_flagellatie_ een zeer groote rol. Flagellatie bestaat in slaan of
+geeselen van het ontbloote lichaam met erotische oogmerken. Dit is de
+letterlijke beteekenis van dezen term, terwijl het opzettelijk zich
+daaraan overgeven _flagellantisme_ genoemd wordt. Bij uitbreiding
+spreekt men gewoonlijk echter van flagellatie in al die gevallen,
+waarbij uit lichamelijk leed erotisch genot wordt geput. Dit
+verschijnsel doet zich zoowel actief voor als passief. Bij de actieve
+flagellatie werkt het slaan erotisch op dengene die slaat; dit is
+veel waargenomen bij degenen voor wie slaan gewoonte is geworden,
+bijvoorbeeld onderwijzers. Passieve flagellatie is die, waarbij
+de geslagene erotisch genot ondervindt, en dit leidt tot het op het
+eerste gezicht abnormale en ongerijmde verschijnsel dat lichaamssmart
+niet gemeden en geschuwd, maar integendeel begeerd en gezocht wordt.
+
+Havelock Ellis, die dit verschijnsel het eerst en ook het grondigst
+heeft onderzocht, somt tal van voorbeelden op om te bewijzen,
+dat de vrouw een zekere neiging bezit smart te zoeken en door
+smart te genieten, een opvatting die evenwel weinig ingang heeft
+gevonden. Vermoedelijk berust de gewaarwording van erotisch genot bij
+slaan enz. eenvoudig op de prikkel, die daardoor wordt uitgeoefend
+op de huidzenuwen; dit heeft bloedsaandrang naar het getroffen
+lichaamsgedeelte ten gevolge, wat via de ruggemergscentra een
+prikkel uitoefent op het zenuwstelsel der geslachtsorganen. Hiermee
+wordt aan het geheele verschijnsel alle romantische kleur en alle
+geheimzinnigheid ontnomen en onderscheidt het flagellantisme zich
+alleen in graad van de erotische gevoeligheid voor liefkozingen en
+streelende aanrakingen.
+
+Niettemin zijn er tijden geweest, waarin de flagellatie het meest
+geliefkoosde aphrodisiacum was, dat nog baat scheen te geven als
+alle andere zonder effect bleven. Eigenlijk treft men de flagellatie
+aan in alle tijden in wier intiem leven men tot dusver heeft kunnen
+doordringen. Blijkbaar behoort zij dus tot het gebied der sexueele
+zeden.
+
+Het meest algemeen schijnt de flagellatie in zwang te zijn geweest in
+de 18e eeuw. Zij was toen ongetwijfeld een normaal hoofdbestanddeel
+van het geheele geslachtsleven. In alle rangen en standen der
+samenleving werden roede en zweep in dienst gesteld van de liefde,
+en men sprak daarvan openlijk met de meeste vrijmoedigheid. Men zag er
+een bijzondere delicatesse van het sexueele genieten in. Vele mannen
+bezochten geregeld inrichtingen, waar gelegenheid bestond zoowel om
+zichzelf met de roede te laten behandelen, of als om zich te laven aan
+het schouwspel dat anderen, en dan bij voorkeur meisjes en kinderen,
+op die wijze werden bewerkt. In alle ook maar eenigszins naar de
+eischen des tijds ingerichte bordeelen waren bovendien dusgenaamde
+erotische folterkamers, voorzien van alle instrumenten, die dezen
+zonderlingen vorm van genot en deze paradoxale voorbereiding tot genot,
+konden dienen.
+
+Waar men echter het flagellantisme aantreft als een gezocht en
+gebruikelijk bestanddeel der sexueele zeden, vindt men vrijwel altijd
+tevens een in zinnelijkheid geheel opgaand, erotisch ontaard milieu,
+dat de zinnelijkheid zoekt op te drijven tot een niet te verzadigen
+en niets-ontziende begeerte, die aan vermogen meer eischt dan de
+natuur in staat is vrijwillig te schenken. Dan wordt de natuur,
+wijl slaan op zekere lichaamsdeelen de geslachtscentra prikkelt, met
+de zweep gedwongen meer te geven dan zij eigenlijk kan. Evenwel is
+dit blijkbaar slechts een der oorzaken, die tot het flagellantisme
+leiden. Vermoedelijk doet zich, waar het tenminste mannen betreft,
+daarbij ook gelden een zeker pervers genot in eigen vernedering. De
+diepste vernedering voor den man nu in sexueele dingen is zijn
+mannelijken aard af te leggen en zich door de vrouw als physiek de
+mindere te zien behandelen, zich physiek aan de vrouw te onderwerpen
+en zich weerloos door haar geweld te laten aandoen. Hierop doelt
+blijkbaar een Engelsche schrijver over de sexueele zeden der 18e
+eeuw, waar hij zegt: "Vele lieden, die maar een gebrekkige kennis
+hebben van de menschelijke natuur, gelooven, dat de hartstocht voor
+de flagellatie alleen voorkomt bij grijsaards en bij dezulken, die
+door sexueele uitspattingen zijn uitgeput. Dit is echter volstrekt
+niet het geval. Er zijn evenveel jongelingen en mannen in de volle
+kracht des levens, die door dezen hartstocht zijn aangegrepen, als
+ouden van dagen en verzwakte personen".
+
+Gewoonlijk wordt Engeland beschouwd als het land, waar deze
+ontaarding der gezonde zinnelijkheid ten allen tijde het meest werd
+aangetroffen. Een feit is het, dat vooral Engelsche schrijvers zich
+met dit verschijnsel hebben beziggehouden. Ook is er geen land waar
+het gebruik van de roede en van lijfstraffen in het algemeen zoo wordt
+verheerlijkt als in Engeland. Niettemin schijnt het minstens voorbarig,
+op deze twee gronden de flagellatie als een specifiek Engelsche
+geslachtszonde aan te merken. En dit te minder, waar het bekend is,
+dat in de 17e en 18e eeuw vooral deze ontaarding der zinnelijkheid ook
+in andere landen zeer algemeen voorkwam en men er zich speciaal in
+tallooze kloosters van het verste Zuiden tot in het hoogste Noorden
+aan overgaf. Alles wijst er op, dat het flagellantisme alleen daar
+bloeien kan, waar de natuurlijke prikkels beginnen te verstompen,
+zoodat de natuur alleen nog maar door de zweep er toe kan worden
+gebracht de overspannen begeerte te bevredigen. Hiervoor spreekt ook
+het bekende feit, dat prostituees zich gaarne en met pervers genot
+door hare souteneurs laten mishandelen.
+
+De manie van het flagellantisme kan zoowel hetero-sexueel zijn als
+homo-sexueel, wat trouwens met alle geslachtelijke perversies het
+geval is. Sommige navorschers der sexueele zeden, zooals Iwan Block
+en Lawes, zijn van meening, dat het vrouwelijk geslacht meer tot
+actieve zoowel als tot passieve flagellomanie geneigd is dan het
+mannelijke, iets wat trouwens a priori waarschijnlijk is--wat de
+passieve flagellatie betreft wijl onderwerping en dulding meer in
+den aard der vrouw ligt, dan in dien van den man; en wat de actieve
+flagellatie aangaat wijl machtsmisbruik een gewoon verschijnsel is bij
+den machtelooze, die in de gelegenheid komt macht uit te oefenen--en
+dit is in sexueel opzicht het geval als de door zinnelijkheid ontaarde
+man zich willoos en onmachtig aan de vrouw overlevert, bereid om in
+ruil voor geslachtsgenot alles van haar te dulden.
+
+In den tegenwoordigen tijd wordt het flagellantisme waarschijnlijk
+niet of bijna niet meer beoefend met de zweep of de roede. Tegenwoordig
+zijn het de masseuses aan wier handen flagellomane individuën zich ter
+"verpleging" overgeven.
+
+
+
+Minstens van even groote beteekenis als de gevoelszin is voor het
+sexueele leven de _gezichtszin_. Dit is tevens het zintuig, dat als
+aangewezen is om de zinnelijkheid te veredelen en te idealiseeren en
+de esthetische waarde van den gezichtszin voor het liefdeleven is
+grooter dan die van de overige zinnen tezamen. De gezichtszin wekt
+de begeerte tot bezit op door middel van schoonheidsprikkels--het
+oog roept de zinnelijkheid wakker door de bekoring der schoone vormen.
+
+Het is de natuurlijke taak der vrouw, de bij den man sluimerende
+zinnelijkheid op haar persoon te vestigen. Dit kan op groote schaal
+het best en daarom met de meeste kans op succes geschieden door te
+werken op den gezichtszin. Deze manier van lokking levert de meeste
+kans een groot aantal te bekoren; zij verschaft dus een ruime keuze. En
+doordat de gezichtszin fijnere, edeler instincten wakker roept, levert
+de lokking, die zich wendt tot den gezichtszin, tevens de meeste kans
+op tot bekoring der beste, meest begeerenswaardige exemplaren; lokking,
+gericht op den gezichtszin, verschaft daardoor niet alleen een ruime
+keuze, maar tevens keus uit het beste. Om deze redenen trachten alle
+vrouwen in de eerste plaats schoon te zijn, d.w.z. te beantwoorden
+aan de heerschende _schoonheids-idealen_ voor de vrouw. Om haar
+schoonheid te verhoogen en gebreken daarin te verbergen vindt het
+vrouwelijk geslacht dan ook altijd weer nieuwe hulpmiddelen uit.
+
+Tot die hulpmiddelen behoort in de allereerste plaats de
+kleeding. C. H. Stratz neemt als vaststaande aan, dat het
+oorspronkelijk doel der kleeding niet lichaamsbedekking geweest
+is, maar _lichaamsversiering_. Reeds vroeg zal de ondervinding
+de vrouwen hebben geleerd, dat bedekking en verberging der
+bekoorlijkheden de zinnelijkheid meer prikkelt, dan openlijk
+tentoonstellen daarvan. Tegenwoordig is bij de meeste volken het
+bedekken van het lichaam wel schijnbaar de hoofdzaak, vooral in de
+gematigde en koude luchtstreken, maar overal is niettemin voor het
+vrouwelijk geslacht verhooging der schoonheid ter verhooging der
+sexueele aantrekkingskracht de ware en eigenlijke hoofdzaak bij haar
+kleeding. Het is voor de vrouw bij het kiezen harer kleeding vrijwel
+onverschillig wat bedekt of niet bedekt wordt, mits de kleeding haar
+slechts goed, d. i. verleidelijk en verlokkend staat. Bij den man
+is dit geheel anders. In de mannenwereld dient de kleeding behalve
+tot lichaamsbedekking allereerst tot aanduiding van standsverschil;
+door zijn kleeding vestigt de man de aandacht op zijn stand in de
+maatschappij; hij demonstreert er zijn werkelijken of denkbeeldigen
+welstand mee, maar sexueele oogmerken spelen in de mannenkleeding geen
+noemenswaardige rol. Vandaar overal een veel grootere eenvormigheid
+in de mannen- dan in de vrouwenkleeding, Natuurlijk staat dit
+rechtstreeks in verband met de schijnbare activiteit en de even
+schijnbare passiviteit van man en vrouw in het leven der liefde.
+
+De vrouw is in het liefdeleven de aantrekkende magneet, en alle
+middelen waarmee zij die aantrekking van nature vermag uit te oefenen,
+tracht zij--natuurlijk veelal zonder zich daarvan duidelijk bewust te
+zijn--kunstmatig te versterken. Daar zekere geuren de geslachtelijke
+aantrekking blijken te versterken, hult zij zich in wolken van
+erotische geuren. Daar opzichtigheid en opschik in nog hoogere mate
+sexueele aantrekking uitoefenen, hult zij zich tevens in wolken van
+opzichtigen opschik. Iedere vrouw, die zich opschikt en mooi kleedt,
+heeft daarmee de al of niet bewuste bedoeling hare natuurlijke
+geslachtelijke aantrekkingskracht te verhoogen.
+
+Om het oog der mannen te bekoren en zoodoende hun zinnelijkheid op te
+wekken, versierden de vrouwen zich aanvankelijk met elk veelkleurig en
+fraai voorwerp, dat zij maar machtig konden worden. Daaruit ontwikkelde
+zich de kleeding, die ook daar waar bescherming van het lichaam tegen
+koude of warmte een gebiedende noodzakelijkheid is, toch, vooral wat
+de vrouwen betreft, in de eerste plaats wordt dienstbaar gemaakt aan
+schoonheid, ter verhooging van de sexueele aantrekkingskracht. De
+leiding gaat daarbij sinds onheugelijke tijden uit van een factor,
+die deze neiging tegelijkertijd aanwakkert, exploiteert en bevredigt:
+de mode. Wat deze op een gegeven oogenblik mooi verklaart, daaraan
+onderwerpen zich nagenoeg alle vrouwen, ook al gemakshalve, wijl dat
+haar ontslaat van de moeite, zelf uit te vinden, wat mooi is. Bij
+deze onderwerping blijkt steeds, hoezeer het schijnbare hoofddoel
+der kleeding: bescherming van het lichaam tegen koude of warmte, in
+werkelijkheid bijzaak is. Als de mode zulks voorschrijft, ontblooten
+alle vrouwen gewillig boezem, schouders, armen enz.
+
+Bij vele dusgenaamde onbeschaafde volksstammen dragen alleen gehuwde
+vrouwen kleederen. De mannen beschouwen haar als een bezit, dat zij
+angstvallig en ijverzuchtig aan alle nieuwsgierige en begeerige blikken
+wenschen te onttrekken. Bij zulke stammen is het dan tevens regel,
+dat zelfs volwassen jongedochters geheel naakt loopen. Daarentegen zijn
+er ook stammen bij welke de ongehuwde vrouwelijke leden zich kleeden,
+met het bewuste doel, hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen
+en zich begeerenswaardiger te maken, terwijl de gehuwde vrouwen zulks
+niet meer noodig achten en ongekleed gaan. Hier gaat men derhalve
+uit van de--zielkundig juiste--opvatting, dat van verbergende,
+bedekkende kleeding, wijl zij de nieuwsgierigheid opwekt en de
+phantasie in werking brengt, machtiger bekoring uitgaat dan van
+de algeheele naaktheid, die niets meer te raden overlaat, en wier
+bekoring door de gewoonte zeer snel afneemt, zooals iedereen weet,
+die een tijdlang onder naaktlevende wilden vertoefd heeft. Datzelfde
+beginsel is thans ongeveer overal doorgedrongen, niet alleen in wat men
+noemt de beschaafde wereld, maar ook overal waar men die beschaving,
+zij het in nog zoo geringe mate, heeft leeren kennen.
+
+Bekleeding en bedekking van het lichaam sluiten echter de mogelijkheid
+in, dat zich ook in het verleidelijkste en bekoorlijkste hulsel,
+inplaats van een begeerenswaardige Venus, een Megera verbergt. Deze
+mogelijkheid matigt en vermindert weer de aantrekkingskracht
+der bekleeding. De kleeding moet daarom niet slechts verbergen,
+maar tegelijkertijd zooveel mogelijk aanduidingen geven van wat zij
+verbergt, en het hoogste raffinement der vrouwenkleeding bestaat dan
+ook hierin: zoo weinig mogelijk te toonen, doch op een wijze dat er
+zooveel mogelijk valt te raden, volgens den paradox: _in kleederen
+naakt_. Een nauwsluitend tricotcostuum of een kleed van dunne, zich
+aan het lichaam leggende stoffen verbergt alles, doch laat tevens
+alles raden en oefent daardoor een machtige erotische werking uit,
+wat reeds de Ouden wisten. Dit feit, dat een doelmatige gedeeltelijke
+bedekking of ontblooting sexueel sterker behaagt en bekoort dan de
+volle naaktheid, is een onderdeel van een veel omvattender verschijnsel
+in het leven der sexen. De mannelijke zinnelijkheid wenscht geen
+dadelijke, lijdelijke overgave, zij verlangt integendeel verzet,
+tegenstand, zij wil de zege stuk voor stuk bevechten, wat zich aanbiedt
+wordt weinig of niet meer begeerd, wat zich al te licht prijsgeeft
+trekt niet aan, stoot eer af. Evenzoo is het met de zich vrijelijk
+aan den blik prijsgevende naaktheid. De berekende schijnbeschaamdheid
+der half bekleede Venus van Medici is verleidelijker en aanlokkender
+voor de mannelijke zinnelijkheid dan de onbekommerde naaktheid van
+de Venus van het Vatikaan.
+
+Is het doel der bovenkleeding verlokking in het algemeen, dat
+der onderkleeding is in hoofdzaak persoonlijke verlokking van
+den begunstigden man. Hoe dichter de vrouwelijke kleeding de huid
+nadert, des te ingewikkelder en gecompliceerder en teven des te
+meer zinnenbedwelmend wordt zij. Kanten, borduursels, linten,
+strikken, de meest phantastische stoffen, de geraffineerdste
+kleurencontrasten. Natuurlijk ligt in dat alles een diepere
+bedoeling. De schatten van vinding en phantasie, die de linnenkast
+eener welgestelde dame vertegenwoordigt, verraadt te duidelijk,
+hoezeer men zich in die schijnbaar zoo onbeduidende bijzaak
+als de onderkleeding heeft verdiept. De artistieke pracht en
+de erotische doelmatigheid van elk onderdeel van het vrouwelijk
+dessous bewijzen voldoende, dat hiermee iets anders wordt beoogd dan
+lichaamsbekleeding. Het dessous is weer een dier middelen waarmee
+de vrouw zich kwijt van de taak haar door de natuur toegewezen: zich
+tegenover den man schijnbaar passief te gedragen en hem toch op het
+geraffineerdst te bekoren en te verlokken en hem bij voortduring
+door haar erotische overmacht aan zich onderworpen te houden. Zoo
+zien wij dan ook, dat geen vrouw die zichzelf respecteert zich bij
+de keus harer onderkleeding alleen door hygiënische overwegingen
+laat leiden; integendeel, de dame van heden kleedt zich, wat haar
+dessous betreft, 's winters vrijwel precies zoo als in den zomer,
+hoezeer zij zoodoende haar gezondheid in gevaar brengt. Heel het
+vrouwelijk dessous is een wolk van erotische verlokking. Moet de
+vrouw bij haar bovenkleeding zich om tal van redenen beperken, bij
+haar onderkleeding kan zij vrijelijk en ongehinderd haar lokkende
+zinnelijkheid uitleven; de onderkleeding immers ligt buiten het
+gebied der openbare zedelijkheid. Hierbij kan men alle beschikbare
+phantasie te hulp roepen en kan men zich alles veroorloven. En zoo
+is aan de vrouwelijke onderkleeding alles verleidelijk, pikant, een
+ware orgie van vormen en kleuren. Wij zullen het thema der kleeding
+in het volgend hoofdstuk uitwerken.
+
+Behalve de kleeding zijn er nog tal van andere factoren, die der vrouw
+de mogelijkheid openen om door middel van den gezichtszin erotischen
+invloed uit te oefenen en overal en in alle tijden zien wij de vrouwen
+zich in ruime mate van die mogelijkheid bedienen. En tevens met
+voorliefde. De blikken te bekoren is voor de vrouw eenerzijds voor
+haar ijdelheid het meest streelend, en anderzijds is dit tegelijk
+het zekerst en het veiligst. De oogen een verrukkelijk schouwspel te
+bereiden is bovendien de eerste gunst, die de vrouw den man bewijst,
+het is de gebruikelijke ouverture van alle vrouwelijke flirt, en het
+gansche spel der vrouwelijke coquetterie bestaat voornamelijk hierin,
+door pikante poses, verleidelijke houdingen en schijnbaar achteloos
+aan den blik prijsgeven van intieme bekoorlijkheden den man te
+behagen. Door zoo op den gezichtszin te werken kan de vrouw, zonder
+haar schijnbaar passieve rol in het leven der liefde af te leggen,
+toch actief optreden, en dat met onweerstaanbare macht. De sexueele
+gevoeligheid van den gezichtszin biedt de vrouw de mogelijkheid,
+de mannelijke zinnelijkheid reeds op een afstand te doen ontvlammen
+en tot de begeerde uitbarsting te brengen.
+
+De gezichtszin staat bij sommige, vooral mannelijke individuen
+dermate onder den invloed der zinnelijkheid, dat het zien alleen
+van een individu der andere sexe de verbeelding zoodanig prikkelt,
+dat bevrediging der geslachtsdrift plaats vindt. Hammond beschrijft
+dit als volgt: "Bijvoorbeeld een man ziet een vrouw, die zinnelijke
+bekoring op hem uitoefent. Hij concentreert al zijn aandacht op haar,
+laat zijn verbeelding werken, stelt zich voor dat hij haar nadert,
+trapsgewijze brengt hij dan met zijn phantasie alle stadiën van den
+coïtus voor zijn geestesoog, tot het tenslotte tot orgasme komt. Er
+zijn mannen, die alleen dezen vorm van zinnelijke prikkeling kennen,
+doch dan deze methode meermalen op een dag kunnen toepassen". In
+enkele gevallen is het zien van een afbeelding eener vrouw of het
+denken aan een vrouw, al voldoende, orgasme te veroorzaken. Tot
+de natuurlijke cohabitatie zijn zulke personen in den regel ten
+volle impotent. Dit verschijnsel is ongetwijfeld een gevolg van het
+feit, dat het schoonheids-ideaal, dat op de zinnelijkheid inwerkt,
+en deze in actie brengt, het individu overweldigt door middel van
+den gezichtszin. Alle zinnelijkheid verlangt in de eerste plaats te
+zien. De masturbant beschouwt bij zijn practijken veelal een vrouw of
+een afbeelding, of zijn verbeelding plaatst hem deze voor oogen. En
+ook bij het gewone en normale geslachtsleven speelt deze ideëele
+coïtus een belangrijke rol: men cohabiteert met een persoon en denkt
+daarbij aan een andere.
+
+Het zintuig van het gezicht, het oog, speelt in het liefdeleven nog een
+andere rol. Liefde wordt allereerst verklaard met het oog. Het is de
+blik die de vonk schiet welke de hartstocht der liefde tot uitbarsting
+brengt, evenals een bliksemstraal de met electriciteit geladen
+onweerswolken. De blikken dergenen, die door duistere sympathiën
+zich tot elkaar voelen aangetrokken en tot elkander worden gevoerd,
+ontmoeten elkander en toonen elkander de diepte der ziel, waarin
+reeds de geheimzinnige en geurige bloem der liefde tot ontluiking
+is gekomen. Zoo is het dat de echte liefde wordt verklaard. Het
+overige is vooreerst maar het overige en komt later. Het oog vermag
+in de liefde onuitsprekelijke dingen te zeggen. Het is de blik die
+de eerste liefdesverklaring stamelt.
+
+
+
+
+
+
+VIII.
+
+DE KLEEDING ALS BONDGENOOTE DER ZINNELIJKHEID.
+
+
+De kleeding heeft onder het voorwendsel het lichaam bescherming te
+verleenen tegen allerlei uitwendige invloeden, een geheel andere
+functie te vervullen. Kleeding is lichaamsversiering in dienst der
+zinnelijkheid en der ijdelheid.
+
+Is voor den man in het algemeen de kleeding een der middelen om zijn
+maatschappelijke positie te demonstreeren, voor de vrouw is de kleeding
+gedurende een groot deel van haar leven een direct erotisch probleem,
+een vraagstuk, waarmee zij zich in den sexueelen strijd om het bestaan
+aanhoudend moet bezighouden. Vandaar dat wij ons hier uit den aard
+der zaak voornamelijk bij de kleeding der vrouw moeten bepalen.
+
+Het allervoornaamste, zoo niet het eenige doel van het decoratief
+vertoon van de kleeding der vrouw is: verhooging der erotische bekoring
+van het vrouwelijk lichaam. De vrouw kleedt zich, niet om bekleed te
+zijn, maar om te bekoren en te behagen. De rest is bijzaak.
+
+Tot op zekere hoogte is ook bij de mannen de kleeding een erotisch
+probleem, maar zij is dit in veel geringere mate en op geheel andere
+wijze. De man heeft in het liefdeleven de oogenschijnlijk actieve rol
+van aanvallende partij; daarbij kan de kleeding, die zijn stand en
+zijn welstand al of niet overeenkomstig de werkelijkheid te kennen
+geeft, hem behulpzaam zijn in den eersten stormloop. En ook streeft
+de man er bij de keuze van kleeding naar, dat ze hem zoo voordeelig
+mogelijk late uitkomen. Maar bij de vrouw is de kleeding het groote
+middel om hare natuurlijke sexueele aantrekkingskracht onberekenbaar
+te verhoogen en tot op gevorderden leeftijd intact te houden. En dit
+geldt niet alleen van de geraffineerde pronk en van den opzettelijken
+opschik, maar van elke lichaamsbedekking der vrouw in het algemeen.
+
+Men weet thans, en de vergelijkende volkenkunde levert daarvoor dag
+aan dag nieuwe bewijzen, dat het een dwaling is, als men spreekt
+van een den mensch van den beginne af aangeboren schaamtegevoel,
+dat hem er toe zou hebben gedreven zekere deelen van het lichaam te
+bedekken. Wij weten verder, dat integendeel elke vorm van kleeding
+oorspronkelijk nooit eenig ander doel heeft gehad dan om te strekken
+ter versiering ten behoeve van oogmerken, die in laatste instantie
+bevrediging der zinnelijkheid beoogen.
+
+De vrouw is, en wordt nog om haar hartstocht voor kleeding, waarmee de
+tegenwoordige vrouw als erfelijk is belast, veel gesmaad en bespot. De
+mannen maken zich gaarne vroolijk over al die linten en strikken,
+al dat kant en bont, al dien blinkenden en kleurigen opschik, die
+sinds duizenden jaren in het leven der schoone sexe een zoo voorname
+rol spelen, en zij zien er minachtend en geringschattend op neer
+en verbeelden zich daarboven verheven te zijn. Ten onrechte, want
+de vrouw neemt al die hulpmiddelen te baat, wijl ondervinding haar
+heeft geleerd en nog dagelijks leert, dat juist die hulpmiddelen op
+den man een onweerstaanbare uitwerking hebben. De vrouw kleedt en
+tooit zich en schikt zich op, niet in de eerste plaats, omdat zij
+zelf daar zoo op gesteld is, maar omdat zij den man daartegen zwak
+weet. Als de man den spot drijft met de zucht naar opschik der vrouw,
+bespot hij eenvoudig zijn eigen voorliefde voor de opgeschikte vrouw.
+
+Gewoonlijk beschouwt men het geheimzinnige hulsel, waarin de vrouw
+hare natuurlijke bekoorlijkheden verbergt, als een lustig spel der
+grillige phantasie, waaraan de vrouwelijke ijdelheid zich te buiten
+gaat. Evenwel is hier allerminst sprake van een spel. De kleeding
+is voor de vrouw de oorlogsrusting in haar lijdelijk offensief in
+den strijd der liefde. Van de doelmatigheid dier wapenrusting hangt
+haar overwinning af. Zich opschikken is het zwak der vrouwen dat haar
+sterk maakt--het is voor haar een erotisch machtsmiddel.
+
+Dat het erotisch probleem der kleeding op zoo uiteenloopende wijze
+is opgelost, is te verklaren als volgt. Bij het versieren van het
+lichaam gaat de mensch, op welken trap van beschaving hij zich ook
+bevindt--zoowel op den hoogsten als op den laagsten trap--steeds
+er naar uit, de speciale eigenschappen van het ras, die natuurlijk
+als voordeelen boven andere rassen worden aangemerkt, zoo scherp
+en zoo gunstig mogelijk te laten uitkomen. Voor een zoo volmaakt
+mogelijk exemplaar van zijn ras te worden aangezien, daarnaar
+streeft onwillekeurig ieder mensch. De meest in 't oog springende
+ras-eigenschappen der Europeanen, speciaal der Europeesche vrouwen,
+zijn: betrekkelijk lange beenen, een natuurlijke taillevorming
+met merkbare insnoering van den middel, verder een breed bekken,
+ronde heupen en stevige borsten, als halve bollen op de borstkas
+staande. Deze speciale eigenschappen der Europeesche rassen hebben
+de richting bepaald, waarin de kleeding zich in dit werelddeel heeft
+ontwikkeld. Uit het streven om de lengte der beenen te laten uitkomen,
+ontstond de rok, die het mogelijk maakt met een oogopslag de verhouding
+daarvan tot het bovenlichaam op te nemen. Evenzoo danken gordels en
+ceinturen hun ontstaan aan de zucht om er de aandacht op te vestigen,
+dat men in taillevorming niet achterstond. Toen de kleeding zich zoover
+had ontwikkeld, dat ze zich gesplitst had in een geheel afzonderlijke
+onder- en bovenkleeding, werden ten behoeve van ditzelfde oogmerk
+de achtereenvolgende vormen van het corset uitgedacht, als een
+hulpmiddel om de verdere vrouwelijke eigenschappen van het blanke
+ras--breed bekken en staande borsten--aan het geheel bekleede lichaam
+toch nog te kunnen tentoonstellen. Dat dit geen hypothese is, leert
+een vergelijking met een menigte andere rassen, bij welke een breed
+bekken, taille-insnoering en een opgerichte boezem niet tot de speciale
+raskenmerken behooren. Bij zulke rassen, het Chineesche bijvoorbeeld,
+is in de kleeding geen spoor te ontdekken van een streven om de taille
+in te snoeren of den boezem kunstmatig omhoog te persen.
+
+Het corset is dus een hulpmiddel in dienst der erotische instincten
+der vrouwen van het blanke ras, en dit verklaart, waarom men deze
+vrouwen er tot dusver nog niet toe heeft kunnen krijgen, en er
+wellicht nimmer toe zal krijgen, van het corset afstand te doen, en
+waarom zelfs eenmaal van dit folterwerktuig bekeerde dames het onder
+een andere benaming al of niet onder eenigszins gewijzigden vorm,
+al spoedig weer binnen smokkelen.
+
+In het algemeen is de kleeding ontstaan uit de ervaring, dat
+het verhulde lichaam meer en langduriger bekoort dan het naakte
+lichaam. Hierover is al nader uitgewijd in het hoofdstuk dat handelt
+over den invloed der zintuigen in het liefdeleven en in dat over
+de schaamte.
+
+Een natuurlijk gevolg van de zucht om de bijzondere raseigenschappen
+te laten uitkomen en voor een volmaakt vertegenwoordigster van het
+ras te kunnen doorgaan, is gelijk van zelf spreekt: overdrijving. Wie
+een verlangde eigenschap in den hoogsten graad bezit of schijnt te
+bezitten, valt het eerst en het meest in het oog. Zoodoende zoekt de
+kleeding gewoonlijk een bijzondere ontwikkeling van de bovengenoemde
+raseigenschappen voor te wenden. Daarbij wordt in den regel weinig of
+geen rekening gehouden met de natuurlijke harmonie, grondslag en eerste
+eisch van elke ware schoonheid. Maar, esthetische overwegingen komen
+bij de kleeding zoo goed als niet aan het woord. Met de kleeding toch
+worden geen esthetische, maar practisch-erotische oogmerken beoogd. En
+nu moge het waar zijn, dat hoogstzelden vrouwen met de breedste
+heupen, den weelderigsten boezem en de omvangrijkste callipygische
+bekoorlijkheden als werkelijke schoonheden en esthetische idealen
+worden aangemerkt, toch leert de ondervinding maar al te duidelijk,
+dat in werkelijkheid toch diegenen de voorkeur genieten, bij wie deze
+raseigenschappen het krachtigst ontwikkeld zijn. De vrouw wil niet in
+de eerste plaats schoon genoemd zijn, maar zij wil bovenal gezocht en
+begeerd zijn, en zoo strekt de kleeding niet om de schoonheid der vrouw
+te verhoogen, maar om hare zinnelijke aantrekkingskracht te verhoogen.
+
+De passieve rol van de vrouw in het geslachtsleven dwingt haar,
+als zij in haar passiviteit toch actief wil optreden--d.w.z. als
+zij schijnbaar lijdelijk wil blijven en toch erotische actie wil
+voeren--de kleeding als bondgenoote te aanvaarden.
+
+Deze bondgenoote toch stelt haar meer dan iets anders in staat,
+verdekt offensief op te treden. Zij mag er met zekerheid meer effect
+van verwachten dan zelfs van de meest verleidelijke coquetterie,
+het andere groote actieve middel der vrouw; deze wordt tot een nauw
+verstaanbaar gefluister, vergeleken bij de beeldrijke lofrede,
+die de vrouw door haar kleeding op zich kan laten houden tot den
+man. De kleeding is, kort gezegd, de hoogste troef in het spel der
+verlokking. Door de pracht in haar kleeding en door steeds up to
+date daarmee te zijn, kan de vrouw bovendien haar welstand ten toon
+spreiden. Door daarbij een goede keuze en eenigen smaak aan den dag
+te leggen kan zij tenslotte met haar kleeding zelfs hooggespannen
+verwachtingen wekken omtrent hare geestelijke kwaliteiten. Zoo
+is de kleeding voor de vrouw een onuitputtelijk arsenaal en haar
+operatiebasis in den sexueelen strijd om het bestaan.
+
+Het zou der vrouw geringe moeite kosten al datgene, wat zij met haar
+kleeding vermag, op de edelste en meest esthetische manier te doen,
+en haar natuurlijk schoon met behulp der kleeding eenige malen te
+verdubbelen. In plaats daarvan is als regel de bekleeding der vrouw,
+met esthetisch oog bezien, een toonbeeld hetzij van leelijkheid, hetzij
+van dwaasheid. De kleeding, die zou kunnen dienen het vrouwenschoon
+te verhoogen, doet eigenlijk niet anders dan dat schoon onkenbaar
+maken. Wat de bestaande schoonheid kon versterken en vermeerderen,
+verwoest haar. De natuurlijke schoonheid wordt bedekt met leelijkheid;
+om mooi te zijn, maakt men zich leelijk!
+
+De oplossing van deze tegenstrijdigheid is eenvoudig.
+
+De kleeding is voor de vrouw geen doel, maar middel. Het doel is niet
+schoon te zijn, maar begeerd te worden. Niet de roem der schoonheid
+is het doel in den sexueelen wedstrijd, maar de verovering van den
+man. En daarbij staan de kansen niet het gunstigst voor het schoone
+en harmonische, maar voor het opzichtige en buitensporige. De vrouw
+moet in de eerste plaats den bruidssluier machtig worden. Daartoe is
+het niet voldoende schoon te zijn. Integendeel, het welslagen is zeer
+weinig gewaarborgd, als de oplossing van dit vraagstuk wordt gezocht
+in de richting van het esthetisch zuiver schoone; zekerheid bijna van
+slagen daarentegen is er, als men de kunst verstaat de aandacht op
+zich te vestigen, en door iets opvallends boven de eindelooze massa van
+mededingsters weet uit te steken. Het zwakste punt van de te veroveren
+vesting, den man, is diens zinnelijkheid. Op dit punt moet hij dus
+bij voorkeur worden aangetast. Aanvallen in dezen zin, zoo, dat de
+schijn van lijdelijkheid blijft bewaard, kan de vrouw het best met haar
+kleeding. Daarin dus zoekt zij zonder te spreken de verleidelijkste
+zinnelijke beloften te doen. Het slagen is zeker voor wie daarin
+slaagt. Ieder costuum moet aan de mannenwereld de verzekering geven:
+ik ben datgene, of ik ben _nog_ datgene, wat de vrouw in de eerste
+plaats zijn moet--instrument der zinnelijkheid. Alles moet daarbij
+voor de brute logica van der vrouwen strijd om het bestaan wijken.
+
+Geen der schijnbare dwaasheden in de vrouwenkleeding is dan ook
+dwaasheid. Integendeel, alles is daarbij altijd verwonderlijk doelmatig
+ingericht op het verlangde effect.
+
+De leiding heeft daarbij de mode!
+
+De mode is het, die het bovengeschetste probleem op telkens nieuwe
+wijze oplost. Deze voert de vrouwen, die haar uniform aannemen,
+naar een vrijwel zekere overwinning. In dienst der mode bereiken de
+vrouwen bijna zeker haar doel--zij het verminkt.
+
+De mode is tegelijk de machtigste vriendin en de boosaardigste vijandin
+van de vrouw en de bekendste en daarom de meest en het luidst gesmade
+misdadigster tegen de heerlijke schoonheid der vrouw. Het is volstrekt
+geen phrase als men zegt, dat de meeste modes meer vrouwen te gronde
+richten dan eenige oorlog mannen het leven gekost heeft. Wel vergiet
+de mode geen bloed, zij doodt niet direct, maar des te meer gewonden
+en verminkten vallen er op hare slagvelden. Maar juist daarom is de
+mode barbaarscher nog dan de oorlog. Want de nakomelingen, die uit
+de verminkte en verzwakte slachtoffers der mode geboren worden,
+moeten mede boeten. Aan tienduizenden onschuldigen worden door
+een vergald leven de zonden der ouders gewroken. En het schijnbaar
+zonderlingste daarbij is, dat er waarschijnlijk nog nimmer een mode
+geweest is, die niet, behalve tegen de gezondheid, tevens tegen
+de schoonheid zondigde. De mode is doorgaans met alle begrippen
+van schoonheid volkomen in strijd en heden ten dage is de naar de
+regelen der mode bekleede vrouw zoover als maar mogelijk schijnt van
+eenig natuurlijk schoonheidsideaal verwijderd. Woorden als "chique"
+vervangen bij de aangekleede vrouw het begrip schoon; een chique vrouw,
+ontkleed, is niet zelden de meest afschrikkende tegenstelling van
+het vrouwen-schoonheidsideaal, zooals ons dat in de Aphrodite's der
+oudheid nog altijd op het heerlijkst belichaamd is. En een evenbeeld
+eener Aphrodite, naar de regelen van welke mode ook aangekleed,
+volkomen onherkenbaar zijn.
+
+Het schijnt ten allen tijde de opzettelijke bedoeling van de
+mode te zijn geweest, alles wat de natuur aan vrouwenschoon laat
+ontstaan, te misvormen en te vernielen. En ook heeft de mode de
+vrouw verlaagd. Iedere mode toch streeft er alleen naar, de vrouw
+als geslachtswezen kunstmatig meer presentabel te maken. Zij vestigt
+daarom als met schreeuwende reclame de aandacht op alles wat de
+vrouw tot vrouw maakt. Niet de innerlijke en uiterlijke harmonie,
+het psychische en geestelijke wezen in de vrouw komt in de kleeding
+tot uiting, maar wel beijvert de mode zich de intieme lichamelijke
+_bekoorlijkheden_ der vrouw aan te prijzen en te laten uitkomen,
+zoo, dat ieders aandacht er dadelijk bij wordt bepaald, dat zij
+lichamelijk over de middelen beschikt, die haar als geslachtswezen
+bruikbaar maken. De mode verlaagt de vrouw door dit alles tot een
+levende reclamezuil der zinnelijkheid.
+
+En doordat de mode om haar doel te bereiken gedurig moet zoeken naar
+iets nieuws dat opzien verwekt, maakt zij de vrouw van tijd tot tijd
+tot een afzichtelijk monster, dat eer schrik aanjaagt dan bekoring
+uitoefent.
+
+De mode heeft de vrouw nooit anders dan misvormd en daarvan ook
+in ruime mate blijvende sporen nagelaten. Iedere modegril is een
+nieuwe zonde tegen de natuurlijke schoonheid. Altijd zoekt de mode
+het in het abnormale, dwaze en onredelijke. Dit geldt zoowel van
+de constante plaatselijke of nationale modedrachten--met eenige
+weinige uitzonderingen--als van de zeer veranderlijke grootsteedsche
+en mondaine modes. Wat de mode dicteert is als regel onnatuurlijk en
+in zijn zotte onzinnigheid belachelijk.
+
+Niets bijvoorbeeld is schooner en heerlijker dan de blos der
+gezondheid, het frissche bloeiende rood der wangen. De mode veracht
+die natuurlijke schoonheid, en verklaart haar voor ordinair, boersch,
+de eerste de beste boerin ziet er immers ook zoo uit! En bovendien,
+de dame, die in de wereld verkeert, zich angstvallig wacht voor
+elke inspanning, in de salons haar leven slijt en meer kunstlicht
+dan daglicht ziet, kan onmogelijk anders dan vale, bleeke wangen
+hebben. De mode weet echter raad, zij verklaart de bleeke, vale tint,
+waarmee boudoir, salon en balzaal het aangezicht kenteekenen, voor
+voornaam, deftig en interessant. Zoo wordt het ziekteverschijnsel
+tot schoonheidsregel verheven en de kleur der gezondheid wordt
+veracht, geschuwd, zelfs kunstmatig verwijderd en vervangen door de
+doodsch-vale modekleur. Bleekheid wordt interessant en pikant, zij
+schijnt te spreken van smachtend verlangen en aan de liefde gewijde
+nachten. En als de bleekheid niet vanzelf wil komen, dan wordt zij
+kunstmatig op het aangezicht gebracht.
+
+Op dezelfde wijze heeft de mode bij elk deel van het vrouwelijk
+lichaam als met voorbedachten rade gestreefd naar ontaarding en
+misvorming. Van den schedel tot aan de voeten heeft zij de vrouw
+verminkt, van haar natuurlijk schoon beroofd en voor het geroofde
+ergerlijke reclame-achtige surrogaten in de plaats gesteld.
+
+Bepalen wij ons een oogenblik bij den voet. De voet is een
+der meest delicate schoonheden van het vrouwelijk lichaam. De
+heerlijke volmaaktheid van dit lichaamsdeel maakt het tot een klein
+scheppingswonder op zichzelf. De voet is echter niet uitsluitend
+sieraad, hij heeft een functie, en deze is, het geheele lichaam een
+bevallige en vlugge bewegelijkheid te verleenen--zonder krachtigen
+voet geen gracieusen en zekeren gang. Nu geldt terecht een kleine voet
+als schoon. Maar de mode, wier wezen bestaat in karikatuur-achtige
+overdrijving, is niet tevreden met klein; schoonheid moet niet
+twijfelachtig zijn, maar zich duidelijk manifesteeren. De voet
+moet derhalve niet slechts klein zijn, maar zeer klein, abnormaal,
+wanstaltig klein. Zoo luidt de wet der mode voor alle vrouwen en
+naar het schijnt voor alle tijden. En negen tienden der vrouwen
+wringen haar leven lang haar voeten in te kleine schoenen, waarin
+de voeten zoo onnatuurlijk worden samengeperst, dat het eenvoudig
+onmogelijk is behoorlijk rechtop te staan, om maar niet te spreken
+van een paar uur flink loopen. Zoo verandert de sierlijke rythmus
+van het gaan in een onbeholpen, erbarmelijk gewaggel in eendachtige
+lompheid. En deze inbreuk op de harmonische schoonheid is nog het
+_geringste_ nadeel, want de onmogelijkheid, behoorlijk te kunnen
+loopen, is vrij wat ernstiger. Maar, zoo fluistert de _verdwaasde_
+mode, waarom behoeft een dame eigenlijk te loopen? En zij troost haar
+verminkte slachtoffers met de dwaasheid, dat toeren te voet voor een
+dame ongepast en onbetamelijk zijn. Er zijn zelfs tijden geweest, dat
+loopen voor een vrouw ronduit onfatsoenlijk werd genoemd. Abnormaal
+kleine voeten getuigen er tevens van, dat de bezitster zich de
+weelde heeft kunnen verlooven zich van het vermogen van het gaan
+te berooven--daarom zijn zulke verminkte voeten tevens het symbool
+geworden van maatschappelijke voornaamheid, waardoor men zich nog
+met des te vuriger ijver aan deze zelfverminking overgeeft.
+
+Zoo zijn er nog tallooze mode-dwaasheden, waardoor het vrouwenschoon
+voor altijd wordt vernietigd. Het lichaam van iedere vrouw, die
+bij voortduring concessies doet aan de Draconische wetten der mode,
+vertoont onuitwischbare sporen van de aangerichte verwoesting--ze is
+in den volsten zin des woords voor haar gansche leven geteekend. Aan
+de voeten liggen de teenen niet meer regelmatig naast elkander, maar
+ze zijn tot een afzichtelijk kluwen over elkaar gewrongen. En dan de
+taille-snoering! Deze vult dag aan dag de ziekenkamers en de zalen der
+vrouwenklinieken met een talloos leger van slachtoffers, die allen met
+de afschuwelijke insnoering van het corset, het Kaïnsteeken der mode,
+zijn gestriemd.
+
+Hierbij schijnt het inderdaad, of een booze geest een afschuwelijk spel
+van dwaasheden drijft met de vrouw. De grootste trots en het schoonste
+sieraad van het opgroeiend meisje zijn hare borsten. Honderden
+hoogstaande vrouwen hebben ons dit geheime welgevallen geschetst. Vol
+schuchterheid ontwaart zij de eerste ronding, met onschuldig welbehagen
+volgt zij den langzamen aanwas, en met klimmende verrukking ziet zij
+de beide halfronden van vrouwelijke heerlijkheid zich verheffen in
+maagdelijke volheid. Ze weet instinctief, dat dit het verhevenste
+sieraad is van de jonge vrouw, dat het haar dagelijks begeerlijker
+maakt voor den geliefde. En hoewel ze dit alles gevoelt en weet,
+toch snoert zij zich in en perst zich ineen, dag aan dag, week aan
+week. Het onvermijdelijk gevolg blijft niet uit en doet zich weldra
+gevoelen. Zij voelt de vastheid en elasticiteit van den mishandelden
+jongen boezem verminderen en verdwijnen, nog vóór hij zich in volrijpe
+schoonheid heeft kunnen ontplooien. Maar zij gaat door met zich in te
+snoeren--de mode gebiedt het. En zij troost zich met de drogreden,
+dat men het immers toch niet ziet. De ergerlijke, ja misdadige
+zotternij van de mode springt hier wel het duidelijkst in het oog:
+om den schijn van schoonheid van een jongen boezem te fingeeren,
+wordt de werkelijk bestaande schoonheid verwoest. Dit staat inderdaad
+gelijk met den leugen te verkiezen boven de waarheid, uit louter lust
+tot liegen. Het is de werkelijkheid prijsgeven en opofferen voor iets
+wat diezelfde werkelijkheid verzwakt nabootst.
+
+Zoo is de mode de boosaardigste vijandin, die de vrouwenwereld heeft
+en tevens de meest bedriegelijke schijnvriendin.
+
+Maar in weerwil van dat alles schijnt de heerschappij van de mode
+nog ongeschokt, neen, zich nog altijd hechter te vestigen.
+
+De reden daarvan is, dat zij de vindingrijkste en meest succesvolle
+bondgenoote is van de vrouw in haar strijd om het bestaan. Daardoor
+kan de mode de gansche vrouwenwereld slaafsch aan zich onderwerpen
+en oppermachtig over haar heerschen als een despotieke gebiedster,
+die geenerlei inbreuk op haar tiranieke wetten duldt.
+
+Het hoofddoel der kleeding is voor de vrouw zinnelijk begeerlijk te
+zijn. Zinnelijk nu werken op den gezonden doorsnee-man van nature die
+vormen, die getuigen van bijzondere geschiktheid voor de functie,
+die aan de vrouw is toebedeeld: een breed bekken en weelderige
+borsten. Een breed bekken verzekert een krachtige ontwikkeling van
+het wordende kind, en een goed-ontwikkelde boezem belooft voor dat
+kind een overvloedige voedselbron te zijn. De kleeding moet de vrouw
+daarbij te hulp komen, zij moet de vormen in de gewenschte richting
+corrigeeren. Om die reden is de vrouwenkleeding in hoofdzaak een
+erotisch probleem, dat de mode ten koste desnoods van alles, helpt
+oplossen.
+
+De mode streeft volstrekt niet, wij zeiden het reeds, naar schoonheid;
+zij streeft alleen naar het telkens weer op nieuwe manier versterken
+der zinnelijke bekoring van de vrouw. Het is een dwaling te meenen,
+dat de mode dwaas is; zij doet alleen dwaas voor zoover dit ter
+bereiking harer oogmerken noodig is. Hare dwaasheid is berekend. Hare
+buitensporigheden zijn wel overwogen. Er heerscht in het rijk
+der mode allerminst willekeur, niet de caprice roept modes in het
+leven, maar de eisch der strengste doelmatigheid. De mode is dwaas
+uit overleg, en met volmaakte kennis van de zwakke punten van den
+tegenstander. De dwaasheden der mode blameeren minder de vrouw, dan
+den man; zij getuigen niet van voorliefde voor het dwaze bij de vrouw,
+maar bij den man. Want de mode kleedt de vrouw alleen hierom dwaas,
+wijl dit het welslagen van het beoogde doel verzekert.
+
+In de mode heerscht niet het toeval, evenmin de gril van het oogenblik;
+alles in de mode is nuchteren berekening, vooral hare vermeende
+onbestendigheid. In die onbestendigheid toch ligt voor een belangrijk
+gedeelte het geheim van haar succes. De mode immers bedoelt aandacht
+te trekken. Het meest trekt de aandacht het nieuwe. Daarom, ieder
+oogenblik wat nieuws, ieder seizoen nieuwe vormen, om het der vrouw
+mogelijk te maken in steeds nieuwe combinaties al hare bekoorlijkheden
+en al hare lichamelijke, geestelijke en materieele eigenschappen en
+bezittingen ten toon te spreiden. Zoo is de mode veranderlijk niet
+uit grilligheid, maar uit berekening. Als de zinnelijke bekoring
+eener modedracht begint te verminderen, dan heeft de mode al weer een
+nieuwe gereed, Zoo vult zij de "beschaafde" wereld aanhoudend met
+nieuwe vrouwen, die er geheel anders uitzien dan die van gisteren,
+en waarvan weer opnieuw het maximum van zinnelijke lokking uitgaat.
+
+Hoe ten volle mode en kleeding in directen dienst staan der
+zinnelijkheid blijkt allereerst uit het antwoord op de vraag,
+waar de modes eigenlijk vandaan komen. Hieromtrent worden wij
+voldoende ingelicht door de zedemeesters van alle tijden. Steeds
+hooren wij dezen in alle toonaarden jammeren en met de grootste
+zedelijke verontwaardiging ontsteld verzekeren, dat de meeste en
+succesvolste scheppingen der mode door de beroepspriesteressen van
+Venus zijn uitgedacht. Deze bewering is volkomen juist, het bewijs
+er voor is zonder eenige moeite te leveren. Maar in het feit zelf
+ligt niets verwonderlijks, het is een zeer natuurlijk en volkomen
+logisch gevolg van het bovengeschetste doel van de kleeding. Het is de
+dagelijks en ieder uur beoefende taak der bedoelde priesteressen van
+Venus: geslachtswerktuig en niets anders dan dat te zijn; om goede
+zaken te maken zijn zij gedwongen op het geraffineerdst te werk
+te gaan. Omdat haar geest zich daar voortdurend bij moet bepalen,
+vinden zij natuurlijk de beste oplossingen van de vraag: hoe met de
+kleeding de krachtigste bekoring uit te oefenen en zij zijn steeds
+de eersten om de uitwerking van nieuwe vindingen te beproeven. Het
+succes dat deze klasse van vrouwen daarmee heeft, blijft bij de rest
+niet onopgemerkt en ook der op eerbaarheid gestelde vrouw blijft
+niets over dan het voorbeeld te volgen, willen zij niet riskeeren in
+de niets ontziende concurrentie ten onder te gaan, d. w. z. over het
+hoofd gezien en terzijde geschoven te worden.
+
+Het is de taak der mode, haar eenige taak eigenlijk, de
+geslachtsverschillen te laten uitkomen, op hunne aanwezigheid
+opmerkzaam te maken, alle lijnen, die sexeverschillen markeeren,
+als te onderstreepen en zoo noodig te corrigeeren.
+
+Voor het blanke menschenras is de boezem het voornaamste uiterlijke
+geslachtskenmerk der vrouw. Daarvan gaat naar den man de krachtigste
+bekoring uit. Stratz merkt terecht hieromtrent op: "Bijzonder
+sterk en eigenaardig is de bekoring, die de vrouwelijke borsten
+op ons uitoefenen. Terwijl de natuurvolken daarvoor ten eenenmale
+onverschillig zijn en zelfs bij de Japanners en Chineezen, die toch
+ook geheel bekleed gaan, de boezem geen zinnelijke beteekenis schijnt
+te hebben, zijn de borsten bij de op hoogeren trap staande volken van
+het Kaukasische ras het zinnebeeld der vrouwelijke aantrekkingskracht
+geworden en zij gelden, als zij goed zijn ontwikkeld, als het hoogste
+sieraad van het vrouwelijk lichaam."
+
+Naar een teekening van Hans Holbein den Jongere (1497-1543),
+Museum, Bazel. Natuurlijk is dit de mode niet onbekend. Zij maakt
+integendeel het meeste werk van den boezem. Hare vernuftigste en
+meest geraffineerde scheppingen gelden altijd den boezem. Zij doet de
+middelen aan de hand om deze al of niet voorhanden schoonheid op het
+duidelijkst te laten uitkomen, en waar ze geheel ontbreekt, ze voor te
+wenden. Dit begint al bij het jonge meisje, want een vroege krachtige
+ontwikkeling van de buste heeft ten alle tijde gegolden voor een
+benijdenswaardig geschenk der natuur. Het tot puberteit komende meisje
+vestigt met haar kleeding dan ook het eerst de aandacht op haar boezem;
+daarmee opent zij haar lijdelijk offensief tegen de mannenwereld;
+met den boezem begint het tentoonstellen der vrouwelijkheid. En van
+dat oogenblik blijft steeds de boezem de stelling van waar uit de
+erotische strijd wordt gevoerd, het geheele leven door, tot in den
+ouderdom toe. Nog altijd een mooien gevulden, weelderigen boezem te
+hebben, dat is de grootste triumf der volrijpe vrouw. En wijl het de
+mode nooit te doen is om werkelijkheid, maar alleen om schijn, en zij
+met de werkelijkheid zelfs geen rekening wenscht te houden, verwoest
+zij, naar we boven zagen, eerst de werkelijkheid, om vervolgens met
+schijn het door haar vernielde weer aan te vullen. Zij handelt als
+een berekenend speculant, die kunstmatig gebrek schept om zich een
+vlotter afzetgebied te verzekeren. Alle mode is voor de ontwerpers
+trouwens niets dan koopmanschap.
+
+Vandaar is dus het verlokkend presenteeren van den boezem ten allen
+tijde het voornaamste probleem geweest, dat de mode zich ter oplossing
+zag voorgelegd. En zij heeft dat probleem in den loop der tijden op
+honderden verschillende manieren weten op te lossen. Het liefst,
+wijl het meeste effect verzekerend, bedient zij zich daarbij van
+gedeeltelijke ontblooting, de decolletage. Het decolleté bedoelt
+niets anders, dan bekoring uit te oefenen op den man. Wel oefent
+het bekleede lichaam krachtiger erotische aantrekking uit dan
+het naakte lichaam. Maar bij het decolleteeren staat men voor een
+dier gecompliceerde gevallen, die aan toepassing der homeopathie
+doen denken. Zoo blijft er voor den leugenaar als laatste middel
+over om te misleiden: de waarheid te zeggen, wijl niemand die dan
+van hem gelooft. Langs een gelijksoortigen omweg gaat de erotische
+bekoring met behulp van decolleté. Het bekleede lichaam werkt op den
+Europeeschen mensch veel zinnelijker, dan het naakte lichaam. Door de
+bekleeding is in de plaats van de onverschilligheid der wilden voor
+het alledaagsche naakte een brandende nieuwsgierigheid gekomen voor
+het zich in kleederen verbergende lichaam. Treffend zou dit blijken
+als een vrouw in negligé, maar geheel bekleed, zich op straat zou
+begeven in gezelschap van een andere met ontbloote armen, beenen
+enz.--aller blikken zouden zich wenden naar het negligé, de slechts
+gedeeltelijk bekleede gezellin zou ternauwernood worden opgemerkt.
+
+Het bekleede lichaam prikkelt de phantasie, die, eenmaal aan
+het werk, zich het verborgene en onbekende in de gloeiendste
+en heerlijkste kleuren afmaait. De steeds weer opnieuw opgewekte
+nieuwsgierigheid en de steeds opnieuw in werking gebrachte verbeelding
+verschaffen het bekleede lichaam een nimmer verzwakkende zinnelijke
+bekoring. Het decolleteeren nu schijnt een tegemoetkoming aan
+deze nieuwsgierigheid. Niet echter om die nieuwsgierigheid te
+bevredigen--daarmee ware niets gewonnen--maar integendeel om haar
+nog sterker te prikkelen.
+
+Zoo blijkt uit het decolleté hoe diep en hoe grondig de mode zich in
+het haar ter oplossing gegeven thema heeft ingedacht. Zij maakt met de
+strategie van een wereldveroverend veldheer geniaal gebruik van elke
+voor de hand liggende en meer nog van elke niet voor de hand liggende
+gunstige omstandigheid. Met de decolletage benut zij het feit, dat
+gedeeltelijke en beperkte tegemoetkoming niet leidt tot bevrediging
+der nieuwsgierigheid, maar tot nog grootere nieuwsgierigheid:
+zij exploiteert met de ten deele ontbloote boezems met weergalooze
+handigheid het verschijnsel, dat een enkel woord van een geheim de
+nieuwsgierigheid om alles te weten opvoert tot de uiterste grens
+van spanning.
+
+Dat het decolleteeren geen ander dan het hier geschetste doel beoogt,
+en dat men dit ten allen tijde ook zeer goed geweten heeft, valt direct
+te bewijzen met tal van verbodsbepalingen dienaangaande. Zoo waren
+er in tijden, waarin het decolleté niet alleen binnenshuis maar ook
+daarbuiten mode was, veelal allerlei voorschriften, hetzij wettelijke
+verordeningen, hetzij decreeten van den goeden toon, die de aanwending
+van dit lokmiddel aan zekere regelen onderwierpen. Herhaaldelijk komt
+men daarbij voorschriften tegen die aan ongehuwde vrouwen een lager
+decolleté toestaan dan aan getrouwde vrouwen. Weduwen worden dan
+in dit opzicht als gehuwd aangemerkt totdat de wettelijke termijn,
+binnen welke zij geen nieuw huwelijk mochten aangaan, verstreken
+was. Daarna mochten zij zich weer decolleteeren als jonge meisjes. Met
+deze regeling werd natuurlijk zonder meer erkend, dat het decolleté
+mannenvangst beoogde, en dat dit recht eigenlijk alleen aan ongehuwde
+vrouwen toekwam.
+
+De bedoeling van het decolleté is ontegenzeggelijk alleen deze, den
+boezem prijs te geven aan de blikken der mannen teneinde zinnelijke
+bekoring uit te oefenen. Of daarbij precies doelbewust dan wel
+werktuigelijk en uit navolgingssleur wordt gehandeld, is natuurlijk
+vrijwel om het even.
+
+Nu laat de zinnelijkheid zich het allerminst bekoren door openlijk
+vertoon, zonder meer. Er is een vorm van decolleté, die slechts
+weinig bekoort en waarbij de bekorende kracht in elk geval slechts
+van korten duur is: het toonen van den boezem in zijn eenvoudige
+naaktheid, zooals men het gezicht en de handen bloot laat. Er zijn
+tijden geweest, waarin dit de mode was. En steeds bleek dan, dat er
+in een ommezien van tijd ook van dit, als kostbaarste sieraad der
+vrouw en als het heerlijkst erotisch wonder der schepping zoo vaak
+bezongen uitgangspunt van zinnelijke aantrekkingskracht, niet meer
+bekoring uitging, dan van gezicht of handen. Naaktheid heeft geen
+blijvende bekoorlijkheid. Deze vorm van decolleté beantwoordde dan ook
+allerminst aan het gestelde doel en is dan ook waarschijnlijk zelden of
+nooit als direct middel ter bekoring bedoeld. Daarvoor zijn een menigte
+andere manieren van ontblooting uitgedacht--gedeeltelijke ontblooting,
+waarbij het zichtbaar gedeelte de nieuwsgierigheid naar de rest had
+te prikkelen; en de bedekte ontblooting, waarbij het kleed los den
+boezem bedekte en op elk gewenscht oogenblik opengeworpen kon worden,
+evenals de rok kan worden opgenomen om het been te toonen.
+
+Zoo heeft het decolleté zoolang de mode de vrouwenkleeding beheerscht,
+regelmatig heen en weer geschommeld tusschen een minimale en een
+maximale ontblooting. Bij dat maximum werd het kleed zoover opengelegd,
+dat vrijwel de geheele voorkant van het bovenlichaam aan de blikken
+werd prijsgegeven. Koningin Isabella van Beieren bracht in de 16e
+eeuw een mode in zwang, waarbij het kleed van den hals tot aan den
+middel openhing, en aan haar hof moet deze mode onmiddellijk met een
+waren hartstocht zijn aangenomen. In de 16e eeuw heerschte deze mode
+herhaaldelijk en er werden toen nog allerlei middelen bedacht, om het
+erotisch effect nog te verhoogen: rondom de borsten werden schitterende
+versierselen gelegd; ook werden wel beide tepels verbonden door met
+diamanten bezette borstketens.
+
+Van langen duur zijn zulke modes echter nimmer geweest. Tegen een
+zoo ver en zoo consequent doorgevoerden zin voor openbaarheid staken
+steeds onmiddellijk zware stormen van oppositie op. En wel uit
+de vrouwenwereld zelf. Misschien uit mededoogen met de bedreigde
+zedelijkheid. Vermoedelijk en waarschijnlijk echter om nog een
+andere reden, die dan tevens de eigenlijke reden was. Een zoo ver
+gaand decolleté konden natuurlijk slechts de zeer weinige zeer ruim
+met boezemschoon bedeelde vrouwen zich veroorloven. Zij die op dit
+punt niet bijzonder op de vrijgevigheid der natuur hadden te roemen
+of die reeds tot meer respectabelen dan bekoorlijken leeftijd waren
+geklommen, gevoelden jegens zulke modes heel gauw onoverkomelijke
+"gemoedsbezwaren", die zich dan lucht gaven in een categorisch non
+possumus. Deze categorie van vrouwen nu maakt ten allen tijde de groote
+meerderheid uit en door haar aantal reeds weten zij dan weldra een haar
+zoozeer ongunstige en dus onwelgevallige mode in miscrediet te brengen.
+
+De allereerste eisch voor een mode om wat haar hoofdlijnen betreft
+langen tijd te kunnen heerschen is, dat zij alle vrouwen in staat
+stelt erotische aantrekking uit te oefenen. Een mode, die de volle
+werkelijkheid onthult, voldoet wel het minst aan dien eisch. Haar
+bestaan is daarom altijd van korten duur. En de mode is daar om alle
+vrouwen in den strijd om het sexueel bestaan een kans te geven. Om
+die reden schommelde het decolleté meestal tusschen grenzen, waarbij
+de mannelijke nieuwsgierigheid in voldoende mate geprikkeld werd,
+zonder dat omtrent de werkelijkheid iets bepaalds viel waar te nemen,
+en die elke mogelijkheid openlieten om de natuur te corrigeeren en
+aan te vullen naar den eisch van het schoonheidsideaal van den dag.
+
+De mode heeft het van tijd tot tijd ook wenschelijk en voor haar
+doel nuttig geacht heel niet te decolleteeren, tenminste in het
+openbaar. Zoo is het geweest in ongeveer de geheele 19e eeuw. Maar
+nooit werd daarmee dan tevens het werken met de erotische bekoring
+van den boezem prijsgegeven. Integendeel, het probleem werd dan in
+tegenovergestelde richting even bevredigend opgelost. Wat getoond moest
+worden bleef angstvallig bedekt, maar daarbij werd even angstvallig
+zorg gedragen, dat het verborgene zijn aanwezigheid even duidelijk
+verried als wanneer het onbedekt ware gelaten. Het beginsel, waardoor
+de mode zich bij het oplossen van dit ingewikkelde vraagstuk liet
+leiden, was dit: de vrouw moet geheel bekleed zijn en toch het effect
+maken van niet bekleed te zijn. Hoe weergaloos geniaal dit schijnbaar
+absurde probleem is opgelost, daarvan getuigen heele reeksen van
+modes uit den modernen tijd. Het meerendeel der moderne vrouwenmodes,
+waarbij letterlijk niets onbedekt wordt gelaten, maakt niettemin
+een veel zinnelijker effect dan vele openlijk losbandige modes uit
+vroegere tijden met al hare verregaande ontblootingen, en zij zijn
+samen te vatten in de formule: in kleederen naakt.
+
+Niet minder merkwaardig is het spel, dat de mode in den loop
+des tijds heeft gedreven met de bekleeding van het onderlichaam,
+den rok. Bij dit kleedingstuk, dat een heele reeks bekoorlijkheden
+drastisch moet demonstreeren, komt in alle tijden nog duidelijker uit,
+dat het hoofddoel der vrouwelijke kleeding is: zinnelijke bekoring
+uit te oefenen op de andere sexe en der vrouw de jacht op den man
+te vergemakkelijken. Het pronken met den boezem laat nog plaats voor
+andere opvattingen; de boezem der vrouw is van majestueuse schoonheid,
+zijn aanblik kan verheven gedachten wekken, waaraan zinnelijkheid
+vreemd is. Maar de bekoorlijkheden waar de rok de aandacht der andere
+sexe bij heeft te bepalen, zijn van geheel anderen, van direct en
+uitsluitend zinnelijken aard. De rok heeft der mode ten allen tijde
+groote moeilijkheden bereid. Met eenvoudige niet-bedekking kon hier
+gevoegelijk niet worden gewerkt. Daarom zocht men het steeds in het
+opzichtige en buitensporige, en de meeste en allerergste modedwaasheden
+betreffen dan ook den rok.
+
+De meest in het oog springende dwaasheden, die met den
+vrouwenrok alzoo zijn begaan, bestaan in zijn buitensporige
+verlenging, zijn buitensporige verwijding en zijn buitensporige
+vernauwing. Buitensporige verkorting is daarentegen ondoelmatig
+gebleken.
+
+Het zoeken van de mode, om het erotisch probleem van den rok op
+te lossen in diens lengte, heeft als uiterste opgeleverd den rok
+met sleep. De sleep is telkens, als de mode hem invoerde, langen
+tijd in zwang gebleven. Hij beantwoordde niet alleen aan de eerste
+eischen, die de mode stelt aan ieder kleedingstuk van de vrouw,
+maar hij bleek tevens uitermate geschikt om hem te laten getuigen
+van den welstand der draagster. De sleep toch belet elke vrije
+beweging. Alleen rijke en voorname vrouwen kunnen zich de weelde
+veroorloven kleederen te dragen die dwingen tot nietsdoen, en als met
+geweld tot welke bezigheid ook, ongeschikt maken. Een sleep met zich
+mee te voeren gaf dus rijkdom, macht, aanzien te kennen. Zoo was de
+sleep het symbool van voornaamheid en deftigheid. En hij beantwoordde
+tevens bij uitstek aan het hoofddoel, dat met elk kleedingstuk der
+vrouw in de eerste plaats wordt beoogd. Hoe langer de rok is, des
+te vaker ziet de vrouw zich gedwongen hem op te nemen, en des te
+hooger ook moet hij worden opgenomen. Er is geen beter voorwendsel
+om op ongezocht schijnende wijze de beenen te toonen, dan te lange
+rokken te dragen. Bij den sleeprok heeft de vindingrijke mode dus de
+omgekeerde methode te baat genomen als bij den boezem: zij ontbloot
+niet, maar geeft te veel, en schept daardoor de "noodzakelijkheid"
+dat te veel ieder oogenblik buiten werking te stellen. Of en wanneer
+die noodzakelijkheid zich voordoet, daarover beslist de draagster,
+en natuurlijk valt dan die noodzakelijkheid telkens zeer opmerkelijk
+samen met de directe utiliteit dier manoeuvre.
+
+Uit een en ander valt zonder veel moeite de conclusie te trekken, dat
+het stelselmatig en overdreven angstvallig verbergen der beenen door
+de vrouwenkleeding niet geschiedt ter wille der schaamachtigheid, die
+delicate intimiteiten aan het gezicht zoekt te onttrekken, maar juist
+ter wille van het tegendeel. Men bedekt overdreven om voorwendsels aan
+de hand te doen tot onthulling en dat juist dan te doen als daarvan
+effect mag worden verwacht. Vandaar is de korte, voetvrije rok als
+erotisch lokmiddel veel minder bruikbaar dan de te lange rok, want
+hij biedt geen gelegenheid tot doeltreffend manoeuvreeren.
+
+De oplossing van het probleem door een buitensporig verwijden rok
+schiep nog meer mogelijkheden om de beenen--niet te bedekken. Deze
+vorm van rokken is vooral in de 18e en 19e eeuw onder de benamingen
+hoepel-, baleinrok en crinoline in de mode geweest. Deze rokken komen
+ons heden verregaand afschuwelijk voor. Zij maakten de vrouwen tot
+wangedrochten. Maar dat zij zoo lang in de mode bleven bewijst op
+zichzelf reeds, dat zij niettemin volkomen beantwoordden aan hun doel.
+
+Zooals van zoovele buitensporigheden der mode, wordt de uitvinding
+van den wijduitstaande rok toegeschreven aan een vorstelijke minnares,
+en wel aan mevr. de Montespan. Als bewijs daarvoor beroept men zich op
+een brief van hertogin Elisabeth Charlotte van 22 Juli 1718, waarin
+het heet: "Madame de Montespan heeft den hoepelrok uitgevonden om
+te verbergen dat zij zwanger was (de Montespan stierf in 1707). Want
+telkens als zij dien rok aanhad was het alsof op haar voorhoofd stond
+geschreven dat zij weer zwanger was; ten hove zeide men dan tegen
+elkander: Madame de Montespan draagt haar hoepelrok, ze is dus weer
+zwanger. Ik geloof echter, dat zij zich maar zoo hield in de hoop
+weer wat meer consideratie te ondervinden."
+
+Dat de wijde rok niet is uitgevonden door Mevr. de Montespan blijkt
+evenwel ten duidelijkste hieruit, dat zulke rokken veel vroeger reeds
+in Engeland gedragen werden. Daarentegen is het niet onwaarschijnlijk,
+dat er datgene mee werd beoogd, wat in bovenaangehaald citaat
+aan de minnares van Lodewijk XIV werd toegedicht: zwangerschap
+te verbergen. Reeds hierom is dit waarschijnlijk wijl in dien
+dartelen tijd ongeveer elke dame zich dagelijks aan het gevaar eener
+buitenechtelijke zwangerschap blootstelde, terwijl zwangerschap,
+zooals gewoonlijk in tijden van zinnelijke ontaarding, als iets
+belachelijks, als iets doms en bespottelijks gold. Zoodoende was er
+de dames alles aan gelegen haar fataal malheur op het gladde ijs der
+galanterie zoo lang mogelijk te verbergen. Hierop zullen wij later
+ruimschoots gelegenheid hebben uitvoeriger terug te komen.
+
+In elk geval valt hiermee moeilijk te verklaren, dat deze rok, in
+weerwil van zijn tallooze ongemakken en zijn verregaande leelijkheid,
+toch tot driemaal toe geruimen tijd in de mode is herrezen. Daarvoor
+moeten nog andere redenen zijn geweest. En het is niet moeilijk die te
+ontdekken. De wijd uitstaande stijve rok was een vorm van bedekking,
+die de vrouwen tot veelvuldige en telkens langdurige en verstgaande
+onthulling van wat zij niet wenschte te verbergen niet slechts
+verleidde, maar direct noodzaakte. De hoepelrok-dragende dame moest
+bij het gaan, door de vele hindernissen die zich daarbij noodzakelijk
+moesten voordoen, eenige dozijnen keeren per uur zich op de meest
+drastisch werkende wijze ten toon stellen. Dit beteekende, dat zij
+even zooveel malen zich de vurig begeerde gelegenheid ongezocht zag
+geboden om met hare meest intieme bekoorlijkheden op het verleidelijkst
+te pronken. De constructie dezer rokken was zoo, dat zij als het ware
+van zelf een zich openend en weer sluitend decolleté van onderen naar
+boven deden ontstaan.
+
+De voorliefde der vrouwenwereld voor deze gedrochtelijke rokken
+berustte dus eenvoudig op hunne erotische doelmatigheid. Voor
+een kleedingstuk, dat haar steeds een als betooverd gevolg van
+exemplaren der andere sexe garandeert, trotseert de vrouw met vreugde
+en heroïeke zelfopoffering alle ongemakken, iederen last. En de mode
+heeft nog geen zekerder werkend toestel kunnen vinden dan deze soort
+rokken. Zijn zonderlinge vorm moest elk oogenblik onvermijdelijk even
+zonderlinge ontblootingen, d.w.z. gelegenheden daartoe, veroorzaken. En
+de noodzakelijke voorwaarde, dat die ontblootingen steeds konden
+doorgaan voor _onopzettelijk_, ongewild en _ongezocht_, was daarbij in
+ruime mate aanwezig. Al die opzettelijke ongelukjes hadden het extra
+verlokkende en verleidelijke van het toevallige en momenteele. En welke
+ongehoorde perspectieven de wijduitstaande rok elk oogenblik beloofde,
+bijvoorbeeld bij het opgaan der trappen, bij het instappen in een
+rijtuig en bij tallooze andere gelegenheden, kan men zich heden ten
+dage eerst duidelijk voorstellen als men weet dat in dien tijd van een
+dessous nog eigenlijk geen sprake was. Onder de baleinrok werd slechts
+een zeer kort onderrokje gedragen en een pantalon was in de geheele
+17e en 18e eeuw een diep veracht kleedingstuk. Het gold voor de vrouw
+als iets zeer onbetamelijks en schandelijks, een pantalon te dragen,
+deze werd alleen welvoegelijk geacht voor oude vrouwen. Alleen bij
+het rijden droegen de dames een pantalon. Door dit alles schonk de
+hoepel- of baleinrok de vrouw de zekerheid, dat ten allen tijde vurige
+blikken in hoopvolle verwachting op haar waren gevestigd, blikken,
+die in spanning het oogenblik verbeidden, dat een gelukkig toeval,
+of een ondeugende streek van den wind de zoozeer begeerde openbaring
+zou bewerken. Iets pikanters valt trouwens nauwelijks te bedenken. Niet
+in den roes der overgave, maar in de meest onschuldige en onverwachte
+situaties en op de meest ongezocht schijnende manieren konden met
+behulp van dezen rok de intiemste bekoorlijkheden voor een ondeelbaar
+oogenblik aan de nieuwsgierigen blikken worden prijsgegeven. En deze
+openbaring van een oogenblik was, naar de ervaring dag aan dag leerde,
+voldoende om den blik der mannen in den geest ook verder te doen
+doordringen en hun verbeelding heen te leiden naar het laatste. Het
+was de tot de uiterste grens opgevoerde tegemoetkoming der vrouw aan
+de wenschen van den man, de echt vrouwelijk gemaskeerde toenadering,
+waarbij niets werd nagelaten en toch niets kon worden bewezen en
+de schijn nog in ten volle bevredigende mate gehandhaafd bleef. De
+hoepelrok, hoe monsterachtig en hoe wanstaltig ook, hulde de vrouw
+in een wolk van erotische bekoring met onweerstaanbaar aantrekkend
+vermogen. Aan den eersten en hoogsten eisch, aan welk kleedingstuk
+der vrouw ook gesteld, werd door dezen rok op bijna, ideëel volmaakte
+wijze voldaan. En daarom was hij voor de vrouw een inderdaad ideëel
+kleedingstuk, een der doelmatigste en dus schoonste geschenken der
+mode aan de vrouw.
+
+De nauwe rok heeft hetzelfde probleem in tegenovergestelde richting,
+maar niet minder bevredigend, opgelost. De mode wijzigt zich naar de
+algemeene inzichten en opvattingen van het oogenblik. In den eenen
+tijd worden groteske middelen vereischt, in den anderen tijd kan de
+mode met meer natuurlijke volstaan. Met den nauwen rok wordt niets
+onthuld en alles getoond. De vormen blijven bedekt, maar het oog kan
+al hun lijnen volgen, ook de intiemste en meest delicate, niets wordt
+werkelijk gezien, maar alles valt te raden; men ziet de werkelijkheid,
+maar nog gehuld in den sluier der illusie.
+
+Kortgeleden heeft de mode een vergeefsche poging gewaagd, nog een stap
+verder te gaan, en de vrouwen een kleedingstuk te geven, dat het midden
+hield tusschen rok en pantalon. De _erotische_ bekoring, zooals de
+vrouw die wenscht, bleek van dat kleedingstuk echter gering. Ondanks
+de grootste reclame is het de mode niet mogen gelukken het ingang te
+doen vinden.
+
+Op precies dezelfde manier als de bekleeding met bovenkleeding slechts
+een middel is om de nieuwsgierigheid naar het verborgene te prikkelen,
+en die nieuwsgierigheid nog te versterken door gedeeltelijke of
+momenteele onthullingen--op precies dezelfde manier woekert de mode in
+de kleeding der vrouw met elk ander kleedingstuk. Ook het schijnbaar
+geringste en meest ondergeschikte heeft zijn hooge erotische beteekenis
+en zijn bepaalde erotische functie--van den hoogen hak der schoen
+(die zelfs een sterk geprononceerde erotische beteekenis heeft, wijl
+hij het lichaam een stand geeft, waarbij de boezem naar voren en de
+callipygische heerlijkheden naar achteren zich scherper afteekenen) tot
+de versierselen van het hoofdhaar, alles staat bij de vrouw in directen
+en regelrechten dienst der passieve verlokking, alles heeft dit eene
+doel: de andere sexe toe te roepen: vergeet-mij-niet. Daartegenover
+staat, dat de vrouw, zoodra zij er zich van bewust wordt dat zij
+in sexueel opzicht heeft afgedaan, dikwijls volkomen onverschillig
+wordt voor kleeding en voor allen opschik, en dan niet zelden aan
+de verzorging harer uiterlijke verschijning evenveel te weinig zorg
+besteedt als vroeger te veel. Dit ligt trouwens in den aard der vrouw,
+die overhelt tot uitersten.
+
+Ongeveer altijd kiest de mode een bepaald centrum van bekoorlijkheden
+van het vrouwelijk lichaam uit, om daarop allermeest de attentie te
+doen vallen. En heeft zij eenmaal een keus gedaan, dan ontziet zij
+verder geen middel om haar doel zoo volkomen mogelijk te bereiken. Dat
+is een kwarteeuw geleden gebleken, toen het een tijdlang de mode was
+inzonderheid te pronken met callipygische bekoorlijkheden. Met behulp
+van den cul de Paris of de tournure was toen eensklaps elke vrouw
+uiterlijk herschapen in een Venus Kallipygos. Deze mode viel ook daarom
+zoo in den smaak, wijl zij onmiddellijk zoozeer in de gunst viel ook
+der oudere dames. Het onthaal dat een nieuwe mode vindt, de opgang,
+dien zij maakt, en de levensduur, die haar is beschoren, hangen in
+niet geringe mate af van de dames van middelbaren leeftijd; deze toch
+hebben het vrijwel in haar macht, een mode die haar niet aanstaat,
+in korten tijd in miscrediet te brengen. En een nieuwe mode staat
+deze dames het best aan, als zij ook haar eenige gelegenheid biedt
+om nog eenige laatste triumfen te vieren. En de mode der tournure
+was haar bijzonder gunstig. Alle schoonheden zijn vergankelijk,
+enkele der heerlijkste schoonheden bloeien alleen in de jeugd, andere
+zijn duurzamer, het duurzaamste zijn de bekoorlijkheden van Venus
+Kallipygos; de volheid dier bekoorlijkheden is op den leeftijd der
+rijpheid zelfs het grootst. Vandaar de geestdrift waarmee deze mode
+door de in leeftijd reeds ietwat gevorderde dames geaccepteerd en
+met alle argumenten--behalve de ware--verdedigd werd.
+
+Deze mode was zooveel als een omkeering der decolletage. De rol, die
+anders de borsten speelden, werd nu door haar tegenvoeters vervuld;
+het uitstralingscentrum van erotische aantrekking was van de noordpool
+verplaatst naar de zuidpool.
+
+Wat bij deze wel doeltreffende maar weinig delicate mode eenigszins
+zou kunnen verwonderen, is dit, dat zij viel midden in een periode
+van zeer hooggestemde fatsoensbegrippen, waarvan wij in het hoofdstuk
+over de Sexueele moraal (volgend deel) nader komen te spreken. En
+in werkelijkheid was de callipygische mode bij het schaamtelooze af
+indecent; in tweeërlei opzicht zocht zij het lager bij den grond
+dan de modes, die bij uitnemendheid als onkiesch en onbetamelijk
+gelden, die namelijk, welke de vrouwen met den ontblooten boezem laten
+pronken. Weliswaar kan men in het algemeen zeggen, dat het lichaam geen
+enkele bekoorlijkheid bezit, die op zichzelf verachtelijk of van lagere
+orde is. Voor callipygische schoonheden behoeft de bezitster zich
+evenmin te schamen als voor welke andere natuurlijke schoonheid. Maar
+zoo zeker als dit is, even zeker is het, dat de aard der effecten
+van alle schoonheden in het minst niet gelijk staat. Het effect van
+den vrouwelijken boezem kan rein zijn. De boezem is niet slechts het
+heerlijkst erotisch wonder aan de vrouw, maar tevens het verhevenste
+erotisch wonder. Hij vertegenwoordigt niet louter het genot, maar hij
+is ook het symbool van de verheven bestemming der vrouw. Hij getuigt
+meer nog dan van de heerlijkheid der vrouw, van de gloriën van het
+moederschap. De equatoriale bekoorlijkheden daarentegen zijn direct en
+uitsluitend zinnelijk; zij zijn provoceerend erotisch, zij voeren de
+phantasie zonder omwegen regelrecht heen naar het laatste en vestigen
+de aandacht zonder meer op de geslachtsgemeenschap. En onder die
+bekoorlijkheden van lager orde zijn de callipygische ontegenzeggelijk
+de brutaalste en grofste. Daarmee te pronken is wel de duidelijkste
+en meest directe provocatie van den erotischen stormloop der mannen,
+en het minst delicate erotisch gastmaal, dat de mode aan de zinnelijke
+mannenoogen ooit heeft voorgezet.
+
+Een der jongste vindingen der altijd met weer nieuwe vindingen
+verrassende mode is de blouse. Deze heeft weer de algemeene
+taak zóó te verbergen, dat niets verborgen blijft. Ook de blouse
+beantwoordt volkomen aan dezen eisch. En wel op zeer bijzondere en
+zeer geraffineerde wijze. Zij verraadt niet, zooals de bovenkleeding
+in het algemeen, den plastischen vorm, maar die velerlei kleine
+verborgenheden en heimelijkheden waarnaar de man zoo nieuwsgierig is
+en die zijn nieuwsgierigheid, hoe ook bevredigd, altijd weer sterker
+prikkelen. In de eerste plaats veroorlooft de blouse effectvol te
+woekeren met de pikante linnen- en kantwonderen, daaronder als in
+hinderlaag opgesteld. Gelijk het retroussé in staat stelt de met
+kant afgezette jupon, en van tijd tot tijd zelfs de dartele volants
+van nog intiemer kleedingstuk hun werk te laten doen, evenzoo is
+de blouse bestemd met de niet minder pikante ondertaille en verdere
+chemiserieën te manoeuvreeren.
+
+De blouse is gedurende haar betrekkelijk kort maar glorierijk bestaan
+al herhaaldelijk verbeterd en daardoor voor haar edel doel telkens
+geschikter gemaakt. De laatste vinding is geweest haar laag uit
+te snijden en de uitsnijding weer te vullen met à jour entredeux,
+die alles lieten zien wat zij verborgen. Daarmee was met de blouse
+alles bereikt, wat met haar te bereiken viel. De man kon op zijn
+gemak alle voor hem zoo interessante en voor de vrouw zoo vleiende
+waarnemingen ongehinderd doen. Het was als een naar alle regelen der
+kunst opgemaakte etalage. En waar de draagster het van pas oordeelde
+eenige toenadering te toonen, daar behoefde zij zich slechts ongezocht
+een weinig voorover te buigen, om den begunstigde nog meer zekerheid
+te verschaffen omtrent de hem interesseerende punten. En zulks kon
+geschieden zonder iets te riskeeren, verdere tegemoetkoming was ook
+bij den besten wil niet meer doenlijk, want deze blouses hadden en
+hebben steeds rugsluiting. Dit is echter een voordeel te meer van deze
+etalageblouse. De heerlijkheden, die de beschouwer te zien krijgt,
+maken hem door hun onbereikbaarheid nog begeeriger en hongeriger en
+wekken tenslotte ook den kooplust.
+
+De mode, die de vrouwenwereld tallooze diensten bewijst, is niettemin
+de boosaardigste en wreedaardigste vijandin van de vrouw, gelijk wij
+boven al hebben uiteengezet. Met haar voortoovering van schijnschoon
+heeft zij in ontelbare gevallen wezenlijk schoon voor altijd
+verwoest. Doch alle strijd tegen de mode is tot dusver nutteloos
+en doelloos gebleken, en haar almacht over de vrouw is nog altijd
+ongeschokt, zij is voor iederen strijder een onvatbare vijandin. Op één
+punt verslagen, herrijst zij als een onsterfelijke fenix onmiddellijk
+weer uit haar asch. Ook heden nog dient de kleeding in de allereerste
+plaats erotische doeleinden. Elk vrouwenkleed is er op berekend om
+den man er toe te brengen in gedachten de draagster te ontkleeden en
+te genieten. Met haar kleeding wil de groote meerderheid der vrouwen
+eenvoudig de begeerte der andere sexe wekken, bewust of onbewust
+(maar meestal bewust), direct gevolg van de wet der passiviteit,
+die haar een afwachtende houding heeft opgelegd, welke wet zij
+tegelijkertijd naleeft en overtreedt. Het is pikant en streelend voor
+de vrouwelijke eigenliefde, zich ten alle tijde door velen bewonderd
+en in den geest genoten te weten, en dit genot verzekert haar alleen
+de mode, die daarbij nog de kansen verhoogt op meer tastbare successen.
+
+
+
+De vrijheid om met de kleeding erotisch te manoeuvreeren is ten allen
+tijde aangemerkt als een standsvoorrecht. In vroegere tijden werd aan
+de vrouwen uit het volk eenvoudig verboden zich te kleeden, zooals
+de vrouwen der hoogere standen. Er zijn tallooze verbodsbepalingen
+uitgevaardigd, die aan "gewone" vrouwen het dragen van een of ander
+erotisch zeer effectvol kleedingstuk ontzegden. Nimmer daarentegen
+is ergens aan de vrouwen het dragen verboden van kleeding die haar
+verleelijkten en ontsierden. Gelijk de economische machtsmiddelen
+in het algemeen beschouwd werden als een uitsluitend voor de hoogere
+standen bestemde gave der natuur, zoo zijn ten allen tijde de erotische
+machtsmiddelen aangemerkt als het speciale voorrecht van de beter
+gesitueerde vrouw.
+
+Met de komst der burgerlijke gelijkheid voor de wet was dit voorrecht
+niet meer in stand te houden met wettelijke maatregelen. Maar het
+streven om het te handhaven bestaat nog evenzeer als voorheen en
+met andere middelen wordt het dan ook nog evenzeer gehandhaafd
+als vroeger. Het voornaamste middel daartoe is de kostbaarheid der
+materialen. Door deze op te voeren tot een zekere hoogte wordt een
+groot deel der vrouwenwereld van het deelnemen aan den erotischen
+kruistocht tegen de mannenwereld automatisch uitgesloten. Een tweede
+middel is de snelle wisseling der mode. Door beide middelen vereenigd
+beschikt de rijkste steeds over de verst-dragende en nieuwste wapens
+in den sexueelen strijd.
+
+Een derde middel is nog de zorgvuldige beïnvloeding der kleedingzeden
+in de richting van het standsvoorrecht. Bij het toepassen van dit
+middel komt vooral ook de kerk te hulp. De toepassing van het middel
+ligt opgesloten in de machtspreuk, dat het de meid niet past evenzoo
+gekleed te gaan als mevrouw. In die formule uit zich niet in de eerste
+plaats de vrees voor uitwissching der standsgrenzen, maar het bedreigde
+voorrecht van in erotische kleeding den boventoon te voeren. Angst
+voor geslachtelijk de mindere te zijn van de maatschappelijk mindere,
+is er in aan het woord.
+
+In den jongsten tijd is b.v. het gedecolleteerde balkleed beschouwd
+als de uitrusting, waarop uitsluitend de hoogere standen recht
+hebben. Het zou de hevigste verontwaardiging wekken, als het
+dienstmeisje gedecolleteerd naar bals zou gaan, terwijl men het heel
+natuurlijk vindt dat zelfs jonge meisjes uit eigen kring zich in de
+meest schaamtelooze drachten voor de mannen te pronk stellen. George
+Hirth schrijft hieromtrent in zijn werk: _Wege zur Kunst_: "De kunst,
+jonge meisjes in gedachten te ontkleeden en te genieten, leert men het
+best op hof- of dergelijke bals, waarbij voor de vrouwen ontblooting
+van een groot deel van het bovenlichaam obligatoir is. En het is
+verbazend, hoe gauw jonge vrouwen der hoogste standen zich met deze
+voor ons mannen zoo prikkelende tepronkstelling verzoenen. Niettemin
+zouden diezelfde vrouwen met verachting den neus ophalen, als op bals
+van het mindere volk de vrouwen een even diepen blik lieten slaan in
+haar erotische verborgenheden."
+
+Dat bij de minder welgestelde klassen het decolleté en zoovele andere
+erotische manoeuvres met de kleeding bijna niet voorkomen, heeft
+natuurlijk een andere oorzaak, dan dat zij het uitsluitend recht
+der bemiddelden op het toepassen van deze erotische kunstmiddelen
+zouden erkennen. De ware oorzaak is, dat deze modes een zeer hoog
+minimum van luxe in de kleeding vereischen, een luxe die verre boven
+haar pecunaire draagkracht gaat. De mode is echter een industrie, en
+als elke industrie streeft zij er voortdurend naar, haar afzetgebied
+te vergrooten en uit te breiden. En weinige industrieën hebben het
+zoozeer in haar macht, haar afzetgebied zoo oneindig en nog altijd
+meer uit te breiden, als de mode. Zoo zij hare wonderproducten
+slechts financieel binnen het bereik brengt der massa, dan is die
+massa onmiddellijk bereid die producten te koopen. Veel heeft de
+mode al in die richting gedaan. Met een variant op een stelling van
+een vermaard philosoof kan men zeggen, dat met de goedkoopte van de
+scheppingen der mode alle Chineesche muren van standsverschil, voor
+het uiterlijk tenminste, zijn weggevallen. Sinds het meisje uit het
+volk zich goedkoop naar de mode kan kleeden, is zij een even gedweëe
+slavin dezer tiranieke heerscheres gebleken, als haar beter met
+geldelijke middelen toegeruste sexegenooten. Haar offervaardigheid
+jegens dezen afgod is zelfs nog grooter, want veelal moet zij zich
+in diens dienst verder nagenoeg alles ontzeggen. Gewillig offert zij
+hem haar eersten en laatsten stuiver.
+
+
+
+De kleeding als uiterlijk kenmerk der sexe is reeds vroeg een onderwerp
+geweest, waarmee ook de wetgever zich inliet. En daarbij doet zich
+het eigenaardig verschijnsel voor, dat de wetten zich meer inlieten
+met den aard der kleeding, dan met het gekleed-zijn zelf. Blijkbaar
+heeft zich maar hoogstzelden de noodzakelijkheid voorgedaan--en dan
+nog slechts in enkele alleenstaande gevallen--dat een gemeenschap haar
+leden de verplichting moest opleggen zich te kleeden. De voordeelen
+der kleeding in sexueel zoowel als in ander opzicht, zijn ten allen
+tijde zoo ten volle begrepen, dat alleen dwepers, krankzinnigen en
+andere geestelijk-abnormalen de voorkeur hebben gegeven aan naakt
+loopen. Anders schijnt het echter gesteld met de kleederdracht, die
+voor de eigen sexe de algemeen gebruikelijke was. Ten alle tijde
+schijnt het noodig te zijn geweest, den mannen te verbieden zich
+te verkleeden als vrouw, en omgekeerd. Reeds Mozes vaardigde een
+dusdanig verbod uit: Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw,
+en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet,
+is den Heere uwen God een gruwel (Deut. 22: 5).
+
+
+
+
+
+IX.
+
+KUISCHHEID.
+
+
+Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De
+zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste
+neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid
+een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De
+aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild
+en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan
+honger stillen en dorst lesschen.
+
+In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid,
+zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander
+beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar
+met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.
+
+Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten,
+dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien
+niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te
+onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te
+dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat
+de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.
+
+Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste
+aller menschelijke hartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het
+gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor
+het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls
+zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid
+een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele
+zeden.
+
+Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen
+geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate
+dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn
+vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het
+voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends
+voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele
+geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige
+sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als
+iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt
+door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische
+verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat,
+de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke
+past dan de huwelijksstaat--een maagdelijk priesterschap alleen mag de
+geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover
+gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar
+opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde
+aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in
+tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.
+
+Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele
+leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel
+zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.
+
+Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer
+bekend. De dochter van Zeus' zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij
+een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven, door den
+oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere
+werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden
+gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te
+Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig
+vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in
+hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den
+Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken
+staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid
+stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht
+aan de vrijwillige sexueele onthouding.
+
+Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets
+minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting
+in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke
+voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den
+onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een
+voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den
+satan, enz.
+
+Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel
+van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke
+waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den
+man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en
+voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen
+hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen
+en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste
+ook evenveel minder worden gevoeld--ook in de wereld der ideeën hangt
+de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.
+
+Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden,
+gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke
+zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de
+vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds
+in de leer van de erfzonde wordt de vrouw kortweg tot de bron van
+alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de
+wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer
+luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De
+kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij
+geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen
+tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging,
+dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.
+
+Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde
+in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man,
+willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen
+tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn
+onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat,
+niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks
+toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten,
+waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zoo
+ontstond de voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de
+vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in
+de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon,
+welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert
+tot hoogere zedelijke volkomenheid.
+
+In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom,
+is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het
+geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal
+is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk
+kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden
+vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster
+van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid
+en schaamden zich.
+
+In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen
+zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid
+geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.
+
+Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor
+de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in
+de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort,
+dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn,
+en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de
+zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het
+allereerst gedood worden.
+
+De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting
+van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke,
+om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk
+hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het
+eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm
+bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige
+stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der
+moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel
+verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.
+
+De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd
+tegen de zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie
+juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht
+onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde
+natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste
+natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.
+
+Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal
+der ascese mogelijk is. "Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende
+religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke
+zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met
+den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs
+impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer
+sexueele geheelonthouding voorschrijft." Maar alvorens de zinnelijkheid
+ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang
+tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit
+het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen
+Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een
+Gode welgevallig werk toescheen.
+
+Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu
+en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang
+in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van
+zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te
+onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke
+waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij
+echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te
+bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel,
+dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te
+komen tot een daad.
+
+De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia,
+die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar
+eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween
+spoedig geheel.
+
+Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij
+een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de
+levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer
+bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het
+hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het
+gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt
+beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot
+op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke
+minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid
+vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid--het
+zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid--zien als iets
+minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee
+eigenlijk onvereenigbaar is.
+
+Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de
+Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken
+geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere
+sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo
+ingrijpend en tevens zoo massaal opgetreden verschijnsel, voorzeker
+een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden,
+is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest
+aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel
+ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan
+hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.
+
+De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch
+individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen
+en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen
+doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in
+den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel
+bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het
+andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.
+
+Al 's menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij
+rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe
+algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt,
+met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een
+dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch
+toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven door verschillende
+andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe
+algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter
+wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere
+neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.
+
+Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige
+weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben
+in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat
+verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in
+de beide voornaamste neigingen, die 's menschen handelingen regeeren,
+worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der
+zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat
+daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke
+oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.
+
+Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen
+ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar
+emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners
+krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde
+omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor
+den mensch sterker kunnen wezen dan de zinnelijkheid; en dat als
+noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de
+zinnelijkheid het onderspit delft.
+
+De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht,
+waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die
+zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen
+slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in
+de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei
+beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het
+middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme,
+waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen
+op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de
+Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat
+hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De
+aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit
+zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen,
+want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom
+onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische
+stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen
+communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde
+reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd,
+waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden
+ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle
+leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er
+geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker
+zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het
+verzekerd stoffelijk bestaan dat 't gemeenschapsleven bood, moest
+noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.
+
+De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit
+godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische
+omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard
+met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid
+niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste
+plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den
+toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk
+verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht
+tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat
+niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig
+mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook
+niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen,
+die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept
+behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.
+
+Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook
+duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate
+de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om
+in zijn tegendeel--van een factor van ontwikkeling werd het een rem
+voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en
+levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid
+met zijn bederf te vergiftigen. Wijl namelijk deze communistische
+vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in
+vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon
+worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte
+noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te
+vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds
+machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over
+den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig
+geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te
+leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven,
+en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de
+gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen
+zijn gewoonlijk van tweeërlei aard--eenerzijds verfijning van het
+leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap
+en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige
+doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden
+kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden
+gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de
+beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters
+in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere
+beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen,
+aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede
+der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder
+edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en
+wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een
+nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.
+
+Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met
+de geheele kerkelijke hierarchie.
+
+Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt
+gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar
+met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen
+weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief
+voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit
+de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke
+voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks
+deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te
+houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie
+daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen
+verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt
+nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie
+een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning,
+moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.
+
+Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid
+der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed
+en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste
+straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der
+zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men
+zich over aan gelijkgeslachtelijke en onnatuurlijke zinnelijkheid. Te
+bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen
+van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs
+verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders
+bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want
+al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de
+oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men
+steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle
+partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat
+reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid
+betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat
+de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en
+zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar
+heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat,
+hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel
+voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat
+verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu
+eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines
+toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van
+inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit
+een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici
+der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde
+geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de
+strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde,
+en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde
+en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het
+meerendeel der priesters en monniken als volgt: "Schendt een priester
+zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door
+de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een
+priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid
+schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen
+worden verbroken, wanneer de priester huwde." Hij maakte alleen dit
+voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke
+omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen
+en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd
+de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de
+pecunaire belangen der kerk opgelost--den priester werd de ongehuwde
+staat vergemakkelijkt en verlicht, en het vermogen der kerk bleef in
+de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook
+rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest
+daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld.
+
+Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door
+geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van
+geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt
+daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij,
+die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van
+kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar
+zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn
+en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik
+tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije
+keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en
+elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk.
+
+Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste
+geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze
+bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan
+te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen
+regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen
+teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere
+afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt
+zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke
+bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht
+en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus
+en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden
+vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de
+gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters
+de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde
+genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets
+kosten--men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen,
+waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de
+meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En
+het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van
+kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden.
+
+Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken
+de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te
+weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te
+wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder groot kwaad was
+dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is
+de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde
+te Straatsburg, uit het jaar 1261: "Aangezien een non, die door den
+aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar
+kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient
+als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek", enz.
+
+De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot
+ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de
+andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen,
+en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te
+houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord
+waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters
+waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo
+werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de
+afschuwelijkste zedenverwildering.
+
+Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op
+voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat
+in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en
+propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en
+steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden,
+waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst
+moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen,
+datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de
+gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege
+wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid.
+
+Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft
+geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot
+geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo
+moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen,
+dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen
+zich poederden, en dat men Jezus Christus' lichaam prostitueerde aan
+de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom
+weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom--de eeuwige
+eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen
+ook in het Christendom voortleven.
+
+De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks
+beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De
+zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen
+door de liefde.
+
+
+
+
+
+
+
+
+End of the Project Gutenberg EBook of Sexueele Zeden in Woord en Beeld, by
+D. Ph. Van Vloten Elderinck
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK SEXUEELE ZEDEN IN WOORD EN BEELD ***
+
+***** This file should be named 23238-8.txt or 23238-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/2/3/2/3/23238/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH F3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.